gahetNA in het Nationaal Archief

Stichting Spijtoptanten Indonesië

2.20.27
W.L.A. Roessingh
Nationaal Archief, Den Haag
1974
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.20.27
Auteur: W.L.A. Roessingh
Nationaal Archief, Den Haag
1974
CC0

Periode:

1949-1969
merendeel 1960-1969

Omvang:

24,60 meter; 326 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief van het comité bevat brieven en rapporten van en over spijtoptanten in Indonesië waaruit hun noodtoestand blijkt en verslagen en rapporten over de houding van de Nederlandse bevolking ten aanzien van deze groep, met suggesties voor een positievere publiciteit.
Voorts stukken gerelateerd aan de Stichting Pelita en de Vereniging Tong-Tong en correspondentie met W.Ch. J. Bastiaans, voorzitter van het plaatselijke NASSI-comité" Groningen en van het Comité voor gerepatriëerden te Groningen, mej. mr. J.J. Th. ten Broecke Hoekstra , lid van de Tweede kamer voor de V.V.D., tevens lid van het Comité NASSI, later voorzitter van het NASSI-adviesbureau en mr. F.H.J.M. Daams, lid van de Tweede Kamer voor de P.V.D.A., tevens lid van het Comité" NASSI en bestuurslid van het NASSI-adviesbureau.
Er is een aparte rubriek documentatie aan het archief toegevoegd.

Archiefvormers:

  • NASSI
  • Nationale Actie Steunt Spijtoptanten Indonesië

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

De Nationale Actie Steunt Spijtoptanten Indonesië (NASSl) kwam op gang nadat de minister van Justitie op 17 februari 1960 zijn "non possumus" had uitgesproken ten aanzien van de evacuatieverruiming voor spijtoptanten

Hiervoor en voor het hierna volgende zie inv.nrs. 3 en 28.

5 april van dat jaar verkreeg zij bij notariële akte de officiële status van een stichting. Haar doel werd toen als volgt omschreven:

  • a. te vertolken de overtuiging van het Nederlandse volk, dat de in Indonesië aanwezige stamgenoten, die in ellende verkeren, door ons geholpen moeten worden, hetgeen vooral inhoudt, dat diegenen, die blijkens aanvragen van een visum bij de Nederlandse regering gedwongen zijn hun toevlucht te zoeken in Nederland, in versneld tempo hierheen komen;
  • b. te bevorderen dat hulp metterdaad gegeven wordt.

Het ging om drie groepen zgn. maatschappelijke Nederlanders:

  1. Een groep van ongeveer 9000 Indische Nederlanders die er spijt van hadden, dat zij in de periode ultimo 1949 "to* 1951 op basis van de Overeenkomst Toescheiding Staatsburgers, welke bij de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië tot stand kwam, voor het Indonesisch staatsburgerschap hadden geopteerd en daarmee automatisch hun Nederlands staatsburgerschap hadden verloren, de zgn. spijtoptanten. Zij kregen spijt toen bleek dat zij door de Indonesische maatschappij, zoals deze zich na de soevereiniteitsoverdracht ontwikkelde, niet als eigen mens en werden opgenomen en het hun onmogelijk werd onder de verhoudingen, die toen ontstonden, te werken en te leven.
  2. Een groep zgn, "gelijkgestelden". Dit waren niet-Nederlanders, die op hun verzoek tijdens het Nederlandse bewind met Europeanen waren gelijkgesteld, dwz. onderworpen waren aan het voor de Europese bevolkingsgroep in Nederlands-Indië geldende recht. Voor deze mensen was er geen keuzemogelijkheid geweest, zij waren bij de soevereiniteitsoverdracht automatisch Indonesisch staatsburger geworden op grond van de eerder genoemde Overeenkomst Toescheiding Staatsburgers van de Ronde Tafel Conferentie. Chinezen en personen van buitenlandse herkomst onder hen hadden het recht het Indonesisch staatsburgerschap te verwerpen of te opteren voor het Nederlanderschap. Voor zover zij dit niet gedaan hebben, kan men hen beschouwen als passieve spijtoptanten. Niet alleen door opleiding, opvoeding en milieu, maar veelal ook door een huwelijk met een Nederlandse vrouw hadden zij Nederlandse gezinnen gevormd en varen aan het Indonesische milieu ontgroeid.
  3. Een kleine groep buitenlanders (Belgen, Fransen, Denen, Duitsers etc.), die geen Nederlandse onderdanen geweest varen, maar door een langdurig verblijf in Nederlands-Indië van het land van geboorte vervreemd varen en bij het uitwijken uit Indonesië op Nederland varen aangewezen.

Vooral de twee eerstgenoemde groep en Indische Nederlanders stonden na de soevereiniteitsoverdracht voor een moeilijke keuze temeer daar het leefmilieu in de eerste jaren na de soevereiniteitsoverdracht nog niet diepgaand veranderd was: er varen nog Nederlandse bedrijven en een groot aantal uit Nederland gezonden werkers, er was nog een Nederlands-Indonesische Unie, er was nog een Nederlandse hoge commissaris. Deze laatste heeft, kennelijk de instructie van de Nederlandse regering opvolgend, omtrent deze keuze van voorlichting gediend, waarbij hij als overtuiging uitsprak dat de Indische Nederlander er verstandig aan deed "het oog niet te zeer op Nederland en het Nederlanderschap gericht te houden", omdat niet-aanvaarding van het Indonesisch staatsburgerschap door hen, die Indonesië toch als hun eigenlijke vaderland beschouwden, zou kunnen leiden "tot verkleining van de arbeidsmogelijkheden en dus tot verzwaring van de strijd om het bestaan van een deel van de Indo-Europese groep" Nederlandse werkgevers in Indonesië zagen zich genoodzaakt hun Indo-Europees personeel voor de keuze te stellen: Indonesisch staatsburger of .... afvloeiing. En omdat ook zij abusievelijk meenden dat het Indonesisch milieu voor de Indische Nederlanders leefbaar zou blijven en zij gesteld waren op net behoud van de werkkracht der Indische Nederlanders stelden zij de keuze voor de Indonesische nationaliteit als een voor de hand liggende zaak voor en werd bij optie voor net Indonesisch staatsburgerschap soms promotie in het vooruitzicht gesteld, Ook de Indonesische regering zelve had immers de Indische Nederlanders, wanneer zij het Indonesische staatsburgerschap zouden aanvaarden, gelijke rechten en kansen toegezegd als de eigenlijke Indonesiërs genoten. Velen werden ook "Warga Negara" om in het bezit te blijven van hun bedrijf of onroerende goederen als huizen en landbouwpercelen.

In de jaren 1956 en 1957 werden de meeste optanten zich bewust van de economische neergang van Indonesië en van de verslechtering van haar relatie tot hun voormalig vaderland. De geweldige opkomst van afgestudeerden der middelbare scholen en de vijf Indonesische universiteiten kwam als een vloedgolf aanzetten op de Indonesische maatschappij. De optanten, die ook als zodanig gekwalificeerd bleven en niet als gelijkberechtigd Warga Negara Indonesië, zagen zich hun voorsprong zienderogen ontglippen. Acuut werd het pas in 1957 toen de meeste Nederlanders gedwongen werden Indonesië te verlaten, doordat zij in een soort rechtsvacuüm kwamen te leven en blootgesteld waren aan ontslag, ziekte zonder uitzicht op genezing, verpaupering en het gesar van de geboren Indonesiërs. Zienderogen nam het aantal optanten, dat nog een goede betrekking had, af. Immers hun directe chefs, Nederlanders, waren vertrokken en de bedrijven werden genaast. De regering voerde een zeer eng toelatingsbeleid van maximaal 2.000 personen bij 14.000 aanvragen voor een visum. Het verstrekken van de visa ging veel te langzaam in verhouding tot de stijgende nood der spijtoptanten. Het aantal per jaar verstrekte visa nam niet toe in verhouding tot de stijging van het aantal aanvragen. In 1957 waren er nog 10.800 aanvragen voor een visum, die in behandeling genomen moesten worden, in 1961 waren dat er nog 8.695 hoewel in deze periode 9.872 visa verstrekt waren. Hiertegen werd behalve door woordvoerders van de verschillende politieke partijen en door net Centraal Comité voor kerkelijk en particulier initiatief voor sociale zorg ten behoeve van gerepatriëerden (C.C.K.P.) vooral ook door het Comité" NASSI fel protest aangetekend. Dat de regering haar toelatingsbeleid t.a.v. de Indische Nederlanders in de loop der jaren verruimde, is voor een groot deel te danken aan de activiteit van het Comité NASSI. Daarnaast verleende het Comité NASSI vooral bemiddeling bij het aanvragen van visa. Zij richtte hiervoor samen met de Stichting Hulp aan landgenoten in Indonesië (H.A.L.I.N.) een speciaal bureau op, het Visumadviesbureau. Deze Stichting H.A.L.I.N., die bij de oprichting van de Stichting Comité HASSI al enige jaren bestond, had zich oorspronkelijk niet tot doel gesteld spijtoptant en naar Nederland te krijgen, maar om hulp te bieden in Indonesië zelf. Met de eerder genoemde C.C.K.P., welke met het Comité NASSI in doelstelling overeenkomst vertoonde, kwam het Visumadviesbureau niet tot samenwerking wegens verschil van inzicht. In 1968 werd het Visumadviesbureau vervangen door het NASSI-adviesbureau onder de dagelijkse leiding van mr. L.J. Tissing, oud-medewerker van het C.C.K.P. Het Visumadviesbureau werkte zeer nauw samen met mej. mr. J.J. Th. ten Broecke Hoekstra, lid van de Tweede kamer voor de V.V.D., tevens lid van het Comité NASSI, die al haar gegevens, o.a. die van de afdeling Vreemdelingenzaken van het ministerie van Justitie betreffende de verlening of afwijzing van visa, direct aan dit adviesbureau doorstuurde. Zij had ook zitting in de zgn. Vaste Commissie voor de Repatriëring (V.C.R.). Deze uit 5 leden van de Tweede kamer samengestelde commissie was de laatste instantie die eventueel nog voor een visumaanvrager kon pleiten en had het recht voor de uitoefening van haar werkzaamheden inzage te vragen van de op de afdeling Vreemdelingenzaken, gevormde dossiers. Vooral de visumaanvragen, waarin door de zgn. Subcommissie Van Vollenhoven een gunstig advies was gegeven, doch die desondanks door de minister van Justitie waren afgewezen, werden in het V.R.C. behandeld. De subcommissie Van Vollenhoven was een ministeriële adviescommissie, waaraan alle visumaanvragen, waarvan de afdeling Vreemdelingenzaken op grond van de antecedenten van de belanghebbenden tot afwijzing meende te moeten overgaan, voorgelegd werden. Zowel de subcommissie Van Vollenhoven als - in hoogste instantie de Vaste Commissie voor de Repatriëring uit de Tweede Kamer konden dan tot een ander standpunt dan de afdeling Vreemdelingenzaken komen en de desbetreffende aanvraag met een gunstig advies doorzenden aan de minister van Justitie, die in alle gevallen de uiteindelijke beslissing nam. In de praktijk bleken dergelijke tegenadviezen weinig invloed te hebben op net ministeriëel beleid.

De samenwerking van het Visumadviesbureau met mej. mr. J.J. Th. ten Broecke Hoekstra had tot gevolg dat op dit bureau een aparte cartotheek werd bijgehouden van al die gevallen van visum aanvragen welke door haar werden behandeld.

Hiervoor en voor het hierna volgende zie inv.nr.59. Ook het afgelegde archief van mej. Ten Broecke Hoekstra werd op het adviesbureau bewaard. Later was zij zelf voorzitster van het NASSI-adviesbureau.

Voorts vormden verscheidene andere particulieren een eigen registratie van spijtoptanten. Als eerste moet genoemd worden mr. F.H.J.M. Daams, lid van de Tweede Kamer voor de P.V.D.A., tevens lid van het Comité" HASSI en bestuurslid van het NASSI-adviesbureau. Daarnaast H.Th. A.A. Hoogvelt en M.B.W. Hendriksz, W. van Russen Groen, Tjalie Robinson en verschillende anderen. Gegevens uit Indonesië kwamen binnen bij de familieleden van de visumaanvragers of bij andere particulieren, die contact onderhielden met Nederlanders in Indonesië. Het Comité" NASSI zelf kon nl. geen correspondentie met in Indonesië verblijvende voeren, omdat de Indonesische regering dit als een ongewenste inmenging in binnenlandse aangelegenheden zou beschouwen.

Een zeer belangrijke figuur was in de jaren 1960-1964 de heer W. Ch. J.Bastiaans, voorzitter van het plaatselijke NASSI-comité" Groningen en van het Comité voor gerepatriëerden te Groningen, waarmee het bestuur van het landelijke Comité" NASSI en het Visumadviesbureau geregeld contact onderhielden.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Ben op zoek naar familie.Een gedeelte woont in, of woonde in Rijswijk zuid Holland maar er kan ook nog familie in
Indonesie wonen op Java.Zijn naam is De heer van der Engh en het was mijn tweede Vader van mij vanaf mij
10 jaar hij is reeds dood mij tweede vader.Ik ben dus op zoek naar familie van hem kan dus ook nog in Den-Haag
zijn maar dat weet ik niet zeker. Ik hoop dat U mij kan helpen.
Hoogachtend: Hr. J.van der Meer.

Jan de bruijn was een broer van mijn vader. Hij is geboren in Buitenzorg ned indie
op 13 augustus 1920.
Terwijl mijn vader in 1951 naar nederland is gegaan, is zijn broer in indonesie gebleven.
Als spijtoptant is hij later naar nederland gekomen. Waarschijnlijk had hij een dochter.
In nederland aangekomen zijn ze later misschien in de provincie zeeland terecht gekomen.
Mijn vader heeft nooit meer contact met hem gehad.
Ik, zijn zoon, is nu bezig met het maken van een stamboom, maar helaas ontbreken zijn gegevens.
Wie kan mij op weg helpen.
Bij voorbaat dank, vrienedlijke groet ruud de bruijn.

my dad formed "stichting voor de spijtoptanten" email me and i will tell you more.

Dear Lauryn, we forwarded your email address to Mr. de Bruijn.

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in