gahetNA in the National Archives

Amsterdamsche Bank

2.18.32
D.J. Wijmer
Nationaal Archief, Den Haag
2012
(c)

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.18.32
Auteur: D.J. Wijmer
Nationaal Archief, Den Haag
2012
(c)

Periode:

1609-1993
merendeel 1871-1964

Omvang:

258,50 meter; 4241 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief bevat series notulen van vergaderingen van aandeelhouders en van commissarissen, jaarstukken en dossiers. Deze documenten betreffen de organisatie van de bank, overname van andere banken, deelneming in en kredietverlening aan bedrijven, effectenbedrijf, vermogensbeheer, betalingsverkeer en lidmaatschappen van verenigingen. Ook zijn archieffragmenten bijkantoren, dochterbedrijven en van overgenomen bankbedrijven aanwezig.

Archiefvormers:

  • Amsterdamsche Bank NV, 1871-1964
  • Amsterdamsche Bank NV, Bijbank te Rotterdam, 1917-1967
  • Incasso-Bank NV, 1891-1948
  • Bandar Oliepalmen Cultuur Maatschappij, 1910-1964
  • Bank van Doijer & Kalff NV te Zwolle, 1824-1957
  • Financieele Maatschappij voor Nijverheidsondernemingen NV te Amsterdam, 1883-1959
  • Friesche Bank NV te Leeuwarden, 1917-1937

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Geschiedenis van de Amsterdamsche Bank in vogelvlucht

Als gevolg van de Franse herstelbetalingen na de Frans-Duitse oorlog van 1870/1871 was er in Duitsland een groot kapitaaloverschot ontstaan waarvoor beleggingskanalen werden gezocht. Dit leidde in Duitsland tot de Gründerperiode, waarin een enorm aantal nieuwe maatschappijen op aandelen het licht zag. Deze oprichtingsgolf beperkte zich niet tot Duitsland, maar strekte zich ook uit over de grenzen heen. Tegen deze achtergrond vond op 5 december 1871 in Amsterdam de oprichting plaats van de Amsterdamsche Bank NV door een consortium van voornamelijk Duitse banken onder leiding van de Bank für Handel und Industrie AG in Darmstadt. Doel van de oprichters was de vestiging van een Nederlands bankbedrijf, dat de relatie tussen de Nederlandse en Duitse geldmarkten zou bevorderen. De werkzaamheden van de bank startten op 1 januari 1872 vanuit het pand Herengracht 597. De eerste jaren waren niet gemakkelijk. Het beginkapitaal van ƒ 30.000.000,- bleek te groot voor de Nederlandse behoeften van deze tijd, ook al gezien de achtergebleven industriële ontwikkeling. Bovendien zette in 1873 de depressie in, een lange periode van verlaging van het internationale prijsniveau, met als dieptepunt de jaren rond 1885. Ook het verkeerd aflopen van een aantal investeringsprojecten en de suikercrisis op Java (1884) zorgden voor problemen. De Amsterdamsche Bank wist al deze moeilijkheden echter te boven komen.

Men bleef echter voorzichtig, de reden dat in 1901 het Amsterdamsch Wisselkantoor nog als aparte vennootschap werd opgericht. In werkelijkheid was dit het eerste bijkantoor. In 1904 werd Stadnitski & Van Heukelom te Amsterdam (1785) overgenomen. De acquisitie van dit bedrijf vormde, vanwege het grote aantal vooral Franse relaties, de basis voor het grote net van buitenlandse particuliere relaties waar de Amsterdamsche Bank als raadgeefster voor optrad. De uitbreiding werd voortgezet door nieuwe vestigingen van het Amsterdamsch Wisselkantoor. Deze dochter opende tot 1908 kantoren in Amsterdam (Damrak en Sarphatistraat), Utrecht, Eindhoven, Almelo en Enschede. Hierna werd het Wisselkantoor opgeheven en haar kantoren omgezet in bijkantoren van de Amsterdamsche Bank. De bank verkreeg ook belangen in diverse provinciale banken zoals de Helmondsche Bank en de Heerlener Bank. Gedwongen het voorbeeld van de Rotterdamsche Bankvereeniging (Robaver) te volgen, werden in de periode na 1911 diverse plaatselijke bankbedrijven overgenomen en omgezet in bijkantoren. Na deze expansie- en concentratieperiode, die de toenmalige bankwereld in zijn geheel kenschetst, volgde een tijd van consolidatie, ook bij de Amsterdamsche Bank.

Met respectievelijk de Nederlandsche Handel-Maatschappij in 1921 en De Twentsche Bank in 1923 werden gesprekken gevoerd over een vorm van samenwerking, die in beide gevallen op niets uitliepen. Met het oog op de financiering van de plaatselijke diamantindustrie opende de bank in 1937 een dochterbedrijf in Antwerpen, het Amsterdamsch Diamantkantoor, al in 1938 omgedoopt tot Amsterdamsche Bank voor België. Dit zou de enige buitenlandse vestiging van de Amsterdamsche Bank blijven. In juli 1939 besloten de Amsterdamsche Bank en de Rotterdamsche Bankvereeniging tot een zeer vergaande vorm van samenwerking, die door de oorlogsomstandigheden echter een aantal maanden later werd afgelast. Kort daarna, per 1 januari 1940, werd het Noordhollandsch Landbouwcrediet in Alkmaar overgenomen, waarvan de Amsterdamsche Bank in 1887 één van de oprichters was geweest.

Tijdens de crisisperiode van de jaren dertig leed de Amsterdamsche Bank diverse debiteurenverliezen, en meerdere rekening-courantkredieten moesten worden herzien of verlaagd. Dat de Duitse kredieten niet meer werden terugbetaald vanwege de Stillhalte - een overeenkomst uit 1931 tussen Duitsland en haar buitenlandse crediteuren, waarbij een moratorium werd afgesproken voor de terugbetaling van buitenlandse kredieten en de rentebetaling op deze kredieten - was een groter probleem. De hiermee verbonden zwendel van de Pool Siegfried Wreswynski zou uiteidelijk directeur H.A. van Nierop zijn functie kosten.

Met de heropleving van de bankactiviteiten na de Tweede Wereldoorlog kwam ook de concentratiebeweging weer op gang. In december 1946 benaderde de Incasso-Bank (één van de 'grote vijf') de Amsterdamsche Bank met een verzoek tot eventuele samenwerking. De gesprekken leidden uiteindelijk tot een overname van de Incasso-Bank per 1 januari 1948. Voor de Amsterdamsche Bank betekende dit een aanzienlijke uitbreiding van het kantorennet.

In 1956 begon de Amsterdamsche Bank, via haar dochterinstelling Maatschappij voor Middellang Crediet, met een nieuwe activiteit: het verstrekken van kredieten met een middellange looptijd aan het bedrijfsleven. Dit was vanaf het begin een succesvolle operatie.

Vanaf 1958 participeerde de Amsterdamsche Bank in de European Advisory Committee, een samenwerkingsverband met drie grote Europese banken, de Deutsche Bank AG (Frankfurt), de Midland Bank Ltd (Londen) en de Banque Société Générale de Belgique (later Société Générale de Banque) SA (Brussel). Dit leidde in 1967 tot de oprichting van de Banque Europeénne de Credit à Moyen Terme te Brussel.

Op 11 juni 1964, nadrukkelijk in navolging van de Nederlandsche Handel-Maatschappij en de Twentsche Bank, bleek de tijd wèl rijp voor een fusie tussen de Amsterdamsche Bank en de Rotterdamsche Bank, en ontstond de Amsterdam-Rotterdam Bank (Amro Bank) in Amsterdam. Officieel werd deze bank op 27 juli 1964 opgericht als nieuwe holding. Pas op 1 maart 1965 werden alle activiteiten van beide banken onder de naam Amsterdam-Rotterdam Bank voortgezet. De Amsterdamsche Bank, als bank, werd per 31 december 1968 door De Nederlandsche Bank als handelsbank doorgehaald in afdeling I van het register van kredietinstellingen. De Amsterdamsche Bank als vennootschap bestaat tot op de huidige dag, maar leidt een sluimerend bestaan.

Oprichting, doel en kapitaal

De jaren 1850-1870 markeerden in Nederland de overgang van een vroegkapitalistische naar een modernkapitalistische maatschappij. Een onderdeel van dit proces was de opkomst van het moderne bankwezen. Met name in de periode na 1860 werd een aantal banken opgericht dat grote en blijvende betekenis zou hebben. Te noemen zijn onder meer de CV Twentsche Bankvereeniging, als voortzetting van het kassiersbedrijf B.W. Blijdenstein jr te Enschede in 1861, en de Rotterdamsche Bank NV in 1863. Aan het eind van deze overgangsperiode vond de oprichting plaats van de Amsterdamsche Bank. Behalve bovengenoemd proces speelde hierbij de situatie in Duitsland een grote rol. Daar was na de Frans-Duitse oorlog van 1870/71 een groot kapitaaloverschot aanwezig, waarvoor naarstig beleggingskanalen werden gezocht. Dit leidde tot de Gründerperiode, waarin een enorm aantal nieuwe maatschappijen op aandelen het licht zag. Deze oprichtingsgolf beperkte zich niet tot Duitsland, maar strekte zich ook uit over de Duitse grenzen heen. Het directe initiatief tot oprichting van de Amsterdamsche Bank NV kwam van de Bank für Handel und Industrie AG te Darmstadt. Zij fungeerde als leidster van een consortium van Duitse banken met als doel de vestiging van een Nederlands bankbedrijf dat de relatie tussen de Nederlandse en Duitse geldmarkten zou kunnen bevorderen. De akte van oprichting passeerde op 5 december 1871. De vennootschap werd aangegaan voor 99 jaar, een bepaling die overigens in 1922 uit de statuten werd geschrapt. De vennootschap was statutair gevestigd in Amsterdam. De werkzaamheden van de bank begonnen per 1 januari 1872 vanuit het pand Herengracht 597 te Amsterdam.

Het statutair doel werd in 1871 omschreven als de uitoefening van het bankiersbedrijf en den commissiehandel in den ruimsten zin. Zij zal zich bij voorkeur onledig houden met het verrigten van operatiën, waaruit zij haar kapitaal na een bekwamen termijn of zoodra dit wenschelijk of noodzakelijk mogt voorkomen, gemakkelijk terugnemen kan. Deze omschrijving bleef lange tijd ongewijzigd. Pas de statuten van 1938 brachten een uitbreiding, en gaven de bank ook de mogelijkheid om vermogens van derden te beheren en te besturen en om aangesteld te worden tot bewindvoerster, tot uitvoerster van uiterste wilsbeschikkingen en tot bestuurster, commissaris of liquidatrice van vennootschappen of andere instellingen. Verdere wijzigingen vonden niet meer plaats. De werkkring werd alleen in de statuten van 1871, en later niet meer, nader omschreven:

  • het disconteren van wisselbrieven en ander handelspapier; het kopen en verkopen voor eigen rekening van wissels op alle handelsplaatsen, alsmede bankbiljetten, coupons, papiergeld en ander handelspapier;
  • het uitvoeren van betalingen voor rekening van derden, en het in bewaring nemen van gelden en andere waarden;
  • ontvangen van gelden in rekening-courant of à deposito met of zonder rentevergoeding;
  • het incasseren voor rekening van derden van wissels, assignaties, coupons en ander handelspapier en het in- en verkopen voor derden van wissels, staatsfondsen, aandelen, obligaties en andere waarden, alsmede van coupons, dividendbewijzen en goederen;
  • het belenen van staats-, provinciale en gemeenteobligaties en schuldbrieven van andere publiekrechtelijke corporaties of financiële, commerciële en industriële ondernemingen, en andere waarden, alsmede niet aan bederf onderhevige waarden, en het geven van voorschot daarop in geval van consignatie of commissie tot verkoop;
  • het handelen in specie en biljoen (buiten gebruik gestelde munten) en het laten verwerken of vermunten daarvan;
  • het zich in rekening-courant stellen met handels- of bankiershuizen en ondernemingen en het openen van kredieten, het accepteren van wissels en het zelf uitgeven van wissels en geldaanwijzingen;
  • het inschrijven voor eigen rekening of die van derden op effecten en staatsfondsen van allerlei aard en het kopen en verkopen daarvan;
  • het geheel of gedeeltelijk, alleen of gezamenlijk met anderen overnemen van leningen of openbare ondernemingen;
  • het oprichten, alleen of gezamenlijk met anderen, van administratiekantoren en nieuwe naamloze of commanditaire vennootschappen, het fuseren van vennootschappen of het omzetten van ondernemingen in naamloze of commanditaire vennootschappen; het uitgeven van aandelen of obligaties van dergelijke vennootschappen;
  • het zich belasten, voor eigen rekening of die van derden, met de uitvoering van werken van openbaar nut waarin zij in het kapitaal heeft bijgedragen.
Expliciet uitgesloten waren alle niet onder het bankbedrijf of de commissiehandel vallende activiteiten, zoals de aankoop van vaste goederen anders dan voor eigen gebruik en het verschaffen van geld op hyphotheek. Ter uitvoering van de activiteiten kon de bank bijkantoren vestigen, deelnemen in vennootschappen bij wijze van geldschieting en agenten benoemen, overal waar haar dit wenschelijk voorkomt.

Gestart werd met een maatschappelijk kapitaal van ƒ 30.000.000,-, verdeeld in aandelen van ƒ 250,-. Hiervan werd alleen de eerste serie van 40.000 aandelen (ƒ 10.000.000,-) geplaatst. Op 14 augustus 1871 werd met veel succes voor ƒ 7.500.000,- aan aandelen geëmitteerd, voor 95% geplaatst in Duitsland. De rest van de aandelen werd niet op de markt gebracht.

Het maatschappelijk kapitaal bleek, mede vanwege de in 1873 inzettende crisis, te groot voor de behoefte van de Nederlandse markt van die tijd. Een statutenwijziging van december 1873 verleende de directie de bevoegdheid eigen aandelen tot een bedrag van ƒ 2.500.000,- terug te kopen; van deze bevoegdheid werd in 1874 gebruik gemaakt. In 1877 werd het kapitaal teruggebracht tot ƒ 6.000.000. Dit geschiedde enerzijds door vernietiging van de in 1874 teruggekochte aandelen, anderzijds door terugbetaling van ƒ 50,- op de nog uitstaande 30.000 aandelen van ƒ 250,-. Vanaf 1906 werd het maatschappelijk kapitaal geleidelijk weer verhoogd, tot uiteindelijk ƒ 150.000.000,- in 1956. De statuten boden vanaf 1933 de mogelijkheid tot uitgifte van preferente aandelen, die onderdeel waren van de totale som van het maatschappelijk kapitaal.

Toezichthoudende organen
Aandeelhouders

De eigendom van en ultieme zeggenschap over de Amsterdamsche Bank NV berustte, zoals de rechtsfiguur van de naamloze vennootschap eigen, bij de inbrengers van het kapitaal, de aandeelhouders. De aandeelhouders van de bank vergaderden jaarlijks uiterlijk in mei te Amsterdam, ter afhandeling van de zaken die hen als eigenaars statutair waren toebedeeld. Daarnaast konden buitengewone vergaderingen plaatsvinden, indien de Raad van Toezicht/Commissarissen, de directie of de houders van 10% van het aantal op de vergadering uit te brengen stemmen dit vorderden. De voornaamste taak van de aandeelhouders was het definitief vaststellen van de jaarstukken. De door de directeuren opgemaakte balans, resultatenrekening en memorie van toelichting alsmede het directieverslag werden door dezen overhandigd aan de Raad van Toezicht/Commissarissen, die de stukken vervolgens, voorzien van een preadvies, aan de aandeelhouders voorlegde. De aandeelhouders bepaalden verder, op voorstel van de Raad van Toezicht/Commissarissen, de hoogte van het dividend. Daarnaast was hun goedkeuring vereist voor wijziging van de statuten en kozen en benoemden zij de commissarissen.

De leiding over de vergadering berustte bij de (vice)voorzitter van de Raad van Toezicht/Commissarissen. De te houden notulen dienden te worden getekend door de voorzitter en de secretaris van de vergadering, alsmede díe aandeelhouders die dit wensten. De agenda en de voorstellen voor de vergadering werden vastgesteld door de Raad van Toezicht/Commissarissen, die deze gelijktijdig met de convocaties in druk diende te verspreiden.

In 1935 emitteerde de bank vijftig preferente aandelen, elk nominaal ƒ 200,-, die werden geplaatst bij de commissarissen en directeuren van de bank. De houders kregen statutair het recht om bindende voordrachten voor de benoeming van commissarissen op te maken. Voor deze aandelen werd een omslachtige beschermingsconstructie in het leven geroepen, door middel van de oprichting van het Administratiekantoor de Amstel NV. De commissarissen en directeuren droegen hun preferente aandelen over aan het administratiekantoor, waarvan zij op zich weer alle aandelen bezaten. Materieel bleven de commissarissen en directeuren dus preferente aandeelhouders. Om te voorkomen dat de preferente aandelen in ongewenste handen raakten en te zorgen dat deze overgingen op de opvolgende commissarissen en directeuren, werd tussen de bank enerzijds en de commissarissen en directeuren anderzijds een contract opgemaakt dat laatstgenoemden verplichtte de aandelen ter bank te deponeren en dat verder bepalingen bevatte omtrent de bewaring ervan. De directe aanleiding voor de invoering van het preferent aandeelhouderschap en de hieraan gekoppelde procedure was het verdwijnen uit het Wetboek van Koophandel van het verbod op het uitbrengen van meer dan zes stemmen per aandeelhouder.

Raad van Toezicht/Commissarissen en Permanente Commissie

De Raad van Toezicht/Commissarissen bestond aanvankelijk uit twaalf leden, benoemd door de aandeelhoudersvergadering. In de volgende jaren volgde een geleidelijke uitbreiding naar een aantal van ruim twintig. Kort na de overname van de Incasso-Bank in 1948 bedroeg het aantal enkele jaren rond de dertig. Directeuren en consulent vergaderden mee, maar hadden geen stemrecht. Ieder jaar trad een deel van de leden af volgens een bij loting vastgesteld rooster. Tot 1956 moest ieder lid eigenaar zijn van tenminste 25 aandelen op naam, onvervreemdbaar en gedeponeerd ten kantore van de vennootschap. Via een statutenwijziging in 1933 werd een oligarchische clausule ingevoerd, waarbij de houders van de via dezelfde wijziging ingevoerde preferente aandelen (commissarissen en directeuren) het recht kregen tot het opstellen van een bindende voordracht voor de benoeming van nieuwe commissarissen. De commissarissen kregen eenzelfde bevoegdheid ten aanzien van de benoeming van directeuren. De raad handelde volgens een reglement van orde. Zij benoemde zelf uit haar midden een (vice)voorzitter. Besluiten werden bij meerderheid genomen, behalve in bijzondere gevallen. Bij staking besliste de voorzitter. Voor een wettig besluit was de aanwezigheid van de meerderheid vereist. In dringende gevallen was inwinnen van een schriftelijk oordeel mogelijk. De raad kwam minstens éénmaal per twee maanden te Amsterdam bijeen. Zij hield toezicht op het beheer van de vennootschap, waakte over de naleving van de statuten en besloot in twijfelgevallen. Zij bepaalde het maximum van deposito's, kredieten en voorschotten. Zij besloot over de oprichting van filialen, agentschappen en commanditaire vennootschappen, de uitvoering van werken van openbaar nut en datgene wat de statuten of directeuren verder aan haar oordeel overlieten. Vanaf 1956 werd de taakomschrijving van de commissarissen in de statuten in algemenere termen omschreven.

Via de al genoemde statutenwijziging van 1933 werd de naam Raad van Toezicht veranderd in Raad van Commissarissen. Via een statutenwijziging in 1876 kreeg de Raad van Toezicht het recht uit zijn midden een Permanente Commissie te benoemen en hieraan rechten en werkzaamheden over te dragen. Op de vergadering van 23 oktober 1876 werd een eerste Permanente Commissie benoemd, die als de raad niet vergaderde al diens rechten uitoefende, behalve een aantal die hiervan nadrukkelijk waren uitgesloten. Feitelijk fungeerde de Permanente Commissie dus als dagelijks bestuur van de raad.

Interne organisatiestructuur
Hoofdbank

Rond 1900 was de omvang van het bedrijf al zodanig, dat de verschillende activiteiten waren ondergebracht in een groot aantal afdelingen: de Correspondentieafdeling, op zich weer onderverdeeld in een Hollandse, Franse, Engelse en Duitse afdeling; een Rekenafdeling (coupons); een Wisselafdeling, verdeeld in een binnenlandse en een buitenlandse afdeling; een Kassiersafdeling, met de onderdelen kas en traiterekening, de Boekhoudafdeling, verdeeld in rekening-courant en comptabiliteit; een Fondsenafdeling; een Prolongatieafdeling; controleafdelingen voor fondsen en prolongaties; afdelingen voor informatie, expeditie en binden en drukken. Elke afdeling stond onder leiding van een afdelingschef; een aantal afdelingen gezamenlijk werd geleid door een procuratiehouder.

Uit een organisatieschema van de hoofdbank van 1921 blijkt dat de structuur verder is verfijnd. De activiteiten zijn nu geclusterd in 7 'sectoren' (de term wordt niet gebruikt), onderverdeeld in hoofdafdelingen en onderafdelingen. Het betreft:

  1. Correspondentie, waartoe onder meer behoren de Secretarieën A (onder andere kredieten Amsterdam behalve Sarphatistraat, accountants, personeel) en B (onder andere eigen emissies, syndicaten, juridische zaken), de afdeling Diamant, de Correspondentieafdelingen, de Inlichtingendienst, Credietbrieven en Accreditieven en een serie interne diensten als archief, drukkerij en magazijn;
  2. Boekhouding, onderverdeeld in Hoofdboekhouding, Grootboeken en Rekening-Courant;
  3. Bijkantoren, verdeeld in Inspectie en Controleurs;
  4. Kas, verdeeld in Centrale Kas, Kas Hoofdkantoor, Effectenkas, Wisselkantoor en Kas Amstelstraat;
  5. Wissels, met Wisselarbitrage, Buitenlandse Wissels, Binnenlandse Wissels en Incasso's op het binnenland;
  6. Effecten en Coupons, verdeeld in een groot aantal afdelingen verantwoordelijk voor het hele traject van administratie van effecten en coupons;
  7. Goederen, waaronder vielen de Documentaire Accreditieven, Consignaties, Garanties en Assuranties.
Deze organisatiestructuur zou tot na de Tweede Wereldoorlog in essentie gehandhaafd blijven, al vonden er natuurlijk wel veranderingen plaats; de introductie van nieuwe vormen van dienstverlening en de groei van het bedrijf met de daaruit voortvloeiende ingewikkelder bedrijfsprocessen maakten dit noodzakelijk.

Het organisatieschema van 1949, dus van kort na de overname van de Incasso-Bank, kent dezelfde hoofdindeling als boven, echter uitgebreid met de 'sectoren' Beurs, Assurantieën, Centrale Controle en Organisatie. Binnen de hoofdafdelingen zijn als veranderingen te noemen de opwaardering van de afdeling Juridische Zaken, de introductie van een Economisch Bureau en een afdeling Hollerith en de onderverdeling van de afdeling Kredieten-bijkantoren in rayons. Een organisatieschema van 1964 toont dat in de laatste decennia de structuur wat ingrijpender was gewijzigd. Er is nu sprake van zeven sectoren (nu daadwerkelijk zo geheten), elk onder leiding van een rechtstreeks onder de directie staand sectorhoofd. Het betreft het Binnenlands Bedrijf (kredieten Amsterdam, Hollandse correspondentie), het Buitenlands Bedrijf (buitenlandse correspondentie, - wissels en - incasso, deviezenbureau, diamant, handelsbemiddeling, reiskredietbrieven, informaties), het Effectenbedrijf, de sector Financiering en Beleggingen (onder andere 'particulieren', vermogensbeheer, beleggingsadviezen en belastingzaken), het Assurantiebedrijf, de sector Kantoren (onder andere kredieten buiten Amsterdam) en de sector Algemene Interne en Administratieve Afdelingen (onder andere incasso, giro, inkoop, rekening-courant, archief). Daarnaast was er nu een reeks stafafdelingen en hulpdiensten, waaronder de Interne Accountantsdienst, de afdeling Bijzondere Zaken, de Hoofdboekhouding, de Juridische Afdeling, Personeelszaken, Organisatie, de Secretarieën A en B en het Economisch Bureau.

Uit de benaming van de sectoren en afdelingen kan hun taakstelling in de meeste gevallen makkelijk worden afgeleid. Een aantal vereist echter wat nadere toelichting. De afdeling Bijzondere Zaken werd overgenomen uit de organisatiestructuur van de Incasso-Bank. Zij hield zich bezig met kredietbegeleiding en afwikkeling van faillissementen en liquidaties. De afdelingen Vermogensbeheer, Beleggingsadviezen en Belastingzaken hadden alle drie een (voornamelijk extern gerichte) dienstverlenende functie, voornamelijk naar cliënten die al een relatie met de bank hadden. Tot vermogensbeheer werd behalve de administratie van het vermogen van cliënten op zich ook gerekend bewindvoering en executele van nalatenschappen. De afdeling Beleggingsadviezen verstrekte inlichtingen over binnen- en buitenlandse fondsen aan eigen kantoren en aan binnenlandse en buitenlandse zakelijke relaties en particulieren. Verder gaf de afdeling een aantal periodieken uit, waaronder het 14-Daags Beursoverzicht. De afdeling Belastingzaken bestond sedert 1940; het ontstaan hangt samen met de toename van de belastingdruk in en na de Tweede Wereldoorlog (Vermogensaanwasbelasting; 'Heffing-Ineens'). De afdeling verzorgde voor haar cliënten de aangiften van de inkomsten- en vermogensbelasting.

Bijkantoren, zitdagen en agentschappen

In de loop der tijden ontwikkelde zich een uitgebreid net van vestigingen buiten de hoofdbank, zowel in de stad Amsterdam (stadsbijkantoren) als in de provincie. Het ontstaan van deze vestigingen kon op verschillende manieren plaatsvinden:

  1. door stichting van zelfstandige kantoren met eigen rechtspersoon; tot deze categorie behoorde onder meer de in 1937 opgerichte NV Amsterdamsch Diamantkantoor te Antwerpen, in 1938 omgedoopt in Amsterdamsche Bank voor België. Feitelijk waren het dochterondernemingen, en ze werden veelal aangeduid als 'gelieerde' banken;
  2. door deelneming in bestaande instellingen en/of het onderbrengen van agentschappen bij bestaande instellingen, waarbij deze bepaalde vormen van dienstverlening namens de Amsterdamsche Bank verrichtten; veelal bleven deze instellingen tijdelijk nog zelfstandig, maar werden ze uiteindelijk overgenomen en omgezet in bijkantoren. Tot deze categorie behoorden onder andere de Helmondsche Bank NV en de Heerlener Bank NV;
  3. door overneming van bestaande banken, bijvoorbeeld de Friesche Bank NV te Leeuwarden in 1934; de kantoren van deze bank werden omgezet in bijkantoren van de Amsterdamsche Bank;
  4. door directe stichting van bijkantoren.
De motieven voor deze uitbreiding waren meervoudig van aard. Ten eerste verbeterde de Amsterdamsche Bank de acquisitie van creditgelden en orders en daarmee haar concurrentiepositie. Ten tweede leidde het tot een meer efficiënte uitvoering van met name de kredietverlening; kleine lokale en provinciale banken konden in veel gevallen niet aan grote orders voldoen. Ten derde zorgde het voor geografische spreiding van de activiteiten en daarmee indirect voor vermindering van de afhankelijkheid van één bedrijfstak en dus van het risico.

Als relatievorm bleef uiteindelijk hoofdzakelijk het bijkantoor over, hoewel oude andersoortige verhoudingen in de verhouding hoofdbank-bijkantoor dikwijls een rol bleven spelen; deze verhouding kan dus per geval uiteenlopen. Een verdere onderverdeling kan nog gemaakt worden in enerzijds bijkantoren met een zelfstandige administratie en winstopmaking en anderzijds zitdagen, deel uitmakend van de administratie van een bijkantoor, en zonder zelfstandige winstopmaking.

De bevoegdheden van bijkantoren waren beperkt. Naast de voorschriften die een uniforme dienstverlening moesten bevorderen en dus de vrijheid inperkten was voor veel handelingen toestemming van de hoofdbank vereist; dit gold met name voor het verlenen van kredieten. De directe oprichting van bijkantoren vond pas plaats vanaf de aanvang van de twintigste eeuw. Wel waren voordien door medeoprichting of verwerving van aandelen al belangen in andere bancaire instellingen verworven; zo was de bank in 1883 medeoprichter van de NV Financiëele Maatschappij voor Nijverheidsondernemingen te Amsterdam en in 1887 van de NV Noordhollandsch Landbouwcrediet te Alkmaar. Ook in de twintigste eeuw bleef deze manier van verwerving van steunpunten in gebruik.

In 1901 werd de NV Amsterdamsch Wisselkantoor opgericht. Voorzichtigheidshalve heette het aanvankelijk een zelfstandige onderneming met deelneming van de Amsterdamsche Bank te zijn; de personele unies wat betreft directies en raden van toezicht en het feit dat de Amsterdamsche Bank vrijwel het gehele maatschappelijk kapitaal bezat doen dit echter enigszins vreemd overkomen. In verband met de oprichting had de bank al in 1899 de panden Damrak 95 en 96 aangekocht. Hier opende het Wisselkantoor in 1901 haar deuren, feitelijk te beschouwen als de opening van het eerste bijkantoor. Het Wisselkantoor opende tot 1908 bijkantoren in Utrecht, Eindhoven en Almelo. Hierna werd het opgeheven en werden haar kantoren omgezet in bijkantoren. In Enschede werd een bijkantoor gevestigd in het pand van de in liquidatie getreden firma E. Elderink. Verder traden in de provincie de Heerlener Bank NV (vanaf 1908) en de Helmondsche Bank NV (vanaf 1902) op als agenten voor de Amsterdamsche Bank. Beide banken werden in 1929 overgenomen en omgezet in bijkantoren. De ratio achter het vroege vestigings- en samenwerkingsbeleid wordt duidelijk wanneer men de mijnbouw- en industriekaart uit die tijd voor ogen neemt. In Amsterdam zelf werd in 1907 met het oog op de dienstverlening aan de diamanthandel een bijkantoor in de Sarphatistraat gevestigd, aanvankelijk in een huurhuis (nr. 39), vanaf 1910 in de aangekochte panden 29-31. In 1914 werd een bijkantoor in de Van Baerlestraat 58 geopend. In 1914 volgde oprichting van de bijbank Rotterdam; deze was aanvankelijk gevestigd aan de Boompjes 29, en verhuisde in 1917 naar de Coolsingel.

Het aantal bijkantoren breidde zich de jaren daarna gestaag uit, tot 29 in 1920 en 94 in 1947. Bovendien werden in laatstgenoemd jaar in 78 plaatsen zitdagen gehouden. De vestiging vond, als voorheen, niet zelden plaats in voormalige kantoren van in liquidatie getreden banken, als de Groningsche Crediet- en Handelsbank NV (1920), de Heerlener Bank NV en Helmondsche Bank NV (1929), de Friesche Bank NV te Leeuwarden (1934) en de NV Noordhollandsch Landbouwcrediet te Alkmaar (1940). De overname van de Incasso-Bank zorgde voor een uitbreiding van het kantorennet met ruim 70 vestigingen en circa 15 zitdagen. Hierbij moet echter worden aangetekend dat het proces van samenvoeging van kantoren vrijwel onmiddellijk van start ging. In 1963, het jaar vóór de fusie met de Rotterdamsche Bank, bedroeg het aantal bijkantoren 202 en werden in 36 plaatsen zitdagen gehouden.

Dochterondernemingen

Naast de hoofdbank, de bijkantoren en zitdagen kunnen ook de door de bank met een specifiek doel opgerichte en geheel door haar gecontroleerde maatschappijen of stichtingen als onderdeel van het bedrijf worden beschouwd. Van een aantal hiervan zijn bescheiden in de inventaris opgenomen. Deze maatschappijen of stichtingen werden meestal opgericht voor de uitvoering van een specifieke taak. De redenen hiervoor konden uiteenlopen. Het kon zijn dat men het maatschappelijk kapitaal gescheiden wilde houden, als in het geval van de Stichting Pensioenfonds en de Vereniging Amsterda. Het kon ook gaan om activiteiten waaraan men de naam van de bank niet (meteen) wilde verbinden, als in het geval van veel financierings- en beleggingsmaatschappijtjes. Of het ging om het uitproberen van nieuwe vormen van dienstverlening zoals bij de Maatschappij tot Financiering van Huurkoopovereenkomsten Mahuko NV (1953), de Maatschappij tot Huurkoopfinanciering Hukongo NV (1954), de Maatschappij voor Middellang Crediet NV (1956) en de Maatschappij tot Financiering van Bedrijfspanden NV (1954). Een speciaal geval was het Administratiekantoor de Amstel NV; het doel van deze maatschappij is al omschreven in rubriek III.1.

Bedrijfsmiddelen
Personeel

Directie en procuratiehouders

Het dagelijks beheer over de bank was opgedragen aan twee of meer verplicht in Amsterdam woonachtige directeuren. Zij konden de vennootschap in en buiten rechte vertegenwoordigen. Hun aantal varieerde in de loop der jaren; aanvankelijk waren er drie, later meestal vier. Kort na de overname van de Incasso-Bank in 1948 was hun aantal tijdelijk groter. De directie was verantwoording verschuldigd aan de Raad van Toezicht/Commissarissen. Zij werd, op voordracht van de raad, benoemd door de vergadering van aandeelhouders. De oligarchische clausule van 1933 gaf de raad de bevoegdheid tot het doen van een bindende voordracht. Bij verhindering van één der directeuren nam een lid van de raad zijn positie waar. Iedere directeur moest, tot 1956, eigenaar zijn van tenminste 50 aandelen op naam, onvervreemdbaar en berustend ten kantore van de bank. Alle uitgaande stukken dienden door minstens twee directeuren te worden getekend. De aandeelhoudersvergadering kon aan de directie een consulent toevoegen; deze had, na goedkeuring van de Raad van Toezicht, alle bevoegdheden van een directeur. De functie van consulent heeft slechts korte tijd bestaan; vermoedelijk is zij omgezet in die van vierde directeur.

In 1874 is voor het eerst sprake van de positie van gevolmachtigde van een directeur. Deze functionaris kon, samen met een directeur of een als directeur handelend lid van de Raad van Toezicht, de bank verbinden. In 1884 werd deze positie overbodig door het verschijnen van de algemene en bijzondere procuratiehouders. Hun tekeningsbevoegdheid werd in later jaren nog enige malen verruimd. In 1934 werd bepaald dat de bevoegdheden van directeuren van bijkantoren en van algemene procuratiehouders van de vennootschap gelijk waren, evenals die van procuratiehouders van bijkantoren en bijzondere procuratiehouders van de vennootschap.

Overig personeel en personeelsorganen

De snelle groei van de bank weerspiegelt zich vanzelfsprekend ook in een snelle personeelsuitbreiding. Het aantal van circa tien medewerkers waarmee men startte was ten tijde van het vijfentwintigjarig jubileum in 1896 reeds aangegroeid tot 1 secretaris, 3 procuratiehouders, 97 kantoorbeambten en 18 kasboden. De personeelssterkte zou tenslotte vlak voor de fusie met de Rotterdamsche Bank uitkomen op circa 5000, waarvan rond 1800 de hoofdbank bevolkten.

Vanaf 1888 bestond een pensioen- en ondersteuningsfonds voor de beambten van de bank. Tot 1907 werd dit fonds beheerd door de directeuren. In dat jaar werd het ondergebracht in een stichting, waarmee het vermogen onafhankelijk werd gemaakt van eventuele dramatische ontwikkelingen bij de bank. De bank stortte jaarlijks een bedrag in het fonds ter grootte van 10% van de uitgekeerde salarissen aan het personeel onder de rang van directeur.

In 1918 werd uit het personeel een commissie samengesteld, die het instellen van een ziekteverzekering voor het personeel moest voorbereiden. Dit resulteerde in mei 1919 in de oprichting van de Vereeniging Amsterda, met als doel het behartigen van de geestelijke en stoffelijke belangen van de beambten in het algemeen, en in het bijzonder het oprichten van een ziekteverzekering en ondersteuningsfonds. De vereniging kende later verschillende afdelingen, te weten een afdeling ziekteverzekering, een afdeling ondersteuningskas en een afdeling ontspanning en ontwikkeling. De laatste hield zich behalve met het organiseren van velerlei activiteiten ook bezig met financiële steun aan de diverse beambtenverenigingen, met een gelijkaardig doel als Amsterda zelf. De vereniging beheerde verder het huis Gelria te Heelsum, dat de directie van de bank ter gelegenheid van het vijftigjarig jubileum in 1921 als vakantieverblijf en herstellingsoord aan het personeel had geschonken. Het huis werd in de oorlog door de Duitsers gevorderd en door oorlogshandelingen zwaar beschadigd. De vereniging werd in de oorlog op last van de bezetter ontbonden, en vervangen door de als ziekenfonds fungerende Stichting Amsterda. In 1945 werd de vereniging in ere hersteld.

Naast Amsterda, en er vaak nauw mee verbonden, waren nog tal van personeelsverenigingen en -fondsen op verschillende terreinen actief: er was een voetbalvereniging Amsterda, een bibliotheekfonds voor beambten etc. Na de overname van de Incasso-Bank in 1948 ontstond een gecombineerde vereniging, 'Amsterda-Incasso-Bank-Combinatie' (Aminco).

Ter gelegenheid van het vijfenzeventigjarig jubileum in 1946 kreeg het personeel een nieuw vakantieoord (later ook conferentieoord) aangeboden te Laag-Soeren, ter vervanging van Gelria dat door oorlogsschade onbruikbaar was geworden. Het huis werd aanvankelijk gehuurd, en in 1950 aangekocht. Het zou ook gaan dienen als cursuscentrum, toen in de jaren vijftig de aandacht voor introductie en scholing van jonge beambten toenam. In 1949 respectievelijk 1961 werden vakantieoorden geopend te Domburg en Luyksgestel. De inrichting van het huis te Domburg was in oorsprong nog een initiatief van de Incasso-Bank.

Op 1 januari 1955 werd een ondernemingsraad geïnstalleerd.

Gebouwen

Zoals vermeld begon de bank haar activiteiten in het pand Herengracht 597. Reeds binnen tien jaar bleek de ruimte door uitbreiding van de werkzaamheden en de groei van het aantal personeelsleden onvoldoende. In 1880 werd daarom het belendende pand Herengracht 599 aangekocht. Het jaar daarop startte een verbouwing waarbij de panden aan elkaar werden getrokken. In 1902 volgde onder leiding van Ed. Cuypers een nieuwe verbouwing, waarbij tevens een kluisinrichting met safeloketten werd ingericht. In 1898 en 1907 werden respectievelijk de panden Herengracht 601 en 603 aangekocht.

In 1916 werden met het oog op de bouw van een nieuw hoofdkantoor de panden Keizersgracht 617-637 aangekocht. In 1919 kwam hier Keizersgracht 615 nog bij. De verplaatsing van de hoofdbank naar deze plaats ging uiteindelijk niet door. Men gaf de voorkeur aan het laten verrijzen van een nieuw kantoor op de oude plek. Daartoe ging men in 1921 een overeenkomst aan met het Gesticht voor R.K. Oude Burgermannen 'Brentano's Steun des Ouderdoms', dat was gevestigd op Herengracht 595. De Amsterdamsche Bank kreeg het pand Herengracht 595, en zorgde voor een nieuw gesticht op de plaats van de eerder aangekochte panden aan de Keizersgracht. De bank bezat op dat moment alle panden vanaf haar gebouw aan de Herengracht tot de Utrechtsestraat, verder de panden Utrechtsestraat oneven tot aan de Amstelstraat, alsmede de panden in de Amstelstraat van Rembrandtplein tot het Centraal Theater. Op deze plek verrees in de jaren 1926-1932 de nieuwe hoofdbank, ontworpen door de architecten H.P. Berlage, B.J. Ouëndag en W.B. Ouëndag. Op 1 november 1932 kon het nieuwe kantoor in gebruik worden genomen.

De bijbank Rotterdam van de Amsterdamsche Bank werd op 2 februari 1914 gevestigd aan de Boompjes 29. Alle grote concurrenten hadden al een kantoor in Rotterdam zodat de Amsterdamsche Bank wel moest volgen. In 1917 verhuisde de bijbank tijdelijk naar de Coolsingel 55. Ondertussen werd aan de Coolsingel 111 een nieuw kantoor gebouwd, dat in 1924 in gebruik werd genomen. In 1925 werd het gebouw aanzienlijk uitgebreid door ook de hoek Coolsingel/Aert van Nesstraat te benutten. Het gebouw werd totaal verwoest bij het bombardement en de brand in mei 1940. De nieuwbouw ging in mei 1946 van start op dezelfde plaats waar het oude gebouw had gestaan. Het huisnummer was gewijzigd in nummer 93. Het ontwerp was van de architecten Van der Heyden en A.A. van Nieuwenhuyzen & Meischke en Schmidt. Tijdens deze nieuwbouw vond per 1 januari 1948 de overname van de Incasso-Bank plaats. Men koos voor samenvoeging van de activiteiten in het reeds in aanbouw zijnde gebouw van de Incasso-Bank aan de Blaak 40. Meteen werden de activiteiten aan Coolsingel 93 gestaakt. Tot 1955 heeft het geraamte in onafgebouwde staat op deze hoek gestaan; toen is het pand afgebouwd voor de Bank voor Handel en Scheepvaart. In 1971 werd het betrokken door Bank Mees & Hope en in september 1993 werd de uitbreiding, naar ontwerp van Rob van Erk, door MeesPierson in gebruik genomen. Door de samenvoeging van ABN AMRO en Fortis is het pand weer binnen ABN AMRO gekomen.

Bedrijfsvoering
Overnames, deelnemingen en commissariaten

De deelnemingen in andere bedrijven vallen in twee categorieën uiteen. Enerzijds zijn er de deelnemingen vanuit pure beleggingsactiviteit of betrokkenheid bij syndicaten. Zij hebben meestal een tijdelijk karakter. Anderzijds zijn er de geconsolideerde deelnemingen, bedoeld ter uitbreiding van het werkterrein en de invloed van de bank. Zij hebben een langdurig, haast vast karakter. Dergelijke deelnemingen konden op verschillende manieren tot stand komen. De Amsterdamsche Bank kon betrokken zijn bij de oprichting van de betreffende instelling, zoals het geval was bij de NV Noordhollandsch Landbouwcrediet te Alkmaar (1887), de Financiëele Maatschappij voor Nijverheidsondernemingen NV te Amsterdam (1883) en de Banque d'Etat du Maroc SA (Marokkaanse Staatsbank) te Parijs (1907). Daarnaast kon men zich eenvoudigweg inkopen. Bij deze deelnemingen betrof het in veel gevallen het verwerven van een belang in andere bancaire instellingen. Niet zelden liepen deze deelnemingen uit op een moeder-dochter-relatie (een belang van 50% of meer) of volledige overname van de betreffende instelling. Deelnemingen in andere ondernemingen, en zeker de grotere deelnemingen, werden meestal gevolgd door de 'aanvaarding' van één of meer post(en) in de Raad van Commissarissen van de betreffende onderneming. Het betrof in deze gevallen dus bankgebonden vertegenwoordigende commissariaten. De aanvaarding hiervan en de toewijzing aan een specifieke bankfunctionaris was een besluit dat op directieniveau werd genomen. Vanwege de aard van deze commissariaten zijn de hieruit voortgekomen dossiers geplaatst in een subrubriek deelnemingen en commissariaten.

Bij een overname werden de bedrijfsactiviteiten van de overgenomen instelling volledig geïntegreerd in het bedrijf van de Amsterdamsche Bank, hoewel de instelling om commerciële of andere redenen nog (enige tijd) onder eigen naam kon blijven functioneren. De Amsterdamsche Bank heeft in haar geschiedenis een veelheid van banken overgenomen, passend in de concentratiegolven in het bankwezen vanaf het tweede decennium van de twintigste eeuw. De meest spectaculaire overname was die van de Incasso-Bank in 1948. Zij plaatste de Amsterdamsche Bank qua omzet op de eerste plaats in het rijtje van de 'grote vier' algemene banken die rond 1960 het Nederlandse bankwezen beheersten: de Amsterdamsche Bank, De Twentsche Bank, de Nederlandsche Handel-Maatschappij en de Rotterdamsche Bank.

Anders dan bij een overname wordt bij een fusie door de fuserende partijen een geheel nieuwe maatschappij opgericht, waarnaar de bedrijfsactiviteiten van beide ondernemingen worden overgeheveld. In 1964 fuseerden de Amsterdamsche Bank en de Rotterdamsche Bank. Gezamenlijk richtten zij de Amsterdam-Rotterdam Bank NV op. De overheveling van de activiteiten naar de nieuwe maatschappij en de volledige integratie kostten uiteraard de nodige tijd en waren pas een aantal jaren later voltooid.

Dienstenpakket

De Amsterdamsche Bank kan worden geschaard in de categorie van de handelsbanken, vanaf de herziening van de Wet Toezicht Kredietwezen in 1978 officieel aangeduid als algemene banken. Voornaamste kenmerken van deze groep banken waren aanvankelijk de toelegging op de dienstverlening aan bedrijven en de nadruk op transacties op korte termijn. Geleidelijk groeiden zij uit tot instellingen die, de naamswijziging duidt er al op, het bankbedrijf uitoefenden in de breedste zin des woords. In dezen onderscheid(d)en zij zich van de gespecialiseerde bankinstellingen als de spaarbanken, cultuurbanken (naar arbeidsterrein) en boerenleenbanken en middenstandsbanken (naar cliëntenkring).

De Amsterdamsche Bank stond vanaf de oprichting open voor alle soorten banktransacties, maar de politiek in de eerste decennia kenmerkte zich vooral door voorzichtigheid, mede in de hand gewerkt door een aantal mislukte deelnemingen in de eerste jaren van haar bestaan. Het gewone bankbedrijf van de bank ontwikkelde zich daarom zeer geleidelijk. Men richtte zich aanvankelijk met name op de financiering van de handel in binnen- en buitenland en het acceptbedrijf, alsmede de fondsenhandel en het daarmee samenhangende emissiebedrijf. Daarnaast waren er nauwe betrekkingen met de diamanthandel. Aan financiering van de industrie waagde de bank zich vooreerst nog niet of nauwelijks (de overige banken overigens evenmin); deze activiteit zou pas in het interbellum goed op gang komen. Wel was er reeds vanaf circa 1900 een sterke ontwikkeling van het rekening-courant- en depositobedrijf.

Al voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog ging men zich bezig houden met dienstverlening op het gebied van vermogensbeheer (inclusief executele van nalatenschappen en bewindvoering), verzorging van de belastingadministratie voor cliënten en het geven van beleggingsadviezen. Na de oorlog breidde het dienstenpakket van de bank zich gestaag verder uit. Vanaf de jaren vijftig begaf de bank zich, eerst nog zeer voorzichtig en met de activiteiten in aparte maatschappijen ondergebracht, op het terrein van middellang krediet, consumptief krediet, huurkoopfinanciering en assurantie. Hiermee zette een zekere branchevervaging in, en ging de bank concurreren met op deze deelterreinen gespecialiseerde instellingen.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in