gahetNA in het Nationaal Archief

BuZa / 1e Haags Archief

2.05.84
Centrale Archief Selectiedienst
Nationaal Archief, Den Haag
2004
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.05.84
Auteur: Centrale Archief Selectiedienst
Nationaal Archief, Den Haag
2004
CC0

Periode:

1939-1945
merendeel 1940-1942

Omvang:

4,00 meter; 682 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief bestaat uit stukken betreffende de voortzetting van het Haagse ministerie van Buitenlandse zaken onder Duitse bezetting, in de jaren 1940-1942. Feitelijk beperkten de departementale werkzaamheden zich tot de behartiging van de belangen van Nederlandse ambtenaren in Belgie en bezet Frankrijk. De inventaris bevat vooral stukken van de afdelingen Algemeen Secretariaat en Juridische Zaken.

Archiefvormers:

  • Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1815-1942

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Het Departement van Buitenlandse Zaken tijdens de Bezetting
De Duitse inval

Meteen bij de inval van de Duitsers op 10 mei 1940 vertrok de minister van Buitenlandse Zaken, mr. E.N. van Kleffens, met zijn collega van Koloniën, Chr.J.I.M. van Welter per vliegtuig naar Engeland om te proberen militaire hulp van de Britse regering te krijgen. (

Biografisch Woordenboek van Nederland (BWN), dl. 3 (onder eindred. van J. Charité), 's-Gravenhage 1989, 330-333; m.n. 331.

) Vijf dagen later werd het Ministerie van Buitenlandse Zaken te Den Haag ingenomen door een speciaal daarvoor opgeleid 'Sonderkommando Von Künsberg', dat belast was met het in beslag nemen van de archieven van de ministeries van Buitenlandse Zaken van de bezette landen. Het Sonderkommando ontzegde de ambtenaren de toegang tot het departement en nam het archief in beslag om het vervolgens na een grondige inspectie kort daarna over te brengen naar Berlijn, waar een Archiefcommissie van het Auswärtige Ambt voor verder onderzoek zorg zou dragen. (

L.J. Ruys, `Het "Sonderkommando Von Künsberg"en de lotgevallen van het archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Nederland van 1940-1945', in: Nederlands Archievenblad. Orgaan van de Vereniging van Archivarissen in Nederland, 65e jrg (1961), 135-153; m.n. 135.

)

De werkzaamheden op het ministerie werden door een aantal hoofdambtenaren met een kleine staf voortgezet. Het lagere personeel werd veelal te werk gesteld bij andere departementen en rijksdiensten. Het departement vond na een korte tijd in het aan de overkant van het Plein gelegen Ministerie van Koloniën te zijn gehuisvest achtereenvolgens onderdak in drie panden aan het Binnenhof: het gebouw van de Eerste Kamer, dat van de Tweede Kamer en van de Raad van State, en tenslotte weer in dat van de Eerste Kamer.

De dagelijkse leiding van het departement was in handen van de secretaris-generaal jhr. mr. A.M. Snouck Hurgronje, die tevens voorzitter van het college van secretarissen-generaal was.(

BWN, dl. 2 (onder eindred. van J. Charité), Amsterdam 1985, 522-523; m.n. 522

) Het Departement van Buitenlandse Zaken, dat onder toezicht van de Duitse bezetter stond, was na het vertrek op 16 juli 1940 van 168 in Den Haag achtergebleven buitenlandse diplomaten niet meer dan een façade. Op 29 juli 1941 nam A.M. Snouck Hurgronje ontslag vanwege de oprichting van een Nederlands vrijwilligerslegioen, dat in het kader van de Waffen-SS dienst zou gaan doen in Rusland. Zijn plaats werd ingenomen door de Duitsgezinde H.W.G.M. ridder Huyssen van Kattendijke, gezant te Kopenhagen, die in mei 1940 vrijwillig naar Nederland was teruggekeerd. Hij werd daarbij voor juridische adviezen bijgestaan door prof. mr. dr. J.P.A.François, chef van de afdeling Volkenbondzaken (

Organisatie en reorganisatie van het Departement van Buitenlandse Zaken, 's-Gravenhage 1950, 39. Snouck Hurgronje werd opgevolgd door secretaris-generaal K.J. Frederiks van het Departement van Binnenlandse Zaken. Zie: L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, dl. V (maart '41-juli '42), eerste helft, 's-Gravenhage 1974, 128. Zie voor François: BWN, dl. 2, 163-165.

)

Het departement en de N.S.B.

Een maand voor de ontslagaanvraag van Snouck Hurgronje had de N.S.B., die zich zelf voor de toekomst een belangrijke rol had toegedacht, een nota uitgebracht, waarin men voorstellen deed voor een reorganisatie van het departement in de "nieuwe Nederlandsche Nationaal-Socialistische Staat". Volgens dat plan moesten op de post van minister en van secretaris-generaal partijleden worden benoemd. Over het geheel genomen werd de oude organisatie-indeling van het departement aangehouden. Wel werd in overweging gegeven voor de betrekkingen met het Duitse Rijk een nieuwe afdeling voor Duitse aangelegenheden op te richten dan wel om hiervoor een eigen departement met een nog te benoemen minister in te stellen. Nadat de N.S.B. de macht op het departement zou hebben overgenomen, zou gemakkelijk zijn na te gaan of er onder het personeel "bruikbare elementen" aanwezig waren. Om dit voor de diplomatieke en consulaire ambtenaren vast te stellen, zouden zij om hun ambt te kunnen blijven uitoefenen een circulaire moeten ondertekenen, waarin zij moesten verklaren met het nieuwe regime in te stemmen. (

Het Bureau Nationale Veiligheid trof dit plan bij het doorzoeken van het hoofdkwartier te Utrecht aan in de archieven van de N.S.B. en stuurde het in augustus 1945 ter informatie op aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Zie: Codearchieven van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1945-1954: Codearchief 1, rubriek 101 (bij Reorganisatie van het departement na de oorlog, 1945).

) In plaats van dat de N.S.B.-ers een kans kregen dit plan uit te voeren, waren het de Duitsers, die steeds meer een stempel op het departementsbeleid drukten.

De aard van de werkzaamheden

De werkzaamheden die door het Departement van Buitenlandse Zaken te Den Haag tot aan de opheffing in 1942 werden uitgevoerd, waren zeer summier van aard. (

Met uitzondering van het in noot 5 vermelde is het voorgaande gedeeltelijk gebaseerd op: A.E. Kersten, Buitenlandse Zaken in ballingschap 1940-1945. Institutionele aspecten van het buitenlands beleid in een stroomversnelling, Alphen aan den Rijn, 1981, 22.

) Het in die tijd gevormde archief wordt het 'Eerste Haags Archief' genoemd en betreft het departement in bezet gebied, de tegenhanger van het naar Engeland uitgeweken Ministerie van Buitenlandse Zaken, dat bekend is als het 'Londens Archief' (

Nationaal Archief (NA), Archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (Londens Archief) en daarmee samenhangende archieven (1936) 1940-1945 (1958), nummer toegang: 2.05.80.

)
. Dit ter onderscheiding van het 'Tweede Haags archief', dat in de overgangsperiode van mei tot augustus 1945 ontstond, toen het beleid voor het grootste deel nog in Londen door de daarheen uitgeweken regering werd bepaald. (

NA, Archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken na de bevrijding (Tweede Haags Archief) 1945,

nummer toegang 2.05.87

)

Dat de werkzaamheden sinds de bezetting beperkt waren, blijkt ook wel uit de dossiers in het 'Eerste Haags Archief'. Op zich was het bijzonder dat het departement kon blijven doorwerken. Door een regeling te treffen met de Posterijen zag men kans de stukken uit de handen van de Duitsers te houden. (

'Het oud-archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken', in: Jaarboek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken 1962/1963, 's-Gravenhage 1963, 151-163; m.n. 157.

) Uit de overgebleven archivalia valt op te maken dat alle vooroorlogse afdelingen in principe nog functioneerden: t.w. Algemeen Secretariaat, Protocol, Consulaire- en Handelszaken, Diplomatieke Zaken, Juridische Zaken, Volkenbondzaken en Comptabiliteit.(

Staatsalmanak voor het Koninkrijk der Nederlanden 1940, 's-Gravenhage 1939, 58-60. Met uitzondering van het Kabinet van de Minister, omdat dit sinds 1940 in Londen zetelde.

)
Feitelijk beperkten de werkzaamheden van het departement zich na de bezetting tot België en bezet Frankrijk, waar Nederlandse ambtenaren onder Zweedse bescherming werkzaam waren aan de bureaus voor de behartiging van Nederlandse belangen. De schriftelijke neerslag daarvan bestaat vooral uit stukken inzake het ter kennis nemen en doorzenden van ingekomen inlichtingen en mededelingen. Het grootste deel daarvan werd behandeld door de afdelingen Algemeen Secretariaat en Juridische Zaken. Laatstgenoemde afdeling behandelde vooral verzoeken van personen en instanties om inlichtingen en bemiddeling en om afgifte en verlenging van paspoorten, identiteitsbewijzen en visa, zij het dat de behandeling daarvan zeer summier was. De meeste dossiers bestaan dan ook vaak uit slechts één of twee stukken.

Daarnaast vormde het Departement een schakel tussen de overige Nederlandse organisaties en de vertegenwoordiger van het Auswärtige Ambt. (

Documenten betreffende de buitenlandse politiek van Nederland, 1919-1945. Periode C 1940-1945, dl. I, 10 mei 1940-31 oktober 1940, bewerkt door A.F. Manning m.m.v. A.E. Kersten. Uitgegeven in opdracht van de Minister van Onderwijs en Wetenschappen onder toezicht van de Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis (Rijksgeschiedkundige Publicatiën, Grote Serie nr 157), 's-Gravenhage 1976, VII.

)

De opheffing van het departement

Op 11 juni 1942 werd het departement bij besluit van de Reichscommissar dr. A. Seyss-Inquart met terugwerkende kracht opgeheven. Desalniettemin werd de laatste brief pas op 4 november ingeschreven.(

Jaarboek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken 1962/1963, 158. Zie inv.nr. 9. In deze agenda betrof het vooral de aan de afdelingen Juridische Zaken en in mindere mate aan de afdelingen Consulaire en Handelszaken en Algemene Secretarie ter afhandeling gegeven stukken, waarvan een deel van na juni 1942.

) Vanaf juni werden de taken en werkzaamheden van het departement op andere departementen voortgezet. De afdeling Consulaire- en Handelszaken werd overgenomen door het Departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart (

Dit behartigde ook samen met het Departement van Waterstaat meer specifieke waterstaatszaken. Zie: inv.nrs. 173, 174.

)
, terwijl de zaken betreffende steunverlening alsmede de uitbetaalde gelden voor onderstand en repatriatie bijvoorbeeld onder het Departement van Binnenlandse Zaken, Afd. voormalig Departement van Buitenlandse Zaken gingen ressorteren. Een deel van de ambtenaren ging dientengevolge ook over naar deze departementen, terwijl anderen ambtenaren deels overgingen naar andere departementen van Algemeen Bestuur of - gelijk ook reeds eerder het geval was geweest - bij het Rode Kruis te werk werden gesteld. Voornoemd besluit maakte voorlopig geen einde aan de werkzaamheden van het departement als intermediair tussen de Nederlandse organisaties en het Auswärtige Ambt.(

Organisatie en reorganisatie, 39.

)

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

ik ben op zoek naar het volgende, archiefinventaris 2.05.84

627 Overlijdensakte van J.A.M.H. Pyls, met een geleidebrief van de
Nederlandse consul-generaal in Basel, 1940
\is het mogelijk hier van deze stukken een kopij te verkrijgen

mijn dank jos Linssen

wijnandsrade@hotmail.com

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in