Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Rijksdienst Uitvoering Werken

2.15.18
R.H.J. Stultjens
Nationaal Archief, Den Haag
1983
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.15.18
Auteur: R.H.J. Stultjens
Nationaal Archief, Den Haag
1983
CC0

Periode:

1937-1955
merendeel 1945-1954

Omvang:

3,40 meter; 293 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

De Rijksdienst voor de Uitvoering van Werken, kortweg D.U.W. genoemd, werd in mei 1945 ingesteld. de nieuwe naam D.U.W. moest de slechte bijklank van de oude vooroorlogse Dienst 'Werkverruiming' doen vergeten, die de associatie met werkloosheid opriep. Het doel bleef echter min of meer hetzelfde: Uitvoering van projecten ten einde nuttige arbeid te verschaffen aan werklozen. In 1952 werd bepaald dat de Rijksdienst een afdeling werd van het Ministerie van Sociale Zaken. De D.U.W. voerde geen werken in eigen beheer uit, maar maakte gebruik van uitvoerende lichamen.
De in het archief aanwezige dossiers gaan hoofdzakelijk over de financiële afwikkeling van de projecten, dossiers die uitsluitend gaan over de technische kant van de werken zou men kunnen aantreffen in de archieven van de uitvoerende lichamen.

Archiefvormers:

  • Centrale Commissie van Advies voor DUW-aangelegenheden
  • Commissie van Advies voor de Rijksdienst voor de Uitvoering van Werken
  • Rijksdienst voor de Uitvoering van Werken (DUW)

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Geschiedenis van de D.U.W. en zijn voorlopers.
1 instelling en taak.

De Rijksdienst voor de Uitvoering van Werken, kortweg D.U.W. genoemd, werd bij beschikking van 24 mei 1945, no. 1, afdeling Werkverruiming, door de Minister van Sociale Zaken ingesteld. Tegelijkertijd werd de beschikking van 15 februari 1945, houdende de instelling van een Dienst tot Uitvoering van Werken in het Bevrijde Gebied, ingetrokken. Sinds 5 mei 1945 was heel Nederland bevrijd, waardoor een dienst voor het hele land noodzakelijk werd.

Alleen al vanwege de naam prefereerde men de D.U.W. boven de voor de oorlog opgerichte Rijksdienst voor de Werkverruiming. Door de instelling van de D.U.W. wilde men namelijk het frustrerende denkbeeld wegnemen "bij de werkverruiming te zijn". Voor velen stond dit gelijk met "nog werkloos te zijn".

Artikel 3 van de ministeriële beschikking bepaalde dat de D.U.W. dezelfde taak kreeg als zijn voorloper de Rijksdienst voor de Werkverruiming: "het bevorderen van de bestrijding van de werkloosheid, voor zover deze plaatsvindt door middel van de uitvoering van werken".

In dezelfde beschikking werd ook aangegeven hoe de D.U.W. zijn taak moest vervullen. In het kort was dat op de volgende wijze:

  • verlenen van subsidie ten behoeve van door derden uit te voeren werken of op andere wijze de door derden uit te voeren werken bevorderen;
  • het uitvoeren of doen uitvoeren van geheel of gedeeltelijk door het Rijk te financieren werken;
  • vervoer en huisvesting van arbeiders.

Later werd de taak bij K.B. van 20 oktober 1948 (Organisatiebesluit D.U.W. 1948) nader geregeld en in 1952 (Wijziging Organisatiebesluit D.U.W. 1948) gewijzigd (zie inv. nr. 47).

Het Organisatiebesluit D.U.W. 1948 omschrijft de taak als volgt:

"De Rijksdienst voor de Uitvoering van Werken heeft tot taak het bevorderen van de uitvoering van werken, voor zover zulks nodig is, ten einde nuttige arbeid te verschaffen aan niet in het arbeidsproces opgenomen werknemers".

De Rijksdienst voor de Uitvoering van Werken heeft onder twee ministeries geressorteerd:

  • 24 mei - 6 september 1945 onder het Ministerie van Sociale Zaken;
  • 6 september 1945 - 1 september 1952 onder het Ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw;
  • 1 september 1952 - 5 juli 1954 onder het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Het Ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw onderging gedurende het bestaan van de D.U.W. nog een naamswijziging; van 28 februari 1947 tot en met 12 oktober 1956 had het de naam Wederopbouw en Volkshuisvesting (K.B. van 28 februari 1947 Stb.no.H63). Reden waarom het Ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw de dienst onder zich wilde hebben was het verkrijgen van een betere coördinatie van alle diensten, die ten behoeve van de wederopbouw van Nederland werkten. Het Ministerie van Sociale Zaken was het er niet mee eens, en gaf als argument te kennen dat de sociale functie van de D.U.W. (de werklozen van de straat), in gevaar zou komen, als het kwam te ressorteren onder een technisch departement als Openbare Werken en Wederopbouw. Onder bepaalde door het Ministerie van Sociale Zaken gestelde voorwaarden ging de dienst toch naar het Ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw.

Enkele van die voorwaarden waren, dat de organisatie ongewijzigd zou blijven en dat Sociale Zaken verantwoordelijk zou blijven voor het vaststellen van bijzondere loonregelingen voor bepaalde groepen van werklozen.

Al in 1949 kwam weer de discussie op gang over de vraag onder welk departement de D.U.W. zou moeten ressorteren. Ir. J.O. de Kat, directeur van die dienst, deelde in een notitie mee, dat de dienst beter kon blijven functioneren onder het Ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting:

De D.U.W. heeft een tweezijdig karakter, namelijk sociaal en technisch. De sociale kant houdt in: de werklozen van de straat, de technische kant behelst het nut der werken.

"Het doel der tewerkstelling bij de D.U.W. is "immers om de arbeiders uit de verschillende "beroepen en milieus in de moeilijke omstandigheden als werkloos arbeider tijdelijk aan nuttige en zinvolle arbeid te helpen en het hun aldus mogelijk te maken niet alleen in het levensonderhoud van zich en de hunnen te voorzien, maar bovenal hen heen helpen over hun teleurgesteld gevoel van uitgesloten te zijn en hen aldus te onttrekken aan de morele ontreddering van de werkloosheid.

De technische werkzaamheid van de D.U.W. beoogt tevens een sociaal doel te bereiken, maar met het oog op het moreel van de arbeiders is het beter de nadruk te leggen op het economisch-technische deel van de uitvoering van werken en dus te vermijden, dat de arbeiders zich nog steeds blijven identificeren met "werkloze arbeider in de zorgsfeer",

Een paar jaar later echter, te weten op 1 September 1952, wordt bij K.B. (

K.B. van 1 september 1952 Stb. 460 houdende instelling van een Departement van Maatschappelijk Werk en overgang van de D.U.W. naar Sociale Zaken en Volksgezondheid.

) bepaald, dat de zorg voor zaken de D.U.W. betreffende, door de Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting wordt overgedragen aan de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. De Rijksdienst werd een afdeling van het Ministerie.

De D.U.W. bleef voortbestaan tot 5 juli 1954. Op die datum werd de Directie voor de Arbeidsvoorziening ingesteld. Deze Directie omvatte:

  1. het Rijksarbeidsbureau;
  2. een Hoofdafdeling Aanvullende Werkgelegenheid;
  3. een Dienst Aanvullende Civieltechnische Werken.

Artikel 9 van het instellingsbesluit bepaalde, dat aan de directie was opgedragen de afwikkeling van zaken, waarmee de D.U.W. was belast. Artikel 8 bepaalde, dat het Organisatiebesluit D.U.W. 1948 werd ingetrokken, wat tevens inhield, dat de D.U.W. als zodanig was opgeheven.

2. de organisatie

Aan het hoofd van de dienst stond een directeur. Er zijn twee directeuren geweest, namelijk ir. J.O. de Kat vanaf de instelling tot 1951 en dr. ir. D.R. Mansholt vanaf 1 januari 1951 tot en met de opheffing van de D.U.W. Hij werd Directeur-Generaal voor de Arbeidsvoorziening.

In 's-Gravenhage was het kantoor gevestigd in gebouw "Olveh" aan de Mauritskade. Het centrale kantoor was verdeeld in vier afdelingen:

  1. Algemene Zaken;
  2. Financiën, Huisvesting en Personeel;
  3. Voorbereiding en Uitvoering van Werken;
  4. Arbeidszaken, Documentatie en Wetenschappelijk Onderzoek.

Het land was verdeeld in vier districten met aan het hoofd van elk district een Districtshoofd. Elk Districtshoofd had ook een eigen provincie als inspectie-gebied. Elke provincie was een inspectie-gebied met een Hoofd van de Inspectie als hoofd, waaraan in de regel een inspecteur was toegevoegd.

3. de D.U.W.-werken

De D.U.W. voerde geen werken in eigen beheer uit. De dienst maakte gebruik van uitvoerende lichamen. De grootste waren de Nederlandsche Heidemij, de N.V. Grontmij, het Technisch Bureau van Waterschapsbonden en het Ingenieursbureau Van Hasselt en De Koning.

De werken (grondwerken) werden onderscheiden in cultuurtechnische en civieltechnische werken. Tot cultuurtechnische werken behoorden o.a. ontginning, grondverbetering, drainage. Het ging hierbij om bevordering van de bodemopbrengst. Tot civieltechnische werken werden onder meer gerekend wegenaanleg, aanleg van dijken, graven van kanalen. De laatstgenoemde werken werden uitgevoerd door aannemers en de eerstgenoemde door de eerder genoemde ontginningsmaatschappijen.

Het bovenstaande was geregeld in het zogenaamde CODA-advies van de CODA-commissie (Commissie Ontginningslichamen - D.U.W. - Aannemers) (inv. nr.111). Deze commissie was ingesteld om te komen tot een goede verdeling van het werk tussen uitvoerende lichamen enerzijds en aannemers anderzijds.

Dit CODA-advies werd tot april 1952 gehandhaafd, waarna het principieel werd gewijzigd bij circulaire 19387 van 25 april 1952 (inv. nr.112).

Het beginsel van het CODA-advies - onderscheid tussen cultuurtechnische en civieltechnische werken - werd losgelaten. Het doel van de nieuwe regeling was dat er meer werken door aannemers zouden worden uitgevoerd, dan tot dat moment het geval was geweest.

Gedurende het bestaan van de D.U.W. golden uiteraard voorwaarden, waaraan werken moesten voldoen om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Dat waren onder andere de volgende:

  1. de werken moesten arbeidsintensief zijn;
  2. de werken moesten geschikt zijn voor ongeschoolden;
  3. de werken moesten niet te duur zijn;
  4. de werken moesten te allen tijde stopgezet kunnen worden;
  5. de werken moesten zo nuttig mogelijk zijn, maar ook weer niet zodanig rendabel, dat de uitvoering zonder subsidie mogelijk was (vooral werken die leidden tot een blijvende werkverruiming, o.m. ontginningen, ruilverkavelingen).
4. commissies van de D.U.W.

a. Commissie van Advies inzake D.U.W.-werken

Ten behoeve van de Rijksdienst voor de Werkverruiming was een commissie van advies werkzaam volgens artikel 12 van het Organisatiebesluit Werkloosheidsbestrijding van 20 april 1939 Stb. 882. Door de instelling van de D.U.W. echter, trad voornoemde adviescommissie buiten werking.

Op last van de Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting riep de directeur van de D.U.W. de leden van de buiten werking getreden adviescommissie bijeen op 28 februari 1946, om hun taak als adviserende commissie voort te zetten.

Door de inwerkingtreding van het Organisatiebesluit D.U.W. 1948 op 6 november 1948 kreeg de commissie de formele status van Commissie van Advies voor de Rijksdienst voor de Uitvoering van Werken (artikel 7).

Taak en doel van de commissie was het uitbrengen van advies aan de Minister over voorstellen van de D.U.W. tot uitvoering van bepaalde werken, welke werken ten doel hadden nuttige arbeid te verschaffen aan niet in het arbeidsproces opgenomen werknemers.

Voorzitter en lid was ir. J.O. de Kat, directeur van de D.U.W., later opgevolgd door dr. ir. D.R. Mansholt.

Secretaris was mr. J.J.D. Albarda, secretaris van dezelfde rijksdienst.

b. Centrale Commissie van Advies voor D.U.W.-aangelegenheden (Centrale D.U.W.-commissie)

Het werd gewenst geacht regelingen te treffen ten aanzien van het overleg, in het bijzonder met de Stichting van de Arbeid inzake aangelegenheden de D.U.W. betreffende, waarbij onder meer het recht van beroep van tewerkgestelden tegen ontslag als strafmaatregel en schorsing werd toegekend. Daarom werd de Centrale Commissie van Advies voor D.U.W.-aangelegenheden ingesteld bij gezamenlijke beschikking no. 31514 d.d. 14 maart 1950 van de Ministers van Wederopbouw en Volkshuisvesting en van Sociale Zaken. Het was de taak van de commissie:

  1. de Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting te adviseren omtrent aangelegenheden, die door de Minister aan de commissie om advies zouden worden toegezonden;
  2. beide Ministers te adviseren omtrent aangelegenheden die door beide Ministers gezamenlijk aan de commissie om advies zouden worden toegezonden (o.a. voorschriften inzake lonen en andere arbeidsvoorwaarden);
  3. de beide Ministers ongevraagd van advies te dienen omtrent aangelegenheden van algemene aard de D.U.W. betreffende.

De commissie was werkzaam tot half juni 1954.

Voorzitter was prof, mr. J.V. Rijpperda Wierdsma en secretaris was mr. J.J.D. Albarda.

c. Commissie van Deskundigen inzake de wijze van uitvoering van D.U.W.-objecten

Deze commissie was een subcommissie van de Centrale D.U.W.-commissie.

De commissie kreeg opdracht een rapport uit te brengen over de gang van zaken betreffende de wijze van uitvoering van D.U.W.-objecten door inschakeling van aannemers, uitvoerende lichamen en gemeentelijke technische diensten.

Naar aanleiding van deze opdracht stelde de commissie zichzelf twee vragen:

  1. Moet het CODA-advies gehandhaafd blijven?
  2. Moet uitvoering van objecten in zogenaamd eigen beheer door gemeentelijke technische diensten eveneens gehandhaafd blijven?

Aan het rapport werd een bijlage met "Richtlijnen voor de directie van de D.U.W. betreffende de wijze van uitvoering van D.U.W.-objecten" toegevoegd.

Naast deze commissies waren er in de provincie ook nog commissies werkzaam, zoals de A.B.C.D.-commissies, de Gewestelijke D.U.W.-commissies, de Gewestelijke Beroepscommissies.

5 voorlopers van de D.U.W.

De Rijksdienst voor de Uitvoering van Werken had twee voorlopers, namelijk het Werkfonds 1934 en de Rijksdienst voor de Werkverruiming 1939.

a. Het Werkfonds 1934.

(

zie inventaris van het archief van het Werkfonds 1934 en de Interdepartementale Commissie Werkloosheidszorg, de commissie Hacke ('H') van W. Veerman, Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid 1970, Staatsuitgeverij; 2.15.02

)Het Werkfonds 1934 was een Ministeriële Commissie, waarvan de Voorzitter van de Raad van Ministers voorzitter was. Als leden hadden zitting de Ministers van Waterstaat, Economische Zaken, Sociale Zaken, Binnenlandse Zaken en Financiën. Deze Commissie besliste welke objecten konden worden uitgevoerd. Aan de Commissie waren verbonden een Werkfondsbestuur en een Raad van Bijstand en Advies. De eerste werd in 1936 opgeheven. Doel van het Werkfonds 1934 was het scheppen van werkgelegenheid om werklozen te laten werken. Tot en met 1939 werd er 190 miljoen gulden uitgetrokken voor de financiering van de Werkfondsobjecten.

In 1935 werden het bureau van het Werkfonds en de afdeling Werkverschaffing van het Ministerie van Sociale Zaken samengevoegd. Dit leidde in 1939 tot de oprichting van de Rijksdienst voor de Werkverruiming. De Algemeen Secretaris van het Werkfonds, Hacker droeg op 1 juni 1939 officieel de zaken over aan voornoemde Rijksdienst.

Enkele bekende Werkfondsobjecten:

  • restauratie Koninklijk Paleis te Amsterdam;
  • restauratie Martinitoren te Groningen;
  • bouw Maastunnel te Rotterdam;
  • verbouwing Hoge Raad te 's-Gravenhage.

b. Rijksdienst voor de Werkverruiming.

(

zie "inventaris van de archieven van de departementale afdeling Werkverschaffing en Steunverlening en de daaruit voortgekomen afdelingen Werkverruiming (Rijksdienst voor de Werkverruiming), Steunverlening, Culturele Zorg en Sociale Jeugdzorg 1931 - 1945; Gedeponeerde archieven 1935 - 1944" van J.T. Janssen, uitgaven van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 1983; 2.15.28

)In 1939 werd ingesteld de Rijksdienst tot bestrijding der werkloosheid, voor zover deze plaatsvindt door middel van de uitvoering van werken, welke al spoedig de naam Rijksdienst voor de Werkverruiming kreeg. In de naam die deze Rijksdienst kreeg lag de taak al opgesloten.

Op 24 mei 1945 werd de Dienst omgezet in de Rijksdienst voor de Uitvoering van Werken (D.U.W.).

Er waren tussen de Rijksdienst voor de Werkverruiming en de Rijksdienst voor de Uitvoering van Werken enkele principiële verschillen onder andere op het gebied van:

1. plaatsing van arbeiders

Ondanks het feit dat er na de oprichting van de Rijksdienst voor de Werkverruiming steeds meer arbeiders op werkverruimingsobjecten werden tewerkgesteld, moesten de gemeentebesturen de aanvragen om plaatsing van arbeiders op objecten bij de Inspectie van de Dienst indienen. Ook toen in 1941 de arbeidsbureaus voor de werkverruiming werden ingeschakeld, bleven de gemeentebesturen zelf opgeven, welke personen zij geplaatst wilden zien op de werkverruimingsobjecten.

Echter de instelling van de D.U.W. bracht hierin verandering. Er kwam namelijk een regeling, welke inhield dat de bemiddeling van arbeiders ten behoeve van D.U.W.-objecten en het vrije bedrijf zou gaan geschieden door tussenkomst van de Arbeidsbureaus.

2. arbeidsvoorwaarden

Wat de uurlonen in de werkverruimingssfeer betrof gold als richtsnoer 90% van het loon der ongeschoolden in het vrije bedrijf en 80% van het gemiddelde loon van alle arbeiders in de woongemeente. Tot 1941 werden ook emolumenten zoals goedkope levensmiddelen, kleding e.d, toegekend. De lonen in D.U.W.-verband waren tot 1952 ook beneden die van het vrije bedrijf. Vanaf 1952 veranderde dit. Het uurloon van D.U.W.-arbeiders werd gelijkgetrokken met dat van de ongeschoolden in het vrije landbouwbedrijf. Het uurloon voor arbeiders uit gemeenten met een industriële inslag werd opgetrokken tot het loonniveau van de ongeschoolde bouwvakarbeiders. Daarbij werd, in tegenstelling tot de "Werkverruiming", door de D.U.W. gedurende de wintermaanden een bepaald loon gegarandeerd.

3. rechtspositie

In de "Werkverruiming'' hadden gestraften recht van beroep op de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Sociale Zaken, terwijl in D.U.W.-verband men het recht van beroep had op de directie van de D.U.W. Vanaf augustus 1950 bestond recht van beroep op de Gewestelijke Beroepscommissies, welke samengesteld waren uit vertegenwoordigers van werknemers- en werkgeversorganisaties en een buiten de partijen staande voorzitter. Hoger beroep in bepaalde gevallen was mogelijk bij de Centrale Beroepscommissie. De Gewestelijke Beroepscommissies werden ingesteld evenals de Centrale Beroepscommissie bij gezamenlijke beschikking van de Ministers van Wederopbouw en Volkshuisvesting en van Sociale Zaken no. 31514 van,14 maart 1950 (inv. nr.287).

De Gewestelijke Beroepscommissies hadden als taak zich uit te spreken in die gevallen, dat een D.U.W.-arbeider tegen de hem opgelegde straf van ontslag of schorsing bij haar in beroep komt.

De Centrale Beroepscommissie moest door de Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting worden gehoord, indien hij een eenstemmige uitspraak van de betrokken Gewestelijke Beroepscommissie wilde vernietigen. Van zijn voornemen een uitspraak te willen vernietigen moesten de betrokken Inspecteur van de D.U.W. en de Gewestelijke Beroepscommissie op de hoogte worden gesteld.

Daarbij kon de arbeider die het beroep had ingesteld, alsook de betrokken Inspecteur van de D.U.W., bij de Centrale Beroepscommissie in hoger beroep gaan, indien de Gewestelijke Beroepscommissie niet tot een eenstemmige uitspraak in een bepaalde zaak kwam.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in