gahetNA in the National Archives

Koloniën suppl.

2.10.03
F.J.M. Otten
Nationaal Archief, Den Haag
1970
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.10.03
Auteur: F.J.M. Otten
Nationaal Archief, Den Haag
1970
CC0

Periode:

1826-1952

Omvang:

4,20 meter; 148 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Dit bestand, geheel op onderwerp geordend, bevat naast rapporten, overzichten e.d. over Nederlands-Indië, ook een serie afschriften van overeenkomsten en verdragen met inlandse vorsten.

Archiefvormers:

  • Ministerie van Koloniën, 1842-1945
  • Ministerie van Nationale Nijverheid en Koloniën / Administratie voor de Koloniën, 1824-1825
  • Ministerie van Marine en Koloniën / Directie voor de Zaken van de Koloniën, 1825-1829
  • Generale Directie van Marine en Koloniën / Administratie voor de Koloniën, 1840-1841
  • Ministerie van Koloniën, 1842-1945
  • Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen, 1945-1949
  • Ministerie van Waterstaat, Nationale Nijverheid en Koloniën / Administratie voor de Koloniën, 1830-1831
  • Ministerie voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen, 1949-1952
  • Netherlands Forces Intelligence Service (NEFIS), 1945-1950

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

1. Organisatie
1.1 Periode tot ca. 1917

Vanaf begin 1842 was het ministerie van Koloniën geheel zelfstandig, wat het de gehele periode tot 1940 is gebleven. Toen in 1922 in de Grondwet het woord `koloniën' werd geschrapt en vervangen door de geografische benamingen `Nederlandsch-Indië, Suriname en Curaçao', zijn er ook voorstellen geweest om het woord Koloniën in de naam van het departement te vervangen. Daar is het in de hier behandelde periode niet van gekomen.

In 1900 bestond de bureau-organisatie van Koloniën naast het Kabinet van de minister uit de volgende onderdelen: Afdeling A1. Justitie, onderwijs, eredienst en nijverheid; Afdeling A2. Financiën en begrotingen; Afdeling A3. Binnenlands bestuur en openbare werken; Afdeling B. West-Indische zaken; Afdeling C. Militaire zaken; Afdeling D. Personeel; Afdeling E1. Comptabiliteit; Afdeling E2. Pensioenen; Afdeling F. Aanschaffing en uitzending van gouvernementsgoederen; Afdeling G. Oost-Indisch verslag en bibliotheek; Bureau Algemene secretarie en expeditie; Bureau Archief; Bureau Index en Agenda; het Technisch Bureau; het Koloniaal etablissement te Amsterdam; de Commissie voor Geneeskundig Onderzoek; Commissariaten van afmonstering te Amsterdam en Rotterdam; en de Koloniale Reserve (Staatsalmanak voor het Koninkrijk der Nederlanden, 1900).

Afdeling A3 kreeg vanaf 1905 ook de zaken van het nieuwe Indische departement van Landbouw (vanaf 1911 Landbouw, nijverheid en handel). In 1908 werd de oprichting nodig geacht van een nieuwe afdeling A4 voor zaken die in Nederlands-Indië ressorteerden onder het departement van Gouvernementsbedrijven. Vanaf 1 maart 1912 gingen de Burgerlijke Openbare Werken over van afdeling A3 naar A4. (

Besch. 28 november 1904 Litt. K 25 (archief Kabinet 1901-1940 inv.nr. 48), Besch. 8 februari 1908 afd.K nr. 49 en Besch. 14 februari 1912 afd.K nr. 13 (Openbaar verbaalarchief 1901-1953 inv.nrs. 525 en 903). Afdeling A3 was van eind 1904 tot begin 1912 verdeeld in twee bureaus.

)

Los van veranderingen in Indië stonden: de oprichting in 1901 van het Statistisch Bureau, de samenvoeging in 1905 van de bureaus Archief en Index/agenda tot bureau Agenda en archief en de splitsing in 1908 van afdeling C in twee bureaus: 1. algemene militaire zaken en 2. militair personeel. (

Besch. Koloniën 6 maart 1908 Kabinet Litt. L 5 (archief Kabinet 1901-1940 inv.nr. 94).

) Om de bestuurlijke top van het departement te ontlasten, kregen de afdelingen in 1905 de bevoegdheid `eene rechtstreeksche briefwisseling over zaken van ondergeschikten aard' te voeren met de departementen in Indië. (

Circulaire aan de afdelingen van 16 oktober 1905 afd.K nr. 35 (Openbaar verbaalarchief 1901-1953 inv.nr. 338). Als motief werd genoemd: 'inkrimping en vereenvoudiging van de correspondentie tusschen den Gouverneur-generaal en den Minister van Koloniën'.

)

1.2 Periode 1917-1940

Bij een nieuwe reorganisatie per 1 januari 1917 werd de `volgorde der afdeelingen van het IIde Hoofdstuk der Ind(ische) begrooting ... als leidraad genomen'. (

Verbaalarchief Koloniën 1900-1953, inv.nr. 1637, 20 december 1916 nr. 8. Kennis van de organisatie van het departement tijdens het Interbellum (1918-1940) is voor de onderzoeker van belang in verband met de afschaffing in 1921 van de centrale index (zie verder de paragraaf Archieven).

) Om die reden moest geschoven worden met de taken van de afdelingen, die voortaan niet meer met een letter maar met een cijfer werden aangeduid. Er kwamen nu, naast Kabinet en Algemene Secretarie, liefst 14 afdelingen, drie meer dan in de jaren ervoor. Bij de meeste daarvan was het takenpakket min of meer ongewijzigd ten opzichte van de voorganger. Bij twee voormalige afdelingen (A1 en C) was de taak nu verdeeld over twee nieuwe, terwijl het Statistisch Bureau tot (14e) afdeling werd verheven.

Schema organisatie in 1917voorganger
KabinetKabinet
Algemene Secretarie:Algemene Secretarie
a. alg. secretarie b. agenda en archiefAgenda en archief
1e afd. Rechtswezenafd. A1: Justitie (Onderwijs, eredienst)
2e afd. Geldwezen en belastingenafd. A2: Financiën en begrotingen
3e afd. Begroting en comptabiliteitafd. A2: (zie boven); afd. E1: Comptabiliteit
4e afd. Binnenlands bestuur, decentralisatieafd. A3: Binnenlands bestuur
Landbouw, nijverheid, handel, scheepvaartLandbouw, nijverheid, handel
5e afd. Onderwijs, eredienst, volksgezondheidafd. A 1: (Justitie); Onderwijs, eredienst
6e afd. Gouvernementsbedrijvenafd. A 4: Gouvernementsbedrijven
Burgerlijke openbare werkenBurgerlijke openbare werken
7e afd. Land- en zeemachtafd. C: Militaire zaken
8e afd. Personele zaken, militaire dienstafd. C: Militaire zaken
9e afd. Personele zaken, burgerlijke dienstafd. D: Personeel
10e afd. West-Indische zakenafd. B: West-Indische zaken
11e afd. Pensioenenafd. E2: Pensioenen
12e afd. Aanschaffing en uitzending van landsgoederenafd. F: Aanschaffing en uitzending van gouvernementsgoederen
13e afd. Oost-Indisch verslag; Boekerijafd. G: Oost-Indisch verslag; Bibliotheek
14e afd. Statistisch bureauStatistisch bureau

Sommige van de in 1917 gevormde afdelingen was een kort leven beschoren. Zo werd de 14e afdeling al in 1919 opgeheven (taak naar de Directie van de Pensioenfondsen)

en verloor de 13e afdeling al snel de status van afdeling, nadat de samenstelling van het Indisch Verslag was overgenomen door het Kabinet, om vanaf 1922 verder te gaan als Boekerij. Vanaf begin 1925 waren de 4e en 5e afdeling samengevoegd onder één afdelingschef. (

In de Staatsalmanak van de jaren 1924-1927 wordt gesproken van 'Vierde en vijfde afdeling', onder één afdelingshoofd. Een besluit inzake de samenvoeging werd niet aangetroffen.

) In dat jaar werd ook de 11e afdeling opgeheven, onder overheveling van de taak naar de 3e afdeling, waarmee de in 1896 doorgevoerde scheiding tussen comptabiliteit en betaalbaarstelling van pensioenen ongedaan werd gemaakt. Deze 3e afdeling was vanaf 1918 in verband met de omvang verdeeld in twee bureaus. Ook de 9e afdeling werd al snel gesplitst in drie, later twee onderafdelingen. De naam van de 10e afdeling werd in navolging van de Grondwet van 1922 gewijzigd in: Suriname en Curaçao.

Gedurende de jaren-1920 werd op Koloniën steeds meer de behoefte gevoeld aan een aparte hoofdambtenaar, die rechtstreeks contact zou kunnen onderhouden met de gouverneur-generaal en de hoofden van departementen in Nederlands-Indië, om aldus minister en secretaris-generaal te ontlasten. De introductie van een loco-secretaris-generaal in januari 1919 had in dit opzicht onvoldoende soelaas gebracht. Omdat de Indische regering ingevolge de Indische Staatsregeling van 1925 meer zelfstandigheid zou krijgen wenste de Raad van Indië, dat deze nieuwe verhouding weerspiegeld zou worden in een Indisch Agentschap in Nederland. In 1927 werd het Commissariaat voor Indische Zaken (CIZ) opgericht, dat alle departementstaken inzake uitzending naar Indië van mensen en materieel moest overnemen. De chef ervan bleef echter ondergeschikt aan de minister van Koloniën: er was dus geen sprake van een agentschap in patria van de Indische regering, die overigens wel meer moest bijdragen in de kosten. (

De Graaff, Kalm, 134 e.v.

)

De oprichting van het CIZ had voor de organisatie van het departement grote gevolgen. De 8e, 9e en 12e afdeling gingen over naar het CIZ, waar ze de afdelingen C, B en D gingen vormen. De (3e) afdeling Comptabiliteit werd niet gesplitst; wel ging in 1935 een deel van de taak over naar de Directie Indische Pensioenfondsen, die onder het CIZ viel. (

De Graaff, Kalm, 123-124.

) Tegelijk vond een hernummering plaats van de afdelingen:

  • 1e t/m 3e afd. conform 1917.
  • 4e afd. Binnenlands bestuur; Onderwijs en eredienst; Landbouw, nijverheid, handel, scheepvaart.
  • 5e afd. Burgerlijke openbare werken; Gouvernementsbedrijven.
  • 6e afd. Militaire zaken (land- en zeemacht).
  • 7e afd. Suriname en Curaçao.

Naast deze afdelingen fungeerden het Kabinet, de Algemene Secretarie en de Boekerij.

De belangrijkste wijzigingen in de organisatie in de jaren-1930 deden zich voor op het werkterrein van de 4e afdeling. Bij het economisch beleid kreeg Koloniën in deze jaren steeds meer concurrentie van het (Haagse) departement van Economische Zaken. Eind 1932 werd de 4e afdeling gesplitst in twee bureaus: Economische zaken (EZ) en Bestuurs- en onderwijszaken (BOZ). In 1935 werd een organisatieonderdeel van bureau EZ belast met crisiszaken en handelspolitiek, omgezet in afdeling D (Crisiszaken) van het CIZ, om vervolgens in 1937 te worden opgewaardeerd tot de 8e departementsafdeling Economische zaken. (

. Besch. 25 april 1935 nr. 6 en Besch. 16 oktober 1937 nr. 4 (Dossierarchief Koloniën (1859)1945-1963, inv.nr. 485).

) Als gevolg daarvan werd de nieuwe benaming van de 4e afdeling nu: Welvaartszaken. Onder minister H. Colijn (1933-1937), die tevens de functies van minister-president en (van 1935-1937) minister van Defensie vervulde, nam de invloed van de secretaris-generaal, O.E.W. Six, op de dagelijkse leiding sterk toe. (

De Graaff, Kalm, 176.

)

Het Commissariaat voor Indische Zaken (CIZ), waaraan dus een fors gedeelte van de departementale taak was gedelegeerd, bestond eveneens uit een groot aantal afdelingen.

Zo kende het een aparte afdeling (A) Algemene zaken en Kabinet. Het Technisch Bureau en het Koloniaal Etablissement waren nu als afdelingen E en F in het CIZ geïncorporeerd. Afdeling G, Oorlogsmaterieel, groeide sterk in de jaren-1930. Najaar 1939 kende het CIZ een grotere formatie dan het departement in enge zin: 125 tegen 114 ambtenaren boven de rang van schrijver. (

Cijfers ontleend aan De Graaff, Kalm, 148.

)

Koloniën bleef gedurende de gehele periode tot 1940 in het pand aan het Plein dat het departement in 1861 betrokken had.

2. Taken

Het departement van Koloniën ontving vanuit Oost- en West-Indië een voortdurende stroom van informatie over de verrichtingen van de koloniale besturen in die gebieden. De departementen in Nederlands-Indië hadden in Den Haag hun bestuurlijke evenbeeld in afdelingen van het ministerie van Koloniën, waar het beleid werd voorbereid. De uitvoering geschiedde uiteraard in Indië zelf. Zo werd onder invloed van de ethische politiek in de taakomschrijving van afdeling A3 van het departement vanaf 1904 gesproken van `maatregelen tot opheffing van den oeconomischen toestand der inlandsche bevolking' in Indië, maar het concrete welvaartsbeleid werd verricht door Indische departementen als Onderwijs of Landbouw. (

Besch. 28 november 1904 Litt.K 25 (Dossierarchief Koloniën (1859) 1945-1963, inv.nr. 1119).

)

De specifieke taken in Den Haag richtten zich vooral op een viertal terreinen: de inrichting van het koloniaal bestuur, de koloniale financiën, de defensie en de buitenlandse betrekkingen van de overzeese gebieden en ten slotte de personeels- en materieelvoorziening.

2.1 Inrichting van het bestuur in de koloniën

Door de Grondwet van 1848 raakten de Staten-Generaal betrokken bij het koloniale beleid, waarover de regering voortaan jaarlijks een uitgebreid `Koloniaal Verslag' diende uit te brengen. Artikel 59 van deze Grondwet schreef voor, dat de reglementen op het beleid der regering in de koloniën bij wet moesten worden vastgesteld.

In de Grondwet van 1922 werd het woord `koloniën' geschrapt: er werd nu gesproken over Nederlands-Indië, Suriname en Curaçao.

Nederlands-Indië

In Nederlands-Indië werd het opperbestuur vertegenwoordigd door de gouverneur-generaal (GG).

In 1854 kwam het door de Grondwet voorgeschreven regeringsreglement tot stand, dat tot 1926 de betrekkingen tussen het opperbestuur (de Kroon) en de Indische regering heeft bepaald. (

Wet tot vaststelling van het reglement op het beleid der Regeering van Nederlandsch-Indië van 2 september 1854 (Stbl. 129), in werking getreden per 1 mei 1855. Bij geheim KB van 5 juni 1855 werd de instructie voor de gouverneur-generaal vastgesteld.

)

De GG werd door de Kroon benoemd, waarbij de wet geen bepalingen kende over de duur van de ambtstermijn; wel was het regel, dat de landvoogd na vijf jaar ontslag vroeg. (

Kleintjes, Staatsinstellingen, 203.

) De GG werd in zijn bestuur bijgestaan door de Raad van Indië. Deze raad, waarvan de leden eveneens door de Kroon werden benoemd en ontslagen, was sinds 1836 een adviserend orgaan, dat (vanaf 1854) diende in te stemmen met belangrijke bestuursmaatregelen en de totstandkoming van ordonnanties. Het reglement van 1854 schreef ook voor, dat onder de bevelen van de GG de verschillende takken van bestuur beheerd zouden worden door directeuren. Deze stonden aan het hoofd van de Indische departementen (Binnenlands bestuur; Onderwijs en eredienst; Financiën), die in 1867 en later werden ingesteld.

Voorts steunde de GG vooral op de Algemene Secretarie, het administratieve apparaat onder leiding van de algemene secretaris, dat onder meer de correspondentie met het ministerie van Koloniën in Den Haag onderhield. De minister bepaalde weliswaar de hoofdzaken van het beleid, maar vrijwel altijd na raadpleging van de GG, die op zijn beurt adviezen inwon en aldus `het raderwerk der Indische administratie' activeerde. Het beleid van de GG moest door de minister van Koloniën tegenover de Staten-Generaal worden verdedigd. (

De Graaff, Kalm, 340, 623.

)

Ingevolge de Indische Staatsregeling van 1925 werd de regeling van de `inwendige aangelegenheden' aan Indië overgelaten. Op het departement in Den Haag werden wetten en algemene maatregelen van bestuur opgemaakt; in Indië kon de GG bij de bestuurstaak ordonnanties en regeringsverordeningen uitvaardigen, respectievelijk met en zonder medewerking van de in 1918 ingestelde Volksraad van Nederlands-Indië. (

C.W.van der Pot, Handboek van het Nederlandse staatsrecht (Zwolle 1950) 658-661. De Graaff, Kalm, 345. Indische Staatsregeling: wet van 23 juni 1925 (Stbl. 234). De instelling van de Volksraad was mogelijk na een wijziging in 1916 van het regeringsreglement van 1854. Omdat de Volksraad in 1925 een medewetgevende taak kreeg toebedeeld, verloor de Raad van Indië deze bevoegdheid en werd dit college een adviserend orgaan.

) Dit laatste college was bedoeld als volksvertegenwoordiging en bestond deels uit gekozen en deels uit benoemde leden, zowel Europeanen als inheemsen.

Op gewestelijk niveau werd in Indië het bestuur uitgeoefend door residenten, die leiding gaven aan twee bestuurskorpsen, namelijk een Europees bestaande uit assistent-residenten en controleurs, en een inheems met regenten, wedono's (districtshoofden) en desahoofden. Vanaf circa 1900 hielden twee kernthema's de beleidsambtenaren ten departemente in Den Haag en bij de Indische regering jarenlang bezig, namelijk decentralisatie (meer bevoegdheden naar het gewestelijk/lokaal bestuur ter ontlasting van de GG) en `ontvoogding' (overdracht van bevoegdheden van het Europees naar het inheems binnenlands bestuur). (

Uitvoerig over deze problematiek: Van den Doel, Stille macht, passim.

)

West-Indië

Suriname en de Antillen vielen onder de departementale afdeling West-Indische zaken. Suriname, Curaçao en de overige eilanden kenden afzonderlijke besturen onder leiding van gouverneurs, die rechtstreeks in contact stonden met het departement van Koloniën. In 1865 kwamen de door de Grondwet van 1848 voorgeschreven regeringsreglementen tot stand, die in veel artikelen onderling overeenstemden. (

Wetten van 31 mei 1865 (Stbl. 55 en 56).

) Eerder dan Oost-Indië kregen beide gebieden een eigen vertegenwoordigend lichaam, in Suriname Koloniale Staten en in Curaçao Koloniale Raad genoemd. De Staten bestonden deels uit benoemde, deels uit gekozen (sinds 1901 uitsluitend uit gekozen) leden; de Raad kende alleen door de Koning benoemde leden. Beide colleges hadden een medewetgevende taak. In 1936 werden deze reglementen vervangen door de Surinaamse respectievelijk Curaçaose Staatsregeling. (

Wetten van 23 april 1936 (Stbl. 902 en 903).

)

2.2 Financiën en begrotingen

Het departement van Koloniën was belast zowel met de opstelling van de eigen departementale begroting als met de begrotingen van het bestuur in de overzeese gebiedsdelen.

Vanaf 1840 moest de minister van Koloniën namens de regering aan de Staten-Generaal jaarlijks staten van ontvangsten en uitgaven van de koloniën overleggen. (

Grondwet van 1840, artikel 59. De staten zijn gepubliceerd in de Bijlagen van de Handelingen Staten-Generaal.

) De Grondwet van 1848 bepaalde in de artikelen 59 en 60, dat het muntwezen in de koloniën en de wijze van beheer en verantwoording van de koloniale geldmiddelen bij wet moesten worden geregeld. Dit resulteerde in de muntwetten voor West-Indië (1853) en Oost-Indië (1854) en in de Indische comptabiliteitswet (1864). (

Muntwetten van 14 december 1853 (Stbl. 126) voor West-Indië en 1 mei 1854 (Stbl 75) voor Oost-Indië. Indische Comptabiliteitswet van 23 april 1864 (Stbl. 35).

)
Omdat de Indische begroting voortaan elk jaar bij wet moest worden vastgesteld, kwamen Indische aangelegenheden veel meer dan vroeger in de Staten-Generaal ter sprake.

Ingevolge de Indische Staatsregeling van 1925 werd de Indische begroting grotendeels in Indië zelf vastgesteld, al was daarna nog wel goedkeuring bij wet nodig. Ondanks deze grotere zelfstandigheid had het departement ook in de jaren-1920 en 1930 nog veel bemoeienis: de algemene financiële politiek ten aanzien van de koloniën; uitgifte en boekhouding van koloniale leningen; zaken betreffende het munt- en bankwezen in de koloniën: het onderhouden van relaties met de Javasche, Surinaamsche en Curaçaosche Bank en andere koloniale banken; zaken betreffende de verkoop van landsproducten, het vervoer en het te gelde maken ervan in Nederland; uitvoering en verantwoording van de begrotingen van Nederlands-Indië, Suriname en Curaçao `voor zooveel Nederland betreft' en van die van het departement zelf. (

Taakomschrijvingen van de 2e en 3e afdeling. De Graaff, Kalm, 122-125.

)

2.3 Defensie en buitenlandse betrekkingen

Het was gebruikelijk, dat de minister van Koloniën betrokken werd bij kwesties die in Azië speelden. Bij het aangaan en onderhouden van economische betrekkingen van Nederlands-Indië met andere landen werkte Koloniën nauw samen met de departementen Buitenlandse Zaken en (in latere jaren) Economische Zaken.

De rol van Koloniën bij de defensie van de koloniën was vrij beperkt en lag voor een belangrijk deel in het stellen van het financiële kader, dat op de Indische begroting beschikbaar was voor defensie. De marine was rijkszaak, waarover een gedeelde verantwoordelijkheid lag bij de ministers van Marine en Koloniën. De eerste bepaalde welk deel van de vloot in bijvoorbeeld Oost-Indië aanwezig was, maar voor de inzet daarvan was de GG als opperbevelhebber van land- en zeemacht aldaar verantwoordelijk. Ook was de commandant zeemacht in Indië als chef van het Indische departement van Marine ondergeschikt aan de GG en via deze aan de minister van Koloniën. Alle niet-administratieve correspondentie van de marine in Indië met Nederland verliep via het departement van Koloniën naar dat van Marine, waar de inhoudelijke expertise zat. (

De Graaff, Kalm, 402 e.v., 451.

)

Wat de defensie te land betreft beschikte Indië sinds 1830 over een eigen leger, het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL), dat ressorteerde onder de GG die met het departement overleg voerde over zaken betreffende de formatie en de inrichting van het leger in Nederlands-Indië. (

De legercommandant in Indië werd niet door de gouverneur-generaal maar door de Kroon benoemd. Hoewel het leger in 1836 het predikaat 'Koninklijk' kreeg, werd het tot de jaren-1933 steeds aangeduid als (Oost-)Indisch Leger.

) De werving voor het KNIL was in Nederland tot 1909 een zaak van het departement van Oorlog, dat daarvoor beschikte over het Koloniaal Werfdepot te Harderwijk. Van 1890 tot 1909 fungeerde tevens het Korps Koloniale Reserve te Nijmegen als werf- en opleidingsdepot. Het departement van Koloniën was verantwoordelijk voor de verscheping naar de koloniën en de verificatie van de administratie van het depot. Na de opheffing van het depot te Harderwijk ging de werving over naar Koloniën, namelijk de Koloniale Reserve. (

Bossenbroek, Volk voor Indië, 16, 274.

)

2.4 Personeels- en materieelvoorziening in de koloniën

Naast het koloniale militaire personeel vereiste de burgerlijke dienst in de koloniën een constante instroom van ambtelijk personeel, vooral toen na de eeuwwisseling de overheidstaken in Nederlands-Indië werden uitgebreid. Het departement verzorgde niet zelf de opleiding van de voor de Indische dienst bestemde (hogere) ambtenaren, maar subsidieerde door derden verzorgde opleidingen. (

In de 19de eeuw waren er opleidingen gevestigd in Delft en Leiden. In 1902 werd de Indologenopleiding verbonden aan de Leidse universiteit; vanaf 1925 werd in Utrecht een tweede opleiding gestart, de Indologische faculteit. Zie hierover: C. Fasseur, De Indologen. Ambtenaren voor de Oost, 1825-1950 (Amsterdam 1993).

) Koloniën regelde zelf de uitzending, de verloven, de overtochten en de pensioenen van de ambtenaren en hun gezinnen. De afdeling comptabiliteit zorgde daarbij voor de betaalbaarstelling van pensioenen, wachtgelden, verlofsbezoldiging e.d.

Het departement was ook belast met de keuring, aanschaf en verzending van zogenoemde gouvernementsgoederen, bestemd voor het leger en de burgerlijke dienst in de koloniën. Voor deze taak beschikte de minister, behalve over een bepaalde departementsafdeling, over het Koloniaal Magazijn te Amsterdam, vanaf 1874 Koloniaal Etablissement genoemd, en vanaf 1878 over het Technisch Bureau, dat aan het departement was verbonden. Het laatste orgaan was aanvankelijk belast met de aanschaf en keuring van goederen voor de staatsspoorwegen in Indië, maar kreeg na enige tijd een ruimere bevoegdheid ten aanzien van allerlei technisch materiaal, zoals bruggen, machines, telegraaf en telefoonmaterieel. Het Koloniaal Etablissement had een soortgelijke taak ten aanzien van niet-technisch materieel: levensmiddelen, uitrustingsstukken, kantoorbenodigdheden en gereedschap. Na 1927 ressorteerden deze bureaus onder het Commissariaat voor Indische Zaken.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in