gahetNA in het Nationaal Archief

Defensie (Londen)

Door een storing is het op dit moment niet mogelijk om archiefstukken te reserveren. In de studiezaal van het Nationaal Archief kunnen archiefstukken via de balie worden gereserveerd.

2.13.71
H.E.M. Mettes, J.M.M. Cuypers, R. van Velden, E.A. van Heugten
Nationaal Archief, Den Haag
1998
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.13.71
Auteur: H.E.M. Mettes, J.M.M. Cuypers, R. van Velden, E.A. van Heugten
Nationaal Archief, Den Haag
1998
CC0

Periode:

1933-1974
merendeel 1940-1947

Omvang:

84,00 meter; 3167 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Op 14 Mei 1940 werd de zetel van de Nederlandse regering formeel in Londen gevestigd. Onder leiding van A.Q.H. Dijxhoorn, minister van Defensie (later Oorlog), werd het ministerie in Londen opgebouwd. Het hield zich bezig met organisatie, personeel, dienstplicht en rekrutering, juridische zaken, materieel, luchtvaart, militaire operaties, inlichtingen en geneeskundige dienst. Er bestond tevens een informele Ve Afdeling, het Marine Hoofdkwartier. Na verloop van tijd werd het takenpakket uitgebreid met historisch onderzoek naar het verloop van de Meidagen van 1940 en met de voorbereiding van de terugkeer naar Nederland. Voor dat laatste werd een speciaal bureau opgericht, het Bureau Militaire Voorbereiding Terugkeer (MVT), dat zich onder meer bezighield met de voorbereiding van de uitoefening van het Militair Gezag in bevrijd gebied. Het Bureau Londen hield zich na de bevrijding bezig met de afwikkeling van de resterende taken in Engeland. Het werd in 1947 opgeheven.
De gedeponeerde archieven zijn deels van uitvoeringsorganen, deels van militaire eenheden, missies in het buitenland, wervingsbureaus en inlichtingendiensten. Ook zijn opgenomen bescheiden van F. Looringh van Beeck, bevattende stukken over repatriëring, de Prinses Irene Brigade, het Garde Infanterie Depot, de 7 December Divisie, de Orde Dienst etc. Het archief bevat persoonsdossiers en dossiers over partijen, groeperingen en organisaties. De inventaris heeft een (onvolledige) index op persoonsnamen.

Archiefvormers:

  • Departement van Oorlog: Bureau Londen 1940-1947;
  • Centraal Laboratorium;
  • Militair Bureau voor Wetenschappelijke Inlichtingen;
  • Ministerie van Defensie te Londen, 1940-1941;
  • Ministerie van Oorlog te Londen, 1941-1945.

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

1 Een korte hoofdlijn van de organisatiegeschiedenis van het ministerie van defensie te Londen, vanaf 21 augustus 1941 ministerie van oorlog te Londen, voortgezet vanaf 20 juni 1945 tot 25 april 1947 als bureau Londen departement van oorlog en de afwikkeling daarvan
1.1 Voorgeschiedenis

Op 10 mei 1940, de dag van de Duitse invasie, werden er Nederlandse militaire missies naar Parijs, Brussel en Londen gezonden. Op dat moment was er te Londen geen militair attaché geaccrediteerd; deze rol werd waargenomen door de marineattaché, de kapitein ter zee De Booy.

1.2 Ministerie van Defensie te Londen

Op maandag 13 mei 1940 verliet de Koningin en het kabinet Nederland en werd de regeringszetel aldus verplaatst naar Engeland.(

L. de Jong. Het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog.(14 dln; 's-Gravenhage 1995) III, 282-292.

)Het kabinet arriveerde in Londen op 14 mei. De ministers verbleven in de Engelse hoofdstad aanvankelijk in Grosvenor House Hotel. Na enkele weken nam het ambtelijk apparaat haar intrek in Stratton House. Generaal-majoor I.W. van Oorschot vond bureauruimte in vertrekken van de C&A in Oxfordstreet.

In juni bestond het ministerie van Defensie te Londen slechts uit de afdelingen comptabiliteit, bemand door de hoofdofficier van administratie 1e klasse H.P. Verschuur en de afdeling landmacht onder leiding van de luitenant-generaal J.F. van der Vijver.(

Ministerie van Defensie (voortaan.MvD), Centraal Archievendepot (voortaan: CAD), het archief van het Ministerie van Marine te Londen, zeer geheim archief, 1940, nr. 19.

) Verder was de bevelhebber der zeestrijdkrachten, vice-admiraal J. Th. Furstner formeel gezien ondergeschikt aan de minister van Defensie. Toch had A.Q.H. Dijxhoorn vanaf 19 mei 1940 weinig praktische invloed op het reilen en zeilen bij de marine. Het marinehoofdkwartier stond ook wel bekend als afdeling V, de afdeling zeemacht.(

Inv. nr. 92, verbaal van 13 juni 1940, nr. 22. De bevelhebber der zeestrijdkrachten had een marinehoofdkwartier ter beschikking dat bestond uit de afdelingen inlichtingen, operatiën, organisatie, verbindingsdienst, materieel en personeel.

)

Met ingang van 10 juni 1940 trad de heer J.C. Grootenhuis aan als hoofd van de VIe afdeling, materieel landmacht.(

Inv. nr. 92, verbaal 12 juni 1940, zonder nr. Zie ook inv. nr. 151, verbaal van 8 januari 1944, nr. 20.

) Bij ministerieel besluit (voortaan: MB) van 24 juni 1940, afd I nr 6 werd ir J.P. Berdenis van Berlekom aangewezen als hoofd van de afdeling militaire luchtvaart van het ministerie van Defensie. De afdeling stond ook bekend als afdeling VII.

Vanaf 8 oktober vond wekelijks een bespreking plaats met het Engelse War-Office.

Op 10 oktober 1940 werd de IXe afdeling van het ministerie van Defensie opgericht, de afdeling geneeskundige dienst landmacht. Deze afdeling regelde - voor zover dat nodig was in overleg met de inspecteur der Nederlandse Troepen - de indeling van het personeel van de geneeskundige dienst; men gaf aanwijzingen voor de uitoefening van de geneeskundige dienst bij onderdelen der Koninklijke landmacht (KL), de afdeling hield toezicht op de verbetering van de hygiënische toestand bij onderdelen en maakte studie van alle onderwerpen die van belang konden zijn voor de uitoefening van de taak van de geneeskundige dienst bij een strijdend leger.

1.3 Splitsing en naamswijziging, 1941

Bij Koninklijk Besluit (voortaan: KB) van 21 augustus 1941, nr. B66 werd de naam van het ministerie gewijzigd van ministerie van Defensie in ministerie van Oorlog. Dit kwam voort uit de afsplitsing en instelling van het ministerie van Marine van het ministerie van Defensie welke plaatsvond op 27 juli 1941, waarbij Furstner de portefeuille van minister van Marine kreeg.

Bij MB van 25 augustus 1941, nr. 10 werd de interne organisatie van het ministerie van Oorlog - ingaande per 1 september 1941 - als volgt:

  • secretarie,
  • Ie afdeling, landmacht, opgebouwd uit:
    • bureau a - algemene zaken, organisatie en personeel;
    • bureau b - dienstplicht en recrutering;
    • bureau c - juridische zaken;
    • bureau d - materieel (voorheen VI);
    • bureau e - luchtvaart (voorheen VII);
    • bureau f - geneeskundige dienst (voorheen IX);
    • bureau g - agenda;
  • IIe afdeling, administratie en comptabiliteit. Deze afdeling bleef voorlopig ongesplitst en verrichte haar werkzaamheden in eerste instantie voor beide ministeries(

    Inv nr. 346, nr. 1431.

    )
  • IIIe afdeling, boekwerken.

De minister werd terzijde gestaan door luitenant-generaal J.F. van der Vijver, die ongeveer dezelfde bevoegdheden verkreeg als een secretaris-generaal, en een adjudant die kabinets- en welfare-zaken behandelde.

Op 15 januari 1942 werd de IIIe afdeling, bijzondere aangelegenheden opgericht. Tot waarnemend hoofd van deze afdeling werd benoemd de majoor P.L.G. Doorman. Boekwerken schoof in de nummering een plaatsje op zodat deze afdeling voortaan als IV bekend stond.

De instructie van het hoofd IIIe afdeling werd vastgesteld bij MB van 2 januari 1942, nr. 2.

De IIIe afdeling bestudeerde vraagstukken welke betrekking hadden op de terugkeer naar Nederland. Verder hield men zich bezig met de eisen waaraan de heropbouw van de landmacht diende te voldoen en ook met de studie van het verloop van de meidagen 1940 in Nederland.(

Het archief van de Koninklijke Nederlandse Brigade Prinses Irene, AA 5, 86.

)

De afdeling bestond vanaf 16 januari uit de volgende bureaus met als de volgende taken:

  • bureau a) de bestudering van vraagstukken verband houdende met de terugkeer naar Nederland;
  • bureau b) het bestuderen, verzamelen en vastleggen van gegevens, welke met het oog op het belang van de Koninklijke landmacht in de toekomst onontbeerlijk waren;
  • bureau c) voorbereiden van maatregelen tot wederopbouw van de Nederlandse strijdkrachten en eisen, welke aan deze organisatie in de toekomst gesteld zouden moeten worden;
  • bureau d) contact met geallieerde strijdkrachten, bijzondere vraagstukken en bestudering van economische aangelegenheden (Zie ook pagina - I: 14 -);
  • bureau e) studie van de krijgsverrichtingen in Nederland in het tijdperk 10-15 mei 1940 en het verzamelen van gegevens daaromtrent;
  • bureau f) agenda.(

    Inv. nr. 113. verbaal van 20 januari 1942. nr. 16.

    )

Op 6 juli 1942(

Inv, nr. 198. nr. 349.

) werd de instructie van de derde afdeling opnieuw vastgesteld met het oog op de instelling van het bureau Militair Voorbereiding Terugkeer (voortaan: MVT - zie hiervoor - I: 35 en verder). Laatstgenoemd bureau stond buiten departementaal verband.

De taken van genoemde afdeling werden voorlopig als volgt vastgesteld:

  1. "het voorbereiden van de uitoefening van het militair gezag, voor zoveel nodig in overleg met de minister van Justitie en hoofd MVT;
  2. het bestuderen der moderne oorlogsvoering en in verband daarmede van de grondslagen onzer landsverdediging na terugkeer in Nederland;
  3. het bestuderen van de voorbereiding van de wederoprichting van de Koninklijke landmacht in Nederland in haar vollen omvang, rekening houdende met het in punt 3 genoemde van de instructie van hoofd MVT;
  4. het bestuderen en te boek stellen der Nederlandsche krijgsgeschiedenis in den huidigen oorlog;
  5. het houden van contact met geallieerde militaire instanties, voor zover dit niet uitdrukkelijk is opgedragen aan andere organen;
  6. het geven van deskundige voorlichting aan hoofd MVT;
  7. het uitvoeren van die opdrachten, welke de minister van Oorlog ter voorbereiding van den terugkeer zal verstrekken."

Bij MB van 20 augustus 1942, nr. 6 trad het hoofd Ie afdeling op als korpscommandant over het detachement Londen.

Op 1 december 1942 werd de IIIe afdeling van het departement van Oorlog weer opgeheven. Dit hield direct verband met de instelling van het bureau Organisatie van den Generalen Staf. (Zie hiervoor pagina - I: 40 - .)(

Inv. nr. 201, nr. 573.

)

Vanaf 15 februari 1943 werd het hoofd Ie afdeling weer ontheven van het bevel over het detachement Londen.(

Inv. nr. 129, verbaal van 3 februari 1943, nr. 2. De inspecteur der Nederlandse troepen in Engeland nam het bevel over.

)

Met ingang van 15 oktober 1943 werd opnieuw een IIIe afdeling opgericht bij het departement van Oorlog, militaire luchtvaart.(

Inv. nr. 146, verbaal van 22 oktober 1943, nr. 7.

) Gelijktijdig werd het bureau militaire luchtvaart van de Ie afdeling overgeheveld naar deze IIIe afdeling. Het hield zich in het bijzonder bezig met personeelszaken.(

Inv. nr. 2336, circulaire - met bijlage - van het ministerie van Oorlog. 26-10-1943, nr. 0 9.

)
Verder behoorden tot de taken van deze afdeling het maken van studie van de moderne luchtvaartorganisatie, van haar technische uitrusting en haar wijze van optreden, en het - zover als nodig in overleg met bureau Organisatie Generalen Staf en de Britse luchtvaartautoriteiten - treffen van voorbereidingen voor een spoedige wederopbouw der Nederlandse luchtstrijdkrachten.

De afdeling militaire luchtvaart had als hoofd luitenant-kolonel P.J. de Broekert. De afdeling werd onderverdeeld in 5 bureaus, te weten:

  1. personeel;
  2. organisatie;
  3. reglementen en voorschriften;
  4. materieel;
  5. documentatie en voorlichting.

Bij MB van 6 januari 1944, afd. I, nr. 20 werd een souschef aangewezen voor de Ie afdeling. Dit ter ontlasting van het hoofd van die afdeling, die bovendien hoofd van het bureau Militair Gezag was. De souschef werd in het bijzonder belast met de leiding van de bureaus Ia, personeel, Ib, recrutering, Ic, juridische zaken en If geneeskundige dienst.

In maart 1944 ziet de organisatie van afdeling I er als volgt uit:

  • bureau a, personeel, algemene zaken en oorlogsbestemmingen;
  • bureau b/c, recrutering en juridische zaken;
  • bureau d, materieel;
  • bureau f, geneeskundige dienst;
  • bureau g, agenda.

Bij MB van 11 april 1944, afdeling I, nr. 11 werd bij de Ie afdeling een onderafdeling h opgericht, psychologische aangelegenheden. De taak van deze onderafdeling was:

  1. het verzamelen van gegevens betreffende de psychologische oorlogsvoering en het samenstellen van een desbetreffende vakbibliotheek;
  2. een studie te maken over de psychologische selectie van ambtenaren in het algemeen en van militairen voor de voor hen vast te stellen bestemmingen in het bijzonder;
  3. het onderhouden van contact met andere Nederlandse en geallieerde instanties, wier werkzaamheden geacht kunnen worden verband te houden met psychologische oorlogsvoering;
  4. het verstrekken van adviezen op psychologisch gebied, hierbij inbegrepen medisch-psychologische adviezen voor de militair-geneeskundige dienst.(

    Inv. nr. 156.

    )

Met ingang van 1 juni 1944 werd de afdeling Id opgeheven onder gelijktijdige instelling van het bureau materieel, dat rechtstreeks kwam te ressorteren onder de secretaris-generaal. Tegelijkertijd werd de secretarie onder bevel van het hoofd van de Ie afdeling gesteld.(

Inv. nr. 160. verbaal van 1 juni 1944 nr. 9.

)

Door de instelling van de Inspectie van de militair geneeskundige dienst der landmacht verviel de bestaansgrond van het bureau militair geneeskundige dienst der Ie afdeling (If), zodat dit bureau met ingang van 1 januari 1945 werd opgeheven.(

Inv. nr. 174. verbaal van 3 februari 1945. nr 1.

)

Op 1 februari, 1945 werd de IIIe afdeling - militaire luchtvaart - van het departement van Oorlog opgeheven. Het personeel van de betreffende afdeling werd ter beschikking gesteld van de directeur der luchtstrijdkrachten.(

Inv. nr. 174. verbaal van 27 januari 1945. nr. 24.

)

Met ingang van 16 april 1945 werd de Ie afdeling gereorganiseerd. De afdeling werd voortaan onderverdeeld in de 1e en 2e onderafdeling. Elke onderafdeling werd geleid door een souschef. De 1e onderafdeling bestond uit:

  • bureau Ia benoemingen, bevorderingen en registratie van officieren;
  • bureau Ic juridische zaken;
  • bureau Ie luchtvaartzaken;
  • bureau Io onderscheidingen en de registratie daarvan.

Onder de 2e onderafdeling ressorteerden de bureaus:

  • bureau Ib recrutering, overplaatsingen, verloven;
  • bureau Ik algemene zaken;
  • bureau I1 krijgsgevangenen;
  • bureau Im verbindingen, bagagedienst, telegrammen, postkamer;
  • bureau In demobilisatie, rehabilitatie, groot verlof.

Rechtstreeks onder het hoofd, naast de twee onderafdelingen, stond de secretarie en de huishoudelijke dienst, waaronder bovendien de archieven, de typekamer en de bodediensten ressorteerden.(

Inv. nr. 178. verbaal van 12 april 1945. nr. 28.

)

Vanaf 15 mei 1945 werd (opnieuw) een derde afdeling ingesteld, ditmaal onder de naam intendance. Het hoofd van deze afdeling, welke ook de functie van inspecteur van de intendance vervulde, werd belast met de verpleging, uitrusting en bewapening, het kantinewezen, het herstel en het onderhoud van motormateriaal.(

Inv. M. 181, verbaal van 29 mei 1945, nr. 12.

) Eind mei 1945 vertrok de minister van Oorlog definitief naar Nederland. Het personeel van het departement volgde ongeveer twee weken later. In Londen bleef een afdeling van het departement achter.(

Inv. M. 181, verbaal van 29 mei 1945, nr. 3.

)

1.4 Afwikkeling: Bureau Londen departement van Oorlog 20 juni 1945 - 25 april 1947

Op 20 juni 1945 werd het Bureau Londen van het Nederlandse ministerie van Oorlog (London Section of the Netherlands Ministry of War) ingesteld.(

Inv. M. 182, verbaal van 13 juni 1945, nr. 57.

) Het bureau kwam daadwerkelijk in werking op 25 juni daaropvolgend. Voor wat de dienst betreft werd het hoofd van genoemd bureau rechtstreeks gesteld onder de minister van Oorlog, krijgstuchtelijk stond hij onder de commandant der Nederlandse Troepen in Engeland. De taak van het bureau behelsde de afwikkeling van lopende zaken in het Verenigd Koninkrijk en ook de demobilisatie van militairen.

Het bureau was verdeeld in de volgende afdelingen en onderafdelingen:

I afdelinga personeel
b algemene zaken
c juridische zaken
d demobilisatie
e verbindingen
f secretarie en huishoudelijke dienst
g agenda
II afdelinga archief en correspondentie
b bezoldigingen
c boekhouding
d accounting
e kostwinnersvergoedingen
f controleurs militaire administratie
IIIafdeling materieel
IVafdeling bibliotheek

Verder ressorteerden onder bevel van het hoofd van het bureau onder meer het detachement Londen, het detachement Malvern, het detachement Maidenhead en het bureau Londen van het militair gezag.

Reeds op 22 juni werd de samenstelling van de Ie afdeling herzien, en wel als volgt:

  • a personeel;
  • b recrutering en overplaatsing;
  • c juridische zaken;
  • g agenda;
  • k algemene zaken;
  • m verbindingen en bagagediensten;
  • n demobilisatie en rehabilitatie.(

    Inv. nr. 183, verbaal van 22 juni 1945, nr. 26.

    )

De IIIe afdeling, materieel, werd op 1 oktober 1945 opgeheven. Met ingang van 1 november daaropvolgend werden de bureaus transport en administratie van het bureau Londen militair gezag samengevoegd met het bureau Londen ministerie van Oorlog. Op 25 november 1945 werd tijdelijk een afdeling militair gezag opgericht.(

MvD, CAD, het archief van het ministerie van Oorlog te Den Haag, serie ingekomen afschriften van het P-archiefbureau Londen, 1946, 120 P.

) Deze Ve afdeling van het bureau Londen werd met ingang van 1 april 1946 opgeheven.(

Inv. nr. 517, ministeriële beschikking van 30 maart 1946, afdeling Ib nr 9183. (Zie ook inv. nr. 542, nr. 3375.)

)

Per 1 augustus 1946 werd de afdeling IV, bibliotheek, van het bureau Londen opgeheven.(

CAD, archief ministerie van Oorlog te Den Haag, serie ingekomen afschriften van het P-archief bureau Londen, 1946. 511 P.

)

Het bureau Londen van het ministerie van Oorlog te Londen werd bij ministeriële beschikking van 25 april 1947, militair kabinet G nr. 51, op 1 juli 1947 opgeheven.(

Legerorders bevattende de wetten, besluiten, ministerieele beschikkingen, kennisgevingen en mededelingen van belang voor de Koninklijke Nederlandse Landmacht, (voortaan: Legerorders) 1947, nr. 139.

) Bij beschikking van 27 mei 1947, afd I, nr. 19137 werden voorzieningen getroffen om de opheffing te regelen. Zo werden de werkzaamheden van de afdeling Im (verbindingen) overgenomen door de afdeling vervoersregeling van het bureau Londen van de dienst kwartiermeester generaal. Alle overige werkzaamheden van de Ie afdeling van het bureau Londen werden - voor zover nodig - voortgezet in Nederland. Hiermee werd het hoofd van de IIe afdeling van het ministerie van Oorlog te Den Haag belast.

2 Korte hoofdlijnen van de geschiedenis van onder de verantwoordelijkheid van de minister van defensie/oorlog te Londen vallende instanties en de afwikkeling daarvan
2.1 De 1e divisie Koninklijke Marechaussee, vanaf 11 juni 1940 te Engeland

Op 10 mei vertrok de divisie uit 's-Hertogenbosch, op 18 mei verliet men - op last - Nederland. 11 juni kwam de 1e divisie aan in Engeland, te Plymouth. 12 juni werd kamp opgeslagen te Daw-Y-Graig in Porthcawl, 20 oktober verhuisden de marechaussees naar Congleton.

Met ingang van 15 januari 1941 werd het divisieverband bij het naar Engeland overgekomen deel van het Wapen der Koninklijke Marechaussee buiten werking gesteld. Dit ten gevolge van een reorganisatie van het Nederlandse legioen te Engeland. De minister onthief de commandant van de divisie van zijn taak. Het te Londen en elders gedetacheerd personeel van het Wapen der Marechaussee werd samengebracht onder de afdeling politie Marechaussee en werd onder bevel van de Inspecteur der Nederlandse Troepen gesteld. De instructie van de commandant van de politie afdeling werd vastgesteld op 24 januari 1941.

Een deel van het personeel werd geplaatst bij de afdeling Pantserwagens.(

De strijd in Zeeland mei 1940. 's-Gravenhage, 1954) 158-159; W. van den Hoek, Beknopt overzicht van de geschiedenis der Koninklijke Marechaussee. (Apeldoorn, 1964) 99-101, 114-115.

)

2.2 Het instituut militair attaché, 1914-1945

2.2.1 Voorgeschiedenis, 1914-1939

In 1916 werden militaire attachés naar Bern, Parijs en Berlijn gezonden. In afwachting van een definitieve regeling bestond hun voorlopige opdracht eruit een "( ... ) studie te maken van den huidige oorlog in een andere vreemde militaire omgeving."

De chef van de Generale Staf verzocht reeds in 1911 om de benoeming van militaire attachés. Deze werd toen nog geweigerd. Tijdens de mobilisatie van 1914-1919 werd echter een sterk gemis aan goede en betrouwbare strategische en andere militaire gegevens gevoeld. In het mobilisatieverslag van het Algemeen Hoofdkwartier werd daarop onder meer aanbevolen over te gaan tot de benoeming van militaire attachés.(

Algemeen Rijksarchief (voortaan: ARA), de archieven van de Generale Staf: 1914-1940 en de daarbij gedeponeerde archieven (voortaan: GS), mv. nr 997.

)

Bij Koninklijk Besluit (voortaan: KB) van 20 oktober 1917, nr. 80 werd het instituut van militair attaché bij de gezantschappen officieel geregeld.(

ARA, gewoon verbaalarchief Ministerie van Oorlog/Defensie en de daarbij gedeponeerde bescheiden 1813-1945, (voortaan: Oorlog/Defensie gewoon 1813-1945), inv. nr. 4698. "Index". Repertorium 1920, deel A, folio 338 3-4. Ook: archieven GS, inv. nr 3, stukken ms. 2045, 2107 en 2140 en mv. nr. 4, stukken nrs. 2946 en 3597.

) Bovendien werd in dat jaar de instructie voor deze functionarissen vastgesteld.

Bij KB van 8 januari 1921, nr. 44 werd de militair attaché te Parijs ook Brussel als standplaats toegewezen.(

ARA, Oorlog/Defensie gewoon 1813-1945, inv. nr. 4976. verbaal van 26 januari 1921, nr. 118.

)

Tussen 1920 en 1936 had ons land geen militaire attachés gedetacheerd te Berlijn, Parijs en Londen. De Jong verbindt hieraan de opmerking dat de Nederlandse legerleiding bijgevolg de aanvang van de Duitse herbewapening niet door een eigen ter zake kundig waarnemer kon observeren.(

Jong, Koninkrijk., I, 602.

)

Op 4 maart 1936 stelde de minister van Defensie a.i. H. Colijn opnieuw de instructie voor de militaire attachés vast. Volgens deze instructie stonden ze onder bevel van de minister van Defensie en bij de uitoefening van hun werk waren zij ook onderworpen aan de leiding van het hoofd van het gezantschap waar zij geplaatst waren. Hun taak bestond voornamelijk uit "( ... ) het verzamelen van alle gegevens, welke uit militair-, politiek, strategisch, tactisch- of technisch oogpunt voor de Nederlandsche legerleiding van belang ( ... )" konden zijn alsmede "( ... ) ontwikkelingen van het legerstelsel en ( ... ) aan de orde zijnde militaire vraagstukken in het land ( ... )" van hun "( ... ) plaatsing." Daartoe onderhielden zij contacten met militaire en civiele autoriteiten en personen in het land waar zij geplaatst waren.(

ARA, Oorlog/Defensie gewoon 1813-1945, mv. nr. 5072, verbaal van 7 september 1945, nr. 125.

)

Bovengenoemde instructie werd vastgesteld bij de aanvaarding van de functie van militair attaché te Parijs/Brussel van generaal-majoor D. van Voorst Evekink. In 1936 had de militair attaché ook nog een functie te vervullen op het departement te Den Haag. Zijn standplaats bleef dan ook Den Haag.(

ARA., geheim verbaalarchief Ministerie van Oorlog/Defensie, inv. nr. 316, verbaal van 21 augustus 1945, I 9.

)

Op 8 mei 1936 werd te Londen luitenant ter zee der Ie klasse A. de Booy tot marine attaché benoemd, op 1 april 1938 gevolgd door kapitein ter zee J.E. Meijer Ranneft met als standplaats Washington.

In januari 1940 werd Parijs als vaste standplaats aangewezen van de militaire attachés te Brussel en Parijs.

2.2.2 Tweede Wereldoorlog

2.2.2.1 Groot-Brittannië

Voor wat de Koninklijke marine betreft bleef De Booy formeel gezien in functie als marineattaché. Een groot deel van zijn functies - voornamelijk op inlichtingengebied - werd overgenomen door luitenant ter zee der 1e klasse C. Moolenburgh in de functie van adjunct-marineattaché. De Booy hield zich op het Nederlandse marinehoofdkwartier te Londen bezig met liaisonwerkzaamheden.(

Ph. M. Bosscher, De Koninklijke Marine in de Tweede Wereldoorlog. Deel 1. Franeker, 1984, 113.

)

De Koninklijke Nederlandse militaire missie (voortaan: KNMM)(

Voor meer informatie over de instelling en de geschiedenis van de Koninklijke Nederlandse Militaire Missie: Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 / Verslag houdende de uitkomsten van het onderzoek. (Voortaan: PEC) deel 8a en b. Militair beleid 1940-1945 Terugkeer naar Nederland. 's-Gravenhage, 1956. 196-198.

) werd opgericht bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en was oorspronkelijk opgezet als een contactorgaan tussen het Algemeen Hoofdkwartier te Den Haag en de Britse legerleiding.(

Inv. nr. 199, nr. 382.

)
Met de overkomst van de Nederlandse regering naar Londen verloor de missie haar aanvankelijke betekenis en werd het een verbindingsorgaan tussen de Nederlandse minister van Oorlog te Londen en Britse militaire en civiele instanties.

De instructie voor de KNMM was vastgesteld bij KB van 11 september 1941, nr. 10.(

Inv. nr 199, verbaal van 6 september 1941, nr. 11 en inv. nr. 113, verbaal van 15 januari 1942, nr. 10.

) Volgens een anonieme aantekening, gevoegd als bijlage bij een aanbiedingsbrief inzake de Instructie van de KNMM van de Nederlandse minister van Oorlog aan de Inspecteur der Nederlandse Troepen, was het verbindingswerk van de KNMM ten minste gelijk te stellen met dat, verricht door militaire attachés. Het hoofd van de missie werd door de Britten dan ook beschouwd als een militair attaché. Genoemd hoofd trad - in tegenspraak tot zijn instructie - soms ook in contact met andere geallieerde en neutrale landen. Dit aangezien in september 1941 Nederland geen militaire instanties kende om het contact met geallieerde en neutrale militaire vertegenwoordigers te onderhouden. Vandaar dat in voornoemd geschrift werd gepleit voor het aanstellen van "( ... ) een militair Attaché met kleinen staf."

Bij brief van 26 augustus 1942 werd G.J. Sas, toenmalig hoofd van de IIIe afdeling van het departement van Oorlog te Londen, aangewezen als contactpersoon met de militair attaché aan de Amerikaanse ambassade. Bureau D van genoemde IIIe afdeling had onder meer tot taak het onderhouden van "( ... ) contact met geallieerde strijdkrachten." De reserve-2e luitenant G.J. Ankerman was belast met het onderhouden van contact met buitenlandse militaire attachés en liaison-officieren. Nadat via de Politie-Buitendienst van het departement van Justitie een rapport over deze luitenant was binnengekomen van Scotland Yard ontstond er een affaire. De zaak eindigde ermee, dat Sas en Ankerman met ingang van 20 juli 1943 eervol uit hun functies werden ontheven.

Hierop werd met ingang van dezelfde datum generaal-majoor H.J. Phaff benoemd tot militair attaché bij de Nederlandse ambassade bij het Hof van St James, onder gelijktijdige benoeming van majoor L.J.A. Schoonbergen tot adjunct militair attaché bij voornoemd Hof.(

Inv. nr. 312, K 24: brief van Van Lidth de Jeude, in afschrift aan de minister van Oorlog dd. 23 april 1943.

) Schoonbergen was gelijktijdig militair attaché bij de Nederlandse gezantschappen van België, Noorwegen en Polen.(

Inv. nrs. 209 en 213.

)
Phaff werd aangewezen voor het onderhouden van het contact met de Amerikaanse militair attaché bij het Nederlands hof. Schoonbergen werd tevens belast met het onderhouden van contact met militaire attachés van geallieerde mogendheden, waarbij de Nederlandse regering geen militaire attachés geplaatst had.(

Inv. nr. 2335, brief van het ministerie van Oorlog aan hfd bureau OGS, ingekomen 8-10-1943, nr. 281. Met als bijlage de beide instructies, vastgesteld bij MB van 5 oktober 1943, nr. 5.

)

Op dezelfde dag werd de KNMM opgeheven.(

Inv. nrs 141 en 530, verbalen van 4 augustus 1943, nr 9 en 21 juli 1943, nr. 530. Legerorders 1943, nr. 12.

) De missie had volgens een nota van generaal Van der Vijver aan de minister(

Inv. nr. 199, nr. 382

)
haar betekenis geheel verloren en gaf uit Nederlands oogpunt alleen bezwaren. Er waren buiten de missie om contacten gegroeid, de missie veroorzaakte tijdverlies en men vreesde dat na het vertrek van Phaff de resterende missieleden te veel aan de leiband van de Engelsen zouden lopen.

In mei 1944 werd een militair attaché van de Nederlandse regering benoemd bij het Franse Comité voor Nationale Bevrijding.(

Inv. nr. 181, verbaal van 23 mei 1944, nr. 14.

)

2.2.2.2 Verenigde Staten

Voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was in de Verenigde Staten slechts een marineattaché geaccrediteerd. Vanaf 1 april 1938 was J.E. Meijer Ranneft(

Het instituut Maritieme Historie beheert in afschrift het dagboek van Meyer Ranneft als marinettaché te Washington, 1938-1947. Het is opgenomen in de collectie WO II onder nummer Ec-1.

) werkzaam als marine attaché bij het Nederlands gezantschap te Washington.(

KB van 22 maart 1938, nr. 4.

)

In zijn instructie(

Voor een afschrift van deze instructie: CAD, het archief van de bevelhebber der Zeestrijdkrachten / ministerie van Marine, zeer geheim 65/9 1943.

) stond dat hij onder bevel stond van de minister van Defensie. Op 27 juli 1941 werd te Londen (opnieuw) een ministerie van Marine ingesteld en trad de marineattaché (opnieuw) op als vertegenwoordiger van de minister van Marine te Washington.

Gedurende de oorlog groeide het aantal Nederlandse militaire vertegenwoordigers in de Verenigde Staten snel en werd de behoefte gevoeld aan een centrale organisatie en coördinatie. Vandaar dat ambassadeur Loudon voorstelde over te gaan tot de instelling van een militaire missie in de Verenigde Staten.(

Inv. nr. 203.

) Van deze missie zouden deel uitmaken:

de marineattaché, de militair attaché, het hoofd van het rekruteringsbureau en de hoofden van de technische adviesbureaus. De militaire missie zou onder bevel van de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten komen staan. De missie zou onder leiding van een vlag- en opperofficier staan, die zouden worden aangewezen door de regering te Londen. Deze twee officieren zouden ook de regering vertegenwoordigen in het Combined Chiefs of Staff Committee.

In een nota van de minister van Koloniën aan zijn collega van Algemene Oorlogsvoering van het Koninkrijk, welke zich in afschrift bevindt in het archief van het ministerie van Defensie/Oorlog te Londen, wordt een helder beeld geschetst van de verschillende militaire groepen en autoriteiten die gedurende de Tweede Wereldoorlog actief waren in de Verenigde Staten, alsmede van hun taakstelling.(

Inv. nr. 205.

) Generaal-majoor Dijxhoorn en schout-bij-nacht Stoeve waren gedelegeerd bij de Combined Chiefs of Staff (voortaan: CCOS). Hun taak bestond uit het behartigen van de Nederlandse belangen bij de CCOS nopens de oorlogsvoering in grote lijn alsmede het verkrijgen van inlichtingen.(

CAD, het archief van de bevelhebber der Zeestrijdkrachten / ministerie van Marine, zeer geheim, 45/4 1945.

)
Dijxhoorn hield zich verder bezig met het rekruteren van Nederlandse dienstplichtigen. Hiertoe had hij de beschikking over een bureau rekrutering.

De marine- en militair attaché hielden zich respectievelijk bezig met het bestuderen van de militair-politieke toestand in de Verenigde Staten op maritiem en legergebied.

In een brief van 23 juni 1943 aan de minister van Marine(

Inv. nr. 157 (dossier AA/5/A: Jf-22-3).

) geeft de marineattaché een overzicht van de werkzaamheden op zijn bureau. Zo behartigde hij de belangen van marinepersoneel in de Verenigde Staten, gaf hij voorlichting op maritiem gebied, verzamelde inlichtingen en onderhield contact met vele instanties.

De Nederlandsche Aankoop Commissie/Netherlands Purchasing Commission behartigde de centrale aankoop van goederen voor het Nederlandse leger en marine alsmede het Indische leger.

De regering besliste uiteindelijk dat het in diverse rapporten en nota's geconstateerde gebrek aan coördinatie(

Daarnaast speelde persoonlijke generositeit een rol. De militair attaché Weijerman, volgens de verslagen en rapporten van de Enquêtecommissie "een zeer eigenaardig figuur" en "geen gemakkelijk mens om mee om te gaan" weigerde zijn medewerking aan de regeringsvertegenwoordigers bij de CCOS.

) tussen de diverse instanties diende te worden opgelost door het instellen van een militaire commissie(

Commisie in plaats van Missie. De naam Militaire Missie zou immers de -onjuiste- indruk kunnen wekken dat hier sprake was van een nieuw orgaan, terwijl het juist de bedoeling was een coördinerend en informerend orgaan te creëren dat de in Amerika aanwezige officieren optimaal wilde laten samenwerken. (CAD, het archief van de bevelhebber der Zeestrijdkrachten / ministerie van Marine, Zeer geheim 114, 1942/1943, 65, 1943.)

)
Washington. Deze trad niet naar buiten en bestond uit de beide regeringsvertegenwoordigers bij de CCOS, de militair en marineattachés en de overige daarvoor in aanmerking komende regeringsvertegenwoordigers .(

Inv. nr. 208. Brief van de secretaris van de ministeriële commissie oorlogsvoering aan de minister van Oorlog inzake een telegram aan de ambassadeur te Washington. Met bijlage. 1943. Over deze materie zie ook: PEC,. deel 8 a en b, pag 325-336.

)
Dat dit evenwel een niet geheel bevredigende oplossing was blijkt uit de conclusie van de Enquêtecommissie 1940-1945. Deze stelt dat de voornoemde commissie nooit een succes is geworden.

De militaire attachés hielden zich tijdens de Tweede Wereldoorlog eveneens bezig met het rekruteren van dienstplichtigen buiten bezet Nederland.(

Inv. nr. 1013 bevat de aanwijzing t.b.v. de met recrutering belaste consulaire ambtenaren en officieren. Voor een inleiding en overzicht van de recrutering in Canada en de V.S. zie: PEC, deel 8 a en b, Bijlage 1-7.

)

Op 9 september 1940 verstrekte de minister van Defensie aan luitenant-kolonel Sas de taak om dienstplichtigen in Canada en de Verenigde Staten op te roepen en vervolgens een basisopleiding te geven en ze daarna naar Engeland te sturen. Hiertoe werd in Canada te Ottowa de Nederlandse militaire missie gevestigd. Eind 1940 begaf Sas zich naar de Verenigde Staten om een begin te maken met de rekrutering aldaar. In december 1940 werd in New York een registratiebureau gevestigd dat onder leiding stond van M.J. Schreven als consul-generaal in buitengewone dienst.(

Voor de richtlijnen inzake de registratie van vrijwilligers en dienstplichtigen in de VS zie inv. nr. 1023.

) Op 6 maart 1941 werd te Chicago een tweede bureau geopend. Dit bureau werd opgeheven op 15 oktober 1942. Gezien het groot aantal Nederlanders dat woonachtig was in het westen van de Verenigde Staten werd begin mei 1941 besloten ook registratiebureaus te openen te San Fransisco en Los Angeles. Deze werden respectievelijk opgeheven 1 november 1942(

Volgens het verslag van de Enquêtecommissie werd dit bureau opgeheven 1 november 1943 (Deel 8 a en b. bijlage I, pag 13). Echter, een brief van de heer Droste van het Registratiebureau Los Angeles aan de Consul Generaal te San Francisco inzake ( ... ) de opheffing per 1 november as.( ... ) (inv. nr. 130) is gedateerd 25 oktober 1932. Waarschijnlijk is hier bedoeld 1942. Gezien het feit dat ten gevolge van Amerikaanse regeringsmaatregelen op het gebied van recruteringen, de recrutering met ingang van 1 augustus nog slechts op zeer beperkte voet zou voortbestaan, moet de opheffing zeer waarschijnlijk geplaatst worden in het jaar 1942. Extra aanwijzing is de brief van 28 december 1942 aan de Nederlandse ambassade, waarin door het hoofd der Registratie een lijst wordt aangeboden van het personeel der Registratie-organisatie in de VS. In de bijlage wordt alleen gewag gemaakt van personeel te New York (inv. nr. 1035).

)
en 21 juni 1942. Zowel de registratiebureaus Chicago, San Fransisco als Los Angeles waren ondergeschikt aan New York.

De belangrijkste taak van de afdeling militair bureau van het consulaat-generaal te New York bestond uit het verrichten van werkzaamheden die voortkwamen uit de demobilisatie van de in de Verenigde Staten opgeroepen militairen. Daarnaast hield men zich bezig met de uitvoering van de kostwinnersvergoeding.(

Inv. nr. 3015.

)

Verder waren in de Verenigde Staten actief officieren van handelsbescherming te New York, San Fransisco en New Orleans.(

Het CAD beheert de archieven van het Hoofd Handelsbescherming te New York, 1941-1945, de Handelsbeschermings officier (HBO) te Halifax, 1942-1945, te San Fransisco, 1941-1946, Colon in Panama, 1940-1944, New York, 1941-1945 en New Orleans, 1942-1945. Inventaris nr. 111. Voor meer gedetailleerde gegevens inzake de organisatie en instructies van HHB en HBO's verwijzen we naar deze archieven.

) De handelsbescherming werd ingesteld door de commandant Zeemacht in mei 1940.(

CAD, het archief van het Hoofd Handelsbescherming (voortaan: HHB) te New York, 1941-1945. dossier K 1/5.

)
Zij waren onder meer belast met:

" ( ... ) het behandelen van Nederlandsche koopvaardij-aangelegenheden, welke verband houden met den oorlogstoestand en dus niet tot de rechtstreekse en gebruikelijke werkzaamheden van de Consulaire Ambtenaren behoren. Zijn taak omvat ( ... ) een nauwgezette controle op de geheimhouding van codes, scheepsbewegingen en -berichten en andere geheime gegevens."(

Het archief van de Handelsbeschermingsofficieren zal worden opgenomen in de verzame1inventaris van de archieven van de het ministerie van Marine te Londen en de afwikkeling daarvan, alsmede onder de verantwoordelijkheid van deze minister vallende instanties.

)

In de instructie van de handelsbescherming officier (voortaan: HBO) lezen we dat deze benoemd werd door de minister van Marine dan wel het hoofd Handelsbescherming (HHB). Deze was tevens lid van de Nederlandsche Missie voor Economische, Finantieele en Scheepsaangelegenheden te Washington. De in verscheidene havens geplaatste HBO's stonden onder zijn bevel.(

CAD, archief HHB te New York, dossier K 1 B/16.

)

Het Wervingskantoor New York Vrouwenkorps Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger werd kort na de oprichting van dit korps (5 maart 1944) geopend. In de loop der tijd werd het wervingskantoor onderdeel van de Legerafdeling van de Netherlands Purchasing Commission te New York.

2.2.2.3 Canada

(

Voor een uitvoerige beschrijving van de organisatie van de rekrutering in Canada, zie: PEC, deel 8a pag,53-65.

)

Op 2 september 1940 werd de instructie van het hoofd van de militaire missie Canada vastgesteld.(

Inv. nr. 97, verbaal van 2 september 1940, nr.l.

)

Luitenant-kolonel G.J. Sas werd op 6 september 1940 benoemd tot hoofd van de militaire missie en bovendien tot commandant van de Nederlandse troepen, kapitein, later majoor W.T. Matste tot chef-staf.

Het doel van de missie in Canada was het voorbereiden, het onder de wapenen roepen en naar Engeland sturen van in de Verenigde Staten en in Canada wonende dienstplichtige Nederlanders.(

Naar aanleiding van het besluit van 8 augustus 1940, nr. 10 A. Hierbij werden alle Nederlanders, geboren tussen 1 januari 1904 en 1 januari 1921, die woonden in Groot Brittannië, Noord Ierland, de VS en Canada voor zover ze nog niet in werkelijke dienst waren, dienstplichtig.

) Dit om de in Engeland aanwezige Nederlandse Troepen te versterken. In Canada werd een vooropleiding van twee maanden gegeven, welke in Engeland werd voltooid.

Het hoofd van de militaire missie te Canada had onder zijn bevelen:

  1. het detachement Nederlandse troepen;
  2. intendance diensten;
  3. de medische dienst;
  4. het bureau van de officier van administratie;
  5. het recruteringsbureau Canada.

Tevens stond het registratiebureau militaire aangelegenheden te New York onder zijn bevel.

Op 8 januari 1941 werd de Prinses Juliana kazerne te Stratford in gebruik genomen om de onder de wapenen gekomen dienstplichtigen te legeren.

Op 20 januari 1941 arriveerde generaal-majoor A.Q.H. Dijxhoorn te Washington. Hij was vanwege de minister van Oorlog geïnstrueerd ter zake de reorganisatie van de rekrutering in Canada en de Verenigde Staten.

Op 12 februari 1942 werd luitenant-kolonel G.J. Sas ontheven van zijn functie als hoofd van de militaire missie en commandant van de Nederlandse troepen in Canada. Majoor W.Th. Carp volgde hem op als commandant Nederlandse troepen in Canada en werd tevens tijdelijk belast met de waarneming van de functie van hoofd militaire missie in Canada.

Op 1 augustus 1942 nam Carp tevens de rekrutering in de Verenigde Staten over van de consul-generaal Van Schreven, die tot dan de leiding had gevoerd over het registratiebureau te New York.

In oktober 1942 verhuisden de troepen van Stratford naar Guelph. Hieraan lag een bezuiniging ten grondslag. Minder dienstplichtigen kwamen op dan verwacht, men moest naar een kleiner en goedkoper onderkomen omzien.

De liquidatie van het kamp te Guelph was op 25 oktober 1943 voltooid.(

PEC, 8a en b., Bijlage 1.

) Eind 1943 werden de Nederlandse militaire missie Canada en de functie van commandant der Nederlandse troepen in Canada opgeheven. Administratieve zaken zoals rekrutering en kostwinnersvergoedingen werden voortaan afgehandeld door het militair bureau van het consulaat-generaal te Montréal.

Militair bureau van het Nederlands consulaat-generaal te Montréal

Na de opheffing van de Nederlandse militaire missie Canada en van de functie van commandant van de Nederlandse Troepen in Canada werden de administratieve handelingen van die twee instanties, zoals correspondentie inzake de rekrutering et cetera voortaan door dit bureau geregeld.

2.2.2.4 Zwitserland

(

Voor meer informatie over het ontstaan en de betekenis van de verbinding tussen Londen en het bezette gebied via Zwitserland zie PEC, deel 4A, hoofdstuk VII.

)

Op 19 april 1940 vestigde generaal-majoor A.G. van Tricht zich als militair attaché bij het gezantschap der Nederlanden te Rome. Echter, reeds op 13 juni diende hij zijn standplaats Rome, samen met de andere leden van de Nederlandse legatie alweer te verlaten in opdracht van de Italiaanse regering.(

Brief van de militair attaché aan de minister van Defensie. Afschrift. 1940. Inv. nr. 1282.

) Hij reisde daarop naar Lausanne en vestigde zich te Bern als militair attaché.

In 1941 arriveerden de eerste vluchtelingen uit Nederland in Zwitserland. Velen van hen waren joden, een ander deel Nederlanders die probeerden via Zwitserland naar Nederlands-Indië of Engeland te vertrekken (via Spanje en Portugal) om zich daar aan te sluiten bij het Nederlandse leger.

Van Tricht fungeerde onder meer als tussenpersoon tussen de Nederlandse Orde Dienst en de regering in ballingschap te Engeland. Ook was hij actief als organisator van het doorsturen - via Spanje en Portugal - van in Zwitserland gearriveerde vluchtelingen naar Engeland of Nederlands-Indië.

Tevens had Van Tricht de leiding van bureau Bern van het bureau inlichtingen (BI).(

F.A.C. Kluiters. De Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten. 's-Gravenhage, 1993.72.

) In deze hoedanigheid was hij echter niet in dienst van BI, daar hij bleef ressorteren onder het gezantschap te Bern.(

Inv. nr. 2690 (11 maart 1946).

)

Verder was Van Tricht beheerder van het fonds Katz. Dit fonds stelde zich ten doel

"( ... ) het verstrekken van (geldelijke) steun aan in Zwitserland verblijvende niet-Nederlanders, die ( ... ) door geboorte of langdurig verblijf in Nederland als aan Nederland geassimileerd kunnen worden beschouwd en die daarover een morele aanspraak op Nederlandsche hulp kunnen maken gedurende hun verblijf in Zwitserland ( ... )"

Het fonds was genoemd naar een belangrijke donateur, N. Katz. Verder werd het fonds later nog ondersteund door het Comité Oecuménique des Eglises en het American Joint Distribution Committee.

Op 20 november 1942 werd de afdeling Vluchtelingen van het gezantschap der Nederlanden te Bern geopend. Deze afdeling verstrekte materiële en morele steun aan Nederlandse vluchtelingen en hield toezicht op hen. Hiertoe beschikte de afdeling Vluchtelingen over een personenregister. De militair attaché was tot 1 april 1943 verantwoordelijk voor de financiële administratie van de vluchtelingenzorg. Na deze datum ressorteerde de afdeling Vluchtelingen onder het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Vluchtelingen met de Nederlandse nationaliteit die niet zelf in hun onderhoud konden voorzien kregen van de regering een voorschot, terug te betalen na beëindiging van de oorlog, ter derving van hun onderhoudskosten. Voor militairen gold een aparte regeling.

Vluchtelingen welke geschikt waren voor arbeid moesten in een kamp worden ondergebracht en tewerkgesteld worden. Er werden daartoe in de loop der tijden verschillende opvangmogelijkheden in Zwitserland gecreëerd.

Kamp (Arbeitslager) Cossonay -opgericht 26 mei 1942- was een camp de travail pour émigrés en herbergde omstreeks 150 Nederlandse vluchtelingen. Het was een werkkamp waar moeras werd drooggelegd. Aanvankelijk was het kamp een succes maar gaandeweg ontaardde het tot een wanorde en chaos - vanwege een "( ... ) gebrek aan discipline en gebrek aan saamhorigheidsgevoel ( ... )" waarop het in juni 1943 werd opgeheven door de Zwitserse autoriteiten. De bewoners werden overgeplaatst naar het Arbeitslager für Internierte Les Verrières en Tramalan.

In het kamp Les Verrières, 800 meter van de Franse grens gelegen, waren 120 Nederlanders, 20 Engelsen en 20 Belgen ondergebracht. Het kamp werd naar analogie van de weersomstandigheden ook wel "La Sibérie de la Suisse" genoemd. Het was er 's winters zeer koud en 's zomers erg warm.

Kamp Les Enfers herbergde in juli 1944 120 Italianen, 27 Nederlanders en één Engelsman. Vluchtelingen werden hier bezig gehouden met het graven van geulen voor de aanleg van een drainage-systeem. Hierbij dient te worden aangetekend dat de grond kleiachtig en moerassig was en het kamp op zo'n 1000 meter hoogte lag. Les Enfers werd geliquideerd eind november 1944. Vluchtelingen welke hier verbleven werden overgeplaatst naar Les Verrières.

Het camp civil de travail Jeunesse La Brasserie te Aigle was, zoals de naam het al zegt een tijdelijk jongeren-werkkamp waar vluchteling-studenten verbleven. Deze waren tijdens hun 'vakantie' in principe verplicht arbeidsdienst te verrichten (90 dagen per jaar). Het kamp werd in juli 1944 geopend en eind september 1944 al weer opgeheven.

Ook werden in 1942 hotels gehuurd om vluchtelingen in onder te brengen (de zogenaamde hotelkampen), zoals Hotel des Narcisses te Chamby, hotel Beau-Site te Baugy en in 1943 Grand Hotel te Mont-Pélerin. Deze waren bedoeld om scheiding van echtparen te voorkomen.

Voor meer informatie over de verscheidene andere kampen wordt verwezen naar inventarisnummers 1325-1343.

Zo'n veertig vluchtelingen-studenten die hun universitaire studie in Nederland (al dan niet verplicht) hadden onderbroken mochten deze onder strikte bepalingen voortzetten aan een Zwitserse universiteit.

In Zwitserland verblijvende Nederlandse mannen geboren tussen 1 januari 1904 en 1 januari 1927 werden van regeringszijde dienstplichtig verklaard. Ze werden niet in werkelijke dienst opgeroepen.

Blijkens een diverse rapporten en verklaringen was de verstandhouding tussen Zwitserse autoriteiten en de Nederlandse vluchtelingen enerzijds, en Van Tricht anderzijds niet goed.(

Inv. nr. 275, nr. 699.

) Echter, de minister van Oorlog zag in deze feiten geen reden om generaal-majoor Van Tricht terug te roepen van zijn post. Vooral zijn belang voor bureau inlichtingen woog zwaar.(

Inv. nr. 275, nr. 758.

)

Begin april 1945 werd Van Tricht overgeplaatst als militair attaché naar Washington en werd hij vervangen door luitenant-kolonel J.W. Stoutjesdijk met als adjunct majoor J.G. van Niftrik.

Het bureau van de militair attaché van het gezantschap der Nederlanden te Bern werd opgeheven op 15 februari 1946.

Op 1 november 1945 werd Niftrik eervol ontslag verleend uit militaire dienst. Dit gebeurde onder gelijktijdige ontheffing van zijn detachering bij bureau inlichtingen en als adjunct-militair attaché, beide te Bern. Hij werd belast met de finale afwikkeling van alle aangelegenheden dienaangaande.(

Inv. nr. 2691, minuut van uitgaande brief van 2 oktober 1945 aan J.G. van Niftrik.

)

2.2.3 Na de Tweede Wereldoorlog

In juni 1945 werd een nieuwe instructie voor de militair attaché te Parijs vastgesteld. In essentie week deze niet af van eerdere instructies.(

ARA, Oorlog/Defensie gewoon 1813-1945, inv. nr. 5072, verbaal van 7 september 1945 nr. 125.

) De generaal-majoor en chef van de Generale Staf Dijxhoorn had moeite met de instructie, daar de attachés niet onder zijn gezag waren geplaatst. Aangezien de militaire attachés een belangrijke bron van inlichtingen waren dienden deze naar zijn mening onder zijn staf te ressorteren. Hij ontwierp een alternatieve instructie.(

ARA, geheim verbaalarchief MvO/D 1914-1945, inv. M. 318, verbaal van 16 oktober 1945 nr. U 29.

)

2.3 Bureau Inlichtingen

2.3.1 Algemeen

2.3.1.1 Oprichting en taak

Bureau inlichtingen (voortaan: BI) werd opgericht bij Koninklijk Besluit van 28 november 1942 nr. 1 onder gelijktijdige opheffing van de rechtsvoorganger, de centrale inlichtingendienst. BI ressorteerde onder de minister van Oorlog.

BI had tot taak het

"( ... ) inwinnen, verzamelen en doorgeven ter bevoegde plaatste van alle inlichtingen, welke van belang zijn voor de handhaving van de rust en veiligheid van het Koninkrijk, de oorlogsvoering en de daaruit voortvloeiende deelneming aan de geallieerde oorlogsvoering alsmede voor de voorbereiding tot het heroveren van het Nederlands grondgebied en het herstel en behoud van het wettig gezag daarover."

In artikel 3 van de instellingsbeschikking werden de taken nog eens nader toegelicht:

  • "a) het inwinnen, verzamelen en doorgeven van alle inlichtingen op politiek en economisch terrein, verband houdende met de huidigen toestand en de voorbereiding van den terugkeer van de Regeering of het door of namens de Regeering uitgeoefend gezag;
  • b) het verleenen van medewerking tot het inwinnen van inlichtingen op militair terrein, verband houdende met huidige en toekomstige acties in de bezette gebieden of acties daarmee samenhangende, zulks op aanwijzing van en in overleg met het hoofd van het Bureau militair Voorbereiding terugkeer;
  • c) het bevorderen van de evacuatie van krijgsgevangenen, dienstplichtigen en militaire vrijwilligers en vluchtelingen, voor zover deze niet geregeld wordt door de Diplomatieken Dienst en door de organisatie van het Roode Kruis;
  • d) het organiseren en leiden van de uitzending van personen voor het uitvoeren van bijzondere opdrachten of voor het overbrengen van berichten aan personen, lichamen e.d. in het bezette gebied."

Met de leiding van BI werd de reservemajoor H.G. Broekman belast.(

KB van 28 november 1942, nr. 2.

)

In samenwerking met de Engelse zusterdienst, de Secret Intelligence Service, werd een opleidingsschool voor agenten opgezet. Agenten werden gerekruteerd uit de Engelandvaarders.

Een belangrijke taak van de agenten was het opzetten van koerierslijnen van Nederland via Zwitserland naar Spanje en rechtstreeks van Nederland via Frankrijk naar Londen. Verder werden radiotelegrafisten opgeleid en uitgezonden naar bezet Nederland. Deze werden gedetacheerd bij verzetsorganisaties. Via deze twee communicatielijnen werd informatie uitgewisseld tussen bezet Nederland en de regering in Londen.

Op 26 juli 1943 werd Broekman op eigen verzoek - het KB spreekt van gezondheidsproblemen - eervol ontheven uit zijn functie. Hij werd opgevolgd door majoor dr. J.M. Somer.(

KB van 26 juli 1943, nr. 4.

)

Op 5 augustus 1943 werd de uitvoering van de taken van het hoofd van BI nader geregeld in een instructie. Volgens deze instructie droeg hij zorg voor het ontvangen en uitzenden van alle geheime

berichten, afkomstig uit en bestemd voor het bezette gebied in Europa.(

Inv. nr. 214, P nr. 570.

)

In een memorandum van 25 december 1944 schetst het latere hoofd van BI Brussel, H. Speyer, de coördinatie, de taakverdeling van de activiteiten - feitelijk, de inzet van de middelen welke BI op dat moment ter beschikking stonden - tussen de verschillende vertegenwoordigingen van BI te Europa.

Londen diende in deze opzet te zorgen voor de opleiding van agenten welke vervolgens door bureau Eindhoven zouden worden uitgezonden. Verkregen inlichtingen werden door Eindhoven verwerkt en doorgespeeld aan Londen. BI Eindhoven vergaarde inlichtingen door telefoonverbindingen, koeriers, via zenders en via de filialen Nijmegen(

BI Nijmegen werd opgericht oktober/november 1944, was gevestigd in het gebouw van de St Anna Stichting aan de Groesbeekseweg en stond aanvankelijk onder leiding van lt. G.A. Jansen op de Haar. Bij oprichting kende het bureau op papier 4 afdelingen (militaire, civiele (politieke) en economische inlichtingen en contra-spionage). In de praktijk hield men zich alleen met het vergaren van militaire inlichtingen bezig, en dan nog alleen op vraag van bureau Eindhoven op verzoek van de geallieerden. In december werd de leiding overgenomen door kapitein A. van Sluiters. Deze bleef deze taak vervullen tot 1 april 1945, toen hij op eigen verzoek eervol van zijn functie werd ontheven. Jansen op de Haar werd wederom belast met de waarneming van het commando van BI Nijmegen. In dezelfde maand viel het aantal werkzaamheden van de dienst te Nijmegen sterk terug. Dit ten gevolge van het opschuiven van het front en het terugroepen van BI-personeel uit Duitsland. Toch werd het bureau nog niet direct opgeheven. Zo bleven de personen die het radiostation van het bureau bedienden in dienst, evenals het voormalig hoofd. lt. G. Jansen op de Haar, die weer, zij het als waarnemer terugkwam in deze functie na het vertrek van kapitein A. van Sluiters. (Inv. nrs. 2697 en 2690, minuut van brief 2 april 1945.)

) en Maastricht.

Stockholm diende zich bezig te houden met het verkrijgen van gegevens uit Duitsland, in het bijzonder uit het noorden en midden van Duitsland alsmede de Oostzeehavens, Hamburg en Bremen. Deze informatie kon worden verkregen via koerierslijnen.

Zwitserland had als werkterrein het zuiden van Duitsland. De bureaus BI werkten autonoom, maar in samenwerking met buitenlandse, geallieerde zusterdiensten. Er vond een intensieve kennisoverdracht tussen de verschillende vertegenwoordigingen plaats.(

Inv. nr. 2696.

)

2.3.1.2 Opheffing

Bij de oprichting van de buitenlandse inlichtingendienst op 16 februari 1946 werd het KB inzake de oprichting van BI ingetrokken.

Bij ministeriële beschikking van 6 maart 1946 werd een voorstel om een afwikkelingsbureau BI in te stellen goedgekeurd. Het werd gevestigd aan de Laan van Hoogwolde 2 te Wassenaar en ging zich bezighouden met de bewerking van de archieven van BI.

Officieel werd BI - dat op 23 februari 1946 onder bevel werd gesteld van de Generale Staf - op 1 april opgeheven onder gelijktijdige oprichting van afwikkelingsbureau BI.(

Inv. nr. 2714, brief van het ministerie van Oorlog van 13 maart 1946, MK 426.

)

Op 1 mei 1946 daaropvolgend kreeg Somer eervol ontslag als hoofd BI en werd aangesteld als hoofd van het afwikkelingsbureau BI.

Voor de geschiedenis van BI Bern zie Het instituut militair attaché, Zwitserland op pagina - I: 21 -.

2.3.2 BI Eindhoven, vanaf 14 mei 1945 BI Wassenaar, met ingang van 1 april 1946 BI der Nederlandse regering in afwikkeling, vanaf 1949/1950 bureau belast met de behartiging van de belangen van het voormalig BI

BI Eindhoven werd opgericht op 8 oktober 1944.(

Inv. nr 2695.

)

Direct na de oprichting van BI Eindhoven kwam van Britse en Amerikaanse zusterdiensten het verzoek om mee te werken aan het inwinnen van militaire inlichtingen in Duitsland. In de instructie van BI stond als werkgebied echter omschreven het bezette gebied, dat is Nederland. Somer besprak dit probleem met de minister van Oorlog, waarin hij voorstelde dat BI Eindhoven agenten door de linies kon uitzenden of zou kunnen detacheren bij Britse of Amerikaanse legeronderdelen, die binnen korte tijd, zo was de verwachting in oktober 1944, in Duitsland zouden opereren. Somer vroeg de minister om uitsluitsel.(

Inv. nr. 2704.

)

Op 11 november 1944 vervoegde zich kapitein-luitenant ter zee M. Schoo zich bij Somer teneinde te overleggen over de informatievoorziening van BI aan het ministerie van Marine inzake marine- en scheepvaartaangelegenheden in bezet Nederland. Genoemd ministerie beklaagde zich dat het deze gegevens - hoewel toegezegd - niet ontving. Afgesproken werd, dat een vertegenwoordiger van de Koninklijke marine bij BI Eindhoven werd gedetacheerd om deze berichtgeving te gaan verzorgen.(

Inv. nr 2701.

)

De standplaats van BI Eindhoven werd op 14 mei 1945 verplaatst naar Huize Maarheeze aan de Rijksstraatweg nr. 675 te Wassenaar.(

Inv. nr. 2681.

)

Taken: wat betreft de dienst op Duitsland:

  • het rekruteren van agenten;
  • het verwerven van schuiladressen en steunpunten in Duitsland voor agenten;
  • het verkrijgen van verblijfsdocumenten benodigd in Duitsland.(

    Inv. nr. 2689, brief van 24 januari 1945.

    )

Afwikkeling

Op 1 april 1946 werd op het adres Laan van Hoogwolde 2 te Wassenaar het BI der Nederlandsche regering in afwikkeling ingesteld.

2.3.3 De vertegenwoordiger van BI Maastricht, 1944-1945

Na de bevrijding van Zuid-Nederland werd in oktober 1944(

Inv. nr. 2663. De precieze oprichtingsdatum is niet bekend. In de depotinventaris van het CAD wordt als oprichtingsdatum 1 oktober 1944 genoemd.

) in Maastricht de vertegenwoordiging BI ingesteld. Luitenant W. Lak werd belast met de dagelijkse leiding van het bureau.

Het bureau hield zich voornamelijk bezig met het ondervragen van repatriërende Nederlanders in de opvangkampen, om zodoende gegevens te verkrijgen over het nog niet bevrijde gedeelte van Nederland.

BI Maastricht werd met ingang van 1 april 1945 opgeheven.(

Inv. nr. 2690. Minuut van uitgaande brief 2 april 1945.

) Met de afwikkeling werd 2e luitenant W. Lak belast.

2.3.4 De vertegenwoordiging van de centrale inlichtingendienst te Lissabon, voortgezet als bureau Lissabon van het bureau inlichtingen, voortgezet als bureau Lissabon van de buitenlandse inlichtingendienst, 1941-1949

2.3.4.1 De vertegenwoordiging van de centrale inlichtingendienst te Lissabon, begin 1941 - 28 november 1942

Medio 1940 werd mr H. Maas Geesteranus benoemd tot correspondent te Portugal van enkele periodieken. Begin 1941 werd hij vertegenwoordiger van de centrale inlichtingendienst te Lissabon.(

Kluiters. Veiligheidsdiensten, 375. Jong, Koninkrijk; IX, 532, 851.

) In september 1942 werd Maas door de gezant aangesteld als honorair attaché. Zo kreeg hij een diplomatieke status, echter zonder het gezantschap in gevaar te brengen ten gevolge van zijn werkzaamheden.(

Inv. nr. 2880. brief van 29 september 1942.

)

2.3.4.2 Bureau Lissabon van het bureau inlichtingen, 28 november 1942 - 1 april 1946

Dit bureau was de directe rechtsopvolger van de in de vorige alinea genoemde instantie. Bureau Lissabon van het BI was gehuisvest in het gebouw van de Nederlandse legatie aldaar.

Reeds op 8 juli 1944 stelde kap mr C.W.L. Fock een memorandum op betreffende naoorlogse vermogensvlucht en de vlucht van oorlogsmisdadigers alsmede landverraders naar neutrale landen. In deze nota beschreef hij dat Portugal vermoedelijk een aantrekkelijk alternatief zou zijn voor betrokkenen. Hij concludeerde, dat het in Portugal aanwezige Nederlands diplomatieke personeel niet het meest aangewezen personeel was om de mogelijke opsporing van oorlogsmisdadigers en landverraders in Portugal op zich te nemen. Hij gaf in overweging personeel van BI - dat wel capabel was deze taak uit te voeren, na afloop van de oorlog met deze taak te belastten. Aangezien genoemde taak onder de competentie van een ander ministerie viel, zou de Nederlandse dienst te Lissabon ook onder desbetreffend ministerie geplaatst moeten worden.(

Inv. nr. 225, P-nr. 1123.

)

Hierop bepaalde de minister van Oorlog in oktober 1944 dat bureau Lissabon gedeeltelijk ter beschikking zou worden gesteld van het ministerie van Justitie. Onder de naam Safehaven - waaronder werd verstaan het opsporen en achterhalen van door de vijand naar Portugal geloodste vermogens - kwam een deel van het bureau rechtstreeks onder Justitie te vallen, terwijl de kosten gelijkelijk gedeeld werden door beide betreffende ministeries.

Op 25 november 1944 besloot de minister van Oorlog de kantoren van BI te Lissabon en Madrid voorlopig op te heffen. Aan de hoofden van beide diensten werd opdracht gegeven zich zo spoedig mogelijk in Londen te melden.(

Inv. nr. 248, P-nr. 2281.

)

Waarschijnlijk omstreeks augustus 1945 werd het bureau weer opgericht. Ingaande 1 februari 1946 kwam bureau Lissabon weer volledig onder BI te ressorteren. Op 1 april daaropvolgend werd het bureau officieel opgeheven.(

Kluiters. Veiligheidsdiensten; 76-77.

)

Met de leiding van BI Lissabon waren achtereenvolgens belast:

  • mr H. Maas Geesteranus tot 18 november 1943;
  • res kap mr C.W.L. Fock 19 november 1943 - 31 augustus 1944;
  • tijd res elt C.R. van Brink 1 september 1944 - januari 1945 en waarschijnlijk 1 augustus 1945 - 31 maart 1946

2.3.4.3 Bureau Lissabon van de buitenlandse inlichtingendienst, 1 april 1946 - maart 1949

In feite werd met ingang van 1 april 1946 - de dag waarop BI Lissabon werd opgeheven - dit bureau overgenomen door de buitenlandse inlichtingendienst.(

Inv. nr. 2959, ingekomen brief nr. 1602 GL.

) Tot hoofd van het bureau werd benoemd C.H. van Brink. Feitelijk werd dus de bestaande situatie gecontinueerd. Na het vertrek van Van Brink - gezien de brievenboeken, moet dit zijn geweest maart 1949, aangezien de correspondentie dan op houdt en de dossiers worden overgedragen aan de gezantschappen te Madrid respectievelijk Lissabon - werd het bureau opgeheven.

2.3.5 De vertegenwoordiger van bureau inlichtingen te Madrid, ook wel bekend als de Nederlandsche Dienst in Madrid, 1943-1945, en de buitenlandse inlichtingendienst, post Madrid, 1947-1950

2.3.5.1 Instelling

Op 29 december 1943 gaf de minister van Oorlog goedkeuring tot het instellen van een vertegenwoordiging van BI te Madrid.(

Inv. nr. 315, K 189.

) Tot hoofd van dit bureau werd benoemd reservekapitein E. Hertzberger. Aan deze officier werd toegevoegd de korporaal W.G.P. van der Heyden, welke onder andere werd belast met codewerk.(

Inv. nr. 225, P-nr. 1163.

)

2.3.5.2 Werkzaamheden

Bij brief van 2 februari 1944(

Inv. nr. 2893, ingekomen te Madrid op 16 februari daaropvolgend, nr. 610.

) stelde het hoofd van BI, dr. J.M. Somer, een instructie voor de vertegenwoordiger van BI te Madrid vast. Naast de primaire taak die deze had te vervullen - het verzamelen van inlichtingen over bezet Nederland op velerlei gebieden was genoemde functionaris belast met het afnemen van verhoren van in Spanje verblijvende Nederlandse onderdanen ter vaststelling van de politieke betrouwbaarheid van deze personen. Dit als basis ter mogelijke verstrekking van Britse visa. De vertegenwoordiger speelde ook een rol in het onderhouden van de illegale koeriers- en evacuatieroutes voor vluchtelingen en routes van agenten met regeringsopdrachten die tussen Madrid, Zwitserland, Portugal en Nederland liepen.

Al vrij snel na het vaststellen van bovengenoemde instructie, namelijk op 25 april 1944(

Inv. nr. 2893, ingekomen te Madrid op 10 mei daaropvolgend, nr. 736.

) werd deze vervangen door een nieuwe. Hierin was de hiërarchische verhouding van het hoofd van de Nederlandsche Dienst te Madrid tot het hoofd BI te Londen vastgelegd: eerstgenoemde was verantwoording verschuldigd aan laatstgenoemde. Inhoudelijk verschilde deze instructie echter niet wezenlijk van de vorige.

2.3.5.3 Afwikkeling en opheffing

Als gevolg van de eerdergenoemde opheffing van BI Lissabon en Madrid, werden met ingang van 30 november 1944 werden de assistenten(

Te weten G.F. Groen en W.G.Ph. van der Heyden.

), werkzaam op het bureau, op wachtgeld gesteld.(

Inv. nr. 2893.

)
Op 14 januari 1945 meldde Hertzberger zich bij het waarnemend hoofd BI te Londen.(

Inv. nr. 252, P-nr. 28.

)

2.3.5.4 Buitenlandse inlichtingendienst, post Madrid, 1945(?)/1947-1950

Waarschijnlijk vanaf 1945, maar bijna zeker van 1947 tot en met maart 1950 heeft zich een post van de buitenlandse inlichtingendienst te Madrid bevonden. Tijdens de inventarisatie van het archief van BI Lissabon werd in voornoemd archief een brievenboek aangetroffen met als aanduiding "brievenboek Madrid", dat loopt van 14 januari 1947 tot en met 27 maart 1950. Deze agenda maakt op 19 februari 1950 melding van "( ... ) opheffing post Madrid(

Inv. nr. 2913.

) Dit verklaart tegelijkertijd de aanwezigheid in dit archief van de zogenaamde "Astro-rapporten", inlichtingenrapporten over Spanje.(

Waarschijnlijk is hier sprake van dezelfde Astro waarover De Jong spreekt in deel 9 van Het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, 851; (Mr. H. Maas Geesteranus had ... in Portugal) vijf 'hoofdagenten' aangesteld (de belangrijkste, 'Astro', was een Luxemburger) die elk weer een eigen agentennet onder zich hadden.

)
Naspeuringen, onder wiens verantwoordelijkheid of op wiens gezag deze rapporten werden opgemaakt leverden aanvankelijk niets op. Maar de vondst van deze agenda verklaarde de aanwezigheid van deze stukken.

2.3.6 De vertegenwoordiger van bureau inlichtingen te Stockholm, 1941-1946, en de buitenlandse inlichtingendienst, post Stockholm, 1946-1950

2.3.6.1 Voorgeschiedenis

Reeds in 1941 legde de Nederlandse consul-generaal te Stockholm, A.M de Jong, contact met de Britse inlichtingenofficier van het Britse gezantschap in die plaats.

De Jong rapporteerde vanaf het begin 1941 alleen aan de Britse inlichtingendienst MI-6. Hij had namelijk geen vertrouwen in de Nederlandse centrale inlichtingendienst (CID). Er was afgesproken, dat deze dienst gegevens zou doorsluizen naar Nederlandse diensten.

Voorjaar 1942 bracht hij verbindingen met diverse verzetsgroeperingen in Nederland tot stand, waaronder groep Zwaantje, geleid door de Delftzijlse arts A.L. Oosterhuis. Inlichtingenrapporten en andere zaken werden zo naar Zweden gesmokkeld, en illegale bladen, geneesmiddelen en zenders ten behoeve van verzetsgroepen in Nederland werden vanuit Zweden naar Nederland verzonden. Hiervoor werden kapiteins van Nederlandse schepen ingeschakeld die tussen Delfzijl en Zweden voeren. Deze weg werd in mei 1943 door kapitein F.J.M. Aben aan de SD verraden.(

Inv. nr. 2919.

)

2.3.6.2 Instelling

Na de instelling van BI Stockholm werd afgesproken dat De Jong voortaan zowel aan BI als aan MI-6 zou rapporteren. Het debacle met Aben kostte De Jong tenslotte zijn positie.

Nadat zijn opvolger ir. W.L.Chr. Lindenburg niet voldeed werd deze opgevolgd door C. Knulst.

De belangrijkste taak na het wegvallen van de Zweedse weg voor BI Stockholm werd het functioneren als tussenschakel tussen Londen enerzijds en BI Genève en Bern anderzijds.(

Jong., Koninkrijk; IX 897-900, 1008-1009.

)

In augustus 1943 arriveerde de voormalig inspecteur van politie jhr. W.A. Gevers Deynoot te Stockholm. Na overleg met Londen werd deze tewerkgesteld bij de dienst BI ter plaatse waar hij met name werd ingezet bij het verhoor van aangekomen Nederlanders.(

Inv. nr. 314, K-nr. 104.

)

Met de leiding van BI Stockholm waren achtereenvolgens belast:

  • A.M. de Jong, Nederlandse consul-generaal te Stockholm, tot 4 oktober 1943;
  • ir. W.L.Ch Lindenburg van 4 oktober 1943 - maart 1944;
  • 1e lt. C. Knulst april 1944 - 22 augustus 1945;
  • mr. F.Th Dijckmeester 22 augustus 1945(

    Inv. nr. 2957, minuut van uitgaande brief dd, 22-8-1945, nr. 520 G.

    )
    - 31 maart 1946.

2.3.6.3 Bureau Stockholm van de buitenlandse inlichtingendienst, 1 april 1946-maart 1950

Met ingang van 1 april 1946 werd bureau Stockholm opgeheven en overgenomen door de buitenlandse inlichtingendienst.(

Inv. nr. 2959, nr. 1602 GL.

) De vertegenwoordiger van de buitenlandse inlichtingendienst te Stockholm, mr F.Th. Dijckmeester, werd op voornoemde datum gedemobiliseerd en ressorteerde sindsdien, in plaats van onder het ministerie van Oorlog, voortaan onder het ministerie van Algemene Oorlogsvoering.(

Inv. nr. 2959, ingekomen brief nr. 1566 GL.

)

2.4 Bureau voorbereiding terugkeer, voortgezet als bureau militaire voorbereiding terugkeer, 1942-1944

2.4.1 Voorgeschiedenis

Op 8 februari 1941 werd een rechtstreeks onder de minister van Defensie ressorterend bureau voor Bijzondere Aangelegenheden (bureau BA) ingesteld.(

Inv. nr. 1461, pag 8.

) Dit bureau hield zich bezig met het bestuderen en voorbereiden van de militaire maatregelen met betrekking tot de terugkeer van de regering naar Nederland. In een brief aan H.M. de Koningin(

Inv. nr. 188, nr. 72 P.

)
schetste de minister de lijnen welke als basis zouden moeten dienen voor de werkwijze van dit bureau. Aangezien de Koningin persoonlijke bezwaren koesterde tegen kolonel van de generale staf D. van Voorst Evevink, die was toegevoegd aan het hoofd van bureau BA, luitenant-generaal J.F. van der Vijver, werd dit bureau - na het aftreden van minister van Defensie A.Q.H. Dijxhoorn - met ingang van 1 september 1941 opgeheven.(

In een brief van de minister van Binnenlandsche Zaken aan de minister van defensie, aanwezig in het archief van de bevelhebber der zeestrijdkrachten, ook als hoofd van de Ve afdeling van het ministerie van Defensie, vanaf 27 juli 1941 tevens ministerie van Marine, vanaf 23 juni 1945 ministerie van Marine en Scheepvaart, allen te Londen, en de afwikkeling daarvan, 1940-1945 (1946-1949), afdeling Algemene zaken, nr AZ 3/3/2G, ingekomen op 9-9-1941, schrijft de minister van BiZa:

"Bij mijn Departement is sinds zeer korten tijd ook ondergebracht het voormalige bureau B.A. van het departement van oorlog. Voor de indeling bij mijn Departement had dit Bureau in hoofdzaak tot taak het verzamelen en publiceren in persrapporten van allerlei gegevens over Bezet-Nederland, zoals gezindheid der burgerij, activiteit der N.S.B., nieuw-benoemde functionarissen en hun politieke gezindheid e.d. Dit werk wordt ook nu nog door deze dienst voortgezet, maar daarnaast geef ik het Bureau opdrachten om mij, aan de hand van verzamelde gegevens, te rapporteeren over afzonderlijke onderwerpen die in verband met den terugkeer naar Nederland een voorziening eischen. Om ook Uwe Excellentie zooveel mogelijk van de werkzaamheden van deze tak van dienst te doen profiteren, heb ik aan den Chef, Majoor Olifiers, opdracht gegeven om Haar alle reeds verschenen persrapporten toe te zenden, alsook om er voor zorg te dragen, dat in de toekomst Zij alle te verschijnen rapporten zal ontvangen. Voorts moge ik Uwer Excellentie in overweging geven om wanneer zij over een onderwerp, voor haar van belang, gegevens wil ontvangen, mij daarmede te willen inlichten, om mij in de gelegenheid te stellen, zoo mogelijk, van dienst te kunnen zijn."

)

2.4.2 Bureau voorbereiding terugkeer

Als rechtsopvolgers van het bureau BA kunnen de IIIe afdeling, bijzondere aangelegenheden van het ministerie van Oorlog en het bureau voorbereiding terugkeer worden beschouwd. Laatstgenoemd bureau werd op 6 januari 1942, bij gezamenlijke beschikking van de voorzitter van de ministerraad, de minister van Marine en de minister van Oorlog a.i. ingesteld. Met de leiding werd luitenant-kolonel der mariniers M.R. de Bruyne belast. Zijn opdracht was de voorbereiding van de terugkeer naar Nederland en het herstel van het wettig gezag aldaar. Het bureau ressorteerde onder de minister van Marine.(

Inv. nr. 193, P-nr 17.

) Bij KB van 5 februari 1942, nr. 1 werd De Bruyne tevens benoemd tot tijdelijk hoofd van de Centrale Inlichtingendienst.(

Kluiters. Veiligheidsdiensten, 103.

)
Op 1 juni daaropvolgend werd hij weer ontheven van deze functie.

2.4.3 Bureau militaire voorbereiding terugkeer

Met ingang van 1 juli 1942 werd het bureau voorbereiding terugkeer, onder de naam bureau militaire voorbereiding terugkeer (voortaan: MVT), onder de minister van Oorlog gesteld. Tevens werd een duidelijke taakomschrijving opgesteld.

Tot de taken van dit bureau behoorden:

  1. het in behandeling nemen van alle vraagstukken met betrekking tot de militaire voorbereiding van den terugkeer en in verband hiermede het doen van voorstellen aan de ministers van Oorlog en Marine ter voorbereiding van de deelneming der beschikbare Nederlandsche strijdkrachten aan operaties tegen en in het bezette gebied;
  2. het, na verkregen goedkeuring der regering, voorbereiden en organiseren van een "binnenlandsch front" in het bezette moederland;
  3. het - in nauw overleg met de betrokken instanties van de departementen van Oorlog en Marine - voorbereiden van de uitbreiding van de Nederlandsche militaire machtsmiddelen onmiddellijk na den terugkeer in Nederland, zodanig dat zij zoo spoedig mogelijk hun oorspronkelijke taak, te weten
    • het uitvoeren van of deelnemen aan operaties voor verovering van nog bezette delen van ons grondgebied
    • het handhaven van orde en rust in het heroverde gebied en
    • het deelnemen aan de bezetting van vijandelijk territoir naar behoren kunnen vervullen;
  4. het plegen van overleg en het houden van verband met andere departementen en met de betrokken geallieerde instanties, waar zulks ter uitvoering van de taak ad 1) t/m 3) nodig is en voor zover niet op grond van enige bepaling de tussenkomst van een andere instantie is vereist;
  5. het onderhouden van nauw contact met hoofd afd. III van het departement van Oorlog met betrekking tot de uitoefening van het militair gezag in het bevrijde moederland, waarvan de voorbereiding aan genoemd hoofd is opgedragen;
  6. het inwinnen en verzamelen van militaire en politieke inlichtingen betreffende het moederland.(

    Inv. nr. 209, P-nr. 349.

    )

Op 27 november(

Inv. nr. 20C P-nr. 573.

) werden, in verband met de oprichting met ingang van 1 november 1942 van het bureau Organisatie Generale Staf, de taken van het bureau MVT opnieuw vastgesteld:

  1. het voorbereiden, uitwerken c.q. uitvoeren van plannen tot actie van de beschikbare Nederlandsche strijdkrachten, zulks in het kader van het algemene operatie-plan van de geallieerde strijdkrachten;
  2. het overleg plegen met de Britse autoriteiten omtrent de sub 1) bedoelde plannen en het daarvoor verzamelen van inlichtingen op militair gebied in Nederland, alsmede het daarvoor werven van strijdbare krachten aldaar;
  3. het door mijn (= de minister van Oorlog) tussenkomst aan de Nederlandse regering ter goedkeuring voorleggen van een volledig voorstel voor de sub 1) bedoelde te voeren actie.

Een dag later werd bureau inlichtingen (BI) opgericht. Het hoofd van dit bureau was (onder andere) bevoegd tot het inwinnen, verzamelen en doorgeven van alle inlichtingen op politiek en economisch terrein. Daarnaast behoorde het ook tot zijn bevoegdheid, op aanwijzing van en in overleg met het hoofd van bureau MVT,

"( ... ) medewerking te verlenen tot het inwinnen van inlichtingen op militair terrein, verband houdende met huidige en toekomstige acties in het bezette gebied."

Deze onduidelijke scheiding van bevoegdheden zou in de dagelijkse praktijk tot vele moeilijkheden en rivaliteit leiden.(

PEC, 4a en b, 525-526.

)

Bij brief van 14 mei 1943(

Inv. nr. 208, P-nr 311.

) werd een centraal orgaan voor de oorlogsleiding ingesteld, dat voornamelijk besliste inzake de bescherming danwel aanval van objecten in Nederland. De commissie werd bijgestaan door een technische commissie, waar het hoofd MVT in werd benoemd.

Verder werd De Bruyne in augustus 1943(

Inv. nr. 214, P-nr 556

) belast met het onderhouden van het contact met de Britse autoriteiten over oorlogshandelingen tegen bezet Nederland.

Het verzamelen van inlichtingen - genoemd onder 2) - werd verricht door de militaire inlichtingendienst (MID).

Het bureau MVT werd met ingang van 1 september 1944 opgeheven.(

Inv. nr. 242, P-nr. 1921.

) Deze opheffing hield direct verband met het Engelandspiel.(

Hierop wordt in het kader van deze inleiding - die zich specifiek richt op organisatorische aspecten niet verder ingegaan. Zie voor het Engelandspiel onder andere: Jong, Koninkrijk, 9, hoofdstukken 11 en 12. Zie ook PEC, deel 4a en b.

)

2.5 Marine inlichtings dienst / marine inlichtingendienst, voortgezet als militaire inlichtingendienst, daarna voortgezet als marine inlichtingsdienst, 1942-1944

Op 21 februari 1942 werd de marine inlichtingendienst opgericht. Het ressorteerde onder het bureau (militaire) voorbereiding terugkeer en had tot taak het verzamelen van zoveel mogelijk gegevens over Nederland ter bevordering van de terugkeer naar Nederland. In juni 1942 werd de naam gewijzigd in militaire inlichtingendienst. Hierdoor kon de afkorting MID, waaronder de dienst bekend stond gelijk blijven.(

Kluiters Inlichtingendiensten 233.

)

De taken van de MID waren:

  • het verzamelen en bewerken van zuiver militaire, of daarmee nauw verband houdende gegevens betreffende Nederland, ten einde ( ... ) in Londen ( ... ) Nederlandse en geallieerde instanties naar behoefte dan wel naar eigen inzicht ( ... ) inlichtingen te kunnen verstrekken;
  • het samenstellen van rapporten over zuiver militaire of daarmee verband houdende onderwerpen Nederland betreffende, ten behoeve van Nederlandse of geallieerde instanties op aanvraag, dan wel naar eigen inzicht;
  • het vervaardigen, aan de hand van luchtfoto's en grondinformatie, van kaarten en plattegronden ( ... );
  • het treffen van zodanige voorbereidende maatregelen, dat bij een overgang naar het vaste land voorlichting en informatie kan worden verstrekt op militair of nauw daarmee verband houdend gebied aan de bevelhebber van een geallieerde strijdmacht welke deze informatie wenst.(

    Inv. nr. 1577, stuk S/22.

    )

In feite kwam het er op neer, dat de MID

"( ... ) de inlichtingen, welke bij het bureau MVT binnenkwamen ( ... ) verzamelde en registreerde en zich ( ... ) niet ( ... ) actief (bezighield met het) inwinnen van deze inlichtingen."

Anders gezegd, de MID zond geen agenten uit.(

Enquêtecommissie regeringsbeleid 1940-1945. Deel 4 a en b. 523.

)

Op 28 augustus 1944 droeg kapitein der mariniers H. Lieftinck de leiding van de MID over aan 1e luitenant C.W. Ritter.(

Inv. nr. 2892, stuk VIII/115.

)

Lieftinck werd per 1 september 1944 ontheven van zijn detachering bij het departement van Oorlog. De MID werd feitelijk gesplitst. De militaire inlichtingendienst werd, gelijktijdig met bureau MVT, opgeheven met ingang van 1 september 1944. Het andere deel werd onder de naam marine inlichtingen dienst voortgezet.(

Kluiters Inlichtingendiensten 233.

)

2.6 Bureau Organisatie van de Generale Staf, 1 december 1942 - 1 juni 1944

Het bureau Organisatie van den Generalen Staf (voortaan: OGS) werd bij ministeriële beschikking van 27 november 1942(

Inv. nr. 201, P-nr. 573.

) opgericht met ingang van 1 december 1942. Het bureau zou te zijner tijd de kern moeten gaan vormen van de afdeling landmacht van een nog op te richten Algemeen Hoofdkwartier. Tegelijkertijd werd de IIIe afdeling van het ministerie van Oorlog opgeheven. Feitelijk was bureau OGS de rechtsopvolger van de IIIe afdeling van het ministerie van Oorlog.

Het bureau stond buiten departementaal verband en werd belast met vraagstukken op militair gebied welke niet tot het werkgebied van bureau militaire voorbereiding terugkeer behoorden.

  1. bij terugkeer naar Nederland zou het bureau OGS terugkeren in departementaal verband. Het hoofd zou terstond na deze terugkeer de reorganisatie van het ministerie van Oorlog tot taak krijgen;
  2. luitenant-kolonel Sas zou hierbij de militaire afdeling van het ministerie reorganiseren;
  3. het hoofd OGS diende voorbereidingen te treffen opdat het ministerie terstond na de (gedeeltelijke) bevrijding van Nederland kon starten met de mobilisatie van legereenheden, welke nodig zouden zijn voor het handhaven van de orde en de rust, voor de beveiliging van de grenzen en zonodig voor de deelname aan de bezetting van vijandelijk gebied;
  4. hij moest een vredes- en oorlogsorganisatie voor de Koninklijke landmacht (voortaan: KL) ontwerpen;
  5. hij diende de meest noodzakelijke tactische en technische voorschriften voor de KL te ontwerpen welke moesten zijn gebaseerd op moderne oorlogsvoering;
  6. bij dit alles moest hij uitgaan van een nauwe samenwerking met de geallieerden en dat het beschikbaar materieel hoofdzakelijk van Britse herkomst zou zijn;
  7. de Britse legerautoriteiten hadden de volle medewerking toegezegd voor een grondige studie van haar organisatie, bewapening en opleiding.

In verband met de oprichting van bureau Militair Gezag op 28 januari(

Inv. nr. 204, P-nr. 56.

) daaropvolgend diende de taakomschrijving opnieuw te worden vastgesteld. Deze was gelijk aan de onder nummers 3, 4 en 5 genoemde taken van de taakomschrijving hiervoor. Feitelijk werden de werkzaamheden van het bureau OGS dus beperkt.

Op 3 mei 1944 schreef het hoofd bureau OGS aan de minister dat hij:

"( ... ) voor het ogenblik weinig vertrouwen (had) in het slagen in de (hem) toegedachte taak, t.w. de voorbereiding van een degelijke, voor haar zware taak ten volle berekende expeditionaire macht."

Hij sprak zijn teleurstelling uit over het feit dat geen enkel voorstel van zijn hand de instemming van de minister had verkregen. Uitbreiding van de personeelsterkte van zijn bureau was geboden. Verder stelde hij de minister voor de naam van het bureau OGS te wijzigen in bureau Expeditionaire Macht. Hij stelde voor het hoofd van dit bureau een ontwerp-instructie op.(

Inv. nr. 1456, nr. 177.

)

Voor een geschiedenis van de rechtsopvolger: zie pagina - I: 46 -, het commando Nederlandse troepen in Engeland.

2.7 Bureau Expeditionaire macht, 1 juni 1944 - 14 juni 1945

De minister stemde bij brief van 25 mei 1944 in met de naamswijziging van het bureau Organisatie van de Generale Staf welke zou ingaan op 1 juni 1944.

In de instructie voor het hoofd bureau Expeditionaire Macht (voortaan: EM) die als bijlage bij deze brief was gevoegd, werd vermeld dat genoemd hoofd belast zou worden met het treffen van voorbereidingen welke de toekomstige vorming van een expeditionaire macht zouden vergemakkelijken. Verder diende hij voorbereidingen te treffen voor de registratie van dienstplichtigen en de instelling - samen met het ministerie van Marine - van een Centraal vrijwilligersbureau. Deze laatste taken werden echter nooit opgevat door het bureau EM en al op 28 augustus 1944 werden deze punten uit de instructie geschrapt.

Op 27 mei verzocht de minister prioriteit te geven aan onderzoek naar het terstond vormen van troepen voor de handhaving van openbare orde en rust in Nederland, het vormen van een expeditionaire macht voor Nederlands-Indië en het vormen van troepen om - aanvankelijk in bescheiden mate - deel te nemen aan bezetting van vijandelijk gebied.(

Inv. nr. 1462, pagina 73.

)

Op 1 juni 1944 werd bureau OGS daadwerkelijk opgeheven onder gelijktijdige oprichting van het bureau EM.(

Inv. nr. 2236, brief ingekomen op 30 mei 1944, nr. C 13 geheim.

)

Bureauhoofd generaal-majoor D. van Voorst Evekink klaagde voortdurend over een gebrek aan personeel. Daardoor kwam, zo stelde hij, de eigenlijke voorbereiding van de vorming van een legerkorps tot stilstand. Hij stelde begin 1945 dan ook aan de minister voor het voornemen hiertoe te staken; er kon zijn inziens niets goeds terecht (van) komen.(

Inv. nr. 1456, nr. 177.

)

Naar aanleiding van de benoeming van Van Voorst Evekink tot commandant der Nederlandse troepen in Engeland, veranderde de naam van het bureau Expeditionaire Macht met ingang van 14 juni 1945 in commandant der Nederlandse troepen in Engeland (Expeditionaire Macht).(

Order nr. 17 van 20 juni 1945.

) Bij ministerieel aanschrijven van 17 oktober 1945, afdeling II nr. 233 verviel de toevoeging expeditionaire macht bij voornoemde titel.(

Order nr. 23.

)

2.8 De Inspecteur der Nederlandse Troepen, 1940-1944

Bij ministeriële beschikking van 11 augustus 1941, nr. 5(

Gewijzigd bij ministeriële beschikkingen van 15 september 1941, nr. 1 en 27 augustus 1943, nr. 10.

) werd de instructie van de inspecteur der Nederlandse Troepen vastgesteld. Hierbij werd de inspecteur onder bevel van de minister van Oorlog gesteld. Tot zijn taken behoorde onder meer het bevorderen van de strijdvaardigheid, de geoefendheid en de paraatheid van de onder zijn bevel staande onderdelen van de Koninklijke landmacht. Tot deze onderdelen behoorden de Koninklijke Nederlandsche Brigade, de politie-afdeling van de Koninklijke marechaussee en, met een enkele uitzondering(

NIET onder zijn bevel stonden: officieren van het Militaire Huis van de Koningin, personeel gedetacheerd of ingedeeld bij de Koninklijke marine of de Royal Air Force en al het in Londen geplaatste militair personeel der Koninklijke landmacht

)
het personeel van de Koninklijke landmacht aanwezig in Groot-Brittannië en Noord-Ierland (later gewijzigd in het Verenigd Koninkrijk en het Dominion van Canada).(

Inv. nr. 827.

)

Op 15 februari 1943 kreeg de inspecteur het bevel over het detachement Londen overgedragen van het hoofd Ie afdeling van het ministerie van Oorlog te Londen.(

Inv. nr. 129, 3 februari 1943 nr. 2.

)

In feite bestond de taak van genoemde Inspecteur uit het ontlasten van de minister van Oorlog - hij was verantwoordelijk voor de verzorging en opleiding van de troepen. Daarnaast vormde hij de tussenpersoon tussen de minister en de kampcommandant(en).(

PEC, deel 8a en b. 182.

)

  • generaal-majoor G.B. Noothoven van Goor, overleden op 12 maart 1942(

    Inv. nr. 832.

    )
    ;
  • generaal-majoor H.J. Phaff met ingang van 1 mei 1942(

    Inv. nr. 832.

    )
    tot 1 juli 1943;
  • met ingang van 1 juli 1943(

    Inv. nr. 207, P-nr. 247 A/P.

    )
    kolonel der mariniers M.R. de Bruyne, tot 15 augustus 1944;
  • met ingang van 15 augustus 1944 luitenant-kolonel P.G.L. Doorman.(

    Inv. nr. 239, P-nr. 1793. Zie voor de oorzaak van deze functiewisseling; inv. nr. 238, P-nr. 1732.

    )

De functie van inspecteur der Nederlandse Troepen werd met ingang van 1 september 1944 opgeheven. Met het personeel van het bureau militaire voorbereiding ging de staf van deze functionaris samen op in de staf Bevelhebber Nederlandse Strijdkrachten.(

Inv. nr. 238, 1793 P.

)

2.9 Nederlandse militaire missie bij de Supreme Headquarters Allied Expeditionary Force (SHAEF), 1944-1945

Op 2 mei 1944 zond de minister een brief aan de Koningin waarin hij berichtte, dat het geallieerd opperbevel wilde overgaan tot het instellen van een Nederlandsche militaire missie (NMM).(

Inv. nr. 316, K-nr. 56.

) Bij beschikking van 6 juni 1944 werd generaal-majoor H.I. Phaff - voormalig militair attaché bij het hof van St James - tot hoofd van deze missie benoemd.(

Inv. nr. 235. P-nr. 1589.

)
De organisatie van het 1e echelon sectie bestond uit sectie I, militaire zaken, sectie II, civiele zaken en sectie III administratie.(

Inv. nr. 317, K-nr. 95.

)
Na wat geharrewar over de instructie van het hoofd en de onderhoofden van de missie aanvaardde Phaff zijn functie met ingang van 1 augustus daaropvolgend.(

Inv. nr. 318. K-nrs. 102. 118 en 127.

)

De NMM was bestemd om - op grond van de overeenkomst betreffende het burgerlijk bestuur en de rechtsmacht op Nederlands grondgebied bevrijd door een geallieerde expeditiemacht van 15 mei 1944, aangegaan met de Britse en Amerikaanse regering - de geallieerde opperbevelhebber of diens hoofdkwartier van advies te dienen of Nederlandse belangen aanhangig te maken. De hoofden van het bureau Militaire Voorbereiding Terugkeer en Militair Gezag traden - gedurende de periode dat de missie zich nog volledig in Groot-Brittannië bevond - op als onderhoofden van de missie. Bij MB van 29 november 1944 werd Phaff eervol ontheven uit zijn functie als hoofd van de missie.(

Inv. nr. 248. P-nr. 2298.

) Op 13 februari 1945 werd de militaire missie opgeheven.(

Inv. nr. 255. P-nr. 157.

)

2.10 Het commando Nederlandse troepen in Engeland, (1944) 1945-1946 (1947)

2.10.1 Voorgeschiedenis

Zie voor de geschiedenis van de rechtsvoorganger pagina - I: 40 - Korte hoofdlijn van de geschiedenis van het bureau Organisatie van de Generale Staf.

Op 28 september 1944 deelde de minister van Oorlog aan generaal-majoor D. Van Voorst Evekink mee dat hij overwoog laatstgenoemde te benoemen tot inspecteur der Nederlandse troepen in Engeland. Hij verzocht Van Voorst Evekink om commentaar op een concept instructie voor genoemde functie. In deze reactie stelde Van Voorst Evekink dat hij de hem toebedachte functie vooral bevelvoerend vond en hij daarom de term inspecteur minder passend vond. Hij prefereerde aan de functie de naam commandant te verbinden.

Bij ministeriële beschikking van 18 november 1944, nr. 1 werd bepaald dat de functie van commandant der Nederlandse troepen in Engeland op een nader te bepalen datum opnieuw zou worden ingesteld. Tegelijkertijd werd de ministeriële beschikking van 27 augustus 1943, nr. 10, waarbij de instructie van de inspecteur der Nederlandse troepen werd vastgesteld, ingetrokken.

  • personeel behorend tot zijn staf;
  • het detachement Wolverhampton;
  • personeel Xe legerkorps (expeditionaire macht) in Engeland;
  • het detachement Londen.

Hij zou worden belast met de vorming en opleiding van het voor de deelneming aan de strijd in het Verre Oosten bestemde Xe Legerkorps.

2.10.2 Instelling

Bij ministeriële beschikking van 30 mei 1945 nr. 3 werd met ingang van 29 mei 1945 generaal-majoor D. van Voorst Evekink benoemd tot commandant der Nederlandse troepen in Engeland.

Bij ministeriële beschikking van 22 juni 1945, nr. 35 werd het detachement Londen aan zijn bevel onttrokken.(

Inv. nr. 1456. nr. 193. Bij ministeriële beschikking van 20 augustus 1942, nr. 6 trad vanaf dan het hoofd Ie afdeling op als korpscommandant over het detachement Londen.

)

2.10.3 Militaire politie bij de Nederlandse troepen in Engeland

Kort na afloop van de Tweede Wereldoorlog werden in Engeland Nederlandse militairen opgeleid. Bij deze militairen werd een gebrek aan zelfdiscipline en eerbied voor andermans eigendom geconstateerd, welke zich uitte in diefstal uit kazernegebouwen, gevallen van oplichting, desertie en dergelijke.

De militaire politie (MP) in Groot-Brittannië had allereerst een preventieve taak. Onder de zogenaamde provoostdiensten rekende men onder andere toezicht, onderzoek en dienst bij de krijgsraad. Daarnaast verrichtte de MP bewakingsdiensten in Wolverhampton en Londen.

De afdeling MP bij de Nederlandse troepen in Engeland maakte deel uit van de militaire politie van de Koninklijke landmacht en bestond - met ingang van 12 december 1945 - uit een staf, een aantal provoost compagnieën, een aantal compagnieën voor de verkeersdienst en voor de wachtdienst en een depot militaire politie.

Het geheel stond onder commando van een deputy provost marshall (DPM). Deze was rechtstreeks verantwoording verschuldigd aan de chef van de staf van het hoofdkwartier van de Nederlandse troepen in Engeland. Onder zijn bevel vielen twee assistant provost marshalls (APM).

Bureau APM Londen werd opgeheven met ingang van 1 december 1946, waarna de werkzaamheden werden overgenomen door het bureau DPM. Laatstgenoemd bureau werd op 1 januari 1947 gesloten, evenals bureau APM Wolverhampton Area.

2.10.4 Een korte biografie van D. Van Voorst Evekink, 1890-1950

D. van Voorst Evekink werd te Zutphen geboren op 31 december 1890.

  • tweede luitenant 29 juli 1911;
  • eerste luitenant 29 juli 1915;
  • ritmeester 21 januari 1927;
  • majoor 1 november 1936;
  • luitenant-kolonel 1 november 1938;
  • kolonel 1 november 1940;
  • generaal-majoor 1 januari 1943;
  • luitenant-generaal 1 mei 1948;
  • eervol ontslag 1 mei 1948.

Hij was achtereenvolgens werkzaam bij de derde afdeling van de Generale Staf, en was militair attaché te Brussel en Parijs van 11 maart 1936 tot 31 maart 1940. Van Voorst Evekink bleef in onbezet Frankrijk om Nederlandse mannelijke onderdanen die zich aldaar bevonden en die in aanmerking kwamen voor militaire dienst, te registreren. Hij arriveerde in januari 1941 te Groot-Brittannië. Hier was hij werkzaam - als tweede man na J.F. van der Vijver - bij het bureau bijzondere aangelegenheden. Op 1 september 1941 werd hij benoemd tot commandant van de Koninklijke Nederlandse brigade prinses Irene. Op 8 december 1941 stelde hij voor het strijdbare gedeelte van deze brigade naar Nederlands-Indië te sturen. Op 10 januari 1942 vertrok Van Voorst Evekink in gezelschap van een grote groep officieren en de staf compagnie van het Ie bataljon naar Nederlands-Indië. De missie arriveerde daar echter nooit, want tijdens de reis vielen de Japanners Java binnen.(

Voor een uitgebreid verslag van de bevindingen van Van Voorst Evekink: Inv. nr. 198, P-nr. 348.

)

Al op 20 mei liet de militair bevelhebber van de troepen in het Verre Oosten weten geen prijs meer te stellen op de diensten van Van Voorst Evekink.(

Inv. nr. 197, P-nr. 257.

)

Na korte tijd op Ceylon te Colombo te hebben verbleven, werd Van Voorst Evekink teruggestuurd naar Engeland. Op 1 december 1942 werd hij aldaar hoofd van het bureau Organisatie Generale Staf. Dit bureau stelde rapporten op die handelden over de organisatie van het Britse leger. Op 1 juni 1944 werd genoemd bureau opgeheven en werd tegelijkertijd het bureau Expeditionaire Macht opgericht. Van Voorst Evevink werd met de leiding belast.(

Inv. nr. 12236, brief ingekomen op 30 mei 1944, nr. C 13 geheim.

)

Hij werd benoemd tot commandant Nederlandse Troepen in Engeland op 29 mei 1945. Deze functie vervulde hij tot 31 december 1946. Op 1 januari 1945 werd hij tevens benoemd tot militair attaché te Londen. Hij bleef dit ambt uitoefenen tot 30 april 1948.

D. van Voorst Evekink overleed op 16 maart 1950.(

Jong, Koninkrijk, IX, 23, 287-288, 290-291. Kluiters. Veiligheidsdiensten, 404.

)

2.10.5 Aanvullingscursus, 1941-1943

Op 19 september 1941 attendeerde de minister van Oorlog het hoofd van de NMM op het feit dat het aantal Nederlandse officieren, aanwezig te Engeland, disharmonieerde met het aantal manschappen. Hierdoor ontstond een overcompleet aan kader. De minister stelde voor, om een deel van de boven de organieke sterkte aanwezige officieren - bij toerbeurt - voor drie maanden te detacheren bij het Britse leger.

Verder lag het in de lijn der verwachting dat bij de bevrijding van Nederland Britse troepen een (grote) rol zouden spelen. Het was zeer gewenst bij deze troepen Nederlandse liaison-officieren te plaatsen. Deze Nederlandse officieren konden de geallieerde commandanten behulpzaam zijn door hun kennis van de Nederlandse taal, het land en het volk. Verbindingsofficieren zouden kunnen optreden als gids, tolk en contactpersoon tussen de Nederlandse bevolking en het bestuur en de Britse commandanten. Tevens konden ze deze Britse commandanten van advies dienen over Nederlandse verhoudingen. Dit was niet alleen een geallieerd, maar ook een Nederlands belang.

Een tijdelijke detachering zou toekomstige verbindingsofficieren inzicht geven in organisatie en werkwijze van het Britse leger. Tegelijkertijd konden zij op deze wijze de Engelse taal oefenen.(

Inv. nr. 97, 19 september 1941, nr. 20.

)

Op 19 november 1941 stelde de minister voor om over te gaan tot het oprichten van een opleidingseenheid waar jonge reserveofficieren in een jaar tijd konden worden opgeleid tot beroepsofficier.

Ook een aantal van acht - later verdubbeld tot zestien(

Inv. nr. l01, 10 december 1941. nr. 10.

) - militairen beneden de rang van officier die daarvoor in aanmerking kwamen konden worden aangewezen voor een opleiding tot reserveofficier. Dit om te voorkomen dat de aanwas en aanvulling van (beroeps-)officieren door de oorlog zou worden onderbroken. (Vandaar de naam aanvullingscursus.(

Inv. nr. 100. 19 november 1941. nr. 12.

)

De opleiding tot beroepsofficier vond echter geen doorgang.(

Inv. nr. 113. 1 januari 1942. nr. 1.

)

Op 15 juli 1942 ving te Londen de eerste opleiding van verbindingsofficieren aan onder leiding van luitenant-kolonel J.G.M. van de Plassche. Deze duurde tot 3 augustus. De tweede cursus liep van 6 t/m 27 augustus. Als commandant van de cursus werd Van de Plassche belast met:

  • de leiding van het onderwijs;
  • de bevordering van de rekrutering;
  • het ontwerpen van instructies;
  • het aanhouden van een lijst van hen, die een oorlogsbestemming als verbindingsofficier hadden;
  • het ontwerpen en voorleggen aan de minister van Oorlog van aanwijzingen voor de mobilisatie van verbindingsofficieren.

De cursus duurde aanvankelijk drie weken.(

Inv. nr. 198. P-nr. 350; in afschrift in archief bureau MVT.

)

Op 7 september 1942 deelde de minister het hoofd van de Nederlandse militaire missie mee dat

"( ... ) de in juli en augustus (1942) onder leiding van de luitenant-kolonel J.G.M. van de Plassche gehouden aanvullingscursussen voor verbindingsofficieren zeer geslaagd te noemen zijn."(

Inv. nr. 122. 7 september 1942, nr. 2.

)

Ook burgers namen aan de aanvullingscursussen deel. Na een militaire vooropleiding volgden zij de eigenlijke aanvullingscursus tot tijdelijk reserveofficier. Deze burgers waren bestemd om als specialist in hogere staven op te treden.(

Inv. nr. 131, 8 maart 1943.

)

Na twaalf aanvullingscursussen werd, mede naar aanleiding van het ontbreken van verdere geschikte kandidaten, het geven van aanvullingscursussen gestaakt.(

Inv. nr. 150, 20 december 1943, nr. 12. Hier tevens verwijzing naar groot aantal retroacta.

)

Het bureau voor de opleiding van verbindingsofficieren en voorbereiding van het afwikkelingsbureau departement van Oorlog werd met ingang van 15 mei 1944 opgeheven en kolonel Van der Plassche werd benoemd tot militair attaché bij het Franse comité voor nationale bevrijding.(

Inv. nr. 154, 1 mei 1944, nr. 2.

)

Het bevreemdde de Koningin een voordracht tot benoeming te ontvangen van de kolonel Van de Plassche tot deze functie. Maar, zo antwoordt de minister van Oorlog,

"( ... ) Aangezien ik geen andere geschikte krachten daarvoor beschikbaar heb en overigens de functie voornamelijk van informatieven aard is en geen verantwoordelijkheid van eenige aard met zich brengt, heb ik gemeend Van de Plassche daarvoor te kunnen aanwijzen ( ... ) Mocht Uwe Majesteit overwegend bezwaar hebben tegen de voorgestelde benoeming ( ... ) dan zal het mij uiterst moeilijk vallen daarvoor een geschikten candidaat te vinden. Het komt mij niet verantwoord voor goede krachten, die belangrijke en drukke werkzaamheden hebben te verrichten, daaraan voor dit doel te ontrekken. ( ... )"(

Inv. nr. 318, K-nr. 106.

)

2.10.6 Opheffing en afwikkeling, 1947

Het commando Nederlandse troepen werd opgeheven met ingang van 1 januari 1947.(

Ministeriële beschikking van 16 december 1946, Militair Kabinet, bureau 2, nr. 904. Legerorders 1946, nr. 447.

)

Op gelijke datum werd ingesteld het afwikkelingsbureau Commando Nederlandse Troepen in Engeland (CNTE). Dit bureau werd gesteld onder bevel van de militair attaché bij het hof van St James. Het afwikkelingsbureau CNTE werd opgeheven 1 juli 1947.(

Legerorders 1947, nr. 242.

)

2.11 Bureau Bijzondere Opdrachten, 15 maart 1944 - 1 juni 1946
(

Literatuur: PEC1 4a en b1 1950 533-564; Jong, Koninkrijk 9, tweede helft, 921-935; Kluiters, Veiligheidsdiensten 1 55-62; John Olmsted, Achter de linies: een geheime operatie in Nederland. ('s-Gravenhage 1990); E. de Roever, Zij sprongen bij maanlicht: de geschiedenis van het Bureau Bijzondere Opdrachten en de agenten Londen 1944-1945. (Baarn, 1985); E. de Roever, Londen roept Amsterdam: de missie van de geheim agenten Tobs Biallosterski en Henk Veeneklaas. (Baarn, 1992); G.P. van der Stroom, Nederlandse agenten, uitgezonden door geallieerde geheime diensten te Londen: een chronologisch overzicht. Niet uitgegeven notitie voor het geschiedwerk nr. 158 van het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie.

)

Op 13 maart 1944 werd de gepensioneerde generaal-majoor J.W. van Oorschot aangewezen als

" hoofd van den dienst voor de verzetsorganisatie in Nederland, zulks in samenwerking met den Britschen dienst Special Operations Executive" (voortaan: SOE.) waarmee hij de leiding kreeg van de instantie welke bekend werd onder de naam Bureau Bijzondere Opdrachten.(

Inv. nr. 316, K-nr. 24.

)

Dit bureau was de feitelijke rechtsopvolger van het bureau Militaire Voorbereiding Terugkeer. De dagelijkse leiding van het bureau was in handen van K. de Graaf. Tot de taken van dit bureau behoorden:

  • " a) to promote disaffection and if possible revolt or guerrila warfare in all enemy and enemy-occupied countries;
  • b) to hamper the enemy's war effort by means of sabotage and subversive warfare in those areas:
  • c) to combat enemy interest and fifth column activities by unacknowledgeable means."

Dit gebeurde onder andere door het bewapenen van de Binnenlandse Strijdkrachten door wapendroppingen, het plegen van sabotage en steunverlening aan de ondergrondse, illegale pers.

Hierbij was de SOE

" ( ... ) to be regarded as the co-ordinating authority for all activities relating to resistance movements in occupied territories: consequently, SOE, in conjunction with the Allied Staff concerned, act as an Allied General Staff for those purposes.(

Inv. nr. 318, K-nr. 129.

)

Eind mei 1945 werd te Utrecht een kantoor van het BBO gevestigd, dat belast werd met de afwikkeling van BBO-zaken en onderzoek inzake Duitse penetratie in BBO-cellen en -netten.

De missie te Utrecht stond onder leiding van kapitein K. de Graaf. De missie ressorteerde onder en maakte deel uit van BBO Londen en kende in september 1945 de afdelingen recherche, Bureau Nationale Veiligheid, afwikkeling, financiën en verpleging, transport algemene zaken - receptie - staatsbegrafenissen, verbindingen, BBO-missie Indië en geschiedschrijving. In totaal waren op de missie te Utrecht 25 personen werkzaam.

Op 3 december 1945 werd BBO onder bevel van de chef van de generale staf geplaatst.(

Inv. nr. 2983. XII/18

)

Ingevolge bevel van de minister-president werd het BBO, missie Utrecht met ingang van 1 maart 1946 opgeheven. Luitenant H.M.G. Lauwers werd belast met de afwikkeling van nog lopende zaken. De afwikkeling werd op verzoek van de minister van Oorlog overgedragen aan het ministerie van Algemene Oorlogvoering van het Koninkrijk. Lauwers werkzaamheden bestonden uit behartiging van de belangen van nabestaanden van gesneuvelde agenten en gedemobiliseerd personeel van BBO en het voordragen van enkele van deze gedemobiliseerde personeelsleden voor een koninklijke onderscheiding.(

Inv. nr. 2988 500 U, 23 februari 1946 en 4 april 1946.

)

BBO Londen werd opgeheven op 1 juni 1946.

2.12 Centraal Laboratorium, 1939-1948
(

Zie onder andere MvD, DARIC/CAD, het archief van het TNO, dossier 516.

)

Het Centraal Laboratorium werd op 24 augustus 1939 opgericht en stond rechtstreeks onder de Opperbevelhebber van de land- en zeemacht. Het was gevestigd in het Anorganisch- en organisch chemisch laboratorium van de Rijksuniversiteit te Leiden. Met in aanvang 8, later 16 chemici, alle reserve-officieren-scheikundigen en lager reserve- en dienstplichtig personeel, werd er onderzoek gedaan naar diverse zaken. Op 14 mei 1940 weken het hoofd van dit laboratorium, dr J.H. de Boer en zijn plaatsvervanger, drs. J. van Ormondt, uit van Scheveningen naar Engeland. Daarbij namen zij het archief mee.

In Engeland namen zij contact op met het War Office. Een rapport over de werkzaamheden van het Centraal Laboratorium resulteerde in een verzoek aan De Boer om zijn werkzaamheden te continueren in het Imperial College of Science and Technology in South-Kensington. In overleg met de Chemical Board van het Ministry of Supply zocht men naar een betere bescherming tegen koolmonoxyde. De Boer werd na de val van Nederlands-Indië in de Chemical Board Nederlands liaison-officier. Nadat het onderzoek van De Boer begin 1943 naar het verwijderen van koolmonoxide uit de lucht ver was gevorderd ging hij zich allengs meer bezig houden met de voorbereiding van het militair gezag.

De afdeling Londen van het Centraal Laboratorium was tot 20 maart 1947 gevestigd in het kamer 508 van het gebouw Berkeley Street 17, daarna in kamer 44 aan Dover Street 33.

Op 7 februari 1947 werd het bureau te Londen opgeheven waarna de afwikkeling volgde. Het archief werd overgeplaatst naar het Labaratorium te Delft. Het hoofd werd overgeplaatst naar de Generale Staf.

Het Centraal Laboratorium te Delft werd bij beschikking van de minister van Oorlog van 9 juni 1948 met terugwerkende kracht met ingang van 1 januari 1948 overgedragen aan de Nederlandse organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek ten behoeve van de Rijksverdediging. Deze organisatie werd bij Wet van 30 oktober 1930 (Stb 416) ingesteld.

2.13 Militair Bureau voor Wetenschappelijke Inlichtingen, 1944-1945

In het Verenigd Koninkrijk functioneerde tijdens de Tweede Wereldoorlog, naast vele andere instituten afkomstig uit Nederland, ook het Scheikundig Laboratorium. Voor de oorlog ressorteerde het Centraal Laboratorium, ingesteld op 25 augustus 1939 rechtstreeks onder de Opperbevelhebber der Land- en Zeestrijdkrachten. Haar opdrachten en adviezen bracht zij rechtstreeks uit aan het Algemeen Hoofdkwartier.

Het Militair Bureau voor Wetenschappelijke Inlichtingen werd opgericht bij Ministerieel Besluit nr. 12 op 13 september 1944. Het bureau vormde een geheel samen met het Centraal Laboratorium en maakte deel uit van het ministerie van Oorlog. Tot haar taak behoorde het gegevens te traceren over research, verricht in Nederlandse overheids- en particuliere laboratoria tijdens de Duitse bezetting op last van de Duitsers. Daarbij ging ook de belangstelling uit naar personen die daarbij " (. ..) actiever dan onder den drang der omstandigheden noodig (. ..) " waren geweest. Deze taak werd gezien als een zaak van nationaal belang, omdat op grond van verzamelde gegevens plannen van de vijand bekend konden worden en eventueel verhinderd terwijl materieel gezien van Duitsland een schadevergoeding kon worden geëist vanwege diefstal van researchgegevens.

2.14 Koninklijke Nederlandse Brigade prinses Irene en haar voorgangers, (1940) 1941-1945
(

Voor meer informatie, zie onder andere: Enquêtecommissie regeringsbeleid 1940-1945 deel 8a en b, 164-181; V.E. Nierstrasz De geschiedenis van de Koninklijke Nederlandsche Brigade Prinses Irene ('s-Gravenhage, 1959); L. de Jong, "Londen" in: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog (14 delen; Den H, 1995) 9, eerste helft 674-681.

)

Omstreeks 1 augustus 1940 werd het Nederlandse legioen opgericht.

Bij troepenorder nr. 9, van 10 januari 1941 werd met ingang van 11 januari 1941 de Koninklijke Nederlandse Brigade (KNB) opgericht.(

Inv. nr. 102, verbaal van 20 januari 194L nr. 34.

)

Op 22 januari 1941 werd een voorlopige instructie van de brigadecommandant vastgesteld(

Inv. nr. 102, verbaal van 22 januari 1941, nr. 1

), welke 24 januari daaropvolgend in werking trad.

De definitieve instructie van de commandant werd vastgesteld op 30 maart 1941. Hierin werd vastgelegd dat de commandant van de brigade verantwoording schuldig was aan de inspecteur der Nederlandse Troepen. In deze instructie werd ook de samenstelling van de Brigade geregeld.(

Inv. nr. 1058.

)

Bij Koninklijk Besluit van 26 augustus 1941 werd de naam gewijzigd in Koninklijke Nederlandsche Brigade prinses Irene.

De samenstelling, zoals die werd voorgenomen in de instructie zoals vastgesteld op 30 juni 1941 werd nooit bereikt. De sterkte van de brigade werd telkens verzwakt. Dit door het uitzenden van detachementen naar Suriname en het Verre Oosten, door detachering van leden van de brigade bij de Britse commando's, door aanwijzing van militairen van de brigade voor het uitvoeren van gronddiensten bij 322 Squadron, door het onttrekken van een detachement voor de bewaking van de Koningin en door het plaatsen van leden van de brigade op koopvaardijschepen, waar ze fungeerden als kanonnier. Aldus werkte de KNB prinses Irene lange tijd als een reservoir, waaruit naar behoeve geput kon worden. Dit resulteerde erin, dat de organisatie die men aanvankelijk voor ogen had niet gerealiseerd kon worden.

De indeling bij XXI Army Group in juli 1943 en het toevoegen van 100 mariniers aan de brigade in april 1944 bracht uiteindelijk de brigade op sterkte.

Voor een gedetailleerde beschrijving van de gevechtshandelingen verwijzen we naar het boek van Nierstrasz.(

V.E. Nierstrasz, De geschiedenis van de Koninklijke Nederlandsche Brigade Prinses Irene 's-Gravenhage, 1959.

)

Op 24 december 1945 werd de brigade, bij KB van 14 december 1945, nr. 11, opgeheven. (LO 1946, nr. 3.)

Tot de voornaamste taak van de brigade behoorde het daadwerkelijk meehelpen aan de bevrijding van Nederland; gezien de nauwe samenwerking met de geallieerden moesten de manschappen geoefend worden en inzicht hebben in de opvattingen en regels van die geallieerde bondgenoten.

Daarnaast werd het als neventaak gezien - tijdens het verblijf in Groot-Brittannië - het deelnemen aan de verdediging van het Britse grondgebied.

Commandant van de brigade waren achtereenvolgens:

  • kolonel H.I. Phaff: 11 januari - 1 september 1941(

    Zie inv. nr. 1275, nr. 101a GP.

    )
  • kolonel D. van Voorst Evevink: 1 september 1941 - 6 januari 1942(

    Inv. nr. 834.

    )
  • luitenant-kolonel A.C. de Ruyter van Steveninck: 6 januari 1942 -
2.15 Een korte biografie van F. Looringh van Beeck

F. Looringh van Beeck werd geboren op 27 mei 1895.

Op 17 april 1941 deelde de minister van Buitenlandse Zaken mee dat F. Looringh van Beeck op rijkskosten naar het Verenigd Koninkrijk kon overkomen. Loringh van Beeck was bij zijn opkomst 46 jaar en bezat de rang van luitenant.

Op 6 maart 1942 betuigde de minister van Oorlog zijn tevredenheid met de wijze waarop hij als commandant van het eerste detachement rekruten uit Zuid-Afrika was opgetreden.(

Inv. nr. 115, 6 maart 1942 nr. 18.

) Dit eerste transport van zo'n 100 man vormde de kern van wat later de Koninklijke Nederlandse Brigade prinses Irene zou vormen.

In november keurde de minister goed, dat Looringh van Beeck optrad als belangenbehartiger van Nederlandse militairen, afkomstig uit Zuid-Afrika die in het Verenigd Koninkrijk verbleven.(

Inv. nr. 147, 13 november 1942, nr. 19.

)

F. Looringh van Beeck werd bij zijn ontslag de titel van reserve kolonel titulair verleend.

Het archief van deze functionaris werd in 1991 overgenomen uit de korpsverzameling van het Garderegiment Fuseliers prinses Irene.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in