Def / Onderscheidingen
- Archiefinventaris
- Inleiding
- Inventarisnummers
- Bestanden
- Alle scans (0)
2.13.184
H.E.M. Mettes, m.m.v. E.A. van Heugten en R. van Velden
Nationaal Archief, Den Haag
(c) 2012
Beschrijving van het archief
Naam archiefblok:
Ministerie van Defensie, Fonds Onderscheidingen
Def / Onderscheidingen
Periode:
1922-1998
merendeel 1940-1986
Omvang:
72,50 meter; 1156 inventarisnummers.
Taal van het archiefmateriaal:
Het merendeel der stukken is in het Nederlands.
Soort archiefmateriaal:
Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.
Archiefbewaarplaats:
Nationaal Archief, Den Haag
Samenvatting van de inhoud van het archief:
Dit archief omvat de neerslag van het handelen van het Bureau Onderscheidingen, de Commissie voor Militaire Onderscheidingen en overige archiefvormers op het gebied van (militaire) onderscheidingen. De neerslag bestaat onder meer uit het hele proces dat voortkomt uit de aanvraag voor een militaire onderscheiding: voordracht, toekenning of afwijzing. Het archief omvat de registratie van aangevraagde en toegekende onderscheidingen en verstrekte adviezen inzake voordrachten. Op een deel van het archief zitten verschillende nadere toegangen in de vorm van indexen, indices en registers. Deze zijn te vinden in de inventaris en kunnen als hulpmiddel dienen om eenvoudiger of sneller stukken in het archief te vinden.
Archiefvormers:
- Ministerie van Defensie
Archiefvorming
Geschiedenis van de archiefvormer
1. Inleiding
Aan (oud)militairen, die zich hebben onderscheiden door moedig en vaderlandslievend gedrag, kan een koninklijke onderscheiding worden toegekend. Een onderscheiding is koninklijk wanneer deze wordt toegekend door de Kroon. Tot de koninklijke onderscheidingen behoren de drie ridderorden:
- de Militaire Willemsorde
- de Orde van de Nederlandse Leeuw
- de Orde van Oranje-Nassau
alle ingesteld bij wet. De Militaire Willemsorde is de hoogste militaire onderscheiding en kan in principe alleen aan militairen worden toegekend, hoewel een enkele keer ook burgers ermee worden onderscheiden. De beide andere ridderorden zijn bedoeld voor zowel burgers als militairen. Andere koninklijke onderscheidingen zijn het Bronzen Kruis (1940), het Kruis van Verdienste (1941), de Bronzen Leeuw (1944), het Vliegerkruis (1944) en de Verzetsster Oost-Azië (1948). De overige onderscheidingen worden niet door de Kroon, maar door de minister van Defensie toegekend (niet per koninklijk besluit, maar per ministeriële beschikking). In deze categorie vallen bijvoorbeeld het Kruis voor Recht en Vrijheid (1950), het Nieuw-Guinea Herinneringskruis (1962), Verzetsherdenkingskruis (1980) en recent de Marinemedaille (1985), het Ereteken van Verdienste (1987) en het Draaginsigne Gewonden (1990). Naast dapperheidonderscheidingen kunnen militairen eretekenen en medailles ontvangen voor langdurige dienst en medailles voor deelname aan bepaalde militaire operaties. Deze laatste categorie, de zogenaamde 'campaign medals' worden meer automatisch en collectief toegekend dan de dapperheidonderscheidingen. Een voorbeeld van een 'campaign medal' is de Herinneringsmedaille VN-vredesoperaties, ingesteld in 1980 en door de minister toegekend.
De koninklijke - en ministeriële besluiten waarbij militaire onderscheidingen, eretekenen en medailles worden ingesteld, worden geconcipieerd bij Defensie. Wanneer de betreffende onderscheiding ook aan burgers kan worden verleend, vindt overleg plaats met Binnenlandse Zaken en soms andere ministeries. Tot 1964 bestonden er twee bureaus Onderscheidingen, één bij het Ministerie van Oorlog en één bij dat van Marine, die ook na de samenvoeging van beide ministeries nog enige jaren allebei bleven bestaan. Sinds 1964 bestond er één centraal bureau Onderscheidingen, direct onder de Secretaris-Generaal, dat alle zaken betreffende onderscheidingen, toe te kennen aan militairen van de drie krijgsmachtdelen, behandelde. In 1976 werd het bureau een onderdeel van het centrale Directoraat-Generaal Personeel. In 1992 werden de taken van het bureau overgenomen door de Sectie Onderscheidingen van het Bureau Secretaris-Generaal (BSG).
De toekenning van de verschillende soorten onderscheidingen, eretekenen en medailles gaat als volgt. De Militaire Willemsorde kan worden toegekend op voorstel van een commandant, van een betrokken militair of derden aan de minister (in de praktijk de Sectie Onderscheidingen en zijn voorgangers). De sectie gaat de antecedenten van de betreffende persoon na en legt het voorstel voor aan de Commissie Dapperheidonderscheidingen (voorganger: Commissie Militaire Onderscheidingen), bestaande uit officieren van drie, later vier krijgsmachtdelen. Gaat deze commissie akkoord, dan gaat het voorstel naar het Kapittel van de Militaire Willemsorde, dat aan de minister van Defensie een eindoordeel uitbrengt. Is dit gunstig, dan draagt de minister de betrokkene voor benoeming tot ridder voor aan de Kroon. Voor de beide andere ridderorden is de procedure hetzelfde, alleen neemt dan de interdepartementale Decoratiecommissie de plaats in van het kapittel. Andere koninklijke onderscheidingen worden eveneens toegekend op voordracht van de commandant, de betrokkene zelf of derden. Per krijgsmachtdeel worden de verzoeken van commandanten verzameld door de betreffende afdeling van de directies Personeel van de krijgsmachtdelen en doorgezonden naar de Sectie Onderscheidingen van het BSG. Dit gaat weer de antecedenten van de te onderscheiden militair na en legt de voorstellen voor onderscheiding voor aan de Commissie Dapperheidsonderscheidingen. Gaat deze akkoord, dan wordt een ontwerp-koninklijk besluit opgemaakt. Bij door de minister toe te kennen onderscheidingen is de procedure eenvoudiger: na antecedentenonderzoek wordt direct een ministerieel besluit opgemaakt door de betreffende afdeling van de directie Personeel van het krijgsmachtdeel.
Medailles en eretekenen voor langdurige dienst worden min of meer automatisch per krijgsmachtdeel toegekend bij een bepaald aantal dienstjaren en goed gedrag. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw zijn de personeelsregistratiesystemen geautomatiseerd en kunnen daar ook de gegevens voor de toekenning van deze onderscheidingen aan worden ontleend. Wel worden ook daarbij door de centrale Sectie Onderscheidingen de antecedenten van de betrokkenen nagegaan. Hetzelfde geldt voor de 'campaign medals' die meestal collectief aan de deelnemers aan een bepaalde operatie worden toegekend.
Aangezien het ontvangen van een onderscheiding, ereteken of medaille geen recht is, wordt de regelgeving op dit gebied niet besproken in het Centraal Georganiseerd Overleg Militairen of andere rechtspositionele overlegfora. Evenmin kunnen militairen bezwaarschriften indienen wanneer zij geen onderscheiding krijgen. Wel worden door de Sectie Onderscheidingen klachten van militairen op dit gebied behandeld.
Begin 2000 stelde minister De Grave de Commissie toekomst decoraties van de minister van Defensie in. De commissie, onder leiding van commodore Van Dam, boog zich over de hervorming van het decoratiestelsel. De hervorming was nodig in verband met het veranderde en verbreedde takenpakket van de militair die met de gewijzigde (inter-) nationale orde vooral de wereldvrede bewaakt. Bij zo´n modernisering en de daarmee samenhangende verjongingskuur van het personeelsbestand past een decoratiesysteem ´nieuwe stijl´, zo vond men. Het eindrapport dat verscheen in juli 2001 was het resultaat van uitgebreid overleg met instanties binnen en buiten de krijgsmacht. De commissie was van oordeel dat er één herinneringsmedaille voor alle vredesoperaties moest komen. Dit werd de Herinneringsmedaille Vredesoperaties.
2. Organisatie
2.1 Hoofdregelingsbureau
Na de capitulatie van het Nederlandse leger op 15 mei 1940 werd ook de Generale Staf (GS) i.c. het Algemeen Hoofdkwartier opgeheven. De lopende zaken werden afgehandeld door enige afdelingen van de GS. In de eerste maanden van de bezetting bleven verschillende afdelingen van de GS functioneren. Op of rond 15 juli 1940 werd het Hoofdregelingsbureau ingesteld. Dit kan worden gezien als rechtsopvolger van het AHK en stond onder leiding van generaal-majoor N.T. Carstens. Het Hoofdregelingsbureau handelde de lopende zaken verder af.
2.2 Commissie ter beoordeling tot toekenning van de Militaire Willemsorde of van een eervolle vermelding van hen wier gedrag tijdens de oorlogsdagen daartoe aanleiding heeft gegeven, 1940-c. 1941
Bij beschikking van de Opperbevelhebber der Land- en Zeemacht werd per 28 mei 1940 een commissie benoemd die moest onderzoeken of het gedrag van militairen gedurende de meidagen van 1940 wellicht in aanmerking kwam voor een Militaire Willemsorde of een eervolle vermelding. Tot leden van de commissie werden benoemd de commandant van het Veldleger, die tevens voorzitter van de commissie werd. De commandanten van het I Legerkorps, de Vesting Holland, de Stelling van Den Helder en de van de Luchtverdediging fungeerden als leden. Op 15 juni 1940 startte de commissie haar onderzoek. Al vrij snel, 10 juli daaropvolgend, besliste de Deutsche Kommissar für die Demobilmachung der Niederländischen Wehrmacht, dat de commissie haar werkzaamheden moest staken en ontbonden diende te worden. Na een gesprek van de chef van het Hoofdregelingsbureau met de Wehrmachtsbefelshaber in den Niederlanden werden de werkzaamheden van de commissie overgenomen door eerstgenoemde chef. De chef van het Hoofdregelingsbureau liet zich adviseren door opper– en vlagofficieren.
2.3 Commissie voor Militaire Onderscheidingen te Londen, 1941-1946
De Commissie voor Militaire Onderscheidingen werd ingesteld bij Koninklijk Besluit van 30 juni 1941, nummer 3. De commissie adviseerde de ministers van Defensie en van Koloniën over het toekennen van het Bronzen Kruis en eervolle vermeldingen. Ook verving de commissie het Kapittel van de Militaire Willemsorde.
2.4 Commissie Verantwoording Krijgsgevangen Officieren der Koninklijke Landmacht
Voor de taken en geschiedenis van deze commissie wordt verwezen naar inventaris nummer 2.13.99 van het archief van het Ministerie van Defensie, Collectie Zuiveringen, 1945-1959.
2.5 Commissie Militaire Onderscheidingen, 1946-1952 (1953)
Deze interdepartementale commissie werd ingesteld bij gezamenlijke beschikking door de ministers van Oorlog, Marine en Overzeese Gebiedsdelen van 30 maart 1946 (
Legerorder nr. 103. Legerorder 1953, 75.
In een brief van de Algemene Rekenkamer aan de minister van Oorlog waarin de Rekenkamer verslag deed van een onderzoek naar de Commissie Militaire Onderscheidingen (CMO) merkte de Rekenkamer op dat “(…) nu de toestand van ‘s-lands financiën tot de uiterste soberheid dwingt (…)” zij de uitgaven van de CMO onverantwoord achtte. De kosten van de CMO bedroegen vijftigduizend gulden per jaar. De Rekenkamer maande de CMO tot spoed bij haar werkzaamheden. De brief heeft er wellicht aan bijgedragen, dat de CMO per 1 november 1952 werd opgeheven. Het Afwikkelingsbureau CMO beëindigde haar werkzaamheden per 1 september 1953.
De Commissie behandelde de voordrachten voor koninklijke militaire onderscheidingen (Militaire Willemsorde, Bronzen Leeuw, Bronzen Kruis, Vliegerkruis, Kruis van Verdienste en nog enige andere onderscheidingen) en bracht als zodanig haar adviezen hierover uit aan de ministers van Oorlog, Marine, Uniezaken en Overzeese Gebiedsdelen en in afschrift aan de Minister-President. De Commissie vergaderde tweemaal per week. Daags na elke vergadering werden van de uitgebrachte adviezen brieven ontworpen bestemd voor de hierboven genoemde ministers. In het notulenboek werden de namen van voorgedragen personen aangestreept met blauw potlood indien een uitgaande brief gericht was aan een van de ministers en met rood potlood indien de brief gericht was met een advies aan het Kapittel der Militaire Willemsorde. Indien een advies gezonden werd aan het Kapittel der Militaire Willemsorde ging hierbij als bijlage een afschrift van de aanbiedingsbrief van de minister van wie de voordracht afkomstig was. In de brief werden ook opgenomen:
- een inventaris van de bijlagen
- het oordeel van de Commissie
Dossiers ter behandeling in de commissie werden veelal voorzien van gevechtsverslagen, dagboeken, enzovoorts. Deze werden aangevraagd bij het Krijgsgeschiedkundig Instituut. De ontvangen bescheiden moesten na afdoening – er werden afschriften gemaakt van bepaalde stukken die werden toegevoegd aan de voordracht - weer worden terugzonden naar het Krijgsgeschiedkundig Instituut.
2.6 Kabinet van de Legercommandant in Nederlands-Indië, 1945 – 1950
Ten aanzien van de van het Kabinet afkomstige bescheiden het volgende:
In 1950 werden de voor Nederland bestemde stukken gebundeld en genummerd volgens onderwerp en jaar en verzonden naar het HKGS. Daar vond uitdunning en een vrij willekeurig gewijzigde herbundeling plaats. Er werden stukken uitgelicht ten behoeve van de Sectie Krijgsgeschiedenis van de Generale Staf. Van de verwijderde stukken werd geen aantekening bijgehouden. Door het veelvuldig ontbreken van registratiekenmerken is niet meer na te gaan welke archiefstukken uit het archief werden gelicht. Het archief werd uiteindelijk ondergebracht bij het archief KL en bij de opheffing daarvan overgedragen aan het CAD.(
Uit: Inventaris van de collectie archieven strijdkrachten in Nederlands-Indië (1938 – 1939) 1941 – 1957 (1960), nummer toegang 2.13.132.
2.7 Hoofdkwartier van de Adjudant-Generaal in Nederlands-Indië, Bureau Onderscheidingen Koninklijke Landmacht/IIIA, 1947 – 1950
Het archief bevat stukken afkomstig van het Hoofdkwartier van de Adjudant-Generaal in Nederlands-Indië, Bureau Onderscheidingen Koninklijke Landmacht/IIIA, 1947 – 1950.
2.8 Commissie Mobilisatie-Oorlogskruis, 1948-1951
Het Mobilisatie-Oorlogskruis werd ingesteld in 1948 (
K.B. van 11 augustus 1948, Stb. 1948, nr. I 366.
K.B. van 10 oktober 1951, Stb. 1951, nr. 458.
2.9 Commissie Dapperheidsonderscheidingen, 1953 - 1963
De departementale interservice Commissie Dapperheidsonderscheidingen werd in 1953 ingesteld bij gezamenlijke beschikking van de ministers van Oorlog en Marine. In 1954
werd de taakstelling en samenstelling van de Commissie Dapperheidsonderscheidingen opnieuw vastgesteld.
In 1962 werd de Commissie Dapperheidsonderscheidingen uit 1953 opgeheven, onder gelijktijdige instelling van een nieuwe commissie onder dezelfde naam.(
Ministeriële Beschikking van 1 november 1962, P 103.221/1N. Landmachtorder 62070.
Geschiedenis van het archiefbeheer
Inhoud en structuur van het archief
Aanwijzingen voor de gebruiker
Openbaarheidsbeperkingen
Beperkingen aan het gebruik
Materiële beperkingen
Aanvraaginstructie
Citeerinstructie
Verwant materiaal
Beschrijving van de series en archiefbestanddelen
Na de capitulatie van het Nederlandse leger op 15 mei 1940 werd ook de Generale Staf en het Algemeen Hoofdkwartier (AHK) opgeheven. Op of rond 15 juli 1940 werd het Hoofdregelingsbureau ingesteld. Dit bureau kan worden gezien als rechtsopvolger van het AHK en stond onder leiding van generaal-majoor N.T. Carstens. Het bureau handelde de lopende zaken verder af. Zie ook: 2.13.70 Inventaris van het archief van de Koninklijke Landmacht: Generale Staf en daarbij gedeponeerde archieven, (1906) 1914-1940 (1941).
Zie ook: 2.13.71 Inventaris van de archieven van het Ministerie van Defensie te Londen [1940-1941]; Ministerie van Oorlog te Londen [1941-1945]; Departement van Oorlog: Bureau Londen [1945-1947], (1933) 1940-1947 (1974).
- 72 Naamindex inzake burgers welke door en tijdens verzet zijn omgekomen, circa 1946-1953 1 kaartsysteem
77 - 78 Naamindex op de behandelde verzetsvoordrachten met betrekking tot (medewerkers van) de Orde dienst, circa 1946-1953 1 kaartsysteem - 235 Grafiek inzake de afhandeling van voorstellen voor onderscheidingen van de commissie tussen 1947 en 1949, circa 1947-1949 1 stuk
- 238 Aantekening inzake de werkwijze en administratieve organisatie van de commissie, circa 1950 1 stuk
240 - 265, 1154 - 1155 Dossiers betreffende voordrachten voor onderscheidingen van militairen die hebben deelgenomen aan gevechten tijdens de meidagen 1940, circa 1950 10 pakken en 16 omslagen - 267 Stukken betreffende overzichten van de voortgang van de werkzaamheden van de commissie, 1950-1952 1 omslag
Zie ook inventaris 2.13.132, Ministerie van Defensie, collectie Archieven Strijdkrachten in Nederlands-Indië, (1938 – 1939) 1941 – 1957 (1960)
7. ARCHIEF VAN HET HOOFDKWARTIER VAN DE ADJUDANT GENERAAL IN NEDERLANDS-INDIË, BUREAU 7, ONDERSCHEIDINGEN KONINKLIJKE LANDMACHT/IIIA, 1947-1950
Zie ook inventaris 2.13.132, Ministerie van Defensie, collectie Archieven Strijdkrachten in Nederlands-Indië, (1938 – 1939) 1941 – 1957 (1960).



Reacties