gahetNA in het Nationaal Archief

Cie. Protestantse Kerken Oost- en West-Indië

2.10.12
J.M. Muller
Nationaal Archief, Den Haag
1979
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.10.12
Auteur: J.M. Muller
Nationaal Archief, Den Haag
1979
CC0

Periode:

1815-1958

Omvang:

4,30 meter; 130 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief van de Commissie tot de zaken der protestantse kerken in Nederlands Oost- en West-Indië bevat o.a. notulen en bijlagen daartoe, stukken betreffende de instelling van de commissie, verslagen van de werkzaamheden en kasboeken van de commissie en kwitanties en declaraties, stukken betreffende de werving en de positie van predikanten in de koloniën, diverse stukken betreffende de beslechting van geschillen en een nota omtrend de interne verhoudingen en organisatie van de protestantse kerken in West-Indië. Ook bevinden zich in dit archief een aantal kaarten van Nederlandsch-Indië , waarop ingetekend de rechterlijke organisatie (1883) en het zendingsgebied van de protestantse kerk (ca. 1930). Verder zijn er onder de rubriek documentatie diverse verslagen, over de Protestantse kerk in Nederlands-Indië, de Indische kerken en de werkzaamheden der commissie en tevens zijn er kranten en krantenknipsels betreffende de godsdienst in de koloniën.
Het archief van ds. D. Lenting bevat voornamelijk correspondentie gevoerd met de luitenant-gouverneur-generaal en tevens stukken betreffende de samenstelling van een Maleis-Nederlands en een Nederlands-Maleis woordenboek en de benoeming en ontbinding van een commissie daartoe.

Archiefvormers:

  • Commissie voor de Protestantse Kerken in Nederlands Oost- en West-Indië
  • Lenting, D. (1789-1877), predikant te Batavia en voorzitter van de kerkeraad aldaar

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

De Vereenigde Oost-Indische Compagnie had van de staat niet alleen de rechten van de overheid overgenomen, maar ook de verplichtingen, waaronder die om de Gereformeerde kerk te beschermen en te bevorderen; hiertoe liet zij zich adviseren door Deputati ad res Indicas (afgevaardigden voor de Indische zaken) uit de classes waar Kamers van de Compagnie gevestigd waren. Na de Liquidatie van de Compagnie op 31 december 1799 nam de staat ook deze taak op zich.

Zo kan koning Willem I na vele bestuurswisseling in de koloniën bij Koninklijk Besluit van 4 september 1815 nummer 4 een speciale "Provisioneele Commissie tot de Zaken der Hervormde Kerken in Nederlandsch Oost- en West-Indië" in het leven roepen ter behartiging van de kerkelijke belangen in de koloniën. Deze commissie bestaat uit zeven uitsluitend Hervormde predikanten uit Den Haag en omstreken, die zich van advies kunnen laten dienen door corresponderende leden of consulenten; deze laatsten moeten eerder als Deputati ad res Indicas of anderszins bij de Indische kerk betrokken zijn geweest, zodat de continuïteit met de oude regeling behouden blijft. De taken van de staatscommissie liggen op het vlak van adviseren, corresponderen en rapporteren ten diensten van het departement van Koophandel en koloniën, waarlangs alle officiële kontakten, ook met Indië, dienen te verlopen: de behartiging van de kerkelijke belangen blijft vast in handen van de overheid.

Daarnaast neemt het college examina af van proponenten die door de kroon voor de koloniën bestemd zijn, en zij zegent deze ook in.

In 1817 verleent de Synode van de Hervormde kerk de commissie ook de bevoegdheid om zendelingen van het Nederlandsch Zendeling Genootschap te examineren en te bevestigen.

Drie jaar later komt koning Willem I met een andere taakomschrijving in zijn Koninklijk Besluit van 7 december 1820 nummer 113: de commissie, die niet langer "provisioneel"heet, vertegenwoordigt het bestuur van de protestantse kerk in de koloniën bij de Algemene Synode in Nederland.

Vijf dienstdoende predikanten moeten lid zijn, waaronder de secretarissen van de Algemene Hervormde en de Evangelisch Lutherse Synode en van het Provinciaal Kerkbestuur van Zuid Holland. Nu wordt niet alleen met de Indische gemeenten en Nederlandse Bijbel- en Zendeling Genootschappen geregelde briefwisseling onderhouden, maar ook met theologische fakulteiten. Het werkterrein van de commissie omvat tot 1872 eveneens de kust van Guinea. Vooral na 1850 kan de "Haagse Commissie"door de uitzending van predikanten enigszins in de behoefte van de koloniën voorzien: in de negentiende eeuw komen er in totaal zo'n honderdtwintig via de commissie aan.

In West-Indië mag de invloed van de commissie niet zijn wat het in de Oost is - na 1873 maken de gouverneur en de kerkeraden uit welke predikant wordt aangesteld - toch worden ook daar door haar vele geschillen beslist en verschillende activiteiten gestimuleerd (zie inventaris nummer 92). In 1930 wordt de nieuwe protestantse gemeente van Emmastad op Curaçao met steun van de commissie gesticht.

Dat in de commissie sinds 1820 zowel calvinisten als lutheranen zitting hebben, houdt onmiddellijk verband met de wens van koning Willem I om de protestantse gemeente in de koloniën te verenigen, waaraan in de samensmeltingen van de gemeente te Curaçao in 1824 en van die te Batavia gestalte wordt gegeven, en ook in het Koninklijk Besluit van 11 december 1835 nummer 88. Bij dat besluit, dat een reglement voor de protestantse kerk in Indië inhoudt, wordt een protestant kerkbestuur te Batavia ingesteld; voortaan dient de Haagse Commissie met dit orgaan kontakt te houden, maar alleen door de gouverneur-generaal, daar, naar woorden van minister Baud, "in alle zaken met de meeste gestrengheid moet worden gehandhaafd het beginsel,dat in Nederlandsch-Indië niets behoort om te gaan buiten kennis of zonder tussenkomst van het gouvernement aldaar".

Pogingen van de Algemene Synode in 1850 om de Haagse Commissie een meer kerkelijk karakter te verlenen, lopen al op even weinig uit als de soortgelijke aktie van die Haagse Commissie in 1852 om de samenstelling van het kerkbestuur in Indië een representatiever aanzien te geven.

In de volgende decennia komt de kwestie van scheiding van kerk en staat in Indië, en daarmee ook de rol van de Indische staatscommissie, herhaaldelijk aan de orde, maar er wordt niet de overeenstemming bereikt die artikel 122 van het Indische regeringsreglement vereist: "In bestaande inrichting en bestuur der Christelijke kerkgenootschappen wordt geen verandering gebracht, dan met wederzijds goedvinden van den Koning en het bestuur van het betrokken kerkgenootschap".

Nadat de staatscommissie van 1910 voorstellen heeft gedaan en er twee Grote Vergaderingen te Batavia in 1916 en 1933 gehouden zijn, komt het toch tot een administratieve scheiding van kerk en staat, die ingaat op 1 augustus 1935. Hierbij wordt het Koninklijk Besluit van 1820 buiten werking gesteld wat betreft Oost-Indië; voor West-Indië blijft de "Oude Commissie"haar werkzaamheden op de zelfde voet, maar met geleidelijk minder invloed voortzetten tot 1959.

Na de tweede wereldoorlog noemt de commissie zich: Commissie tot de zaken der Protestantsche Kerken in Nederlandsch West-Indië. De commissie is nooit officieel opgeheven. In februari 1959 is de laatste secretaris, ds. J. D. de Hoog, overleden. De fungerend voorzitter, dr. E. Emmen, deelde dit aan het ministerie van Zaken Overzee mee, tevens verzoekende de opheffing van de commissie. Het ministerie wilde om politieke redenen niet tot opheffing van de commissie overgaan, waarop dr. Emmen antwoordde dat hij hiermee akkoord kon gaan, doch dat hij later op deze zaak zou terugkomen. Dit laatste is blijkbaar niet meer geschied, terwijl ook het ministerie de zaak heeft laten rusten (archief ministerie van Zaken Overzee, dossier 2287, 1946 -1959).

De scheiding tussen kerk en staat brengt ook de oprichting van een "Nieuwe Commissie"met zich mee, die overigens de eerste drie jaar uit vrijwel dezelfde leden bestaat als de "Oude": de Commissie tot Behartiging in Nederland van de belangen der Protestantsche kerk in Nederlandsch-Indië. Dit college is geheel ondergeschikt aan het Protestants Kerkbestuur in Batavia, waardoor het benoemd wordt; het fungeert min of meer als een ambassade. Na de oorlog wordt de commissie genoemd: "College tot vertegenwoordiging in Nederland van de Protestantse kerk in Indië". Haar werk valt dan ten dele samen met de "Dienst Repatriëring Indië"van de Nederlandse Hervormde kerk. Met de politieke onafhankelijkheid van Indonesië verliest de commissie veel van haar betekenis: in 1951 is zij opgeheven.

In het archief van de "oude Commissie" is een portefeuille aangetroffen die een verzameling papieren bevat van ds. Dirk Lenting (1789-1877). Zij betreffen zijn werkzaamheden als voorzitter van de kerkeraad van Batavia - waar hij van 1823 tot 1838 stond - als lid van de commissie voor een Maleis-Nederlands en een Nederlands-Maleis woordenboek en als secretaris van het medewerkend Javasche Zendeling Genootschap. Verder is hij ook president van het Genootschap van kunsten en Wetenschappen geweest en "Aalmoezenier bij het Genootschap van Waterloo", dit alles te Batavia. Nadat hij in 1835 met verlof naar Nederland is teruggekeerd,wordt hij in 1838 eervol ontslagen en gepensioneerd. Van 1839 tot 1855 staat hij nog in de gemeente van Zeist. (Zie verder: Biografisch Woordenboek van Nederlandse Godgeleerden, e.d., J. P. de Bie, 's-Gravenhage 1943.)

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in