gahetNA in het Nationaal Archief

Hulpverlening Oorlogsgetroffenen

2.15.26
J. Gaillard
Nationaal Archief, Den Haag
1980
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.15.26
Auteur: J. Gaillard
Nationaal Archief, Den Haag
1980
CC0

Periode:

1954-1979
merendeel 1975-1978

Omvang:

3,30 meter; 237 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands. In het archief bevinden zich stukken in het Duits, Frans en Engels.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief bevat naast notulen en kopieën van uitgegane stukken, onder meer stukken betreffende hoorzittingen met belangenorganisaties van oorlogsslachtoffers, door de commissie en haar subcommissies verricht onderzoek en deelname aan conferenties en cursussen. Daarnaast bevat het stukken betreffende de rapportage van de commissie, zoals tussentijdse adviezen, het interimrapport en het eindrapport. Verder zit er in het archief documentatiemateriaal in de vorm van externe rapporten en kranten- en tijdschriftartikelen.

Archiefvormers:

  • Werk- en Adviescollege Immateriële Hulpverlening aan Oorlogsgetroffenen

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Instelling en werkwijze van het orgaan

Tijdens de tweede wereldoorlog waren door vervolging, tewerkstelling, onderduik, orde- en represaillemaatregelen, bombardementen, verzets- en krijgshandelingen veel mensen lichamelijk en/of geestelijk getroffen. In de naoorlogse periode werd de opvang van deze slachtoffers voornamelijk gekenmerkt door financiële steunverlening. Van particuliere zijde was de steunverlening op gang gekomen onder andere via de Stichting 1940-1945, de Stichting Pelita, het Prins Margriet Fonds en de diverse Joodse instellingen.

Ten behoeve van de verzetsstrijders werd van regeringswege de eerste aanzet tot hulp gegeven door afkondiging van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945. Daarnaast kwamen na verloop van tijd andere wettelijke maatregelen, namelijk: de Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers, de Algemene oorlogsongevallenregeling, de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers en tenslotte de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers(

Interim-rapport, band I, bijlage 4, inv.nr. 152.

).

De verlate gevolgen, die meer op het immateriële vlak lagen, zijn pas in de zestiger jaren duidelijk naar voren gekomen. Het werd aannemelijk dat de oorlogsgetroffenen aanspraak zouden gaan maken op effectieve hulpverlening.

Een interne overleggroep van het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk werd in het leven geroepen om over de problematiek rond de hulpverlening advies uit te brengen. Deze groep, die onder leiding van de Directeur-Generaal voor Maatschappelijke Ontwikkeling Dr. G. Hendriks werkzaam was, kwam met de aanbeveling een advies- en werkcollege in te stellen van terzake deskundige en competente personen(

Inv.nr. 43.

). De onzekerheid over de aard en omvang van de immateriële problemen en de onduidelijkheid over de nodige maatregelen waren de belangrijkste beweegredenen om dit advies te geven.

Het in te stellen college zou voldoende toegerust moeten worden met personeel en gelden om binnen één à anderhalf jaar tot duidelijkheid te komen over deze materie en aanzetten te geven voor oplossingen. Naar aanleiding hiervan werd bij gemeenschappelijke beschikking van de Staatssecretarissen van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en van Volksgezondheid en Milieuhygiëne op 9 mei 1975 ingesteld een Werk- en Advies-College immateriële hulpverlening aan verzetsdeelnemers en door de bezetters vervolgden wegens ras, geloof of wereldbeschouwing, alsmede aan hen die ten gevolge van bombardementen, ordemaatregelen, tewerkstelling en dergelijke schade aan hun gezondheid hebben opgelopen (in het vervolg te noemen het W.A.C.).(

Instellingsbeschikking, artikel 1, inv.nr. 44.

)

In eerste instantie werd het W.A.C. voor een periode van twee jaar ingesteld. Toen bleek dat de werkzaamheden niet binnen deze tijd afgerond zouden kunnen worden, werd de periode verlengd tot drie jaar en tenslotte nog een keer tot drie jaar en vier maanden.(

Inv.nr. 44.

) Op 4 juli 1975 installeerde de toenmalige Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, Mr. H.W. van Doorn, het college. Het W.A.C. kreeg tot taak de regering te adviseren over de wijze waarop de immateriële hulpverlening aan en in het bijzonder de maatschappelijke begeleiding van oorlogsslachtoffers optimaal gerealiseerd kon worden. In artikel 2 van de instellingsbeschikking(

Instellingsbeschikking, artikel 2, inv.nr. 44.

)
werd dit als volgt geformuleerd:

  1. "het verkennen en verdiepen van inzichten in hun problemen door onder meer:
    • contacten met hulpverleners/deskundigen en cliëntengroepen;
    • oriëntaties omtrent behandelings- en begeleidingsmethoden in de meest brede zin, mede in de literatuur en via uitwisselingsprogramma's met het buitenland;
    • organiseren van studies, experimenten en evaluaties, ook ten aanzien van omgevingsfactoren en externe relaties;
    • peilen van de behoefte aan voorzieningen, eventueel door middel van onderzoek (onder meer dossier-analyse)."
  2. "Het daarop aansluitend bevorderen van het goed functioneren van voorzieningen door suggesties te doen omtrent onder meer:
    • de bijscholing van het personeel;
    • een doelmatig vastleggen en doorgeven aan (andere) hulpverleners van gegevens die betrekking hebben op de therapie en hulp."
  3. "Het bevorderen dat de voorzieningen voor hen, op vrijwillige basis, komen tot een betere aansluiting op elkaar."

Ter uitvoering van een gedeelte van de taak was het college bevoegd sub-commissies in te stellen. Betrokkenen en deskundigen konden worden gehoord.

Als leden van het W.A.C. werden benoemd zeven deskundigen van uiteenlopende disciplines, drie leden op voordracht van organisaties voor oorlogsgetroffenen (Stichting 1940-1945, Stichting Joods Maatschappelijk Werk en Stichting Pelita) en vier ambtenaren van de betrokken ministeries (Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, Volksgezondheid en Milieuhygiëne en Defensie)(

Inv.nr. 44.

).

Om de opgedragen taken naar behoren te kunnen uitvoeren werd het secretariaat ter beschikking gesteld door het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. De secretaris had in het college slechts een adviserende stem(

Instellingsbeschikking, artikel 6, inv.nr. 44.

).

Samenstelling van het college
lid, tevens voorzitter:J.P. van Praag
lid, tevens ondervoorzitter:A. Sunier, psychiater
Tabel met zoekresultaten in archieven
leden:
(algemeen maatschappelijk werk deskundige)mw. J.H. Biewenga
(klinisch psycholoog)J.P.W. Cels
(psychiatrisch maatschappelijk werk deskundige)mw. A. Geerling-Roos
(organisatiedeskundige)J.A.M. van der Ligt
(algemeen medicus)K. May
(socioloog)P. Thoenes
(op voordracht van de Stichting Joods Maatschappelijk Werk)N. Boeken
(op voordracht van de Stichting 1940-1945)J. van Dam
(op voordracht van de Stichting Pelita)W.C. Lemaire
(op voordracht van de Minister van Defensie)E.E.N. Krans
(aangewezen door de Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne)C.E. de Leeuw
(aangewezen door de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk)W. Nijsse (

W. Nijsse werd met ingang van 1 juli 1977 benoemd als opvolger van P. Versteeg, die wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van zijn lidmaatschap ontheven werd. De heer Versteeg bleef tot zijn overlijden op 14 juni 1978 als adviseur aan het college verbonden.

)
C.A.G. Vos
adviseur:P. Versteeg (

Zie de tekst van de voetnoot bij W. Nijsse.

)
secretaris met adviserende stem:H. Leliefeld, algemeen medicus
tweede secretaris:L.F.P. Kuitenbrouwer
adjunct-secretaris:A.A.G. Wals
(ter administratieve ondersteuning)P.J. Lamboo
mw. J.C. van Leersum-Kapel

 

De zetel van het W.A.C. was gevestigd in een van de kantoorgebouwen van het ministerie in Rijswijk. De kosten die voortvloeiden uit de taakopdracht kwamen ook ten laste van dit ministerie.

Inventarisatie van de problemen en meningen

De eerste fase van de werkzaamheden van het college werd gekenmerkt door het zich oriënteren op en het inventariseren van de wensen en noden, die leefden onder de oorlogsslachtoffers en hun hulpverleners. Hiertoe werden, naast het verzamelen van literatuur, een dertigtal hoorzittingen met zoveel mogelijk afzonderlijke groeperingen georganiseerd. Op deze manier kon een zo genuanceerd mogelijke indruk worden verkregen. Een subcommissie heeft deze hearings voorbereid. De Jehova's Getuigen hebben van een gesprek afgezien, terwijl van de zeelieden en zigeuners het onmogelijk was op korte termijn een delegatie samen te stellen. Door gesprekken met hulpverleners van deze laatste twee groeperingen is een inzicht verkregen in de wensen en behoeften van deze getroffenen.

Van de gevoerde gesprekken zijn met behulp van bandopnamen de verslagen gemaakt. Deze verslagen zijn na goedkeuring van de betrokken groepen in een band bijeengebracht en als bijlage bij het interim-rapport openbaar gemaakt(

Inv.nr. 154.

).

In deze fase is ook een overzicht gemaakt van de op dat moment bestaande wettelijke regelingen en de diverse hulpverlenende instellingen.

Een aantal subcommissies hebben zich met een deel van de inventarisatiewerkzaamheden bezig gehouden. Deze subcommissies brachten één of meer keren schriftelijk en mondeling verslag uit aan de plenaire vergadering.

De subcommissie "Het begrip geïntegreerd (geslaagd)" heeft getracht een beeld te krijgen van de wijze, waarop mensen zich ondanks of wellicht zelfs dankzij hun oorlogservaringen wisten te handhaven(

Inv.nr. 79.

).

De subcommissie "Stichtingen" had als doelstelling een inventarisatie te maken van de drie grote stichtingen, die betrokken zijn bij de begeleiding van oorlogsgetroffenen (Stichting Pelita, Stichting Joods Maatschappelijk Werk en Stichting 1940-1945)(

Inv.nr. 81.

). De subcommissie "Inventarisatie van voorzieningen" had tot doel een overzicht te verkrijgen van de voorzieningen op het terrein van geestelijke gezondheidszorg, de maatschappelijke dienstverlening en het vormingswerk voor volwassenen, die eventueel ter beschikking staan voor immateriële hulp.

Tenslotte had de subcommissie "Quantificeringen" de opdracht de omvang van de aantallen nog levenden vast te stellen en een prognose te maken voor de komende jaren; vervolgens te bepalen welke aantallen welke vorm van immateriële hulp nodig hebben en hierop de bijbehorende hulpverlening in omvang en aard vast te stellen(

Inv.nr. 80.

).

Onderzoek
Onderzoek hulpverleningscapaciteit

Reeds voor de publicatie van het interim-rapport is een subcommissie "Hulpverleningscapaciteit" ingesteld(

Inv.nr. 83.

). De subcommissie droeg in eerste instantie de naam "Caseload". Tot naamsverandering is overgegaan, omdat het onderzoek niet zozeer tot doel had om door vaststelling van een caseloadnorm tot een gefixeerde personeelsplanning te komen, maar meer om te komen tot een bezinning over de beïnvloedende factoren en vaststelling van een aantal werkzaamheden, waarnaar gestreefd zou moeten worden.

De subcommissie heeft zich gewend tot de maatschappelijke werkers van de Stichting 1940-1945 en de Stichting Joods Maatschappelijk Werk met een aantal vragen, die van belang geacht werden voor de hulpverleningscapaciteit. De verslagen van de gesprekken met deze twee organisaties bevatten naast de antwoordoverzichten een samenvatting van de discussies naar aanleiding van deze vragen(

Inv.nr. 84 en 85.

).

Behoefteonderzoek

De subcommissie "Behoefteonderzoek" ("Casusverkenning") had als doelstelling het verkennen van immateriële behoeften onder aanvragers van een W.u.v.-erkenning en/of -uitkering, die geopteerd hebben voor Pelita of de Stichting 1949-1945, teneinde beleidsuitspraken te formuleren over de toekomstige hulpverlening aan deze groepen(

Inv.nr. 86.

).

De eerdergenoemde subcommissie "Hulpverleningscapaciteit" was bij zijn onderzoek gestuit op twee belangrijke groepen aanvragers voor een uitkering krachtens de W.u.v., waarvoor geen begeleiding bestond. Dit heeft geleid tot twee afzonderlijke behoefteonderzoeken. Het aanvragersbestand van Pelita bleek te bestaan uit vervolgden in Azië en het bestand van de Stichting 1940-1945 uit vervolgden in Azië en Europa. De verschillen in populaties zouden ook verschillen in behoeften en hulpvraag met zich mee kunnen brengen.

De casusverkenningen zijn onder supervisie van het W.A.C. uitgevoerd door externe medewerkers.

Project "Weergave hulpsysteem 1945"

In de loop van 1977 bleek dat de communicatie tussen bestuur en uitvoerend niveau binnen een instelling en tussen (de niveaus van) de instellingen niet optimaal functioneerde. Dit knelpunt vroeg op korte termijn om een aanpak. De methodiek gaming/simulatie werd boven andere mogelijkheden geprefereerd om de problemen bespreekbaar te maken en besluiten te nemen.

Prof. Dr. D. Duke en zijn assistente J.H. Webb werden als deskundigen op het gebied van simulatiespelen aangetrokken(

Inv.nr. 98.

). De doelstelling van de simulatie werd als volgt geformuleerd: simulatie heeft tot doel bij te dragen tot een beter inzicht, zowel bij het W.A.C. als bij de deelnemers, in de hulpverleningscapaciteit van de betrokken hulpverleners en hun instellingen. De opzet werd reeds in de Verenigde Staten in drie zittingen getest. Na zes testzittingen in Nederland, waarvan over de laatste drie reeds gerapporteerd kon worden, werden in februari 1978 de drie hoofdbijeenkomsten belegd. De planoloog P.H. Smit had de leiding van de testen en de drie centrale simulatiespelen. Het secretariaat van het W.A.C. verzorgde de organisatie. De psycholoog C.E. Rademaker droeg de verantwoording voor de instructie van de verslagleggers. Zij hadden tot functie gegevens te verzamelen, zodat na afloop van de spelen de heer Rademaker het college hierover kon rapporteren. In een band zijn de rapporten van J.H. Webb, P.H. Smit en C.E. Rademaker samengebracht. Het geheel is door H. Leliefeld van een inleiding voorzien(

Inv.nr. 117.

)
. Hoewel onvolkomen vond het W.A.C. het toch verantwoord deze verslagen op te nemen. Door gebrek aan tijd zijn de games namelijk niet volledig geanalyseerd. Bij de gehouden spelbijeenkomsten werd allerlei spelmateriaal gebruikt. Hiervan is in appendice G, Paraphanalia Checklist, van het rapport inzake het project "Weergave hulpsysteem 1945" een opsomming gegeven(

Inv.nr. 117.

)
.

Deelonderzoeken

In de periode na het publiceren van het interim-rapport hebben diverse subcommissies het college van advies gediend.

Zo rapporteerde de subcommissie "Daklozen" over de problemen rondom de oorlogsgetroffenen, die zich niet tot één van de bestaande instellingen aangetrokken voelden(

Inv.nr. 118.

).

De subcommissie "Deskundigensystemen" onderzocht welke systemen op het gebied van hulpverlening ons land ter beschikking stond(

Inv.nr. 119.

).

De subcommissie "Operationalisering inschakeling algemene hulpverlening" had tot doel de belangstelling van de algemene hulpverlening te bevorderen en de bereikte afspraken vast te leggen(

Inv.nr. 120.

).

De subcommissie "Recht op immateriële hulpverlening en vrijstellingenpakket" behandelde het probleem van een eventueel recht op immateriële hulp en de mogelijkheid van uitbreiding van vrijstellingen ten behoeve van getroffenen(

Inv.nr. 121.

).

De subcommissie "Scholing en training" gaf advies over vergroting van het kader van hulpverleners in verband met de te verwachten toename van hulpbehoefte bij oorlogsgetroffenen(

Inv.nr. 122.

). De subcommissie "Therapieën" heeft zich gebogen over de verschillende behandelingsmethoden voor oorlogsgetroffenen. Door gebrek aan tijd heeft deze subcommissie niet optimaal kunnen functioneren(

Inv.nr. 123.

)
.

De subcommissie "Tweede generatie" behandelde de problematiek rond de generatie oorlogskinderen en de kinderen geboren na de Tweede Wereldoorlog(

Inv.nr. 124.

).

Naast de onderwerpen, die door de hierboven genoemde subcommissies behandeld zijn, heeft ook secretaris H. Leliefeld over een aantal onderwerpen aan de plenaire vergadering rapport uitgebracht(

Inv.nr. 125-132.

). Hierbij zijn aan de orde gekomen: de pastorale hulpverlening, de Telefonische Hulpdienst te Amsterdam, gerontologie en het oorlogsslachtoffer, doelstellingsverruiming stichtingen, late effects on war victims, lichamelijke gezondheidszorg oorlogsgetroffenen en tenslotte stress en samenleving - een analytisch en epidemiologisch onderzoek.

Rapportage

Nadat de eerste fase van het zich oriënteren en het inventariseren van de noden was afgesloten, kon op 1 februari 1977 het interim-rapport aan de betrokken bewindslieden worden aangeboden(

Inv.nr. 152-156.

). Dit interim-rapport is op verzoek van het college openbaar gemaakt om de belanghebbenden en de belangstellenden de gelegenheid te geven van de inhoud kennis te nemen en hierop te reageren alvorens met definitieve aanbevelingen te komen. Naar aanleiding van de reacties op het interim-rapport vonden in november 1977 opnieuw afzonderlijke besprekingen plaats met Stichting 1940-1945, JMW, Pelita, CRBP/BNMO, JGG en Centrum '45(

Inv.nr. 161.

)
.

Deze consultaties leidden tot grotere eenstemmigheid ten aanzien van onderwerpen als vrijwilligersinzet, samenwerking en coördinatie.

In het eindrapport zijn de definitieve aanbevelingen van het W.A.C. neergelegd(

Inv.nr. 178.

). Deze aanbevelingen zijn uitwerkingen van en aanvullingen op de gedachten die ontwikkeld zijn in het interim-rapport. Het eind-rapport is dan ook inhoudelijk bedoeld als een voortzetting van het interim-rapport, niet als een vervanging ervan. Hoewel de aanbevelingen geadresseerd zijn aan de regering, richtten de meeste zich toch indirect op de vele hulpverleningsinstellingen. Naast het advies over het Icodo zijn in het eind-rapport aanbevelingen gegeven over de volgende onderwerpen: voorlichting, aanvraagprocedure, hulpverlening (algemene, medische en therapeutische hulpverlening), vrijwilligerswerk, deskundigheidsbevordering, Stichting Pelita, Stichting 1940-1945, wettelijke maatregelen en enige kleinere onderwerpen.

Aan het in te stellen orgaan Informatie en Coördinatie Dienstverlening Oorlogsgetroffenen (het Icodo) is aparte aandacht besteed, omdat een dergelijk orgaan als noodzakelijk werd beschouwd voor de verdere begeleiding van oorlogsgetroffenen. Het Icodo zou een gelegaliseerde positie moeten innemen ten aanzien van overheid en particulier initiatief. Vandaar dat een eerste schets voor een wettelijke basis voor dit orgaan door het college is ontworpen.

Om al deze aanbevelingen binnen een zo kort mogelijke termijn te kunnen uitbrengen is een intensief vergaderschema gehanteerd. Over een aantal zaken zijn tussentijdse adviezen uitgebracht. In december 1976 is aan de Staatssecretaris van C.R.M. een advies uitgebracht over de aanvraag van het Centrum '45 voor subsidiering van ontvangstcentra en over de subsidie-aanvraag van de Stichting I.M.P.(

Inv.nr. 140.

). Bij wijze van tussentijds advies werd in februari 1978 aan de Staatssecretarissen van C.R.M. en V. en M. de inmiddels reeds vastgestelde tekst van hoofdstuk VIII van het eind-rapport en een daarbij behorende bijlage toegezonden, waarin nadere voorstellen werden gedaan ten aanzien van het Icodo(

Inv.nr. 133.

)
. Dit werd gedaan om te voorkomen, dat er een leemte zou ontstaan na de beëindiging van de werkzaamheden van het W.A.C.

Over de inschakeling van het P.A.I. Amsterdam bij de hulpverlening aan oorlogsgetroffenen werd in maart 1978 aan de beide Staatssecretarissen van C.R.M. geadviseerd(

Inv.nr. 139.

). Tenslotte werd in juni 1978 een advies uitgebracht over de immateriële hulpverlening in het buitenland(

Inv.nr. 141.

)
. Dit advies was gericht aan de Staatssecretarissen van C.R.M. Hierin is getracht een aanduiding te geven van enkele problemen en van mogelijke oplossingen van deze problemen.

De periode na het W.A.C.

Nadat het W.A.C. de werkzaamheden had afgesloten met het uitbrengen van een eindrapport, was het aan de regering om met de gekregen adviezen te gaan werken. Reeds in de Ministerraadsvergadering d.d. 30 juni 1978 werd naar aanleiding van het tussentijds advies het besluit genomen over te gaan tot de instelling van een "Informatie- en Coördinatieorgaan voor de Dienstverlening aan Oorlogsgetroffenen".

Een commissie bereidde de oprichting van een Stichting Voorlopig ICODO voor. Deze stichting werd op 8 mei 1979 een feit. In de toekomst zal de stichting, na integratie met de Stichting Informatiecentrum voor door de oorlog getroffenen te Utrecht, overgaan in het ICODO, dat bij de wet ingesteld zal worden.

Ook werd aan het tussentijds W.A.C.-advies ten aanzien van het Psycho-Analytisch Instituut te Amsterdam gevolg gegeven. Een werkgroepproject van deze instelling krijgt financiële steun. De bruikbaarheid van de behandeling van oorlogsgetroffenen met behulp van toegepaste psycho-analytische therapievormen zal onderzocht worden en tevens zal een programma voor consultatie aan hulpverleners en een basistraining voor jonge therapeuten worden samengesteld.

Tenslotte werd voor het bepalen van een standpunt ten aanzien van alle andere adviezen van het W.A.C. een Interdepartementale Werkgroep ingesteld. Dit resulteerde in de publicatie van het Regeringsstandpunt inzake de adviezen van het Werk- en Adviescollege Immateriële Hulpverlening een Oorlogsgetroffenen d.d. 9 november 1979(

Een exemplaar van het gepubliceerde regeringsstandpunt bevindt zich in de bibliotheek van het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk.

).

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in