gahetNA in het Nationaal Archief

NHM

2.20.01
D.J. Wijmer, A.M. Tempelaars
Nationaal Archief, Den Haag
1998
(c)

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.20.01
Auteur: D.J. Wijmer, A.M. Tempelaars
Nationaal Archief, Den Haag
1998
(c)

Periode:

1677-1994
merendeel 1824-1964

Omvang:

1154,00 meter; 15665 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands. Een klein gedeelte is gesteld in talen als het Engels, het Frans, het Duits, het Indonesisch, het Chinees en het Japans.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften. Het archief bevat kaarten en foto's.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

De NHM werd in 1824 opgericht ter bevordering van de Nederlandse handel overzee. Het archief bevat stukken over de oprichting, organisatie (aandeelhouders, notulen (met bijlagen) van de raad van commissarissen, balansen en resultatenrekeningen (met memories van toelichting), notulen van de directie (inclusief geheime), met toegangen en notulen van directie en commissarissen gezamenlijk) en bedrijfsvoering (financiën, boekhouding, gebouwen, personeel). Er is correspondentie van binnen- en buitenlandse agenten, van diverse ministeries (oa. Koloniën), van bedrijven (meest financiële instellingen oa. DNB), van binnen- en buitenlandse ondernemingen en van particulieren. Qua toegangen zijn er voor de 19e eeuw de indicateurs en agenda's. Verder bevat het archief in- en uitgaande correspondentie van de Secretarie (later de afdeling Algemene Zaken) en van de Factorij, met agenda's; uitgifte, overschrijving en registratie van aandelen (meest registers); de boekhouding (rekeningen-courant, grootboeken, journalen, memorialen); het personeel (reglementen en instructieboeken); jaarverslagen, grootboeken en journalen van de Factorij; jaarverantwoordingsstukken buitenlandse agentschappen en diverse stukken m.b.t. de agentschappen in Japan.

Het archief bevat tevens stukken betreffende de bemoeienis van de directie met de bedrijfsvoering met toezicht op onder meer de financiële sector, de vervoerssector, de industriële sector, de mijnbouwsector, de handelssector en cultuurmaatschappijen in Oost en West. Daarnaast zijn er archiefbescheiden aanwezig met betrekking tot de teelt van suiker, koffie, oliepalmen, rubber, tabak, thee. Verder zijn er archieven van de verschillende agentschappen, van de diverse eigen cultuurondernemingen en van de door de Nederlandsche Handelsmaatschappij overgenomen financiële instellingen zoals die van de NV De Rentekas en van de Surinaamsche Bank.
Tenslotte zijn er ook gedeponeerde archieven aanwezig van enkele (handels)compagnieën, maatschappijen en vereenigingen en archivalia van diverse personen. Het archief bevat tevens nog allerlei documentatie in de vorm van artikelen, boeken, foto's, tekeningen en kaarten.

Archiefvormers:

  • Aalst, C.J.K. van
  • Clercq, W. de
  • Commissie tot onderzoek der usanties bij de Weging van Indisch Produkt
  • Crena de Iongh, D.
  • Grote Koopmansbeurs, Raad van Commissarissen
  • Heldring, Balthazar
  • Heldring, E.
  • Holland Centraal-Amerika Handels-Compagnie
  • Maatschappij tot Exploitatie van de Suiker-Onderneming Koning Willem II
  • Minahassa Comité, penningmeester
  • Nederlands Syndicaat voor China
  • Nederlandse Handel-Maatschappij, NV, Agentschap Decima / Nagasaki
  • Nederlandse Handel-Maatschappij, NV, Agentschap Hiogo
  • Nederlandse Handel-Maatschappij, NV, Agentschap Nijverdal
  • Nederlandse Handel-Maatschappij, NV, Agentschap Osaka
  • Nederlandse Handel-Maatschappij, NV, Agentschap Yokohama
  • Nederlandse Handel-Maatschappij, NV, Hoofdagent in Japan
  • Nederlandse Handel-Maatschappij, NV, Hoofdkantoor
  • Nederlandse Handel-Maatschappij, NV, Modelweverij te Nijverdal
  • Nederlandse Handel-Maatschappij, NV, Weefschool te Goor
  • NV Administratiekantoor der Nederlandse Handel-Maatschappij
  • NV Administratiekantoor van aandelen Koninklijke Nederlandsche Hoogovens en Staalfabrieken
  • NV Assurantiebedrijf der Nederlandsche Handel-Maatschapij
  • NV Auto-Crediet
  • NV Cultuur Maatschappij Boekit Gompong
  • NV Cultuur Maatschappij Doekoewringin
  • NV Cultuur Maatschappij Kebon Hardjo
  • NV Cultuur Maatschappij Ketangoengan-West
  • NV Cultuur Maatschappij Klampok
  • NV Cultuur Maatschappij Lho Soekon
  • NV Cultuur Maatschappij Meloewoeng
  • NV Cultuur Maatschappij Peterongan
  • NV Cultuur Maatschappij Ploembon
  • NV Cultuur Maatschappij Tersana
  • NV De Spaarne-Bank
  • NV Geldersche Credietvereeniging
  • NV Handels- en Cultuur Compagnie Noord-Celebes
  • NV Internationale Producten Compagnie
  • NV Landbouw Maatschappij Boekit Gompong
  • NV Landbouw Maatschappij Commewijne
  • NV Landbouw Maatschappij en suikerfabriek Wonoredjo
  • NV Landbouw Maatschappij Poerwodadi
  • NV Landbouwmaatschappij Tersana
  • NV Lebak Roto Cultuur Maatschappij
  • NV Limburgsche Bankvereeniging
  • NV Maatschappij tot Exploitatie der Suikerfabriek Wonoredjo
  • NV Maatschappij voor Nijverheid en Land-exploitatie in de Transvaal
  • NV Nederlands Land Syndicaat
  • NV Nederlandsch Syndicaat voor China
  • NV Nederlandsch Syndicaat voor Industrieëlen Export
  • NV Nederlandsche Crediet en Financiering Maatschappij
  • NV Nederlandsche Effecten Compagnie
  • NV Nederlandsche Maatschappij voor de Walvisvaart, Raad van Commissarissen
  • NV Nederlandsche Zuid-Afrikaansche Stoomvaart Maatschappij, 'De Holland-Zuid-Afrika Lijn', College van Commissarissen
  • NV Nederlandsche-Indisch Pers Agentschap
  • NV Nederlandsch-Indisch Land Syndicaat
  • NV Philips & Co's Bank
  • NV Rentekas
  • NV Serdang Cultuur Maatschappij
  • NV Surinaamsche Cultuur Maatschappij
  • NV Surinaamsche Immigratie Maatschappij
  • NV West-Indische Cultuurbank
  • NV Zuid-Afrikaansche Scheepvaart Maatschappij, College van Commissarissen
  • Rijswijksche Bank NV
  • Stichting Studiefonds voor Werkverruiming
  • Surinaamsche Bank NV, De
  • Taudin Chabot, M.
  • Vereeniging ter bescherming van de belangen van houders van 8% Chineesche schatkistbiljetten van, 1920 in guldens
  • Vereniging van Importeurs
  • Vereniging van Thee-Importeurs
  • Walree, Emile David van

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

      • De NV Geldersche Credietvereeniging te Arnhem werd opgericht op 1 december 1866. Doel van de maatschappij was [..] aan ieder harer aandeelhouders, hoogstens tot het bedrag der som zijner aandelen in deze vennootschap voor niet meer dan drie maanden tegen voldoende zekerheid, crediet te verleenen, tot het tijdelijk verkrijgen van kapitaal. Iedere kredietnemer was dus automatisch ook aandeelhouder, voor de looptijd van het krediet. Dit systeem van onderlinge aansprakelijkheid en relatie tussen kredietverlening en aandeelhouderschap werd pas in 1911 afschaft. De afschaffing was enerzijds gevolg van een aangekondigde verandering van de Wet op de Naamloze Vennootschappen, die NV's het werken met wisselend kapitaal onmogelijk zou maken, anderzijds noopten de grote uitbreiding van het aantal deelnemers en van de bedrijfsdoelstelling tot modernisering van de statuten. De bedrijfsdoelstelling van de GCV was namelijk steeds meer uitgebreid tot die van bankbedrijf in ruimere zin. In 1906 werden enkel de handel in effecten en deelneming in andere ondernemingen nog uitgesloten. In 1907 verviel het verbod op deelneming. In 1917 werd uiteindelijk het doel omschreven als het verlenen van krediet en verder de uitoefening van alle zaken behorend tot het bankiers-, kassiers- en effectenbedrijf in de ruimste zin, alsmede het deelnemen in instellingen van gelijknamige aard. Het startkapitaal van de maatschappij bedroeg ƒ 1.000.000,-. Ten tijde van de overname door de NHM in 1936 was dit aangegroeid tot ƒ 20.025.000,-.

        In 1915 werd een overeenkomst aangegaan met de NHM, op grondslag van vriendschappelijke samenwerking. De NHM verleende de GCV een aanzienlijk krediet; de GCV verbond zich hiertegenover haar wissel- en effectenzaken in de regel door tussenkomst van de NHM te doen. Eind 1916 volgde een nadere aaneensluiting via een onderlinge aandelenruil ter waarde van ƒ 1.000.000,- [de NHM aandelen werden in de vorm van certificaten uitgereikt]. Er werden preferente aandelen gecreëerd, waarvan beide partners ieder 50% bezaten. Namens de NHM namen H.J. Knottenbelt en A.F. Marmelstein zitting in de Raad van Commissarissen van de GCV, terwijl A.G. Heineken, geëmployeerde te Rotterdam, namens de NHM als inspecteur van de GCV-kantoren ging optreden. De directeuren van de GCV werden commissaris en commissaris-plaatsvervanger bij de NHM [kieskring Amsterdam]. De overeenkomst bood de GCV de mogelijkheid grote zaken te entameren, en een oplossing voor haar gemis aan een centraal kantoor in Amsterdam; de NHM kreeg in het kader van de uitbreiding van het binnenlands bedrijf een nauwe relatie met een voorname financiële instelling in het oosten des lands. De rekening van de GCV liep bij het NHM-agentschap Rotterdam.

        De NHM bleek al vrij snel met de situatie niet gelukkig. De aandelenverdeling zorgde voor een min of meer ongewenst evenwicht, wat de NHM in een moeilijke positie bracht. Zij werd door het publiek als voornaamste aandeelhoudster gezien, terwijl zij in werkelijkheid onvoldoende zeggingsmacht had; de morele verantwoordelijkheid die de NHM werd toegedicht werd dus niet gedekt door de feiten. Daar kwam bij dat de ontwikkeling van de GCV als provinciale bankinstelling beneden de verwachting bleef. Oorzaken hiervoor waren onder meer: 1. het weinig actieve beheer; 2. de GCV was niet bestand tegen de felle concurrentie van de grootbanken; zij wees vervolgens de bemoeienis van de NHM zoveel mogelijk van de hand, wat uiteraard tot conflicten op bestuursniveau leidde; 3. het rendement was onvoldoende om stille reserves te vormen; toen in 1936 geen dividend kon worden uitgekeerd, wat de standing van zowel de NHM als de GCV aantaste, was sprake van een acute noodsituatie. Ondanks dit alles was de GCV een gezond bedrijf, en in de zomer van 1936 startte de NHM daarom onderhandelingen tot overname van het volledige bedrijf van de GCV. De algemene vergadering van aandeelhouders van de GCV van 28 oktober 1936 verleende de directie machtiging met de NHM een overeenkomst aan te gaan, waarbij de NHM een drie maanden geldige optie zou krijgen om het gehele bedrijf van de GCV te kopen. In een bericht aan de aandeelhouders gaf de directie als reden de onvoldoende rentabiliteit van het bedrijf en met name [..] dat een zuiver provinciale bankinstelling als de onze niet een zoodanige organisatie kan opbouwen en in stand houden, als noodzakelijk moet worden geacht om in de meer en meer ingewikkeld geworden nationale en internationale samenleving van heden aan de clientèle den vereischten steun te bieden.

        De NHM maakte van de optie gebruik en per 1 november 1936 werd de GCV overgenomen door de NHM. Het bedrijf van de GCV, bestaande uit het hoofdkantoor te Arnhem en zo'n 40 bijkantoren, werd geïncorporeerd in dat van de NHM. De NV Geldersche Credietvereeniging bleef in sterk verkleinde vorm als huizenmaatschappij bestaan.

      • De NV Nederlandsche Effecten Compagnie te Amsterdam werd opgericht in 1928. De directie werd gevoerd door de firma J.H. Roelofsz & Zoon te Amsterdam. Doel van de maatschappij was [..] de aan- en verkoop, het beheren en administreren van aandelen, oprichtersbewijzen en winstbewijzen in en obligatiën van binnen- en buitendse privaat- en publiekrechtelijke lichamen, het deelnemen in syndicaten tot uitgifte van aandelen en/of obligatiën, een en ander in de ruimste zin, alsmede het ter leen verstrekken van gelden tegen onderpand van effecten. In 1938 werden alle aandelen overgenomen door de NHM. In 1961 werd besloten de Nederlandsche Effecten Compagnie om te zetten in een participatiemaatschappij, bedoeld om tijdelijk aandelen te nemen van besloten vennootschappen waarvan men de aandelen eerlang ter beurze wilde introduceren.

      • De NV De Rentekas te 's-Gravenhage werd opgericht op 8 februari 1911 door een grote groep particulieren. Statutair doel van de vennootschap was [..] het houden van eene spaarkas, het ontvangen van effecten in leendepot, het uitgeven van schuldbrieven, het verleenen van kredieten onder zakelijken of persoonlijken waarborg en het disconteeren en herdisconteeren van orderbiljetten en wissels. Het kapitaal werd bepaald op ƒ 1.000.000,-, verdeeld in 5 series van 200 aandelen van ƒ 1000,-. Verder werden 50 oprichtersbewijzen aan toonder uitgegeven, recht gevend op een deel der winst en op een deel van het overschot bij liquidatie. De Rentekas zou zich met name gaan richten op de verlening van bouwkredieten. In 1919 werd de NV Rijswijksche Bank te 's-Gravenhage overgenomen. In 1944 nam de NHM een meerderheidsbelang in de maatschappij. C.J. baron Collot d'Escury, directeur van de NHM, en J.M. van Bosse, agent van de NHM te 's-Gravenhage, traden namens de NHM toe tot de Raad van Commissarissen. Het contract van 1944 bepaalde dat de NHM de rekening zou voeren en de zaken zou behartigen van De Rentekas op de condities die ook golden voor het agentschap 's-Gravenhage. De Rentekas was met name gespecialiseerd in bouwzaken, een activiteit die ook na de overname werd voortgezet.

      • De NV Rijswijksche Bank te 's-Gravenhage werd opgericht op 8 juli 1907 door L. den Beer Poortugael en G.J. Kunst, respectievelijk lid en bureauchef van de bankiersfirma Oppenheim en van Til te 's-Gravenhage. Statutair doel was de uitoefening van den handel in effecten en van bankiers- en kassierszaken. Het maatschappelijk kapitaal bedroeg ƒ 100.000,-, verdeeld in 100 aandelen van ƒ 1000,-. Verder werden 10 oprichtersbewijzen aan toonder uitgegeven, recht gevend op een deel van de winst en bij liquidatie op een deel van het overschot. Op 26 november 1919 besloot de vergadering van aandeelhouders tot ontbinding en liquidatie van de vennootschap vanwege de overname van het gehele bedrijf van de Rijswijksche Bank door de NV De Rentekas te 's-Gravenhage.

      • De NV De Spaarne-Bank te Haarlem werd opgericht op 18 november 1910 door een aantal Haarlemse ondernemers. De vennootschap had ten doel [..] de uitoefening van het bankiers- en het kassiersbedrijf, den handel met inbegrip van den commissiehandel in fondsen, coupons, wissels en ander papier van waarde, het voeren van administratie en voorts alles wat tot het voorafgaande in den meest ruimen zin geacht kan worden te behoren. Het maatschappelijk kapitaal bedroeg aanvankelijk ƒ 5.00.000,-, verdeeld in 5 series van 200 aandelen van ƒ 500,-. In 1914 werd het gebracht op ƒ 1.000.000,-, in 1917 op ƒ 2.000.000,-. De bank had behalve een kantoor in Haarlem kantoren te Beverwijk [vanaf 1918] en aan het Damrak [vanaf 1925] en de Herengracht [vanaf 1928] te Amsterdam, alsmede een correspondentschap te Hillegom. De vennootschap kende een directie, een Raad van Commissarissen en, in ieder geval vanaf 1933, een Raad van Toezicht. De Raad van Toezicht werd benoemd door en uit de Raad van Commissarissen en voerde namens de commissarissen het min of meer dagelijkse toezicht. In 1938 verwierf de NHM door een transactie met enige grootaandeelhouders een meerderheidsbelang in de Spaarne-Bank, gevolgd door een voorstel tot overname. Op 8 juli van dat jaar gingen de aandeelhouders akkoord met ontbinding van de vennootschap en verkoop van het bedrijf aan de NHM.

      • Het initiatief tot oprichting van een Surinaamse bank kwam van Simon Abendanon Szn., gerechtsdeurwaarder van het gouvernement in Suriname. Na een aantal pogingen die op niets uitliepen wist hij de Amsterdamse ondernemer Samuel Sarphati voor zijn plannen te interesseren. Deze was onder meer president-commissaris van de NV Nederlandsche Crediet- en Deposito-Bank te Rotterdam. Vanuit deze bank werd een commissie gevormd die de voorbereiding van de oprichting ter hand moest nemen. Sarphati zelf ging in onderhandeling met het Ministerie van Koloniën ter verkrijging van het octrooi. Op 19 mei 1864 werd een KB afgekondigd waarbij de op te richten bank gerechtigd werd verklaard in de kolonie Suriname als circulatiebank werkzaam te zijn. Het octrooi [ook wel privilege of concessie genoemd] werd verleend voor 25 jaar; tegelijk werd het werkterrein van de bank beperkt tot de kolonie Suriname en bepaald dat de door haar uit te geven bankbiljetten niet buiten de kolonie in omloop mochten worden gebracht. Het maatschappelijk kapitaal werd vastgesteld op ƒ 1.000.000,-, verdeeld over 4000 gewone aandelen van ƒ 250,-, welk bedrag volledig moest worden volgestort. Nadat het kapitaal bijeen was gebracht, kon op 19 januari 1865 de oprichtingsakte van de NV De Surinaamsche Bank worden gepasseerd. De Nederlandsche Crediet- en Deposito-Bank had een belang genomen van ƒ 200.000,-, dat zij echter meteen na de oprichting trachtte te slijten. De NHM nam deel voor ƒ 40.000,- [160 aandelen]. Tot de grotere oprichters/aandeelhouders behoorden verder Samuel Sarphati [62 aandelen], de Gebroeders Wittering [158], P.C. Gülcher [86], M.H. Insinger [74], S. Abendanon Szn. [329], W.F.E. Spiering [112], G.C. Bosch Reitz [100], L.B. Gompertz [226] en de firma Van Schermbeek en van Hall [100].

        Behalve het in circulatie brengen van bankbiljetten [coupures van ƒ 10,- en hoger, vanaf 1889 ƒ 5,- en hoger] kon De Surinaamsche Bank statutair het merendeel van de gangbare bankzaken uitvoeren. De statuten sloten een aantal handelingen echter nadrukkelijk uit: het verlenen van krediet of voorschot in blanco, het deelnemen in handels-, nijverheids- en andere ondernemingen, het kopen van effecten, goederen, waren of koopmanschappen en het kopen of bezitten van andere dan de noodzakelijke [bedrijfs]gebouwen waren haar verboden.
        De leiding van de bank berustte aanvankelijk bij een tweekoppige hoofddirectie te Amsterdam. In 1917 werd het aantal hoofddirecteuren teruggebracht van twee naar één. Onder de hoofddirectie functioneerde een directie te Paramaribo, aanvankelijk bestaande uit een voorzitter en twee leden, vanaf 1871 uit twee directeuren. Eén lid van de directie fungeerde als directeur-voorzitter. De hoofddirectie was belast met de behartiging van de algemene belangen van de bank, de vertegenwoordiging van de vennootschap in en buiten rechten, de bemoeiingen met commissarissen en aandeelhouders, de werkzaamheden opgelegd krachtens het octrooi ten behoeve van regering en bestuur van Suriname, en verder met het beheer van de eigendommen van de bank en de leiding over de bankoperaties in het algemeen. De directie te Paramaribo was de wettige vertegenwoordiger van de hoofddirectie in Suriname, in en buiten rechten. Zij voerde werkzaamheden uit ten behoeve van regering en bestuur van Suriname krachtens het verleende octrooi, en leidde verder de 'dagelijkse' bancaire transacties.

        In Nederland zetelde een Raad van Commissarissen, belast met het toezicht op de hoofddirectie en het onderzoek naar en de goedkeuring van de jaarrekening. In Paramaribo bewaakte een door de hoofddirectie benoemde Commissie van Toezicht het handelen van de directie. Het gouvernement hield toezicht op het handelen van de directie middels een door de gouverneur benoemde gouvernements-commissaris of koloniaal-commissaris. In 1918 werd de Commissie van Toezicht afgeschaft en werd de koloniaal-commissaris vervangen door twee gouvernements-commissarissen, één in Nederland [benoemd door de minister van Koloniën] en één in Suriname [benoemd door de gouverneur]. De gouvernements-commissaris in Nederland had het recht alle vergaderingen van aandeelhouders, commissarissen en van de hoofddirectie met de commissarissen bij te wonen. De vestiging van agentschappen en correspondentschappen binnen Suriname, alsmede hun inrichting en werkkring, was onderworpen aan de goedkeuring van de koning, vanaf 1889 van de gouverneur; ten aanzien van vestiging van vertegenwoordigers en correspondenten buiten Suriname was het fiat van de minister van Koloniën vereist. Ook de jaarlijkse balans vereiste ministeriële goedkeuring.

        Op 18 juli 1865 opende de bank in Paramaribo haar deuren, aanvankelijk aan de Gravenstraat LA no 17, maar al zeer kort daarop aan de Gravenstraat NW La A no 13/OW La no 40. De eerste jaren waren moeilijk. De afschaffing van de slavernij in 1863 zorgde voor malaise in het cultuurbedrijf, omdat veel vrijgemaakte slaven van de plantages wegtrokken. De NV Surinaamsche Immigratie Maatschappij, opgericht in 1866 om dit probleem het hoofd te bieden, had weinig succes en moest in 1870 haar werkzaamheden al weer staken (zie hiervoor ook het archief van de Surinaamsche Immigratie Maatschappij, rubrieknummer 75). In 1877 werd het maatschappelijk kapitaal van ƒ 1.000.000,- teruggebracht naar ƒ 700.000,-, en de aandelen van ƒ 250,- naar ƒ 175,-. De daaropvolgende jaren ging het beter, en in 1889 werd de voor 25 jaar verleende concessie met nog eens 25 jaar verlengd.

        De verlening van het derde octrooi, noodzakelijk in 1914, verliep zeer moeizaam. Knelpunt was het landbouwkrediet, waaraan De Surinaamsche Bank volgens de Koloniale Staten onvoldoende aandacht schonk. Pas na enige verlengingen van het bestaande octrooi werd bij KB van 2 juli 1918 een nieuw octrooi voor 10 jaar afgegeven. Nieuw in dit octrooi was dat de bank kosteloos diverse werkzaamheden voor het gouvernement diende te verrichten, en dat het gouvernement ging delen in de winst. Al een jaar eerder, in 1917, was het maatschappelijk kapitaal teruggebracht naar ƒ 1.000.000,-. Ter oplossing van de kwestie van het landbouwkrediet werd de oprichting van een cultuurbank overeengekomen, waarin naast De Surinaamsche Bank ook de NHM, de Koninklijke West-Indische Maildienst en de Rotterdamsche Bankvereeniging zouden deelnemen. De directie van de op 18 juli 1918 opgerichte NV West-Indische Cultuurbank kwam in handen van de hoofddirectie van De Surinaamsche Bank, met de directie te Paramaribo als haar vertegenwoordiger in Suriname (zie voor de West-Indische Cultuurbank verder de toelichting bij dit archief).

        Per 1 juli 1928 trad de Surinaamsche Bankwet 1928 in werking. Het octrooi van De Surinaamsche Bank werd hierbij met 15½ jaar verlengd. Aan de in Suriname in circulatie gebrachte bankbiljetten werd de status van wettig betaalmiddel toegekend. De Tweede Wereldoorlog en de op handen zijnde reorganisatie van het circulatiebankwezen na de oorlog zorgde ervoor dat het octrooi vanaf 31 december 1943 nog slechts voor korte periodes werd verlengd. De wijzigingen in de staatkundige verhoudingen na de Tweede Wereldoorlog hadden ook gevolgen voor De Surinaamsche Bank. In december 1949 werd, vooruitlopend op een definitieve nieuwe Rijksgrondwet, de Wet Interimregeling Suriname aangenomen, die op 20 januari 1950 in werking trad. Hiermee kreeg Suriname politieke zelfstandigheid ten aanzien van interne aangelegenheden. Dit betekende onder meer dat de vergunning tot het oprichten van een circulatiebank voortaan verleend werd bij Landsverordening, en niet meer door de Nederlandse wetgever. De Surinaamsche Bank moest nu ernstig rekening houden met de mogelijkheid dat de bankbiljettencirculatie aan een andere instelling zou worden gegund. Dit leidde binnen de bank tot een discussie over enerzijds eventuele voortzetting van het bedrijf als uitsluitend particuliere handelsbank, en anderzijds eventuele liquidatie. Beide mogelijkheden werden in principe verworpen: de voortzetting vanwege de kapitaalstructuur en de hoge kosten van het kantoor in Amsterdam in een ingekrompen bedrijf, de liquidatie vanwege de te verwachten periode van onzekerheid en de daarmee samenhangende risico's voor de aandeelhouders. De oplossing werd gevonden in overname en voortzetting van het gehele bedrijf door de NHM.

        De aandeelhouders van De Surinaamsche Bank kregen het aanbod hun aandelen in te wisselen tegen aandelen NHM in de verhouding 1000:1250. Op 29 december 1950 kwam de Landsverordening tot regeling van het circulatiebankwezen in Suriname tot stand, waarbij het bij Nederlandse wet van 1928 aan De Surinaamsche Bank verleende octrooi kwam te vervallen. Dit octrooi werd overigens wel onder andere voorwaarden en met een voorlopige termijn van vijf jaar weer aan De Surinaamsche Bank verleend, en vastgelegd in de Surinaamse Bankverordening 1950. De gewijzigde voorwaarden behelsden onder meer verplaatsing van de hoofddirectie van Amsterdam naar Paramaribo. De bank behield statutair wel een kantoor in Amsterdam, met de status van agentschap. De benodigde statutenwijziging kreeg op 18 juli 1951 haar beslag. De al genoemde Surinaamse Bankverordening voorzag ook in de per 13 september 1951 gerealiseerde instelling van een Bankcommissie, bestaande uit vertegenwoordigers van de Landsregering, het Surinaamse bank- en bedrijfsleven en de hoofddirecteur van De Surinaamsche Bank. De commissie diende algemene lijnen aan te geven van de door De Surinaamsche Bank te volgen geldpolitiek, ter verzekering van de coördinatie van de monetaire en financiële politiek van de Landsregering en de politiek van de bank als circulatiebank.

        Op 30 december 1953 bekrachtigde de gouverneur de een dag eerder door de Staten van Suriname aangenomen Landsverordening houdende voorzieningen in verband met de oprichting van een eigen Circulatiebank. Het octrooi van De Surinaamsche Bank werd per 1 januari 1956 opgezegd; een overeenkomst tussen de landsminister van Financiën en De Surinaamsche Bank binnen het kader van de Landsverordening moest borg staan voor een soepele afwikkeling van de reorganisatie. Overigens werd wat betreft de instelling van de eigen circulatiebank de datum van 1 januari 1956 niet gehaald, waardoor De Surinaamsche Bank volgens de gemaakte overgangsregeling haar functie als circulatiebank nog enige tijd bleef vervullen. Eerst op 1 oktober 1956 namen de Staten de Landsverordening tot regeling van het centrale bankwezen in Suriname aan. Hierop volgend werd de overgangsregeling per ultimo maart 1957 opgezegd. Vanaf dat moment functioneerde de Centrale Bank voor Suriname als circulatiebank. De Surinaamsche Bank ging verder als handelsbank. De bovenstaande ontwikkelingen hadden ook hun weerslag op de interne organisatie van De Surinaamsche Bank. Behalve de verplaatsing van de hoofddirectie naar Paramaribo in 1951 betrof dit ook de vervanging in 1951 van de Raad van Commissarissen door een Raad van Gedelegeerden en de instelling van een Raad van Advies. De Raad van Advies werd benoemd door de hoofddirectie en moest haar adviseren in zaken rakende het commerciële bankbedrijf. Een statutenwijziging van mei 1957 verving de Raad van Gedelegeerden weer door een Raad van Commissarissen. De Raad van Advies werd sindsdien samengesteld door de Raad van Commissarissen.

        De overname van de bank in 1949 door de NHM kreeg duidelijk gestalte in de in 1951 nieuw benoemde leden van de diverse bestuurs- en toezichtsorganen. De Raad van Gedelegeerden bestond geheel uit NHM-functionarissen. Al op 13 juni 1949 was M.H. Woutman tot hoofddirecteur benoemd. Wegens de verplaatsing van de hoofddirectie naar Paramaribo werd hij per 7 juli 1951 opgevolgd door D.C. Renooij, die reeds per 1 december 1950 directeur te Paramaribo was geworden.

        • Ingevolge de statutenwijziging van 1951 trad op 18 juli 1951 de Raad van Commissarissen af. In de vergadering van aandeelhouders d.d. 7 juli 1951 werd een Raad van Gedelegeerden ingesteld; de naam van dit college werd in 1956 gewijzigd in Raad van Commissarissen. De commissarissen Brons, de Greve, Jongbloed en Vermeulen zetelden in Paramaribo in verband met de zetelverplaatsing gedurende de Tweede Wereldoorlog.
        • S. Sarphati, periode: 1865-1866
        • Ch. le Chevalier, periode: 1865-1877
        • J. Muller, periode: 1865-1871
        • L.H. Enthoven, periode: 1865-1871
        • P.C. Gülcher, periode: 1865-1881
        • M.H. Insinger, periode: 1865-1891
        • A.C. Wertheim, periode: 1865-1879
        • N.G. Pierson, periode: 1869-1885
        • M.C. van Hall, periode: 1871-1900
        • P. Hartsen, periode: 1877-1913
        • B. Heldring, periode: 1879-1907
        • J.Ph. Bosch Reitz, periode: 1881-1888
        • Ch.M. Fraissinet, periode: 1885-1887
        • U.H. Wilkens, periode: 1887-1903
        • P.N. Muller, periode: 1889-1905
        • J.C. Gülcher, periode: 1891-1928
        • H.P.G. Quack, periode: 1901-1917
        • L.H. Enthoven, periode: 1902-1911
        • C.M. van Rijn, periode: 1905-1931
        • C.H. Labouchère, periode: 1908-1916
        • A. Muller, periode: 1911-1932
        • G.H. Hooft van Vreeland, periode: 1913-1926
        • C.E. ter Meulen, periode: 1916-1933
        • J. van Hasselt, periode: 1917-1931
        • J. van Hasselt, periode: 1933-1945
        • M.C.J. Welle, periode: 1927-1935
        • A.J.A.A. baron van Heemstra, periode: 1930-1951
        • C.F. Schoch, periode: 1931-1932
        • F.P.J. Vester, periode: 1931-1933
        • J.L. Nijsingh, periode: 1933-1945
        • Y.J.H. van der Meulen, periode: 1934-1951
        • G.J.W. Putman Cramer, periode: 1934-1949
        • H.L. van Eeghen, periode: 1935-1951
        • J.C. Brons, periode: 1940-1943
        • I.R.J. de Greve, periode: 1940-1945
        • H.N. Jongbloed, periode: 1940-1945
        • J.A. Vermeulen, periode: 1943-1945
        • J.A. Deknatel, periode: 1946-1951
        • H. van Lennep, periode: 1946-1951
        • A.B.C. Dudok de Wit, periode: 1949-1951
        • H. Albarda, periode: 1951-1963
        • J.A. Deknatel, periode: 1951-1955
        • W.A. van Ravesteyn, periode: 1951-1959
        • M.H. Woutman, periode: 1951-1952
        • K.F. Zeeman, periode: 1951-1964
        • F.J. van Huizen, periode: 1959-1963
        • D.C. Renooij, periode: 1961-1964
        • J.G. Oost Lievense, periode: 1964-1964
        • De Commissie van Toezicht en de functie van koloniaal-commissaris werden ingevolge een octrooiwijziging opgeheven in 1918. Zij werden vervangen door gouvernements-commissarissen, één in Nederland en één in Suriname.
        • J.B. de Mesquita, periode: 1865-1874
        • G.J.A. Bosch Reitz, periode: 1865-1872
        • T.J. Eyken Sluyters, periode: 1865-1873
        • F.H. van Affelen van Oorde, periode: 1871-1874
        • J.H. Gilquin, periode: 1873-1874
        • J.C.T. Reelfs, periode: 1873-1875
        • G. Duyckinck, periode: 1874-1880
        • G.H. Barnett Lyon, periode: 1874-1881
        • W.F. van Genderen, periode: 1875-1881
        • F.P. Penard, periode: 1875-1886
        • J.B. Vos, periode: 1881-1885
        • A. Salomons, periode: 1881-1905
        • J.F. Saile Vanier, periode: 1881-1891
        • C.M. Bremer, periode: 1883-1895
        • J.J.P. Wessels, periode: 1883-1896
        • J. Lionarons, periode: 1885-1890
        • J.F.H. Voet, periode: 1890-1918
        • R. Bueno de Mesquita, periode: 1891-1918
        • W.L. Loth, periode: 1892-1916
        • G.H. Samson, periode: 1895-1909
        • J. da Costa, periode: 1907-1915
        • H.J. Bosch, periode: 1907-1918
        • C.H. Immerzeel, periode: 1865-1866
        • J.A.T. Cohen Stuart, periode: 1866-1874
        • A.J. baron Schimmelpenninck van der Oye, periode: 1874-1883
        • R.B. Bueno de Mesquita, periode: 1883-1888
        • J.F.A. Voet, periode: 1888-1890
        • R. Bueno de Mesquita, periode: 1890-1891
        • R. Weytingh, periode: 1891-1899
        • J.C.P. Ulrich, periode: 1899-1906
        • C.C.M. Ligtenberg, periode: 1907-1911
        • A.G. Wyers, periode: 1911-1914
        • D.J. van Meerendonk, periode: 1914-1918
        • De functie van gouvernements-commissaris verviel in 1951. Hiervoor in de plaats werd een Raad van Advies ingesteld.
        • D.W.K. de Roo de la Faille, periode: 1918-1932
        • Th. Ligthart, periode: 1932-1951
        • J.J.C. Gaymans, periode: 1918-1919
        • J.G. van der Stadt, periode: 1919-1925
        • A.T. Oliviera, periode: 1925-1928
        • L.C. Prey, periode: 1928-1932
        • F.E. Bruyning, periode: 1933-1934
        • H. Blom, periode: 1934-1938
        • F.E. Bruyning, periode: 1938-1942
        • C.C.W. Uffelie, periode: 1942-1946
        • H.A.M. Specken, periode: 1946-1951
        • I.R.J. de Greve, periode: 1951-1962
        • H.J. de Vries sr, periode: 1951-1958
        • E.Th. Waller, periode: 1951-1964
        • E.R. Wessels, periode: 1951-1962
        • C.R. Biswamitre, periode: 1951-1964
        • L. Munsterman, periode: 1956-1964
        • H. Meyer, periode: 1957-1961
        • H.L. de Vries, periode: 1961-1964
        • A.A. Grondijs, periode: 1961-1964
        • J.O. Heide, periode: 1962-1964
        • C.R. Singh, periode: 1962-1964
        • J.D. Emanuels, periode: 1964-1964
        • Chiu Hung, periode: 1964-1964
        • Ch.M. Fraissinet, periode: 1865-1885
        • N.G. Pierson, periode: 1865-1868
        • H.M. de Vries, periode: 1868-1871
        • L.H. Enthoven, periode: 1871-1902
        • A. d'Angremont, periode: 1885-1903
        • W. van Esvelt, periode: 1902-1905
        • G.M. den Tex, periode: 1903-1916
        • C.F. Schoch, periode: 1905-1931
        • A. van Traa, periode: 1931-1949
        • G. van den Bosch [wnd], periode: 1948-1949
        • M.H. Woutman, periode: 1949-1951
        • H.G.C. Muller [vzr], periode: 1865-1871
        • S. Abendanon Szn. [sec], periode: 1865-1870
        • W.E. Ruhmann, periode: 1865-1871
        • H.G.C. Muller, periode: 1871-1880
        • C. Busken Huet [vzr], periode: 1871-1879
        • W.E. Ruhmann [sec], periode: 1871
        • A. d'Angremont [vzr], periode: 1879-1883
        • F.W. Westerouën van Meeteren [sec], periode: 1880-1883
        • W. van Esveld [vzr], periode: 1883-1902
        • H. d'Angremont [sec], periode: 1883-1906
        • C.F. Schoch [vzr], periode: 1902-1905
        • R.N.G.M. Bär von Hemmersweil [vzr], periode: 1905-1909
        • C.M.H. Kroesen, periode: 1907-1909
        • C.M.H. Kroesen [vzr], periode: 1909-1914
        • G. Calkoen, periode: 1909-1914
        • G. Calkoen [vzr], periode: 1914-1920
        • W. Dijckmeester, periode: 1914-1918
        • D.S. Huizinga, periode: 1919-1922
        • A. van Traa [vzr], periode: 1921-1931
        • C.L. Cool, periode: 1923-1941
        • S.M.S. Reitsma [vzr], periode: 1931-1938
        • G.C.F. Schoch [vzr], periode: 1938-1946
        • S.J. Baukema, periode: 1942-1946
        • S.J. Baukema [vzr], periode: 1946-1951
        • H.L. de Vries, periode: 1947-1949
        • D.C. Renooij, periode: 1950-1951
        • D.C. Renooij [hoofddir], periode: 1951-1957
        • E. de Vries, periode: 1954-1964
        • G. de Nie, periode: 1957-1960
        • W.J.A. Wijnhoven, periode: 1960-1964
      • De NV West-Indische Cultuurbank te Amsterdam werd opgericht op 16 juli 1918, met deelneming van de NV Surinaamsche Bank [40%], de NHM [20%], de Koninklijke West-Indische Maildienst [20%] en de Rotterdamsche Bankvereeniging [20%]. De motivatie voor de oprichting was dat onder andere Koloniale Staten van mening waren dat het verstrekken van landbouwkrediet bij De Surinaamsche Bank onvoldoende aandacht kreeg en dat deze activiteit zich ook niet goed liet verenigen met die van een circulatiebank. Doel van de maatschappij was dan ook de landbouw in West-Indië te bevorderen. Dit deed zij door:

        • het uitlenen van werkkapitaal aan cultuurondernemingen onder hypothecair verband;
        • het verlenen van voorschotten aan cultuurondernemingen onder bedrijfsverband;
        • het verlenen van voorschotten op te consigneren producten en het verwerken en verkopen van producten;
        • het verkrijgen, exploiteren en vervreemden van cultuurondernemingen voor eigen rekening of in gemeenschappelijke rekening met derden en het deelnemen in zodanige ondernemingen;
        • het beheren van of het toezicht houden op cultuurondernemingen voor rekening van derden;
        • alle in relatie met bovenomschreven doelen in verband staande handelingen.

        Het maatschappelijk kapitaal bedroeg bij oprichting ƒ 1.000.000,-. Op 10 december 1948 besloten de aandeelhouders de vennootschap te ontbinden, daar na de verkoop van de plantages Mon Souci en Killenstein het bedrijf feitelijk had opgehouden. De oudste directeur, A. van Traa, werd benoemd tot liquidateur; na zijn dood in 1949 werd De Surinaamsche Bank als opvolgster aangewezen.

      • Opgericht op 14 oktober 1919. In 1951 overgenomen door de NHM, waarna de spaarbankactiviteiten werden ondergebracht in een stichting, waarvan alle activa en passiva in 1972 door de Algemene Bank Nederland werden overgenomen. In 1984 werd de stichting geliquideerd.

      • Opgericht op 30 juni 1938 door Johannes Jan Ploderman, rechtskundig adviseur te Heemstede, en Nicolaas van Julsingha, kandidaat-notaris te Amsterdam, als lasthebbers van de NHM. Al in juli 1938 droegen beide oprichters hun aandelen aan de NHM over. Het doel van de onderneming was onder meer de handel in koopmansgoederen en nijverheidsproducten, het afsluiten van contracten met derden voor de bewerking van grondstoffen, de aankoop, bewerking, exploitatie en verkoop van (on)roerende zaken, het voeren van de directie of het beheer over andere ondernemingen, het administreren van vermogens en waarden van derden en andere bank- en commissionairszaken, het optreden als agent voor andere maatschappijen of ondernemingen en deelneming in andere ondernemingen. Beide oprichters hadden vijf prioriteits- en zes gewone aandelen. Latere statutenwijzigingen brachten enige wijziging in het doel en het kapitaal van de vennootschap, maar de NHM bleef enig aandeelhouder.

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in