Pensioenregisters Landmacht
- Archiefinventaris
- Inleiding
- Inventarisnummers
- Bestanden
- Alle scans (0)
2.13.36
G.H. de Kinkelder en H.A.J. van Schie
Nationaal Archief, Den Haag
(c) 1979
Beschrijving van het archief
Naam archiefblok:
Pensioenregisters Landmacht, 1813-1945
Pensioenregisters Landmacht
Periode:
1813-1945
Omvang:
7.3 meter; 128 inventarisnummers
Taal van het archiefmateriaal:
Het merendeel der stukken is in het Nederlands.
Soort archiefmateriaal:
Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.
Archiefbewaarplaats:
Nationaal Archief, Den Haag
Samenvatting van de inhoud van het archief:
Het archief bevat persoonsgegevens uit de periode 1813-1927 van gepensioneerden van de Koninklijke Landmacht: staten, klappers en grootboeken betreffende gewone en buitengewone militaire pensioenen van de Land- en Zeemacht, pensioenen voor officieren en onderofficieren, weduwen en wezen, reservisten, arbeidsongeschikt geworden militairen en ambtenaren van het ministerie van Oorlog. Daarnaast zijn er registers bewaard met aantekeningen over pensioenaanvragen en -voordrachten.
Archiefvormers:
- Koninklijke Landmacht
Archiefvorming
Geschiedenis van de archiefvormer
Reeds vóór 1814 was het gebruikelijk dat aan ambtenaren en militairen een pensioen werd toegekend, indien zij aan bepaalde voorwaarden voldeden. Bij Besluit van de souverein vorst van 24 april 1814 nummer 117 werd deze materie opnieuw geregeld. Het ministerie van Financiën diende een grootboek bij te houden en daarin alle pensioenen in te schrijven. Het verlenen van pensioen geschiedde bij Koninklijk Besluit. Het grootboek werd in vijf afdelingen gesplitst, nl. voor de militaire pensioenen, de militaire weduwen- en wezenpensioenen, de marine pensioenen, de burgerlijke pensioenen en de kerkelijke pensioenen.
In 1819 werd het grootboek gesplitst in gewone en buitengewone pensioenen. Dit hield verband met de splitsing van de staatsbegroting in gewone en buitengewone dienst.
In verband met het bepaalde in artikel 58 van de Grondwet van 1848 diende het verlenen van pensioenen bij wet te worden geregeld. Deze wet kwam in 1851 tot stand (Wet van 28 augustus 1851, S. 129). Bij de wetten van 9 juni 1902, S. 90, en van 17 februari 1922, S. 66, werden de pensioenregelingen verbeterd. De wetten van 6 juni 1905, S. 177, en van 13 juli 1923, S 356, kenden het recht van pensioen toe aan het reserve-personeel van de krijgsmacht.
Voortdurend pensioen werd toegekend aan officieren na 40 jaar dienst, aan onderofficieren en minderen na 30 jaar dienst en bij ontslag wegens ongeschiktheid. Tijdelijke pensioenen konden verleend worden aan militairen die niet aan deze eisen voldeden.
Opgemerkt zij nog dat de Staat de pensioenen uitbetaalde, zonder dat de pensioengerechtigden ooit hebben bijgedragen in de kosten.



Reacties