Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Keizerlijk Gerechtshof en Hooggerechtshof

2.09.17
H. Bonder
Nationaal Archief, Den Haag
1939
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.09.17
Auteur: H. Bonder
Nationaal Archief, Den Haag
1939
CC0

Periode:

1807-1845
merendeel 1811-1838

Omvang:

73,80 meter; 883 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands. Een aantal stukken zijn in het Frans gesteld.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Vanaf 1 maart 1811 golden in het voormalig Koninkrijk Holland de Franse wetten. Een nieuw Keizerlijk Gerechtshof verving de bestaande rechterlijke instellingen. Men werd verplicht tot het dragen van rode toga's bij plechtigheden net zoals dat in Frankrijk het geval was. Dit gerechtshof bestond uit vijf kamers, namelijk een eerste, een tweede en een derde civiele kamer voor burgelijke zaken en , een kamer van correctionele appèls en een kamer van beschuldiging die strafzaken afhandelden.
Van de kamer van beschuldiging zijn onder meer processen-verbaal en arresten bewaard gebleven. Daarnaast dagbladen van de kamer van correctionele appellen en registers van de op de terechtzittingen behandelde kwesties. Maar ook 'Processen-verbaal van executie' van aan de kaakstelling, brandmerken enz.
Van de civiele kamers zijn vooral audiëntiebladen van de terechtzittingen overgeleverd.
Inzake het Hooggerechtshof als adviseur van de koning, opgericht in 1813 na het vertrek van de Fransen, treft men bijvoorbeeld berichten en adviezen betreffende veroordeelden waarvoor rekesten om gratie zijn ingediend bij de koning. Het Hooggerechtshof handelde ook West-Indische zaken af. Hiervan zijn diverse stukken bewaard gebleven.

Archiefvormers:

  • Hooggerechtshof
  • Hooggerechtshof der Verenigde Nederlanden
  • Keizerlijk Gerechtshof
  • Procureur-Generaal bij het Hooggerechtshof der Verenigde Nederlanden
  • Procureur-Generaal bij het Keizerlijk Gerechtshof
  • Speciaal Gerechtshof voor de Middelen te Water en te Lande

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Het Keizerlijk Gerechtshof

Het keizerlijk decreet van 18 oktober 1810 ( Bulletin de lois nr. 322, pagina 345. Zie ook het besluit van het Senatus Consulte van de inlijving van Holland bij Frankrijk van 13 december 1810, artikel 6 bulletin de lois nr. 331 blz. 561. ) hief bij artikel 53 met ingang van 1 januari 1811 op 'al de aanwezige rechterlijke instellingen in de zeven met het Keizerrijk verenigde departementen, welke het grondgebied van het koninkrijk Holland uitmaakten en bepaalde, dat te rekenen van dien dag, daar zou worden rechtgesproken overeenkomstig de algemeene wetten van het Keizerrijk door de daartoe op te richten gerechten'.

Artikel 54 van dat decreet beval voor die departementen de oprichting van een keizerlijk hof te vestigen in Den Haag.

Artikel 55 bepaalde, dat het hof zou zijn samengesteld uit veertig rechters, waaronder acht raden auditeurs.

Het decreet van 6 januari 1811 (artikel 1) bepaalde dat, te rekenen van 1 maart 1811 af, de Franse wetten, reglementen en decreten, zouden gelden in de zeven nieuwe departementen, gevormd van het grondgebied van het voormalig Koninkrijk Holland, terwijl artikel 2 erbij voegde, dat de wetten, betrekkelijk de rechtsbedeling, eerst in werking zouden gebracht worden met de dag van de installatie.

Reeds 30 oktober 1810 had de benoeming plaats van mr. C.F. van Maanen tot eerste president en van J.F. Baron Beijts tot procureur-generaal, tewijl bij decreet van 24 januari 1811 de benoeming geschiedde van:

vier kamerpresidenten, vijfendertig raadsheren, acht raden-auditeurs en vier substituuts van de procureur-generaal ( Zie de samenstelling van het hof in 'Memorialen Rosa', uitgegeven door A.S. de Blécourt en E.M. Meijers. LXVII-LXXIII. ).

Met veel plechtigheid werd het nieuwe Keizerlijk Gerechtshof op 1 maart 1811 geïnstalleerd door I.J.A. Gogel, intendant-generaal van Financiën en der Publieke Schatkist in het 'Oude Hof' te 's-Gravenhage. De rode toga's waren ook hierbij evenals in Frankrijk bij plechtige gelegenheden voorgeschreven.

Op 5 maart daaropvolgend werden er vijf kamers gevormd namelijk een eerste, een tweede en een derde civiele kamer, een kamer van correctionele appèls en een kamer van beschuldiging. De eerste vier kamers telden één president en zeven leden, de laatste één president en zes leden. In de vergadering van 7 maart werd een provisioneel reglement vastgesteld voor het houden der zittingen.

Het Keizerlijk Gerechtshof had een geheel andere werkkring dan het vroegere Nationale Gerechtshof, doordat alle departementale hoven werden opgegeven. Het luidt als het ware een nieuw tijdperk in de geschiedenis van het Nederlandse rechtswezen in. Het was rechter in appèl voor de vonnissen van alle rechtbanken, waarvan men er een in ieder arrondissement vond. Het opperste rechtscollege was het echter niet. Het stond onder het Hof van Cassatie te Parijs; van zijn arresten stond cassatie beroep op het hof open ( Zie mr.dr. D.H.H. Struycken. Hoge Raad en hof in 'Die Haghe' 1905 blz. 202 vlg. ).

Het Keizerlijk Gerechtshof werd bij besluit van het Algemeen Bestuur van 1 december 1813 opgegeven en datzelfde besluit stelde daarvoor in de plaats:

Het Hooggerechtshof der Verenigde Nederlanden
( Daarnaast heeft nog bestaan een Hooggerechtshof voor de Financiën en Zeezaken.<h1> Zie Verslag omtrent 's Rijks Oude Archieven (VROA) 1916, blz. 325. )

De organisatie en wijze van rechtspleging bleven vrijwel ongewijzigd, terwijl ook de justitiële autoriteiten in hun ambten bleven gehandhaafd. De titel 'Keizerlijk' veranderde in 'Hoog' en aan het hoofd der vonnissen moest worden gesteld: 'In naam der Hooge Overheid'. Het gebruik der Franse taal werd uitdrukkelijk verboden.

Reeds 3 december 1813 vergaderde het Hooggerechtshof in naam van Zijne Koninklijke Hoogheid.

Het soeverein besluit van 11 december 1813 regelde provisioneel de toestand van ons rechtswezen, tot de tijd dat de nationale wetgeving zou zijn tot stand gebracht, voornamelijk in de volgende artikelen: '19. Geene arresten, door het Hooggerechtshof der Vereenigde Nederlanden .... in het hoogste ressort gewezen zullen van nu af aan kunnen worden geattakeerd bij wijze van cassatie'.

Artikel 20. 'Van alle vonnissen van Rechtbanken van Eerste instantie, gerechten en vrederegters in het hoogste ressort gewezen, van welke geen appèl maar cassatie werd geadmitteerd, zal men mogen appelleeren aan het Hooggerechtshof, ten dien effecte, dat het Hof, bevindende dat de behandeling der zaak aan wezenlijke nulliteiten laboreert, of dat in de toepassing der wet kwalijk is gehandeld, het vonnis waarvan geappelleerd is, zal annulleeren, de geheele zaak opnieuw onderzoeken en daarin, hetzij, bij een en hetzelfde arrest, hetzij, wanneer de zaak te omslagtig zijn mogt, bij een tweede arrest zoodanige uitspraak doen, als hetzelve in goede justitie zal bevinden te behoren'.

Hoewel de Grondwet van 1814 reeds vaststelde: 'Er zal een opperste Gerechtshof worden ingesteld onder de naam van Hoogen Raad der Vereenigde Nederlanden (art. 102)' heeft het Hooggerechtshof zijn werkzaamheden op de oude voet voortgezet tot 1838. De arresten enz. zijn in dezelfde delen vervolgd als die welke bij het Keizerlijk Gerechtshof in gebruik waren en de verschillende kamers bleven gehandhaafd tot het K.B. van 24 januari 1815 nr. 4 de tweede civiele kamer provisioneel 'supprimeerde' en de leden verdeelde over de eerste en derde civiele kamer en over de correctionele of criminele kamer. Met ingang van 1 juli 1815 werd bovendien een vakantiekamer ingesteld.

De arresten konden sedert februari 1814 door vijf rechters worden uitgebracht in plaats van door zeven.

Hoewel mr. van Maanen bij K.B. van 16 september 1815, nr. 61 minister van Justitie was geworden, bleef hij overeenkomstig het K.B. van 6 oktober 1815, nr. 38 'bij voortdurig belast met de functiën van Eersten President' welke titel bij tot 1838 heeft behouden.

Koning Willem I besloot 14 mei 1816 (nr. 66) 'zoo lang de Hooge Raad in de West-Indische Koloniën niet zal zijn ingesteld, alle zaken, die aan dien Raad zijn opgedragen, ter behandeling voor het Hooggerechtshof te brengen'. Ook de behandeling van appèls van criminele vonnissen door de hoven van Justitie te Suriname, Curaçao, St. Eustatius, St. Martin en Saba werd opgedragen aan het Hooggerechtshof te 's-Gravenhage (K.B. van 6 maart 1824, nr. 125).

Volgens K.B. van 5 juli 1830, Staatsblad nr. 41 zouden de wetboeken en de nieuwe rechterlijke organisatie worden ingevoerd op 1 februari 1831. Tengevolge van de Belgische opstand werd echter bij K.B. van 5 januari 1831 (Staatsblad nr. 1) de invoering opgeschort en bij K.B. van 24 februari 1831 opdracht gegeven tot herziening der algemene wetboeken en der wet op de organisatie der rechterlijke macht en het beleid der justitie. Deze herziening heeft nog geduurd tot op 10 april 1838 een besluit verscheen van koning Willem I, houdende de bepaling van het tijdstip waarop de invoering der nieuwe Nederlandse wetgeving en de instelling van de Hoge Raad der Nederlanden zou plaats hebben. Daarin was bepaald, dat een en ander verbindende kracht zou krijgen met de klokslag van middernacht tussen 30 september en 1 oktober van dit jaar. Hiermede eindigde dus het bestaan van het Hooggerechtshof.

's-Gravenhage, 1939.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in