Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Gezondheidsraad 1920-1956

2.15.33
C. de Quaasteniet
Nationaal Archief, Den Haag
1996
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.15.33
Auteur: C. de Quaasteniet
Nationaal Archief, Den Haag
1996

CC0

Periode:

1920-1956

Omvang:

16.00 meter; 646 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands. Een klein gedeelte is gesteld in het Frans.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief van de Gezondheidsraad bevat naast de stukken betreffende de organisatie zoals naamlijsten en series van inkomende en minuten van uitgaande stukken ook de stukken van de verschillende commissies die advies hebben uitgebracht. Dit zijn bijvoorbeeld de commissie inzake de opleiding van hygiënisten, de commissie inzake afwending en bestrijding van besmettelijke ziekten, de commissie inzake de voeding en de commissie inzake roken en longkanker.

Archiefvormers:

  • Gezondheidsraad, 1920 - heden

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Deze inventaris heeft betrekking op het archief van de Gezondheidsraad en loopt over de periode van 1920 tot 1956. De Gezondheidsraad was de opvolger van de Centrale Gezondheidsraad, die was ingesteld bij wet van 21 juni 1901, Stbl. 157, houdende regeling van het Staatstoezicht op de volksgezondheid. Deze wet duidde men ook wel aan als de "Gezondheidswet". In deze wet werd in artikel 2 bepaald dat er onder de minister van Binnenlandse Zaken onder anderen "een Centralen Gezondheidsraad" moest zijn. In paragraaf 2 van de Gezondheidswet stond de Centrale Gezondheidsraad in de artikelen 9 tot en met 12 nader omschreven. Met name in artikel 12 sub a stond dat de regering desgevraagd van bericht en raad moet worden gediend in alle zaken betreffende de volksgezondheid. Een uitwerking van de taak en werkwijze was vastgesteld als voorlopig reglement van orde in het Koninklijk Besluit van 27 mei 1902, Stbl. 77. Bij Koninklijk Besluit van 23 juni 1902 trad de Centrale Gezondheidsraad in werking. De installatie was op 1 augustus 1902.

Volgens de Gezondheidswet moest de Centrale Gezondheidsraad zeven leden hebben. De samenstelling was daarom een voorzitter, een secretaris, vier hoofdinspecteurs van het Staatstoezicht, en een toegevoegd zevende lid. Naast deze zeven gewone leden was er een groot aantal buitengewone leden. Deze buitengewone leden waren allerlei deskundigen op het gebied van de volksgezondheid die de gewone leden steunden bij hun werkzaamheden. Een belangrijke bepaling binnen de taakstelling was dat besluiten alleen konden worden genomen door de gewone leden, die overigens ook het recht kregen een minderheidsrapport bij de minister in te dienen. De buitengewone leden hadden in de vergaderingen uitsluitend een raadgevende stem. De adviezen, die de raad uitbracht, werden voorbereid of door de raad zelf of door commissies die daartoe door de raad waren ingesteld. Deze "commissies van pre-advies" kozen uit hun midden een voorzitter en hadden ongeveer evenveel gewone als buitengewone leden. In 1913 werd het reglement gewijzigd. De voorzitter kreeg toen de mogelijkheid vaste commissies in te stellen, die hem en de secretaris moesten bijstaan. Deze ontwikkeling werd tijdens de Gezondheidsraad voortgezet. Op 1 september 1920 werd de Centrale Gezondheidsraad opgeheven en trad de Gezondheidsraad in werking conform artikel 42 van de gewijzigde Gezondheidswet van 27 november 1919, Stbl. 784. De installatie van de raad was op 6 oktober 1920. Volgens artikel 2 van de Gezondheidswet van 1919 moest de Gezondheidsraad de regering bij hare bemoengen met de volksgezondheid tot voorlichting dienen. De voorzitter, de leden en de secretaris van de Gezondheidsraad werden bij Koninklijk Besluit benoemd en ontslagen. De voorzitter en de secretaris genoten een vaste bezoldiging; de leden ontvingen een bij ministeriële beschikking vastgestelde vergoeding voor hun diensten. Indien de minister, met de uitvoering van de Gezondheidswet belast, of de voorzitter dat nodig achtte, dan diende de gehele Gezondheidsraad van voorlichting. In andere gevallen "dienden commissies, door de voorzitter uit de leden gevormd, van voorlichting (..)". Verder bepaalde de Gezondheidswet dat de leden van de Gezondheidsraad bevoegd waren gebouwen en woningen te inspecteren, maar een proces-verbaal van hun bevindingen konden zij niet meer opmaken. Dat recht was voortaan voorbehouden aan ambtenaren van het Staatstoezicht. Was de Centrale Gezondheidsraad een organisatie met taken op het gebied van het Staatstoezicht, de Gezondheidsraad had die taken niet meer na 1920 en ging verder als een zuiver adviesorgaan.

Betreffende de organisatie van de Gezondheidsraad stond in artikel 2 van de Gezondheidswet 1919 dat er een voorzitter, een secretaris en een aantal leden waren. Alleen bij de installatievergadering is de Gezondheidsraad plenair bijeen geweest. Daarna bestond de Gezondheidsraad steeds uit een groot aantal commissies, die soms dezelfde personen bevatten, en soms anderen, die nieuw waren en voor een bepaalde deskundigheid binnen de commissies werden gevraagd. Tussen de twee wereldoorlogen had de Raad gemiddeld zo'n 74 leden. Daaronder bevonden zich tussen de 24 en 30 ambtshalve leden. De rest van de leden was niet ambtshalve en kwam, na wegens hun specifieke deskundigheid daarvoor gevraagd te zijn, uit allerlei organisaties en instellingen op het gebied van de volksgezondheid. Tijdens de Tweede Wereldoorlog liep het aantal leden terug naar 41.

De werkzaamheden van de Gezondheidsraad gingen na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in eerste instantie gewoon door. Het gehele overheidsapparaat in Nederland stond tijdens deze periode natuurlijk onder de controle van de Duitse bezetters, maar die wilden binnen de Nederlandse volksgezondheidsorganisatie vooral rust en orde behouden en wensten geen conflicten met de medische wereld. Vlak voor het uitbreken van de oorlog trad een nieuwe voorzitter aan. Tijdens de oorlog werden personen met een joodse afkomst gedwongen ontslag te nemen als lid. Deze personen werden niet door anderen vervangen. Deelname aan de raad door NSB of andere Duits-gezinden werd zo veel mogelijk geweerd. Het totale aantal adviesaanvragen werd steeds minder, behalve op het terrein van voeding en voedselvoorziening dat al direct vanaf het begin van de oorlog grote aandacht kreeg. Toenemende activiteiten op voedingsgebied mondden uit in organisaties die zich bezig hielden met het voeden van de Nederlandse bevolking tijdens deze moeilijke jaren. De Gezondheidsraad had vanaf mei 1940 een Commissie voor de voeding, die zich bezighield met de samenstelling van voeding en de distributie daarvan. In 1952 kreeg deze commissie officieel de naam Voedingsraad.

Na de Tweede Wereldoorlog geraakte de Gezondheidsraad organisatorisch in een soort impasse. Oorzaak hiervan was dat de overheid behoefte kreeg aan kontakt met diegenen die in de dagelijkse praktijk direkt te maken hadden met patiënten en met hun gezondheidstoestand. Daarnaast vond de regering dat zij meer bemoeienis moest krijgen met de gezondheidszorg en dat zij die gezondheidszorg diende te herstructureren. Door de minister van Sociale Zaken is in 1945 een Centrale Commissie voor de Volksgezondheid samengesteld, waaruit later de Centrale Raad voor de Volksgezondheid voortkwam en weer later de Nationale Raad voor de Volksgezondheid. De Centrale Raad voor de Volksgezondheid had dezelfde voorzitter als de Gezondheidsraad. Het naast elkaar voortbestaan van de Gezondheidsraad en de Centrale Raad voor de Volksgezondheid is verwarrend en kan als een doublure worden gezien. Het ledenbestand van de Gezondheidsraad groeide na de Tweede Wereldoorlog maar matig aan. Pas na 1955 onder leiding van voorzitter J. Wester begon de omvang van organisatie en werkzaamheden weer toe te nemen. Een heel ander aspekt is dat de Gezondheidsraad zich na de Tweede Wereldoorlog steeds meer ontwikkelde naar een adviesorgaan met een puur wetenschappelijk karakter.

De belangrijkste functionarissen van de periode 1920 tot 1956 waren:

  • Dr. N.M. Josephus Jitta, voorzitter van 1 januari 1918 tot 1 januari 1940;
  • Dr. C. van den Berg, waarnemend voorzitter van 1 januari 1940 tot 15 mei 1940;
  • Dr. L.C. Kersbergen, voorzitter van 15 mei 1940 tot 1 april 1955;
  • Dr. J. Wester, voorzitter van 1 april 1955 tot 1 maart 1966;
  • Jhr. mr. H.A.M. van Asch van Wijck, secretaris van 1 januari 1913 tot 1 januari 1933;
  • F. Heijne, secretaris van 1 januari 1933 tot 1 januari 1934;
  • Dr. H.F. Minkema, secretaris van 1 januari 1934 tot 1938. Na een bevordering van dhr. Minkema tot referendaris bleef een aanstelling tot secretaris uit bezuinigingsoverwegingen achterwege;
  • Drs. V.M.J. Kettlitz, secretaris van 1 mei 1947 tot 1 juli 1957;

Onder de ambtshalve leden bevonden zich hoofdinspecteurs van de Volksgezondheid; de directeur-generaal van de Volksgezondheid, de directeuren van het Centraal Laboratorium voor de Volksgezondheid, het Rijksbureau voor Drinkwatervoorziening, het Rijks-Serologisch Instituut, en het Centraal Bureau voor de Statistiek, vijf vertegenwoordigers van de Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, een vertegenwoordiger van de Maatschappij voor Diergeneeskunde en één van de Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Farmacie.

Onder de overige, niet-ambtshalve leden waren artsen, juristen, bouwkundigen, apothekers, kamerleden, directeuren van gezondheidszorginstellingen, representanten van werkgevers- en werknemersorganisaties en van vak- en belangenorganisaties op het gebied van de volksgezondheid.

De Gezondheidsraad heeft steeds een adviserende relatie gehad met de regering, de minister cq. het departement van Volksgezondheid, aan wie zij gevraagd en ongevraagd adviezen uitbracht. Daarnaast had de Gezondheidsraad kontacten, als overkoepelend en coördinerend adviesorgaan, naar alle onderdelen van de gezondheidszorgorganisatie in Nederland. Het karakter van die relatie met het veld van de gezondheidszorg was het opsporen en verzamelen van gegevens betreffende de volksgezondheid. Vervolgens sluisde de Gezondheidsraad die gegevens in gecomprimeerde vorm door naar de minister of naar de regering.

De Gezondheidsraad vergaderde doorgaans in het pand aan de Dr. Kuyperstraat 8 te Den Haag. Dit adres lag dichtbij de ministeries en het Binnenhof. Ook het secretariaat van de Gezondheidsraad was in dit pand ondergebracht. De voorzitter stond aan het hoofd van het personeel en was verantwoordelijk voor het gebouw, de bibliotheek en voor het budget. In de dagelijkse praktijk lag de leiding over het personeel bij de secretaris, die ook het archief beheerde.

De werking van de Gezondheidsraad was conform artikel 19 van de Gezondheidswet en vastgelegd bij Koninklijk Besluit van 19 februari 1920, Stbl. 83. Deze werking bleef ongewijzigd tot aan de inwerkingtreding van de nieuwe Gezondheidswet van 1 december 1957, waarmee de eindcesuur van de inventaris is aangegeven.

De werkwijze van de Gezondheidsraad was als volgt: Na een binnengekomen adviesaanvraag stelde de voorzitter vast of hij de behandeling van de vraagstelling zelf met een advies kon afdoen, of te rade moest gaan bij een deskundige, of het onderwerp moest laten behandelen in commissieverband. Indien de voorzitter een adviesaanvraag niet eigenhandig afdeed, ging hij eerst te rade binnen de ledenkring van de Gezondheidsraad. De voorzitter stelde een commissie samen als duidelijk was dat een meer uitgebreide behandeling nodig was, omdat er bijvoorbeeld onderzoek of de deskundigheid van meerdere personen vereist waren. Afhankelijk van het te behandelen onderwerp en de tijd die daarvoor nodig was werd dat een commissie ad hoc of een commissie met een wat meer permanent karakter. In de commissievergadering bracht de voorzitter het te behandelen onderwerp ter tafel. Vervolgens werd na bespreking een antwoord op de vraagstelling als een advies voorbereid. De adviezen werden ondertekend door de voorzitter en konden verschillende vormen hebben. Een advies kon éénmalig en afgerond zijn en had dan de vorm van een lange brief met het onderwerp aangegeven in de marge. De advisering kon ook bestaan uit een komplete briefwisseling en een periode van jaren bestrijken. Tussen deze twee uitersten bestonden meerdere mogelijkheden die soms het bepalen van wat nu wel of niet een advies was, bemoeilijken. Met een eindadvies was een onderwerp afgehandeld en werd een commissie ad hoc weer opgeheven. Permanente commissies bleven gewoon functioneren omdat de onderwerpen aanhoudende aandacht vereisten. Wel kon de vraagstelling binnen die onderwerpen door de jaren heen veranderen, waardoor ook zo'n permanente commissie van samenstelling kon veranderen.

Over de Gezondheidsraad is een aantal publikaties verschenen. Een zeer uitgebreide behandeling van de geschiedenis van de Gezondheidsraad vindt men in het boek "Met Raad en Daad" van R.B.M. Rigter. In onderstaand literatuuroverzicht staan meerdere publikaties verder beschreven.

Bronnen van gegevens over de Gezondheidsraad zijn de jaarverslagen van de Gezondheidsraad, zoals deze zijn opgenomen in de Verslagen en Medede(e)lingen betreffende de Volksgezondheid en het nieuwsblad Mededeelingen. Het nieuwsblad Mededeelingen hield in 1931 wegens bezuinigingen op te verschijnen. Verder waren er medische tijdschriften die zo nu en dan de door de Gezondheidsraad uitgebrachte adviezen in een breder perspectief plaatsten.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in