Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Staatscie. Arbeidsenquête

2.09.38
P.D. Westerveld
Nationaal Archief, Den Haag
1986
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.09.38
Auteur: P.D. Westerveld
Nationaal Archief, Den Haag
1986
CC0

Periode:

1890-1894
merendeel 1890-1892

Omvang:

4,00 meter; 62 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief van de Staatscommissie tot het houden van Arbeidsenquête (1890-1892) bestaat uit verslagen van de getuigenverhoren in het onderzoek naar de sociale positie van arbeiders en de arbeidsomstandigheden in de fabrieken en werkplaatsen. Ook het eindrapport met aanbevelingen bevindt zich in het archief.

Archiefvormers:

  • Staatscommissie tot het houden van Arbeidsenquête

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Geschiedenis van de Staatscommissie

Tijdens de zitting van de Tweede Kamer van 13 oktober 1886 werd een parlementaire enquête-commissie ingesteld, die in de eerste plaats tot taak had te onderzoeken in hoeverre de bestaande arbeidsomstandigheden aanleiding gaven tot een aanvulling en uitbreiding van het "Kinderwetje" van Van Houten uit 1874 (S. 130). (

Handelingen der Staten-Generaal, Tweede Kamer, 1886-1887, blz. 72.

) Daarnaast moest deze commissie een onderzoek instellen naar de werksituatie in fabrieken en werkplaatsen met betrekking tot de veiligheid en gezondheid van de arbeiders. Het onderzoek bleef onvoltooid. De op 4 januari 1887 begonnen deskundigen- en getuigenverhoren werden na een maand afgebroken. Er waren 146 getuigen, uit Amsterdam en aangrenzende gemeenten, Maastricht en uit Tilburg, gehoord. De commissie nam zich voor in de Groningse veenkoloniën, Twenthe en in Leiden verdere verhoren te houden. Deze verhoren hebben niet plaatsgevonden, doordat in verband met de Grondwetsherziening de Eerste en Tweede Kamer werden ontbonden. (

Handelingen der Staten-Generaal, Bijlagen, 1886-1887, 105-5.

)
Ondanks de onvolledigheid van het onderzoek bracht de parlementaire enquête-commissie op 27 juli 1887 haar eindverslag uit. Naar aanleiding van de daarin gedane voorstellen tot herziening van het Kinderwetje stelde de minister van Justitie, Du Tour van Bellichave, een wetsontwerp samen, dat bepalingen tot het tegengaan van overmatige arbeid en verwaarlozing van jeugdige personen bevatte. Het wetsontwerp werd bij Koninklijke Boodschap van 18 december 1887 aan de Tweede Kamer ter overweging aangeboden, maar bleef onafgedaan wegens de genoemde Kamerontbinding. (

Handelingen der Staten-Generaal, Bijlagen, 1888-1889, 53-3.

)
In 1889 slaagde diens ambtsopvolger, Ruys van Beerenbroek, die in 1887 als Tweede Kamerlid deel had uitgemaakt van de parlementaire enquête-commissie, er in zijn ontwerp-Arbeidswet door de beide Kamers van de Staten-Generaal aanvaard te krijgen. Deze wet, houdende bepalingen tot het tegengaan van overmatige en gevaarlijke arbeid van jeugdige personen en van vrouwen, werd op l januari 1890 van kracht (S. 48). In de Arbeidswet was geen regeling ten behoeve van volwassen mannelijke arbeiders opgenomen op grond van de opvatting, dat zij in staat waren om zelf voor hun belangen op te komen. (

Zie o.a. I.J. Brugmans, Paardenkracht en Mensenmacht, 's-Gravenhage 1961, blz. 409.

)

Krachtens de wet van 19 januari 1890 (S. l) werd een staatscommissie tot het houden van een arbeidsenquête ingesteld. Aan deze commissie werd de opdracht gegeven het afgebroken onderzoek van de parlementaire enquête-commissie van 1886 naar de werkomstandigheden in fabrieken en werkplaatsen voort te zetten. (

Handelingen der Staten-Generaal, Bijlagen, 1888-1889, 53-3.

) Bovendien had de commissie tot taak gegevens te verzamelen over de sociale omstandigheden, waarin de arbeiders verkeerden en over de verhouding tussen werkgevers en arbeiders. Deze arbeidsenquête had ten doel de wetgever voldoende kennis van zaken te verschaffen ter beoordeling van de vraag in hoeverre een aanvulling van de Arbeidswet van 1889 noodzakelijk was.

Samenstelling en werkverdeling

De staatscommissie van 1890 bestond uit dertien leden, die bij Koninklijk besluit van 18 april 1890, nr. 51, werden benoemd (zie bijlage). Het lid van de Raad van State W.F. Rochussen was voorzitter. Binnen de commissie werden drie afdelingen gevormd, elk vier leden tellend. Het dertiende lid, de algemene secretaris, werd niet in één van de afdelingen opgenomen. Aan elke afdeling werd evenwel een adjunct-secretaris toegevoegd, die werd belast met het opnemen van het proces-verbaal van de getuigenverhoren.

Elke afdeling was onafhankelijk van de andere werkzaam. Het werkterrein van een afdeling was in beginsel beperkt tot een deel van Nederland. De begrenzing ervan kwam overeen met de al bestaande verdeling van het Nederlandse grondgebied voor het toezicht door de drie arbeidsinspecteurs, die bij de Arbeidswet van 1889 "in het leven" waren geroepen. (

Zie art. 2 van het Koninklijk besluit van 21 februari 1890 (S. 27).

) Daarom kwam naast de aanduiding "eerste, tweede of derde afdeling" ook voor: "afdeling in de eerste, tweede of derde arbeidsinspectie".

De eerste afdeling hield zich bezig met de nog niet door de parlementaire enquête-commissie onderzochte nijverheid in Gelderland, Noord-Brabant, Zeeland en Limburg. De tweede afdeling verzamelde gegevens over de Twentse nijverheid en over de arbeid in de Groningse veenkoloniën, Friesland en Overijssel. De derde afdeling richtte haar aandacht op Amsterdam en omstreken, de Zaanstreek, Haarlem en Leiden.

Het onderzoek van de staatscommissie omvatte bovendien enkele niet territoriaal bepaalde onderwerpen van algemene aard. De eerste afdeling stelde tevens een onderzoek in naar de openbare middelen van vervoer en naar de kwestie van verzekeringen of andere voorzorgen bij ongevallen, ziekte, ouderdom of overlijden van werklieden. De derde afdeling onderzocht het los- en laadwerk bij zeeschepen in de havens van Amsterdam en Rotterdam.

Ter voorbereiding van de getuigenverhoren werd een algemene vragenlijst opgesteld, die met de schriftelijke oproep om voor één van de afdelingen te verschijnen werd meegezonden. Op deze wijze kon de commissie ook over schriftelijke inlichtingen beschikken. Bovendien werd in elke gemeente die in het onderzoek werd betrokken een algemene oproep aangeplakt, die was gericht tot een ieder, die meende inlichtingen te kunnen geven. Eenzelfde oproep werd in de Staatscourant geplaatst.

De deskundigen- en getuigenverhoren namen meer dan twee jaar in beslag. Het eerste verhoor werd op 7 juli 1890 afgenomen. Daar de instellingswet van 19 januari 1890 (S. l) slechts tot l januari 1892 van kracht zou zijn (art. 18), werd bij wet van 28 december 1891 (S. 243) de staatscommissie de bevoegdheid verleend om haar verhoren tot l oktober 1892 voort te zetten. Uiteindelijk werd op 16 september 1892 de laatste getuige gehoord. Daarmee nam het mondeling onderzoek een einde; er waren 2694 personen als deskundige of getuige gehoord.

Leden van de Staatscommissie

Voorzitter: W.F. Rochussen, lid van de Raad van State

Secretaris: J.C.Th. Heyligers, rechterlijk ambtenaar met verlof

Eerste afdeling:

  • W.F. Rochussen
  • J. Ph. de Bordes
  • J.F. Jansen
  • S.M. van Wijck

Tweede afdeling:

  • J. van Alphen (

    J. van Alphen heeft als Tweede Kamerlid deel uitgemaakt van de parlementaire enquête-commissie van 1886.

    )
  • N. Reeling Brouwer
  • O.Q. van Swinderen
  • J.D. Veegens (

    J.D. Veegens was eerder werkzaam als rapporteur bij de parlementaire enquête-commissie van 1886.

    )

Derde afdeling:

  • A. Kerdijk
  • M.J.C.M. Kolkman
  • S. le Poole (later vervangen door G. H. Emants) (

    S. le Poole is in 1891 overleden en op 2 november 1891 is G.H. Emants in diens plaats benoemd. Kort voordat het eindverslag zou worden opgesteld overleed G.H. Emants. In zijn plaats is geen opvolger meer benoemd.

    )
  • W.M. Visser
De verslagen

De processen-verbaal van de gehouden verhoren zijn het eerst in druk verschenen. Zij zijn in verschillende bundels samengebracht, gerubriceerd naar onderwerp (zoals: "de openbare middelen van vervoer") of naar de provincie, streek of stad waarop het onderzoek betrekking had. De bundels werden kort na afloop van een zittingsperiode uitgebracht. Zo werden de eerste bundels reeds in oktober 1890 aan de minister van Justitie aangeboden.

Voordat de eindverslagen konden worden uitgebracht, was het nodig de in de verlengingswet van 28 december 1891 (S. 243) verleende termijn wederom te verlengen. Bij Koninklijk besluit van 29 september 1892, nr. 50, werd een nieuwe commissie tot het uitbrengen van verslagen naar aanleiding van de gehouden verhoren ingesteld. Aangezien de nieuwe commissie uit dezelfde leden bestond als de oude, bleek dit slechts een formaliteit te zijn. Elke afdeling heeft een eigen eindverslag, waarin conclusies en voorstellen naar aanleiding van de gehouden verhoren zijn opgenomen, uitgebracht. Het eindverslag van de staatscommissie als geheel verschenen het laatst en was gedagtekend 8 januari 1894. Bij Koninklijk besluit van 28 april 1894, nr. 29, werd de staats-commissie ontbonden.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in