Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Justitie, 1813-1876

2.09.01
J.C. Beth
Nationaal Archief, Den Haag
1933
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.09.01
Auteur: J.C. Beth
Nationaal Archief, Den Haag
1933
CC0

Periode:

1800-1951
merendeel 1813-1876

Omvang:

670,00 meter; 5230 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands en in het Frans. Een klein gedeelte is gesteld in talen als Duits en Engels.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief bestaat voor het grootste deel uit een chronologisch verbaal, dat toegankelijk is met behulp van indices en alfabetische namenklappers. Voor bepaalde beleidsterreinen, zoals gratieverlening, gevangenissen, politie, jacht en visserij, adelszaken en erediensten, zijn er aparte series en soms ook aparte indices.
Een niet onbelangrijk gedeelte is buiten verbaal gehouden en op onderwerp geordend. Deze stukken betreffen onder meer: kerkelijke armenzorg; Nederlanderschap (naturalisatie); notariaat; openbare orde en veiligheid (met nogal uiteenlopende onderwerpen als: bestrijding van bedelarij, krankzinnigen (gestichten), toezicht op maten en gewichten, toezicht op middelen van vervoer); politie; rechterlijke macht; rechtspraak; vreemdelingen; wetgeving. In een Supplement zijn voorts opgenomen: bezoldigingsregisters, stukken betreffende naamsaanneming of naamswijziging en dossiers inzake uitleveringen. In een bijlage van de inventaris is een klapper op de uitleveringsdossiers opgenomen (zie toegang 2.09.03).
In het deel geheim archief zijn er uit de jaren 1815-1830 veel stukken over personen en instanties in de Belgische provincies, die zich tegen het regeringsbeleid keerden.

Archiefvormers:

  • Ministerie van Justitie 1815-
  • Eerste president van het Hooggerechtshof 1813-1815
  • Commissie tot Ontwerp van de Nationale Wetgeving
  • Commissie van Redactie voor de Nationale Wetgeving
  • Eerste President van het Hoog Gerechtshof der Verenigde Nederlanden
  • Ministerie van Justitie / Algemeen Secretariaat
  • Ministerie van Justitie / Derde Afdeling
  • Ministerie van Justitie / Eerste Afdeling
  • Ministerie van Justitie / Tweede Afdeling
  • Ministerie van Justitie / Vierde Afdeling
  • Ministerie van Justitie / Vijfde Afdeling
  • Ministerie van Justitie / Zesde Afdeling
  • Raad van Administratie over de Burgerlijke en Militaire Gevangenhuizen

Archiefvorming

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

  • Ten einde meer eenparigheid in de behandeling van de zaken betreffende de gevangenissen te brengen en tevens vermindering in de kosten van verpleging te verkrijgen werd bij Koninklijk Besluit d.d. 12 december 1820, nr. 97 een commissie benoemd om een onderzoek in te stellen naar de toestand van de tucht- en gevangenhuizen, zowel militair als civiel, die zich in het bijzonder zou bezighouden met na te gaan de mogelijkheid en doelmatigheid van de invoering 'eener regie of van een eigen beheer' voor al die gestichten.

    Deze commissie, bestaande uit baron J. Fagel, president, baron C.L.G.J. van Keverberg van Kessel, J. de Snellinck, mr. P.J. de Bije en mr. A.P. de Moor, leden, bracht 29 juni 1821 (nr. 1) een zeer uitvoerig rapport uit aan de koning, waarop de minister van Justitie 9 oktober 1821 (nr. 168) een memorie indiende, hetgeen ten gevolge had, dat bij Koninklijk Besluit d.d. 26 oktober 1821, nr. 38 die commissie werd ontbonden en een raad van administratie over de burgerlijke en militaire gevangenhuizen aan het Departement van Justitie werd toegevoegd, onder de opperdirectie van de minister, ten einde de verdere inrichtingen, welke ten dezen nuttig worden geoordeeld voor te bereiden en in werking te brengen. Tot leden van de raad werden aangesteld mr. P.J. de Bije, N. Olivier, F. de Macar, I.L.M. Gobart en A. Muller en tot secretaris mr. D.F. Gevers.

    Op 5 november 1821 hield deze raad zijn eerste zitting, waarin o.a. aan de heren De Bije en Olivier werd opgedragen een instructie te ontwerpen, die bij Koninklijk Besluit d.d. 28 april 1822, nr. 136 werd vastgesteld. Daarbij werd de raad o.a. opgedragen om binnen de kortst mogelijke tijd de dienst van de gevangenissen te regelen overeenkomstig de Koninklijke Besluiten d.d. 26 oktober 1821, nr. 38 en 4 november 1821, nr. 16, ten einde het daarbij aangenomen nieuwe stelsel successievelijk voor te bereiden en daarover de nodige voorstellen te doen en toezicht te houden over al hetgeen de dienst van de gevangenissen betreft. Verder had de raad zich nauwkeurig op de hoogte te stellen van alles, wat op de dienst van de gevangenissen betrekking had, toe te zien op de naleving van de desbetreffende voorschriften en verordeningen en zoveel mogelijk voorstellen te doen tot verbetering en vereenvoudiging van die dienst. De minister kon de leden committeren tot het doen van de daarvoor nodige inspecties in loco enz.

    De secretaris werd belast met het houden van de notulen, voeren van de correspondentie, bewaren van de archieven enz.

    Bij de algemene reorganisatie van de Departementen van Algemeen Bestuur in 1823 werd, daar vereniging van het oppertoezicht en bestuur over de instellingen ten behoeve van de armen en van de gevangenen, voor die instellingen wederkerig nuttig en voordelig zijn kon, het beheer van de gevangenissen met dat van het armwezen onder een administrateur bij Binnenlandse Zaken gebracht en de Raad van Administratie van de gevangenissen bij het Departement van Justitie met ingang van 15 oktober 1823 (Koninklijk Besluit 17 september 1823, nr. 12) opgeheven.

    Omtrent de archieven van die commissie en van de raad blijkt het volgende. Het eerste besluit van de raad (5 november 1821 nr. 1b) hield in, 'dat ten dienste van de raad behoren te worden verzameld alle respectieve stukken betrekkelijk het nieuwe werk der gevangenhuizen, 't welk het onderwerp zijner deliberaties uitmaken moet. Dat tot deze verzameling in de eerste plaats zullen moeten behoren alle stukken, notulen en papieren van de commissie, benoemd bij Zr. Mts. besluit van 12 december 1820, nr. 97, waarvan de overgave aan de minister van Justitie bij art. 15 van het K.B. d.d. 26 oktober l.l., nr. 38 is gelast en in de tweede plaats alle stukken tot 's raads werkzaamheden betrekkelijk, bij het Ministerie van Justitie voorhanden en tot genoemd einde uit dat archief gelicht. En is de secretaris verzocht en geautoriseerd om van genoemde stukken, mitsgaders van de zodanigen, welke in het vervolg nog daarbij zullen behoren, te formeren een bijzonder archief, van dat van het Ministerie van Justitie geheel onderscheiden en afgezonderd.'

    Van de dientengevolge aan de raad overgegeven stukken zijn overeenkomstig de raadsbesluiten d.d. 5 november 1821, nrs. 1, 2 en 3 lijsten opgemaakt, maar helaas zijn de originele Koninklijke Besluiten, die de commissie had gebruikt, alsmede de notulen, rapporten en bijlagen van die commissie niet meer bij het archief van de raad aanwezig, ofschoon zij alle overgenomen waren volgens besluit d.d. 5 november 1823, nr. 2. Ook zijn die Koninklijke Besluiten niet weder op hun originele plaats teruggekeerd, maar nog steeds liggen daar de reçu's, waaruit blijkt, dat ze aan de commissie zijn afgegeven. Wel zijn de stukken, gelicht uit het archief van de minister van Justitie, daarbij teruggevonden (inventaris nr. 5277). Bij de opheffing van de raad in 1823 werd bepaald, dat de archieven bij het Ministerie van Justitie zouden worden gedeponeerd, hetgeen op 7 en 14 oktober 1823 plaats had onder overlegging van een behoorlijke inventaris in duplo, die nog in het archief berust. De indeling van deze inventaris is ook vrijwel gevolgd bij de hierna volgende beschrijving, voor zover de stukken nog aanwezig waren. De op die inventaris vermelde 'grote houten kist, houdende het archief van de commissie, benoemd bij besluit van 12 december 1820' nr. 97', is evenwel, zoals boven reeds blijkt, niet meer aangetroffen evenals enkele verzamelingen, reglementen, staten enz. niet meer zijn teruggevonden. De secretaris had zeer terecht de stukken, die hij verzameld had en waarop geen eindbeslissing was gevallen, niet bij de bijlagen ingevoegd, maar afzonderlijk daar achter geplaatst. Later zijn sommige van die verzamelingen, tabellen enz. weder tussen de bijlagen ingevoegd op de plaatsen, waar de circulaires om die opgaven toe te zenden waren uitgegaan. Waar uit de inventaris van de secretaris blijkt, dat deze niet tussen de bijlagen behoren, doch oorspronkelijk afzonderlijk zijn geborgen geweest, zijn ze nu ook weder afzonderlijk beschreven.

  • In de dossiers van het Departement van Justitie, overgenomen in 1921, ('Verslagen omtrent 's Rijks Oude Archieven' 1921, deel 1 blz. 91) zijn aangetroffen, vermengd met stukken van de minister, de archiefjes, gevormd door de commissies van redactie voor de Nederlandse wetboeken. Deze commissie-archieven, die niet in het departementsarchief behoren, doch geheel op zich zelf gevormd zijn, zijn dus ook nu weder als zodanig beschreven. Hoe de samenstelling van die commissies is geweest, blijkt uit de navolgende korte uiteenzetting. Om inzake de totstandkoming van de wetboeken een volledig beeld te geven zou te ver voeren. Daarvoor zij verwezen naar het werk van mr. J.C. Voorduin, Geschiedenis en beginselen der Nederlandse Wetboeken, Utrecht 1837.

    Bij Soeverein besluit d.d. 18 april 1814, nr. 6 werd een commissie benoemd, om de nationale wetgeving te ontwerpen, bestaande uit de heren J.M. Kemper, buitengewoon Staatsraad (Hoogleraar in de rechten te Leiden) A.W. Philipse (advocaat-generaal bij het hooggerechtshof) A. van Gennep, A.L. Farjon, C. Bijleveld (presidenten bij het hooggerechtshof) B.P. van Wesele Scholten, F.H. Moorrees, H. van der Burgh, D. Westenbergh (raden in het hooggerechtshof) en J. Walraven (advocaat te Amsterdam). Deze moesten binnen een maand na hun eerste bijeenkomst (22 april) bij de koning een rapport inleveren, bevattende de gronden tot het samenstellen van het justitiewezen en de manier van procederen, en binnen drie maanden, nadat de beslissing van de koning dienaangaande bij de commissie was binnengekomen, het voltooide ontwerp aanbieden. De ontwerpen van de civiele, criminele en commerciële wetten moesten voor 1 oktober bij de koning inkomen. Mr. G.C. Hageman, advocaat te Leiden, werd bij besluit d.d. 27 april 1814, nr. 91 aan de commissie toegevoegd als secretaris.

    In de eerste vergadering werden vier sub-commissies gekozen, waaraan het ontwerpen van de verschillende wetboeken op de volgende wijze werd opgedragen: voor het ontwerpen van het Burgerlijk Wetboek de heren Van Wesele Scholten, Moorrees en Westenbergh met toevoeging van de heer Kemper; voor het ontwerp-wetboek van koophandel de heren Van Gennep (ontslagen 12 augustus 1814, nr. 14 en in diens plaats benoemd J.E. Reuvens bij besluit van 20 augustus 1814, nr. 27) en Walraven; voor het ontwerp van een lijfstraffelijk wetboek de heren Kemper en Philipse en voor het ontwerp wet op de organisatie van de rechterlijke macht en de manier van procederen zo in civiele als criminele zaken, de heren Farjon, Bijleveld en Van der Burgh met toevoeging van de heer Philipse. In deze sub-commissie nam de heer Farjon de bewerking op zich van het ontwerp ener wet op de rechterlijke macht, de heer Bijleveld dat van een wetboek op de manier van procederen in civiele zaken, de heer Van der Burgh dat van een wetboek van strafvordering. Bij de vereniging van de Belgische provincies met de Noordelijke Nederlanden in 1815 werd bij Koninklijk besluit d.d. 5 september 1815, nr. 19 besloten de gedrukte ontwerpen van wetboeken te doen onderzoeken door rechtsgeleerden uit de zuidelijke gedeelten van het Rijk en wel: de organisatie van de rechterlijke macht en het wetboek van burgerlijke rechtspleging door een commissie, bestaande uit de procureur-generaal Daniëls en de heren Wantelée en De Brabandere; het lijfstraffelijk wetboek en het wetboek van strafvordering door de heren De Kerswaker, Willemsz en Calmeyn; het wetboek van koophandel door de heren De Martinelli en Van Cutsem en Palmaert. Tot het geven van inlichtingen aan die Belgische leden werden de heren Van Gennep en Philipse 'voor geruime tijd' naar Brussel overgeplaatst.

    Bij Koninklijk Besluit d.d. 16 maart 1816, nr. 105 werd het ontwerp Burgerlijk Wetboek gesteld in handen van een Belgische commissie, bestaande uit de heren Lammens, De Guchteneere en Nicolaï, waaraan toegevoegd waren tot het geven van inlichtingen de heren Kemper en Reuvens.

    Op 20 augustus 1817 (nr. 3) benoemt de koning de Staatsraad Kemper, de president Bijleveld, mr. J.T. van der Meersch en mr. J.C. Sontag in de gecombineerde commissie, belast om de ontwerpen van Wet op de hypotheek en zegelrechten met het ontwerp van een Burgerlijk Wetboek en dat van burgerlijke rechtspleging te vergelijken en in verband te brengen. De verschillende ontwerpen gingen daarop naar de Raad van State, die in zijn vergadering van 28 augustus 1818 een commissie van redactie benoemde, bestaande uit de heren Lammens, Kemper, Raoux en Membrède. Deze commissie werd ingevolge Zr. Ms. besluiten van 15 en 25 mei 1818 bijgestaan door de referendarissen aan het Departement van Justitie Asser en Laubry.

    De door haar samengestelde ontwerpen werden bij Koninklijke boodschap d.d. 15 maart 1821 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal aangeboden. Hieruit benoemde de koning bij besluit van 28 april 1821, nr. 72 een Commissie van redactie voor de Nationale wetgeving, bestaande uit de heren J.H. baron Mollerus, A.C. Membrède, A.G. Raoux, jhr. J.M. Kemper, J.F. Gendebien, J. van Combrugge en P.F. Nicolaï, met assistentie van de heren referendarissen C. Asser en A.P.A. Laubry. Deze commissie van redactie had haar werkzaamheden 22 juli 1828 beëindigd, doch de behandeling van de ontwerpen in de Kamers duurde tot 2 juni 1830, terwijl de invoering der wetboeken bij Koninklijk Besluit d.d. 5 juli 1830, Staatsblad nr. 41, werd bepaald op 1 februari 1831. Bij de opening der zitting van de Tweede Kamer op 18 oktober 1830 gewaagde de koning van de onmogelijkheid door de tijdsomstandigheden om de nationale wetgeving op het bepaalde tijdstip in te voeren en 5 januari 1831 (Staatsblad nr. 1) werd de invoering opgeschort.

    Bij Koninklijk Besluit d.d. 24 februari 1831, nr. 19 werd besloten de reeds aangenomen wetboeken van burgerlijk recht, van koophandel, van burgerlijke rechtsvordering en van strafvordering alsmede de Wet op de samenstelling der rechterlijke macht en het beleid der justitie nader te doen herzien, door de leden der commissie van redactie van de nationale wetgeving, alsnog bestaande uit de heren mr. T. Sypkens, jhr. Beelaerts van Blokland, mr. H.J. Dijckmeester en mr. C. Asser, met toevoeging van de heren mr. H.M.A.J. van Asch van Wyck, mr. W.B. Donker Curtius van Tienhoven, jhr. M.W. de Jonge, mr. F. Frets en mr. J. op den Hooff, welke vijf laatstgenoemden bij deze tot medeleden der commissie werden benoemd. Mede door de werkzaamheden van deze commissie zijn eindelijk de Nederlandse wetboeken tot stand gekomen en in 1838 ingevoerd.

    De nagelaten ontwerpen enz. van de genoemde commissies zijn indertijd geordend naar de aard van de verschillende wetboeken en niet alles van elke commissie bijeen. Hoewel archivalisch deze ordening niet de juiste is, is toch, omdat de totstandkoming van elk wetboek op deze wijze het overzichtelijkst blijkt, die oude ordening zoveel mogelijk gehandhaafd.

    Zie ook de archieven van Kemper en van Van Maanen en inv.nrs. 5203-5245 van deze inventaris.

  • Terwijl deze inventaris reeds ter perse was, werd bij het ontruimen van de kelders van het Departement van Justitie ten behoeve van het archief, welke kelders tot opslagplaats voor brandstoffen hadden gediend, onder vuil bedolven nog aangetroffen de hierna volgende collectie bezoldigingsregisters. Wegens de verregaande staat van ontbinding van deze registers is er over gedacht deze te vernietigen, doch gezien het grote gemak, dat zij kunnen opleveren bij eventuele nasporingen, omdat er in vermeld zijn nevens de salarissen ook de volledige namen van alle rechters, ambtenaren, beambten enz. met de data der besluiten van aanstelling en ontslag en de reden, die daartoe hebben geleid, is besloten ze te bewaren en in deze inventaris op te nemen. Ter voorkoming van grote omnummering zijn ze geheel achteraan de inventaris als supplement geplaatst, hoewel ze eigenlijk onder A behoren.

    De dossiers betreffende naamsveranderingen en de dossiers betreffende uitlevering van verdachte personen, waren evenmin zonder grote omnummering in het archief te passen en zijn daarom ook als supplement achter het archief geplaatst.

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in