gahetNA in het Nationaal Archief

Centraal Distributiekantoor

2.06.037
M.W.M.M. Gruythuysen
Nationaal Archief, Den Haag
1993
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.06.037
Auteur: M.W.M.M. Gruythuysen
Nationaal Archief, Den Haag
1993
CC0

Periode:

1937-1955
merendeel 1939-1950

Omvang:

9,50 meter; 300 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het Centraal Distributiekantoor (CDK) werd ingesteld op 30 augustus 1939 en werd belast met de distributie van levensmiddelen voor de bevolking in oorlogstijd. Aanvankelijk ging het om een beperkt aantal producten, maar in de jaren 1944-1947 regelde het CDK de distributie van nagenoeg alle levensmiddelen. Het CDK ontwikkelde zich tot een omvangrijke organisatie. Tijdens de oorlog stond het onder leiding van S. de Hoo, na de oorlog was J.G. Japikse de directeur. Vanaf 1946 werd de organisatie geleidelijk ontmanteld. In 1950 werd het laatste distributiegoed, koffie, vrijgegeven. Het CDK was niet alleen verantwoordelijk voor de organisatie en uitvoering van de distributie, maar moest ook prijsopdrijving en hamsteren tegengaan en voorlichting geven aan instanties en burgers over de distributie. Grondslag van het systeem vormde de distributiestamkaart die iedereen (in 1939 en 1944) kreeg die in de bevolkingsboekhouding was opgenomen. Met behulp van de stamkaart kon men bonkaarten krijgen die recht gaven op de aankoop van bepaalde hoeveelheden van bepaalde artikelen. Daarbij golden toeslagen voor allerlei bijzondere omstandigheden (zware arbeid, zwangerschap, ziekte).
Het archief bevat stukken over de eigen organisatie, wetgeving, maatregelen ter voorbereiding, circulaires waarin de richtlijnen van de distributie zijn opgenomen, rapporten van het CDK en de regiokantoren, correspondentie met de regiokantoren en producenten van consumptiegoederen, notulen van vergaderingen en rapporten van inspecteurs.

Archiefvormers:

  • Centraal Distributiekantoor (1939-1950)

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

1. Oprichting en liquidatie van het Centraal Distributiekantoor (CDK)

Het Centraal Distributie Kantoor (hierna kortweg CDK) werd in 1939 ingesteld als onder afdeling van de afdeling Middenstand van de Directie van Handel en Nijverheid. (

Beschikking van de secretaris-generaal van Economische Zaken van 30 augustus 1939, nr. 47971 M.

) In 1942 werd het CDK een zelfstandige afdeling van het Departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart. (

Beschikking van de secretaris-generaal van het Departement van Economische Zaken van 26 januari 1942. nr. 390.

)
Bij Besluit van het College van Algemeene Commissarissen voor Landbouw, Handel en Nijverheid voor het bevrijde Nederlandsche gebied van 15 december 1944 werd naast het bestaande Centraal Distributie Kantoor te Zwolle een tijdelijk Centraal Distributie Kantoor voor het bevrijde Nederlandsche gebied opgericht met als standplaats 's-Hertogenbosch / Vught. In januari 1946 werden de kantoren in 's-Hertogenbosch en Den Haag wederom samengevoegd. Met ingang van 1 mei 1950 werd het CDK geliquideerd.(

Brief van 30 maart 1950 van de directeur-generaal van Handel en Nijverheid van het ministerie van Economische Zaken aan de directeur van het Centraal Distributiekantoor (CDK). M.i.v. 1 juni 1950 werd J. van Loon benoemd tot liquidateur van het CDK.

)

2. Interne organisatie

Het buitengewoon omvangrijke takenpakket dat de distributie van levensmiddelen met zich meebracht en de sterke groei, gevolgd door de geleidelijke liquidatie van het distributieapparaat wordt weerspiegeld in de interne organisatie van het CDK. Met grote regelmaat vonden reorganisaties plaats. Het hoofdkantoor was gevestigd in Den Haag. Bij oprichting bestond het hoofdkantoor uit de afdelingen Secretariaat, Administratie, Controle en Buitendienst. Het aantal afdelingen en onderafdelingen (bureau's/secties) nam in de loop der jaren gestaag toe. In 1949 had het hoofdkantoor inmiddels 10 hoofdafdelingen. In 1943 verhuisde het hoofdkantoor van Den Haag naar Zwolle. In het najaar van 1944 werden twee afdelingen van het CDK ingesteld: het bijkantoor Groningen voor de noordelijke provincies (Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel en Gelderland) en het centraal distributiekantoor West in Den Haag. (

Circulaire 8042 van 24 oktober 1944 betreffende de organisatie van het Centraal Distributiekantoor

)

In november 1945 werd het tijdelijk hoofdkantoor Zwolle geliquideerd en verhuisde het hoofdkantoor opnieuw naar Den Haag. Het CDK beschikte over een aantal bijkantoren, verspreid over het land, die waren belast met één specifieke taak: administratieve controle van waardemateriaal. Bijkantoor Haarlem controleerde de retourzendingen van ongebruikt waardemateriaal, de uitreiking van bonkaarten en de door de kleinhandel ingeleverde consumentenbonnen. Bijkantoor Nijmegen was belast met de controle op door detaillisten ingeleverde waardebonnen. De omvangrijke taak van het CDK wordt ook weerspiegeld door het aantal ambtenaren dat bij het CDK werkzaam was: in 1946 bedroeg dat 1558 ambtenaren. In 1942 werd bij beschikking van de secretarissen-generaal van de departementen van Handel, Nijverheid en Scheepvaart en van Landbouw en Visserij een inspectiedienst voor de distributie ingesteld, ressorterend onder het CDK. (

Beschikking van 5 januari 1942 van de secretaris-generaal van de departementen van Handel, Nijverheid en Scheepvaart en van Landbouw en Visserij, nr, 56689 M./A. 2/doss. 22, Afdeling CDK, Directie van Handel en Nijverheid.

)

Taak van de inspectiedienst bestond uit het uitoefenen van controle op de toepassing van de voorschriften door de distributiediensten. Groei van het aantal distributiemaatregelen maakte een voortdurende aanpassing van het inspectieapparaat noodzakelijk. De organisatie werd aangepast aan de praktijk van het distributiesysteem, dat voortdurend aan verandering onderhevig was. Dat blijkt o.a. uit een onderzoek dat in 1944 in opdracht van Hirschfeld, secretaris-generaal van het ministerie van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, werd verricht over de doelmatigheid van de organisatie van het CDK.(

Algemeen Rijksarchief, Tweede Afdeling, inventaris van het archief van de Directie van Handel en Nijverheid, 1905-1943, inv.nr. 07007: H. Dekking, Rapport over de organisatie van het CDK, Amersfoort (1944)

) Door voortdurende uitbreiding van de organisatie in afdelingen, secties en groepen ontstonden autonome, naast elkaar werkende onderdelen zonder samenhang en coördinatie. In de totale organisatie van het hoofdkantoor van het CDK bestonden bij aanvang van bovenvermeld onderzoek circa 35 min of meer "losse onderdelen". Alles tezamen was het CDK nu niet bepaald een modelkantoor. (

Het functioneren van het CDK werd deels toegeschreven aan Sybren de Hoo die eind 1940 op last van de Duitsers dr W.L. Groeneveld Meyer opvolgde als directeur van het CDK. Zie dr L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 7, eerste helft, p. 158 e.v.

)

Daarnaast was het CDK een gigantische papierwinkel. Meer dan 10.000 circulaires, bedoeld als richtlijnen aan burgemeesters en hoofden van distributiediensten, werden door het CDK verzonden. Een aantal van meer dan 100.000 poststukken, die per week de deur uitgingen, was niet ongewoon. Papierversnipperaars verwerkten in 1941 wekelijks ruim 12 ton papier, afkomstig van ingeleverde bonnen en opplakvellen. (

Mededeeling van het Departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, het Centrale Distributie Kantoor (persbericht no. 112).

) De enorme papierwinkel had ook gevolgen voor de archiefvorming. Periodiek werden de archieven "opgeruimd" en "geschoond". Direct na de oorlog werd gestart met de afslanking van het distributieapparaat. In 1946 werd een Bezuinigingscommissie CDK ingesteld, (

De bezuinigingscommissie-CDK werd ingesteld bij ministeriële beschikking van 10 augustus 1946, Afdeling Algemene Politiek, no. 53724. De commissie werd bij ministeriële beschikking van 13 september 1949, Afdeling Organisatie, no. 45138, van het Ministerie van Economische Zaken opgeheven, zie inv.nr. 148.

)
later gevolgd door de instelling van de Commissie Vereenvoudiging Voedselvoorzieningsmaatregelen in 1948, belast met het instellen van een onderzoek naar de mogelijkheden tot bezuiniging op de uitgaven verband houdende met de uitvoering van maatregelen op het gebied van de levensmiddelendistributie. (

Beschikking van de minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening van 15 januari 1948, Afdeling Kabinet, no. 59945; gewijzigd bij beschikking van 2 maart 1948, Afdeling Kabinet, no. 0170.

)
De bezuinigingscommissie kreeg tot taak de minister te adviseren over:

  • kostenbesparing;
  • het handhaven c.q. het opheffen van bestaande distributiemaatregelen;
  • het vereenvoudigen van het distributie-apparaat.

Afslanking van het distributie-apparaat had aanzienlijke sociale consequenties voor het zittende personeel van circa 20.000 distributiemedewerkers. Bij aanvang van de commissie in 1946 bedroeg het personeel bij de distributiediensten circa 16.000; in 1947 bedroeg het personeel circa 10.000.(

Bezuinigingscommissie, inv.nr. 150.

)

Organisatiestructuur CDK 1939-1947

De organisatiestructuur van het CDK was gedurende de distributieperiode 1939-1950 voortdurend aan verandering onderhevig; nieuwe afdelingen werden gevormd, oude afdelingen verdwenen en/of werden samengevoegd met reeds bestaande afdelingen. Dit organisatieschema geeft slechts een indicatie van de situatie in 1940-1941.

3. Taken

Het CDK was belast met de organisatie en de technische uitvoering van distributiemaatregelen en belast met de organisatie van en het toezicht op de distributiediensten. Boven de plaatselijke distributiediensten was het CDK het centrale administratieve overheidsorgaan. In hoofdlijnen bestonden de taken van het CDK uit:

  • de voorbereiding en uitvoering van maatregelen ter verzekering van een doelmatige distributie aan de consument van goederen die ingevolge de Distributiewet 1939 als distributiegoederen waren aangewezen;
  • de voorbereiding en uitvoering van maatregelen inzake hamsteren, op grond van art. 6, 7 en 9 van de Prijsopdrijvings- en Hamsterwet 1939;
  • het onderhouden van contact met de gemeentebesturen en de distributiediensten van de verschillende distributiekringen;
  • het geven van voorlichting en het verschaffen van inlichtingen over de uitvoering van distributiemaatregelen en hamsterbepalingen;
  • het uitschrijven van toewijzingen, recht gevende op het kopen van distributiegoederen door detaillisten, cafe's, restaurants e.d.;
  • controle op de naleving van de distributiemaatregelen.

Was in de Eerste Wereldoorlog de distributie een gemeentelijke aangelegenheid, in de Tweede Wereldoorlog werd het centrale beleid ten aanzien van de distributie bepaald door het CDK. Het centrale beleid werd via een circulaire-stroom kenbaar gemaakt aan de uitvoerende distributiediensten.(

Distributiewet 1918 verschilde op een aantal belangrijke punten met de distributiewet 1939

)

4. Relaties tot andere organen

Er werd nauw samengewerkt met het Rijksbureau voor de Voedselvoorziening in Oorlogstijd (RVVO) en de daaronder ressorterende instellingen. Eveneens bestonden geregelde contacten met de Rijksbureau's voor Handel en Nijverheid. Het CDK stond in permanent contact met de secretarissen-generaal en met de Duitse bezettingsautoriteiten. Er vond voortdurend overleg plaats tussen het CDK, distributiediensten en met tal van instellingen, zoals hotels, tehuizen voor verpleegden die een aparte toewijzing van bonmateriaal ontvingen. Tenslotte werd periodiek overleg gevoerd met de Nederlandse Meelcentrale ten aanzien van de distributie van suiker, de Nederlandse Akkerbouwcentrale ten aanzien van de distributie van peulvruchten en met de georganiseerde kruideniers uit de verschillende middenstandsgroepen.

5. Beknopt overzicht betreffende de technische uitvoering van de distributie

De distributie van levensmiddelen begon in 1939. Tot de inval van de Duitsers bleef de distributie beperkt tot een proefneming met peulvruchten en suiker. Tijdens de Duitse bezetting en ook na de bevrijding in mei 1945 nam het aantal in distributie gebrachte voedingsmiddelen en industriële artikelen gestaag toe. De distributie van levensmiddelen bereikte een hoogtepunt in de jaren 1946 en 1947. De distributiestamkaart vormde de grondslag van het distributiestelsel. Uitgifte van deze kaart was gebaseerd op de gegevens van de bevolkingsregisters. Om in aanmerking te komen voor een distributiestamkaart moest men opgenomen zijn in een bevolkingsregister (hetzij gemeentelijk, hetzij centraal). (

Besluit van 31 maart 1936 tot vaststelling van voorschriften omtrent het aanleggen, inrichten en bijhouden van bevolkingsregisters en het doen der daartoe vereischte opgaven (besluit bevolkingsboekhouding Stb. 1936/342).

) Tweemaal heeft een algemene uitreiking van stamkaarten plaatsgevonden: in 1939 en in 1944. De Rijksdistributiekaart, uitgegeven in september 1939, kan worden beschouwd als een voorloper van de Distributiestamkaart (afgekort d.s.k.). In een aantal bijzondere gevallen vonden nog enkele grotere uitreikingen plaats van (nood-)stamkaarten, zoals na het bombardement van Rotterdam en na de bevrijding in 1945.

5.1 De distributiestamkaart (d.s.k.) 1939-1944

De uitreiking van de d.s.k.(

Distributiestamkaartenbeschikking van 25 augustus 1939, nr. 46494 M, Directie van Handel en Nijverheid van het ministerie van Economische Zaken (Stcr 1939/633). De distributiestamkaartenbeschikking trad in werking op 29 augustus 1939 bij ministerieel besluit van 29 augustus 1939, nr. 47515 M, Directie van Handel en nijverheid.

) geschiedde door schriftelijke oproeping, bezorging aan huis en/of door algemene bekendmaking. Het hoofd van het gezin (of een alleenwonende) kon alle stamkaarten voor zijn gezin en inwonenden in ontvangst nemen na tekening van een ontvangstbewijs. De ontvangstbewijzen vormden het zgn. distributiestamregister. In 1942 werden de inlegvellen (Iv) ingevoerd. De inlegvellen zijn feitelijk te beschouwen als een soort verlengstuk van de distributiestamkaart waarbij een verdeling werd gemaakt naar leeftijd en welstand. Uitreiking van inlegvellen vond zes maal plaats, te weten: drie uitreikingen op de distributiestamkaart (d.s.k.) en drie uitreikingen op de Tweede distributiestamkaart (TD). Inlegvellen die bij de d.s.k. behoorden bestonden uit zgn. K-inlegvellen en L-inlegvellen. De K-inlegvellen waren bestemd voor personen boven een bepaalde inkomensgrens en de L-inlegvellen waren bestemd voor personen beneden deze inkomensgrens. De bij de d.s.k. behorende inlegvellen waren uitgegeven voor vier leeftijdsgroepen.

5.2 De Tweede Distributiestamkaart 1944-1949

De tweede distributiestamkaart (TD)(

De Tweede Distributiestamkaartenbeschikking 1943 trad in werking met ingang van 13 december 1943. De beschikking werd niet in de Staatscourant gepubliceerd.

) is in vele opzichten een voorbeeld van een maatregel van de Duitse bezettingsmacht in Nederland. De instructies voor de behandeling van deze kaarten waren tot in detail nauwkeurig vastgelegd om fraude te voorkomen. De TD met bijbehorende inlegvellen waren slechts geldig binnen de distributiekring waarin zij waren uitgegeven. Na de bevrijding werd een nieuwe regeling ontworpen die aanmerkelijk eenvoudiger was. Deze beschikking had slechts betrekking op de na-uitreiking en de inlevering. Op 13 juni 1948 werden de inlegvellen buiten gebruik gesteld. (

Stcr. 1948/125.

)
De Tweede Distributiestamkaartenbeschikking werd per 1 januari 1950 ingetrokken. (

Stcr. 1949/255.

)

5.3 Aanmaak van het waardemateriaal (bonkaarten)

De aanmaak van het waardemateriaal geschiedde in opdracht van het CDK onder toezicht van de controleur van de Rijkswaarde van de PTT in Haarlem. Deze laatste verzond tevens het waardemateriaal aan de distributiediensten.

5.4 Bonkaarten

Voor de voorziening van particuliere verbruikers werden bonnen aangewezen op de bonkaarten voor voedingsmiddelen en op de versnaperingen (zg. gemengde kaarten). Voor bonkaarten kwamen in aanmerking personen, die in rechtmatig bezit waren van een distributiestamkaart. De procedure, welke gevolgd werd bij de terbeschikkingstelling van voedingsmiddelen verliep in de regel zo, dat voor de normale verbruikers periodiek bonkaarten werden uitgegeven, waarop regelmatig bepaalde nummers geldig werden verklaard voor een zekere hoeveelheid van een artikel. Na uitreiking van de rijksdistributiekaart volgden afzonderlijke bonkaarten voor de voornaamste levensmiddelen en een algemene bonkaart voor artikelen, waarvoor bonaanwijzing beperkt bleef tot een keer per vier weken. Iedere distributiegerechtigde bezat in 1941 één bonkaart algemeen, een broodkaart, bloemkaart, vleeskaart, boterkaart. Tijdens de periode vanaf oktober 1944 tot oktober 1945 waren zgn. noodkaarten in gebruik. Deze kaarten bevatten genummerde bonnen zonder produkt-aanduiding, zodat elke bon voor een willekeurig produkt kon worden aangewezen. Dit systeem maakte een soepele aanwijzing mogelijk maar had als nadeel dat controle minder efficient verliep. Naarmate in de jaren 1946 en 1947 een meer gestabiliseerde toestand ontstond werd het oude systeem van vóór 1944 hersteld. Behalve de normale bonkaarten werden tevens zgn. toeslagkaarten uitgereikt voor:

  1. bijzondere arbeid;
  2. zwangere vrouwen en jonge moeders;
  3. zieken.

ad a. Voor bepaalde vormen van arbeid werden boven de gangbare rantsoenen toeslagkaarten voor bijzondere arbeid verstrekt (voor modellen zie inv. nr. 269). Voor deze verstrekkingen waren beroeplijsten samengesteld. (

Zie circulaire van 12 juni 1941; de beoordeeling van den aard der werkzaamheden, in verband met de te verstrekken extra rantsoenen, met lijsten van beroepen A en B.

) De toeslagkaarten waren onderverdeeld in klassen: licht verzwaarde arbeid, matig zware arbeid, zware arbeid, zeer zware arbeid en uiterst zware arbeid. De aanvragen voor toeslagkaarten werden in de regel aangevraagd door de werkgever.

ad b. Vrouwen, die in de laatste 24 weken van hun zwangerschap waren, konden in aanmerking komen voor extra voedingsmiddelen. Bij aanvraag moest de vrouw een attest van arts of vroedvrouw overleggen, waaruit bleek, dat zij in de laatste 24 weken van haar zwangerschap was.

ad c. Ten behoeve van patiënten, die in verband met ziekte meer of andere voedingsmiddelen dan de normale rantsoenen nodig hadden, werden toeslagkaarten verstrekt. Richtlijnen voor deze verstrekkingen werden vastgesteld door de geneeskundige hoofdinspecteur van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid. De aanvraag geschiedde niet door de patiënt zelf maar door de behandelende geneesheer.

In beginsel werd gestreefd naar een algemene landelijke geldigheid van bonkaarten. Vanaf 1942 is voor een scherpere controle op onregelmatigheden de stad en landregeling ingevoerd.

5.5 Controle op het waardemateriaal

De directe controle op het waardemateriaal berustte bij de afdeling Interne Controle van elke distributiedienst. De eindcontrole berustte bij de afdeling Administratie van het CDK, die werd bijgestaan door de bijkantoren en de Inspectie van de afdeling Buitendienst van het CDK. De inspectie van de Afdeling Buitendienst was belast met het algemeen toezicht op de gang van zaken bij de distributiediensten.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in