gahetNA in het Nationaal Archief

Koloniën suppl.

2.10.03
F.J.M. Otten
Nationaal Archief, Den Haag
1970
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.10.03
Auteur: F.J.M. Otten
Nationaal Archief, Den Haag
1970
CC0

Periode:

1826-1952

Omvang:

4,20 meter; 148 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Dit bestand, geheel op onderwerp geordend, bevat naast rapporten, overzichten e.d. over Nederlands-Indië, ook een serie afschriften van overeenkomsten en verdragen met inlandse vorsten.

Archiefvormers:

  • Ministerie van Koloniën, 1842-1945
  • Ministerie van Nationale Nijverheid en Koloniën / Administratie voor de Koloniën, 1824-1825
  • Ministerie van Marine en Koloniën / Directie voor de Zaken van de Koloniën, 1825-1829
  • Generale Directie van Marine en Koloniën / Administratie voor de Koloniën, 1840-1841
  • Ministerie van Koloniën, 1842-1945
  • Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen, 1945-1949
  • Ministerie van Waterstaat, Nationale Nijverheid en Koloniën / Administratie voor de Koloniën, 1830-1831
  • Ministerie voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen, 1949-1952
  • Netherlands Forces Intelligence Service (NEFIS), 1945-1950

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Geschiedenis van het archiefbeheer

3 Archieven
3.1 Openbaar verbaalarchief 1814-1940

Gedurende de periode 1814 tot na 1940 (namelijk 1951) heeft het departement van Koloniën onafgebroken gekozen voor een chronologische ordening van het hoofdarchief. Hoewel er binnen het departement al vroeg sprake was van afdelingen, heeft die organisatie geen invloed gehad op de archiefvorming: er werd steeds één centraal verbaal gevormd en wel volgens het verbaalstelsel-1823. Wel zijn in de gehele periode stukken buiten het verbaal gehouden, om op onderwerp te worden geordend of in aparte series te worden geborgen.

Toegangen op het verbaalarchief

Periode tot 1921

Indices

De indices, met de bijbehorende hoofdenlijsten en klappers, vormen voor de onderzoeker het belangrijkste instrument om de stukken in het verbaal te kunnen vinden. In de eerste decennia is de opzet van de index nogal eens gewijzigd, totdat in 1843 een model werd ingevoerd dat in grote lijnen tot 1921 is gehandhaafd.

Met ingang van 1843 werd naast de hoofdenlijst nu ook de klapper ingebonden in de indices, terwijl tevens een nieuw model index werd ingevoerd, met een indeling in vier kolommen. In kolom 1 werd nu datum en nummer van het verbaal opgenomen, soms met verwijzingen naar een eerdere behandeling van de betreffende zaak. Kolom 2 werd gebruikt voor gegevens over de afzender van het stuk en diens registratuurkenmerken (als deze kolom blanco is gelaten, is er alleen sprake van een uitgaande stuk en zijn er geen voorstukken). In kolom 3 werd de korte inhoud vermeld, alsmede de genomen beschikking. In de meest rechtse kolom (4) staan soms verwijzingen naar latere stukken.

Vanaf 1843 werden de nu halfjaarlijkse indices doorlopend genummerd. Voor elke rubriek van de index reserveerde men een aantal vaste paginanummers, zodat men een bepaalde rubriek steeds op een vaste plaats in de index kon terugvinden. Wanneer men onverhoopt te weinig pagina's voor een rubriek had gereserveerd, loste men dit op door vanaf de laatste pagina een subnummering aan te brengen (30a, 30b etc.).

De indices over de jaren 1850-1921 (in omvang uitgedijd tot twee banden per halfjaar) zijn op microfiche raadpleegbaar op de studiezaal van het Nationaal Archief.

Hoofdenlijsten

De hoofdenlijsten zijn steeds voor in de indices opgenomen. Ze beslaan steeds een periode van een half jaar. Vanaf 1843 ging men over op een vaste volgorde voor de rubrieken, die niet meer alfabetisch is: ministerie van Koloniën (folio 1 e.v.), betrekkingen met vreemde mogendheden (folio 33 e.v.), regering der koloniën (folio 41 e.v.) etc. De gekozen benamingen geven de invalshoek van de toenmalige administratie weer, die vaak verschilt van die van de latere onderzoeker.

Klappers

De klappers op de indices zijn vanaf 1843 steeds opgenomen voorin het eerste indexdeel van elk halfjaar. Sinds 1843 zijn de indices doorlopend gepagineerd en verwijzen de klappers naar dit paginanummer.

Agenda's

De agenda's zijn als hulpmiddel bij onderzoek in het archief van secundair belang. Vanaf 1843 beslaan de agenda's (net als de indices) steeds een periode van een half jaar. Vanaf 1901 zijn er twee series: op de ingekomen respectievelijk de uitgegane stukken.

Vrijwel vanaf het begin zijn ook door afdelingen van het departement aparte series agenda's, indices en klappers aangehouden, over kortere of langere periodes. Het meest informatief zijn de zogenaamde `Aanteekeningsregisters' van bureau A, later afdeling A. Oost-Indische Zaken, die de periode circa 1830-1945 beslaan. (

De latere gouverneur-generaal B.C. de Jonge, van 1901-1910 werkzaam op het ministerie van Koloniën, noteerde in zijn Herinneringen (uitgegeven door S.L. van der Wal, Utrecht 1968, blz.6), dat het gehele werk op Koloniën afhing van het 'register' van Du Tour (A.L.C. du Tour) van de toenmalige afdeling A.

)

Periode 1921-1940

Tussen 1921 en 1940 werd geen centrale index meer bijgehouden. Voor onderzoek in het (ongedeelde) verbaal is men derhalve aangewezen op door de afdelingen bijgehouden indices, die een wisselende kwaliteit vertonen. Al deze toegangen zijn beschreven in een inventaris (2.10.36.01), die in een zeer nuttige bijlage een alfabetische lijst geeft van alle indexrubrieken, met vermelding van de jaren waarin deze rubrieken voorkomen in de desbetreffende afdelingsindex.

Verbaal

Na 1842 kwam het gebruik in zwang de datum/nummercombinatie aan te vullen met de letteraanduiding van de behandelende afdeling, bijvoorbeeld: 11 augustus 1908 (afdeling) A1 nr. 12. (

Dit gebruik eindigde begin 1917, toen de afdelingen niet meer met een letter, maar met een nummer werden aangeduid.

)

Op de ingekomen stukken werd behalve datum en nummer van het verbaal (in zwarte inkt) ook datum en nummer van inschrijving in de agenda genoteerd, vooraf gegaan door de aanduiding exh. De ingekomen stukken waarop geen besluit volgde liggen in de dagbundel bovenop. (

Deze praktijk ontstond geleidelijk circa 1840.

) Men dient erop bedacht te zijn, dat de datum/nummercombinatie van deze exhibita dezelfde kan zijn als in het daarna volgende verbaal. Wel is het zo, dat bij de registratie van deze exhibita de maand werd aangeduid met een cijfer en dat maand en dag zijn omgekeerd: exh. 12/5 1850 nr. 10 moet dus gelezen worden als 5 december 1850. Dit week af van de aanduiding van het verbaal: 5 december 1850 nr. 10. Deze nogal gecompliceerde werkwijze werd aangehouden tot circa 1910. Na dit jaar werden exhibita, waarop geen besluiten werden genomen, voorzien van een normale dag/maandaanduiding en werden ze geleidelijk aan vaker geborgen bij een minuut, die slechts vermeldde, dat het exhibitum `worde geborgen in dit verbaal'.

3.2 Geheim- en kabinetsarchief 1814-1940

Het geheim verbaal 1814-1868 en het kabinetsverbaal 1835-1940 (gezamenlijke omvang circa 175 meter), zijn beschreven in een viertal inventarissen. Voor de periodes 1814-1849 en 1850-1900 zijn dat dezelfde inventarissen als hiervoor bij het openbaar verbaal vermeld (2.10.01 en 2.10.02). Voor de jaren 1901-1940 zijn er aparte inventarissen voor het verbaal (2.10.36.051) en voor de toegangen daarop (2.10.36.013).

Bij het geheim verbaal kregen het ingekomen stuk en de bijbehorende minuut hetzelfde nummer; men hanteerde daarbij een per jaar doorlopende nummering (het openbaar verbaal kende een nummering per dag). Soms zijn lagere nummers over dezelfde kwestie bij een hoger nummer gevoegd (in de agenda is dan bij die lagere nummers een verwijzing gemaakt).

Bij het kabinetsarchief hanteerde men een per jaar doorlopende letter/nummercombinatie. Bij deze laatste methode begon men begin januari met de letter A, om na de letter Z te vervolgen met A1 tot Z1, A2 tot Z2 etc. Het bij een minuut horende ingekomen stuk kreeg hetzelfde kenmerk, voorafgegaan door Exh., in latere jaren wijkt dit kenmerk echter af. (

Men zij erop bedacht, dat bij het openbaar verbaal vanaf 1842 ook letters werden gebruikt, maar dan voor de behandelende afdeling, bijvoorbeeld 1 februari 1900 (afd.)B nr. 1 (openbaar verbaal) naast 1 februari 1900 Litt.B 1 (kabinetsverbaal).

)

Vanaf 1870 zijn de klappers opgenomen voor in de agenda's; aanvankelijk werd verwezen naar het folionummer van de agenda, later naar het agendanummer. Via de kolom in de agenda, waarin de beschikking dan wel het uitgaande stuk werd vermeld, werd dan verwezen naar de berging van de stukken in het verbaal. (

De delen hebben het opschrift 'geheime en kabinetsagenda en index'.

) Opmerkelijk is, dat veel stukken in de geheime agenda werden geagendeerd, maar toch opgelegd in het openbaar verbaal.

De geheime agenda's vanaf 1900 zijn op microfiche beschikbaar.

3.3 Buiten verbaal gehouden stukken 1900-1940

Oost-Indische besluiten. Gouvernementsjournalen West-Indië

Op grond van zijn instructie moest de gouverneur-generaal het departement in Den Haag in kennis stellen van alle door hem genomen besluiten. Een omvangrijk gedeelte van de uit Oost-Indië overgekomen stukken vormen de Oost-Indische besluitenregisters (omvang ruim 300 meter). Hierin werden afschriften, vanaf 1869 extracten, opgenomen van alle besluiten van de GG. (

In 1869 werd bepaald: 'de registers der besluiten, voor den Minister bestemd, bevatten voortaan extracten in stede van afschriften' (Geschiedkundige Nota over de Algemeene Secretarie Batavia 1816-1894 (Batavia z.j.), Bijlage V).

) De serie eindigt in 1932: na dit jaar zijn geen registers meer naar Nederland verzonden. (

Het Arsip Nasional te Djakarta beschikt wel over Oost-Indische besluitenregisters vanaf 1933.

)

Vergelijkbare registers van (extract-) besluiten van autoriteiten in West-Indië kregen de benaming Gouvernementsjournalen (omvang 82 meter).

Mailrapporten

Na de invoering van de ministeriële verantwoordelijkheid in 1848 kreeg het departement behoefte aan meer en vooral snellere informatie uit de koloniën. Vanaf 1869 moest de gouverneur-generaal voortaan Den Haag zo spoedig mogelijk informeren over alle belangrijke gebeurtenissen, handelingen, voorstellen e.d. (

. Wijziging van de artikelen 5 en 6 van de instructie voor de GG bij KB van 28 mei 1869 nr. 41. Zie ook: A.M. Tempelaars en H.B.N.B. Adam, `Een ingang op de Indische mailrapporten', in: Nederlands Archievenblad, 82 (1978) 153-160.

) Het jaar 1869 is niet toevallig ook het jaar waarin het Suezkanaal werd geopend. Het informeren van Den Haag gebeurde in de vorm van een mailrapport, in feite een lijst van inhoudelijk kort en bondig omschreven en per jaar doorlopend genummerde berichten, veelal voorzien van bijlagen. Als bijlagen werden onder meer in afschrift meegezonden: adviezen van de Raad van Indië, rapporten van de commandanten van leger en marine, rapporten van residenten, verslagen van reizen en onderzoekingen, processtukken, overzichten en staten van financiële en economische aard. Vooral na 1890 werden deze bijlagen ook wel geborgen in het verbaal: op de lijst werd dan bij het betreffende bericht in een marginale aantekening naar het verbaal verwezen.

De mailrapporten, aanwezig over de jaren 1869-1950, werden in een aparte serie bijeen gehouden. Over de periode 1869-1900 (omvang 24 meter) zijn ze beschreven in de inventaris van het hoofdarchief 1850-1900 (2.10.02); voor de periode 1901-1950 (omvang circa 80 meter) in vier toegangen, waarvan er twee de openbare en geheime rapporten zelf betreffen (2.10.36.02 en 2.10.36.06) en twee de mailrapportlijsten (2.10.36.03 en 2.10.36.07). De serie geheime mailrapporten vangt eerst aan in 1914, eveneens met een per jaar doorlopend nummer, maar gevolgd door de letter `x'. Bij deze laatste serie zijn ook opgelegd overzichten van de inlandse pers en politiek-politionele verslagen van de procureur-generaal bij het Hooggerechtshof.

Memories van overgave

De verzameling Memories van overgave 1852-1962 (omvang 18,5 meter; toegang 2.10.39) betreft rapporten, opgesteld door regionale bestuursambtenaren in Nederlands-Indië over de situatie in hun district en bedoeld om de opvolger te informeren. De memories dienden een breed terrein te bestrijken: aardrijkskundige beschrijving, bevolking, bestuur, politieke toestand, agrarische productie, etc. De verplichting tot het opstellen van deze memories werd in 1849 voor het eerst afgekondigd. Aan de Algemene Secretarie te Batavia diende een afschrift te worden gezonden. Pas vanaf 1869 werden afschriften ook naar Den Haag gezonden, vaak als bijlagen van de mailrapporten. Op het departement werden de memories gescheiden van de mailrapporten en in een aparte serie geborgen.

Vanaf 1929 werden vanuit Indië ook afschriften van memories verzonden naar het toenmalige Tropeninstituut (thans Koninklijk Instituut voor de Tropen, KIT). (

Gegevens ontleend aan de inleiding van de getypte inventaris (2.10.39).

) De collectie in het Nationaal Archief bevat in feite twee series memories: a) ter informatie ingekomen bij het ministerie van Koloniën, vooral afkomstig van hogere gezagsdragers (gouverneurs, residenten) en b) afkomstig van het KIT, vooral opgesteld door lagere bestuursambtenaren (assistent-residenten, controleurs). Memories van een bepaald district zijn in de inventaris snel te traceren met hulp van klappers op plaatsnamen en auteursnamen. De memories zijn op microfiche in de studiezaal te raadplegen.

Politieke rapportage

Eveneens van belang voor onderzoek naar toestanden op lokaal niveau zijn de zogenaamde Korte Verslagen: politieke verslagen en berichten uit de Buitengewesten, over de jaren 1898-1940 (omvang 9,6 meter). Deze rapporten moesten vanaf 1853 periodiek worden ingezonden. (

Voorgeschreven ingevolge Staatsblad Nederlandsch-Indië, 1853 nr. 55.

) Vóór 1898 werden de rapporten alleen vermeld in de mailrapporten, vanaf 1884 werden ze steeds vaker als bijlage in afschrift meegezonden. Eerst vanaf 1898 werden ze op het departement systematisch uit de mailrapporten verwijderd en, na te zijn gebruikt voor de samenstelling van het Koloniaal Verslag, jaarlijks opgelegd in het verbaal. In de inventarissen (2.10.52 en 2.10.52.01) zijn de verslagen per regio geordend. Ook dit bestand is op microfiche in de studiezaal raadpleegbaar.

Personeelsadministratie

Behalve de registratie betreffende het personeel van het departement zelf, werd ook een administratie bijgehouden van burgerlijk en militair personeel in de koloniën.

Burgerlijk personeel

De stamboeken met dienststaten van ambtenaren in Oost-Indië over de periode 1814-1936 (omvang 5,5 meter, toegang 2.10.36.015) geven uitvoerige informatie over het carrièreverloop, met verwijzingen naar besluiten van minister, de gouverneur-generaal e.a. Ze zijn te raadplegen op microfiche en toegankelijk via een centrale klapper (2.10.06 t/m 2.10.08 voor Oost-Indië, 2.10.09 voor West-Indië). Als vervolg op deze stamboeken werden van sinds 1912 in dienst gekomen ambtenaren stamkaarten bijgehouden, die alfabetisch zijn geordend; een tweede serie werd vanaf 1927 door het Commissariaat voor Indische Zaken (CIZ) gevormd (omvang 14 meter, toegang 2.10.36.21).

Voorts zijn er personeelsdossiers 1926-1959 (omvang 3,5 meter, toegang 2.36.10) en Indische pensioenregisters over de jaren 1815-1940 (omvang 1,7 meter, toegang 2.10.09). Voor pensioenstaten zie bij Militairen.

Militairen

De schriftelijke neerslag van de registratie van militairen voor het leger in Oost- en West-Indië (omvang 50 meter) is beschreven in een getypte inventaris (2.10.50, aangevuld in 2.10.50.01 en 2.10.50.02), die helaas geen inleiding bevat. Dit gemis wordt echter ruimschoots gecompenseerd door een in 1996 verschenen onderzoeksgids `Soldaten overzee'. (

Jan H. Kompagnie (red.), Soldaten overzee. Aanwijzingen voor het doen van onderzoek naar Onderofficieren en Minderen bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) en bij het leger in West-Indië (1815-1949) (Den Haag, Algemeen Rijksarchief en Centraal Bureau voor Genealogie, 1996). Ook is een beknopter Informatieblad beschikbaar op de studiezaal van het NA en via internet: 'Op zoek naar militairen bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) en bij het Leger in West-Indië over de periode 1815-1949'.

) De omvangrijkste serie bestaat uit de zogenaamde Suppletiefolio's van onder-officieren en minderen. Dit zijn door het Koloniaal Werfdepot (tot 1909) en de Koloniale Reserve (vanaf 1909) ingezonden stamboekafschriften, die op het departement van aanvullende gegevens werden voorzien. Van in de koloniën aangenomen militairen zijn er aparte series stamboeken: het Oost-Indisch en het West-Indisch Boek. (

Niet te verwarren met de zogenaamde 'Linnen Banden', een collectie stamboeken van onderofficieren en minderen van het KNIL, 1832-1898 (omvang circa 10 meter), aangelegd en bijgehouden in Indië en later naar Nederland overgebracht.

)
Ook de officieren werden in eigen stamboeken geregistreerd.

Al deze registraties geven persoonlijke informatie over de militair: namen ouders, geboorteplaats en -datum, signalement, militaire loopbaan tot het moment van vertrek naar Oost- of West-Indië, beëindiging dienstverband en eventuele pensionering. De stamboeken van officieren bevatten soortgelijke gegevens. De collectie Betaalstaten van Pensioenen (omvang 22,5 meter, toegang 2.10.31) betreft zowel militairen als (hogere) ambtenaren. De staten beslaan de periode 1868-1925 en vermelden onder meer de woonadressen en soms de overlijdensdatum van de gepensioneerden.

De meeste van de hier genoemde registraties zijn op microfiches raadpleegbaar.

Overige stukken

Buiten verbaal gehouden stukken uit de periode circa 1900-1940 werden ondergebracht in een serie A-dossiers (omvang 21 meter). Deze stukken betroffen in grote lijnen: bestuurlijke regelingen, internationale overeenkomsten, zaken van juridische aard.

Documentatie

Onder verschillende benamingen (Statistiek en bibliotheek, Statistisch bureau, Oost-Indisch verslag) kende het departement lange tijd een afdeling documentatie, die ook schriftelijke neerslag heeft nagelaten. In toegang (2.10.36.012) is een serie van 14 delen `Zakelijke aantekeningen' beschreven, circa 1815-1933, gerubriceerde meerjarige registers met informatie over koloniale bestuurszaken, soms met verwijzingen naar het verbaalarchief van Koloniën of besluiten van de gouverneur-generaal, maar vaak ook naar artikelen in tijdschriften. In elk deel is een klapper en (achterin) een rubriekenlijst opgenomen. (

Het register 'Zakelijke aantekeningen' dient niet te worden verward met het `Aantekenregister', dat fungeerde als index van afdeling A, respectievelijk de 1e afdeling.

)

De afdeling documentatie hield ook registers op Indische kranten bij, die vergelijkbaar zijn met de bovengenoemde registers, maar nu verwijzen naar in Nederlands-Indië verschijnende kranten. De inventaris (2.10.36.111) geeft een overzicht, waar in Nederland deze Indische kranten zijn te raadplegen. (

Een recenter overzicht van de vindplaatsen, met uitvoerige informatie over de afzonderlijke bladen, in: G. Termorshuizen, Journalisten en heethoofden. Een geschiedenis van de Indisch-Nederlandse dagbladpers 1744-1905 (Leiden 2001). Het deel over 1905-1942 is in voorbereiding.

) Soortgelijke registers werden bijgehouden ten aanzien van artikelen over de koloniën in kranten die in Nederland verschenen (toegang 2.10.36.112). Alle registers (omvang circa 4 meter) zijn op de studiezaal op microfiche te raadplegen.

Dit archief `Koloniën, supplement, 1826-1952' (omvang 3,5 meter, toegang 2.10.03) bevat in het gedeelte Nederlands-Indië voor 1942 eveneens veel documentatie, onder meer een serie afschriften van overeenkomsten en verdragen met inlandse vorsten (1664-1914) naast rapporten, overzichten e.d.

3.4 Commissariaat voor Indische Zaken 1927-1940

Het CIZ, dat in de loop van 1927 alle departementstaken inzake de uitzending naar Indië (en om praktische redenen ook naar de West) van mensen en materieel had overgenomen, was verdeeld in een aantal afdelingen, maar vormde niettemin één centraal archief, dat na 1940 nog doorloopt (tot en met het jaar 1949).

3.5 Kaarten en tekeningen

Van het omvangrijke kaartenbestand van het ministerie van Koloniën over de jaren 1814-1963 is in 1993 een gedrukte inventaris (4.MIKO) verschenen. (

G.L. Balk en F.E.Ch. Hoste, Inventaris van de kaarten en tekeningen van het Ministerie van Koloniën (1702) 1814-1963 ('s-Gravenhage, Algemeen Rijksarchief, 1993).

) Vele kaarten, in Nederlands-Indië door de Genie, later de Topografische Inrichting vervaardigd, werden ambtshalve toegezonden aan het departement in Den Haag. Het ministerie verzamelde actief en kocht ook (veelal) gedrukte kaarten aan. De collectie, bestaande uit 8071 losse bladen naast 129 portefeuilles, beperkt zich dan ook niet tot de Nederlandse koloniën, maar bevat ook veel kaarten van overzeese bezittingen van andere koloniale mogendheden, met name Engeland en Frankrijk. Alle beschreven kaarten zijn op microfiche raadpleegbaar. Ook in het verbaalarchief werden kaarten opgelegd: deze zijn als regel daar ook achter gebleven en niet in de inventaris opgenomen.

De inventaris van toegang 4.MIKO bevat een uitvoerige inleiding over het kaartbeheer bij het departement en de kaartproductie in Nederlands-Indië. Achterin is een register op namen van personen en instellingen opgenomen, echter niet van plaatsnamen. De onderzoeker moet nu afgaan op de geografische indeling in de inhoudsopgave, die weliswaar een logische opzet vertoont, maar vrij globaal is gehouden. Per regio is er een vaste onderverdeling: 1. thematische en topografische kaarten 2. plattegronden en tekeningen (waarmee kaarten/tekeningen van objecten zijn bedoeld) en 3. hydrografische kaarten. Bij sommige (archief)kaarten zijn er verwijzingen naar het verbaal.

3.5 Complementaire archieven

De archieven van de ministeries van Buitenlandse Zaken, Defensie (Marine) en Economische Zaken zijn van belang bij kwesties die een interdepartementale aanpak vereisten. Dat geldt zeker ook voor de collecties kaarten en tekeningen van Marine (o.a. de Hydrografische Dienst) en van Oorlog/Defensie (Topografische Dienst).

De archivalia opgenomen in deze toegang (2.10.03) zijn circa 1963 overgenomen van het ministerie van Binnenlandse Zaken.

De stukken daterend van vóór 1900 vormen een aanvulling op het reeds vroeger aan het Algemeen Rijksarchief overgedragen archief van het departement van Koloniën (1815-1900), met name op het in 1915 overgedragen z.g. "Statistiek Archief, afkomstig van het bureau G van het voormalig departement van Koloniën. Dit statistiek archief is echter geliquideerd bij de inventarisatie van het archief Koloniën 1815-1849 (zie de inleiding op de inventaris Koloniën 1815-1849, door W.A. Fasel, blz. 5).

De herkomst van de stukken van na 1900, voornamelijk de periode 1924-1949 bestrijkend, is onzeker. Het betreft hier vrijwel uitsluitend documentatiemateriaal uit de Indonesische pers, verzameld door de RVD en door militaire inlichtingendiensten in Nederlands Indië.

In de periode 1970 tot 1976 zijn nog enkele stukken aan dit bestand toegevoegd [zie inv.nrs. 146-154] F.J. Otten
1970,
[bewerkt door DJK 27-6-2005]

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in