Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Koloniën / Londen

2.10.45
A.M. Tempelaars
Nationaal Archief, Den Haag
1994
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.10.45
Auteur: A.M. Tempelaars
Nationaal Archief, Den Haag
1994
CC0

Periode:

1940-1948
merendeel 1940-1946

Omvang:

39,10 meter; 1224 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands en enkele stukken zijn in het Engels.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

De minister van Koloniën Ch.J.I.M. Welter had op 13 mei 1940 enkele ambtenaren naar Londen gestuurd. Daardoor, en door de aanwezigheid van enkele KNIL-officieren, kon het departement relatief snel weer worden opgebouwd. Voorjaar 1942 was een omslag voor het departement. In maart 1942 werd Nederlands-Indië bezet. Bij KB van 9 mei 1942 (C39) werd het bestuur van Nederlands-Indië overgeheveld naar het departement in Londen. Op 21 mei 1942 werd dr. H.J. van Mook minister van Koloniën. Kort daarop begon men met de voorbereidingen van de terugkeer. Eind 1942 kondigde Wilhelmina in een radiorede aan dat de staatkundige verhoudingen tussen Nederland en zijn koloniën, vanaf nu overzeese gebiedsdelen, na de oorlog ingrijpend zouden worden gewijzigd. De opbouw van het naoorlogse bestuursapparaat begon de aandacht te eisen. Van Mook werd in september 1944 benoemd tot tijdelijk luitenant-gouverneur-generaal. Op 1 augustus 1945 werd het departement in Londen opgeheven. Resterende taken werden afgehandeld door het Londen Bureau van het Departement van Overzeese Gebiedsdelen (LBOG). Dat bureau werd medio 1946 opgeheven.
Het archief bevat dossiers over het functioneren van het departement en over een groot aantal aspecten van de oorlogsvoering tegen Japan: het Besluit Rechtsverkeer in Oorlogstijd, geïnterneerden en krijgsgevangenen, voorbereidingen voor het hertstel van het bestuur in Nederlands-Indië, Suriname en de Nederlandse Antillen tijdens de oorlog, de aankoop van militair materiaal voor de koloniën, het Bureau Inlichtingen voor Nederlands-Indië, de Politieke Inlichtingen Dienst en de werving van personeel voor het bestuur in Indië. Tenslotte is er gedeponeerd archief van mr. N.S. Blom, secretaris van de Raad van Bijstand voor Nederlands-Indische Zaken.

Archiefvormers:

  • Ministerie van Koloniën 1842-1945
  • Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen 1945-1949
  • N.S. Blom

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Algemeen

Voor de inleiding is gebruik gemaakt van de inv.nrs. 357 en 488: Het dagboek van dr. G.H.C. Hart, Londen mei 1940-mei 1941, uitgegeven door A.E. Kersten, Den Haag 1976 en van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog door dr. L. de Jong, deel 9 en 11.

Op 10 mei 1940 vertrok de minister van Koloniën, Ch.J.I.M. Welter, samen met zijn ambtsgenoot van Buitenlandse Zaken naar Engeland om met de Britse en Franse regering besprekingen te houden over de situatie die ontstaan was na de Duitse inval. Na het vertrek op 13-14 mei van de Nederlandse regering naar Engeland trof Welter de nodige maatregelen om het opperbestuur over de overzeese gebiedsdelen vanuit Londen mogelijk te maken. De chefs van de ministeriële afdelingen I (Juridische Zaken, W.G. Peekema), II (Financiën en begroting, J. Hardeman), IV (West-Indische Zaken, A. Muhlenfeld) en VIII (Economische Zaken, G.H.C. Hart) werden met spoed naar Londen gedirigeerd. Bij deze groep voegde zich een aantal KNIL-officieren onder leiding van kolonel Verniers van der Loeff. Deze officier en lnt.kol. De Blieck zouden aan het hoofd gesteld worden van de koloniale militaire afdeling in Londen. De overige KNIL-officieren werden naar New York gezonden, waar zij deel gingen uitmaken van de Aankoop Commissie voor het KNIL( Aanvankelijk de Royal- Netherlands-Iindies Ordnance Commission geheten, vanaf 27 januari 1941 de Netherlands Purchasing Commission ). Voorts werden nog enige hoge ambtenaren in Londen bij het ministerie gedetacheerd, die zich min of meer toevallig in het buitenland bevonden tijdens de Duitse inval: J.H. Delgorge en P.H. Westermann( Delgorge bevond zich als Nederlands adviseur bij de conferentie voor internationale opiumzaken in Genève; Westermann als secretaris van de Internationale Rubbercommissie te Londen. ). Deze personen zouden gedurende de oorlog de kern van het departement in Londen vormen. Het overige ministerie-personeel werd gerecruteerd uit in Londen aanwezige Nederlanders, Engelandvaarders, gestrande Indische verlofgangers en incidenteel uit gespecialiseerd personeel overgezonden uit Nederlands-Indië. Aldus werd naar analogie van het Haagse model een organisatie geschapen, die in staat was de administratieve taken voortvloeiend uit het opperbestuur over de overzeese gebiedsdelen onder verantwoordelijkheid van de minister van Koloniën te vervullen. Feitelijk kwamen hier nog enige taken bij, omdat ook een deel van de taken van het Commissariaat voor Indische Zaken (personele en materiële zaken voor de koloniën) in Londen vervuld diende te worden, alsmede de afzet van de koloniale produkten, hetgeen voordien aan het particulier initiatief werd overgelaten.

Welter was na onenigheid met Gerbrandy in november 1941 teruggetreden als minister van Koloniën en Gerbrandy had diens functie op zich genomen. Op 21 mei 1942 nam Van Mook zijn taak als minister over en zou Gerbrandy naast minister-president tevens optreden als minister van het per genoemde datum opgerichte Ministerie van Algemene Oorlogvoering van het Koninkrijk.

Een belangrijk keerpunt in de organisatie en functievervulling van het ministerie vond plaats na de bezetting van Nederlands-Indië in maart 1942. Bij KB van 9 mei 1942 Stb. C39 werd het algemeen bestuur over Nederlands-Indië, voorheen een taak van de gouverneur-generaal, overgedragen aan de minister van Koloniën. De operationele zeggenschap over de strijdkrachten in het Oosten kwam echter onder de minister van Marine, admiraal Furstner, met C.E.L. Helfrich als bevelhebber in Australië( Overleg over militaire zaken tussen Furstner en Van Mook vond plaats binnen de Ministeriële Commissie Oorlogvoering. ). Het beheer van de Indische koopvaardijvloot kwam in handen van de minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart. Hiermee werd een scheiding aangebracht tussen de koloniale civiele en de militaire sector.

Een groep Indische hoofdambtenaren onder leiding van H.J. van Mook had vlak voor de capitulatie Nederlands-Indië verlaten en hieruit was de Nederlands-Indische Commissie voor Australië en Nieuw-Zeeland onder leiding van Van der Plas gevormd( Besluit van luitenant-gouverneur-generaal van 7 april 1942, nr. 1 Instructie bij besluit van de minister van Koloniën van 23 september 1942 nr. 3, Stcrt. 20 oktober 1942, nr. 8. ). Een aantal ambtenaren ging met Van Mook mee naar Londen, waar zij in de koloniale adviescolleges werden opgenomen.

Van Mook ging op basis van de taakuitbreiding en wegens de inpassing van zijn Indische adviseurs in augustus 1942 over tot herverdeling van werkzaamheden en reorganisatie van het ministerie. Hij werd bij de uitoefening van het algemeen bestuur over Nederlands-Indië terzijde gestaan door de Raad van Bijstand voor Nederlands-Indische Zaken, een adviesorgaan zoals voorheen de Raad van Nederlands-Indië.( De Raad werd ingesteld bij KB van 5 juni 1952 Stb. C44. ) Ter behartiging van de Indische belangen in Amerika werd kort daarop de Commissie voor Nederlands-Indië, Suriname en Curaçao opgericht, die deel uit maakte van de Missie voor Economische, Financiële en Scheepvaartaangelegenheden van het Koninkrijk in Amerika.( Ingesteld bij KB van 28 augustus 1942, nr. 1. Instructie bij besluit van de minister van Koloniën van 23 september 1942, nr. 4, Stcrt. 20 oktober 1942, nr. 8. ) Omdat vrij veel adviserende leden in de jaren 1942-1944 verspreid raakten over Amerika en Australië bepaalde Van Mook, dat deze leden zowel deel zouden uitmaken van de Raad van Bijstand in Londen als van de Commissie in Amerika. De eind 1943 afgekondigde wetsbesluiten D65 en D66, die een voorlopige regeling troffen voor de terugkeer van de Nederlands-Indische regering, hadden voor de organisatie van het ministerie tot gevolg, dat er een Politieke Inlichtingendienst, annex wervingsbureau voor de Indische dienst werd opgericht. Stb. D65 is op 14 september 1944 van kracht geworden, de datum waarop Van Mook tijdelijk werd belast met de functie van luitenant-gouverneur-generaal. Alle bevoegdheden met betrekking tot het algemeen bestuur gingen over van de minister van Koloniën naar de luitenant-gouverneur-generaal. Dit werd definitief na Van Mooks aftreden als minister van Koloniën op 23 februari 1945.

In september 1944 werd getracht contact op te nemen met het Ministerie van Koloniën in Nederland, dat naar Zutphen was geëvacueerd. Wervingen voor de koloniale dienst verliepen vanaf 1944 via Sectie XV van het Militair Gezag, dat in Eindhoven gevestigd was.

In het licht van de nieuwe staatkundige verhoudingen, zoals in het vooruitzicht gesteld door de rede van koningin Wilhelmina van 7 december 1942, werd bij KB van 12 april 1945 nr 16 de naam van het ministerie met terugwerkende kracht tot 23 februari 1945 gewijzigd in Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen.

Het Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen in Londen werd bij beschikking van 21 juli 1945 nr. 1/Kabinet met ingang van 1 augustus 1945 opgeheven. In juli-augustus 1945 werd de verhuizing van het ministerie van Londen naar Den Haag voltooid en samengevoegd met in Den Haag, Zutphen en Eindhoven functionerende organen. Voor de afwikkeling van de vnl. militaire koloniale belangen in Engeland werd met ingang van 1 augustus 1945 het Londen Bureau van het Departement van Overzeese Gebiedsdelen (LBOG) opgericht.( Beschikking van 30 juli 1945, nr. 1/Kabinet. ) Medio 1946 kwam aan de taak van dit bureau een einde. Het Handelscommissariaat voor Nederlands-Indië onder het bevel van P.H. Westermann bleef tot 1948, geïncorporeerd in de Nederlandse ambassade, in Londen gevestigd.

Organisatie-overzicht
Ministers van Koloniën

Ch.J.I.M. Welter 10-08-1939 t/m 20-11-1941

prof.mr. P.S. Gerbrandy, ad interim 20-11-1941 t/m 25-02-1942

prof.mr. P.S. Gerbrandy 25-02-1942 t/m 21-05-1942

dr. H.J. van Mook 21-05-1942 t/m 23-02-1945

prof.ir. J.I.J.M. Schmutzer 23-02-1945 t/m 24-06-1945

Organisatie per 28 mei 1940

Zie beschikking van 1 juni 1940, nr. 30/B; mededeling aan de gouverneur-generaal en de gouverneurs van Suriname en Curaçao.

secretaris-generaal: J. Hardeman

Afd. A: Staatsrechtelijke en juridische zaken, internationale zaken (uitgezonderd monetaire en economische aangelegenheden): mr. W.G. Peekema

Afd. B: Financiële en monetaire zaken: J. Hardeman

Afd. C: Economische zaken in ruime zin, handel en scheepvaart, gouvernementsbedrijven handelspolitiek (ook politieke zaken Oost-Azië en Amerika): mr. G.H.C. Hart

Afd. D: West-Indische Zaken: A. Muhlenfeld

Afd. E: Personele zaken: J.H. Delgorge

Afd. F: Agenda, archief en expeditie: J.H. Delgorge

Afd. G: Militaire zaken en aanschaffingen (ook voor de burgerlijke departementen): kol.ir. H.J.W. Verniers van der Loeff

Organisatie per 24 augustus 1942

Organisatie volgens beschikking 24 augustus 1952, nr. 649/IX.2.

secretaris-generaal: J. Hardeman

secretaris van de Raad van Bijstand voor Nederlands-Indische Zaken: mr. N.S. Blom

Afd. I: Algemene en Juridische Zaken: mr. W.G. Peekema

Afd. II: Kabinet en personele zaken, archief, expeditie: J.H. Delgorge

Afd. III: Financiën, waaronder munt- en bankzaken: J. Hardeman

Afd. IV: Comptabiliteit: H.J.M. Merhottein

Afd. V: Economische en scheepvaartzaken: P.H. Westermann

Afd. VI: Deviezen, burgerlijke luchtvaart: mr. D. Crena de Iongh

Afd. VII: Rechtsverkeer (besluiten A1, A6 en C18, zetelverplaatsingen): prof.mr. J. Eggens

Afd. VIII: Militaire zaken en aanschaffingen: generaal-majoor ir. H.J.W. Verniers van der Loeff

Afd. IX: West-Indische Zaken: A. Muhlenfeld

Afd. X: Informatie en publiciteit: mr. W.G. Peekem

Organisatie per 14 juli 1943

Organisatie volgens beschikking van 14 juli 1943, nr. 101/B.16 geheim.

Oprichting van het Bureau Inlichtingen voor Nederlands-Indië.

Hoofd: ir. P.A. de Blieck; rechtstreeks onder de minister van Koloniën, uitoefenende het algemeen bestuur over Nederlands-Indië.

  1. verkrijgen van inlichtingen uit en over Nederlands-Indië;
  2. geheime berichtgeving en propaganda naar Nederlands-Indië;
  3. ondergrondse actie in Nederlands-Indië;
  4. aanwerving van personeel voor deze doeleinden en hun vervoer naar het verre oosten;
  5. afschaffing van materieel voor deze doeleinden en de verzending daarvan naar het verre oosten;
  6. onderhouden van contact met de overeenkomstige diensten van de Departementen van Oorlog en Marine;
  7. onderhouden van contact met de overeenkomstige Britse en Amerikaanse diensten;
  8. correspondentie met de met de onder a. t/m e. omschreven taak belaste Nederlandse of Nederlands-Indische organen buiten Engeland.

Het Bureau Inlichtingen gaat per 21 december 1943 op in de Afdeling VIII-A.

Organisatie per 21 december 1943

Organisatie volgens beschikking 21 december 1943, nr. 1068/IX.2A.

Afd. V-A: Scheepvaartzaken en sociale zorg Indonesische zeelieden: L. Speelman

Afd. VIII-A: Politieke Inlichtingen Dienst en Werving personeel voor de Indische Dienst: kol.ir P.A. de Blieck

Organisatie per 23 februari 1945

Organisatie volgens KB van 12 april 1945, nr. 16 met terugwerkende kracht tot 23 februari 1945.

Naam van het ministerie gewijzigd in Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen.

Organisatie per 28 februari 1945

Organisatie volgens beschikking 28 februari 1945, nr. 306/IX.23.

Afd. VIII-A: opgeheven m.i.v. 1 maart

Afd. VIII: bureauindeling:

  1. Bureau Inlichtingen, alsmede olie-inlichtingen, aanschaffing (voor zover ver niet onder afd. V), bijzondere opdrachten. kol.ir. P.A. de Blieck.
  2. Bureau Algemene en Personele Zaken. lnt.kol. J. Klein
  3. Bureau Defensie en Organisatie. lnt.kol. A.L.A. Coppens.
  4. Bureau Militaire Administratie en Intendance. Lnt.kol. J.F. Snijdewint.
Organisatie per 1 augustus 1945

Opheffing Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen in Londen m.i.v. 1 augustus 1945.( Beschikking van 21 juli 1945, nr. 1/Kabinet. )

Oprichting van het Londen Bureau van het Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen.( Beschikking van 30 juli 1945, nr. 1/Kabinet. )

Hoofd: kol. ir. P.A. de Blieck; onderhoofd: lnt.kol. P.G.H. van der Harst

  • zorg voor de huisvesting, verpleging en verscheping naar hun bestemming van militaire en civiele landsdienaren van Nederlands-Indië, Suriname en Curaçao;
  • behandeling van zaken betreffende Indische militaire organisaties in Engeland; contact met Nederlandse, Britse en geallieerde officiële en andere instanties aangaande militaire zaken en de Olie-Inlichtingendienst.
  • afwikkeling van lopende aanschaffingen verricht door de voormalige afdeling VIII van het departement;
  • alle verdere zaken, het Departement van Overzeese Gebiedsdelen betreffende, welke in Groot-Brittannië en Noord-Ierland dienen te worden behandeld, met uitzondering van economische en financiële zaken.

Voor alle militaire zaken stond het Hoofd LBOG rechtstreeks onder de bevelen van het hoofd van de Afdeling Militaire Zaken van het Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen in Den Haag. Onder de bevelen van het hoofd LBOG stond de commandant van het Departement Europa van het KNIL en het overige niet tot dit detachement behorende personeel van het KNIL in Groot-Brittannië.

Handelscommissariaat voor Nederlands-Indië

Het Handelscommissariaat voor Nederlands-Indië (hoofd P.H. Westermann) was tot juli 1945 samengevoegd met de Vijfde Afdeling van het ministerie. Bij beschikking van 21 juli 1945 nr.1/Kabinet werd het handelscommissariaat formeel ondergebracht bij de Nederlandse ambassade in Londen. De taken werden in het genoemde besluit als volgt omschreven:

  • behartiging van de economische belangen van Nederlands-Indië in het Verenigd Koninkrijk;
  • bemoeienis met het beheer van het Nederlands-Indisch deviezenvermogen in Groot-Brittannië;
  • afwikkeling van gestrande ladingen;
  • aanschaffing van goederen voor relief en rehabilitatie voor Nederlands-Indië.

De handelscommissaris stond onder de bevelen van de Directeur van Economische Zaken in Batavia.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

  • 1. Op 2 maart 1942, vlak voor de capitulatie van Nederlands-Indië, vertrok het hoofd van het Indische Departement van Justitie, mr. N.S. Blom vanaf Batavia naar Australië. Dit vertrek geschiedde op bevel van gouverneur-generaal Van Starkenborgh Stachouwer, die het noodzakelijk achtte een vijftiental deskundige ambtenaren in onbezet gebied te hebben om een Indische regering in ballingschap te kunnen vormen. H.J. van Mook, die aan het hoofd van deze afvaardiging stond, splitste hen na aankomst in Australië op in twee groepen. De ene groep onder Ch.O. van der Plas werd geformeerd tot een in Australië zetelende rompregering, de Nederlands-Indische Commissie voor Australië en Nieuw-Zeeland. De andere groep volgde Van Mook in april 1942 naar Londen, waar zij zich voegden bij de Nederlandse regering, mr. N.S. Blom behoorde tot de laatstgenoemde groep.

    Op 21 mei 1942 werd Van Mook tevens belast met de functie van minister van Koloniën. Hij kreeg naast zich een college van advies, de Raad van Bijstand voor Nederlands-Indische Zaken, die op 10 juni 1942 werd ingesteld. Blom werd benoemd tot secretaris en lid van deze raad, waarin verder Raden Soejono, mr. D. Crena de Iongh, prof. Raden Loekman Dajadiningrat, prof. mr. J. Eggens en mr. J.E. van Hoogstraten zitting hadden. De raad verloor echter haar betekenis naarmate haar leden gedurende 1943-1944 meer en meer verspreid raakten over Australië en Amerika.

    Bij wetsbesluit C 26 van 21 maart 1942 werd door de Nederlandse regering in Londen de Buitengewone Raad van Advies ingesteld, waarvan de leden op 8 juni 1942 werden benoemd. Mr. N.S. Blom had in deze adviesraad zitting als een van de drie vertegenwoordigende leden van Nederlands-Indië. Bij het ontbreken van de volksvertegenwoordiging zou de Buitengewone Raad van Advies fungeren als een begeleidende instantie van de regering, die als een advies college tussen de koningin en de ministers werd geschoven. De ministers waren verplicht adviezen in te winnen inzake alle ontwerp-besluiten, waarin algemeen bindende regelingen werden vastgesteld, uitgezonderd besluiten van militaire aard.

    Het kabinet Gerbrandy kreeg bij de uitwerking van de beleidsplannen met betrekking tot de terugkeer naar Nederland steun vanuit particuliere hoek, toen de voorzitter van de raad van beheer van het Unilever concern, Paul Rijkens, in 1941 met het initiatief kwam hiertoe een studiecommissie op te richten. Deze Studie-Groep voor Reconstructie Problemen zou zich uitsplitsen in - een uiteindelijk aantal van - vierentwintig commissies. In de periode van eind 1942 tot begin 1944 produceerde de studie-groep een groot aantal rapporten over tal van onderwerpen, die men van belang achtte voor het beleid in het na-oorlogse Nederland. In totaal hebben ca. tweehonderd Nederlanders, meest hoge ambtenaren, hieraan deelgenomen.

    In verband met de wederoprichting van de Indische regering in september 1944 verplaatste mr. Blom zijn werkterrein van Londen naar Australië, waar hij weer belast werd met de leiding over het Departement van Justitie.

    De stukken over zijn werkzaamheden als hoofdambtenaar van het Ministerie van Koloniën in Londen zijn op de hierboven geschetste wijze terecht gekomen bij de geheime archieven van het Indische Departement van Justitie, die in 1951 met de zogenaamde 'Eerste Zending' door de hoge commissaris in Jakarta per schip naar Nederland werden gezonden. Bij de inventarisatie van dit bestand, dat werd aangeduid als Algemene Secretarie, Eerste en Tweede Zending is het door Blom in Londen gevormde archief hiervan afgescheiden en gedeponeerd bij het Londens archief van het Ministerie van Koloniën.

    2. Mr. Nicolaas Selhorst Blom, geboren 22 maart 1899 in Deventer, begon zijn loopbaan in 1924 bij de rechterlijke macht in Nederlands-Indië en werd in 1939 benoemd tot directeur van het Departement van Justitie.

    Bij het schrijven van deze inleiding is gebruik gemaakt van de stamkaarten van Indische Ambtenaren aanwezig in het archief van het Ministerie van Koloniën en van de delen IX en XI van het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog door dr. L. de Jong.

    3. In de periode 1944-1946 trad mr. Blom diverse malen op als plaatsvervangend gouverneur-generaal in de gevallen, dat Van Mook voor beraad naar het buitenland reisde. Blom werd op 31 mei 1946 eervol uit 's- lands dienst ontslagen.

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in