gahetNA in the National Archives

Ronde Tafel Conferentie West

2.10.24
H. Kuijper
Nationaal Archief, Den Haag
1974
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.10.24
Auteur: H. Kuijper
Nationaal Archief, Den Haag
1974
CC0

Periode:

1941-1952
merendeel 1941-1952(1956)

Omvang:

1,30 meter; 190 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften. Het archief bevat enkele foto's.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Op 27 januari 1948 begon de Conferentie Nederland - Suriname - Curaçao. De taak van deze Conferentie werd geschetst als het gezamenlijk opstellen van suggesties voor een reconstructie van het Koninkrijk.

In dit archief treft men onder andere stukken over de voorbereiding en het verloop van de Rijksconferentie. Daar het in eerste instantie de bedoeling was een Conferentie te houden met het oog op een 4-delig Koninkrijk, zitten er ook veel stukken met betrekking tot Nederlands-Indië in dit archief.
Verder bevat dit archief stukken betreffende de afvaardiging uit de Staten van Suriname en Curacao ter voorbereiding van de samenstelling van hun delegaties , de Nederlandse delegaties en hun adviseurs, de afscheiding van Aruba van Curacao, over het ontwerp van de rijksgrondwet, de interimregelingen, landsregelingen en landsgrondwet voor Suriname en de Nederlandse Antillen, en nog wat documentatie, zoals kranteartikelen over de Conferentie.
Dit archief bevat ook de archieven van de Commissie van Voorbereiding van de Rijksconferentie Nederland-Suriname-Curaçao, van de Sociologische Commissie, van de Commissie Onderzoek Opvattingen in Nederland omtrent plaats Overzeese Gebiedsdelen in het Koninkrijk, van de Redactiecommissie belast met formulering van resoluties tijdens Rijksconferentie Nederland-Suriname-Curaçao, de Redactiecommissie belast met het opstellen van een Ontwerp Rijksgrondwet en van de Commissie voor het ontwerpen van Reglementen van Orde ten behoeve van de Rijkskamer en de Rijkssenaat.

Archiefvormers:

  • Commissie Onderzoek Opvattingen in Nederland omtrent plaats Overzeese Gebiedsdelen in het Koninkrijk
  • Commissie van Voorbereiding van de Rijksconferentie Nederland-Suriname-Curaçao
  • Commissie voor het ontwerpen van Reglementen van Orde ten behoeve van de Rijkskamer en de Rijkssenaat
  • Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen
  • Ministerie voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen
  • Redactiecommissie belast met formulering van resoluties tijdens Rijksconferentie Nederland-Suriname-Curaçao
  • Redactiecommissie belast met het opstellen van een Ontwerp Rijksgrondwet
  • Sociologische Commissie
  • Helsdingen, W.H. van

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Geschiedenis van het orgaan

Reeds tijdens het verblijf van de Nederlandse Regering in Londen van mei 1940 tot mei 1945, ten gevolge van de Duitse bezetting, hield H.M. de Koningin op 10 mei 1941 een rede (

Zie het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden van Mr. W.H. van Helsdingen (hierna te noemen: Het Statuut), blz. 2.

), waarin Zij o.m. Haar voornemen uitte om in het gehele Rijk ruime gelegenheid te scheppen om wensen en opvattingen te Harer kennis te brengen met betrekking tot de structuur van het Koninkrijk. De rede betekende een eerste aanloop naar een Rijksconferentie, die bijeengeroepen zou worden na de terugkeer van de regering in het moederland, met als deelnemers Nederland, Nederlandsch-Indië, Suriname en Curaçao.

De taak van deze Conferentie werd geschetst als het gezamenlijk opstellen van suggesties met betrekking tot de reconstructie van het Koninkrijk.

Kort na de oorlog werden in Nederland onder Voorzitterschap van Mr. W.H. van Helsdingen, in Suriname onder Voorzitterschap van Dr. R.H. Pos, en in de Nederlandse Antillen onder Voorzitterschap van Dr. W.Ch. de la Try Ellis, gelijksoortige commissies van onderzoek ingesteld, onderscheidenlijk op 30 augustus, 10 september en 10 oktober 1945 (

Het Statuut, blz. 7

). Zij brachten verslag uit in september 1946, januari 1947 en 18 mei 1946 (

Inventarisnummers 169, 170 en 171.

)
.

Behalve de noodzaak tot het laten functioneren van commissies van onderzoek bleek het ten behoeve van de voorbereiding van de Conferentie tevens wenselijk over te gaan tot het instellen van een Sociologische Commissie en een Juridische Commissie. (

Verbaal 22 nov. 1945, nr. 11 (Departementaal archief)

).

Met het uitbrengen van de rapporten van de Commissies van Onderzoek houdt het werken voor de Rijksconferentie op. Er werd nog wel eens gezinspeeld op de mogelijkheid van een latere Rijksconferentie, b.v. in het antwoord op de petities van de Staten van Suriname en Curaçao in oktober 1946: " ... in afwachting van de Rijksconferentie ... "(

Het Statuut, blz. 12.

) Deze petities, waarin de in Suriname en Curaçao levende verlangens tot uitdrukking werden gebracht, werden eind juni 1946 aangeboden aan de Koningin. (

Inventarisnr. 30.

)

Op 13 augustus 1946 kwam voor het eerst tot uiting dat "de Rijksconferentie niet meer geheel het karakter kan hebben, dat daarin in 1941 en later was toegedacht" (Handelingen Tweede Kamer, blz. 172, laatste kolom).

Men dacht er nog wel over de toekomstige conferentie met Suriname en Curaçao te beschouwen als een vóór-conferentie van de Rijksconferentie. (

Het Statuut, blz. 17.

)

Bij de voortschrijdende onderhandelingen met Indonesië bleek wel dat van een 4-delig Koninkrijk geen sprake zou zijn. (

Het Statuut, blz. 18 en 21.

) Er waren verschillende bezwaren aan te voeren tegen een 4-delig verband, dat wil zeggen: een Rijksconferentie van Nederland, Suriname, Curaçao en Nederlandsch-Indië:

  • Suriname en Curaçao zijn van een geheel andere orde van grootte dan Nederlandsch-Indië
  • Zij hebben een andersoortige economie
  • Beide zijn historisch anders gegroeid dan Nederlandsch-Indië
  • Er bestaan geen noemenswaardige rechtstreekse contacten tussen Oost- en West-Indië.

Na overleg met de Gouverneurs van Suriname en Curaçao en het officieus polsen van de Staten van deze gebiedsdelen, maakte de Regering haar voornemen bekend tot het houden van een vóór-conferentie met Nederland, Suriname en Curaçao (Handelingen Tweede Kamer 1946-1947, blz. 2092). Hiermede was voldaan aan de behoefte van een Ronde Tafel Conferentie.

In het oktober 1946 gegeven antwoord op de in juni 1946 aangeboden petities werden ver-strekkende wijzigingen van de Staatsregelingen toegezegd, welke zo ver zouden gaan als binnen het raam van de bestaande Grondwet mogelijk zou zijn. Die wijzingen van beide Staatsregelingen zijn 26 november 1947 aan de Staten-Generaal in ontwerpen van wet aangeboden. Zij zijn op 21 mei 1948 wet geworden.

Teneinde de nodige voorbereidingen te treffen voor het op korte termijn bijeenroepen van de conferentie werd op 10 september 1947 een kleine Commissie van Voorbereiding ingesteld. (

Verbaal 10 september 1947, no. 27, inventarisnr. 64.

) Deze Commissie gaf richtlijnen aan voor de vorming van het nieuwe staatsbestel. De Commissie werd opgeheven 30 januari 1948 (

Verbaal 30 januari 1948, nr. 11, inventarisnr. 64.

)
, omdat de Conferentie op 27 januari 1948 een aanvang had genomen.

De Conferentie werd bijeengeroepen bij Koninklijk besluit van 23 december 1947, nr. 74, gevolgd door het Koninklijk besluit van 20 januari 1948, nr. 59. De verschuiving van de datum werd veroorzaakt door de langdurige gedachtenwisseling over de samenstelling van de delegaties uit Suriname en Curaçao. De opheffing van de Conferentie vond plaats op 26 februari 1952 bij Koninklijk besluit van 26 februari 1952, nr. 21. (

Inventarisnr. 65.

)

De opdracht aan de Conferentie luidde: "de beginselen te formuleren voor de wenselijk geachte hervormingen in de tussen Suriname, Curaçao en Nederland bestaande betrekkingen als deel van de staatkundige herbouw van het gehele koninkrijk" en "deze beginselen uit te werken in een of meer ontwerpen tot nadere regeling van de verhouding tussen deze staatsdelen en tot verwezenlijking van de nieuwe rechtsorde".

De Conferentie heet: "Conferentie Nederland - Suriname - Curaçao".

Zij werd geopend op 27 januari 1948 met een plenaire openbare zitting in de vergaderzaal van de Eerste Kamer. Achtereenvolgens werden drie Openbare Vergaderingen gehouden, respectievelijk op 16 februari, 17 februari en 18 maart 1948, zomede twee besloten vergaderingen, n.l. op 27 en 30 januari 1948. Het einde van de eerste ronde van de Conferentie was op 24 maart 1948.

Het voorzitterschap werd bekleed door de Minister van Overzeese Gebiedsdelen, terwijl Mr. W.H. van Helsdingen werd benoemd tot plaatsvervangend voorzitter met raadgevende stem. (

Verbaal, 13 februari 1948, C 9, met Koninklijk besluit van 16 februari 1948, no. 44.

)

Om de Conferentie tot een goed functionerend geheel te maken werd een Centrale Sectie in het leven geroepen, die met de algemene leiding was belast. Het besluit tot vorming van en Centrale Sectie werd genomen in de besloten vergaderingen van 27 en 30 januari 1948. Uit iedere delegatie werd een vertegenwoordiger aangewezen:

  • Prof. Mr. C.P.M. Romme voor Nederland
  • Mr. Dr. R.H. Pos voor Suriname en
  • Dr. M.F. da Costa Gomez voor Curaçao.

Teneinde de openbare behandeling door de Conferentie voor te bereiden werd uit de Centrale Sectie een drietal secties gevormd. Deze secties hielden algemene beschouwingen, gewijd aan de grondslagen van de Koninklijke Rede van 7 december 1942. (

Inventarisnr. 1.

) De resultaten hiervan werden neergelegd in het "Eerste Centraal Rapport Sectie-Vergaderingen" (

Inventarisnr. 61.

)

Tijdens de Tweede Openbare Vergadering op 17 februari 1948 werd een Redactie-Commissie ingesteld, die tot taak had resoluties te formuleren (

Inventarisnr. 82.

), welke aan de openbare vergadering zouden worden voorgelegd.

Een tweede Redactie-Commissie, ingesteld na de algemene beschouwingen van de Derde Openbare Vergadering, kreeg de opdracht te beginnen aan het opstellen van een ontwerp-Rijksgrondwet (18 maart 1948).

Het redigeren van het ontwerp werd opgedragen aan een Kern-Commissie, die gevormd werd uit deze Redactie-Commissie. Half juni 1948 was het ontwerp voltooid, waarna het in behandeling kwam bij de Redactie-Commissie.

De besprekingen hierover begonnen op 5 juli 1948 en duurden tot 19 oktober 1948. (

Inventarisnr. 189.

)

De wijziging van de Grondwet op 20 september 1948 maakte vrij baan voor vestiging van de nieuwe rechtsorde. Het proces verliep echter minder vlot. Het was n.l. wenselijk gebleken de beslissing over het in oktober gereedgekomen voor-ontwerp-Rijksgrondwet (

Inventarisnr. 86.

) aan te houden en aan de vestiging van de nieuwe rechtsorde een Interimregeling ex. art. 210 (later 217) van de Grondwet te doen voorafgaan.

Het Kabinet Beel maakte 7 augustus 1948 plaats voor het Kabinet Drees-Van Schaik. Dit nieuwe Kabinet bevond zich in een moeilijk parket, omdat de Conferentie steeds in de veronderstelling had verkeerd, dat het afgetreden Kabinet met de resoluties instemde.

Allengs bleek echter dat het nieuwe Kabinet op enkele punten ernstige bedenkingen had, maar het wilde de verwezenlijking van het gedeelte, waarmede het wel kon instemmen, niet vertragen. Omdat juist dat gedeelte, de autonomie betreffende Suriname en de Nederlandse Antillen (

Na de grondwetsherziening van 1948 werd de naam Curaçao veranderd in Nederlandse Antillen.

), het Kabinet het meest ter harte ging, werd besloten allereerst daaraan uitvoering te geven en de verdere behandeling van het voor-ontwerp-Rijksgrondwet alsnog in beraad te houden. Publicatie van het voor-ontwerp betekende n.l. dat de Regering met het ontwerp zou instemmen. Om deze gevolgtrekking te voorkomen zou de Regering genoodzaakt zijn openlijk van het voor-ontwerp afstand te nemen; dat wilde zij echter liever vermijden, omdat dan wellicht wantrouwen zou ontstaan en men zou kunnen menen, dat de opzet van de Regering was de hervormingen op de lange baan te schuiven. Het beste bewijs van het tegendeel zou zijn op korte termijn het overleg over een voor-ontwerp-Interimregeling ex artikel 210 (later 217) van de Grondwet te openen.

Op de voorbereiding van een Interimregeling was de samenstelling van de Conferentie niet berekend. Daartoe werd een andere weg gekozen:

Minister J.R.H. van Schaik, vergezeld van Prof. W.C.L. van der Grinten en Mr. W.H. van Helsdingen, met als secretaris Mr. P.G. Hooghoudt, voerde in januari 1949 intensief overleg in Suriname en de Nederlandse Antillen, in het bijzonder met de Staten van deze gebiedsdelen (

Het Statuut, blz. 69 en 71.

) en daarna in Nederland (juni 1949) (

Inventarisnr. 123.

)

Vóórdat Minister Van Schaik zich naar de Nederlandse Antillen begaf vond correspondentie plaats over het voor-ontwerp-Interimregeling voor Suriname en de Nederlandse Antillen en bood hij op 20 november 1948 de Minister een voor-ontwerp aan. (

Inventarisnr. 131.

)

De Staten van de Nederlandse Antillen vonden in een radiorede van Dr. M.F. da Costa Gomez aanleiding om op 2 december 1948 te besluiten tot het vragen van inlichtingen waarom een overgangswet nodig werd geacht. In een telegrafisch antwoord werd aangekondigd dat "een der leden van het Kabinet zich in de loop dezer maand naar Suriname en de Nederlandse Antillen zal begeven" tot het plegen van overleg.

In een toespraak tijdens de vergadering op 4 januari 1949 met de Staten van de Nederlandse Antillen, verklaarde Minister Van Schaik waarom de nieuwe rijksgrondwet door de Redactie-Commissie ontworpen, niet kon worden aangenomen. (

Inventarisnr. 124.

) "Er moest tijdelijk een andere weg ingeslagen worden, die van een Interimregeling".

Interne moeilijkheden in de Nederlandse Antillen waren oorzaak, dat het ontwerp voor de Nederlandse Antillen eerst wet is geworden op 28 september 1950, Staatsblad K 419 (

Inventarisnr. 147.

)

De Interimregeling voor de Nederlandse Antillen is gedeeltelijk in werking getreden op 17 oktober 1950, Staatsblad K 426. (

Inventarisnr. 148.

) De gedeeltelijke inwerkingtreding was nodig, omdat het wenselijk was deze te doen samenvallen met de vervanging van de toenmalige Staten door de Staten, samengesteld volgens de nieuwe voorschriften. Een voor de Interimregeling gewijzigde tekst van de Staatsregeling, sindsdien "Landsregeling" geheten, werd bekend gemaakt bij besluit van 4 november 1950, Staatsblad K 489 (

Inventarisnr. 157.

)
De inwerkingtreding van de overige bepalingen werd gesteld bij besluit van 2 februari 1951, Staatsblad 1951, nr. 33, Publicatieblad 1951, nr. 27.

Het ontwerp voor Suriname is wet geworden op 22 december 1949, Staatsblad J 575 (wet van 22 december 1949, houdende een Interimregeling voor Suriname). (

Inventarisnr. 134.

)

Die Interimregeling voor Suriname is bij Koninklijk besluit van 10 januari 1950, Staatsblad K 7, in werking getreden op 20 januari 1950 (

Inventarisnr. 134.

), nadat de tekst van de door de Interimregeling gewijzigde Staatsregeling, voortaan "Landsregeling" geheten, was bekend gemaakt bij besluit van 3 januari 1950, Staatsblad K 1. (

Inventarisnr. 134.

)

De afkondigingen van de Landsregelingen voor Suriname en de Nederlandse Antillen zijn te beschouwen als een sluitstuk van de eerste ronde van de Conferentie Nederland - Suriname - Curaçao.

Overzicht namen betrokken Ministers

Overzicht van de namen van de Ministers van het Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen en de Minister zonder Portefeuille tijdens het eerste deel van de Conferentie Nederland - Suriname - Curaçao (bij besluit van 24 december 1949, Staatsblad J 593 is de naam van dit Ministerie gewijzigd in Ministerie van Uniezaken en Overzeese Rijksdelen.).

  • Prof.Dr. J.H.A. Logemann (24 juni 1945 - 3 juli 1946) - Kabinet Schermerhorn-Drees
  • Mr. J.A. Jonkman (3 juli 1946 - 7 augustus 1948) - Kabinet Beel
  • Mr. E.M.J.A. Sassen (

    Na het aftreden van Mr. J.A. Jonkman als Minister van Overzeese Gebiedsdelen was de taakverdeling van het nieuwe Ministerie zodanig, dat niet de Minister van Overzeese Gebiedsdelen, Mr. E.M.J.A. Sassen, de voorbereiding van de nieuwe rechtsorde tussen Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen op zich nam, doch de Vice Minister-President, Minister zonder Portefeuille, Mr. J.R.H. van Schaik.

    )
    (7 augustus 1948 - 14 februari 1949) - Kabinet Drees-Van Schaik
  • Mr. J.H. van Maarseveen (14 februari - 15 juni 1949- ad interim) 15 juni 1949 - 15 maart 1951 - Kabinet Drees-Van Schaik

Min. Sassen trad af in verband met een meningsverschil met overige leden van het Kabinet betreffende internationale aspecten van het Indonesische vraagstuk.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in