Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Justitie / Gratie Doodstraffen

2.09.71
Centrale Archief Selectiedienst
Nationaal Archief, Den Haag
2009
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.09.71
Auteur: Centrale Archief Selectiedienst
Nationaal Archief, Den Haag
2009
CC0

Periode:

1945-1977

Omvang:

1,80 meter; 185 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

De archiefbescheiden hebben betrekking op het beleid inzake gratie op doodstraffen, die werden opgelegd aan zowel Nederlandse als Duitse politieke delinquenten na de beëindiging van de Tweede Wereldoorlog. Het archief bevat onder meer richtlijnen, correspondentie, circulaires, namenlijsten en formulieren die gegevens betreffende veroordeelde delinquenten en gratieverzoeken bevatten, en petities van zowel voor- en tegenstanders van het opleggen van de doodstraf. Een groot deel van het archief bestaat uit gratiedossiers van individuele gevallen waarin al dan niet gratie werd verleend. Daarnaast bevat het nog enige documentatie.

Archiefvormers:

  • Ministerie van Justitie

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

De inleiding geeft een beeld van de geschiedenis van het beleid inzake gratie op doodstraffen in de periode die volgde op de beëindiging van de Tweede Wereldoorlog. (

Bij het schrijven van deze inleiding is o.m. gebruik gemaakt van een artikel van P.J. Kat uit het NRC van 26-2-1972. In een aantal gevallen zijn uit dit artikel citaten overgenomen van mr. J. Zaaijer, na de bevrijding procureur-generaal bij het Bijzonder Gerechtshof in Den Haag. Zie voor het artikel zelf inv.nr. 182.

)

Het stond als een paal boven water dat Nederlanders die min of meer met de Duitse bezetter hadden samengewerkt, na de oorlog streng zouden worden gestraft. Koningin Wilhelmina sprak voor Radio Oranje over "verraders voor wie in een bevrijd Nederland geen plaats meer zal zijn" en bepleitte maatregelen "teneinde verraders hun welverdiende straf niet te laten ontgaan". De algemene opinie was dat de voornaamste collaborateurs, de secretarissen-generaal, de burgemeesters van de grote plaatsen en profiteurs bij de politie de liquidatie niet zouden overleven.

Naarmate de bevrijding echter dichterbij kwam, groeide de behoefte aan een uitgebalanceerd rechtssysteem, waardoor collectieve wraakacties in de vorm van Bijltjesdag konden worden voorkomen. Het (illegale) Parool schreef in november '44: "Indien wij de schurken die ons tiranniseerden en uitmergelden in hun eigen munt gaan terugbetalen, indien wij hun voor rechteloosheid rechteloosheid geven, verlagen wij ons tot hun miserabel peil en tonen wij ons de democratie niet waardig, die wij tot inzet van onze strijd namen." Geen orgiën van wraak dus. Wel een bijzondere rechtspleging waarbij veelvuldig de doodstraf zou worden toegepast.

De Nederlandse regering in Londen had bij de bevrijding van de zuidelijke provincies alle wetten op het bestraffen van landverraders en andere oorlogsmisdadigers klaar liggen. Het Besluit Buitengewoon Strafrecht (BBS) gold voor de ernstigste misdrijven, het Tribunaalbesluit voor de minder erge en het Zuiveringsbesluit was bestemd voor het minst verwerpelijk gedrag. Al snel bleek dat de voorbereide rechtswetgeving niet berekend was op de 130.000 politieke delinquenten (Nederlanders en Duitsers) die in enkele maanden door het Militair Gezag werden gearresteerd en ondergebracht in slecht geoutilleerde internerings-kampen.

In augustus 1946 kregen de officierenfiscaal van de Bijzondere Gerechtshoven richtlijnen voor berechting en vrijlating van 40.000 zgn. "lichte gevallen". Ze werden in voorwaardelijke vrijheid gesteld.

Mr. Zaaijer: "De behandeling van de resterende "minder-lichte" gevallen was al een mammoetkarwei. De berechting van Duitsers werd vertraagd. De Opsporingsdienst die gevluchte Duitsers arresteerde, was overbelast en functioneerde niet. Ik heb me in die dagen gerealiseerd wat een benauwde maatschappelijk probleem die tienduizenden Nederlanders die niet in voorwaardelijke vrijheid kwamen voor de regering moeten zijn geweest. Wel heb ik mij toen afgevraagd: ik heb niet al die oorlogsjaren zitten wachten om eerst uitvoerig al die "minder-lichte" gevallen te behandelen, maar om snel en streng de zware gevallen, Nederlanders en Duitsers te berechten. Ik heb tegen Mussert en Blokzijl zeer snel de doodstraf kunnen vorderen. Ik streefde een andere selectie na dan van hogerhand was voorgeschreven.".

"De regering wilde de grote massa uit de kampen kwijt. Telkens moesten dan duizenden min of meer onbeduidende zaken behandeld worden, terwijl ik het liefst zware criminelen geëxecuteerd wilde zien. Die bleven voorlopig buiten schot, terwijl langzaam maar zeker, geïnspireerd vanuit rooms-katholieke kring, een golf van barmhartigheid kwam opzetten".

Het rooms-katholieke episcopaat en de bij het Interkerkelijk Overleg aangesloten kerken deden al in oktober 1945 een beroep op het Nederlandse volk zich tegenover politieke delinquenten te laten leiden door "gevoelens van liefde en gerechtigheid". In augustus 1946 herhaalden de bisschoppen deze boodschap.

Mr. Zaaijer: "Met de komst van minister Van Maarseveen werd het barmhartigheidsgevoel geïnstitutionaliseerd. Deze katholieke minister begon stelselmatig de beloofde "snelle en strenge" rechtspleging tegen te werken. Barmhartigheid was inderdaad voor de lichte gevallen op zijn plaats. Tegen de zware gevallen moest hard worden opgetreden. Van Maarseveen introduceerde een soort algemene slapheid. Mr. Hooijkaas, raadsadviseur bij het Ministerie van Justitie, schreef een geheim advies over wat men op het departement met al die doodvonnissen aan moest. (

Zie voor dit advies inv.nr. 2.

) Mr. Hooijkaas was een uitgesproken tegenstander van de doodstraf. De executie van de doodstraf moest met behulp van gratieverlening drastisch ingeperkt worden".

De doodstraf was al sinds 1870 uit ons strafrecht verdwenen. Zij was opnieuw in de bijzondere rechtspleging ingevoerd, maar vanaf het begin bleek dat met name in katholieke en protestants-christelijke kringen de bijbeltekst "Wie 's mensen bloed vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten worden" nog altijd opgeld deed. Toen in januari 1947 vele tientallen doodvonnissen nog steeds niet definitief waren geworden (vertraging in de behandeling van cassatie en de beoordeling van gratieverzoeken) vroeg de desbetreffende Kamercommissie aan Van Maarseveen uitleg. De publieke opinie werd onrustig. Het werd immoreel en onethisch gevonden dat omtrent de executie van doodvonnissen zo lang onzekerheid bestond. Met vreesde dat via het instituut van gratie de wet terzijde gesteld werd.

Mr. Zaaijer: "Ik, die keer op keer de doodstraf eiste, voelde me hoe langer hoe meer een Don Quichotte." In zijn requisitoir tegen Carel Piek, directeur van Winterhulp Nederland maakte mr. Zaaijer zijn kritiek op het ministeriële beleid openbaar.

"Indien Piek de straf had gekregen dij hij verdiende, dan zou hij op de dag na de bevrijding ergens in Nederland aan een boom zijn opgehangen," zo zei mr. Zaaijer. "Maar dat is niet gebeurd en in de afgelopen anderhalf jaar hebben wij nu wel de zekerheid dat over hen die dit verdienen in Nederland, ik zeg niet: geen recht wordt gesproken maar: geen recht wordt gedaan. Het moet uit zijn met de vette koppen in de kranten "Tegen verrader de doodstraf geëist" in een land waar wij weten dat daar toch niets van terechtkomt."

Mr. Zaaijer eiste dan ook niet de doodstraf tegen Piek, maar twaalf jaar. Minister Van Maarseveen noemde het optreden van zijn Haagse procureur-fiscaal "gezagsondermijnend" en gaf hem een disciplinaire berisping. Tegenover de Kamer deelde de minister mee dat de afdoening van doodvonnissen "een zaak van zijn geweten" was. De Kamer mocht over deze zaak niet oordelen.

Uiteindelijk werd in Nederland na de Tweede Wereldoorlog 140 maal de doodstraf uitgesproken, waarvan 15 maal tegen Duitse oorlogsmisdadigers. In 39 gevallen werd tot executie overgegaan, in 6 gevallen betrof dit Duitsers.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in