gahetNA in the National Archives

Kabinet Vice-MP / KabSNA

2.10.41
Centrale Archief Selectiedienst
Nationaal Archief, Den Haag
1986
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.10.41
Auteur: Centrale Archief Selectiedienst
Nationaal Archief, Den Haag
1986
CC0

Periode:

1937-1981
merendeel 1959-1975

Omvang:

46,00 meter; 1333 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het Kabinet van de Vice-Minister-President (voor Surinaamse en Nederlands-Antilliaanse Zaken) werd in 1960 ingesteld tot voortzetting van een deel van de taken van het in 1959 opgeheven Ministerie voor Zaken Overzee. Het werd belast met de coördinatie van de zaken betreffende Suriname en de Nederlandse Antillen, voortvloeiend uit het in 1957 gesloten Statuut. Tot het werkgebied behoorden onder meer: Coördinatie van de internationale aangelegenheden van politieke aard, van juridische, economische en financiële aard. Ook zaken van binnenlandse politieke aard, zoals de benoeming van Gouverneurs en hoge politieke en rechterlijke ambtenaren, migratie en militaire zaken behoorden tot haar werkzaamheden.
Het archief bevat agenda's en interne nota's van het Kabinet; begrotingsstukken; stukken m.b.t. de onafhankelijkheid; stukken over de benoeming en het functioneren van de gouverneurs; informatie over tal van ontwikkelingsprojecten (deels opgezet met behulp van Sticusa), economische aangelegenheden (delfstoffen, landbouw) en culturele zaken (waaronder toekenning van koninklijke onderscheidingen).

Archiefvormers:

  • Kabinet van de Vice-Minister-President [1959-1972]; Kabinet voor Surinaamse en Nederlands-Antilliaanse Zaken [1972-1975] (1937)
  • Kabinet van de Vice Minister-President
  • Kabinet voor Surinaamse en Nederlands-Antilliaanse Zaken

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

1. Ontstaansgeschiedenis van het Kabinet van de vice-minister-president
2.1 Organisatie

Het Kabinet van de vice-minister-president (Kabinet) werd per 1 september 1959 ingesteld, (

Ministeriële beschikking van 3 september 1959, nr. 567 CAP.

) Het was de opvolger van het in hetzelfde jaar opgeheven ministerie van Zaken Overzee, dat volgens de toenmalige kabinetsformateur, prof. dr. J.E. de Quay, geen bestaansrecht meer had. (

Koninklijk Besluit (KB) van 18 augustus 1959, nr. 9.

)
Het takenpakket van het ministerie was door de onafhankelijkheid van Indonesië in 1949 en door het feit dat Suriname en de Nederlandse Antillen, volgens het in 1954 tot stand gekomen Statuut veel interne zaken autonoom mochten regelen, behoorlijk uitgedund. De overgebleven taken werden over een aantal ministeries verdeeld. Het ministerie van Binnenlandse Zaken kreeg de zorg voor aangelegenheden betreffende Nederlands Nieuw-Guinea, terwijl het ministerie van Defensie werd belast met de zorg voor aangelegenheden betreffende het Koninklijk Militair Invalidenhuis Bronbeek. De coördinatie van aangelegenheden betreffende Suriname en de Nederlandse Antillen, waarbij Nederland krachtens het Statuut betrokken was, werd opgedragen aan de vice-minister-president.

De vice-minister-president vertegenwoordigde naast het Kabinet ook het ministerie waarvan hij minister was. De reden hiervan was gelegen in het feit dat hij aan de portefeuille van het Kabinet geen volledige dagtaak had. De eerste vice-minister-president die het Kabinet bestuurde was drs. A.H. Korthals, tevens minister van Verkeer en Waterstaat. Tot hoofd van het Kabinet met de persoonlijke titel van directeur werd drs. A. Jonkers benoemd.

Het Kabinet werd onderverdeeld in de afdelingen Internationale, Politieke en Algemene Zaken (Eerste afdeling), Juridische en Wetgevende Zaken (Tweede afdeling) en Financiële en Economische Zaken (Derde afdeling). De personele en comptabele aangelegenheden werden behartigd door het ministerie waarvan de vice-minister-president minister was. (

Inventarisnummer 15.

) Tijdens de regeringsperiode van het kabinet Den Uyl (1973-1977) werd beslist dat het ministerie van Landbouw en Visserij deze zaken zou blijven behartigen.

De uiteindelijke organisatievorm moest bij de instelling van het Kabinet nog zijn beslag krijgen. Tot dat tijdstip werd de organisatiestructuur van de directie Suriname en Nederlandse Antillen van het ministerie van Zaken Overzee overgenomen. (

Inventarisnummer 15.

) Ook het personeel van deze directie werd integraal overgenomen. (

Zie voor een algemeen overzicht van het personeel: bijlage 4.

)

In 1960 werd door de vice-minister-president een werkgroep ingesteld, die de opdracht kreeg een onderzoek in te stellen naar de taakomvang en organisatie van het Kabinet. Deze werkgroep bestaande uit de heren G. Hennephof, voorzitter, en A. Koot van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, de heer O. Josephus Jitta van het ministerie van Algemene Zaken, de heer P. Stoeven van het ministerie van Financiën en de heren A. Jonkers, K. de Boer en de secretaris H. Nieuwenhuijsen, van het Kabinet bracht op 31 januari 1961 een eindrapport uit waarin een herziene taakomvang werd gepresenteerd. Naast handhaving van de drie genoemde afdelingen adviseerde de werkgroep de instelling van een secretariaat. De bestaande personeelssterkte van 24 man werd door de werkgroep voldoende geacht. Het advies werd door de vice-minister-president overgenomen. (

Inventarisnummer 15.

)

In april 1965 startte het bureau voor Organisatie en Efficiency van het ministerie van Landbouw en Visserij een organisatieonderzoek bij het Kabinet. Aan de hand van de conclusies in het op 18 oktober 1965 verschenen rapport werd de organisatie opnieuw vastgesteld. Het bureau adviseerde onder meer uitbreiding van het personeelsbestand, daar deze voor de vervulling van de belangrijkste taken onvoldoende was gebleken.

Op 21 juni 1966 verzocht de vice-minister-president, mr. B.W. Biesheuvel, de minister van Binnenlandse Zaken om uitbreiding van het aantal personeelsleden. Ondanks het feit dat er door het rijk een personeelsstop was afgekondigd, werd dispensatie verleend voor een aantal aangevraagde functies. (

Inventarisnummer 15.

)

Met de reorganisatie in 1966 werd ook de doelstelling van het Kabinet opnieuw geformuleerd. "Een zodanige coördinatie van aangelegenheden Suriname en de Nederlandse Antillen betreffende dat het in het Statuut geformuleerde samenwerkingspatroon en de beleidsontwikkelingen dienaangaande gestalte en inhoud krijgen". Binnen de drie afdelingen vonden een aantal taakverschuivingen plaats terwijl ook de namen van de afdelingen werden gewijzigd in Algemene Zaken, Politieke en Juridische Zaken en Wederzijdse Bijstand.

In 1972 werd de naam van het Kabinet gewijzigd in Kabinet voor Surinaamse en Nederlands-Antilliaanse Zaken (KSNAZ). (

KB van 1 februari 1972, nr. 13.

) Drie jaar later was een naamsverandering noodzakelijk door de onafhankelijkheid van Suriname. Vanaf 25 november 1975 wordt gesproken van het Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse Zaken (KABNA). (

KB van 24 november 1975, nr. 277.

)
Beide naamswijzigingen waren uitsluitend het gevolg van politieke veranderingen.

Vanaf 1959 was het Kabinet gehuisvest in een pand op het Plein 1813 nr. 1 en in een pand op de Koninginnegracht nr. 40. De vice-minister-president trachtte het Kabinet onder te brengen in een pand gelegen op het Binnenhof nr. 4. Dit werd echter niet toegestaan. Na de aanname van nieuw personeel in 1966 werd het ruimtegebrek nog nijpender zodat men genoodzaakt was bij de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening extra ruimte in het pand Plein 1813 nr. 1 te claimen. Hieraan werd niet tegemoetgekomen. Uit het in 1969 verschenen derde interimrapport van de commissie Huisvesting Rijksapparatuur bleek dat de commissie het pand Plein 1813 nr. 4 voor het Kabinet had bestemd en de panden aan de Herengracht 19-19a voor het ministerie van Binnenlandse Zaken. Door toedoen van de vice-minister-president besloot men dit voorstel te wijzigen. In 1970 verhuisde het Kabinet naar de panden aan de Herengracht 19-19a. (

Inventarisnummer 60.

)

1.2 Taakuitvoering

Zoals vermeld was het Kabinet belast met de coördinatie van aangelegenheden Suriname en de Nederlandse Antillen betreffende. De drie afdelingen hadden ten aanzien hiervan ieder hun eigen werkzaamheden, die in de loop der jaren regelmatig werden gewijzigd en/of uitgebreid. Deze werkzaamheden bestonden onder meer uit adviseren met betrekking tot politieke en staatskundige aangelegenheden, bewaken van de voorschriften van het Statuut, toetsen van wettelijke regelingen aan het Statuut, behandelen van de vervanging van de gouverneurs en bestuderen van voorgelegde ontwikkelingsplannen. (

Zie voor een algemeen overzicht van de taken: bijlage 5.

)

Navolgend wordt wat dieper ingegaan op een aantal aangelegenheden waar het Kabinet krachtens zijn taakomschrijving bemoeienis mee had.

2. Staatsrechtelijke Verhouding

Zowel in Suriname als op de Nederlandse Antillen was in de loop der jaren, mede gezien het feit dat Nederland meer staatsrechtelijke hervormingen had toegezegd, het verlangen naar grotere politieke en staatskundige zelfstandigheid gegroeid. In 1948 werd tussen Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen een Ronde Tafel Conferentie gehouden over de vraag hoe de Nederlandse toezeggingen en de wensen van Suriname en de Nederlandse Antillen op elkaar konden worden afgestemd. Tijdens de tweede Ronde Tafel Conferentie op 3 april 1952 werd begonnen met de voorbereidingen van een definitieve regeling van een nieuwe rechtsorde voor

het Koninkrijk der Nederlanden. Op 15 december 1954 werd deze nieuwe rechtsorde, vervat in het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, door Koningin Juliana bevestigd en op 29 december van dat jaar afgekondigd. (

Proclamatie van 29 december 1954, in: De rechtsorde in het Koninkrijk der Nederlanden, de basisregelingen, vijfde (herziene) druk, 1981.

) Dit was tevens de datum van inwerkingtreding.

Het Statuut geldt als een rechtsregeling van de hoogste orde. Het staat als zodanig boven de Grondwet. Taken en bevoegdheden van de organen van het Koninkrijk worden in het Statuut geregeld. Bij wetgeving en bestuur, zowel in het Koninkrijk als in de onderscheiden landen, moet het Statuut in acht worden gehouden. Veranderingen in het Statuut worden door middel van een rijkswet aangebracht. De grondslagen van het Statuut zijn het gemeenschappelijk behandelen van Koninkrijksaangelegenheden, het verlenen van wederzijdse hulp en bijstand en het autonoom behandelen van landszaken. Onder Koninkrijksaanlegenheden vallen de handhaving van de onafhankelijkheid en de verdediging van het Koninkrijk, de buitenlandse betrekkingen, het Nederlanderschap, de regeling van de ridderorden alsmede van de vlag en het wapen van het Koninkrijk, de regeling van de nationaliteit van schepen, het toezicht op de algemene regelen betreffende de toelating en uitzetting van Nederlanders en vreemdelingen alsmede de uitlevering. (

Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (Statuut), par. 1, art. 3.

) Deze aangelegenheden worden behandeld in de Koninkrijksministerraad, waarin door de Koning benoemde ministers en door de regeringen van Suriname, respectievelijk de Nederlandse Antillen, benoemde gevolmachtigde ministers zitting hebben. (

Statuut, par. 2, art. 7.

)
De gevolmachtigde ministers nemen ook deel aan vergaderingen van vaste colleges en bijzondere commissies van de Koninkrijksministerraad. Naast de Koninkrijksministerraad is er een Koninkrijksparlement. In dit parlement hebben alleen de leden van de Nederlandse Staten-Generaal stemrecht. Leden van de Staten van Suriname en de Nederlandse Antillen hebben slechts een adviserende stem. (

Inventarisnummer 73.

)

Op verzoek van Suriname, dat meer zelfstandigheid bij het behartigen van buitenlandse betrekkingen en een zelfstandig lidmaatschap van de Verenigde Naties en andere internationale organisaties nastreefde, maar ondanks dat geen verbreking van de banden met Nederland en de Nederlandse Antillen wilde, werd in 1961 opnieuw een Ronde Tafel Conferentie gehouden. (

Inventarisnummer 91.

) Tijdens het overleg werd besloten een werkgroep in te stellen die een onderzoek zou doen naar de mogelijkheden van deze wensen. Initiatief van Suriname om de besprekingen voort te zetten kwam er niet, zodat de uitwerking van de verlangens van Suriname achterwege bleef.

Op 29 en 30 januari 1970 werd opnieuw overleg gevoerd over de staatkundige verhoudingen. Men kwam overeen op korte termijn verdere besprekingen te houden over de mogelijkheid die het Statuut bood tot meer zelfstandigheid voor Suriname en de Nederlandse Antillen, met name met betrekking tot het aangaan van internationale overeenkomsten, de invoering van de dienstplicht in Suriname en de invoering van het Surinaamse en Antilliaanse staatsburgerschap. Minister-president J. Sedney zei namens zijn regering dat men in Suriname nog niet naar algehele onafhankelijkheid streefde. Tijdens de voortzetting van de besprekingen in augustus van dat jaar werd besloten een Koninkrijkscommissie in te stellen die als taak kreeg "een keuze voor te bereiden uit realiseerbare alternatieven voor de huidige rechtsorde tussen de drie Rijksdelen en de volkenrechtelijke consequenties daarvan". Nadat in 1973 de regering Sedney ten val was gekomen en opgevolgd door de regering Arron, werd in een regeringsverklaring van 15 februari 1974 gesteld dat men de onafhankelijkheid niet later dan eind 1975 wilde verwezenlijken. Deze verklaring nam de Koninkrijkscommissie als uitgangspunt bij haar werkzaamheden. (

Inventarisnummer 76.

) Op 14 oktober 1974 werd het rapport "Ter voorbereiding van de onafhankelijkheid van Suriname" door de commissie uitgebracht, waarna de verdere voorbereidingen voor de onafhankelijkheid elkaar snel opvolgden. (

Inventarisnummer 86.

)
Op de regeringsconferentie van de drie Rijksdelen in mei 1974 werden in verband met de komende onafhankelijkheid de voorbereidingen van de rijkswet tot wijziging van het Statuut ter hand genomen. Met ingang van 25 november 1975 werd de statutaire band met Suriname verbroken. (

Rijkswet van 25 november 1975, nr. 617.

)

De Nederlandse Antillen wilden de onafhankelijkheid planmatig aanpakken en vroegen de Nederlandse regering om steun bij het uitwerken van de staatkundige veranderingen. Er werd een Nederlands-Antilliaanse/Nederlandse commissie ingesteld, die zich zou gaan bezighouden met de opstelling van een integraal sociaal-economisch en cultureel ontwikkelingsplan in verband met de komende onafhankelijkheid. (

Inventarisnummer 76.

)

De Koninkrijkscommissie, die volgens beide regeringen geen bestaansrecht meer had werd in 1976 ontbonden. (

KB van 26 november 1976, nr. 14.

)

3. Gouverneurs

De Koning wordt in de Nederlandse Antillen en Suriname, als hoofd van de regering, vertegenwoordigd door de gouverneur die op voordracht van de vice-minister-president door de Koning wordt benoemd. Zijn verantwoordelijkheden, verplichtingen en bevoegdheden worden geregeld bij rijkswet.

Tot de taken van de gouverneur, die uitvoerende macht heeft, behoren onder andere het vaststellen van landsverordeningen, de zorg voor 's Lands financiën en domeinen, alsmede het benoemen, schorsen en ontslaan van landsdienaren. (

Staatsregeling van Suriname, tweede hfdst., art. 13-14, 18 en Staatsregeling van de Nederlandse Antillen, tweede hfdst., art. 14-15, 18.

) Als orgaan van het Koninkrijk draagt hij zorg voor de afkondiging, uitvoering en naleving van rijkswetten en algemene maatregelen van rijksbestuur en heeft hij het bevel over de strijdkrachten. (

Reglementen voor de gouverneurs van Suriname en de Nederlandse Antillen, tweede afd., art. 19, 28.

)
De gouverneur heeft de mogelijkheid de landsorganen en de organen der eilandgebieden te verzoeken hem bij de uitoefening van zijn taken medewerking te verlenen.

De gouverneur wordt administratief bijgestaan door het Kabinet van de gouverneur.

4. Regering, volksvertegenwoordiging en -vertegenwoordigers

De regeringen van Suriname en de Nederlandse Antillen worden gevormd door de gouverneurs en de Raden van Ministers, die, nadat zij overleg hebben gepleegd met de Staten, door de gouverneurs worden benoemd. (

Staatsregelingen van Suriname en de Nederlandse Antillen, derde hfdst., derde afd., art. 37 lid 1.

) De verantwoordelijkheid van de ministers wordt bij landsverordening geregeld. Zij hebben zitting in de Staten van hun land maar hebben daarin slechts een raadgevende stem. (

Staatsregeling van Suriname, vierde hfdst., tweede afd., art. 64 lid 1 en Staatsregeling van de Nederlandse Antillen, vierde hfdst., tweede afd., art. 65 lid 1.

)

De Staten van Suriname en de Nederlandse Antillen bestaan uit 21, respectievelijk 22 leden, die voor een periode van vier jaar worden gekozen. Samen met de gouverneurs vormen zij de wetgevende macht. Zij beoordelen de door de gouverneurs aangeboden ontwerp-landsverordeningen en begrotingen, en kunnen zelf landsverordeningen aan de gouverneur voorstellen. (

Staatsregelingen van Suriname en de Nederlandse Antillen, vierde hfdst., derde en vierde afd.

) De zitting van de Staten wordt ieder jaar door de gouverneur geopend en gesloten. (

Zie inventarisnummers 150 en 155.

)

Naast de landsregering hebben de eilandgebieden van de Nederlandse Antillen hun eigen bestuur, bestaande uit de gezaghebber, de eilandsraad en het bestuurscollege. De Bovenwindse Eilanden hebben gezamenlijk een gezaghebber, een eilandsraad en een bestuurscollege.

De gezaghebbers worden op voordracht van de regering van de Nederlandse Antillen, door de Koning benoemd. Op Saba en Sint Eustatius wordt de gezaghebber vertegenwoordigd door administrateurs, die door de gouverneur worden benoemd en ontslagen. Als voorzitter van de eilandsraad, waarin hij een raadgevende stem heeft, is hij belast met de uitvoering van besluiten van de raad en van besluiten en beschikkingen van het bestuurscollege. (

Eilandenregeling van de Nederlandse Antillen, derde hfdst., art. 69 lid 1.

) Naast deze taak als bestuursorgaan verleent de gezaghebber ook medewerking en bijstand aan de uitvoering van de taak van de gouverneur. Bij afwezigheid wordt hij door een waarnemend gezaghebber vervangen, die door de gouverneur uit de gedeputeerden wordt benoemd. (

Eilandenregeling van de Nederlandse Antillen, derde hfdst., art. 66 lid 1.

)

De eilandsraad stelt landsverordeningen vast met betrekking tot eilandsaangelegenheden die volgens het Statuut of de Staatsregeling niet bij rijkswet of algemene maatregel van rijksbestuur worden geregeld. (

Eilandenregeling van de Nederlandse Antillen, eerste hfdst., vijfde afd., art. 24 lid 1.

)

De bestuurscolleges worden gevormd door de gezaghebber, die tevens voorzitter is, en een aantal gedeputeerden. Dit aantal verschilt per eilandgebied. Tot de taken van het bestuurscollege behoren onder andere het voorbereiden van al datgene wat er in de eilandsraad ter overweging en beslissing moet worden gebracht, het uitvoeren van besluiten van de raad en het beheren van de inkomsten en uitgaven van het eilandgebied. (

Eilandenregeling van de Nederlandse Antillen, tweede hfdst., art. 57, lid 1-2.

)

5. Wettelijke regelingen

De staatsinrichting van Suriname en de Nederlandse Antillen wordt geregeld in de Staatsregeling, die door middel van landsverordeningen kan worden veranderd. Hiervoor is 2/3 van de stemmen in de Staten nodig.

Aangelegenheden die het gehele Koninkrijk betreffen worden, voor zover zij niet in de Grondwet of internationale overeenkomsten worden geregeld, bij rijkswet of algemene maatregel van rijksbestuur vastgesteld. Wettelijke regelingen die alleen in Suriname en de Nederlandse Antillen gelden worden bij landsverordening vastgesteld. De landsverordeningen kunnen worden vergeleken met de wet in Nederland.

Naast de Staatsregeling, die geldt voor het gehele land, is het bestuur van de eilandgebieden geregeld bij de Eilandenregeling van de Nederlandse Antillen. Wettelijke regelingen op de eilanden worden bij eilandsverordening vastgesteld.

6. Wederzijdse hulp en bijstand

Naast het gemeenschappelijk behandelen van Koninkrijksaangelegenheden was het verlenen van wederzijdse hulp en bijstand één van de grondslagen waarop het Statuut was gebaseerd. Men beoogde hiermee onder meer de gelijkwaardigheid van de Rijksdelen op sociaal en economisch terrein te bewerkstelligen. Voor de bevordering van de hulp, die onder andere plaats vond op het gebied van de economie, cultuur, maatschappelijke zorg, openbare gezondheid en verkeer en vervoer, konden bijzondere vertegenwoordigers en organen worden ingesteld. Voorbeelden hiervan waren de vertegenwoordigers van Nederland voor de ontwikkelingshulp aan Suriname en de Nederlandse Antillen, (

Zie inventarisnummers 843-854.

) de Stichtingen tot Bevordering van Investeringen in Suriname en op de Nederlandse Antillen (SBIS en STINA), (

Zie inventarisnummers 895-899, 934-937.

)
de Stichting voor de ontwikkeling van de Machinale Landbouw in Suriname (SML), (

Zie inventarisnummers 962-969.

)
en de Stichting voor Culturele Samenwerking met Suriname en de Nederlandse Antillen (STICUSA). (

Zie inventarisnummers 1068-1073.

)

Suriname en de Nederlandse Antillen hadden de mogelijkheid buitenlandse organisaties om financiële steun te vragen voor de uitvoering van projecten. (

Zie inventarisnummers 821-842.

) Aan Nederland werd financiële steun gevraagd voor de uitvoering van ontwikkelingsplannen.

Navolgend wordt een overzicht gegeven van de plannen, die in de loop der jaren werden opgesteld en waaraan Nederland financieel deelnam.

7. Fondsen ten behoeve van de Nederlandse Antillen en Suriname
7.1 Technische Bijstand

Suriname en de Nederlandse Antillen hadden de mogelijkheid om in het kader van de Technische Bijstand uitzending van deskundigen te verzoeken. In 1956 werd voor het eerst een post voor Technische Bijstand op de begroting van het ministerie van Zaken Overzee geplaatst. (

Inventarisnummer 220.

)

De aanvraag om bijstand verliep volgens een vaste procedure. De gouverneur of gevolmachtigde minister verzocht het Kabinet in opdracht van Suriname en/of de Nederlandse Antillen om uitzending van een deskundige of deskundigen. Het Kabinet informeerde vervolgens bij ministeries of bedrijven of men personen beschikbaar had die eventueel voor uitzending in aanmerking konden komen. Alvorens het Kabinet kon beginnen met de vaststelling van de geldelijke voorwaarden voor de uitzending, moest het verzoekende land instemmen met de voordracht.

Aan het eind van de uitzendingsperiode werd door de deskundige een rapport opgesteld.

7.2 Projecten van sociale en educatieve aard van niet-commerciële en commerciële organisaties

In 1965 ging het Kabinet akkoord met een voorstel van de vertegenwoordiger van Nederland voor het Tienjarenplan Suriname om een apart fonds in te stellen voor aanvragen van particuliere organisaties om financiële steun voor de uitvoer van sociale en educatieve projecten. Deze projecten, die lagen op het gebied van het onderwijs, de bevordering van werkgelegenheid, de maatschappijke zorg en de sportbeoefening, werden voorheen uit de fondsen van het Tienjarenplan gefinancierd. Bij het verstrekken van gelden werd onderscheid gemaakt tussen niet-commerciële, voornamelijk op godsdienstige grondslag gebaseerde, en commerciële organisaties. Het verlenen van financiële hulp aan deze projecten werd aan enkele voorwaarden verbonden. Het project moest de goedkeuring hebben van de Surinaamse of Antilliaanse regering en het moest een bijdrage vormen aan de economische en sociale ontwikkeling van het land. Bovendien moest de organisatie die de steun aanvroeg 1/4 deel van de projectkosten en alle exploitatiekosten kunnen dragen. (

Inventarisnummer 358.

)

8. Fondsen ten behoeve van de Nederlandse Antillen
8.1 Plan ten behoeve van de ontwikkeling van Curaçao en Aruba

Om de economie en de werkgelegenheid op de Nederlandse Antillen te bevorderen werden er door de Antilliaanse regering ontwikkelingsplannen opgesteld die met name waren gericht op de bevordering van het toerisme, de industrialisatie en de handel.

Om de Nederlandse regering omtrent deze plannen te adviseren werd in 1956 de Interdepartementale Commissie ter Verbreding van de Welvaartsbasis ingesteld. (

Zie inventarisnummers 441-443.

)

In hetzelfde jaar werd ten behoeve van de ontwikkeling van Aruba en Curaçao een plan opgesteld, dat onder meer de bouw van twee hotels, de instelling van vrije havenzones en de uitbreiding van water- en energiebedrijven ten behoeve van de industrie omvatte. Nederland bleek niet in staat om aan de financiering van dit ontwikkelingsplan deel te nemen, maar was bereid een garantie van f 38.000.000 te geven voor de betaling en aflossing van het kapitaal dat door de Nederlandse Antillen elders moest worden geleend. (

KB van 9 januari 1958, nr. 1.

)

8.2 Driejarenplan voor de ontwikkeling van Bonaire en de Bovenwindse Eilanden

In 1959 werd door de regering van de Nederlandse Antillen aan Nederland een driejarenplan aangeboden om de economische ontwikkeling van Bonaire en de Bovenwindse Eilanden te bevorderen. Het feit dat de Nederlandse Antillen de jaarlijkse tekorten op de begroting van zowel Bonaire als de Bovenwindse Eilanden moest aanvullen drukte zwaar op de uitgaven en was dan ook reden geweest het plan op te stellen.

De ontwikkeling van de voornaamste bronnen van bestaan op de eilanden, landbouw, veeteelt en visserij, zou weinig tot geen bijdrage leveren aan de verbetering van de economie. Bovendien was door het ontbreken van grondstoffen en bodemschatten de mogelijkheden tot industriële ontwikkeling beperkt. Het ontwikkelingsplan richtte zich daarom vooral op de bevordering van het toerisme, de ontwikkeling van de confectiefabriek op Bonaire, alsmede op de bevordering van de visserij rond Sint Maarten.

De Interdepartementale Commissie ter Verbreding van de Welvaartsbasis won bij het Centraal Planbureau in Nederland informatie in over de vraag of het plan als basis kon dienen voor de economische ontwikkeling van de eilanden. Deze dienst was van mening dat het plan een goede oplossing bood. (

Bijlagen bij de Handelingen 11 Staten-Generaal, 59/60 6005.

)

De Nederlandse regering was bereid hulp te bieden overeenkomstig de bepalingen van het Koninlijk Besluit van 8 december 1955 nr. 556, en stelde in 1960 f 16.000.000 ter beschikking voor de uitvoer van het Driejarenplan. (

KB van 23 december 1960, nr. 599.

)

8.3 Urgentieplan Aruba en Curaçao

De werkgelegenheid op Aruba en Curaçao was mede door de automatisering in de olieverwerkende industrie, een van de belangrijkste peilers van de economie, aanzienlijk teruggelopen. Het was daarom noodzakelijk op korte termijn maatregelen te nemen om de welvaart op beide eilanden op een redelijk niveau te houden en de werkgelegenheid te bevorderen. Door de regering van de Nederlandse Antillen werd een ontwikkelingsplan opgesteld voor de uitvoering van enkele urgente werken, waarbij de nadruk lag op de exportindustrie en het toerisme.

Na overleg in 1960 tussen een delegatie van de Nederlandse Antillen en een comité van Nederlandse ministers werd overeenstemming bereikt over de financiële bijdrage van Nederland in het ontwikkelingsplan, dat moest worden beschouwd als een voorloper van een definitief algemeen ontwikkelingsplan dat de regering van de Nederlandse Antillen binnen vijftien maanden zou indienen. Tijdens dit overleg werd tevens de afspraak gemaakt dat binnen drie jaar een beslissing zou worden genomen over de financiële deelname van Nederland in dit algemeen ontwikkelingsplan. (

Bijlagen bij de Handelingen 11 Staten-Generaal, 61/62 6576.

)

De financiële bijdrage aan het Urgentieplan à f 216.000.000 werd in 1962 geregeld. (

KB van 3 mei 1962, nr. 153.

)

8.4 Meerjarenplannen Nederlandse Antillen

Begin 1963 werd door de regering van de Nederlandse Antillen het in 1960 toegezegde algemeen ontwikkelingsplan aan de Nederlandse regering aangeboden. Bij het opstellen van het plan was men er vanuit gegaan dat de olieverwerkende industrie niet langer een bijdrage kon leveren aan de bestrijding van de werkloosheid. Men streefde daarom vooral naar uitbreiding en verbetering van de toeristenindustrie, de mijnbouw en de exporterende en importvervangende bedrijfstakken om de werkgelegenheid te bevorderen.

In mei en juni 1963 werd tussen een Antilliaanse en Nederlandse delegatie besprekingen gevoerd over een ontwikkelingsplan voor de periode 1963 - 1966. (

Bijlagen bij de Handelingen 11 Staten-Generaal, 63/64 7524.

) De Nederlandse regering vond het noodzakelijk de eerder verleende hulp aan het Urgentieplan voor Aruba en Curaçao voort te zetten en was dan ook bereid voor een bedrag van f 370.000.000 in de financiering deel te nemen. (

KB van 23 april 1964, nr. 133.

)
Bij dit bedrag was de eerder aan het urgentieplan verstrekte f 216.000.000 inbegrepen.

Na besprekingen in 1966 werd het Meerjarenplan met nog eens vijf jaar, tot 1972, verlengd. Voor deze tweede fase werd f 240.000.000 bijgedragen. (

KB van 17 januari 1968, nr. 28.

) In 1972 werd f 400.000.000 voor de derde fase van het Meerjarenplan, lopende over de jaren 1972-1976, ter beschikking gesteld. (

Inventarisnummer 514.

)

8.5 Extra ontwikkelingsfonds

Naast de deelname aan de financiering van de Meerjarenplannen werd vanaf 1966 door de Nederlandse regering ook geld ter beschikking gesteld van het extra ontwikkelingsfonds voor de uitvoering van een aantal projecten. Voor de aanvraag van gelden uit dit fonds golden, evenals voor de uitvoering van de werken en het technisch toezicht daarop, dezelfde regels als de Meerjarenplannen.

9. Fondsen ten behoeve van Suriname
9.1 Welvaartsfonds Suriname

In 1947 werd het Welvaartsfonds Suriname ingesteld, dat tot taak had de economische welvaartsbronnen te ontwikkelen en de sociale omstandigheden te verbeteren. Het Welvaartsfonds kreeg hiervoor van het Rijk f 40.000.000. Het beheer van het fonds was in handen van de gouverneur, volgens regels welke waren opgesteld door de minister van Overzeese Gebiedsdelen en de minister van Financiën. Hij werd daarin bijgestaan door een Raad van Advies, bestaande uit vier leden, welke werden benoemd, geschorst en ontslagen door de minister van Overzeese Gebiedsdelen. De controle op het beheer van het fonds was in handen van de Algemene Rekenkamer. (

KB van 1 augustus 1947, nr. H 285.

)

Het Welvaartsfonds werd in 1954 opgeheven. Per 1 april 1955 ving de liquidatieperiode aan. Instellingen konden in deze periode nog gelden uit de resterende fondsen betrekken. In februari 1972 werd de slotverantwoording van de gelden ingediend. (

Inventarisnummer 663.

)

9.2 Tienjarenplan Suriname

De Nederlandse regering was zich er van bewust dat de f 40.000.000, welke ter beschikking waren gesteld van het Welvaartsfonds Suriname, ontoereikend zouden zijn om de economie van Suriname voldoende te ontwikkelen. Daarom werd in 1950 op het werkplan van het Welvaartsfonds een bedrag gereserveerd voor de opstelling van een nieuw ontwikkelings- en financieringsplan. Om de mogelijkheid van een dergelijk plan te onderzoeken werd door de Surinaamse regering het coördinatie-college Suriname ingesteld, dat in 1951 werd vervangen door de Stichting Planbureau Suriname.

In 1952 werd een door het Planbureau opgesteld Tienjarenplan door de Surinaamse regering aan de Staten van Suriname aangeboden. Door allerlei oorzaken werd dit plan echter nooit in behandeling genomen. Twee jaar later werd een herzien plan, hoofdzakelijk gericht op de verbetering en uitbreiding van de infrastructuur van Suriname alsmede op de verhoging van de agrarische produktiviteit en industriële opbouw, door de Staten goedgekeurd. (

Bijlagen bij de Handelingen 11 Staten-Generaal, 54/55 4046.

)

De Nederlandse deelname aan de financiering, voor een bedrag van f 171.000.000, werd in 1955 geregeld. Bepaald werd dat de periode waarover het plan zou lopen uiterlijk tien jaar na inwerkingtreding van de wet zou zijn afgelopen. (

KB van 8 december 1955, nr. 556.

) Tegelijkertijd werd de instelling van een missie geregeld. Deze missie, gevestigd in Paramaribo, moest de Nederlandse regering adviseren over de jaarlijkse werkplannen en toezicht uitoefenen op de naleving van de door Nederland gestelde financiële voorwaarden. Deze missie van deskundigen werd in 1958 omgedoopt in Vertegenwoordiger van Nederland voor het Tienjarenplan Suriname. In 1968 werd de naam veranderd in Vertegenwoordiging van Nederland voor de Ontwikkelingshulp aan Suriname.

In 1960 zag het er naar uit dat de Nederlandse bijdrage van f 171.000.000 aan het Tienjarenplan binnen enkele jaren zou zijn besteed. De financiering van projecten zou daarmee op losse schroeven komen te staan. In verband hiermee verzocht de Surinaamse regering Nederland om overleg over de voortzetting van financiële hulp.

9.3 Aanvullend Opbouwplan

Tijdens dit overleg, dat op 25 mei 1960 te 's-Gravenhage werd gehouden, kwamen de financieel-economische toestand van Suriname en de stand van zaken met betrekking tot de stand van het Tienjarenplan ter sprake. De Surinaamse regering was van mening dat de in het kader van het Tienjarenplan uitgevoerde projecten aanvulling en uitbreiding behoefden. Indien na afloop van het Tienjarenplan in 1964 de financiële hulp niet zou worden voortgezet, zou een terugval in de economie niet ondenkbaar zijn. Door de gunstige resultaten, behaald met het Tienjarenplan, was de Nederlandse regering bereid hulp te bieden.

In opdracht van de Surinaamse regering werd door professor C. van Straaten een Aanvullend Opbouwplan opgesteld, dat moest worden beschouwd als een voortzetting van het Tienjarenplan. Aan de doelstellingen werd de bevordering van de werkgelegenheid toegevoegd. De toenemende betekenis van dit vraagstuk in het sociaal en economisch beleid van de Surinaamse regering was daarvan de reden.

In 1963 werd door Nederland een bedrag van f 201.500.000 beschikbaar gesteld, overeenkomstig de bepalingen vermeld in het Koninklijk Besluit van 8 december 1955, nr. 556. De oorspronkelijke, in het overleg van 25 mei 1960, afgesproken duur van 5 jaar voor het Aanvullend Opbouwplan werd met een jaar verkort. (

Inventarisnummer 736.

)

9.4 Vijfjarenplannen

Het doel van het Tienjarenplan en het Aanvullend Opbouwplan was een basis te leggen voor meer economische zelfstandigheid voor Suriname, alsmede het land meer mogelijkheden te bieden voor een eigen sociaal en economisch beleid. De moeilijke begrotingspositie van het land, mede veroorzaakt door het feit dat 1/3 deel van de uitgaven voor beide ontwikkelingsplannen ten laste kwam van de Surinaamse begroting, maakte dit vooralsnog onmogelijk.

In april en mei 1964 werden er door Surinaamse en Nederlandse regeringsdelegaties in 's-Gravenhage besprekingen gevoerd over de sanering van de Surinaamse begroting. Tijdens deze besprekingen deed Nederland de toezegging de mogelijkheid van een nieuw ontwikkelingsplan, in aansluiting op het Aanvullend Opbouwplan, in overweging te nemen. Op grond hiervan werd in 1965 een door de Stichting Planbureau Suriname opgesteld Nationaal Ontwikkelingsplan aan Nederland aangeboden. Tijdens besprekingen tussen Suriname en Nederland in hetzelfde jaar werd bepaald dat dit plan als basis zou dienen voor een nieuw ontwikkelingsplan, dat een periode van vijf jaar zou gaan omvatten. Tevens werd de financiële bijdrage van Nederland aan het plan besproken. (

Bijlagen bij de Handelingen 11 Staten-Generaal, 67 9057.

) In 1968 werd deze financiële hulpverlening wettelijk geregeld. Nederland was bereid voor f 240.0000.000 deel te nemen in de financiering van het Vijfjarenplan. (

KB van 17 januari 1968, nr. 29.

)

Een jaar later werden er tussen het Kabinet en een Surinaamse regeringsdelegatie besprekingen gevoerd over de voortzetting van het Vijfjarenplan. Nadat de Nederlandse regering in 1970 de toezegging had gedaan voor ongeveer f 400.000.000, bij te dragen in de financiering van een tweede fase van het Vijfjarenplan, werd er door een commissie van Nederlandse deskundigen en deskundigen van het Planbureau een projektenlijst opgesteld. De projekten werden overgenomen van het in 1965 door het Planbureau opgestelde Nationaal Ontwikkelingsplan. (

Inventarisnummer 741.

)

Overzicht van het personeel over de jaren 1960-1975

1960-1961

  • Hoofd: drs. A. Jonkers
  • Plv. hoofd: drs. K.H. de Boer

  • Hoofd: drs. K.H. de Boer
  • Referendaris: mr. Ch. Stumphius
  • Hoofdcommies A: drs. F. van der Meer

  • Hoofd: mr. G.W. van der Bend
  • Referendaris: mr. B.H. Adam

  • Hoofd: drs. J. Stevens
  • Hoofdcommies : H. Nieuwenhuysen

1961-1962

  • Hoofd: drs. K.H. de Boer
  • Referendarissen: mr. Ch. Stumphius, drs. F. van der Meer

1962-1963

  • Hoofd: drs. A. Jonkers
  • Plv. hoofd: drs. K.H. de Boer
  • Secretaresse van het hoofd: mevr. C.S. Melsert-Duran

  • Hoofd: drs. K.H. de Boer
  • Referendaris: drs. F. van der Meer
  • Commies: N. van der Lans

1963-1964

  • Hoofd: drs. K.H. de Boer
  • Referendaris: drs. F. van der Meer
  • Hoofdcommies: G.W. Mortier
  • Commies: N. van der Lans

1964-1965

  • Hoofd: drs. A. Jonkers
  • Plv. hoofd: drs. J. Stevens
  • Secretaresse van het hoofd: mevr. C.S. Melsert-Duran

  • Hoofd: vacant
  • Referendarissen: J.M. Carol, drs. F. van der Meer
  • Hoofdcommies: G.W. Mortier
  • Commies: N. van der Lans

  • Hoofd: mr. B.H. Adam
  • Referendaris: vacant

1966-1967

  • Hoofd: J.M. Carol
  • Hoofdcommies: H. Nieuwenhuysen

  • Hoofd: mr. B.H. Adam
  • Referendaris: mr. C.H. Westra
  • Referendaris II: mr. A. Duyser
  • Hoofdcommies: G.W. Mortier
  • Commies A: N. van der Lans

  • Hoofd: drs. J. Stevens
  • Referendaris: drs. F. van der Meer

1967-1968

  • Hoofd: H. Nieuwenhuysen

  • Hoofd: drs. J. Stevens
  • Referendaris: drs. F. van der Meer
  • Hoofdcommies: J.J. Maat

1968-1969

  • Hoofd: H. Nieuwenhuysen
  • Commies: G.J. Veen

  • Hoofd: mr. B.H. Adam
  • Referendaris: vacant
  • Referendaris II: mr. A. Duyser
  • Hoofdcommies: G.W. Mortier
  • Commies A: N. van der Lans

  • Hoofd: drs. J. Stevens
  • Administrateur: mr. C.H. Westra
  • Referendaris: drs. F. van der Meer
  • Hoofdcommies: vacant

1969-1970

  • Hoofd: drs. A. Jonkers
  • Plv. hoofd: drs. J. Stevens
  • Secretaresse: mevr. L.R. de Keijzer
  • Toegevoegd: drs. J.P. Elzerman

  • Hoofd: H. Nieuwenhuysen
  • Commies: G.J. Veen, mevr. H. van Voorst tot Voorst-Roland

  • Hoofd: mr. B.H. Adam
  • Referendarissen II: mr. A. Duyser, drs. H.J. Scheltus
  • Hoofdcommies: G.W. Mortier
  • Commies A: N. van der Lans

  • Hoofd: drs. J. Stevens
  • Administrateur: mr. C.H. Westra
  • Referendarissen: drs. F. van der Meer, W. Pin
  • Commies A: J. Verheyen
  • Commies: R.G.F.A. Moesman

1970-1971

  • Hoofd: drs. J.P. Elzerman
  • Plv. hoofd: drs. J. Stevens
  • Secretaresse: mevr. L.R. de Keijzer

  • Hoofd: G. Prins
  • Commies: G.J. Veen, mevr. H. van Voorst tot Voorst-Roland

  • Hoofd: mr. B.H. Adam
  • Referendaris: mr. J. van OeI
  • Referendaris II: mej. mr. E. Jansen
  • Hoofdcommies A: G.W. Mortier
  • Commies A: N. van der Lans

  • Hoofd: drs. J. Stevens
  • Administrateur: mr. C.H. Westra
  • Referendarissen: drs. F. van der Meer, W. Pin
  • Referendaris II: drs. R. Troost
  • Hoofdcommies: J. Verheijen
  • Commies: R.G.F.A. Moesman

1971-1972

  • Directeur: drs. J.P. Elzerman
  • Plv. directeur: mr. B.H. Adam
  • Secretaresse: mej. W. Baume

  • Hoofd: G. Prins
  • Commies A: mevr. H. van Voorst tot Voorst-Roland, R.G.F.A. Moesman

  • Hoofd: mr. B.H. Adam
  • Referendarissen: mr. J. van Oel, mej. mr. D.C. Vonk
  • Referendaris II: mej. mr. E. Jansen
  • Hoofdcommies: G.W. Mortier
  • Hoofdcommies: N. van der Lans

  • Hoofd: mr. C.H. Westra
  • Referendarissen: drs. F. van der Meer, W. Pin, drs. R. Troost
  • Hoofdcommies: J. Verheijen

1972-1973

  • Hoofd: G. Prins
  • Hoofdcommies: E.J. Hulscher
  • Commies A: G.J. Veen
  • Commies: mevr. H. van Voorst tot Voorst-Roland, R.G.F.A. Moesman

  • Hoofd: mr. B.H. Adam
  • Referendarissen: mr. J. van Oel, mevr. O.C. van Veen-Vonk
  • Referendaris II: mej. mr. E. Jansen
  • Hoofdcommies A: G.W. Mortier
  • Hoofdcommies: N. van der Lans

1973-1974

  • Hoofd: mr. B.H. Adam
  • Referendarissen: mr. J. van Oel, mej. mr. E. Jansen
  • Referendaris II: J.A.B. Janus
  • Hoofdcommies A: G.W. Mortier
  • Hoofdcommies: N. van der Lans
  • Commies: B.D. Scholman

  • Hoofd: mr. C.H. Westra
  • Referendarissen: drs. F. van der Meer, W. Pin
  • Referendaris II: drs. F.A. Palm
  • Hoofdcommies: J. Verheyen

1974-1975

  • Hoofd: G. Prins
  • Hoofdcommies A: E.J. Hulscher
  • Commies A: G.J. Veen
  • Commies: mevr. H. van Voorst tot Voorst-Roland, F.M. Groeneveld, A. van Vuuren

  • Hoofd: mr. B.H. Adam
  • Plv. hoofd: mr. J. van Oel
  • Referendaris: mej. mr. E. Jansen
  • Referendaris II: mr. J.A.B. Janus
  • Hoofdcommies A: G.W. Mortier
  • Hoofdcommies: N. van der Lans
  • Commies: B.D. Scholman

  • Hoofd: mr. C.H. Westra
  • Referendarissen: drs. F. van der Meer, W. Pin, drs. F.A. Palm
  • Hoofdcommies: J. Verheyen
  • Commies: J.F. Reys
Overzicht van de taken van het Kabinet en zijn afdelingen over (1959) 1960-1975

(1959) 1960-1961

Kabinet

Is belast met de werkzaamheden verbonden aan de coördinatie van aange¬legenheden, Suriname en de Nederlandse Antillen betreffende, waarbij Nederland krachtens het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden be¬trokken is, zomede met zodanige andere werkzaamheden als door de vice-¬minister-president dienstig zal worden geoordeeld aan het Kabinet op te dragen.

  • Internationale aangelegenheden van politieke aard waarbij Suriname en de Nederlandse Antillen betrokken zijn;
  • Zaken van algemene luchtvaartpolitiek en algemene scheepvaartpolitiek;
  • Aangelegenheden verband houdende met een juiste toepassing en interpretatie van het Statuut;
  • Toezicht op het tijdig betrekken van Suriname en de Nederlandse Antil¬len bij koninkrijksaangelegenheden welke hen raken;
  • Staatsrechtelijke, wetgevende en militaire zaken in het kader van het politieke beleid;
  • Algemene, culturele en sociale aangelegenheden;
  • - Bemoeienis met de voorlichting over Suriname en de Nederlandse Antillen in Nederland;
  • - Regelingen betreffende de gouverneurs, de organisatie en personeels¬voorzieningen van de Kabinetten van de gouverneurs, behandeling van de benoemingen van de procureurs-generaal, de leden van de rechterlijke macht en de gezaghebbers (koninklijke benoemingen).

  • Aangelegenheden van juridische aard;
  • Interpretatie van het Statuut en de aanverwante regelingen;
  • Technisch-juridische behandeling van internationale overeenkomsten en van interregionale regelingen;
  • Beoordeling van juridische en wetstechnische aspecten van de door het Kabinet behandelde aangelegenheden;
  • Werking concordantiebeginsel.

  • Zaken betreffende financiële en economische bijstand zowel van Neder¬landse als van internationale zijde;
  • Financiële en economische handelspolitieke aangelegenheden, waaronder de zaken met betrekking tot de coördinatiecolleges Nederland-Suriname en Nederland-Nederlandse Antillen en die betreffende internationale verdragen en interregionale organisaties;
  • Economische voorlichting;
  • Zaken betreffende bank- en muntwezen;
  • Begrotingsaangelegenheden;
  • Alle andere aangelegenheden betreffende de financiële-economische samenwerking.

1962-1963

  • Gewijzigde taak:
  • Regelingen betreffende de gouverneurs, de organisatie en de perso¬neelsvoorzieningen van de Kabinetten van de gouverneurs, behandeling van de benoeming van de gouverneurs, de procureurs-generaal, de leden van de rechterlijke macht en de gezaghebbers (koninklijke benoe¬mingen).
  • Overige taken ongewijzigd.

  • Gewijzigde taak:
  • Technisch-juridische behandeling van interregionale regelingen.
  • Vervallen taken:
  • Aangelegenheden van juridische aard; werking concordantiebeginsel.
  • Overige taken ongewijzigd.

1963-1964

  • Nieuwe taken:
  • Radiorubrieken Suriname en de Nederlandse Antillen; Periodiek "Schakels".
  • Overige taken ongewijzigd.

1964-1965

  • Nieuwe taak:
  • Post- en archiefzaken Kabinet
  • Overige taken ongewijzigd

1966-1967

  • Regelingen betreffende de gouverneurs, de organisatie, de personeelsvoorzieningen van de Kabinetten van de gouverneurs, behandeling van de benoemingen van de gouverneurs, de procureurs-generaal, de leden van de rechterlijke macht en de gezaghebbers (koninklijke benoemingen);
  • Post- en archiefzaken;
  • Comptabiliteits- en personeelsaangelegenheden van het Kabinet voorzover niet opgedragen aan of ondergebracht bij de desbetreffende diensten van het ministeriële departement waarvan de vice-minister-president de leiding heeft.

  • Internationale aangelegenheden van politieke aard waarbij Suriname en de Nederlandse Antillen betrokken zijn;
  • Zaken van algemene luchtvaartpolitiek en algemene scheepvaartpolitiek;
  • Militaire zaken in het kader van het politieke beleid;
  • Toezicht op het tijdig betrekken van Suriname en de Nederlandse Antillen bij koninkrijksaangelegenheden welke hen raken;
  • Interpretatie van het Statuut en de aanverwante regelingen;
  • Technisch-juridische behandeling van interregionale regelingen;
  • Beoordeling van juridische en wetstechnische aspecten van de door het Kabinet behandelde aangelegenheden;
  • Bemoeienis met de voorlichting over Suriname en de Nederlandse Antillen in Nederland;
  • Radiorubrieken Suriname en de Nederlandse Antillen;
  • Periodiek "Schakels";
  • Documentatie.

  • Zaken betreffende financiële, economische en culturele bijstand zowel van Nederlandse als van internationale zijde;
  • Financiële en economische handelspolitieke aangelegenheden waaronder die betreffende internationale verdragen en interregionale organisa¬ties;
  • Economische voorlichting;
  • Zaken betreffende bank- en muntwezen;
  • Alle andere aangelegenheden betreffende de financiële, economische en culturele samenwerking.

1967-1968

Kabinet

Is in het bijzonder belast met aangelegenheden, Suriname en de Nederlandse Antillen betreffende, zomede met zodanige andere werkzaamheden als door de vice-minister-president dienstig zal worden geoordeeld aan het Kabinet op te dragen.

1968-1969

  • Nieuwe taak:
  • Studietoelagen ten behoeve van in Nederland op voordracht van Suriname en de Nederlandse Antillen studerenden.
  • Overige taken ongewijzigd.

1971-1972

Kabinet

Is belast met de coördinatie van aangelegenheden, Suriname en de Nederlandse Antillen betreffende, zomede met zodanige andere werkzaamheden als door de minister voor Surinaamse en Nederlands-Antilliaanse Zaken dienstig zal worden geoordeeld aan het Kabinet op te dragen.

  • Regelingen betreffende de gouverneurs, de organisatie en personeels¬voorzieningen van de Kabinetten van de gouverneurs en van de Vertegen¬woordigingen van Nederland voor Ontwikkelingshulp aan Suriname en de Nederlandse Antillen alsmede financiële regelingen voor de procureurs¬generaal en de leden van de rechterlijke macht;
  • Tropentoeslagen en kortverbandtoeslagen ten behoeve van daarvoor in aanmerking komende naar Suriname en de Nederlandse Antillen uitge¬zonden krachten;
  • Studietoelagen verleend op voordracht van Suriname en de Nederlandse Antillen;
  • Post- en archiefzaken;
  • Comptabiliteits- en personeelsaangelegenheden van het Kabinet voorzover niet opgedragen aan of ondergebracht bij de desbetreffende dien¬sten van het ministeriële departement waarvan de minister voor Surinaamse en Nederlands-Antilliaanse Zaken de leiding heeft.

  • Gewijzigde taak:
  • Militaire zaken en migratieproblematiek in het kader van het politieke beleid.
  • Nieuwe taken:
  • Benoemingen van gouverneurs, de procureurs-generaal, de leden van de rechterlijke macht en de gezaghebbers (koninklijke benoemingen); Decoraties.
  • Overige taken ongewijzigd.

  • Gewijzigde taak:
  • Zaken betreffende financiële, economische, sociale, educatieve, technische en culturele bijstand zowel van Nederlandse als van internationale zijde.
  • Nieuwe taak:
  • De taakuitvoering van de Vertegenwoordigingen van Nederland voor Ontwikkelingshulp aan Suriname en de Nederlandse Antillen.
  • Overige taken ongewijzigd.
Organogrammen

Organisatieschema van het kabinet van de Vice-Minister-President:

Bestuurlijke organisatie Suriname 1959-1975:

Bestuurlijke organisatie Nederlandse Antillen:

 

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in