Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

NHM

2.20.01
D.J. Wijmer, A.M. Tempelaars
Nationaal Archief, Den Haag
1998
(c)

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.20.01
Auteur: D.J. Wijmer, A.M. Tempelaars
Nationaal Archief, Den Haag
1998

(c)

Periode:

1677-1994
merendeel 1824-1964

Omvang:

15664 inventarisnummers; 1154,00 meter

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands. Een klein gedeelte is gesteld in talen als het Engels, het Frans, het Duits, het Indonesisch, het Chinees en het Japans.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften. Het archief bevat kaarten en foto's.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

De NHM werd in 1824 opgericht ter bevordering van de Nederlandse handel overzee. Het archief bevat stukken over de oprichting, organisatie (aandeelhouders, notulen (met bijlagen) van de raad van commissarissen, balansen en resultatenrekeningen (met memories van toelichting), notulen van de directie (inclusief geheime), met toegangen en notulen van directie en commissarissen gezamenlijk) en bedrijfsvoering (financiën, boekhouding, gebouwen, personeel). Er is correspondentie van binnen- en buitenlandse agenten, van diverse ministeries (oa. Koloniën), van bedrijven (meest financiële instellingen oa. DNB), van binnen- en buitenlandse ondernemingen en van particulieren. Qua toegangen zijn er voor de 19e eeuw de indicateurs en agenda's. Verder bevat het archief in- en uitgaande correspondentie van de Secretarie (later de afdeling Algemene Zaken) en van de Factorij, met agenda's; uitgifte, overschrijving en registratie van aandelen (meest registers); de boekhouding (rekeningen-courant, grootboeken, journalen, memorialen); het personeel (reglementen en instructieboeken); jaarverslagen, grootboeken en journalen van de Factorij; jaarverantwoordingsstukken buitenlandse agentschappen en diverse stukken m.b.t. de agentschappen in Japan.
Het archief bevat tevens stukken betreffende de bemoeienis van de directie met de bedrijfsvoering met toezicht op onder meer de financiële sector, de vervoerssector, de industriële sector, de mijnbouwsector, de handelssector en cultuurmaatschappijen in Oost en West. Daarnaast zijn er archiefbescheiden aanwezig met betrekking tot de teelt van suiker, koffie, oliepalmen, rubber, tabak, thee. Verder zijn er archieven van de verschillende agentschappen, van de diverse eigen cultuurondernemingen en van de door de Nederlandsche Handelsmaatschappij overgenomen financiële instellingen zoals die van de NV De Rentekas en van de Surinaamsche Bank.
Tenslotte zijn er ook gedeponeerde archieven aanwezig van enkele (handels)compagnieën, maatscha

Archiefvormers:

  • Aalst, C.J.K. van Clercq, W. de Commissie tot onderzoek der usanties bij de Weging van Indisch Produkt Crena de Iongh, D. Grote Koopmansbeurs, Raad van Commissarissen Heldring, Balthazar Heldring, E. Holland Centraal-Amerika Handels-Compagnie Maatschappij tot Exploitatie van de Suiker-Onderneming Koning Willem II Minahassa Comité, penningmeester Nederlands Syndicaat voor China Nederlandse Handel-Maatschappij, NV, Agentschap Decima / Nagasaki Nederlandse Handel-Maatschappij, NV, Agentschap Hiogo Nederlandse Handel-Maatschappij, NV, Agentschap Nijverdal Nederlandse Handel-Maatschappij, NV, Agentschap Osaka Nederlandse Handel-Maatschappij, NV, Agentschap Yokohama Nederlandse Handel-Maatschappij, NV, Hoofdagent in Japan Nederlandse Handel-Maatschappij, NV, Hoofdkantoor Nederlandse Handel-Maatschappij, NV, Modelweverij te Nijverdal Nederlandse Handel-Maatschappij, NV, Weefschool te Goor NV Administratiekantoor der Nederlandse Handel-Maatschappij NV Administratiekantoor van aandelen Koninklijke Nederlandsche Hoogovens en Staalfabrieken NV Assurantiebedrijf der Nederlandsche Handel-Maatschapij NV Auto-Crediet NV Cultuur Maatschappij Boekit Gompong NV Cultuur Maatschappij Doekoewringin NV Cultuur Maatschappij Kebon Hardjo NV Cultuur Maatschappij Ketangoengan-West NV Cultuur Maatschappij Klampok NV Cultuur Maatschappij Lho Soekon NV Cultuur Maatschappij Meloewoeng NV Cultuur Maatschappij Peterongan NV Cultuur Maatschappij Ploembon NV Cultuur Maatschappij Tersana NV De Spaarne-Bank NV Geldersche Credietvereeniging NV Handels- en Cultuur Compagnie Noord-Celebes NV Internationale Producten Compagnie NV Landbouw Maatschappij Boekit Gompong NV Landbouw Maatschappij Commewijne NV Landbouw Maatschappij en suikerfabriek Wonoredjo NV Landbouw Maatschappij Poerwodadi NV Landbouwmaatschappij Tersana NV Lebak Roto Cultuur Maatschappij NV Limburgsche Bankvereeniging NV Maatschappij tot Exploitatie der Suikerfabriek Wonoredjo NV Maatschappij voor Nijverheid en Land-exploitatie in de Transvaal NV Nederlands Land Syndicaat NV Nederlandsch Syndicaat voor China NV Nederlandsch Syndicaat voor Industrieëlen Export NV Nederlandsche Crediet en Financiering Maatschappij NV Nederlandsche Effecten Compagnie NV Nederlandsche Maatschappij voor de Walvisvaart, Raad van Commissarissen NV Nederlandsche Zuid-Afrikaansche Stoomvaart Maatschappij, 'De Holland-Zuid-Afrika Lijn', College van Commissarissen NV Nederlandsche-Indisch Pers Agentschap NV Nederlandsch-Indisch Land Syndicaat NV Philips & Co's Bank NV Rentekas NV Serdang Cultuur Maatschappij NV Surinaamsche Cultuur Maatschappij NV Surinaamsche Immigratie Maatschappij NV West-Indische Cultuurbank NV Zuid-Afrikaansche Scheepvaart Maatschappij, College van Commissarissen Rijswijksche Bank NV Stichting Studiefonds voor Werkverruiming Surinaamsche Bank NV, De Taudin Chabot, M. Vereeniging ter bescherming van de belangen van houders van 8% Chineesche schatkistbiljetten van , 1920 in guldens Vereniging van Importeurs Vereniging van Thee-Importeurs Walree, Emile David van

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

    • De Afdeling Secretarie functioneerde vanaf de oprichting van de maatschappij in 1824, en ressorteerde vanaf het begin onder de directiesecretaris. Het huishoudelijk reglement voor de directie omschreef ook de taken van de secretaris. Het kwam erop neer dat deze onder het oppertoezicht van de president, in ieder geval tot 1908 alle takken van werkzaamheden bestuurde die niet aan een van de andere afdelingen waren toegewezen; dit waren kortom alle werkzaamheden buiten de sfeer van de feitelijke vervulling van de statutaire doelstellingen. De Secretarie hield zich dus bezig met ‘voorwaardenscheppende’ taken, gericht op het soepel laten functioneren van de rest van het bedrijf. Uitzondering hierop waren in de negentiende eeuw onderdelen van de comptabiliteit, die bij één en tijdelijk enkele van de andere afdelingen waren ondergebracht.

      De statuten noemen de volgende taken van de secretaris en de Afdeling Secretarie met name:

      • algemeen toezicht over de bureau’s en geëmployeerden der directie en de afdeling zelf, de bibliotheek
        alsmede over het gebouw op zich;
      • verzorgen van de convocaties voor de dagelijkse directievergaderingen;
      • bijhouden, contrasigneren en bewaren van de registers van de gewone en confidentiële processenverbaal alsmede de geheime aantekeningen van de directievergaderingen, van de vergaderingen van de Raad [vanaf 1851 Verenigde Vergadering van Directie en Commissarissen] en de vergaderingen van aandeelhouders, en op last van de president eventueel van de vergaderingen van de Raad van Commissarissen;
      • notuleren van vergaderingen van bijzondere commissies;
      • zorg voor een geregelde circulatie van stukken onder de leden der directie;
      • contrasigneren van alle correspondentie [uitgezonderd die betreffende routinematige transacties] en akten, alsmede toezicht op de redactie daarvan;
      • contact met de hoofden der afdelingen inzake de besluiten der directie en de afhandeling daarvan;
      • afhandeling van vertrouwelijke directiezaken;
      • contact met de leden van de Raad van Commissarissen;
      • opstellen van de vereiste reglementen, instructies, circulaires, uitleg van besluiten;
      • afhandeling van juridische aangelegenheden;
      • afhandeling van personeelsaangelegenheden, met name inzake pensioenen en stafpersoneel voor het
        buitenland;
      • secretarie-correspondentie met de Factorij en de agentschappen in binnen- en buitenland;
      • beheer van het archief; de geheime aantekeningen en het archief van het Kabinet van de President werden door de secretaris persoonlijk beheerd; de secretaris hield bovendien persoonlijk een inventaris bij van de in de aparte brandvrije kluis bewaarde waardevolle stukken;
      • zorg voor het bijhouden van de algemene indicateur op het archief;
      • syndicaten en emissies, met name correspondentie inzake de materiële en financiële afwikkeling;
      • bouwzaken;
      • afhandeling van subsidies en lidmaatschappen;
      • afhandeling van de ingekomen en uitgaande post, inclusief de decodering en doorzending naar afdelingen van alle binnenkomende telegrammen;
      • interne huishoudelijke zaken als telefoon, radio, buizenpost etc.;

      Voor een aantal van de genoemde taken bestonden subafdelingen of bureaus; met name voor de negentiende eeuw zijn deze echter moeilijk grijpbaar.

      De Secretarie vervulde niet al deze taken gedurende het gehele bestaan van de maatschappij. Naarmate het bedrijf in omvang en complexiteit toenam verschoven taken naar andere, deels nieuw gevormde, afdelingen. Een grote wijziging vond plaats in 1908 met de vorming van een Afdeling Algemene Zaken, die met name staftaken als de juridische zaken en de voorbereiding van syndicaten en emissies overnam. Vanaf 1912 verhuisden tevens een aantal meer uitvoerende werkzaamheden van het binnen de NHM vrij kort daarvoor opgezette effectenbedrijf naar een nieuwe Afdeling Effecten. De Secretarie behield op dit terrein slechts een deel der financiële afwikkeling. De Secretarie kreeg hiermee steeds meer het karakter van een facilitaire dienst. De correspondentie met de agentschappen Rotterdam en ‘s-Gravenhage werd in 1934 overgenomen door de Directiesecretarie. In 1958 gingen alle nog onder de Secretarie ressorterende personeelszaken over naar een afzonderlijke Afdeling Personeelszaken.

      In 1958 werden de Secretarie én de Afdeling Algemene Zaken weer gecombineerd tot één afdeling onder de naam Secretarie.

          • openA.1.6.2.1 De Factorij

            Oprichting en nationalisatie.

            De grote afstand tussen het moederland Nederland en de koloniën in Nederlands-Indië maakte een bijzondere voorziening ten aanzien van het beheer noodzakelijk. De statuten voorzagen daarom in de vestiging te Batavia van een ondergeschikte tak van bestuur voor het toezicht op en het algemeen beheer over de zaken van de NHM in Indië. Deze hoofdzetel in Indië kreeg de naam Factorij. De vestiging van de Factorij bleek nog een lastig en tijdrovend karwei, met name omdat de animo voor een post in Indië zeer gering bleek. Het eerste jaar moest de NHM zich daarom bedienen van commissionairshuizen, met name Van der Kaa, Haste & Co en Rijck, Gevers & Co. Pas in juli 1825 volgden de benoemingen van de leden van het bestuur; op 27 februari 1826 constitueerden zij zich in Batavia als Factorij van de NHM.

            Het einde van het Indonesisch bedrijf der NHM kwam in zicht toen het cultuurbedrijf daar in mei 1959 werd genationaliseerd. Het bankbedrijf had nog even respijt, tot in juli 1960 aan de Factorij haar status van deviezenbank werd ontnomen. Op 21 november 1960 werd het bankbedrijf van de Factorij en alle onder haar ressorterende kantoren in Indonesië onder beheer gesteld. De uiteindelijke nationalisatie had plaats op 5 december 1960. De activa en passiva werden ingebracht in de Bank Koperasi, Tani dan Nelajan.

            Bestuur.

            Het bestuur van de Factorij bestond uit een president en een door de tijd wisselend aantal leden. Aanvankelijk bedroeg het aantal leden vier, vanaf 1831 twee. Vanaf 1886 was er een president, één lid en een stemhebbend secretaris, vanaf 1891 een president, twee leden en een niet stemgerechtigd secretaris.
            De president en leden van de Factorij werden door de directie te Amsterdam benoemd en ontslagen. Zij moesten Nederlanders zijn, dienden Batavia als woonplaats te hebben en waren verplicht ofwel over 15 onvervreemdbare aandelen te beschikken, ofwel in Nederland een borgtocht stellen van f 20.000, -. Het was hen verboden andere posten, ambten of bedieningen te bekleden, eigen handel te drijven en deel te nemen in andere ondernemingen. Voor het aanvaarden van bestuursfuncties of commissariaten in andere vennootschappen was toestemming van de directie te Amsterdam vereist. President en leden vergaderden zo vaak als de belangen der maatschappij dit vorderden, doch ten minste twee maal per week. Voor besluiten was de aanwezigheid van de meerderheid vereist. Besloten werd met meerderheid van stemmen. Bij staking werd de zaak aangehouden; enkel in dringende gevallen gaf de stem van de president de doorslag. De notulen werden opgesteld en gecontrasigneerd door de commies-notularis.

            Bevoegdheden: verhouding tot het hoofdkantoor.

            Zoals gezegd was het bestuur van de Factorij volkomen ondergeschikt aan de directie te Amsterdam. Zij was in haar werkzaamheden gebonden aan uitgebreide reglementen en instructies vooraf en de verplichting tot een uitgebreide verantwoording achteraf. Dit liet overigens onverlet dat de Factorij door de grote afstand noodgedwongen de nodige zelfstandigheid had en veel ruimte voor eigen initiatief. De grote afstand tot Amsterdam maakte het onmogelijk, zelfs voor belangrijke zaken, toestemming vooraf te vragen. Dit had natuurlijk wel eens tot gevolg dat de Factorij acties ondernam waar de directie achteraf niet gelukkig mee was. De reglementen en instructies voor de Factorij werden aanvankelijk vastgesteld door de Raad. Na 1850 gebeurde dit door de directie. Zij dienden aanvankelijk daarenboven gecontroleerd te worden door het Ministerie van Koloniën op hun afstemming op het regeringsbeleid en de Organisatie van het Indisch bestuur. Deze verplichting verviel na 1850. Het bestuur der Factorij diende uitgebreid verantwoording en verslag uit te brengen aan de directie. Dit betekende dat zij jaarlijks in drievoud haar financiële administratie over het afgesloten boekjaar naar Nederland diende te zenden, vergezeld van een begroting alsmede van een algemeen verslag aangaande de verrichtingen in dat afgelopen jaar. Verder diende elke transportgelegenheid benut te worden voor het zenden van tussentijdse informatie, zoals de bestuursnotulen, financiële staten, etc. Bovendien moest aanvankelijk om de twee jaar een lid van het bestuur naar Nederland afreizen om in persoon verslag uit brengen. Vanaf 1831 geschiedde dit enkel wanneer de directie dit nodig achtte.

            De Factorij opereerde in de Oost als het uitvoerend lichaam van de directie. En omdat de Oost tot ver in de twintigste eeuw vrijwel het gehele werkterrein van de NHM uitmaakte, kan gesteld worden dat de Factorij in deze periode bij vrijwel alle transacties en operaties van de NHM een rol speelde. Pas met het op gang komen van het binnenlands bankbedrijf der NHM veranderde deze situatie geleidelijk, maar ook daarna bleven de zaken in de Oost van groot gewicht.

            Interne organisatie.

            De Factorij kende net als het hoofdkantoor te Amsterdam een indeling in een Secretarie en een aantal uitvoerende afdelingen, waarvan de oudere, ook als bij het hoofdkantoor, een numerieke aanduiding hadden: Eerste Afdeling etc. I. Omdat aard en omvang van de werkzaamheden van hoofdkantoor en Factorij voor een substantieel deel uiteenliepen, verschilden ook het aantal afdelingen en daarmee samenhangend de taken en bevoegdheden van de afdelingen, ook al was hun naam gelijk. Zo was de Tweede Afdeling van het hoofdkantoor in de twintigste eeuw de cultuurafdeling, terwijl de Tweede Afdeling van de Factorij in die periode de bankzaken onder zich had. Voor de correspondentie met het hoofdkantoor had deze afwijkende interne organisatie van de Factorij geen gevolgen. Zowel de Factorij als de agentschappen moesten hierbij gebruik maken van aan de indeling van het hoofdkantoor corresponderende briefkenmerken. Voor de correspondentie tussen Factorij en agentschappen en die tussen de agentschappen onderling lag dit anders; de hierbij gebruikte briefkenmerken waren afgeleid van de afdelingen van de Factorij. De inhoud van een brief van het agentschap Hongkong aan de Eerste Afdeling van de Factorij zal dus van heel andere aard zijn als een brief van hetzelfde agentschap aan de Eerste Afdeling van het hoofdkantoor.

            De Factorij kende, in ieder geval na de Tweede Wereldoorlog, de volgende afdelingen:

            • Secretarie
            • Eerste Afdeling: Verkoop van producten; pakhuis- en afscheepzaken
            • Tweede Afdeling: Bankzaken (bankbeleid; faciliteiten exchange zaken; wisselovernames; regelingen met correspondenten); Informaties; Telegraafcode; Boekhouding (onderlinge rekeningen-courant; kantoorbehoeften; exploitatie van percelenbezit; pensioen fonds)
            • Controle Afdeling: Maand- en jaarstaten; inspecties; administratieve voorschriften
            • Cultuurzaken Suiker
            • Cultuurzaken Bergcultures
            • Effecten Afdeling
            • Kasafdeling

            Verhouding tot de agentschappen.

            De Factorij had een toezichthoudende en controlerende taak ten opzichte van de agentschappen overzee. Dit betrof zowel de kantoren in Nederlands-Indië als de andere kantoren ten oosten van Kaap de Goede Hoop, de zogeheten buitenkantoren. De agentschappen in Zuid- en Noord-Amerika vielen dus niet onder de Factorij. De agenten waren verantwoording verschuldigd aan de Factorij, maar eerst en ten principale aan de directie te Amsterdam. Feitelijk fungeerde de Factorij als tussenstation tussen directie en agentschappen: enerzijds gaf zij orders en instructies uit Amsterdam door of voerde deze uit [controle en inspectie], anderzijds was zij het verzamelpunt voor met name de financiële verslaglegging. Overigens stonden de afzonderlijke agentschappen ook in rechtstreeks contact met [de afdelingen van] het hoofdkantoor in Amsterdam. De agenten werden benoemd en ontslagen door de directie. De Factorij had wel de mogelijkheid agenten te schorsen en vacatures tijdelijk op te vullen. Vanaf 1918 vermeldde het reglement een recht van aanbeveling van de Factorij bij benoemingen. De Factorij benoemde wel de sub-agenten, hoofden van kleine vestigingen zonder een eigen financiële administratie. Tot 1881 was het beheer van de Factorij ten aanzien van zowel de agentschappen, de eigen landbouwondernemingen als de cultuurrelaties tamelijk gecentraliseerd. In genoemd jaar vond echter een reorganisatie plaats in verband met de overschakeling naar het bancair bedrijf. Alle agentschappen voerden vanaf nu een eigen boekhouding en brachten afzonderlijk verslag uit. Het beheer over de cultuurondernemingen en -relaties werd overgeheveld naar de agentschappen waaronder zij ressorteerden. Een aantal grotere agentschappen [Singapore; Semarang; Soerabaja] kon vanaf nu ook één of meerdere subagentschappen onder zich krijgen. Vanwege de uitbreiding van de zaken van de NHM in de voorgaande jaren besloot de directie in 1907 een inspecteur aan te stellen, die, staande onder de Factorij, tot taak kreeg de agentschappen en subagentschappen in het Oosten te inspecteren wanneer de directie of de Factorij dit verlangden. Hij werd benoemd en ontslagen door de directie, en rapporteerde aan en correspondeerde met zowel directie als de Factorij. De eerste inspecteur was E.D. van Walree, voormalig agent te Sjanghai.

            In 1952 werd besloten de supervisie over de buitenkantoren over te brengen van de Factorij naar Amsterdam. Reden hiervoor was de angst dat de Indonesische autoriteiten een voor de buitenkantoren hinderlijke bankcontrole zouden instellen. Bovendien werd zo voorkomen dat de winsten der buitenkantoren tot het Indonesische deviezenvermogen zouden worden gerekend. De overbrenging ging in twee etappes:

            1. per 1.1.1953 Oost-Afrika, Djeddah, Bombay, Calcutta, Karachi, Chittagong, Rangoon, Nieuw-Guinea
            2. per 1 .1.1954 Singapore, Penang, Hongkong, Shanghai, Japan.

            De overbrenging had alleen betrekking op zakelijke aangelegenheden en sub-altern personeel. Het stafpersoneel bleef onder toezicht en controle van de Factorij.

          • Tot het midden van de negentiende eeuw hadden slechts het Nederlandse gouvernement en Chinezen verlof om in Japan handel te drijven. De Nederlanders dankten dit voorrecht aan het grote aanzien en vertrouwen dat ze hier vanouds genoten. Voor het overige hield men in Japan angstvallig vast aan zijn isolement. Zelfs de gewelddadige openstelling door de Britten en een persoonlijke brief van koning Willem III aan de shogun waarin hij aandrong op koersverandering mochten niet baten. Een doorbraak kwam er eerst in 1854 toen de Verenigde Staten de Japanse overheid na een ‘vlootdemonstratie’ tot een tractaat wisten te bewegen. Tractaten met Engeland en Rusland volgden. De inhoud was echter beperkt: de concessies betroffen slechts het gebruik van enkele havens als verversingsstations. Pas in 1858 wist Nederland Japan tot vrij handelsverkeer over te halen. Toen in 1857 de gouvernementshandel op Japan werd gestaakt lag de weg open voor particulieren, waaronder de NHM. In 1858 ondernam de NHM de eerste expedities, en in 1859 zond de Factorij haar employee Bauduin naar Decima, waar het eerste Japanse agentschap werd opgericht. In mei 1875 werd de vestiging verplaatst naar het nabij Decima op het vasteland liggende Nagasaki. Geholpen door de goede oude relaties namen de zaken in Japan een grote vlucht. Men voorzag Japan van vooral textiel en medicijnen, en haalde er boomwas, ruwe zijde en hennep vandaan. De NHM wist bovendien grote orders van regeringszijde binnen te halen, waaronder de levering van schepen. Het aantal agentschappen breidde zich uit met vestigingen in Yokohama, Hiogo en Osaka. Vanaf 1871 zetelde een hoofdagent te Yokohama. Ondanks het grote volume van de handel waren de winstmarges hierop echter klein. De agentschappen haalden hun winst dan ook vooral uit uitzettingen van gelden tegen hoge rente. De Raad van Commissarissen der NHM was over deze ontwikkeling maar zeer matig te spreken, want de nationale scheepvaart en nijverheid profiteerden nauwelijks van de aanwezigheid der NHM in Japan. Toen de im- en exportzaken dan ook zwaar verliesgevend werden en bovendien na een revolutie met de shogun en daimio’s de grote kredietnemers van het toneel verdwenen, was het met de negentiende-eeuwse aanwezigheid van de NHM in Japan snel gebeurd. Als eersten werden de agentschappen te Osaka [1874], Hiogo [1878] en Nagasaki [1878) opgeheven. Het agentschap Yokohama deed nog een vruchteloze poging om via de wisselhandel en assurantiezaken te overleven, In 1880 werd ook deze vestiging gesloten. Na de liquidatie van dit agentschap werden de door de Japanse agentschappen gevormde archieven verscheept naar Nederland en door het hoofdkantoor bewaard. Zij zijn als gedeponeerde archieven in deze inventaris opgenomen [rubrieken 11-1 5].

            Pas in 1920 keerde de NHM met een vestiging te Kobe weer in Japan terug, nu als zuivere bankinstelling. Na de Tweede Wereldoorlog werd het aantal vestigingen uitgebreid met agentschappen in Osaka en Tokio.

          • Agentschappen in Nederlands-Indië

            Voor de hiërarchische verhouding van deze agentschappen ten opzichte van de directie te Amsterdam en de Factorij te Batavia zie de toelichting bij rubriek 1 .6.2.1.

            Toen in 1882 was besloten de goederenhandel stop te zetten, betekende dit het einde van de agentschappen te Palembang [1883], Makassar [1883], Bandjermasiri [1885] en op Banda (1882]. Bij de aanvang van het bankiersbedrijf in Indië beschikte de NHM in de archipel dus nog maar over vijf kantoren: de Factorij te Batavia, de agentschappen Soerabaja, Semarang, Cheribon en het sub-agentschap Padang. Het succes van de bankzaken zorgde echter voor snelle uitbreiding. Op Java werden in 1887 agentschappen gevestigd te Pasoeroean, Pekalongan, Tegal en Tjilatjap. Ook de belangstelling voor de buitenbezittingen nam toe. Dit resulteerde vanaf 1900 in nieuwe vestigingen op Sumatra, Borneo en in de Grote Oost. ( Zie de lijsten van agentschappen, overzicht 8.) Evenals de Factorij vielen ook de meeste agentschappen in Nederlands-Indië na de bezetting door Japan onder het besluit tot liquidatie. Van de agentschappen waarvoor dit niet gold werd desondanks het bedrijf stilgelegd en het stafpersoneel geïnterneerd. In 1960 werden de agentschappen door de staat Indonesië genationaliseerd.

            Agentschappen in Nieuw-Guinea

            In januari 1950 werd de NHM door de regering aangezocht om ervoor te zorgen dat Nieuw-Guinea op termijn over voldoende bankfaciliteiten zou beschikken, zonder in de bevoegdheden van de circulatiebank te treden. De rol van de NHM zou specifiek bancair zijn; de goederenvoorziening aan Nieuw-Guinea was geheel opgedragen aan de importeursfirma Hagemeyer & Co’s Handel Maatschappij NV. Vanuit de Factorij werd de situatie ter plekke geïnspecteerd. De vestigingskeus viel aanvankelijk op Hollandia (toekomstige zetel van het gouvernement] en Manokwari [commercieel gunstig gesitueerd). Op 6 april 1950 werd het agentschap Hollandia geopend. Van vestiging te Manokwari werd afgezien. In plaats daarvan werd op 1 december 1950 een agentschap geopend te Sorong, het centrum voor de petroleumindustrie. Op 16 juni 1955 volgde de opening van het agentschap Merauke [exporthaven]. Op 23 maart 1963 werd het gehele bedrijf der NHM op Nieuw-Guinea overgenomen door de Bank Indonesia.

            Agentschap Singapore

            Singapore had zich rond het midden van de negentiende eeuw ontwikkeld tot een belangrijk regionaal handelscentrum. De contacten van de NHM met Singapore liepen aanvankelijk via correspondenten, met name A.L. Johnston & Co. Deze betrekkingen hadden niet het gewenste resultaat gekregen. In de verwachting dat het werken met een eigen vertegenwoordiger meer zou opleveren, werd op 1 mei 1858 een vast agentschap te Singapore geopend. Aanvankelijk hield men kantoor aan Boat Quay. Rond 1865 werd verhuisd naar Colier Quay, vervolgens in 1902 naar Cecil Street. Het agentschap ressorteerde vooreerst onder de Factorij. Het hield zich de eerste decennia bezig met de afzet van lijnwaden, de in- en verkoop van Indische producten, beleningen en de aankoop van opium voor het gouvernement van Nederlands-Indië. De resultaten bleven over het geheel genomen, met name door de grote concurrentie, achter bij de hooggespannen verwachtingen. In 1882 werd een aanvang gemaakt met wissel- en bankzaken; met het oog hierop werd in 1887 de goederenhandel beëindigd. De bankzaken van het agentschap ontwikkelden zich stormachtig. In de periode tot 1895 waren zij in omvang zelfs groter als die van de Factorij. In 1891 kreeg het agentschap rechtspersoonlijkheid naar de wetgeving van de Britse Kroonkolonie Singapore. In 1899 opende het gouvernement van de Straits Settlements een deposito- en girorekening te Singapore. In 1902 belastte de regering van Siam het agentschap met haar deposito’s. Met het oog op de ontwikkeling van Deli werden in 1888 subagentschappen geopend te Medan [Sumatra] en Penang [Maleisië], beide in aanvang onder rechtstreeks beheer van Singapore. In 1899 volgde de opening van subagentschappen te Palembang en Rangoon. Rangoon ressorteerde vanaf 1907 rechtstreeks onder de Factorij. Van 1903-1907 ressorteerde onder Singapore nog een subagentschap te Telok Semaweh. Ten tijde van de Japanse bezetting van Singapore in februari 1941 werd het agentschap geëvacueerd. Het Nederlands personeel vertrok naar Java. Het gebouw werd in gebruik genomen door de Bank of Taiwan, die ook de liquidatie van het agentschap uitvoerde. Op 10 oktober 1945 kon de NHM haar agentschap heropenen. In 1950 werd een onderkomen voor het stafpersoneel geopend, het zogeheten Holland House.

            Agentschappen in China: Kanton en Shanghai

            Met name op wens van Willem 1, die de oude Nederlandse positie in de theehandel wilde herstellen, waren in de Artikelen van Overeenkomst van 1 824 en 1 827 bepalingen opgenomen die de directie verplichtten om theehandel op China te drijven en in dat kader een agentschap te Kanton te vestigen. De directie, die er zelf weinig vertrouwen in had, heeft het wel geprobeerd. Als agent werd de in Kanton aanwezige Nederlandse consul aangewezen. Tussen 1 825 en 1830 vertrokken vijf expedities, die de NHM zware verliezen brachten, mede door malversaties van onder meer de consul. Toen expedities in 1832 en 1833 ook verlies brachten, werd verder van deze activiteit afgezien. Na het afstoten van het agentschap te Kanton was de NHM lange tijd niet met een agentschap in China vertegenwoordigd. Het agentschap Singapore begon echter steeds meer de concurrentie te voelen van de wèl in China gevestigde instellingen. Op 29 oktober 1902 besloot de directie derhalve tot opening van een agentschap te Shanghai. De feitelijke opening vond plaats in februari 1903. Het agentschap startte met een kapitaal van f 1 .500.000, -. Aanvankelijk ressorteerde het onder Singapore. In 1907 werd het onder rechtstreeks beheer van de Factorij gebracht. China was enige land waar de NHM als circulatiebank heeft opgetreden. Vanwege de onzekere financieel-economische situatie in Shanghai en het ontbreken van een Chinese centrale bank bracht het agentschap vanaf 1907 bankbiljetten, de zogenaamde Shanghai-dollars, in omloop, die nog tot 1946 als geldig betaalmiddel dienst deden; de emissie was een succes. Het agentschap was verder sterk gericht op arbitragezaken. Vanwege de politieke situatie in China besloot de directie op 1 2 september 1949 het agentschap zo spoedig mogelijk te sluiten. De sluiting en liquidatie was echter een langdurig proces, dat pas begin 1955 definitief kon worden afgesloten.

            Agentschappen in Noord- en Zuid-Amerika

            Suriname: Agentschap Paramaribo

            De eerste plannen van de NHM inzake cultuurzaken in Suriname dateren van 1865; Zij werd hierin gestimuleerd door de commissarissen A.F. Insinger en Ch. le Chevalier, beiden bekend met West-Indische zaken, alsmede door de oprichting van De Surinaamsche Bank in 1865 en van de Surinaamsche Immigratie-Maatschappij, welke laatste de aanvoer van voldoende arbeidskrachten leek te garanderen. In 1866 benoemde de NHM W.E. Rühmann tot agent in Suriname. Hij vestigde zich in Paramaribo. Via zijn bemiddeling werden in 1867 in Beneden-Suriname de plantage De Resolutie en de verlaten onderneming Pomona met aanliggende gronden en concessies aangekocht. Op de ondernemingen woonden ‘geëmancipeerde’ slaven, die echter niet bereid waren het zware veldwerk te doen. Zij trokken geleidelijk weg. Via de Surinaamsche Immigratie Maatschappij liet de NHM nu Chinese en Brits-Indische arbeiders overkomen. De bestaande suikerfabriek op De Resolutie was sterk verouderd. Men probeerde hierin tevergeefs verbetering aan te brengen met de Fryer’s concretor. Daarom kreeg de firma Pearson & Co te Glasgow in 1873 opdracht de uitrusting van de De Resolutie geheel te vernieuwen. Pas in 1876 kwam de productie van suiker op gang. De bereiding van rum en de bananencultuur werden gestaakt. In 1879 kocht de NHM de cacaoplantage Mon Trésor. In 1880 begon men op deze plantage proeven met Liberia-koffie. De resultaten van zowel de cacao als de Liberia-koffie stelden teleur. In 1885 werd Mon Trésor wegens aanhoudend verlies weer verkocht. In 1879 begon de voorbereiding van de stichting van een Centraal-Fabriek, met een spoorlijn voor de aan- en afvoer. De bedoeling was dat het suikerriet van de verschillende plantages, dus niet alleen die van de NHM!, hier werd samengebracht en verwerkt. De planters konden zo al hun zorg aan de cultures wijden. Dit idee van scheiding van cultuur en fabricage werd overgenomen uit de nabijgelegen Franse koloniën. In 1 880 werden de contracten gesloten met de suikerleverende plantages. Op 23 oktober 1882 werd de Centraal-Fabriek Manenburg geopend en in 1 883 kon de eerste campagne plaatsvinden. In 1 884 werd de fabricage op De Resolutie gestaakt. Een groot deel van de arbeidsmacht. alsmede de woningen en het materieel werden naar de Centraal-Fabriek overgebracht. De goede gronden van De Resolutie bleven nog enkele jaren in productie; in 1886 werd de plantage verkocht. Na de Tweede Wereldoorlog was de situatie op Mariënburg weinig florissant, voornamelijk als gevolg van een gebrek aan arbeidskrachten, op zich weer een gevolg van de opbloeiende bauxietwinning. Wel zeer lucratief was de rumdistilleerderij. Op 13 november 1 954 werd een nieuwe distilleerderij geopend. In 1958 werd de plantage Slootwijk aangekocht; de onderneming produceerde koffie, cacao en citrus. In 1963 werd het gehele complex Mariënburg verkocht aan de Rubber Cultuur Maatschappij ‘Amsterdam’. In 1886 werd ook het agentschap Suriname vanuit Paramaribo naar het complex der CentraalFabriek overgebracht. Dit gebeurde na en vanwege het staken van de bemoeienis met de goudexploratie, waar het agentschap zich vanaf 1886 mee bezig had gehouden. Feitelijk was voortaan het beheer van de Centraal-Fabriek voortaan het enige werkterrein van dit agentschap, op de consignatie van een enkele onderneming na. Met bankzaken hield het zich niet bezig; deze activiteit was voorbehouden aan De Surinaamsche Bank, waar de NHM overigens een flink belang in had en die in 1949 geheel door de NHM zou worden overgenomen. Wel had de NHM zich vanaf 1881 nog enige tijd bemoeid met goudexploratie. Dit leverde echter zo weinig op dat het in 1886 werd gestaakt.

            Overige agentschappen in Latijns-Amerika

            Reeds kort na de oprichting richtte de NHM zich op economische voorlichting over de republieken in Midden- en Zuid-Amerika, die net waren ontsloten voor het internationale handelsverkeer. Zij vestigde vaste agentschappen en consulentschappen in diverse plaatsen. De resultaten vielen echter tegen. De gebieden boden voor de handel met Nederland in die tijd onvoldoende mogelijkheden. Al in 1827 werden de vaste agent- schappen omgezet in consulentschappen. Voor 1829 waren ze alle weer opgeheven. Het betrof vestigingen in Alvarado, Mexico-stad en Vera Cruz [Mexico], Bahia, Pernambuco en Rio de Janeiro [Brazilië], Buenos Aires [Argentinië], Havana [Cuba], Lima en Valparaiso [Chili] en Port au Prince [Haïti].

            In 1950 vestigde de NHM zich op Curaçao via de Nederlandsche Handel-Maatschappij, Trustkantoor Curaçao NV, een onderneming met beperkte doelstelling. De vestiging werd opgezet met het oog op dienstverlening aan maatschappijen die bij het uitbreken van een nieuwe wereldoorlog gebaat zouden zijn met een instantie op een niet direct bedreigde plaats op het westelijk halfrond, die zij met de waarneming van bepaalde zaken zouden kunnen belasten.

            Agentschap New York.

            De achterliggende reden van de oprichting van het agentschap New York in 1879 was met name het creëren van een goede mogelijkheid om in te spelen op de groeiende handelscontacten tussen Noord-Amerika en Nederlands-Indië. Doel van het agentschap was het 1. drijven van commissiehandel zowel tussen Amerika en de vestigingen in Nederlands-Indië en Japan [uitgezonderd Singapore], als rechtstreeks tussen Amerika en Nederland; 2. de in- en verkoop van wissels en 3. het geven van documentair krediet. Als agenten werden aangesteld Oliver S. Carter, Henry E. Hawley en Stanton Blake; zij zouden elk 16 2/3 % van de winst ontvangen. Het agentschap deed een tijdlang goede zaken, met name in graan, Indische producten en petroleum, effectenorders en wisselhandel. De resultaten wogen echter niet op tegen de investeringen, met name de jaarlijkse onkosten van een permanente eigen vestiging. Reeds op 31 december 1881 werd het agentschap daarom weer opgeheven. De firma Carter Hawley & Co werd met de liquidatie belast. Deze firma zou voortaan als correspondent de Amerikaanse belangen der NHM behartigen.

            In februari 1941 vestigde de NHM zich weer in New York. De behoefte hieraan was ontstaan door het door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog geïntensiveerde handelsverkeer tussen Nederlands-Indië en de VS. Aanvankelijk huisde men in de lokalen der Bank of the Manhattan Company. In 1946 werd het voormalig pand van de Banca Commerciale ltaliana gehuurd. Gedurende de oorlog hield het agentschap zich vooral bezig met de kwestie van de bevriezing van Nederlandse activa in de VS behartiging van de belangen der NHM en haar clientèle bij de zogenaamde gestrande ladingen. Vanwege het belang van deze zaken werd de na het uitbreken van de oorlog aanvankelijk te Londen gevestigde hoofdleiding der NHM in 1942 verplaatst naar New York. Beide genoemde activiteiten werden na de oorlog geleidelijk afgebouwd. In 1945 kreeg de vestiging een definitieve vorm onder de naam vertegenwoordiging. In 1948 werd de vertegenwoordiging opgewaardeerd tot agentschap. In de jaren vijftig werd het agentschap geleidelijk geactiveerd. Het agentschap had een nauwe financiële relatie met het agentschap Djeddah in Saudi-Arabië in die zin, dat een groot deel van de deposito’s van de regering en koning van Saudi-Arabië bij het agentschap Djeddah via New York werden uitgezet. Zowel Djeddah als New York dreven hier voor een belangrijk deel op. In januari 1963 werd de status van branche aangevraagd, waarmee men, anders dan met de tot dan bezeten status van agency, gelden in deposito kon aannemen. Van deze activiteit was tot dan toe afgezien om de goede relaties met het Amerikaanse bankwezen niet te verstoren. Vanaf november 1946 huisde bij het agentschap de New Amsterdam Commercial and Financial Corporation, een gezamenlijke opgerichting van de NHM. Pierson & Co, Heldring & Pierson en de Commissie & Handelsbank, bedoeld voor financiering van goederentransacties. Op 5 mei werd door de NHM de International lntermediaries Corporation te New York opgericht, een uitloper van het door de NHM sinds 1951 uitgebreide eigen assurantiebedrijf.

            Agentschappen in de Levant en het Midden-Oosten

            Agentschappen in de Levant

            De eerste jaren van haar bestaan richtte de NHM haar belangstelling ook op de Levant. Ten aanzien van Egypte gold die belangstelling vooral de Egyptische katoen. Met tussenkomst van een Italiaans handelshuis verkreeg de NHM in 1825 de leverantie van geweren aan de pasja van Egypte. De lading ging vergezeld van een gevarieerde bijlading. Er zou katoen retour komen. Met de zending ging ook een pasbenoemde agent naar Alexandrië. De Griekse vrijheidsoorlog en daarop volgende internationale verwikkelingen maakten de Middellandse Zee echter dermate onveilig, dat de activiteiten in Egypte gestaakt moesten worden voordat ze goed en wel tot ontwikkeling waren gekomen. In 1828 werd het agentschap Alexandrië opgeheven. In Smyrna Izmir benoemde de NHM het daar gevestigde handelshuis Jacob van Lennep & Co tot correspondent. Het ging de NHM hierbij vooral om de aankoop van Turkse opium, die met flink voordeel werd doorverkocht naar Indië. Ondanks de genoemde moeilijkheden in het Middellandse Zeegebied werd het contact met Van Lennep wel aangehouden.

            Agentschappen in Saoedi-Arabië

            In 1926 opende de NHM, speciaal met het oog op de dienstverlening aan pelgrims uit Nederlands-Indië naar Mekka, een agentschap te Djeddah in Saoedi-Arabië. Daarnaast groeide Djeddah uit tot een belangrijk en winstgevend NHM-agentschap vanwege haar relatie met de Saoedische overheid en het koningshuis. Het agentschap verschafte zowel de staat als de koning persoonlijk miljoenenkredieten, en nam op haar beurt van beide gelden in deposito. De deposito’s werden grotendeels uitgezet in de VS via bemiddeling van het agentschap te New York. Naast Djeddah opende de NHM in 1954 en 1955 kantoren in respectievelijk en Damman/Dahran ( Met Dahran werd het oliecentrum annex vliegveld aangeduid, met Damman de haven.) en Alkhobar [men sprak hier van een dubbel-agentschap].

            Iran

            In juli 1958 begonnen de voorbereidingen voor de oprichting van een bank in Iran, in samenwerking met de heren Vahabzadeh en anderen. De NHM nam deel voor 25%. De opening van het kantoor van de Mercantile Bank of Iran and Holland te Teheran had plaats op 5 april 1959. Het belang van de NHM ging omhoog naar 49% [de Perzische wet stond een grotere buitenlandse deelname niet toe]. Ondanks haar minderheidsbelang had de NHM wel de leiding.

            Agentschappen in Afrika

            Bij de opening van kantoren in Oost-Afrika speelde naast de verwachtingen omtrent de ontwikkeling van dit gebied een rol dat de handel hier voor een belangrijk deel in handen was van Indiase firma’s, die de NHM uit India en Pakistan reeds bekend waren. In september 1950 werd besloten tot een onderzoek naar de mogelijkheden van vestiging hier. Nog voor het eind van dat jaar opende de NHM kantoren te Mombasa in Kenia en Dar-es-Salam in Tanzania. Ze werden gevolgd door vestigingen in Nairobi [Kenia, 1952], Kampala [Oeganda, 1954], Jinja [Oeganda, 1955] en Tanga [Tanzania, 1963]. De vestiging te Jinja werd in 1958 wegens geringe levensvatbaarheid weer opgeheven.

            Vertegenwoordigingen en vestigingen in Europa

            Londen

            Ter behartiging van haar belangen in Engeland bezat de NHM al voor de Tweede Wereldoorlog een dochtermaatschappij te Londen, de Netherlands Trading Society (East) Ltd. Directeuren hier waren A.A. Pauw, W. van de Stadt jr. en A.H. Stok, respectievelijk directeur, onderdirecteur en geëmployeerde der NHM. In 1945 kreeg de tijdelijke vestiging een definitieve vorm onder de naam vertegenwoordiging [Representative Office]. Geleidelijk werd een echt agentschap steeds meer gewenst geacht. Dit bleek echter moeilijk realiseerbaar wat betreft het vinden van ruimte en personeel. Bovendien was men bang de relatie met Engelse banken te verstoren. Daarom werd in 1952 gekozen voor een participatie van 50% in B.W. Blijdenstein & Co, de affiliatie van De Twentsche Bank te Londen. De samenwerking ging in per 1 april 1 953. In dit kader richtte de NHM de Netherlands Trading Society London Ltd op, die als non-personal partner van Blijdenstein zou optreden. De Twentsche Bank had op dezelfde voet de Twentsche Bank London Ltd.

            Düsseldorf

            Per 1 maart 1955 had de NHM een vertegenwoordiging in Düsseldorf, met het oog op de contacten van het bedrijf met West-Duitsland in het algemeen en die met het Duitse industriegebied in het bijzonder.

            Antwerpen

            In 1960 richtte de NHM te Antwerpen de NV Internationale Handels- en Diamantbank op, die haar werkzaamheden op 1 december van dat jaar. Ze was specifiek gericht op de relaties in de Antwerpse diamantindustrie en -handel. Vanwege de beperkte doelstelling opereerde de bank niet als agentschap, maar als afzonderlijke NV met beperkte vergunning. De NHM had ook niet de bedoeling om de zaken in België een uitgebreid karakter te geven.

    • De Afdeling Algemene Zaken werd ingesteld in 1908, vermoedelijk samenhangend met de verandering in zowel omvang als aard van het werkterrein der NHM in de voorafgaande decennia. De nieuwe afdeling was feitelijk een afsplitsing van de Secretarie en nam van deze met name deze taken over die tegenwoordig wel met de term stafdiensten worden aangeduid. Tot de aan de afdeling toebedeelde taken behoorden de juridische zaken, de afhandeling van klachten en reclames, de clearingaangelegenheden [ca 1930-19401, de voorbereiding van kredieten (1934-1937), de executele en bewindvoering [vermogensbeheer], onderdelen van het effectenbedrijf, de belastingaangelegenheden voor derden [vanaf juni 1945], de interne en externe voorlichting, in en kort na de Tweede Wereldoorlog de deviezenaangelegenheden en het internationale betalingsverkeer en verder managementondersteunende activiteiten op het gebied van research. De uitvoering van een aantal van deze taken was ondergebracht in aparte onderafdelingen:

      • Juridisch Bureau [1908-19581, afwikkeling van Juridische zaken;
      • Economisch Bureau [ -1958], research en verzorging van publicaties;
      • Contact-Bureau [], handelsvoorlichting aan en bemiddeling voor relaties, zowel intern als extern; in [1 ondergebracht bij het Economisch Bureau;
      • Centraal Relatie Archief [1943- ], opbouw van een gegevensbank inzake alle relaties van de NHM;
      • Agentschappen;
      • Bureau Bijzondere Financieringen [].

      Op 15 oktober 1934 besloot de directie in het kader van een algehele reorganisatie van het bedrijf tot opheffing van de Afdeling Algemene Zaken per 22 oktober van dat jaar, en vervanging van deze afdeling door een Afdeling Directiesecretarie. Dit lijkt meer dan het in werkelijkheid was: in feite werd de oude afdeling voortgezet onder een andere naam en met toevoeging van een aantal nieuwe taken. Het personeel van Algemene Zaken ging over naar de nieuwe afdeling, die kwam te ressorteren onder de directiesecretaris. De Directiesecretarie nam de werkzaamheden en dossiers van de Afdeling Algemene Zaken over. Zij kreeg daarenboven de taak om in samenwerking met de betreffende afdelingen de behandeling van kredietvoorstellen voor te bereiden, deze in te dienen bij de directie en de correspondentie inzake toekenning dan wel afwijzing te voeren. Al in 1937 echter werd de kredietvoorbereiding overgeheveld naar de organen die op dat moment met de uitvoering waren belast, te weten de Provinciale Centrale, de agentschappen Rotterdam en Amsterdam en de Eerste en Vijfde Afdeling van het hoofdkantoor. De Directiesecretarie behandelde verder alle klachten en reclames, voerde de correspondentie met de agentschappen Rotterdam en ‘s-Gravenhage (tot dan Secretarie) en behandelde de aangelegenheden inzake deelnemingen en betreffende door directieleden namens de NHM beklede, dus bedrijfsgebonden, commissariaten en bestuursfuncties, alsmede de administratie van de vele lidmaatschappen van der NHM.

      Vanwege mogelijke naamsverwarring met de Afdeling Secretarie kreeg de afdeling in 1943 haar oude naam Algemene Zaken terug. In 1958 werd de afdeling opgeheven; haar taken werden weer ondergebracht bij de Afdeling Secretarie, behalve het Economisch Bureau, dat tot zelfstandige afdeling werd verheven.

    • Sinds 1915 had de NHM een samenwerkingsovereenkomst met de Geldersche Credietvereeniging [GCV] NV te Arnhem. Via deze overeenkomst kon de NHM voor binnenlandse transacties beschikken over de faciliteiten die het provinciale kantorennet van de GCV bood. De GCV was met name sterk aanwezig in het oosten en zuiden van het land. In oktober 1936 nam de NHM de GCV over waarna het gehele bedrijf van de GCV in dat van de NHM werd geïncorporeerd. De NHM, die op dat moment enkel nog agentschappen bezat te Rotterdam en 's-Gravenhage, beschikte nu plotseling over een net van circa 60 eigen provinciale vestigingen, waarvan circa 40 agentschappen en circa 20 correspondentschappen. Om dit organisatorisch op te vangen werd op het hoofdkantoor een nieuwe afdeling in het leven geroepen, de Provinciale Centrale, die verantwoordelijk werd voor het contact met en het toezicht op provinciale kantoren, met uitzondering van Rotterdam en 's-Gravenhage. Hoofd van de afdeling werd H. Harmens, voormalig directeur van de GCV, die nu tevens werd benoemd tot onderdirecteur. Tevens werd de functie ingesteld van inspecteur van de Provinciale Centrale; hierin werden benoemd H.P.Th. Glerum, voormalig adjunct-directeur van de GCV en M. Sanders van de Directiesecretarie van de NHM.
      Het toezicht op de provinciale agentschappen betrof voor alles de kredietverlening. De Provinciale Centrale zelf had de bevoegdheid kredieten tot een zeker bedrag [in 1936 ƒ 25.000,-] goed te keuren zonder toestemming van de directie vooraf. Wel diende na verlening hiervan aan de directie mededeling te worden gedaan. In september 1946 kregen de grotere agentschappen de bevoegdheid kredieten tot ƒ 25.000,- zelfstandig te arrangeren, onder voorwaarde van onmiddellijke melding aan de Provinciale Centrale. De zelfstandige bevoegdheid van de Provinciale Centrale zelf werd uitgebreid tot ƒ 50.000,-. De meldingsplicht aan de directie beliep nu de kredieten van ƒ 25.000,- à ƒ 50.000,-.

    • De Eerste Afdeling ving haar werkzaamheden aan op 1 januari 1825. Van deze afdeling is voor de eerste jaren, anders als voor de andere afdelingen, geen duidelijk omschreven taakstelling bekend. In de eerste statuten wordt echter aan haar gerefereerd als de afdeeling van den Voorzitter. Zij fungeerde de eerste jaren derhalve als secretariaat of [onderdeel van het] Kabinet van de President. De door de afdeling behandelde brieven van onder meer het Kabinet des Konings en verschillende ministeries wijzen hier ook op [zie rubriek 2.1.2.1]. De president was immers statutair exclusief belast met de geheime en vertrouwelijke correspondentie met de hogere overheidsinstanties.

      Bij een per 1 januari 1828 doorgevoerde interne reorganisatie kreeg de Eerste Afdeling de taken toegewezen die tot dan door de Tweede Afdeling waren behartigd. Dit betekende dat zij verantwoordelijk werd voor de handels-operatien en het toezigt over al de factorijen, agenten en correspondenten, en in het algemeen, over alles wat voor de maatschappij zal moeten worden verrigt, bestuurd en onderhandeld, in de volgende landen en gewesten, te weten: in alle eilanden en landen ton Oosten van Kaap de Goede Hoop liggende, en met name op Java, in den Indischen Archipel en in geheel Oost-Indië; in China en de omliggende landen; de visscherijen, vooral in de Indische Zeeën, en al wat tot derzelver ondersteuning en bevordering strekken kan. Kortom: de Eerste Afdeling werd de afdeling voor alle zaken met het Oosten, uitgezonderd financierings- en incassozaken.

      De Eerste Afdeling behandelde verder vanaf het moment dat deze zich voordeden de zogeheten Amerikaanse zaken, waarmee de contacten met Noord-Amerika werden aangeduid. In 1880 werden deze, samenhangend met de oprichting van een agentschap te New York, ondergebracht in een aparte Afdeling Amerikaanse Zaken [zie inleiding Tweede Afdeling en rubriek 6.4] Per 1 oktober van datzelfde jaar werden de tot dan door de Tweede Afdeling behandelde Surinaamse zaken ondergebracht bij de Eerste Afdeling.

      Voor de periode 1880-1914 zijn de gegevens over de interne Organisatie schaars. Het is voor de NHM de periode van overschakeling naar het bankbedrijf, en voor de Eerste Afdeling die van omschakeling van ‘Indische Afdeling’ naar een afdeling die zich specifiek op bankzaken (met name kredietverlening) richte. De volgende taken werden afgestoten:

      • in 1904 de correspondentie betreffende Indische Producten [naar de Vierde Afdeling]
      • in 1912 de Indische Effectenzaken [naar de Afdeling Effecten]
      • in 1915 de Wissel- en Bankzaken met het Oosten [naar de Tweede Afdeling]
      • In 1919 de Cultuurzaken [naar de Tweede Afdeling]
      • In 1921 de Binnenlandse deposito’s [naar de Kasafdeling]

      De Eerste Afdeling bleef na 1915 wel de afgiften op de overzeese kantoren en de afrekening van de van die kantoren ontvangen remises c.a. behandelen. In 1918 kreeg zij tevens [weer?] de wisselportefeuille onder beheer. Volgens directiebesluit van 21 december 1922 werden per 1 januari 1923 een aantal rekeningen, tot dan gevoerd op de Eerste Afdeling, overgeheveld naar de Tweede Afdeling; het betrof rekeningen betrekking hebbend op Indische zaken, van kredietnemers die zelf in Indië hun eigen kantoren hadden. Wisselportefeuille en het openen van kredieten in Indië bleven onder de Eerste Afdeling.

      Van december 1921 tot 1924 bestond korte tijd een Afdeling Binnenland. Zij verzorgde de behandeling van de zuiver binnenlandse rekeningen, waarvan de onderpanden ook in Nederland gelegen waren; deze rekeningen waren tot dan behandeld door de Eerste Afdeling. Kredieten met goederenonderpand bleven bij de Eerste Afdeling. De Afdeling Binnenland werd verder belast met de behandeling der incassi; overwogen werd ook de reiskredieten bij de afdeling onder te brengen.

      Eind 1924 vond een herinrichting plaats van de werkzaamheden van de Eerste Afdeling en de Afdeling Binnenland, waarbij de laatstgenoemde afdeling werd opgeheven. Een deel van de taken van de Eerste Afdeling en voormalige Afdeling Binnenland meest het buitenlands betalingsverkeer betreffend, werd overgeheveld naar de nieuw opgerichte Vijfde Afdeling.

      De werkzaamheden van de 'nieuwe' Eerste Afdeling omvatten in algemene termen de guldensrekeningen van zowel banken als particulieren in binnen- en buitenland, alsmede het binnenlands incassobedrijf.
      Meer specifiek:

      • Binnenlandse banken:
        -- verwerking van opdrachten van binnenlandse bankiers aan de NHM en vice versa, feitelijk het onderling betalings- en chequeverkeer omvattend
        -- de administratie van de afgiften van Indië en buitenlandse correspondenten op binnenlandse bankiers
      • Correspondentie met rekening-couranthouders van de afdeling
      • Incasso's binnenland
      • Documentenbehandeling van Indische guldens-remises
      • Kredietverlening:
        -- administratie van zowel kwitantiekredieten als documentaire kredieten verleend door het hoofdkantoor (exclusief de Indische, zie Tweede Afdeling Bankzaken)
        -- voorbereiding speciale kredieten
      • Garanties
      • Deposito's
      • Informaties
      • Beheer eigen afdeling: afdelingsjournaals; archief; personeel

      Per 1 januari 1953 treedt een naamswijziging in werking: De Eerste Afdeling wordt Afdeling Binnenland .

    • De Tweede Afdeling ving haar werkzaamheden aan per 1 januari 1825. De eerste jaren was zij de afdeling voor de ‘zaken op de Oost’, dat wil zeggen de handels-operatien en het toezigt over al de factorijen, agenten en correspondenten, en in het algemeen, over alles wat voor de maatschappij zal moeten worden verrigt, bestuurd en onderhandeld, in de volgende landen en ge westen, te weten: in alle eilanden en landen ten oosten van Kaap de Goede Hoop liggende, en met name op Java, in den Indischen Archipel en in geheel Oost-Indië; in China en de omliggende landen; de visscherijen, vooral in de Indische Zeeën, en al wat tot derzelver ondersteuning en bevordering strekken kan.

      Bij een per 1 januari 1828 doorgevoerde interne reorganisatie werden genoemde taken ondergebracht bij de Eerste Afdeling. De Tweede Afdeling nam de taken van de Derde Afdeling over, en werd daarmee de afdeling voor de ‘zaken op Europa, de Levant en de West’, zijnde de handels-opera tiën en het toezigt over al de factorjen, agenten en correspondenten, en in het algemeen over alles wat voor de maatschappij zal moeten worden verrigt, bestuurd en onderhandeld, in de volgende landen en ge westen, te weten: in Madeira, de Kanarische en Kaap- Verdiesche Eilanden, benevens de westkust van Afrika, van Tanger tot en ingesloten de Kaap de Goede Hoop; in geheel Zuid-Amerika en Noord- Amerika, de West-Indiën, de Antilles en de Açorische eilanden; langs de kusten van de Middellandsche Zee, en derhalve in de Levant, Egypte, Klein-Azië, langs de kusten der Zwarte Zee en voorts in geheel Europa.

      De activiteiten van de NHM in de genoemde gebieden waren weinig succesvol, en de hier opgerichte agentschappen waren alle reeds voor 1830 weer opgeheven. De werkzaamheden van de afdeling stelden in omvang dan ook weinig voor. Van enige importantie waren enkel de Amerikaanse en Surinaamse zaken. Een werkverdeling in 1834 tussen de leden van de directie belastte directeur De Clercq onder meer met de liquidatie der nog uitstaande zaken tot de 2e afdeeling behoorende. En uit opgaven der werkzaamheden van de verschillende afdelingen uit 1841 blijkt zelfs dat de Tweede Afdeling enkel in naam bestond. Haar correspondentie en de agenda’s daarop werden bijgehouden door medewerkers van de Secretarie, haar financiële registers door personeel van de Derde Afdeling. Per 1 oktober 1 880 werd de afdeling dan ook opgeheven. De afhandeling der Surinaamse zaken werd ondergebracht bij de Eerste Afdeling. De Amerikaanse zaken werden ondergebracht in een nieuw gevormde afzonderlijke Afdeling Amerikaanse Zaken, verband houdend met de oprichting van een agentschap te New York in 1879. Deze nieuwe afdeling gebruikte reeds na enkele jaren, zonder dat daarover besluitvorming bekend is, weer de naam Tweede Afdeling. Zij is derhalve om praktische redenen in de inventaris als continuatie van de Tweede Afdeling beschouwd.

      Vanaf 1915 kreeg de Tweede Afdeling nieuwe inhoud en een nieuw gezicht; zij zou in de twintigste eeuw vooral als afdeling voor cultuurzaken gaan functioneren. De nieuw gevormde afdeling kreeg een zuiver administratief karakter en voerde geen eigen boekhouding. Haar takenpakket nam zij over van de Eerste Afdeling; in 1915 de Wissel- en Bankzaken met het Oosten en in 1919 de Cultuurzaken. De afdeling was vanaf 1919 dan ook gesplitst in een Tweede Afdeling Bankzaken en een Tweede Afdeling Cultuurzaken.

      De wissel- en bankzaken behelsden:

      • de behandeling van alle inkomende en uitgaande telegrafische en schriftelijke overmakingen [van en naar Azië]
      • alle wisselafgiften op Azië van de NHM zelf en van anderen
      • verrekeningen wegens Indische trekkingen met de Union Bank of Australia, de Nederlandsche Bank voor Zuid-Afrika en De Surinaamsche Bank
      • kredieten van en naar Indië
      • bij de NHM betaalbaar gestelde Indische deposito’s

      De cultuurzaken behelsden:

      • verzamelen van gegevens voor de directie ten behoeve van de besluitvorming inzake verlening van oogstkrediet
      • toezicht op de financiële positie der cultuurrelaties door middel van vergelijking van begrotingen met de resultaten; rapportage hierover aan de directie
      • financiering van relatie-ondernemingen
      • beheer, administratie en financiering van eigen cultuurondernemingen
      • correspondentie ter zake met Indië en de cultuurrelaties
      • indexeren van de correspondentie, verslagen, rapporten etc. betreffende de relaties, de eigen ondernemingen en algemene cultuuronderwerpen
      • bijhouden van statistieken betreffende productie, verkoop, kostprijzen etc. van alle cultuurrelaties, van de wereldproductie en -consumptie etc.
      • Surinaamse zaken

      De Tweede Afdeling onderhield nauwe contacten met de Vierde Afdeling, die het transport en de verkoop van de producten regelde.

      Per 1 januari 1934 werd de Tweede Afdeling Wissel- en Bankzaken verenigd met de Derde Afdeling in een Derde Afdeling nieuwe stijl. De Tweede Afdeling werd nu louter een Cultuurafdeling.

      Per 1 januari 1953 werd de naam Tweede Afdeling gewijzigd in Afdeling Cultures. Met ingang van 1 januari 1960 werd de afdeling samengevoegd met de Afdeling Producten [de voormalige Vierde Afdeling] tot de Afdeling Cultures en Producten.

    • De Derde Afdeling ving haar werkzaamheden aan op 1 januari 1825. Zij functioneerde aanvankelijk als de afdeling voor de ‘zaken op de West’. zijnde de handels-operatiën en het toezigt over al de factorijen, agenten en correspondenten, en in het algemeen over alles wat voor de maatschappij zal moeten worden verrigt, bestuurd en onderhandeld, in de volgende landen en ge westen, te weten: in Madeira, de Kanarische en Kaap- Verdiesche Eilanden, benevens de westkust van Afrika, van Tanger tot en ingesloten de Kaap de Goede Hoop; in geheel Zuid-Amerika en Noord-Amerika, de West-Indiën, de Antilles en de Açorische eilanden; langs de kusten van de Middellandsche Zee, en derhalve in de Levant, Egypte, Klein-Azië, langs de kusten der Zwarte Zee en voorts in geheel Europa.

      Bij een per 1 januari 1828 doorgevoerde interne reorganisatie werden de bovenomschreven werkzaamheden ondergebracht bij de Tweede Afdeling. De Derde Afdeling nam de taken over van de bij de reorganisatie opgeheven Vijfde Afdeling. Dit pakket viel in hoofdzaak uiteen in drie onderdelen, te weten een portefeuille comptabiliteit, een portefeuille stimulering economie en een portefeuille beheer der eigen [NHM-] aandelen. Meer specifiek:

      • het toezicht over de financiële staat der maatschappij; het inleveren der rapporten hierover; het oppertoezicht over de kassen bij alle kassiers en agenten, benevens de bepalingen wegens huishoudelijke uitgaven, waarvan de met deze afdeling belaste directeur bij het begin van elk jaar een begroting zal moeten inleveren. Alles behoudens de aan de vierde afdeling toegedeelde taken.
      • de behandeling van waarden van welke aard ook [remisen, assignaties etc.]. De directeur belast met de Derde Afdeling diende de bij de andere afdelingen ontvangen traites te accepteren. De afdeling diende een algemeen traiteboek en een algemeen remiseboek bij te houden.
      • voeren van de boekhouding inzake pensioenen en verloftraktementen [volgens opgave van 1841].
      • voeren van de financiële administratie van de Tweede Afdeling [volgens opgave van 1841].
      • het toezicht over het fabriekwezen, en het voorzien van de maatschappij van volledige kennis van de staat der ‘fabryken en manufacturen’ door het gehele rijk. In dit kader was de Derde Afdeling ook de afdeling die contact onderhield met en toezicht hield op de binnenlandse textielrelaties van de NHM, met name de firma Wilson te Haarlem en het agentschap Nijverdal.
      • vanaf 1859 het toezicht op de agentschappen in Japan
      • de bevordering van de landbouw.
      • het beheer over het register van aandelen en de registers van overdrachten, en uitvoering van de bepa1ingen vervat in het 15e en 16e en 19e art. van de Artikelen van Overeenkomst.

      In verband met de sterke inkrimping van de activiteiten van de Derde Afdeling werd zij per 1 januari 1934 gecombineerd met de Tweede Afdeling Wissel- en Bankzaken tot een nieuw gevormde Derde
      Afdeling, voornamelijk gericht op de wissel- en bankzaken met het Oosten, met uitsluiting van de zaken met en via de eigen kantoren. Tot haar werkterrein behoorde nu:

      • het openen van kredieten in het Oosten
      • telegrafische en schriftelijke transferten naar en van de eigen overzeese kantoren
      • verrekeningen wegens Indische betrekkingen met de Union Bank of Australia, de Nederlandsche Bank voor Z-Afrika en De Surinaamsche Bank
      • incassi op het Oosten
      • wisselafgiften op Azië
      • door de NHM betaalbaar gestelde Indische deposito’s en depositorente
      • behandeling van goud afkomstig uit Indië, Singapore en Penang
      • expeditietaken: verzending van 1. voor overzeese kantoren bestemde bootpost van de Tweede, Eerste en Vijfde Afdeling, alsmede van de Kasafdeling en Afdeling Boekhouding, en 2. luchtpost voor alle afdelingen, alsmede de agentschappen Rotterdam en ‘s-Gravenhage en het NIVAS..

      In september 1952 werd besloten de supervisie over de buitenkantoren [ = de kantoren overzee uitgezonderd Indonesië] aan de Factorij te ontnemen en naar Amsterdam over te brengen. Dit uit angst voor hinderlijke interventies van de Indonesische regering. Dit besluit had tot gevolg dat van de Derde Afdeling, die belast was met alle bankzaken met het Oosten, per 1 januari 1953 een Zesde Afdeling werd afgesplitst die de supervisie kreeg over de buitenkantoren in Nieuw-Guinua, Oost Afrika, Pakistan, India, Djeddah en Rangoon. Het betrof enkel de supervisie; de behandeling van dagelijkse zaken van de vestigingen in het Oosten bleef bij de Derde Afdeling.

      Per 1 januari 1953 werd de naam Derde Afdeling gewijzigd in Afdeling Bankzaken met het Oosten. In het kader van het streven naar een meer functionele indeling van de werkzaamheden bij het hoofdkantoor werd in november 1959 besloten de afdeling op te heffen. Haar werkzaamheden werden verdeeld over de bestaande afdelingen Binnenland [Eerste Afdeling] en Buitenland [Vijfde Afdeling] en een nieuw gevormde Afdeling Documenten.

    • De Vierde Afdeling begon haar werkzaamheden op 1 januari 1825. Het takenpakket van de afdeling viel aanvankelijk uiteen in een blok comptabiliteit en een blok transport, beheer en verkoop van producten. Meer specifiek: het toezigt over het grootboek, benevens de balans, memorie van toelichting en rapporten dien aangaande, alles in overeenstemming met daaromtrent bepaalde; het beheer over de plaatsing van de ledigliggende gelden, hetzij in belening, prolongaties, disconto's of op enig andere wijze, waarvan wekelijks aan de president een tabel moet worden aangeboden; de bezorging van assurantien zoo binnen als buiten het rijk, en de werkzaamheden die tot het opmaken en de finale afmaking der schade behooren; het sluiten van bevrachtingen van schepen in de verschillende havens des rijks; het beheer, over zoo wel over den in- als verkoop van alle goederen die tot de binnenlandsche speculatien behooren; het beheer over den verkoop van alle van buitenlands aangevoerde goederen, hetzij voor eigen rekening der Maatschappij, hetzij in gemeenzame rekening met anderen, hetzij in consignatie ontvangen .
      Teneinde meer eenheid te brengen in al hetgeen de comptabiliteit betrof, ging reeds per 1 februari 1827 de comptabiliteitsportefeuille over op de Vijfde Afdeling. Datzelfde jaar kreeg de Vierde Afdeling het beheer over de via de Tweede en Derde Afdeling ingekomen goederen, zogauw deze waren opgeslagen. Van de betreffende afdeling diende een nauwkeurige prijsopgave van de goederen te worden ontvangen. De Vierde Afdeling diende een magazijnboek bij te houden.
      De afdeling kon besluiten tot verkoop of anderszins van de goederen voordragen. Zij voerde tevens de correspondentie met de diverse binnenlandse agenten betreffende de verkoop van de goederen en het beheer van de veilingen in hun plaats.

      Na de verhuizing van het hoofdkantoor in 1831 van 's-Gravenhage naar Amsterdam kreeg de Vierde Afdeling de behandeling van de zaken van het voormalige agentschap Amsterdam toegewezen. In 1904 werd het kasbedrijf aan de Vierde Afdeling onttrokken en ondergebracht bij een afzonderlijke Kasafdeling. De afdeling behield goederen- en assurantiezaken. Hoofdzaak op goederengebied vormde de verkoop van de gouvernementsproducten. Een afzonderlijke afdeling met die naam, verantwoordelijk voor de verrekening met het gouvernement, werd kort na 1904 bij de Vierde Afdeling getrokken. Volgens een opgave van 1934 omvatte de afdeling in dat jaar de groepen 1. suiker, koffie en tabak, 2. rubber en guttapercha, 3. thee, 4. kopra, palmproducten en kinabast, 5. terpentijn, tin, 6. guatemalaproducten, 7. assurantie, 8. comptabiliteit, 9. controle, maildocumenten, vrachten.
      Per 1 januari 1953 werd de naam Vierde Afdeling gewijzigd in Afdeling Producten. Met ingang van 1 januari 1960 werd de afdeling samengevoegd met de Afdeling Cultures [Tweede Afdeling] tot de Afdeling Cultures en Producten.

    • De Vijfde Afdeling begon haar werkzaamheden op 1 januari 1825. De afdeling zou in eerste instantie slechts drie jaar bestaan. Per 1 januari 1828 werd zij opgeheven. In 1924 werd opnieuw een Vijfde Afdeling gevormd, nu met een totaal ander takenpakket.
      Gedurende de periode 1825-1828 viel het takenpakket van de Vijfde Afdeling uiteen in een blok comptabiliteit, een blok stimulering van de Nederlandse economie en een blok aandelenbeheer.
      Meer specifiek:
      - het toezicht over de financiële staat der maatschappij; het inleveren der rapporten hierover; het oppertoezicht over de kassen bij alle kassiers en agenten, benevens de bepalingen wegens huishoudelijke uitgaven, waarvan de met deze afdeling belaste directeur bij het begin van elk jaar een begroting zal moeten inleveren. Alles behoudens de aan de Vierde Afdeling toegedeelde taken.
      - vanaf januari 1827 de comptabiliteitsaangelegenheden die tot dan toe onder de Vierde Afdeling vielen; dit betrof alle waarden van welke aard ook (remisen, assignaties etc.). De directeur belast met de afdeling diende de bij alle afdelingen ontvangen traites te accepteren. Ter vervanging van de tot dan bestaan hebbende registers diende de afdeling een algemeen traiteboek en een algemeen remiseboek bij te houden.
      - het toezicht over het fabriekwezen, zijnde het voorzien van de maatschappij van volledige kennis van de staat der 'fabryken en manufacturen' door het gehele rijk.
      - de bevordering van de landbouw.
      - het beheer over het register van aandelen en de registers van overdrachten, en uitvoering van de bepalingen vervat in het 15e, 16e en 19e art. van de Artikelen van Overeenkomst .
      Bij een per 1 januari 1828 doorgevoerde interne reorganisatie werd de Vijfde Afdeling opgeheven. Haar taken werden overgenomen door de Derde Afdeling.

      Bij besluit van de directie van 15 december 1924 werden de taken, tot dan verricht door de Eerste Afdeling en de Afdeling Binnenland, opnieuw verdeeld. Aan een nieuw gevormde Vijfde Afdeling werden met name taken toegewezen op het terrein van het buitenlands betalingsverkeer, als de arbitrage, de termijnaffaires, de rekeninghouders in vreemde valuta, de nostro's bij de buitenlandse banken, de buitenlandse wisselportefeuille en de reiskredietbrieven.
      Volgens een opgave van 1934 kende de Vijfde Afdeling op dat moment de volgende groepen:
      - Loro's: voeren van de correspondentie met de loro-banken.
      - Wisselportefeuille en Goudbehandeling: behandeling van wissels in vreemde valuta en behandeling van goud [goud afkomstig uit Indië, Singapore en Penang werd afgehandeld door de Derde Afdeling].
      - Nostro's.
      - Reiskredietbrieven en reischeques.
      - Goudadministratie en statistiek.
      - Wisselkantoor: de in- en verkoop van vreemde munt en vreemd bankpapier en het optreden als arbitrageant.
      - Incassi op het buitenland.
      - Informaties betreffende buitenlandse banken.
      Per 1 januari 1953 werd de naam Vijfde Afdeling gewijzigd in Afdeling Buitenland.

Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in