Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Oost- en West-Indische Opvoedingsmij.

2.20.25
H.B.N.B. Adam
Nationaal Archief, Den Haag
1977
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.20.25
Auteur: H.B.N.B. Adam
Nationaal Archief, Den Haag
1977
CC0

Periode:

1842-1886
merendeel 1851-1886

Omvang:

0,50 meter; 48 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief bevat o.m. statuten, huishoudelijk reglement, verslagen van de ledenvergadering, jaarverslagen, notulen en financiële stukken. Ook zijn er brievenboeken van uitgaande brieven. Daarnaast zijn er veel gegevens over de opvang van Nederlandse kinderen uit Nederlands-Indië, zoals circulaires aan de verzorgers, geboorteakten en reispassen van de pupillen.

In the 35 years of its existence the East and West Indian Educational Society took care of approx. 125 pupils (boys), sent mostly from the Dutch East Indies to accomplish their education in Holland. This small archive contains scarce material on the reception of colonial children in Holland during the second half of the 19th century. The society's activities were closely related to the training system for Dutch colonial administrators (located in Delft) and the professional qualities of many members provide important links with the political controversy at that time about the management of affairs in the archipelago.

Archiefvormers:

  • Oost- en West-Indische Opvoedings-Maatschappij

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

De ongunstige onderwijssituatie in Nederlands-Indië gedurende een groot deel van de negentiende eeuw, m.n. het ontbreken van behoorlijk middelbaar onderwijs tot 1860, was voor vele ouders een dwingende reden hun kinderen naar Nederland te sturen. Daarbij kwam nog, dat een ambtelijke loopbaan bij het gouvernement voor het merendeel van de in Indië geboren jongens de enig mogelijke werkkring was en sinds het einde van 1842 was het verkrijgen van het "radicaal van ambtenaar 1e. en 2e. klas" (

Het K.B. van 4 maart 1825, nr. 119 stelde eisen van benoembaarheid voor de administratieve dienst in Nederlands-Indië. Aan hen, die aan deze eisen voldeden, werd het "radicaal" van Indisch ambtenaar verleend. De Raad van Nederlandsch-Indië omschreef het radicaal als de bevoegdverklaring om tot de hoogste ambten op te klimmen. (Historische nota, blz. 2, 3 en 40) Het K.B. van 6 december 1842, nr. 59 (Sb. 1843, nr. 112) verdeelde de burgerlijke ambtenaren in Indië in drie klassen en stelde eisen aan de opleiding, m.n. voor de 1e. en 2e. klasse aan de Koninklijke Akademie te Delft. De strekking was, dat alleen deze categorieën ambtenaren toegang hadden tot de belangrijkste diensttakken, de rechterlijke macht en het binnenlands bestuur. (Historische nota, blz. 26 en 32)

) afhankelijk gesteld van het volgen van de opleiding aan de Koninklijke Akademie te Delft. Een dergelijke, vaak langdurige scheiding ging bepaald niet van harte (

"Maar er zijn twee punten, welke eene grieve voor allen daarstellen, die door allen zonder eenig onderscheid en bij de meesten met hevigheid worden gedeeld. Dat zijn: 1e. Het radikaal der 1ste. en 2de. klasse alleen verkrijgbaar aan de akademie te Delft. 2e. In verband daarmede het gemis van middelbaar onderwijs in Indië (...); bestond dit nog, dan zoude men zijne kinderen niet zo jong van zich behoeven te verwijderen, dat zij terugkeerende, hunne ouders dikwerf niet meer herkennen en vragen, zoals hier onlangs gebeurde: welke van die dames is mijne moeder?" (De kabinetsmissive van gouverneur-generaal J.J. Rochussen, dd. 26 mei 1848, nr. 158/X aan de minister van Koloniën in het geheim archief van het ministerie)

)
, ook omdat de opvang in Nederland vanuit Indië niet viel te overzien en volledig vertrouwd moest worden op familieleden, voogden, kostgezinnen of kostscholen. Om de ouders de zekerheid te kunnen bieden van een behoorlijk toezicht en een goede kostenbewaking, besloten in 1851 G.L. Baud, D.J.H. Boellaard, J.D. van Herwerden, L.J.A. van der Kun, Jhr. I.G.O.S. von Schmidt auf Altenstadt en Jhr. F.V.A. ridder de Stuers tot oprichting van de Oost- en West-Indische Opvoedings-Maatschappij. Door de oprichters werd een aantal vooraanstaande landgenoten uitgenodigd als lid toe te treden, terwijl koning Willem III het beschermheerschap aanvaardde. De eerste ledenvergadering bevestigde het voorlopige bestuur als commissie van beheer en keurde de concept-statuten goed. Het honorair voorzitterschip werd aangeboden aan prins Hendrik en het honorair lidmaatschap aan prins Frederik, de minister van Koloniën en de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. Verspreiding van de statuten via de ambtelijke kanalen in de koloniën moest voor de nodige publiciteit zorgen.

De maatschappij beperkte haar activiteiten uitsluitend tot de zonen van Nederlandse ouders, gevestigd in de Nederlandse koloniën. Uitgangspunt daarbij was een verblijf van de pupillen in huisgezinnen en het volgen van gewoon dagonderwijs. Voor elke pupil werd een lid met het toezicht belast, die ook contact onderhield met het kostgezin en de onderwijsinrichting. Regelmatig brachten deze toezichthoudende leden verslag uit aan de commissie van beheer, die op haar beurt de ouders uitvoerig informeerde.

De ouders verplichtten zich een behoorlijk bedrag vooruit te betalen, nl. f 800.-. voor de gemiddelde jaarlijkse kosten en een eenmalige waarborgsom van f 500.-., om de eventuele terugzending van een pupil te kunnen betalen. Bovendien werd nog een toeslag van 6% geheven over de gemiddelde kosten ter bestrijding van de onvoorziene uitgaven en voor de vorming van een reservefonds. Uitsluitend de secretaris en de klerk ontvingen een financiële tegemoetkoming, de leden verrichtten hun werk volledig ongehonoreerd.

Tot 1860 steeg het aantal pupillen voortdurend; in dat jaar waren 51 jongens aan de zorgen van de maatschappij toevertrouwd. Echter, in 1860 werd te Batavia het gymnasium Willem III gesticht, waardoor Indië voor het eerst over een middelbare opleiding beschikte. Drie jaar later leidde de invoering van de wet op het middelbaar onderwijs tot de opheffing van de Koninklijke Akademie te Delft. Ook de eis van een opleiding in Nederland voor het verwerven van het radicaal verviel. Bovendien werd door de Cultuurwet van 1870 Indië voor "het particulier initiatief ontsloten", waardoor vele nieuwe arbeidsplaatsen beschikbaar kwamen. In 1872 werd aan het gymnasium Willem III een afdeling Indische taal-, land- en volkenkunde toegevoegd ter opleiding van bestuursambtenaren. Tien jaar later telde Java drie dag-h.b.s.-en, een avond-h.b.s. en een h.b.s. met driejarige cursus voor meisjes. De noodzaak om kinderen naar Nederland te sturen, viel weg en na 1860 nam het aantal pupillen regelmatig af. Toen in 1886 bleek, dat de maatschappij geen reden van bestaan meer had werd, tot opheffing besloten.

Gedurende 35 jaar werd voor ongeveer 125 pupillen gezorgd, voor het grootste deel afkomstig uit Nederlands-Indië. Ondanks zijn beperktheid bevat het archief daardoor een concentratie van gegevens over de opvang in Nederland in de tweede helft van de negentiende eeuw van kinderen uit de koloniën, die elders slechts schaars voorhanden is. Door de professionele achtergrond en contacten van vele leden van de maatschappij zijn er raakvlakken met de toenmalige politieke controverse over het beheer van de Indische zaken. (

De leden J.C. Baud, J. Loudon en J.J. Rochussen waren zowel gouverneur-generaal als minister van Koloniën. G.L. Baud en I.D. Fransen van de Putte waren beiden minister van Koloniën. Fransen van de Putte en Loudon waren uitgesproken klassieke liberalen, terwijl J.C. Baud en Rochussen conservatief waren, G.L. Baud nam een tussenpositie in. (Winkler Prins Encyclopaedie; 6e dr. Amsterdam, 1948-1953)

) Aan kritiek heeft het niet ontbroken, m.n. op het elitaire karakter, het coöptatiesysteem, de conservatief politieke gezindheid en de autoritaire instelling van het bestuur. (

Lion, blz. 391: "De maatschappij is dus alleen eene maatschappij voor rijke Oost-Indische ouders." blz. 395: "Van de ouders der kinderen wordt geene goedkeuring gevraagd, zij worden niet eens geraadpleegd." Bosch, blz. 329; "Gelukkig dat ze daarnaast eene opvoedingsmaatschappij hebben gevormd, van gelijke strekking, waar de onschuldige jeugd in het eene noodige onderwezen en in het ware geloof opgekweekt, vatbaar wordt, om de eenige wetenschap zich eigen te maken, zoodat wij gerust de toekomst tegemoet kunnen gaan en het aan een voldoend getal rechtzinnige bestuurders van Indië niet zal ontbreken."

)

Leden en bestuur, 1851-1880.

Daar de jaarverslagen na 1880 ontbreken, zijn de gegevens slechts tot en met dat jaar volledig, behalve voor de commissie van beheer en de secretarissen.

Beschermheer: Koning Willem III.Honoraire voorzitter: Prins Hendrik.

  • Prins Frederik
  • De minister van Koloniën
  • De gouverneur-generaal
  • De gouverneur van Suriname (sedert 1855)
  • De gouverneur van Curaçao en onderhorigheden (sedert 1855).
Honoraire leden
Bakkers, J.A.1870-1876.
Deventer Jsz., S. van1866-1877.
Fabius, G.1865-1868.
Gefken, J.W.1865-1868.
Gennep, J.L. van1870-1875.
Hoogeveen, H.J.C.1870-1875.
Keuchenius, A.A.M.N.1865-1870.
Keuchenius, L.W.C.1860-1866.
Kock van Leeuwen, J.C. de1865-1875.
Netscher, C.1870-1879.
Nieuwenhuijs, M.H.W.1870-1875.
Oosterzee, P.C. van1866-1870.
Poel, F.H.A. van de1870-1875.
Poolman, W.1855-1860.
Potter, H.D.1855-1861.
Rappard, W.1865-1880.
Reijnst, Jhr. J.C.1855-1861.
Rouville, A.M. de1865-1868.
Schreven, J.J. van1875-1877.
Stuers, Jhr. F.V.A. ridder de1855-1858.
Swart, A.J.1865-1866.
Trakranen, N.1860-1866.
Visscher, C.1855-1857.
Vogel, W. de1855-1870.
Vreede Bik, P.1855-1860.
Wiggers van Kerchem, C.F.W.1865-1868
Commissie van Beheer (De leden van de commissie waren tevens gewone leden.)
Arntzenius, R.H.1870-1886.
Baud, G.L., voorzitter1851-1886.
Boellaard, D.J.H.1851-1865. (

Deze commissieleden hebben hun functie neergelegd, maar zijn wel gewoon lid gebleven.

)
Evers, J.C.G.1876-1886.
Fielletaz Bousquet, R. de1860-1863.
Heel, M.G. van1856-1886.
Herwerden, J.D. van1851-1879.
Hogendorp, D.C.A. graaf van1863-1886.
Kock, Jhr. F.L.W. de1854-1858. (

Deze commissieleden hebben hun functie neergelegd, maar zijn wel gewoon lid gebleven.

)
Kun, L.J. A. van der1851-1858. (

Deze commissieleden hebben hun functie neergelegd, maar zijn wel gewoon lid gebleven.

)
Kuijk, J. van1875-1876.
Leemans, J.A.A.1858-1862.
Meurs, C.T. van1856-1886.
Plate, L.M.F.1858-1875. (

Deze commissieleden hebben hun functie neergelegd, maar zijn wel gewoon lid gebleven.

)
Roux, J.F.1872-1876.
Reijnst, Jhr. J.C.1864-1872.
Schmidt auf Altenstadt, Jhr. I.G.O.S. von1851-1852.
Simons, G.1851-1858 en 1862-1868.
Stolte, H.1852-1860.
Stuers, Jhr. F.V.A. ridder de1851-1853 en 1858-1872.
Secretarissen
Arntzenius, R.H.1851-1870.
Schuurbecque Boeye, Jhr. J.F.1870-1886.
Leden
Alberda van Ekenstein, Jhr. W.C.A.1862-1880.
Assen, C.J. van1851-1861.
Bakker, A.1851-1857.
Baud, J.C.1851-1856.
Berkel, H. van1851-1867.
Bisschop, W.1876-1880.
Boellaard, D.J.H.1868-1870.
Braam, J.J. van1851-1856.
Canneman, W.1876-1880.
Cochius, F.D.1858-1876.
Deventer Jsz., S. van1863-1866.
Evers, J.C.G.1875-1876. (

Deze leden zijn tot de commissie van beheer toegetreden.

)
Fielletaz Bousquet, R. de1855-1860. (

Deze leden zijn tot de commissie van beheer toegetreden.

)
Fontein, F.G.1851-1875.
Franssen van de Putte, I.D.1860-1863.
Furstner van Dambenoy, H.F.C. baron1862-1870.
Gennep, J.H. van1858-1872.
Gevers Leuven, A.C.T.1875-1880.
Heel, M.G. van1854-1856. (

Deze leden zijn tot de commissie van beheer toegetreden.

)
Hofstede de Groot, P.1851-1880.
Kervel, J.H. van1855-1857.
Keuchenius, L.W.C.1855-1860.
Kock, Jhr. F.L.W. de1858-1880.
Kun, L.J.A. van der1858-1865.
Kuyk, J. van1857-1875 en 1876-1880.
Leemans, J.A.A.1851-1858(

Deze leden zijn tot de commissie van beheer toegetreden.

)
en 1862-1880.
Loudon, J.1860-1861.
Mellink, A.1865-1870.
Meurs, C.T. van1854-1856. (

Deze leden zijn tot de commissie van beheer toegetreden.

)
Monchy, E.P. de1853-1880.
Mulder, G.J.1851-1865.
Overduyn, W.L.1857-1867.
Pels Rijcken, G.C.C.1879-1880.
Plate, L.M.F.1856-1858(

Deze leden zijn tot de commissie van beheer toegetreden.

)
en 1876-1880.
Poolman, W.1860-1875.
Rammelman Elsevier, Jhr. I.J.1864-1866.
Rappard, Jhr. E. van1875-1876.
Rauws, R.1875-1880.
Rochussen, J.J.1861-1870.
Roorda, T.1851-1875.
Rijsendaal, L.1870-1876.
Scharten, G.1851-1875.
Schlegel, H.1862-1880.
Schuurman, T.1851-1853.
Steuerwald, C.H.G.1857-1875.
Stolte, H.1851-1852. (

Deze leden zijn tot de commissie van beheer toegetreden.

)
Trakranen, N.1853-1860 en 1875-1876.
Veer, G.S. de1851-1880.
Viruly, T.P.1857-1880.
Visscher, C.1858-1875.
Weddik, A.L.1851-1867.
Waveren Pancras Clifford, P.A.O. van1854-1880.
Willems, E.H.1871-1880.
Literatuur
  • Algemeen Verslag van de staat van het schoolwezen in Nederlandsch-Indië. Batavia, 1849.
  • Idem. Batavia 1863.
  • Algemeen verslag van het middelbaar en lager onderwijs voor Europeanen en met dezen gelijkgestelden in Nederlandsch-Indië. Batavia, 1874.
  • Idem. Batavia 1884.
  • Veth, P.J., Over de toestand en de behoeften van het onderwijs der jeugd in Nederlandsch-Indië. Aanspraak. (Amsterdam), 1850.
  • Brief uit Batavia over de Delftsche school en andere belangrijke zaken. Arnhem, 1849.
  • Historische nota over het vraagstuk van de opleiding en benoembaarheid voor den administratieven dienst. Batavia, 1900.
  • Lion, H.J., Statuten en verslagen van de Oost- en West-Indische opvoedingsmaatschappij onder bescherming van Z.M. den Koning, 1850-1854. Art. in: Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië; jrg. 17 (1855), afl. 6.
  • Bosch, G.W., Indië zooals het geweest is en men het weer zou willen hebben. Art. in: Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië; jrg. 21 (1859), afl. 12.
  • Levyson Norman, H.D., Guillaume Louis Baud. Art. in: Eigen haard; 1891, blz 694-697.
  • Hullu, J. de, Beschrijving eener verzameling stukken afkomstig van Jean chrétien baron Baud. Versch. in: Verslagen omtrent 's Rijks Oude archieven; Dl. XL, 1917, blz. 497-621, 's-Gravenhage, 1918.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in