gahetNA in het Nationaal Archief

Rotterdamsche Bank

2.18.33
D.J. Wijmer
Nationaal Archief, Den Haag
2012
(c)

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.18.33
Auteur: D.J. Wijmer
Nationaal Archief, Den Haag
2012
(c)

Periode:

1755-1985
merendeel 1863-1964

Omvang:

95,00 meter; 2839 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief bevat series notulen van vergaderingen van aandeelhouders, van commissarissen en van de driectie, jaarstukken en dossiers. Deze documenten betreffen de organisatie van de bank, overname van andere banken, deelneming in en kredietverlening aan bedrijven, effectenbedrijf, vermogensbeheer, betalingsverkeer en lidmaatschappen van verenigingen. Ook zijn archieffragmenten bijkantoren, dochterbedrijven en van overgenomen bankbedrijven aanwezig.

Archiefvormers:

  • Rotterdamsche Bankvereeniging NV, 1911-1947
  • Rotterdamsche Bank NV, 1947-1964

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Geschiedenis van de Rotterdamsche Bank in vogelvlucht

De Rotterdamsche Bank NV werd opgericht in Rotterdam op 16 mei 1863 door een groep zakenlieden en bankiers, waaronder Marten Mees, firmant van R. Mees & Zoonen, die hiermee onbedoeld een toekomstige, geduchte concurrent voor zijn Rotterdamse kassiersbedrijf creëerde. De werkzaamheden startten op 1 oktober 1863. Het idee van de oprichters was om, onder meer naar Engels voorbeeld van de Colonial Bank, een kredietinstelling in het leven te roepen die zou voorzien in de groeiende kapitaalbehoefte van bedrijven in Nederlands-Indië. In januari 1864 werd de Commanditaire Vereeniging (kredietvereniging) opgericht als dochter van de Rotterdamsche Bank. Door een te ambitieuze opzet leed de bank forse verliezen in Indië. Daarnaast leverde de zogenaamde Pincoffs-affaire (1879) de Rotterdamsche Bank een schadepost op van circa ƒ 875.000,-. Wijs geworden beperkte de bank daarna haar activiteiten tot Nederland.

Met de komst van directeur Willem Westerman in 1904 begon een periode van uitbreiding. Op 19 april 1911 fuseerden de Rotterdamsche Bank en de NV Deposito- en Administratie-Bank in Rotterdam tot de Rotterdamsche Bankvereeniging (Robaver). De werkzaamheden van de bank startten op 1 juli 1911. Beide banken vulden elkaar goed aan; de Rotterdamsche Bank was vooral een handelsbank, de Deposito- en Administratie Bank een effectenbank en beide zochten bovendien toegang tot de Amsterdamse Effectenbeurs. De Rotterdamsche Bankvereeniging wist dit doel nog in datzelfde jaar te bereiken door de oude Amsterdamse firma Determeijer Weslingh & Zoon over te nemen. Dit wekte indertijd nogal wat beroering in financiële kringen, gezien de rivaliteit tussen hoofdstad en Maasstad. Twee jaar later werd Labouchere, Oyens & Co's Bank in Amsterdam, een voortzetting van de firma Ketwich & Voombergh, overgenomen, in december 1915 de Nationale Bank te `s-Gravenhage (gelieerd aan de Deposito- en Administratie Bank), gevolgd door vele lokale banken. De Rotterdamsche Bankvereeniging groeide in enkele jaren méér dan in de eerste vijftig jaar van haar bestaan en werd een van Nederlands grootste banken. Deze stappen van de bank gelden als het begin van de concentratie en concernvorming van de algemene banken in Nederland. De schaalvergroting bij de banken hield gelijke tred met die in het bedrijfsleven en ging veelal ten koste van de kleinere banken.

De nieuwe filialen van de bank werden vanaf 1916 grotendeels verworven door het overnemen van kleine bankiersfirma's. Deze bedrijven werden aanvankelijk niet opgenomen in de eigen organisatie, maar ondergebracht in de dochterondernemingen de Nationale Bankvereeniging (Nato) in Utrecht of de Zuid-Nederlandsche Handelsbank (Zuidbank) in Tilburg. De Zuidbank ging per 1 december 1920 op in de Nato. Op 1 januari 1929 werd vervolgens het gehele bedrijf van de Nato ondergebracht in de Rotterdamsche Bankvereeniging. In dezelfde periode was de Rotterdamsche Bankvereeniging actief betrokken bij de oprichting van overzeebanken, waaronder de Hollandsche Bank voor Zuid-Amerika, de Hollandsche Bank voor de Middellandsche Zee, de Bank voor Indië, de Hollandsche Bank voor West-Indië en de Russisch-Hollandsche Bank.

Een overmatig optimisme, gebaseerd op de hausse na de Eerste Wereldoorlog die echter omsloeg in een baisse door de economische crisis in Duitsland, leidde in de jaren 1922-1925 tot een algemene bankcrisis. De Rotterdamsche Bankvereeniging was een van de meest opvallende slachtoffers. In de voorafgaande expansieperiode bleek de Rotterdamsche Bankvereeniging te veel krediet te hebben verleend, zonder voldoende reserves aan te leggen. Minister van Financiën Colijn gaf in 1924 persoonlijk opdracht aan De Nederlandsche Bank om de Rotterdamsche Bankvereeniging te hulp te schieten, waarna alle deelnemingen in banken met buitenlandse vestigingen werden afgestoten. Rond 1927 was de crisis bezworen en ging de bank verder, echter zonder president Westerman.

Op 21 juli 1939 besloten de Amsterdamsche Bank en de Rotterdamsche Bankvereeniging tot een vergaande samenwerking; door de oorlogsomstandigheden werden deze fusieplannen op 7 oktober 1939 afgeblazen.

In oktober 1947 werd de oude naam 'Rotterdamsche Bank' weer ingevoerd.

Op 28 oktober 1960 werd aangekondigd dat de Nationale Handelsbank zou werden overgenomen. Per 1 mei 1961 trad het personeel van deze bank in dienst van de Rotterdamsche Bank. De volledige integratie had in de daarop volgende jaren plaats. Door deze overname kreeg de Rotterdamsche Bank de beschikking over vestigingen in het Verre Oosten, alsmede een dochterbedrijf in Canada, The Mercantile Bank of Canada. Deze vestigingen werden echter allemaal vóór 1965 verkocht.

In 1964 werden de oude contacten tussen Rotterdamsche Bank en Amsterdamsche Bank met succes weer opgepakt. Op 11 juni 1964 kondigden beide banken aan te gaan fuseren tot de Amsterdam-Rotterdam Bank NV. Voor de Rotterdamsche Bank was dit een logische ontwikkeling in het kader van het door haar zelf in gang gezette proces van bankconcentratie. De Rotterdamsche Bank, als bank, werd per 31 december 1968 door De Nederlandsche Bank als handelsbank doorgehaald in afdeling I van het register van kredietinstellingen. De Rotterdamsche Bank, als vennootschap, bestaat tot op de huidige dag, maar leidt een sluimerend bestaan.

Oprichting, doel en kapitaal

De jaren 1850-1870 markeerden in Nederland de overgang van een vroegkapitalistische naar een modernkapitalistische maatschappij. Een onderdeel van dit proces was de opkomst van het moderne bankwezen. Met name in de periode na 1860 werd een aantal banken opgericht dat grote en blijvende betekenis zou hebben. Tot deze groep behoort de Rotterdamsche Bank NV, opgericht in 1863. Het initiatief tot oprichting kwam van een groep Rotterdamse firma's, te weten de kassiersfirma's R. Mees & Zoonen, Jan Havelaar & Zonen, de Gebr. Chabot en Schaay en Madrij, alsmede de koopman en reder H. Müller Szn. en de handelsfirma J.W. Bunge. Zij belegden op 16 mei 1863 een vergadering met als doel de oprichting van een 'handelsbank'. De koninklijke goedkeuring van de statuten volgde op 28 juni. De vennootschap werd aangegaan voor vijftig jaar. De bank begon, onder de naam Rotterdamsche Bank NV, haar werkzaamheden op 1 oktober van dat jaar.

De doelstellingen van de nieuwe vennootschap waren ambitieus. Naar het voorbeeld van een aantal buitenlandse bankinstellingen wilde men gaan fungeren als bank voor de koloniale handel en nijverheid, ofwel als bemiddelaar tussen het kapitaaloverschot in Nederland en de grote kapitaalbehoefte van de koloniale handel en de cultuur- en andere bedrijven in Nederlands-Indië. Hiervoor zou een agentschap of filiaalbank op Java in het leven (moeten) worden geroepen. Behalve de activiteiten ten aanzien van de koloniën, door de oprichters zonder meer als de primaire activiteiten beschouwd, zou de bank zich volgens de statuten verder moeten richten op het openen van geconfirmeerde kredieten, het opnemen van gelden à deposito tegen vergoeding van rente, de handel in edele metalen, bevordering van de oprichting van maatschappijen van handel, nijverheid en landbouw, het verstrekken van geldleningen aan bedrijven, overheidslichamen en andere openbare instellingen en verder alle bank- en geldoperaties in de ruimste zin des woords. Later werd dit in de statuten samengevat als het uitoefenen van het kassiers- en bankiersbedrijf en het doen van financiële operatiën in het algemeen. Tot 1911 (oprichting van de Rotterdamsche Bankvereeniging) waren het nemen van aandeel in andere ondernemingen en maatschappijen en het drijven van handel in goederen of effecten voor eigen rekening uitdrukkelijk van de werkkring uitgesloten. Tot dat jaar was verder het deelnemen in syndicaten voor de uitgifte van leningen en van aandelen aan de goedkeuring van de commissarissen gebonden. Vanaf 1911 werd ook vermogensbeheer en het optreden als trustee bij obligatieleningen tot de werkkring gerekend. In de statuten van 1947 werd het bezorgen van assurantiën toegevoegd.

Om de nieuwe instelling te financieren werden aandelen geëmitteerd. Het maatschappelijk kapitaal werd bij de oprichting vastgesteld op ƒ 15.000.000,-, gesplitst in drie series van ƒ 5.000.000,-. In eerste instantie werd de emissie beperkt tot één serie, waarvan ƒ 4.000.000,- bedoeld was voor de oprichters en ƒ 1.000.000,- werd geplaatst. Dat er bij het publiek vertrouwen bestond in de toekomst van het bedrijf blijkt uit het resultaat van de inschrijving van maar liefst ƒ 58.498.750,-, waardoor uiteindelijk slechts 1,709% van de inschrijvingen kon worden toegewezen! De tweede en derde serie aandelen werden in 1864 geëmitteerd.

Vanwege de in 1873 inzettende crisis werd in 1875 het maatschappelijk kapitaal gereduceerd door terugkoop van eigen aandelen. In 1880 volgde een nieuwe reductie door de waarde van de aandelen van ƒ 250,- terug te brengen naar ƒ 200,- en die van ƒ 125,- naar ƒ 100,-. In de twintigste eeuw werd het kapitaal stelselmatig verhoogd tot ƒ 50.000.000,- in de vijftiger jaren, met name wegens aanpassing aan de sterk groeiende omvang van de deposito's en crediteuren. Reeds in 1872 werden de aandelen Rotterdamsche Bank genoteerd op Duitse beurzen. In 1912 volgde notering op de beurs van Parijs.

Toezichthoudende organen
Aandeelhouders

De eigendom van en zeggenschap over de Rotterdamsche Bank NV berustte, zoals de rechtsfiguur van de naamloze vennootschap eigen, bij de inbrengers van het kapitaal, de aandeelhouders. Of, zoals uitgedrukt in de statuten ten aanzien van de vergadering van aandeelhouders, zij 'vertegenwoordigt het gansche ligchaam der vennootschap'.

De algemene vergadering van aandeelhouders of aanvankelijk, in termen van de statuten, de deelhebbers moest jaarlijks plaatsvinden, aanvankelijk in de drie eerste maanden van elk jaar, na de afsluiting van de balans, later in mei of uiterlijk in juni. Buitengewone vergaderingen vonden plaats zo vaak als commissarissen, directie of de vertegenwoordigers van een statutair bepaald deel van het kapitaal dit verlangden. De vergaderplaats was Rotterdam. Alle aandeelhouders waren tot het bijwonen van de vergadering gerechtigd. Stemgerechtigd waren aanvankelijk allen, die hun aandelen reeds een bepaald aantal maanden vóór uitschrijving van de vergadering bezaten, later allen die hun aandelen bij uitschrijving van de vergadering bezaten. Voor de toekenning van het aantal stemmen per aandeelhouder werd een bepaalde sleutel gehanteerd, die onder meer inhield dat niemand meer dan zes stemmen mocht uitbrengen, ook niet als gevolmachtigde van anderen. Besloten werd met meerderheid van stemmen, behalve bij wijziging van de statuten en enkele andere zaken, waarvoor afwijkende regels golden. De vergadering werd voorgezeten door de voorzitter van het college van commissarissen. Als secretaris fungeerde de directiesecretaris.

De agenda van de vergadering bevatte doorgaans de volgende punten:

  • kennisnemen van de balans, na goedkeuring hiervan door een daartoe samengestelde commissie (zie onder);
  • kennisnemen van het door de commissarissen overlegde rapport over de toestand van de vennootschap;
  • verkiezen van de commissarissen, en op voordracht van de commissarissen benoemen c.q. ontslaan van leden van de directie;
  • kiezen van de commissie tot goedkeuring van de balans;
  • besluiten over vergroting/verkleining van het maatschappelijk kapitaal of emissie van nieuwe series aandelen;
  • besluiten over statutenwijziging en ontbinding der vennootschap;
  • behandelen van en besluiten op voorstellen van commissarissen en directie alsmede van aandeelhouders (mits door een bepaald deel van het kapitaal gesteund).
College van Commissarissen en het Comité uit Commissarissen

De eerste commissarissen werden benoemd door de oprichters. Vervolgens werden zij benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders, vanaf 1920 op voordracht van twee in functie zijnde commissarissen. Hun aantal werd aanvankelijk vastgesteld op tien. Via latere statutenwijzigingen werd dit aantal nogal eens veranderd. Meestal werd dan het minimum aantal op zeven bepaald, en varieerde het maximum aantal; de statuten van 1920 bijvoorbeeld stelden dit maximum op 25. Vanaf 1872 gold de regel dat een bepaald percentage in Nederland woonachtig moest zijn. Jaarlijks trad een deel van de leden af, volgens rooster. Ze waren dan wel herkiesbaar. Alle commissarissen dienden aanvankelijk 50 aandelen op naam te bezitten; in 1869 werd dit aantal teruggebracht tot 25, en bij de vorming van de Rotterdamsche Bankvereeniging in 1911 was deze voorwaarde uit de statuten geschrapt. Op verzoek van de commissarissen konden directieleden de vergaderingen bijwonen. Blijkens de notulen was dit over het algemeen het geval.

Het college vergaderde aanvankelijk minstens eenmaal per week, in later tijd zovaak men dat nodig achtte. Vergaderd werd in Rotterdam. Vanaf 1905 werden taken en bevoegdheden in de statuten in tamelijk algemene termen omschreven: de commissarissen waren belast met het toezicht over het beheer van de vennootschap, met het geven van advies en voorlichting aan de directie, waar zij dit nodig achtten, en het bewaken van een trouwe naleving van de statuten. De oudere statuten waren wat uitvoeriger en noemden onder meer:

  • toezien op de handelingen van de directie;
  • waken voor een juiste naleving van de statuten en een goede exploitatie van de vennootschap;
  • voordragen tot benoeming van directieleden en vaststellen van hun inkomen;
  • schorsen en voordragen tot ontslag van directieleden;
  • besluiten, op voordracht van de directie, inzake vestiging van filialen en agentschappen;
  • vaststellen, op voordracht van de directie, van de balans en de hoogte van het dividend;
  • bepalen van de handelwijze in buitengewone gevallen;
  • goedkeuren van de deelneming in syndicaten en consortiums.

Via een statutenwijziging in 1869 kreeg het college de bevoegdheid om uit haar midden een commissie van drie leden te benoemen, met de naam Commissie van Toezicht. Deze naam zou overigens in de loop der tijd nogal eens veranderen, in Commissie uit Commissarissen, Comité uit Commissarissen en in 1958 in Raad van Toezicht. Namens de commissarissen hield zij toezicht op de handelingen van de directie, rapporteerde zij aan de commissarissen over de toestand van de vennootschap, adviseerde zij desgevraagd de directie en besliste zij bij geschillen binnen de directie. Feitelijk fungeerde deze commissie als een soort dagelijks bestuur van het College van Commissarissen. De commissie vergaderde ten minste eenmaal per week, in of buiten tegenwoordigheid van de directie. Om de maand trad één der leden af, volgens rooster.

Interne organisatie

Over de interne organisatiestructuur van de Rotterdamsche Bank kan wat betreft de eerste vijftig jaar, wegens het ontbreken van relevant archiefmateriaal, weinig worden gezegd. Hooguit kan worden vermoed dat zij in die periode relatief nog niet zeer ingewikkeld was. Tot 1911 was er, afgezien van de tijdelijke agentschappen in het Verre Oosten, één kantoor. De afdelingsstructuur zal in hoofdzaak de door de bank verrichte functies weerspiegeld hebben.

Na de fusie met de Deposito- en Administratie-Bank in 1911 zou de structuur snel ingewikkelder worden. In 1911 werd een kantoor in Amsterdam gevestigd, dat als een tweede hoofdkantoor zou gaan fungeren. In 1914 werd een bijbank in 's-Gravenhage geopend. En door een reeks overnames van lokale banken en bankjes zou het aantal bijkantoren explosief groeien. Art. 1 van de statuten luidde na 1911 dan ook: ' ...De vennootschap ...heeft banken te Rotterdam en te Amsterdam, een bijbank te 's-Gravenhage en kan kantoren en correspondentschappen vestigen en zitdagen houden, waar zij zulks wenschelijk acht'.

Het citaat weerspiegelt een hoofdstructuur met een verdeling in vier componenten. Ten eerste de 'moederbank' te Rotterdam, met onder haar ressorterend de Rotterdamse stadsbijkantoren, inclusief die in enkele direct aansluitende gemeenten. Ten tweede de bank te Amsterdam, in alle opzichten gelijkwaardig aan de bank te Rotterdam. Onder haar ressorteerden de Amsterdamse stadsbijkantoren. Ten derde de bijbank te 's-Gravenhage; zij werd bestuurd door een directie die, op voordracht van de commissarissen en in overleg met de [hoofd]directie, werd benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders. Onder de bijbank ressorteerden de Haagse bijkantoren, inclusief dat van Scheveningen. De vierde component vormden de bijkantoren in de provincie. Met de integratie van de Nationale Bankvereeniging in het moederberdijf in 1929 (zie onder) groeide dit aantal zo snel, dat in datzelfde jaar een speciaal bestuurslichaam in het leven werd geroepen, de Provinciale Centrale. Tot 1949 was deze ondergebracht in de kantoren van de bijbank te 's-Gravenhage, daarna verhuisde zij naar het nieuw gebouwde hoofdkantoor aan de Coolsingel. Later was 'de provincie' bovendien nog ingedeeld in districten, grotendeels samenvallend met de provinciale indeling. De directeuren van de banken te Amsterdam en Rotterdam, van de bijbank 's-Gravenhage en in later tijd ook die van de Provinciale Centrale vormden gezamenlijk de onderdirectie van de vennootschap.

Elk van de vier componenten was in redelijke mate autonoom, en had haar eigen uitvoerende afdelingen op elk terrein alsmede eigen staf- en hulpdiensten. Met name de bank te Amsterdam nam een tamelijk eigen positie in. De bank te Rotterdam en de Provinciale Centrale kenden na het gereedkomen van het nieuwe hoofdkantoor en de verhuizing van de Provinciale Centrale daarheen wat betreft een aantal diensten een vermenging. Zo werkten de accountants en de afdeling Juridische Zaken van de Provinciale Centrale ook voor de bank te Rotterdam.

Een duidelijk inzicht in de afdelingsstructuur kan alleen worden verkregen voor de periode ná 1949. Een aantal overzichten uit die tijd geeft aan dat de structuur van de banken te Rotterdam en Amsterdam in hoge mate identiek was, al weken de namen soms wat af. De Provinciale Centrale kende een afwijkende structuur. Voor een nadere beschrijving van de organisatie en taken van de afdelingen wordt verwezen naar rubriek A.1.4., inv.nr 94.

Het uitgebreide net van provinciale vestigingen dat vanaf 1911 ontstond kwam via verschillende wegen tot stand:

  1. Door stichting van zelfstandige maatschappijen met eigen rechtspersoon. Een voorbeeld hiervan was de Nationale Bankvereeniging in Utrecht (1916), waar de Rotterdamsche Bankvereeniging een aantal vroegere overnames in onderbracht.
  2. Door deelneming in bestaande instellingen en\of door onderbrenging van een agentschap bij een bestaande instelling, waarbij deze bepaalde vormen van dienstverlening namens de Rotterdamsche Bank verrichte. Vaak liep dit uit op overname van de betrokken instelling.
  3. Door overname van bestaande banken, bijvoorbeeld de Amsterdamse Bankiersvereniging Labouchere, Oyens & Co's Bank (1913) en de Nationale Bank te 's-Gravenhage (1915).
  4. Door fusie. De fusie met de Deposito- en Administratie Bank (1911) bracht belangen in diverse kleine bankinstellingen mee.
  5. Door directe oprichting van eigen vestigingen. Een vroeg voorbeeld is de vestiging van de bijbank te 's-Gravenhage (1914) en een depositokas aan het Bezuidenhout in dezelfde plaats (1915).
De bevoegdheden van de bijkantoren waren beperkt. Naast de voorschriften die een uniforme dienstverlening moesten bevorderen en dus de vrijheid inperkten (zie het aantal circulaires) was voor 'grote handelingen' toestemming van hogerhand vereist; dit gold met name de verlening van krediet. Beslissende stappen in de vorming van het landelijk kantorennet waren de fusie met de Deposito- en Administratie-Bank en met name de oprichting en latere volledige integratie van de Nationale Bankvereeniging met haar provinciale filialen. Daarna zou het aantal vestigingen blijven groeien, tot 118 in 1940, 194 in 1945, 300 in 1959 en 340 in 1962. De Rotterdamsche Bank was daarmee wat betreft haar kantorennet de grootste bank in Nederland.

Naast de hoofdkantoren te Rotterdam en Amsterdam, de Provinciale Centrale, de bijkantoren en de zitdagen kunnen ook de door de bank met een specifiek doel opgerichte en geheel door haar gecontroleerde maatschappijen als onderdeel van het bedrijf worden beschouwd. Van enkele hiervan zijn bescheiden in de inventaris opgenomen. Deze maatschappijen werden meestal opgericht ter uitvoering van een specifieke functie. De redenen om deze functies in aparte maatschappijen onder te brengen konden uiteenlopen. Het kon zijn dat men het maatschappelijk kapitaal gescheiden wilde houden. Of het ging om activiteiten waaraan men de naam van de bank niet (meteen) wilde verbinden, bijvoorbeeld het uitproberen van nieuwe vormen van dienstverlening.

Aparte vermelding verdienen nog de oprichting van een Vrouwenbank te Amsterdam in 1929 en de opening in 1939 van een vestiging in Brussel, de Comptoir Belgo-Hollandais SA/Belgisch-Hollandsch Effectenkantoor NV. De Vrouwenbank, gevestigd aan het Rokin, was speciaal gericht op het groeiende aantal vrouwelijke cliënten. In 1971 werd ze als overbodig opgeheven. De NV Belgisch-Hollandsch Effectenkantoor werd in 1947 geliquideerd.

Bedrijfsmiddelen
Personeel

Directie en procuratiehouders

De directie van de Rotterdamsche Bank bestond bij aanvang statutair uit een president-directeur, twee directeuren en een secretaris. De omvang van de directie zou in de loop der jaren gestaag toenemen. De statuten van 1947 bepaalden haar op minimaal vier en maximaal negen. Ook ten aanzien van de directie gold de eis, dat een bepaald percentage Nederlander moest zijn. De directie werd, op voordracht van de commissarissen, benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders. De leden van de directie waren tot 1911 verplicht Rotterdam als vaste woonplaats te hebben. Tevens moesten zij tot dat jaar eigenaar zijn van minstens vijftig aandelen op naam. De directie voerde het dagelijks beleid en beheer over de vennootschap en vertegenwoordigde de vennootschap in en buiten rechte. Zij had daartoe al díe bevoegdheden, die niet uitdrukkelijk aan de aandeelhouders of de commissarissen waren toegewezen. De statuten van vóór 1911 geven hierbij nog een ietwat uitvoeriger omschrijving:

  • de ordening van de administratie;
  • benoeming van alle beambten en vaststelling van hun instructies;
  • de leiding over alle operaties;
  • het (doen) opmaken van de jaarlijkse balans en het voorleggen daarvan aan de commissarissen, begeleid door een verslag over de toestand van de vennootschap;
  • eventuele liquidatie van de vennootschap, onder toezicht van de commissarissen. Na 1911 resideerde een deel van de directie in Rotterdam, en een deel in Amsterdam.

In het jaarverslag van 1913 is voor het eerst sprake van onderdirecteuren. Deze groep was samengesteld uit de directies van de afzonderlijke onderdelen van de vennootschap, in volgorde van ontstaan de bank Rotterdam (1863), de bank Amsterdam (1911), de bijbank 's-Gravenhage (1915) en de Provinciale Centrale (1929).

Al vanaf 1872 had de directie de bevoegdheid aan een of meer beambten procuratie te verlenen om voor de vennootschap te tekenen. In 1920 is sprake van de mogelijkheid tot aanwijzing, onder goedkeuring van commissarissen, van algemene en bijzondere procuratiehouders, en de aanstelling van bijzondere procuratiehouders tot directeur van een bijkantoor of depositokas.

Overig personeel en personeelsorganen

De personeelssterkte groeide in de eerste vijftig jaar van het bestaan van de bank slechts in geringe mate, zeker in vergelijking met de periode daarna. In 1865 bedroeg het aantal werknemers 23, in 1899 waren er 67. In 1911 bedroeg het aantal werknemers nog slechts 35. Daarna was de groei explosief: van 250 in 1914 en 490 in 1917 tot rond 700 in 1919. Eind 1963 tenslotte bood de bank werk aan circa 4800 mensen.

Op 23 juli 1866 werd door en voor de ambtenaren van de bank een pensioenfonds in het leven geroepen. Na de fusie in 1911 werd dit fonds op 24 mei van dat jaar omgezet in de Stichting Pensioen- en ondersteuningsfonds der ambtenaren en bedienden van de Rotterdamsche Bankvereeniging. Het fonds had mede tot taak de oprichting en instandhouding van het in 1915 geopende Huize Erica te Nunspeet, een herstellings- en vakantieoord voor de ambtenaren en bedienden. Op 22 april 1927 vond opnieuw een aanpassing plaats via de oprichting van de Stichting Pensioenfonds van 1926. Vanwege een noodzakelijke aanpassing aan de bepalingen van de Pensioen- en Spaarfondsenwet vond in 1954 een tweedeling plaats. De werknemers die reeds vóór 1 juli 1952 in dienst waren vielen voortaan onder de Stichting Pensioenfonds I. Zij die op of ná die datum in vaste dienst traden vielen onder de Stichting Pensioenfonds II. Op 26 juni 1956 vond de oprichting plaats van de Stichting Pensioenfonds III, bedoeld voor werknemers ònder de rang van (onder)directeur, maar met een jaarsalaris bóven ƒ 8500,-.

Op 5 juni 1915 werd de Vereeniging Robaver opgericht. De koninklijke goedkeuring volgde op 17 oktober 1917. De statutair in Amsterdam gevestigde vereniging had tot doel '..den kameraadschappelijken omgang van het personeel der Rotterdamsche Bankvereeniging te bevorderen'. Dit wilde zij bereiken door gedurende de wintermaanden eens per maand clubavonden te organiseren voor het houden van lezingen en voordrachten, het spelen van schaak- en kaartspelen etc. Daarnaast bood zij gelegenheid tot het beoefenen van sport, muziek en toneel. De vereniging had een bestuur van ten minste zeven leden, die haar in en buiten rechte konden vertegenwoordigen.

In 1955 vond de installatie plaats van een ondernemingsraad.

Gebouwen

Bij de start van haar werkzaamheden was de Rotterdamsche Bank gevestigd in het pand Geldersche Kade 50 te Rotterdam. In 1870 werd dit pand door de regering aangekocht wegens de voorgenomen spoorwegaanleg door de stad. De bank nam vervolgens haar intrek in het voormalige Grand Hotel des Pays Bas aan de Boompjes 77 te Rotterdam, in 1705 gebouwd als adellijke woning door Cornelis de Jonge van Ellemeet. In de meidagen van 1940 kwam het pand in de vuurlinie te liggen tijdens de gevechten om de Maasbruggen, en werd het volkomen verwoest. Het personeel werd voorlopig ondergebracht in het gehuurde kantoorpand Calandstraat 49. Pas in 1948 kon het nieuw gebouwde hoofdkantoor aan de Coolsingel 119 gedeeltelijk in gebruik worden genomen.

Ook het bijkantoor Coolsingel 109 werd in 1940 door brand zwaar beschadigd. Het bedrijf kon hier echter na een noodverbouwing gedeeltelijk worden hervat. Voor het effectenbedrijf werd aan de Boompjes een noodgebouw geplaatst.

De bank te Amsterdam werd bij de start in 1911 ondergebracht in de kantoren van Determeijer, Weslingh & Zoon aan de Keizersgracht 706. Op 24 juni 1912 werd de eerste paal geheid voor nieuwbouw aan het Rokin. Op 22 augustus van datzelfde jaar werd de eerste steen gelegd. Op 20 oktober 1913 was het kantoorpand Rokin 33-47 gereed. In 1916/17 en 1925 volgden uitbreidingen waardoor het pand uiteindelijk Rokin 23-51 zou omvatten.

Bedrijfsvoering
Overnames, deelnemingen en commissariaten

De deelnemingen in andere bedrijven vallen in twee categorieën uiteen. Enerzijds zijn er de deelnemingen vanuit pure beleggingsactiviteit of betrokkenheid bij syndicaten. Zij hebben meestal een tijdelijk karakter. Anderzijds zijn er de geconsolideerde deelnemingen, bedoeld ter uitbreiding van het werkterrein en de invloedssfeer van de bank. Zij hebben een langdurig, haast vast karakter. Dergelijke deelnemingen konden op verschillende manieren tot stand komen. De bank kon betrokken zijn bij de oprichting van de betreffende instelling. Daarnaast kon men zich eenvoudigweg inkopen. Bij deze deelnemingen betrof het in veel gevallen het verwerven van een belang in andere bancaire instellingen. Niet zelden liepen ze uit op een moeder-dochter-relatie (een belang van 50% of meer), of volledige overname van de betreffende instelling.

Deelnemingen in andere ondernemingen, en zeker de grotere deelnemingen, werden meestal gevolgd door de 'aanvaarding' van één of meer post(en) in de Raad van Commissarissen van de betreffende onderneming. Het betrof in deze gevallen dus bankgebonden vertegenwoordigende commissariaten. De aanvaarding hiervan en de toewijzing aan een specifieke bankfunctionaris was een besluit dat op directieniveau werd genomen. Vanwege de aard van deze commissariaten zijn de hieruit voortgekomen dossiers geplaatst in een subrubriek deelnemingen en commissariaten.

Bij een overname werden de bedrijfsactiviteiten van de overgenomen instelling volledig geïntegreerd in het bedrijf van de Rotterdamsche Bank, hoewel de instelling om commerciële of andere redenen nog (enige tijd) onder eigen naam kon blijven functioneren. Bij een fusie tenslotte werden de bedrijfsactiviteiten van de fuserende partners volledig geïntegreerd en ondergebracht in een geheel nieuwe maatschappij.

Het jaar 1911 luidde voor het Nederlandse bankwezen het concentratietijdperk in. De grote verscheidenheid aan regionale en lokale bancaire instellingen werd vanaf die tijd geleidelijk opgeslokt door een, op zich zelf ook slinkend, aantal grote concerns. Al vóór de Tweede Wereldoorlog was sprake van vijf invloedssferen van 'grootbanken', in volgorde van ouderdom de Nederlandsche Handel-Maatschappij, De Twentsche Bank, de Rotterdamsche Bank, de Amsterdamsche Bank en de Incasso-Bank. De overname van de Incasso-Bank door de Amsterdamsche Bank in 1948 en de fusies van De Twentsche Bank met de Nederlandsche Handel-Maatschappij tot de Algemene Bank Nederland (ABN) in 1964, en van de Amsterdamsche Bank en de Rotterdamsche Bank tot de Amsterdam-Rotterdam Bank (Amro Bank) in datzelfde jaar waren verdere stappen in het verdichtingsproces. Met de fusie tussen de Algemene Bank Nederland en de Amsterdam-Rotterdam Bank in 1991 vond de concentratie een (voorlopig) hoogtepunt.

De Rotterdamsche Bank kan zonder bezwaar als initiator en gangmaker van de concentratiebeweging worden beschouwd. Vanaf 1911 kent haar geschiedenis een lange lijst van deelnemingen, overnames en fusies. Zij kunnen in dit bestek onmogelijk allemaal worden opgesomd, laat staan besproken. Hieronder volgen enkel wat opmerkingen over de voornaamste activiteiten op dit terrein. Voor het overige wordt verwezen naar overzicht IV.

Op 1 april 1911 zette de Rotterdamsche Bank de stap tot fusie met de Deposito- en Administratie-Bank te Rotterdam. Beide banken gingen op in de nieuw opgerichte NV Rotterdamsche Bankvereeniging (Robaver). De beide fusiepartners vulden elkaar aan: de Rotterdamsche Bank was vooral handelsbank, de Deposito- en Administratie-Bank vooral effectenbank. Nog datzelfde jaar 1911 nam de Rotterdamsche Bankvereeniging een belang in de firma Determeijer, Weslingh & Zoon te Amsterdam. In hun pand aan de Keizersgracht 706 werd (tijdelijk) de bank te Amsterdam ondergebracht. Toegang tot de Amsterdamse beurs speelde bij deze operatie een belangrijke rol.

Een zeer belangrijke stap, feitelijk de beslissende stap de provincie in, was de oprichting in 1916 van de Nationale Bankvereeniging, met Utrecht als zetel. De Rotterdamsche Bankvereeniging had hierin een meerderheidsaandeel van 75%. De nieuwe maatschappij had tot doel de uitoefening van het provinciale bankiers- en kassiersbedrijf. Een aantal eerdere overnames werd erin ondergebracht, met name de Bank van Huydecoper & Van Dielen te Utrecht, A. Bloembergen & Zonen's Bank te Leeuwarden, de Dordtsche Bank te Dordrecht en de Nationale Bank te 's-Gravenhage. In 1917 had de vereniging vestigingen in 59 plaatsen. In 1917 stelde de Rotterdamsche Bankvereeniging zich garant voor alle verbintenissen van de Zuid-Nederlandsche Handelsbank NV te Tilburg, met vestigingen in meerdere steden in het zuiden. Eind 1920 werd deze bank overgenomen door de Nationale Bankvereeniging. Per 1 januari 1929 werd het bedrijf van de Nationale Bankvereeniging volledig geïncorporeerd in de Rotterdamsche Banvereeniging. Van dat moment dateert dan ook de Provinciale Centrale binnen de bank.

Grote plannen in 1939 om te komen tot verregaande samenwerking met de Amsterdamsche Bank konden vanwege de dreigende omstandigheden geen doorgang vinden.

Een overname die wel doorging was die van de Nationale Handelsbank NV, tot 1950 Nederlandsch-Indische Handelsbank NV, op 28 oktober 1960. Het leverde de Rotterdamsche Bank onder meer een groot aantal belangen in het buitenland op, die echter binnen relatief korte tijd van de hand werden gedaan.

In 1964 tenslotte volgde alsnog de fusie met de Amsterdamsche Bank. De Rotterdamsche Bank hield hiermee op te bestaan. De bedrijfsactiviteiten werden ondergebracht in de nieuw opgerichte maatschappij de Amsterdam-Rotterdam Bank (Amro Bank) NV.

Dienstenpakket

De Rotterdamsche Bank was vanaf haar oprichting opgezet als handelsbank, hoewel de oprichters primair de dienstverlening aan de koloniale handel voor ogen hadden. Dat de bank, nog versterkt door de in 1864 opgerichte en aan de bank verbonden commanditaire vereniging, zich al zeer spoedig ook richtte op het nemen van gelden à deposito tegen rente (met De Twentsche Bankvereeniging behoorde de Rotterdamsche Bank hierin tot de voorlopers), kredietverlening en rekening-courant was met name de kassiers onder hen uit concurrentieoverwegingen een doorn in het oog. De activiteiten ten aanzien van de financiering van de koloniale handel en cultuurmaatschappijen verliepen echter niet voorspoedig. De bank leed in Indië grote verliezen, en over het beleid ten aanzien van de koloniën bestond intern groot verschil van mening. In 1870 kwam aan het experiment overzee een eind. Al vóór dat jaar waren de in alle optimisme opgerichte agentschappen in Batavia, Soerabaja en Singapore weer gesloten. Men richtte zich voortaan voornamelijk op Nederland. De op het buitenland gerichte activiteiten bleven beperkt tot deelneming in de oprichting van een aantal maatschappijen, als de Russisch-Hollandsche Bank NV te Moskou (1916), de Hollandsche Bank voor Zuid-Amerika NV te Amsterdam (1914) en de Hollandsche Bank voor de Middellandsche Zee NV te Amsterdam (1919). Pas met de fusie met de Nationale Handelsbank in 1960 krijgt men weer uitgebreide belangen in het buitenland (Azië, en in Canada de Mercantile Bank of Canada te Montreal). Deze werden echter allemaal na korte tijd afgestoten.

Dus, voerden in de eerste statuten de activiteiten ten aanzien van de koloniën nog de boventoon, latere statuten geven een ander beeld. De doelstellingen worden dan omschreven als het uitoefenen van het kassiers- en bankiersbedrijf en het doen van financiële operaties in het algemeen, het beheren van vermogen voor anderen, het optreden als beheerder of trustee, het deelnemen in syndicaten en consortiums en het bezorgen van assuranties.

Wat betreft de medefinanciering binnen de grenzen zag men al zeer snel de mogelijkheden van Rotterdam als transitohaven. Dit uitte zich ondermeer in deelneming aan de oprichting van de NV Nederlandsch-Amerikaanse Stoomvaart-Maatschappij Holland-Amerika Lijn te Rotterdam en de Rotterdamsche Handelsvereeniging. Daarnaast was men onder meer betrokken bij de oprichting van de Amsterdamsche Bank.

Vanaf circa 1870 ging de Rotterdamsche Bank zich, in combinatie met andere banken, bezighouden met de emissie van nieuwe fondsen. Het depositobedrijf, het in bewaring nemen van gelden van derden, bleef tot circa 1895 kleinschalig. Van een uitgebreide vaste cliëntèle kon tot dan dus niet worden gesproken. Na 1895 zou het aantal deposito's en crediteuren echter explosief groeien. Eind negentiende eeuw raakte ook de rekening-courantrekening ingeburgerd.

Aanvankelijk was het acceptbedrijf, het verlenen van wisselkrediet, het meest aangewezen terrein voor de handelsbanken. Dit bedrijf zou tot ver in de twintigste eeuw een belangrijke functie en winstbron zijn. Nog in de jaren twintig was de Rotterdamsche Bank betrokken bij de oprichting van accepthuizen, waaronder de Nederlandsche Accept-Maatschappij NV te Amsterdam en de NV Wolfinancierings Maatschappij te Amsterdam, vanaf 1924 de Wolbank. Ten gevolge van de crisis en de opkomst van de moderne communicatietechniek zou het acceptkrediet vanaf de jaren dertig nagenoeg geheel uit het zicht verdwijnen. De wissel werd vervangen door het rekening-courantkrediet ('giraal geld'). De crisis zorgde ook voor de opkomst van het documentair krediet, omdat de banken waren gedwongen, vanwege de anarchie op de valutamarkt, bij kredietverlening aan de internationale handel nieuwe garanties te eisen.

Een belangrijke activiteit was verder het vermogensbeheer. Hiertoe werd behalve de administratie over het bij de bank in bewaring gegeven vermogen ook gerekend executele van nalatenschappen en bewindvoering. Aan deze activiteit gerelateerd was de belastingadministratie voor cliënten en het geven van advies op diverse terreinen.

De jaren vijftig van de twintigste eeuw brachten de komst van een aantal nieuwe vormen van dienstverlening. Deels werden hiervoor door de bank aparte dochtermaatschappijen opgericht. Ten eerste kwam het afbetalingskrediet (huurkoop) voor duurzame gebruiksgoederen als auto's en wasmachines in zwang. Dit werd het werkterrein van de Handelmaatschappij Mundus NV, in 1961 ondergebracht in de nieuw opgerichte NV Financieringsinstituut Mundus-Eurocredit. In 1962 nam de Rotterdamsche Bank deel in de Nederlandse Financieringsmaatschappij van 1929 Welvaert NV, die zich richtte op het consumptieve afbetalingskrediet. Ook deze maatschappij werd ondergebracht in Mundus-Eurocredit.

Daarnaast richtte de bank zich op de markt van de middellange kredietverlening, via de NV Financiering-Maatschappij voor Investeringen (Fimavi). Eind 1959 opende de Rotterdamsche Bank de mogelijkheid tot het openen van spaarrekeningen tegen speciale rente. Met deze activiteiten zette een zekere mate van branchevervaging in, en ging de bank concurreren met op deze deelterreinen gespecialiseerde instellingen.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
CAPTCHA
Deze vraag is om te testen of u een menselijke bezoeker bent en om geautomatiseerde spam te voorkomen.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in