Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Koloniën, 1814-1849

2.10.01
W.A. Fasel, F.J.M. Otten
Nationaal Archief, Den Haag
1954
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.10.01
Auteur: W.A. Fasel, F.J.M. Otten
Nationaal Archief, Den Haag
1954

CC0

Periode:

1814-1849

Omvang:

495.00 meter; 4673 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het ministerie van Koloniën was verantwoordelijk voor de inrichting van het koloniaal bestuur in Oost-Indië, West-Indië (Suriname, Curaçao en overige eilanden) en tot 1872 de Kust van Guinea (Ghana). Ook de begrotingen van het bestuur in de overzeese gebiedsdelen werden in Den Haag opgesteld. Verder speelde het departement, samen met het ministerie van Marine, een rol bij de defensie van de koloniën en met name de verscheping van militair personeel naar deze gebieden. Het ministerie van Koloniën regelde voorts de uitzending, de verloven, de overtochten en de pensioenen en wachtgelden van de Indische ambtenaren alsmede de keuring, aanschaf en verzending van gouvernementsgoederen, bestemd voor het leger en de burgerlijke dienst in de koloniën.
Het omvangrijke archief bestaat grotendeels uit een chronologisch geordend verbaal, met indices en klappers als toegangen. Het bevat stukken over de bovengenoemde onderwerpen, maar is tevens een rijke bron aan gegevens over de overzeese gebieden zelf, als gevolg van de uitgebreide rapportage vanuit de koloniën aan Den Haag. Zo bevatten de ingekomen registers Oost-Indische besluiten afschriften van alle door de Gouverneur-Generaal genomen besluiten, vergelijkbaar met de West-Indische gouvernementsjournalen, met afschriften van besluiten van de gezaghebbers in Suriname, Curaçao en de Kust van Guinea.
Een gedeelte van het archief is op onderwerp beschreven en betreft voornamelijk: bestuur en financiën van de koloniën, handel en cultures, ambtenaren, militaire zaken.
Bij het hoofdarchief zijn gedeponeerd de archieven van de Raad van Koophandel en Koloniën (1814-1818) en van de Commissaris voor de Koloniën te Amsterdam (1813-1829).

Archiefvormers:

  • Secretariaat van Koophandel en Koloniën 1814-1815
  • Generale directie van Koophandel en Koloniën 1815-1818
  • Ministerie van Publiek Onderwijs, Nationale Nijverheid en Koloniën 1818-1824
  • Ministerie van Nationale Nijverheid en Koloniën 1824-1825
  • Ministerie van Marine en Koloniën 1825-1830
  • Ministerie van Waterstaat, Nationale Nijverheid en Koloniën 1830-1831
  • Ministerie van Nationale Nijverheid en Koloniën 1831-1834
  • Ministerie van Koloniën 1834-1840
  • Ministerie van Marine en Koloniën 1840-1841
  • Ministerie van Koloniën 1842-1945
  • Bureau belast met het beheer van het Pensioenfonds voor West-Indische ambtenaren
  • Commissariaat voor de Koloniën te Amsterdam
  • Nederlandse Geoctroyeerde Maatschappij voor de Chinese Theehandel
  • Raad van Koophandel en Koloniën 1814-1820

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

1. ORGANISATIE

Na( Gegevens voor de toelichtende teksten zijn ontleend aan: F.J.M. Otten, Gids voor de archieven van de ministeries en de Hoge Colleges van Staat 1813-1940 (Den Haag, Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, 2004), pp. 351-352, 356-366, 370-372. ) de opheffing van de VOC (in 1795) en de WIC (in 1791) werd het beheer over de overzeese bezittingen een zaak van de centrale overheid. Onder het koninkrijk Holland werd daarvoor in 1806 het departement van Koophandel en Koloniën opgericht, dat begin 1808 met dat van Marine werd verenigd tot het departement van Marine en Koloniën. Dit departement werd bij de inlijving bij Frankrijk eind 1810 opgeheven, waarbij de taken werden overgenomen door de Hollandse Divisie van het ministerie van Marine en Koloniën te Parijs. In de periode 1813-1841 is er meestal geen sprake geweest van een afzonderlijk ministerie van Koloniën. Nu eens was het beheer over de koloniën gecombineerd met Marine, dan weer met Nijverheid of een ander beleidsterrein. Wel bleven de diverse administraties daarbij volledig gescheiden: alleen de Generale Secretarie was niet gesplitst. Vanaf begin 1842 was het ministerie van Koloniën geheel zelfstandig.

Het departement van Koophandel en Koloniën werd opgericht op 6 april 1814, dus pas een aantal maanden na het herstel van de soevereiniteit. Mogelijk is de verlate oprichting beïnvloed door de omstandigheid, dat Nederland pas in de loop van 1814 de overzeese bezittingen (zij het niet alle) terug kreeg, op grond van het verdrag met Engeland. Eveneens op 6 april werd een Raad van Koophandel en Koloniën ingesteld, bedoeld als buiten-departementaal adviescollege aan de Koning, maar in de praktijk ondergeschikt aan het departementshoofd. Als zodanig fungeerde in 1814-1815 een secretaris van staat, die in september 1815 de titel van directeur-generaal kreeg. Onder deze fungeerden een afdeling Generale Secretarie en Comptabiliteit, onder leiding van de secretaris, en vier beleidsafdelingen, elk onder leiding van een commissaris: 1. Koophandel en scheepvaart 2. Oost-Indische zaken 3. West-Indische zaken 4. Militaire zaken.

In 1818 verloor Koloniën zijn zelfstandigheid en werd het onderdeel van het nieuw opgerichte departement voor Publiek Onderwijs, Nationale Nijverheid en Koloniën. Dit departement stond onder leiding van een minister. De zaken betreffende de koloniën bleven echter, net als die betreffende het onderwijs en de nijverheid, steeds afzonderlijk behandeld. Aanvankelijk waren er slechts weinig ambtenaren werkzaam, omdat het in de bedoeling lag dat de Indische regering zelfstandig zou functioneren. Al spoedig nam dit aantal toe: in 1823 telden de drie koloniale afdelingen 14 ambtenaren, terwijl op de Generale Secretarie (die ook voor Onderwijs en Nationale Nijverheid werkte) eveneens 14 ambtenaren werkten.

Ingevolge de algemene reorganisatie van de departementen in 1823 kwamen de afdelingen nu onder leiding van referendarissen. De benoeming van een secretaris-generaal werd aangehouden. Met ingang van 1 april 1824 werd Onderwijs afgescheiden en ondergebracht bij het departement van Binnenlandse Zaken, zodat het departement van Nationale Nijverheid en Koloniën overbleef. Onder de minister kwam er wel een speciale directeur voor de Oost-Indische Bezittingen. Een jaar later volgde al weer een nieuwe reorganisatie, waarbij ook Nijverheid bij Binnenlandse Zaken werd gevoegd en Marine en Koloniën werden gecombineerd. Onder de minister kwamen nu twee directeuren, respectievelijk voor Marine en voor Koloniën, met de bevoegdheid rechtstreeks met andere autoriteiten te corresponderen. Voor het eerst werd nu ook een secretaris-generaal benoemd. Minister, secretaris-generaal en directeuren samen vormden een Raad, die zaken met `eene algemeene werking' zou bespreken. Ook nu was er weer een gemeenschappelijke secretarie.

Met ingang van 1 januari 1830 ging Koloniën deel uitmaken van het nieuw gevormde departement van Waterstaat, Nationale Nijverheid en Koloniën, waarvan al op 1 oktober van dat jaar Waterstaat werd afgescheiden en bij Binnenlandse Zaken gevoegd. Begin 1834 verdween ook de Nationale Nijverheid, zodat voor het eerst een homogeen departement van Koloniën overbleef. Vermoedelijk is kort daarna een afzonderlijk Kabinet van de minister ingesteld. In 1840 werd de combinatie van Koloniën en Marine hersteld, opnieuw met twee directeuren onder de minister. Het departementshoofd, minister J.C. Baud, was bepaald geen voorstander van deze samenvoeging en in oktober 1841 wist hij de Koning ertoe over te halen weer twee afzonderlijke departementen in te stellen.

Het nu weer zelfstandige departement van Koloniën kende begin 1842 naast het Kabinet en de Algemene Secretarie een zevental bureaus, die vanaf januari 1842 met letters werden aangeduid: A. Oost-Indische zaken B. West-Indische zaken C. Militaire zaken D. Comptabiliteit E. Burgerlijke dienst F. Personeel militair en G. Materieel militair. In september van dat jaar werden de `geheime en algemeene zaken' behandeld in het Kabinet van de minister, onder de letter H.. Eind 1843 kwam daar bureau I bij voor de koloniale begrotingen. Onder het departement, waar in de jaren-1840 niet meer dan circa 35 ambtenaren werkten, ressorteerden voorts twee technische bureaus: het Koloniaal Etablissement (ook wel koloniaal bureau of koloniaal magazijn) te Amsterdam en het Koloniaal Werfdepot te Harderwijk.

2. TAKEN

Het departement van Koloniën ontving vanuit Oost- en West-Indië een voortdurende stroom van informatie over de verrichtingen van de koloniale besturen in die gebieden. De specifieke taken in Den Haag richtten zich vooral op een viertal terreinen: de inrichting van het koloniaal bestuur, de koloniale financiën, de defensie en de buitenlandse betrekkingen van de overzeese gebieden en ten slotte de personeels- en materieelvoorziening.

De Grondwet van 1815 (artikel 60) bepaalde: `De Koning heeft bij uitsluiting het opperbestuur over de volksplantingen en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen'. Onder het bewind van Willem I was het koloniaal beleid goeddeels onttrokken aan het zicht van de Tweede Kamer. Pas ingevolge de Grondwet van 1848 raakten de Staten-Generaal betrokken bij het koloniale beleid, waarover de regering voortaan jaarlijks een uitgebreid `Koloniaal Verslag' diende uit te brengen. Artikel 59 van deze Grondwet schreef voor, dat de reglementen op het beleid der regering in de koloniën bij wet moesten worden vastgesteld.

2.1 Inrichting van het bestuur in de koloniën

In Nederlands-Indië werd het opperbestuur vertegenwoordigd door de gouverneur-generaal (GG). Regeringsreglementen bepaalden zijn bevoegdheden: in het reglement van 1836 was voorgeschreven, dat de GG verplicht was alle bevelen, hem door of vanwege de Koning of de minister van Koloniën gegeven, op te volgen. De GG werd door de Kroon benoemd, waarbij de wet geen bepalingen kende over de duur van de ambtstermijn; wel was het regel, dat de landvoogd na vijf jaar ontslag vroeg. De GG werd in zijn bestuur bijgestaan door de Raad van Indië. Deze raad, waarvan de leden eveneens door de Kroon werden benoemd en ontslagen, was tot 1836 een medebesturend college, daarna een adviserend orgaan.

Voorts steunde de GG vooral op de Algemene Secretarie, het administratieve apparaat onder leiding van de algemene secretaris, dat onder meer de correspondentie met het ministerie van Koloniën in Den Haag onderhield. De minister bepaalde weliswaar de hoofdzaken van het beleid, maar vrijwel altijd na raadpleging van de GG, die op zijn beurt adviezen inwon en aldus `het raderwerk der Indische administratie' activeerde. Het beleid van de GG moest na 1848 door de minister van Koloniën tegenover de Staten-Generaal worden verdedigd.

Op gewestelijk niveau werd in Indië het bestuur uitgeoefend door residenten, die leiding gaven aan twee bestuurskorpsen, namelijk een Europees bestaande uit assistent-residenten en controleurs, en een inheems met regenten, wedono's (districtshoofden) en desahoofden.

Behalve Suriname en de Antillen viel tot 1872 ook de Kust van Guinea onder de departementale afdeling West-Indische zaken. Suriname, Curaçao en de overige eilanden vormden alleen in de jaren 1828 tot 1845 één Gouvernement-Generaal, maar kenden overigens afzonderlijke besturen onder leiding van gouverneurs, die rechtstreeks in contact stonden met het departement van Koloniën.

2.2 Financiën/ koloniale begrotingen

Het departement van Koloniën was belast zowel met de opstelling van de eigen departementale begroting als met de begrotingen van het bestuur in de overzeese gebiedsdelen. Om in tekorten in Indië te voorzien was door gouverneur-generaal J. van den Bosch in 1830 het Cultuurstelsel ingevoerd. Dit hield in verplichte verbouw door Javaanse boeren van voor de Europese markt geschikte goederen, die tegen vastgestelde prijzen moesten worden geleverd aan het Indische gouvernement, dat deze producten door de Nederlandsche Handelmaatschappij naar Nederland liet vervoeren en daar ten gunste van de Indische schatkist liet verkopen. Van 1831 tot 1877 leverde Indië aldus een batig saldo op, dat ten goede kwam aan Nederland.

Vanaf 1840 moest de minister van Koloniën namens de regering aan de Staten-Generaal jaarlijks staten van ontvangsten en uitgaven van de koloniën overleggen. Omdat de Indische begroting ingevolge de Grondwet van 1848 elk jaar bij wet moest worden vastgesteld, kwamen Indische aangelegenheden veel meer dan vroeger in de Staten-Generaal ter sprake.

2.3 Defensie en buitenlandse betrekkingen

Tot 1855 werden de betrekkingen met landen in Azië waarmee geen formele diplomatieke relatie bestond, zoals Japan en China, niet door het departement van Buitenlandse Zaken onderhouden, maar door Koloniën. Bij het aangaan en onderhouden van economische betrekkingen van Nederlands-Indië met andere landen werkte Koloniën nauw samen met het departement van Buitenlandse Zaken. Tot 1855 werden in Indië geen buitenlandse consuls toegelaten.

De rol van Koloniën bij de defensie van de koloniën was vrij beperkt en lag voor een belangrijk deel in het stellen van het financiële kader, dat op de Indische begroting beschikbaar was voor defensie. De marine was rijkszaak, waarover een gedeelde verantwoordelijkheid lag bij de ministers van Marine en Koloniën. De eerste bepaalde welk deel van de vloot in bijvoorbeeld Oost-Indië aanwezig was, maar voor de inzet daarvan was de GG als opperbevelhebber van land- en zeemacht aldaar verantwoordelijk. Ook was de commandant zeemacht in Indië ondergeschikt aan de GG en via deze aan de minister van Koloniën. Alle niet-administratieve correspondentie van de marine in Indië met Nederland verliep via het departement van Koloniën naar dat van Marine, waar de inhoudelijke expertise zat.

Wat de defensie te land betreft beschikte Indië sinds 1830 over een eigen leger, het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL), dat ressorteerde onder de GG die met het departement overleg voerde over zaken betreffende de formatie en de inrichting van het leger in Nederlands-Indië. De werving voor het KNIL was in Nederland een zaak van het departement van Oorlog, dat daarvoor beschikte over het Koloniaal Werfdepot te Harderwijk (van 1815-1822 heette dit depot het Depot-Bataljon en in de periode 1822-1843 het Algemeen Depot van de Landmacht). Het departement van Koloniën was verantwoordelijk voor de verscheping naar de koloniën en de verificatie van de administratie van het depot.

2.4 Personeels- en materieelvoorziening in de koloniën

Naast het koloniale militaire personeel vereiste de burgerlijke dienst in de koloniën een constante instroom van ambtelijk personeel. Het departement verzorgde niet zelf de opleiding van de voor de Indische dienst bestemde (hogere) ambtenaren, maar subsidieerde door derden verzorgde opleidingen in Delft en Leiden. Koloniën regelde zelf de uitzending, de verloven, de overtochten en de pensioenen van de ambtenaren en hun gezinnen. De afdeling comptabiliteit zorgde daarbij voor de betaalbaarstelling van pensioenen, wachtgelden, verlofbezoldiging e.d.

Het departement was ook belast met de keuring, aanschaf en verzending van zogenoemde gouvernementsgoederen, bestemd voor het leger en de burgerlijke dienst in de koloniën. Voor deze taak beschikte de minister, behalve over een bepaalde departementsafdeling, over het Koloniaal Magazijn te Amsterdam.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr> <span>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in