gahetNA in het Nationaal Archief

BuZa / Bewindslieden

2.05.81
Centrale Archief Selectiedienst
Nationaal Archief, Den Haag
2010
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.05.81
Auteur: Centrale Archief Selectiedienst
Nationaal Archief, Den Haag
2010
CC0

Periode:

1952-1998

Omvang:

19,40 meter; 794 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands, Engels.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven en gedrukte teksten.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief bevat stukken van diverse bewindslieden van Buitenlandse Zaken: ministers en staatssecretarissen, meest betreffende het buitenlandse beleid, maar ook met betrekking tot hun Kameractiviteiten.
Uit de periode van het Derde Kabinet Drees (1952-1956) betreft het overwegend stukken over de naoorlogse verhoudingen tot Duitsland (schadevergoedingen en de grenscorrecties in de Eems-Dollard regio) en de uitbouw van de Europese integratie.
Uit de periode van het kabinet-Den Uyl (1973-1977) betreft het hoofdzakelijk correspondentie over de Europese samenwerking. Verder zijn er verslagen van afgelegde werkbezoeken aan Australië en Japan en aan landbouw gerelateerde kwesties.
Uit de periode van de kabinetten Lubbers I t/m III van de jaren tachtig zijn er brievenboeken, agenda's, correspondentie, memoranda e.d. In hoofdzaak gaat het om voorbereidingen op en het afleggen van werkbezoeken, dossiers m.b.t. de Europese Gemeenschap maar bijvoorbeeld ook het groeiend belang van de betrekkingen met Azië. Verder is er correspondentie met buitenlandse ambassades, bewindslieden en internationale organisaties als het Europees Parlement, de Verenigde Naties en het UNHCR. Ook is er correspondentie met het parlement en met overige ministeries. Tevens zijn er enkele stukken omtrent de paspoortaffaire.
De grote politieke thema's vanaf eind jaren tachtig tot begin jaren negentig zijn eveneens dominant aanwezig: het einde van de Koude Oorlog en de verhoudingen tot de nieuwe lidstaten in het voormalige Oostblok, de Duitse eenwording, de Golfcrisis uitlopend op de Eerste Golfoorlog, het uiteenvallen van Joegoslavië, het Akkoord van Schengen en het Verdrag van Maastricht.
Verder zijn er nog een aantal stukken met betrekking tot het beleidsterrein van Ontwikkelingssamenwerking in de jaren negentig: correspondentie met diverse instanties en organisaties, personen en diverse bewindslieden; brieven en verslagen voor de Tweede Kamer. Verder over ondersteuning van diverse hulpprogramma's, de samenwerking met Indonesië en met Suriname en de Antillen. Tevens zijn er een aantal stukken m.b.t. de levering van defensiematerieel aan ontwikkelingslanden.

Archiefvormers:

  • Beyen, J.W.
  • Brinkhorst, L.J.
  • Broek, H. van den
  • Dankert, P.
  • Eekelen, W.F. van
  • Kooijmans, P.H.
  • Linden, P.R.H.M. van der
  • Mei, D.F. van der
  • Patijn, M.
  • Pronk, J.P.

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

  • 1. Biografie 1.1. Loopbaan

    Jan Willem Beyen (2 mei 1897-29 april 1976) studeerde van 1914 tot 1918 Rechtswetenschap aan de Universiteit Utrecht. Na zijn studie was hij werkzaam bij de Generale Thesaurie van het ministerie van Financiën, alwaar hij in 1923 benoemd werd tot waarnemend thesaurier-generaal. In 1924 maakte hij de overstap naar Philips waar hij werkte als secretaris van de directie. Nog geen twee jaar later vervolgde hij zijn carrière als directeur van de Javasche Bank te Amsterdam. Hierna werd hij in 1927 benoemd tot directeur van de Rotterdamsche Bank. (

    Duco Hellema, Bert Zeeman en Bert van der Zwan 'De Nederlandse ministers van Buitenlandse Zaken in de twintigste eeuw' (Den Haag: Sdu uitgevers 1999) p. 200. Verder uitgebreid: W.H. Weenink, 'Bankier van de wereld en Bouwer van Europa. Johan Willem Beyen 1897-1976' (Amsterdam, Uitgeverij Prometheus, Rotterdam, Uitgeverij NRC-Handelsblad, 2005).

    )

    In 1935 vertrok Beyen naar het buitenland. Hij werd bij de Bank voor Internationale Betalingen te Bazel aangesteld als vice-president en in 1937 benoemd tot president. Zijn internationale carrière vervolgde hij van 1940 tot 1946 als financieel directeur bij Lever Brothers en Unilever te Londen. Tijdens zijn verblijf in Londen was hij tevens werkzaam als financieel adviseur van de Nederlandse regering in ballingschap. Hij bleef dit tot 1952. In deze zelfde naoorlogse periode (van 1946 tot 1952) was hij de executive director van het Internationaal Monetair Fonds te Washington. (

    http://www.parlement.com/9291000/bio/01868

    )

    Op 2 september 1952 trad Beyen (die partijloos was) naast J.A.H.M. Luns aan als minister van Buitenlandse Zaken (voor een toelichting op dit duaal ministerschap zie pag. 5). Beyen was belast met Europese Zaken en multilaterale betrekkingen. Na zijn ministerschap was hij in 1957 werkzaam als regeringscommissaris voor Duitse aangelegenheden. In die functie hield hij zich bezig met onderhandelingen over geschillen die waren voortgekomen uit de Tweede Wereldoorlog. Het ging hier met name om de grenscorrectie in de Eems-Dollard regio en schadevergoedingen. (

    Hellema e.a., 'Ministers van Buitenlandse Zaken' p. 207-208

    ) Op 1 januari 1958 werd Beyen voor een periode van vijf jaar benoemd tot ambassadeur te Parijs.

    1.2. Nevenfuncties

    De nevenfuncties van Beyen zijn zeer talrijk geweest. Zo is hij onder meer lid geweest van diverse Raden van Commissarissen zoals die van de KLM, Philips, het Nederlands syndicaat voor China, de Hollandse Beton Maatschappij en de Koninklijke Nederlandsch-Indische Luchtvaart Maatschappij en was hij na zijn ambassadeurschap president van de Raad van Commissarissen van de Rotterdamsche Bank, Wm. H. Müller & Co., de Nederlandsche tak van het Petrofina-concern en de Hollandse Aannemingsmaatschappij. (

    http://www.parlement.com/9291000/bio/01868

    )

    In 1944 was hij hoofd van de Nederlandse afvaardiging naar de conferentie van Bretton Woods, waar geprobeerd werd een nieuw internationale economisch stelsel op te zetten. (

    Hellema e.a., 'Ministers van Buitenlandse Zaken' p. 200

    ) Andere belangrijke nevenfuncties waren lidmaatschap van de commissie ter oprichting van de Verenigde Naties (Londen, november 1945), presidentschap van de Association pour l'etude des problemes de l'Europe (Parijs, 1963 tot 1967), lidmaatschap van de adviescommissie voor internationale monetaire vraagstukken (sinds 1966) en voorzitterschap van de Nederlandse afvaardiging naar de 5e zitting van de Economic and Social Council van de Verenigde Naties. (

    http://www.parlement.com/9291000/bio/01868

    )

    1.3. Onderscheidingen

    In juli 1927 werd Jan Willem Beyen benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Op 28 april 1951 werd hij Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau. (

    Ibidem

    )

    1.4. Derde kabinet-Drees - minister van Buitenlandse Zaken

    Op 2 september 1952 trad het derde-kabinet Drees aan. Daarin hadden de Anti-Revolutionaire Partij (ARP), de Partij van de Arbeid (PvdA), de Christelijk-Historische Unie (CHU) en de Katholieke Volkspartij (KVP) zitting. Bijzonder was dat het kabinet twee ministers voor Buitenlandse Zaken had. Reden hiervoor was dat de uitslag van de verkiezingen tot gevolg had dat de ministersposten evenwichtig verdeeld moesten worden. Dit hield onder meer in dat er een minister zonder portefeuille op Buitenlandse Zaken benoemd diende te worden. Daarnaast was er volgens de historicus Jan Willem Brouwer sprake van een "oude wens van het parlement" om een afzonderlijke minister voor Europese Zaken te benoemen. (

    Hellema e.a., Ministers van Buitenlandse Zaken, p. 201

    )

    Beyen werd officieel tot minister benoemd en kreeg Europese Zaken en multilaterale betrekkingen toegewezen. Joseph Luns werd benoemd tot minister zonder portefeuille en kreeg niet-Europese aangelegenheden en bilaterale betrekkingen, zoals Indonesië, toegewezen. (

    Duco Hellema, Buitenlandse politiek van Nederland (Utrecht, Uitgeverij het Spectrum, 1995), p.169

    ) Hoewel op papier het een minister zonder portefeuille betrof, was de functie in feite dezelfde als die van Beyen en Luns mocht zich in het buitenland dan ook gewoon minister van Buitenlandse Zaken noemen. De door de minister-president opgestelde strikte taakverdeling tussen Luns en Beyen was echter pas tot stand gekomen nadat in het eerste jaar van het gedeelde ministerschap was gebleken dat beide ministers slecht met elkaar konden opschieten. (

    Hellema e.a., Ministers van Buitenlandse Zaken, p. 201

    )

    Volgens Dick Houwaart is het opmerkelijk te noemen dat het kabinet geen regeringsverklaring aflegde. Veertien dagen na het aantreden van het kabinet werd de troonrede voorgelezen door koningin Juliana en voor het kabinet was dit meteen haar regeringsverklaring. (

    Dick Houwaart, Van Drees tot Kok: een halve eeuw regeren (Kampen, Uitgeverij Kok, 1998), p. 74

    )

    Een belangrijk passage uit de troonrede was het voornemen de betrekkingen met Indonesië te verbeteren om zo de besprekingen over de Nederlands-Indonesische Unie te kunnen hervatten. (

    Houwaart, Van Drees tot Kok, p. 75

    ) Helaas verslechterde de relatie met Indonesië zodanig dat op 15 februari 1956 er officieel een einde werd gemaakt aan de Nederlands-Indonesische Unie. (

    http://www.parlement.com/9291000/modules/g0cfvphf

    )

    Andere bijzonderheden voor het derde-kabinet Drees waren de watersnoodramp van 1 februari 1953 (waarbij meer dan 1800 mensen omkwamen en de totale schade ruim 500 miljoen gulden bedroeg), de totstandkoming van het Statuut voor het Koninkrijk welke op 29 december 1954 werd afgekondigd (en bepaalde dat Suriname en de Nederlandse Antillen zelfstandige onderdelen van het Koninkrijk werden) en de Greet Hofmans-affaire waarbij koningin Juliana onder dusdanig grote invloed van de gebedsgenezeres Greet Hofmans kwam te staan dat dit bijna tot een constitutionele crisis leidde. (

    Ibidem

    )

    1.5. Beyens plan voor Europa

    In 1951 richtten Frankrijk, Duitsland, België Luxemburg, Italië en Nederland de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) op. De samenwerking tussen deze Europese landen werd in mei 1952 uitgebreid met een verdrag dat voorzag in de oprichting van een Europese Defensie Gemeenschap (EDG). Uiteindelijk doel van dit verdrag was om de weg vrij te maken voor een overkoepelende Europese Politieke Gemeenschap (EPG). (

    Hellema e.a., Ministers van Buitenlandse Zaken, p. 203

    )

    In 1952 presenteerde minister Beyen het 'plan-Beyen'; hierin streefde hij naar een economische integratie die begon met een douanegemeenschap binnen de EGKS-landen (hetgeen betekende dat de interne tariefgrenzen zouden worden opgeheven zodat handelsbelemmeringen wegvielen). (

    http://www.parlement.com/9291000/bio/01868

    ) Beyen week hiermee af van de visie van zijn voorganger D.U. Stikker, die de voorkeur gaf aan de sectorsgewijze benadering zoals die tot dusver door alle lidstaten was nagestreefd. (

    Hellema, Buitenlandse politiek, p. 171

    )
    Volgens Beyen kon politieke integratie niet los van een algehele economische integratie plaatsvinden en dus ook niet per sector van de economie. (

    Hellema e.a., Ministers van Buitenlandse Zaken, p. 205

    )

    In eerste instantie werd het 'plan-Beyen' niet enthousiast ontvangen door de andere EGKS-lidstaten. De doorbraak (voor zijn visie) kwam echter in 1954 toen het Franse parlement het verdrag voor de EDG verwierp. Automatisch gevolg daarvan was dat de oprichting voor een EPG niet kon plaatsvinden. De Europese integratie kreeg hierdoor te kampen met een terugval en dit bleek de kans voor Beyen om zijn plan nogmaals onder de aandacht te brengen. (

    Ibidem

    )

    Beyen zette zijn plannen voor economische integratie om in een gezamenlijk initiatief met de ministers van Buitenlandse Zaken van Luxemburg (Joseph Bech) en België (Paul-Henri Spaak). Dit werd gecombineerd met het voorstel van de Franse politicus Jean Monnet om de EGKS uit te breiden met kernenergie. Dankzij deze koppeling bereikte hij op de conferentie van Messina in juni 1955 samen met de vijf andere lidstaten een akkoord over de uitbreiding van het Europese integratieproces tot alle economische sectoren. (

    Ibidem

    ) Het Verdrag van Messina leidde uiteindelijk in 1957 tot het Verdrag van Rome, waarin de oprichting voor de Europese Economische Gemeenschap en Euratom werd vastgelegd. (

    Hellema, Buitenlandse politiek, p. 174

    )

    2. De Archieven

    De op het ministerie van Buitenlandse Zaken aanwezige archieven die betrekking hebben op de werkzaamheden van Beyen zijn onder te verdelen in twee soorten. Enerzijds is er het zogeheten 'bewindsliedenarchief'. Dit omvat onder andere het persoonlijke archief van Beyen dat aan het departement is geschonken. Daarnaast is er het archief dat in beheer is van het ministerie zelf, het zogeheten departementsarchief, waarin ook dossiers te vinden zijn die betrekking hebben op het ministerschap en ambassadeursschap van Beyen.

    2.1. Persoonlijk archief

    Het persoonlijke archief van Beyen bestaat uit vijftien inventarisnummers die alle afkomstig zijn uit de periode 1952-1956. (

    Nationaal Archief (NA), Ministerie van Buitenlandse Zaken. Bewindsliedenarchief 1952 - 1998 (Bewindsliedenarchief), 2.05.81, inv.nrs 1-15.

    )

    2.2. Departementsarchief

    Het deel van het departementsarchief dat betrekking heeft op Beyen bestaat uit drieëntwintig dossiers. Dertien dossiers hebben betrekking op de besprekingen tussen Beyen en Kaufman over schadevergoedingen en de grenscorrecties in de Eems-Dollard regio. Het betreft hier vijf dossiers met correspondentie over de besprekingen (

    Departementsarchief code 9 / 1955-1964 / 1485-1489

    ), één dossier van oud-minister Luns met betrekking tot de besprekingen (

    Departementsarchief code 9 / 1955-1964 / 2703

    )
    , zes dossiers met perscommentaren (

    Archieven Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955-1964, inv.nrs. 16591 - 16592

    )
    en één dossier van de werkgroep 'Grensoverschrijdende Wateren'. (

    Archieven Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955-1964, inv.nr 16590

    )

    De overige tien dossiers uit het departementsarchief die betrekking hebben op de werkzaamheden van Beyen bestaan uit zijn personeelsdossier van aanstelling tot ontslag (

    Departementsarchief code 131 / bd / 00050

    ), twee dossiers met artikelen en redevoeringen van Beyen over het Nederlandse buitenlands beleid en met name Europese integratie (

    Archieven Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955-1964, inv.nrs 18689 en Archieven Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1945-1954, inv. nr. 16850

    )
    , twee dossiers van de interdepartementale commissie voor Europese integratie (Commissie-Beyen) (

    Archieven Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1955-1964, inv.nr. 18774

    )
    , één dossier dat betrekking heeft op een verzoek aan minister Beyen om erevoorzitter te worden van Europe Notre Patrie (

    Europe Notre Patrie was de culturele sector van de Union Economique et Douanière Européenne. NA, Archieven van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (Buza), 1945-1964, inv.nr. 16873

    )
    en vier dossiers betreffende zijn dienstreizen: een bezoek aan kanselier K. Adenauer in november 1953 (

    NA, Buza, inv.nr. 14884

    )
    , een dienstreis naar Zwitserland in 1953 (

    NA, Buza, inv.nr. 14990

    )
    , een dienstreis naar Italië (1956) en een dienstreis naar Oostenrijk en Zwitserland (1956) (

    Departementsarchief code 9 / 1955-1964 / 02593

    )
    en ten slotte nog één dossier met verzoeken tot verlof tot afwezigheid voor het bijwonen van verschillende internationale conferenties zoals de Conferentie voor het Suezkanaal, Nato-besprekingen en vergaderingen van de West-Europese Unie (WEU). (

    Departementsarchief code 9 / 1955-1964 / 01497

    )

    Het kan mogelijk interessant zijn archieven van het ministerie te raadplegen die niet direct verbonden zijn aan de naam Beyen, maar die wel gerelateerd zijn aan de verschillende onderwerpen waar hij in zijn ambtstermijn mee te maken heeft gehad. Voorbeelden hiervan zijn archieven van:

    • Directoraat-generaal Europese Samenwerking (DGES) met betrekking tot de Europese integratie;
    • DWM (Directie West- en Midden-Europa) betreffende de besprekingen over de grenscorrectie met Duitsland.
    • Gegevens over het derde kabinet-Drees zijn te vinden in het archief van het Directoraat-generaal Politieke Zaken (DGPZ).
    • Daarnaast kunnen de archieven van de Nederlandse ambassade te Parijs uit de jaren 1958-1963 mogelijk relevante informatie opleveren.
  • 1. Biografie 1.1. Loopbaan

    Laurens Jan Brinkhorst (18 maart 1937) studeerde rechten aan de Rijksuniversiteit Leiden alwaar hij in 1959 doctoraal-examen deed. Hierna behaalde hij in 1961 zijn M.A. Public Law and Government aan Columbia University in New York. Zijn eerste baan was tevens in New York, bij advocatenkantoor Shearman & Sterling (1960-1961). (

    http://www.ez.nl/content.jsp?objectid=10159

    )

    Van 1962 tot 1965 was hij werkzaam als wetenschappelijk medewerker van het Europa Instituut van de Universiteit Leiden en van 1965 tot 1967 was hij directeur van dit instituut. In deze zelfde tijd was hij lector Recht van Internationale Organisaties aan deze universiteit om vervolgens van 1967 tot 1973 hoogleraar Europees Recht aan de Rijksuniversiteit Groningen te worden. (

    http://www.parlement.com/9291000/bio/01738

    )

    De politiek betrad hij in juli 1970 toen hij voor D66 lid werd van de Provinciale Staten van Groningen. Deze functie behield hij tot oktober 1971. In mei 1973 werd hij benoemd tot staatssecretaris van Buitenlandse Zaken (belast met Europese Samenwerking) in het kabinet-Den Uyl. Na het aflopen van zijn staatssecretarisschap in 1977 was hij tot 1982 lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, waar hij van september 1981 tot november 1982 tevens fractievoorzitter was voor D66. (

    http://www.ez.nl/content.jsp?objectid=10159

    )

    Van 1982 tot 1987 was Brinkhorst hoofd van de delegatie van de Europese Gemeenschap te Japan. In 1987 werd hij bij de Europese Gemeenschap benoemd tot directeur-generaal Milieuzaken, Consumentenbelangen en Nucleaire Veiligheid, een functie die hij tot 1994 bekleedde. Van juli 1994 tot juni 1999 was hij lid van het Europees Parlement. Op 8 juni 1999 werd Brinkhorst in het tweede kabinet-Kok (1998-2002) benoemd tot minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Na deze ambtstermijn werd hij deeltijd-hoogleraar Internationaal en Europees Bestuur aan de Universiteit van Tilburg. Op 27 mei 2003 werd hij voor een tweede maal benoemd tot minister, ditmaal van Economische Zaken. (

    http://www.parlement.com/9291000/bio/01738

    ) Hieraan kwam in november 2006 door de val van het kabinet een einde. Daarna werd Brinkhorst hoogleraar internationaal en Europees recht en bestuur aan de Rijksuniversiteit Leiden.

    1.2. Nevenfuncties

    Oud-staatssecretaris van Buitenlandse Zaken Brinkhorst was van juli 2002 tot mei 2003 (tot zijn aantreden als minister van Economische Zaken) adviseur European Affairs bij NautaDutilh Advocaten te Brussel. De nevenfuncties die hij in het verleden bekleedde, waren onder meer het lidmaatschap van de Adviesraad World Resources Institute en lidmaatschap van het curatorium van het Nederlands Economisch Instituut. (

    http://www.ez.nl/content.jsp?objectid=10159

    ) Daarnaast was hij lid van het dagelijks bestuur van het Genootschap voor Internationale Zaken, van de adviescommissie Volkenrechtelijke Vraagstukken, van het hoofdbestuur Europese Beweging Nederland, van het Executive Committee Centre for European Policy Studies (te Brussel) en van de Adviescommissie Internationale Zaken van de Universiteit Leiden. Bovendien was hij van september 1977 tot september 1981 derde ondervoorzitter van het Presidium van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. (

    http://www.parlement.com/9291000/bio/01738

    )

    1.3. Onderscheidingen

    Brinkhorst heeft diverse onderscheidingen ontvangen. Op 11 april 1978 werd hij benoemd in de Orde van de Nederlandse Leeuw en op 10 december 2002 werd hij benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. (

    Ibidem

    )

    Italië onderscheidde hem met het Grootkruis in de Orde van Verdienste in 1973 en in 1974 ontving Brinkhorst eveneens het Grootkruis van Verdienste van Senegal. Koningin Margrethe II van Denemarken kende hem in 1975 het Grootkruis in de Dannebrogorde toe, de president van de Socialistische Republiek van Roemenië verleende hem in 1975 het Grootkruis in de Orde van Tudor Vladimirescu en België verleende hem in 1976 het Grootkruis in de Orde van Leopold II. Tunesië benoemde Brinkhorst in 1976 tot Commandeur in de Orde van de Republiek van Tunesië, dit naar aanleiding van het ondertekenen van de Maghreb akkoorden. (

    Departementsarchief code 2 / 1975-1984 / 1446

    )

    1.4. Kabinet-Den Uyl

    Voor een beschrijving van het kabinet-Den uyl zie: "Inleiding op de archieven van prof. P.H. Kooijmans", Kabinet-Den Uyl.

    2. De Archieven

    De op het Ministerie van Buitenlandse Zaken aanwezige archieven die betrekking hebben op de werkzaamheden van Brinkhorst zijn onder te verdelen in twee soorten. Enerzijds is er het zogeheten 'bewindsliedenarchief'. Dit bevat onder andere het persoonlijk archief van Brinkhorst dat door hem is geschonken aan het departement. Daarnaast is er het departementsarchief, waarin ook dossiers te vinden zijn die betrekking hebben op het staatssecretariële werk van Brinkhorst.

    2.1. Persoonlijk archief

    Het persoonlijke archief bestaat uit 26 inventarisnummers en beslaat de gehele periode 1973-1977 waarin Brinkhorst staatssecretaris was. (

    NA, Bewindsliedenarchief, 2.05.81, inv.nrs 16-41

    )

    2.2. Departementsarchief

    Op het ministerie van Buitenlandse Zaken bevinden zich diverse archieven die gerelateerd zijn aan Brinkhorst.

    Ten eerste zijn er de archieven die betrekking hebben op zijn werkzaamheden als staatssecretaris (1973-1977). Hierin bevinden zich een overzichtsdossier met voorbereidingen op en verslagen van door Brinkhorst gemaakte reizen en specifieke dossiers over afgelegde werkbezoeken naar Australië en Japan. (

    Departementsarchief code 9 / 1975-1984 / 1225-1227

    ) Andere archieven uit deze periode bevatten dossiers inzake ontvangen onderscheidingen (

    Departementsarchief code 2 / 1975-1984 / 1446 en Departementsarchief dkp / ara / 00609

    )
    en dossiers met memoranda, telexen en gevoerde correspondentie. (

    Departementsarchief code 9 / 1975-1984/ 000640

    )

    Daarnaast zijn er op het departement archieven aanwezig die informatie bevatten over de werkzaamheden van Brinkhorst als minister van Landbouw. Deze dossiers hebben enkel betrekking op de werkzaamheden die zowel het ministerie van Landbouw als het ministerie van Buitenlandse Zaken betroffen. Om een echte indruk te krijgen van Brinkhorsts werk als minister moet men het archief van het departement van Landbouw raadplegen.

    De archieven die verbonden zijn aan de werkzaamheden van oud-staatssecretaris Brinkhorst zijn niet altijd aan zijn naam verbonden, maar die wel gerelateerd zijn aan de verschillende onderwerpen waar hij in zijn ambtsperiode mee had te maken. In dat verband kunnen bijvoorbeeld interessant zijn archieven van:

    • Directoraat-Generaal Europese Samenwerking (DGES) - welke het Nederlandse beleid met betrekking tot Europa en de Europese Unie (EU) - ontwikkelt en coördineert- om meer inzicht te krijgen in zijn werkzaamheden;
    • Directie Azië en Oceanië (DAO) om meer inzicht te verschaffen over zijn werkreizen naar Australië en Japan.
    • Gegevens over het buitenlands beleid van het kabinet-Den Uyl zijn te vinden in het archief van het Directoraat-Generaal Politieke Zaken (DGPZ).
  • 1. Biografie 1.1. Loopbaan

    Hans van den Broek (11 december 1936) studeerde rechten aan de Universiteit Utrecht. Tevens volgde hij de opleiding senior-management aan "De Baak" te Noordwijk. Zijn eerste baan was die van advocaat en procureur bij advocatenkantoor Briët te Rotterdam (1965-1968). Vervolgens werkte hij als directiesecretaris bij E.N.K.A.-Glanzstoff (tegenwoordig AKZO-Nobel) te Arnhem (1969-1973). Daarnaast werd hij op 1 september 1970 namens de KVP gemeenteraadslid van Rheden (Gelderland), een functie die hij bekleedde tot 21 augustus 1974. In 1973 werd hij eveneens bij E.N.K.A.-Glanzstoff commercieel manager produktiegroep industriële garens. (

    http://www.parlement.com/9291000/biof/01997

    )

    In 1976 maakte Van den Broek de overstap naar de landelijke politiek. Hij werd namens de Katholieke Volkspartij (KVP) (

    De Katholieke Volkspartij (KVP) fuseerde per 11 oktober 1980 met de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en de Christelijk-Historische Unie (CHU) tot het Christen-Democratisch Appèl (CDA)

    ) op 12 oktober 1976 lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en werd in het tweede en derde kabinet-Van Agt benoemd tot staatssecretaris van Buitenlandse Zaken (11 september 1981 - 4 november 1982). In deze functie was hij belast met Europese Samenwerking. Op 4 november 1982 werd hij benoemd tot minister van Buitenlandse Zaken in het eerste kabinet-Lubbers (1986-1989) en bleef dit gedurende het tweede en derde kabinet-Lubbers (1989-1993).

    Na zijn ministerschap werd Van den Broek lid van de Europese Commissie. Hier was hij belast met buitenlandse betrekkingen en uitbreiding van de Europese Gemeenschap. Deze functie bekleedde hij van januari 1993 tot september 1999. Op 25 februari 2005 is Hans van den Broek benoemd tot minister van Staat, een eretitel die slechts aan enkele oud-politici en oud-staatslieden wordt toegekend. (

    http://www.regering.nl/actueel/nieuwsarchief/2005/02February/25/0-42-1_42-56012.jsp

    )

    1.2. Nevenfuncties

    In het verleden behoorde het lidmaatschap van het bestuur Nederlands Studenten Afrika Gezelschap tot de nevenfuncties van Van den Broek. Sinds mei 1997 is hij lid van de Raad van Toezicht van de Universiteit Utrecht, sinds januari 2000 voorzitter van de Carnegie-Stichting, sinds maart 2000 voorzitter van het Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen Clingendael (in 2007 kwam hieraan een einde) en sinds mei 2000 voorzitter van het bestuur van Radio Nederland Wereldomroep.

    Van den Broek heeft als gedelegeerde deel uitgemaakt van de "bijzondere commissie van onderzoek naar de kennis, die personen hadden van het oorlogsverleden van mr. W. Aantjes en de wijze waarop deze kennis was verkregen en gehanteerd werd" van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. (

    http://www.grondweteuropa.nl/9326000/1f/j9vvgjnazrhmix9/vg09lliq6gvw

    )

    1.3. Onderscheidingen

    Op 19 januari 1993 kreeg Hans van den Broek het Grootkruis in de Orde van Oranje-Nassau. (

    http://www.parlement.com/9291000/biof/01997

    )

    1.4. Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

    De resultaten van de Tweede Kamer verkiezingen van 1981 toonden een zeer verdeelde uitslag. Hierdoor waren er zes informateurs en formateurs en uiteindelijk 108 dagen nodig om tot een kabinetsformatie te komen. Op 11 september 1981 werd het tweede kabinet-Van Agt beëdigd. Dit bestond uit het CDA, de PvdA en D66.

    Echter voordat de regeringsverklaring was uitgesproken was het kabinet bijna ten val gekomen. Op 16 oktober 1981 leidde onenigheid over bezuinigingen en het creëren van werkgelegenheid tot de ontslagaanvraag van twee PvdA-ministers. Er werden opnieuw twee formateurs aan het werk gezet en na negentien dagen trokken beide ministers hun ontslagaanvraag weer in. Veel mocht dit echter niet baten; op 12 mei 1982 kwam het kabinet alsnog ten val door een ruzie over de Voorjaarsnota.

    Gezien de korte periode waarin het kabinet-Van Agt regeerde, heeft het weinig beleid ten uitvoer kunnen brengen. Dit gold ook voor staatssecretaris Van den Broek. Een goede illustratie hiervan is het feit dat er slechts twee dossiers in het departmentsarchief van het ministerie aanwezig zijn van zijn werkzaamheden als staatssecretaris.

    1.5. Kabinet- van Agt II

    De resultaten van de Tweede Kamer verkiezingen van 1981 toonden een zeer verdeelde uitslag. Hierdoor waren er zes informateurs en formateurs en uiteindelijk 108 dagen nodig om tot een kabinetsformatie te komen. Op 11 september 1981 werd het tweede kabinet-Van Agt beëdigd. Dit bestond uit het CDA, de PvdA en D66. (

    Houwaart, Van Drees tot Kok, p. 149

    )

    Echter voordat de regeringsverklaring was uitgesproken was het kabinet bijna ten val gekomen. Op 16 oktober 1981 leidde onenigheid over bezuinigingen en het creëren van werkgelegenheid tot de ontslagaanvraag van twee PvdA-ministers. Er werden opnieuw twee formateurs aan het werk gezet en na negentien dagen trokken beide ministers hun ontslagaanvraag weer in. Veel mocht dit echter niet baten; op 12 mei 1982 kwam het kabinet alsnog ten val door een ruzie over de Voorjaarsnota. (

    Houwaart, Van Drees tot Kok, p. 150

    )

    Gezien de korte periode waarin het kabinet-Van Agt regeerde, heeft het weinig beleid ten uitvoer kunnen brengen. Dit gold ook voor staatssecretaris Van den Broek. Een goede illustratie hiervan is het feit dat er slechts twee dossiers in het departmentsarchief van het ministerie aanwezig zijn van zijn werkzaamheden als staatssecretaris.

    1.6. Kabinet- van Agt III

    Nadat alle PvdA-ministers en -staatssecretarissen hun ontslag hadden ingediend in het tweede kabinet-Van Agt, werd er een minderheidskabinet gevormd door alle lege posten op te vullen vanuit het CDA en D66. Het kabinet werd op 29 mei 1982 beëdigd en had als voornaamste taak het uitschrijven van nieuwe verkiezingen. Deze hadden plaats op 6 september van datzelfde jaar en maakten na drie maanden een eind aan het derde kabinet-Van Agt. (

    Ibidem, p. 157-158

    )

    1.7. Minister van Buitenlandse Zaken 1.7.1. Kabinet-Lubbers I

    In het eerste kabinet-Lubbers hadden leden van het CDA en de VVD zitting. Het kabinet werd op 4 november 1982 beëdigd en legde op 22 november haar regeringsverklaring af. De in rap tempo stijgende werkloosheid baarde het zojuist aangetreden kabinet zorgen en de angst bestond dat de staatschuld een ongekende hoogte zou bereiken. Daarom werden zware maatregelen aangekondigd. De werkgelegenheid moest beter onder de bevolking worden verdeeld en overheidstekorten dienden drastisch te worden teruggebracht. (

    Ibidem, p. 164

    ) Er werd onder meer bezuinigd op ambtenarensalarissen en uitkeringen, maar ook verschillende overheidssectoren als onderwijs en volksgezondheid moesten inleveren. (

    http://www.parlement.com/9291000/modules/g0cb6864

    )

    Daarnaast was er het voornemen om meer dan honderdduizend woningen voor de sociale woonsector bij te laten bouwen, alsmede de tarieven voor het openbaar vervoer met gemiddeld tien procent te laten stijgen. Met betrekking tot de verschillende delen van het Koninkrijk nam het kabinet zich voor een Ronde Tafelconferentie te organiseren om de verhoudingen met de Nederlandse Antillen nader te bekijken. Dit leidde uiteindelijk tot de status aparte voor Aruba. (

    Houwaart, Van Drees tot Kok, p. 164-166

    )

    Belangrijkste twistpunt in de regeringsverklaring was echter de voorgenomen plaatsing van kruisraketten. Het voornemen werd op 1 november omgezet in het definitieve besluit van het kabinet tot plaatsing op de luchtmachtbasis Woensdrecht. Dit leidde tot groot maatschappelijk verzet en één van de grootste massabetogingen ooit in Nederland. (

    Ibidem, p. 166

    )

    1.7.2. Kabinet-Lubbers II

    Voor een beschrijving van het tweede kabinet-Lubbers zie: " Inleiding op de archieven van

    drs P.R.H.M. van der Linden".

    1.7.3. Kabinet-Lubbers III

    Voor een beschrijving van het derde kabinet-Lubbers zie: "Inleiding op de archieven van P. Dankert".

    1.7.4. Buitenlands beleid in het tijdperk Lubbers

    Het buitenlands beleid van minister Van den Broek was zeker in de eerste jaren na zijn aantreden een voortzetting van het Nederlandse beleid zoals dat al sinds de jaren zestig was geweest. (

    Hellema, Buitenlandse politiek, p. 319

    ) Tot aan het einde van zijn ministerschap bleef hij vasthouden aan een beleid dat voornamelijk was gericht op veiligheid, atlanticisme en steun aan de Verenigde Staten. (

    Hellema e.a., Ministers van Buitenlandse Zaken, p. 270-272

    )

    Deze kenmerken waren het sterkst zichtbaar in zijn houding tijdens de Koude Oorlog. Voorbeeld hiervan is het besluit tot de plaatsing van kruisraketten in Nederland. Tijdens de eerste termijn van Van den Broek als minister van Buitenlandse Zaken, was de relatie tussen de Verenigde Staten en de Sovjet Unie opnieuw verslechterd. De NAVO besloot daarop kruisraketten te plaatsen in Europa en het kabinet stemde ermee in om deze op Nederlandse bodem te laten plaatsen. Deze instemming had volgens de historicus Paul Rusman voor Van den Broek echter meer te maken met herstel van het Nederlandse aanzien binnen de NAVO dan binnenlands-politieke redenen. (

    Hellema e.a., Ministers van Buitenlandse Zaken, p. 271-272

    )

    Een terugkerend onderwerp tijdens het ministerschap van Van den Broek was Suriname. Naar aanleiding van de decembermoorden van 7 december 1982 in Suriname, legde hij een week later een verklaring af in de Tweede Kamer (

    http://www.parlement.com/9291000/biof/01997

    ) en in 1991 dreigde hij met het sturen van Nederlandse troepen om legerleider Desi Bouterse te dwingen de uitslagen van de verkiezingen in Suriname te accepteren. (

    Hellema e.a., Ministers van Buitenlandse Zaken, p. 273

    )

    Andere onderwerpen die een rol speelden in het buitenlands beleid van Van den Broek waren onder meer de Golfoorlog (waarbij Van den Broek een groot voorstander was van een aanzienlijke Nederlandse bijdrage), de Scud-aanval van Irak op Tel Aviv op 8 januari 1991 waarna Nederland Patriot-luchtafweerraketten aan Israël aanbood, de levering van onderzeeërs aan Taiwan en de gevolgen daarvan voor de betrekkingen tussen China en Nederland, de West-Duitse eenwordingspolitiek, het Nederlandse EG-voorzitterschap in 1991 en de "Zwarte Maandag" in Maastricht toen het Nederlandse voorstel voor een Europese Politieke Unie van de tafel werd geveegd (

    Zie ook: "Inleiding op de archieven van P. Dankert", onder de rubriek Europa

    ), de verbreking van de ontwikkelingsrelatie met Indonesië (

    Zie ook: "Inleiding op de archieven van prof. dr. J.P. Pronk", onder de rubriek Ontwikkelingssamenwerking

    )
    en het uitbreken van de oorlog in voormalig Joegoslavië waar Van den Broek op sterke wijze poogde tot bemiddeling. (

    Hellema e.a., Ministers van Buitenlandse Zaken, p. 273-278 en http://www.parlement.com/9291000/biof/01997

    )

    2. De Archieven

    De op het ministerie van Buitenlandse Zaken aanwezige archieven die betrekking hebben op de werkzaamheden van Hans van den Broek als kamerlid, staatssecretaris en minister zijn onder te verdelen in twee soorten. Enerzijds is er het zogeheten 'bewindsliedenarchief'. Dit bevat onder andere het persoonlijke archief van Van den Broek dat aan het departement is geschonken. Daarnaast beheert het ministerie zelf ook een archief, het zogeheten departementsarchief, waarin zich ook dossiers bevinden zijn die betrekking hebben op het werk van Van den Broek.

    2.1. Persoonlijk archief

    Het persoonlijke archief bestaat uit 370 inventarisnummers. Dit archief is op basis van verschillende politieke functies onderverdeeld in drie rubrieken: kamerlid (

    NA, Bewindsliedenarchief, 2.05.81, inv.nrs 42-68

    ), staatssecretaris (

    Ibidem, inv.nrs 69-73

    )
    en minister. (

    Ibidem, inv.nrs 74-362

    )
    Het wordt afgesloten met twee gedeponeerde archieven, te weten van de particulier secretaris en van het secretariaat van Van den Broek tijdens zijn ministerschap. (

    Ibidem, inv.nrs 363-371 en 372-413

    )

    2.2. Departementsarchief

    Het deel van het departementsarchief dat betrekking heeft op de periode dat Van den Broek minister was, is zeer omvangrijk. Het onderdeel dat betrekking heeft op zijn werkzaamheden als staatssecretaris ten tijde van het kabinet-Van Agt I en II bevat dossiers over afgelegde werkbezoeken en zijn benoeming tot staatssecretaris.

    De tien-jarenblokken van het departementsarchief over de werkzaamheden van minister Van den Broek tijdens het eerste, tweede en derde kabinet-Lubbers bevatten met name verslagleggingen van en werkdossiers ter voorbereiding op afgelegde bezoeken aan diverse landen. Daarnaast bevatten deze dossiers met betrekking tot de Europese Gemeenschap, het Benelux Comité van ministers, de voorbereiding en verslaglegging van gesprekken met buitenlandse collega's en Nederlandse organisaties, EG-ASEAN conferenties, brieven van en aan de minister, brieven van de journalist Willem Oltmans, letterlijke weergaven van speeches en toespraken, memoranda en zijn aanstelling tot en werkzaamheden als Speciaal Gezant van het Nederlands voorzitterschap voor de ASEM (Asia-Europe Meeting).

    Verder is er een dossier waarin zich de felicitaties en dankbetuigingen naar aanleiding van zijn aanstelling tot minister bevinden en zijn er dossiers die informatie bevatten over een landbouwproject in Indonesië, zijn benoeming tot lid en voorzitter van het bestuur van de Carnegie-Stichting, de levering van onderzeeboten aan Taiwan, de bilaterale besprekingen met Indonesië en de ambtsoverdracht en zijn afscheidsreceptie.

    Naast de hierboven genoemde persoonlijke- en departementsarchieven kan het mogelijk interessant zijn archieven op het ministerie te raadplegen die weliswaar niet direct verbonden zijn aan Van den Broek zelf, maar die wel gerelateerd zijn aan de verschillende onderwerpen waar hij in zijn ambtstermijnen mee te maken heeft gehad. Bijvoorbeeld de archieven van de:

    • Directie Westelijk Halfrond (DWH) met betrekking tot de Verenigde Staten, Suriname en de Nederlandse Antillen;
    • Directie Noord-Afrika en Midden-Oosten (DAM) betreffende de Golfoorlog en Israël;
    • Directie Zuidoost-Azië en Oceanië (DAO) omtrent de levering van onderzeeboten aan Taiwan en de betrekkingen met China;
    • DAO en DGIS (Directoraat-generaal Internationale Samenwerking) inzake de verbroken ontwikkelingsrelatie met Indonesië;
    • Directoraat-generaal Politieke Zaken (DGPZ) over de NAVO en de stationering van kruisraketten;
    • Directoraat-generaal Europese Samenwerking (DGES) met betrekking tot de Europese Gemeenschap;
    • Directie West- en Midden-Europa (DWM) over de Duitse eenwordingspolitiek en archieven van de Directie Zuidoost- en Oost-Europa inzake de oorlog in voormalig Joegoslavië.
    • Gegevens over het eerste en tweede kabinet-Van Agt en het eerste, tweede en derde kabinet-Lubbers zijn te vinden in het DGPZ-archief.
  • 1. Biografie 1.1. Loopbaan

    Pieter Dankert (8 januari 1934 - 21 juni 2003) studeerde tot 1953 politieke en sociale weten- schappen aan de Gemeentelijke Universiteit te Amsterdam en volgde daarna de onderwijzersopleiding te Leeuwarden en de M.O.-geschiedenis. Van 1960 tot 1963 was hij werkzaam als docent voor het V.H.M.O. te Gorinchem, terwijl hij van 1963 tot 1965 medewerker van het Koos Vorrinkinstituut was. (

    Het Koos Vorrinkinstituut was een instituut van de PvdA dat zich bezig hield met buitenlandse politiek.

    ) In 1965 werd hij benoemd tot directeur van dit instituut, een functie die hij tot 1971 bekleedde.

    Al sinds februari 1968 was Dankert namens de PvdA lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en hij bleef dit tot juni 1981. In 1979 nam hij voor tien jaar zitting in het Europees Parlement en was hier van 19 januari 1982 tot 24 juli 1984 voorzitter van.

    Op 7 november 1989 werd hij benoemd tot staatssecretaris van Buitenlandse Zaken in het derde kabinet-Lubbers (1989-1994). Hij bleef de gehele kabinetsperiode werkzaam als staatssecretaris. In juli 1994 keerde hij terug naar het Europees Parlement, waar hij lid van bleef tot juli 1999.

    Als bewindspersoon was hij belast met Europese Samenwerking. In 1992 heeft hij de Wet tot goedkeuring van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte tot stand gebracht. Hij had een aanzienlijk aandeel in de totstandkoming van het Verdrag van Schengen (

    Het Verdrag van Schengen is een overeenkomst tussen alle Europese lidstaten (met uitzondering van Ierland en het Verenigd Koninkrijk) en IJsland, Zwitserland en Noorwegen, welke vrij reizen tussen deze landen mogelijk maakt. Zie: NA, Bewindsliedenarchief, 2.05.81, inv.nrs 448-449

    ) en bracht samen met E.M.H. Hirsch Ballin in 1993 de Uitvoeringswet van dit Verdrag tot stand.

    1.2. Nevenfuncties

    Nevenfuncties van Dankert waren onder meer het voorzitterschap van de Nederlandse Politieke Jongerencontactraad van 1962 tot 1963, het lidmaatschap van de Raadgevende Vergadering van de Raad van Europa en de West Europese Unie van 1972 tot 1977, het voorzitterschap van de Staatscommissie voor Defensie van 1974 tot 1975, van het Nederlands Instituut voor Vredesvraagstukken van 1975 tot 1980, en van de Stichting Atlantische Commissie van 1987 tot 1989. Verder was hij van augustus tot november 1989 bijzonder hoogleraar Europese Studies aan de Universiteit van Amsterdam. In 2002 werd hij lid van de Commissie Europese Integratie Adviesraad Internationale Vraagstukken.

    Als gedelegeerde maakte hij van 1971 tot 1977 onder meer deel uit van de Politieke Commissie van het NAVO-Assembleé (algemeen rapporteur) en van 1973 tot 1979 van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (voorzitter).

    In het Europees Parlement was hij van 1978 tot 1979 algemeen rapporteur voor begrotingsvraagstukken. Van juli 1979 tot januari 1982 en van april 1984 tot november 1989 was hij ondervoorzitter van dit college. De maand daarop, december 1989, werd hij voorzitter van de sectie Euro-Arabische groep.

    1.3. Onderscheidingen

    Op 29 april 1988 werd Dankert benoemd tot Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau. Op 8 oktober 1994 werd hij benoemd tot Grootofficier in de Orde van Oranje-Nassau.

    1.4. Derde kabinet-Lubbers - Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

    In het derde kabinet-Lubbers (1989-1994) hadden het CDA en de PvdA zitting. De regeringsperiode stond in het teken van bezuinigingen en vernieuwingen in de sociale zekerheid. De grote toestroom van asielzoekers en groeiende mestproblematiek in de landbouw waren lastige onderwerpen voor het kabinet. Andere thema's uit de kabinetsperiode waren onder meer de Europese eenwording (het Verdrag van Maastricht in 1993), de privatisering van de Nederlandse Spoorwegen (1992) en de planning van de Betuwelijn (een spoorweg tussen Rotterdam en Duitsland). Over de gehele kabinetsperiode was er sprake van diverse grote gebeurtenissen op het wereldtoneel; in 1989 viel de Berlijnse Muur en daarmee vielen diverse communistische regimes. De instabiliteit die daar uit voortkwam had onder meer een oorlog in voormalig Joegoslavië tot gevolg. (

    NA, Bewindsliedenarchief, 2.05.81, inv.nr 451

    ) Daarnaast was er sprake van de Iraakse bezetting in Koeweit, hetgeen tot de eerste Golfoorlog leidde. (

    http://www.parlement.com/9291000/modules/g0ca7g20

    )

    1.5. Europa

    Staatssecretaris Dankert had Europese Samenwerking in de portefeuille en bereidde in 1992 samen met minister-president Lubbers en minister Van den Broek een voorstel voor een Europese Politieke Unie voor. Nederland stelde zich terughoudend op ten aanzien van de Europese Politieke Samenwerking en bleef ten tijde van het derde kabinet-Lubbers vastberaden in haar besluit dat een neutrale Europese Commissie de Nederlandse belangen het beste zou dienen. (

    Hellema, Buitenlandse politiek van Nederland, p. 309-10

    )

    In een artikel in de Internationale Spectator van februari 1991 schreef Dankert dat Nederland tijdens de Intergouvermentele Top in Maastricht een "democratiseringsboodschap" uit moest dragen. De inzet was het openhouden van de weg voor een "stapsgewijs federaal-communautair integratieproces." (

    Piet Dankert, 'Nederland en de Europese Politieke Unie: op weg naar een democratisch en federaal Europa', in: Internationale Spectator, XLV, nr.2 (februari 1991), p. 85

    ) Volgens Paul Rusman was het dan ook met name Dankert die de "gewraakte Nederlandse lijn, communautisering van het buitenlands en justitiebeleid, maar geen exclusief initiatiefrecht voor de Commissie en geen strakke afbakening van de communautaire en intergouvermentele besluitvorming, gevoegd bij de reductie van het 'democratisch tekort'", het sterkst had gesteund.

    Desondanks werd het voorstel voor een Europese Politieke Unie op 'Zwarte Maandag' 30 september 1991 tijdens de Europese Top in Maastricht afgewezen.

    2. De Archieven

    De op het ministerie van Buitenlandse Zaken aanwezige archieven die betrekking hebben op de werkzaamheden van Dankert zijn onder te verdelen in twee soorten. Enerzijds is er het zogeheten 'bewindsliedenarchief'. Dit omvat onder andere het persoonlijke archief van Dankert dat aan het departement is geschonken. Daarnaast is er het archief dat in beheer is van het ministerie zelf, het zogeheten departementsarchief, waarin ook dossiers te vinden zijn die betrekking hebben op het staatssecretariële werk van Dankert.

    2.1. Persoonlijk archief

    Het persoonlijke archief bestaat uit 38 inventarisnummers, dat vrijwel zijn gehele ambtsperiode beslaat. Van de hiervoor genoemde onderwerpen uit die tijd is relatief weinig bewaard.

    2.2. Departementsarchief

    Het deel van het departementsarchief dat betrekking heeft op Dankert bestaat uit zes dossiers.

    De eerste vier dossiers hebben betrekking op het door minister-president Lubbers en staatssecretaris Dankert afgelegde bezoek aan Singapore van 2 tot en met 4 april 1991. Hierin zijn het werkdossier en de verslaglegging te vinden. (

    Departementsarchief doa. 1988-1994 inv.nrs. 00302-00303, 00467, 00565

    ) Het vijfde dossier bevat de voorbereiding en de verslaglegging van het officiële bezoek van minister-president Lubbers en staatssecretaris Dankert aan Finland op 22 en 23 januari 1992. (

    Departementsarchief deu. Ara., inv.nr 03040

    )
    In het zesde en tevens laatste dossier bevinden zich de teksten van speeches uitgesproken door staatsecretaris Dankert.

    Het kan mogelijk interessant zijn departementale archieven te raadplegen die niet direct verbonden zijn aan zijn naam, maar wel aan de verschillende onderwerpen waar hij in zijn ambtstermijn mee te maken heeft gehad. (

    Deze archieven bevinden zich momenteel nog bij het ministerie van Buitenlandse Zaken (23 december 2004).

    ) Op deze wijze kan men wellicht meer inzicht krijgen in zijn werkzaamheden als staatssecretaris. Te denken valt bijvoorbeeld aan de archieven van:

    • DGES (Directoraat-generaal Europese Samenwerking) met betrekking tot Europese Samenwerking;
    • DAM (Directie Noord-Afrika en Midden-Oosten) en DWH (Directie Westelijk Halfrond) betreffende de Golfoorlog;
    • DZO (Directie Zuidoost- en Oost-Europa) inzake voormalig Joegoslavië;
    • DAO (Directie Azië en Oceanië) omtrent het bezoek aan Singapore.
    • Gegevens over het buitenlands beleid van het derde kabinet-Lubbers zijn te vinden in het archief van DGPZ (Directoraat-generaal Politieke Zaken).
  • 1. Biografie 1.1. Loopbaan

    Willem Frederik van Eekelen (5 februari 1931) (

    Zie uitgebreid over het leven van Van Eekelen zijn biografie, Sporen trekken door strategische jaren, Meppel, Uitgeverij Ten Brink, 2000

    )doorliep in zijn geboorteplaats Utrecht het Stedelijk Gymnasium waarna hij van 1949-1954 rechten studeerde aan de Rijksuniversiteit Utrecht, waarvan in de periode 1950-1952 politieke wetenschappen in Princeton (VS). In 1957 begon Van Eekelen als ambtenaar van de Buitenlandse Dienst zijn loopbaan bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Hij was achtereenvolgens van 1957-1960 ambassade-attaché te New-Delhi, tweede ambassadesecretaris te Londen van 1960-1964 en eerste ambassadesecretaris te Accra (Ghana) van 1964-1966. Vervolgens was Van Eekelen tot 1971 ambassaderaad van de Permanente vertegenwoordiging bij de NATO te Brussel. In de zomer van 1971 werd hij in het kader van de Europese Politieke Samenwerking benoemd tot correspondent Européen voor de Europese Politieke Samenwerking. In 1974 werd hij directeur Atlantische Samenwerking en Veiligheidszaken van het ministerie van Buitenlandse Zaken.

    In 1977 begon de politieke loopbaan van Van Eekelen, toen hij één van de twee staatssecretarissen van Defensie werd in het kabinet Van Agt I (CDA en VVD), dat tot 1981 aanbleef. Na een kort kamerlidmaatschap trad hij in 1982 (Lubbers I, CDA en VVD, 1982-1986) opnieuw aan als staatssecretaris, ditmaal op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Tijdens het tweede kabinet Lubbers (CDA en VVD, 1986-1989) was Van Eekelen minister van Defensie. In 1988 moest hij aftreden, toen zijn positie als gevolg van de 'paspoortaffaire' onhoudbaar was geworden. (

    Zie voor de paspoortaffaire verder de "Inleiding op de archieven van drs P.R.H.M. van der Linden", onder de rubriek Enquêtecommissie paspoort.

    ) Een jaar later volgde zijn benoeming tot secretaris-generaal van de West Europese Unie, een post die Van Eekelen tot 1994 zou bekleedden. Ten tijde van de paarse kabinetten Kok tenslotte, was hij lid van de Eerste Kamer (1995-2003).

    1.2. Onderscheidingen

    Op 30 april 1974 werd Van Eekelen benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. Op 26 oktober volgde zijn benoeming als Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Vervolgens werd hij nog op 21 december 1988 tot Grootofficier in de Orde van Oranje-Nassau benoemd en op 13 november tot Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

    1.3. Nevenfuncties

    Van Eekelen bekleedde in de loop van de jaren talrijke functies. Zo was hij onder meer Lid van het bestuur van de Vereniging Wilhelmina-kinderziekenhuis te Utrecht, voorzitter van de World Vererans Foundation, lid van de Raadgevende Vergadering Raad van Europa (1981-1982) en van de Noord-Atlantische Assemblée. Vanaf 2002 was hij plaatsvervangend rapporteur namens de Eerste Kamer in de Europese Conventie voor een nieuw Europees Verdrag. Daarnaast was hij bijvoorbeeld nog voorzitter van het Nationaal Fonds Sport Gehandicapten (vanaf 1995), van de Europese Beweging Nederland en van de Raad van Advies van het Jongeren Atlantisch Samenwerkingsorgaan (Jason).

    1.4. Kabinet-Lubbers I

    Zie hiervoor "De inleiding op de archieven van mr. H. van den Broek".

    1.5. Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

    Als staatssecretaris werd Van Eekelen belast met Europese Zaken. Ambtshalve had hij zitting in de begrotingsraad en in de milieuraad. Hij was voorzitter van de Coördinatiecommissie die de Nederlandse standpunten voor de vergaderingen van de Algemene Raad in Brussel voorbereidde. De resultaten daarvan werden door de ministerraad besproken. Tijdens zijn ambtsperiode kwam op 3 april 1984 het Verdrag tot oprichting van de Europese Unie tot stand. Andere successen uit die tijd waren het Verdrag van Schengen uit 1985 en de Europese Akte van 1986, waarbij Duitsland, Frankrijk, Nederland en België een vrij personenverkeer overeenkwamen. Omdat Van Eekelen een voorstander was van de plaatsing van kruisraketten vind men daarover ook interessante stukken in zijn persoonlijk archief. (

    Brieven van Heinsius van het International Institute for Strategic Studies te Londen over vermeende Sovjetdreiging van12 april en 21 mei 1984. Een brief van S.L. Mansholt van 18 april 1986 n.a.v. een artikel over een lezing van Van Eekelen voor het Interkerkelijk Comité Tweezijdige Ontwapening in: NRC-Handelsblad, 14 april 1986. Zie: NA, Bewindslieden, 2.05.81, inv.nrs 454, 456

    )

    2. De Archieven 2.1. Persoonlijk archief

    Het persoonlijk archief telt slechts vijf inventarisnummers over de gehele periode dat hij staatssecretaris was, 1982-1986. Het geeft ten aanzien van de hierboven genoemde verdragen meer een beeld van het werkterrein, de werkzaamheden en de werkwijze van de staatssecretaris dan dat er inhoudelijk veel informatie over is te vinden. Dit geldt niet voor de correspondentie van Van Eekelen met Nederlandse en buitenlandse ambassadeurs, waaruit zijn bemoeienis goed valt af te lezen. Zo blijkt bijvoorbeeld uit de voorbereidingen van een reis van Van Eekelen naar Australië en Nieuw-Zeeland in 1984 dat de ambassadeurs de gelegenheid te baat namen om de handelsbelangen van hun land te bepleiten. (

    NA, Bewindslieden, 2.05.81, inv.nr. 454

    ) De tekst die Van Eekelen aan het begin van zijn staatssecretarisschap in 1983 voor de Europese Beweging hield geeft ook een goede indruk van zijn visie op de situatie van dat moment. (

    W.F. van Eekelen, Perspectieven van de gemeenschap en ontplooiing van het Europese parlement. Een voordracht voor het hoofdbestuur van de Europese Beweging. Zie: NA, Bewindslieden, 2.08.51, inv.nr. 453

    )

    2.2. Departementsarchief

    De delen van het departementsarchief die betrekking hebben op Van Eekelen als staatssecretaris bestaan uit vijf dossiers. Deze handelen over de (vele) dienstreizen die Van Eekelen maakte. Hierin vind men achtergrondinformatie over landen en buitenlandse bewindslieden, verslagen van besprekingen tijdens deze bezoeken en reisdata. (

    Departementsarchief 912.12, Nederland/ Ministerie van Buitenlandse Zaken/ staatssecretaris dr. W.F. van Eekelen 1982-1985, inv.nrs 03691, 03798 en 02777.

    ) Daarnaast zijn er in het departementsarchief nog stukken te vinden die, onder andere, betrekking hebben op radio-interviews, waarvan één voor een Duitse zender, correspondentie met Nederlandse en buitenlandse ambassadeurs en voordrachten voor de Belgisch-Nederlandse Vereniging en de Europese Stedenbond. (

    Departementsarchief 911.23, 1975-1984 inv.nrs 05876 en 02706.

    )

  • 1. Biografie 1.1. Loopbaan

    Pieter Hendrik Kooijmans (geboren 6 juli 1933) studeerde Economie en Rechten aan de Vrije Universiteit te Amsterdam (

    Tenzij anders vermeld: http://www.parlement.com/9291000/bio/01745 (22 april 2004)

    ) Van 1960 tot 1962 was hij als wetenschappelijk medewerker verbonden aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en van 1962 tot 1965 bekleedde hij daar een speciale leerstoel in het Volkenrecht en het Recht van de Europese Gemeenschappen. Van 1965 tot 1973 was hij aan deze universiteit hoogleraar Volkenrecht, wat hij tot januari 1972 combineerde met het hoogleraarschap Recht der Europese Gemeenschappen.

    Professor Kooijmans (lid van de Anti Revolutionaire Partij) werd in 1973 benoemd tot staatssecretaris van Buitenlandse Zaken in het kabinet-den Uyl (1973-1977). Als bewindspersoon was hij in dit kabinet-den Uyl belast met aangelegenheden betreffende de VN en de VN-organisaties en ontwapeningsvraagstukken. In 1975 bracht hij samen met minister Van der Stoel de Nota 'Ontwapening en Veiligheid' uit en in 1975 was hij mede-indiener van de ontwerp-Sanctiewet. Bovendien speelde hij een rol bij het vaststellen van de landsgrenzen van Suriname ten tijde van de onderhandelingen over haar onafhankelijkheid.

    Daarna was hij van 1977 tot 1993 weer hoogleraar Volkenrecht, ditmaal verbonden aan de Universiteit Leiden.

    In januari 1993 (derde kabinet-Lubbers, 1989-1994) vertrok de minister van Buitenlandse Zaken H. van den Broek naar de Europese Commissie en volgde Kooijmans hem op. Tijdens deze kabinetsperiode bracht hij in 1993 (samen met minister J.P. Pronk voor Ontwikkelingssamenwerking) een beleidsnotitie uit over de rechten van de inheemse volken. In datzelfde jaar bracht hij tevens (samen met staatssecretaris Dankert) een wet tot stand ter Goedkeuring van Associatie-overeenkomsten tussen Hongarije, Tsjecho-Slowakije en Polen en de EG. Verder leverde hij een belangrijke bijdrage aan de Wereldconferentie over de Rechten van de Mens in 1993, verzette hij zich tegen het plan van Owen en Stoltenberg om Kroatië in gescheiden regio's voor moslims, Kroaten en Serviërs op te delen. Hij weigerde ook de Indonesische mensenrechtenactivist Poncke Princen, die tijdens de politionele acties de wapens had opgenomen tegen zijn eigen Nederlandse landgenoten, in dat zelfde jaar een inreisvisum te verlenen. Toen hij in april 1994 tijdens een bezoek aan Indonesië over de verbetering van de mensenrechten in dat land en in Oost-Timor sprak, had hij wel een onderhoud met hem. Kooijmans bleef minister tot augustus 1994, waarna hij tot 1997 als hoogleraar Volkenrecht terugkeerde naar de Universiteit Leiden. Deze functie legde hij in 1997 neer. Kooijmans was namelijk na zeer uitgebreide lobbyactiviteiten van Nederland op 6 november 1996 door de Algemene Vergadering en de Veiligheidsraad van de VN benoemd tot rechter van het Internationaal Gerechtshof. Op 6 februari 1997 trad hij aan in zijn nieuwe functie, die hij tot 2006 zou bekleden. (

    Hellema e.a., Ministers van Buitenlandse Zaken, p. 292

    )

    1.2. Nevenfuncties

    Oud-minister Kooijmans is sinds 1995 bestuursvoorzitter van de Carnegiestichting (waarvan hij tot 1993 bestuurslid was). (

    Departementsarchief 310 / vn / 1985-1994 / 07277 en Departementsarchief 310 / vn / 1985-1994 / 07532

    ) Sinds 1995 is hij voorzitter van de D.R.A. (Disaster Relief Agency), voorzitter van de stuurgroep jaarlijkse conferenties tussen Nederland en Duitsland en voorzitter van de Stichting voor het Nieuwe Zuid-Afrika. Sinds 1996 is hij lid van het Nationaal Comité Herdenking Vrede van Munster en sinds 1997 voorzitter van de Raad van Toezicht van de Rijksuniversiteit Leiden.

    Nevenfuncties in het verleden waren onder meer het voorzitterschap van de Adviescommissie inzake vraagstukken van ontwapening en internationale veiligheid en vrede, lidmaatschap van de Commissie Civiele en Militaire deskundigen inzake de Nederlandse defensie (commissie-Rijckevorsel), het lidmaatschap van de Adviescommissie inzake Volkenrechtelijke vraagstukken, het vice-voorzitterschap van het Nederlands Instituut voor Vredesvraagstukken, het lidmaatschap van de sectie internationale zaken van de Raad van Kerken in Nederland, van de Raad van Beheer Haagse Academie voor Internationaal Recht, het plaatsvervangend voorzitterschap van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken, het voorzitterschap van het College van Curatoren Institute of Social Studies en het lidmaatschap van de Commissie analyse asielprocedure en opvang asielzoekers (van 1990 tot 1992).

    1.3. Verenigde Naties

    Tijdens zijn loopbaan heeft Kooijmans in 1967 en van 1973 tot 1977 als lid van de Nederlandse delegatie aan de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (VN) deelgenomen. Tevens was hij van 1982 tot 1986 en in 1992 voorzitter van de Nederlandse delegatie naar de VN-Commissie voor de Rechten van de Mens. In de zittingsperiode 1984-1985 fungeerde Kooijmans als voorzitter van deze commissie en van 1985 tot 1992 was hij VN-Rapporteur inzake Martelingen. (

    Hellema e.a., Ministers van Buitenlandse Zaken, p. 284

    )

    1.4. Onderscheidingen

    Kooijmans heeft diverse onderscheidingen ontvangen. Op 11 april 1978 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en op 8 oktober 1994 volgde een benoeming tot Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau.

    De Bondsrepubliek Duitsland kende Kooijmans het Grootkruis van Verdienste toe, België het Grootkruis in de Kroonorde en Luxemburg het Grootkruis in de Orde van de Eikenkroon. (

    Departementsarchief dkp/de / onderscheidingen / coördinatie. 1993-1995, inv.nr 00821

    ) Zowel Italië als Senegal onderscheidden Kooijmans met het Grootkruis in de Orde van Verdienste. Zweden kende hem het Grootkruis in de Orde van de Poolster toe en Suriname onderscheidde Kooijmans met de Ere-orde van de Palm van Suriname. (

    Departementsarchief 262.1 / 1975-1984 / inv.nr. 1809

    )

    1.5. Kabinet-den Uyl

    Het kabinet-den Uyl (1973-1977) was een links en vooruitstrevend kabinet. Het bestond uit 10 progressieve ministers en slechts 6 confessionele. Max Van der Stoel werd benoemd tot minister van Buitenlandse Zaken en werd hierin ondersteund door twee staatssecretarissen:

    L.J. Brinkhorst (belast met Europese Integratie) en P.H. Kooijmans (belast met onder meer Ontwapeningsvraagstukken). Hoewel afkomstig van verschillende partijen, verliep de samenwerking tussen de drie bewindslieden voorspoedig. (

    Hellema e.a., Ministers van Buitenlandse Zaken, p. 247

    )

    Het kabinet wilde een rechtvaardige verdeling van kennis, inkomen en macht in Nederland, een doelstelling die op de gunstige conjuncturele ontwikkelingen van de voorliggende jaren was gebaseerd. (

    Maarten van Rossem, Ed Jonker en Luuc Kooijmans, Een tevreden natie. Nederland van 1945 tot nu (Baarn, Uitgeverij Tirion, 1993), p. 158

    ) Naast de algemene doelstelling formuleerde de regering kort na aantreden ook een verklaring ten aanzien van het te voeren buitenlands beleid. Hierin werd onder meer kenbaar gemaakt dat zij de nieuwe 'Test Ban Treaty' betreffende kernproeven zouden steunen, dat zij zich zou keren tegen een Europese kernmacht, zij zouden een studie laten uitvoeren naar de rol van kernwapens, er zou een rem komen op de groei van de Defensiebegroting, zij zou een strikter embargobeleid voeren tegen Zuid-Afrika, de hulp aan de Derde Wereldlanden zou worden verbeterd en uitgebreid en zij zouden zich actief (blijven) inzetten voor het Plan-Werner. (

    Plan-Werner: de ontwikkeling van een Europese economische en monetaire unie.

    )
    De verklaring toonde geen ingrijpende wijziging met de buitenlandse politiek in de voorafgaande jaren en sloot volgens Hellema aan bij het tot dan toe gevoerde buitenlands beleid van Nederland. (

    Hellema, Buitenlandse politiek, p. 257

    )

    Het kabinet-den Uyl zou haar politieke agenda echter uiteindelijk moeten aanpassen. De belangrijkste oorzaak hiervoor was een olie-embargo; Arabische staten hadden besloten de olieleveranties aan Nederland stop te zetten om zo hun onvrede over de pro-Israëlische houding van Nederland tijdens de Oktober-oorlog te uiten. (

    Ibidem, p. 258

    ) Andere factoren die bijdroegen aan wijziging van het voorgenomen Nederlands buitenlands beleid waren de moord op president Allende van Chili, een zeer snelle stijging van de schulden van Derde Wereldlanden en een stagnerende Europese integratie. (

    Ibidem

    )

    Nederland was actief betrokken bij de uitbreiding van het nucleaire non-proliferatieverdrag, de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE) en de onderhandelingen over de 'Mutual and Balanced Force Reductions' in Europa. (

    Hellema e.a., Ministers van Buitenlandse Zaken, p. 248

    ) Deze Nederlandse afkeer van Europese kernmachten was volgens Hellema passend binnen de Atlantisch georiënteerde Nederlandse veiligheidsproblematiek. (

    Hellema, Buitenlandse politiek, p. 258

    )
    Verdere bijzonderheden op het terrein van het Nederlandse buitenlandse betrekkingen in het kabinet-den Uyl (1973-1977) waren de onafhankelijkheid van Suriname in 1975, de mogelijke levering van reactorvaten aan Zuid-Afrika in 1976 en de bezetting van de Franse ambassade in Den Haag door Japanse terroristen. (

    http://www.parlement.com/9291000/modules/g0cck0t3

    )

    1.6. Derde kabinet-Lubbers

    Voor een beschrijving van het derde kabinet-Lubbers zie:"Inleiding op de archieven van P. Dankert", Derde kabinet-Lubbers.

    In het derde kabinet-Lubbers (1989-1994) hadden het CDA en de PvdA zitting. De regeringsperiode stond in het teken van bezuinigingen en vernieuwingen in de sociale zekerheid. Van 1989 tot begin 1993 was Van den Broek minister van Buitenlandse Zaken. Na zijn vertrek naar de Europese Commissie werd hij opgevolgd door Kooijmans. Kooijmans restte dus slechts een korte periode als minister tot de volgende verkiezingen in 1994.

    In deze periode wist hij al snel zijn stempel te drukken op het Nederlands buitenlands beleid. Slechts drie dagen na zijn aantreden als minister verzocht hij zijn collega van Justitie E.M.H. Hirsch Ballin zijn bezoek aan Israël uit te stellen omdat hij het niet eens was met de deportatie van 415 Palestijnen door Israël. (

    Bram van Ojik, 'Wat wil hij, wat moet hij, wat kan hij?', in: Onze Wereld jaargang 36 nummer 3 (maart 1993), p. 6

    ) Vier dagen daarna werd hem op het Binnenhof door achthonderd vrouwen een petitie aangeboden waarin hem als minister werd verzocht maatregelen te nemen tegen de stelselmatige verkrachting van vrouwen in Bosnië. (

    Ojik, 'Wat wil hij?', p. 6

    )
    De in ontvangst name van de petitie door Kooijmans zelf en zijn herhaalde pleidooien voor een krachtiger toezicht op de naleving van de 'no-fly zone' boven Bosnië, waren typerend voor zijn persoonlijke betrokkenheid bij de situatie in het voormalige Joegoslavië. (

    Hellema e.a., Ministers van Buitenlandse Zaken, p. 285-286

    )

    Al tijdens zijn termijn als staatssecretaris was hij nauw betrokken bij de ontwikkelingen in Suriname. Als minister zette hij dit voort; in 1993 sprak hij tijdens zijn werkbezoek uitvoerig met de Surinaamse regering over de politieke en economische situatie aldaar. Tevens zegde hij tijdens deze reis toe dat de democratisch gekozen regering-Venetiaan op militaire steun van Nederland kon rekenen indien de instandhouding van de regering in gevaar was. (

    Ibidem, p. 286

    )

    Belangrijkste kenmerk van zijn ministerschap bleef echter de mensenrechten. De oud-hoogleraar had als VN-rapporteur regelmatig kritiek geuit op het mensenrechtenbeleid van verschillende landen, maar zag dit nooit als handicap voor zijn ministerschap. Voorbeelden hiervan zijn relatie met China en Indonesië. In het jaarverslag van de VN van 1989 werd China met betrekking tot martelingen expliciet door Kooijmans vermeld en in 1992 schreef hij in zijn jaarverslag dat martelen in Indonesië een routinezaak was. (

    Petra de Koning, 'Kan hij functioneren met zoveel vijanden?', in: Wordt Vervolgd, nummer 5 (mei 1993), p. 14

    ) Hoewel beide landen destijds zeer verontwaardigd reageerden, wist Kooijmans als minister normale betrekkingen met de landen te onderhouden en was hij welkom voor officiële werkbezoeken (waarin hij de nadruk legde op de universele rechten van de mens). (

    Hellema e.a., Ministers van Buitenlandse Zaken, p. 287

    )
    Ook schreef hij als minister, samen met zijn collega J.P. Pronk van Ontwikkelingssamenwerking, diverse beleidsnotities die betrekking hadden op de rechten van de mens; in maart 1993 verscheen de beleidsnotitie "Inheemse Volken" en in november van datzelfde jaar "Humanitaire hulp tussen conflict en Ontwikkeling". (

    Adviescommissie Mensenrechten Buitenlands Beleid Inheemse Volken (Den Haag: Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1993) en P.H. Kooijmans en J.P. Pronk Humanitaire hulp tussen conflict en ontwikkeling (Den Haag: Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1993)

    )

    Tijdens zijn kortstondige ministerschap maakte hij zich sterk voor een grotere rol van de VN, met name waar het de handhaving van internationale vrede en veiligheid en een uitbreiding van de financiële middelen betrof. Op 29 en 30 september 1993 hield hij een rede voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in New York.

    Na de val van de Berlijnse Muur diende het Westen volgens hem "een maximale inspanning te getroosten om de hervormingen in Midden- en Oost-Europa te ondersteunen". Hij was van mening dat het Westen deze taak enkel aan kon met behulp van de verschillende multilaterale instellingen zoals de NAVO. (

    P.H. Kooijmans, 'Nederlands Buitenlands Beleid: mogelijkheden en beperkingen in een veranderende omgeving', in: Jason Magazine jaargang 19 nummer 2 (mei 1994), p. 3

    ) Over de hernieuwde rol van de NAVO in het nieuwe Europa diende Kooijmans samen met collega A.L. ter Beek van Defensie een adviesvraag in bij de Adviesraad voor Vrede en Veiligheid (AVV). (

    Hellema e.a., Ministers van Buitenlandse Zaken, p. 290

    )
    Naast de adviesaanvraag over de NAVO legden zij de AVV tevens een adviesaanvraag voor over de positie van Duitsland in de nieuwe Europese politieke omstandigheden. (

    Ibidem

    )

    De betrekkingen tussen Nederland en Duitsland waren voor Kooijmans belangrijk. Omdat uit onderzoek was gebleken dat veel jongeren een negatief beeld hadden over Duitsland, legde hij veel nadruk op verbetering van de bilaterale betrekkingen. Hij besloot daarop samen met zijn Duitse collega van Buitenlandse Zaken Klaus Kinkel (die zich eveneens zorgen maakte over de uitkomsten van het onderzoek) een jaarlijkse Nederlands-Duitse conferentie te organiseren. (

    Ibidem.

    ) De eerste van deze conferenties vond in 1996 plaats en staat sindsdien bekend als het Kooijmans-Kinkel initiatief.

    Tenslotte heeft minister Kooijmans zich, naast zijn inspanningen voor een verbeterde relatie met Duitsland, ook ingezet voor een versterking van de betrekkingen met België. De eensgezindheid over de inrichting van Europa, de historische verbondenheid en het delen van de taal waren voor Kooijmans belangrijke uitgangspunten om de betrekkingen met de Zuiderburen verder te intensiveren om zo de mogelijkheden voor samenwerking op diverse beleidstreinen verder uit te breiden.

    2. De Archieven

    De op het ministerie van Buitenlandse Zaken aanwezige archieven die betrekking hebben op de werkzaamheden van Kooijmans zijn onder te verdelen in twee soorten. Enerzijds is er het zogeheten 'bewindsliedenarchief'. Dit bevat onder andere het persoonlijk archief van Kooijmans dat door hem is geschonken aan het departement. Daarnaast is er het archief dat in beheer is van het ministerie zelf, het zogeheten departementsarchief, waarin ook dossiers te vinden zijn die betrekking hebben op het werk van Kooijmans.

    2.1. Persoonlijk archief

    Het persoonlijke archief bestaat uit 45 inventarisnummers. De eerste drie hiervan bevatten memoranda van Kooijmans uit zijn periode als staatssecretaris. (

    NA, Bewindsliedenarchief, 2.05.81, inv.nrs. 457-459

    ) De overige 42 inventarisnummers zijn allen afkomstig uit de periode 1993-1994 als minister. (

    Ibidem, inv.nrs. 460-501

    )

    2.2. Departementsarchief

    Het deel van het departementsarchief dat betrekking heeft op de periode van Kooijmans als staatsecretaris en minister is zeer omvangrijk. Het is gegroepeerd in drie categorieën: staatssecretaris, minister en overig.

    De archieven op het departement die betrekking hebben op zijn werkzaamheden als staatssecretaris, bevatten voorbereidingen op en verslagen van door Kooijmans afgelegde werkbezoeken, memoranda, telexen, correspondenties, onderscheidingen, zijn CV (bijgewerkt tot 1977) en het proces-verbaal van zijn ontslag als staatssecretaris.

    De departementsarchieven over de werkzaamheden van minister Kooijmans bevatten inwerkdossiers over verschillende landen en onderwerpen, werkmappen en verslagleggingen van bezoeken van buitenlandse bewindslieden aan Kooijmans, dossiers inzake overleg met Vaste Kamercommissies voor Buitenlandse Zaken en Defensie, een archief over de uitreiking van de Four Freedoms Award aan de Dalai Lama, informatie met betrekking tot de kwestie J.C. Princen, de verslaglegging van een overleg met de VNO, letterlijke weergaven van toespraken, een dossier over de beveiliging van minister Kooijmans, verslagen van overleg met verschillende mensenrechtencommissies, een dossier van de door minister Kooijmans gegeven nieuwjaarsreceptie ten behoeve van het corps diplomatique en het corps consulair en werkmappen, verslagleggingen, voorbereidingen en persoverzichten met betrekking tot afgelegde werkbezoeken, dienstreizen en officiële bezoeken aan de VN en diverse landen.

    In de overige door Kooijmans opgemaakte archivalia, die aanwezig zijn op het departement, bevinden zich dossiers met betrekking tot de Carnegiestichting, zijn kandidatuur voor het Internationaal Gerechtshof in Den Haag, het Kinkel-Kooijmans initiatief, buitenlandse onderscheidingen en zijn deelname aan het Telders Pleit Concours.

    Om meer inzicht te krijgen in zijn werkzaamheden als staatssecretaris en minister, kan het mogelijk interessant zijn archieven op het ministerie te raadplegen die niet direct verbonden zijn aan zijn naam, maar die wel gerelateerd zijn aan de verschillende onderwerpen waar hij in zijn ambtstermijnen mee te maken heeft gehad. Te denken valt bijvoorbeeld aan archieven van de:

    • Directie Verenigde Naties en Internationale Financiële Instellingen (DVF) betreffende de Verenigde Naties en het International Gerechtshof;
    • Directie Westelijk Halfrond (DWH) inzake Suriname;
    • Directie Mensenrechten en Vredesopbouw (DMV) met betrekking tot mensenrechten; Directie Zuid-Oost en Oost-Europa (DZO) omtrent Kroatië, Servië en Bosnië;
    • Directie Veiligheidsbeleid (DVB) over Ontwapeningsvraagstukken en over de NAVO;
    • Directie West en Midden Europa (DWM) over Duitsland, België en de Wet Goedkeuring van Associatie-overeenkomsten tussen Hongarije, Tsjecho-Slowakije en Polen en de EG.
    • Gegevens over het buitenlands beleid van het kabinet-den Uyl en het derde kabinet-Lubbers zijn te vinden in het DGPZ-archief (Directoraat-generaal Politieke Zaken).

    De beleidsnotities 'Inheemse Volken' en 'Humanitaire hulp tussen conflict en ontwikkeling' alsmede de letterlijke weergaven van de redevoeringen "België en Nederland: méér dan goede buren" en "Nederland en Vlaanderen: nieuwe verhoudingen en mogelijkheden voor samenwerking" zijn ter inzage in de bibliotheek van het departement.

  • 1. Biografie 1.1. Loopbaan

    P.H.R.M. (René) van der Linden (14 december 1943) studeerde tot 1970 internationaal bestuurswetenschappelijke economie aan de Katholieke Economische Hogeschool te Tilburg. Onderdeel van zijn studie was een stage bij de Europese Commissie te Brussel. Zijn interesse in de Europese Unie (EU) begon al op jonge leeftijd: op de middelbare school was hij lid van de Europese Beweging, een Nederlands platform om van gedachten te wisselen en te debatteren over Europese integratie. (

    http://www.parlement.com/9291000/bio/01899

    )

    Tijdens zijn studie was hij in 1969 part-time leraar economie. Na zijn afstuderen werd hij ambtenaar bij de Directie Internationale Economische Aangelegenheden van het ministerie van Landbouw en Visserij (1971-1973). Van 1973 tot 1976 was hij werkzaam als staflid in het kabinet van E.G.-Commissaris ir. P.J. Lardinois en aansluitend van 1976 tot 1977 in het kabinet van zijn opvolger, ir. H. Vredeling, beiden te Brussel. (

    http://www.grondweteuropa.nl/9326000/1f/j9vvgjnazrhmix9/vg09lli3tmzd

    )

    Van juni 1977 tot juli 1986 nam hij namens de KVP c.q. het CDA zitting in de Tweede Kamer der Staten-Generaal. In juli 1986 werd hij in het tweede kabinet-Lubbers (1986-1989) benoemd tot staatssecretaris van Buitenlandse Zaken. Als staatssecretaris was hij belast met Europese samenwerking en integratie en bracht hij in deze functie in 1986 de Wet tot Goedkeuring van de Europese Akte tot stand. (

    De Europese Akte is een in december 1985 overeengekomen aanpassing op het Verdrag van Rome en heeft betrekking op de besluitvorming binnen de Europese Gemeenschap (EG), de inrichting van de interne markt, het monetaire beleid van de EG en de Europese Politieke Samenwerking.

    ) In september 1988 trad hij af naar aanleiding van de paspoortaffaire, waarover hierna meer. In november keerde hij terug naar de Tweede Kamer en bleef hij hiervan lid tot juni 1998. Sinds 8 juni 1998 nam hij zitting in de Eerste Kamer der Staten-Generaal. (

    http://www.parlement.com/9291000/bio/01899

    )

    1.2. Nevenfuncties

    Nevenfuncties van oud-staatssecretaris Van der Linden waren onder meer het lidmaatschap van het NOVIB-bestuur, van het Europahuis-bestuur te Bemelen en van de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad (van 1977 tot 1986). (

    http://www.grondweteuropa.nl/9326000/1f/j9vvgjnazrhmix9/vg09lli3tmzd

    )

    Sinds maart 2002 is Van der Linden namens de Eerste Kamer afgevaardigde in de Conventie over de Toekomst van de Europese Unie. (

    http://www.cda.nl/domains/cda/content/downloads/1ekamer/cv/vanderLinden.pdf

    ) Daarnaast bestaan zijn huidige nevenfuncties onder andere uit het lidmaatschap van de Raadgevende Vergadering van de Raad van Europa en de West-Europese Unie, (wederom) van de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad, van het bestuur van Kerk en Nood, en van het algemeen bestuur van VNO/NCW (sinds 2000) (

    De Nederlandse Ondernemersorganisatie die zowel nationaal als internationaal gemeenschappelijk belangen van het Nederlandse bedrijfsleven behartigt.

    )
    , alsmede het voorzitterschap van de Stuurgroep Nederland-België. (

    http://www.parlement.com/9291000/bio/01899

    )

    Als gedelegeerde maakte hij deel uit van de volgende commissies van de Tweede Kamer: van april 1982 tot juli 1986 van de bijzondere commissie voor de Perspectievennota Zuid-Limburg (voorzitter), van november 1989 tot mei 1994 van de vaste commissie voor Europese Zaken (ondervoorzitter) en van december 1996 tot mei 1998 van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken (ondervoorzitter).

    Sinds Van der Lindens benoeming in de Eerste Kamer in 1998 is hij daar woordvoerder Landbouw van de vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (sinds juli 2003 de vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit), terwijl hij op 1 juli 2003 voorzitter van de vaste commissie voor Europese Samenwerkingsorganisaties werd. (

    http://www.eerstekamer.nl/9324000/1f/j9vvgh5ihkk7kof/vghkhnm2n4v7

    )

    1.3. Onderscheidingen

    Op 21 december 1988 werd Van der Linden benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Op 18 mei 1998 volgde een benoeming tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Op 3 september 2007 werd hij benoemd tot Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau. Tevens ontving hij twee buitenlandse onderscheidingen: het Grosses Deutsches Verdienstkreuz, terwijl hij op 20 oktober 2003 werd benoemd tot Ridder in de Orde van Sint Gregorius. Deze laatste onderscheiding is de hoogste kerkelijke onderscheiding die aan leken kan worden gegeven.

    1.4. Tweede kabinet-Lubbers - staatssecretaris Van der Linden

    In het tweede kabinet-Lubbers (1986-1989) hadden het CDA en de VVD zitting. Het terugdringen van de werkloosheid en de bestrijding van fraude en het onjuist gebruik van sociale uitkeringen waren de belangrijkste punten op de agenda. (

    Houwaart, Van Drees tot Kok, p. 170-171

    ) Andere beleidsbeslissingen van het kabinet Lubbers-II waren de privatisering van de PTT, de herziening van het belastingstelsel, het verschijnen van de VINEX (Vierde Nota Extra) over de ruimtelijke ordening, het eerste Nationale Milieu Plan en de totstandkoming van de Wet op Studiefinaciering. (

    http://www.parlement.com/9291000/modulesf/g0caq30l

    )

    1.5. Buitenlandse politiek

    Op 30 juli 1986 las minister-president Lubbers de regeringsverklaring voor. Hij sprak met betrekking tot de ontwikkelingen op het wereldtoneel over de slechte naleving van de mensenrechten in sommige delen van de wereld en over de 'diepe zorgen' die Nederland had omtrent de toestand waarin Zuid-Afrika verkeerde. Daarnaast verwoordde hij het streven van het kabinet om de bondgenootschappen met onder meer de NAVO en de EEG te versterken. (

    Houwaart, Van Drees tot Kok, p. 172

    )

    In de regeringsverklaring stond tevens dat het kabinet omtrent de Europese eenwording een meer dynamische Europese economie nastreefde, maar ook een Europa dat oog had voor humanitaire zaken zoals het bewaren van de vrede tussen Oost en West en de Derde Wereld-problematiek serieus nam door kansen op vooruitgang te creëren. (

    Ibidem, p. 172-173

    )

    Drie jaar na het aantreden van het tweede kabinet-Lubbers werd ook de hulp aan Suriname opnieuw gestart. Deze was na de decembermoorden van 1982 stopgezet, maar werd in 1989

    -weliswaar op bescheidener schaal- hervat. (

    Hellema, Buitenlandse politiek van Nederland, p. 312

    )

    1.6. Enquêtecommissie paspoort

    In het eerste kabinet-Lubbers (1982-1986) was reeds door oud-staatssecretaris van Buitenlandse Zaken Van Eekelen gewerkt aan de invoering van een nieuw fraudebestendig en Europees paspoort. Deze taak werd in het tweede kabinet-Lubbers door staatssecretaris Van der Linden overgenomen.

    Kodak, drukkerij Elba en Philips sloten voor de gelegenheid een samenwerkingsverband door het bedrijf KEP op te richten. KEP sloot op haar beurt een contract met de Nederlandse Staat om het nieuwe paspoort te leveren. In april 1988 bleek echter dat KEP niet in staat was de aangegane verplichting na te komen. (

    Tenzij anders vermeld: http://www.parlement.com/9291000/modulesf/g8pdhdiw

    )

    Naar aanleiding van de motie-Alders (PvdA) werd een parlementaire enquête gestart om te onderzoeken hoe de afspraak tussen de Nederlandse Staat en KEP tot het fiasco had kunnen leiden. Belangrijkste vragen waren hoe de kostprijs van het nieuwe paspoort en de samenwerkingsovereenkomst tussen de Nederlandse Staat en KEP tot stand was gekomen.

    Conclusie van de enquêtecommissie was dat er rond de ontwikkeling van het nieuwe paspoort met name veel gebreken waren geweest in het besluitvormingsproces. Daarnaast zou er te weinig toezicht zijn geweest op de voortgangscontrole. (

    Tenzij anders vermeld: http://www.parlement.com/9291000/modulesf/g8pdhdiw

    )De uitkomst van het onderzoek leidde ertoe dat minister van Defensie Van Eekelen (de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken in het eerste kabinet-Lubbers (1982-1986)) en staatssecretaris Van der Linden aftraden.

    2. De Archieven

    De op het ministerie van Buitenlandse Zaken aanwezige archieven die betrekking hebben op de werkzaamheden van Van der Linden zijn onder te verdelen in twee soorten. Enerzijds is er het zogeheten 'bewindsliedenarchief'. Dit omvat het persoonlijke werkarchief van Van der Linden. Daarnaast is er het archief dat in beheer is van het ministerie zelf, het zogeheten 'departementsarchief', waarin ook dossiers te vinden zijn die betrekking hebben op het staatssecretariële werk van Van der Linden.

    2.1. Persoonlijk archief

    Het persoonlijke archief bestaat uit drie inventarisnummers. Hierin bevinden zich onder andere stukken omtrent de paspoortaffaire. (

    NA, Bewindsliedenarchief, 2.05.81, inv.nrs 502-504.

    )

    2.2. Departementsarchief

    Het deel van het departementsarchief dat betrekking heeft op Van der Linden bestaat uit zes dossiers. Het eerste dossier heeft betrekking op een bezoek van de staatssecretaris aan Philips op 24 juni 1987. (

    Departementsarchief code 9. 1985-1989, inv.nr 02705

    ) Het tweede tot en met het vijfde bevatten de werkdossiers van Van der Linden voor zijn buitenlandse bezoeken als staatssecretaris naar Brussel en Luxemburg op 6 oktober 1986, Bonn op 10 oktober 1986, Kopenhagen op 11 maart 1987 en Griekenland van 1 en 2 juni 1987. (

    Departementsarchief code 9. 1985-1989, inv.nrs 02776, 02773, 02775, 02774

    )
    Het laatste dossier van het departementsarchief dat betrekking heeft op Van der Linden bevat algemene stukken over zijn reizen als staatssecretaris. (

    Departementsarchief code 9. 1985-1989, inv.nr 02866

    )

    Mogelijk kan het interessant zijn om op het ministerie archieven te raadplegen die niet direct verbonden zijn aan zijn naam, maar wel verwant zijn aan de verschillende onderwerpen waar Van der Linden in zijn ambtstermijn mee te maken heeft gehad. Op deze wijze kan men wellicht meer inzicht krijgen in zijn werkzaamheden als staatssecretaris. Bijvoorbeeld de archieven van:

    • DGES (Directoraat-generaal Europese Samenwerking) met betrekking tot Europese Samenwerking;
    • DWM (Directie West- en Midden-Europa) betreffende de voornoemde werkbezoeken aan België, Luxemburg, Denemarken, Duitsland en Griekenland.
    • Gegevens over het buitenlands beleid van het tweede kabinet-Lubbers zijn te vinden in het archief van het Directoraat-generaal Politieke Zaken (DGPZ).
  • 1. Biografie 1.1. Loopbaan

    Na zijn middelbare school te hebben afgerond, vertrok Durk Frederik van der Mei (13 oktober 1924) in 1945 voor een militaire opleiding naar Groot-Brittannië. Zijn dienstjaren (tot september 1949) bracht hij voornamelijk door in Indonesië bij de 7 december-divisie. (

    Zie bijgevoegd CV in: Departementsarchief 911.23 Nederland/ Ministerie van Buitenlandse Zaken/ staatssecretaris drs. D. F. van der Mei. 1978-1980, inv.nr 000641

    ) Na zijn terugkeer in Nederland studeerde hij tot 1956 Economie aan de Gemeentelijke Universiteit te Amsterdam. Van 1956 tot 1977 was hij lid van de Tweede Kamer voor de Christelijk-Historische Unie (CHU). In deze functie begon hij als woordvoerder voor financieel-economische zaken. Later verschoven zijn bezigheden als Tweede Kamerlid zich ook naar het terrein van buitenlandse zaken.

    In 1976 werd hij lid van het Europees Parlement. Deze functie legde hij in 1977 neer omdat hij in het eerste kabinet-van Agt (1977-1981) werd benoemd tot staatssecretaris van Buitenlandse Zaken. Als bewindspersoon was hij belast met Europese Samenwerking (

    Het Directoraat-generaal Europese Samenwerking (DGES) ontwikkelt en coördineert het Nederlandse beleid met betrekking tot Europa en de Europese Unie (EU). DGES is verantwoordelijk voor de relatie tussen Nederland en afzonderlijke (kandidaat)lidstaten van de EU. Ook zorgt DGES voor een samenhangend Nederlands EU-beleid op het gebied van bijvoorbeeld transport, milieu en (inter)regionale organisaties, zoals de Raad van Europa, de OESO en de Benelux. DGES stemt met de andere ministeries op ambtelijk niveau de Nederlandse inbreng in het Europese besluitvormingsproces af. Door deze coördinerende rol is DGES een belangrijke schakel tussen de andere ministeries en de permanente vertegenwoordiging (PV) in Brussel. Bron: http://www.minbuza.nl/organisatie/organisatiestructuur/directoraten-generaal

    ). In 1980 heeft hij medegewerkt aan de totstandkoming en verdediging van de Wet inzake Goedkeuring van het Verdrag over toetreding van Griekenland tot de EEG en Euratom en tevens in datzelfde jaar aan de Wet Goedkeuring Overeenkomst van Lomé tussen een groot aantal landen in Afrika, het Caraïbisch gebied en de Stille Oceaan (de ACS-landen) en de EEG.

    Na zijn termijn als staatssecretaris was hij van 1981 tot 1984 weer Tweede-Kamerlid, ditmaal voor het Christen-Democratisch Appèl (de fusiepartij waarin het CHU in 1980 samen met de ARP en de KVP was opgegaan). Hij beëindigde zijn loopbaan bij de (voorlopige) Raad voor Vastgoedinformatie, waar hij in de periode van 1984 tot 1992 lid en voorzitter van was.

    1.2. Nevenfuncties

    Als nevenfunctie had hij onder meer het lidmaatschap van de Raadgevende Vergadering van de Raad van Europa en West-Europese Unie, de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad, de Nederlandse delegatie van de Interparlementaire Unie, het Economisch en Sociaal Comité van de EEG, en de Nationale Adviesraad Ontwikkelingssamenwerking. Bovendien was hij als staatssecretaris voorzitter van de coördinatiecommissie voor Europese Integratie- en Associatieproblemen, een adviesorgaan van de ministerraad. Als zodanig maakte hij deel uit van de Raad voor Europese Zaken.

    De Tweede-Kamercommissies waar hij onder meer deel van uitmaakte, waren van 1963 tot 1977 van de vaste commissie voor Handelspolitiek (voorzitter) en van 1971 tot 1973 van de vaste commissie voor Economische Zaken (ondervoorzitter). Daarnaast was hij van 1972 tot 1977 (plaatsvervangend) lid van het Presidium van de Tweede Kamer. (

    http://www.parlement.com/9291000/bio/00898 (13 april 2004)

    )

    Van 1987 tot 1989 was Van der Mei vertrouwensman van 'Oud-militairen Indiëgangers' bij het ministerie van Defensie en heeft in die functie een rapport geschreven voor het ministerie van Defensie. (

    Zie bijgevoegd CV in: Departementsarchief 911.23 Nederland/ Ministerie van Buitenlandse Zaken/ staatssecretaris drs. D. F. van der Mei. 1978-1980, inv.nr 000641

    ) Sinds 1990 is hij adviseur van het Veteranenplatform.

    1.3. Onderscheidingen

    Tijdens zijn loopbaan ontving Van der Mei diverse onderscheidingen. Op 29 april 1968 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en op 26 oktober 1981 tot Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau. De president van de Verenigde Republiek Kameroen onderscheidde hem in 1979 met het Grootlint in de Orde van Verdienste van Kameroen. In 1980 werd hij door de Koning der Belgen onderscheiden met het Grootkruis in de Orde van Leopold II. (

    Code 262.1 Mei van der D. F. 1978-1980, inv.nr 005360

    )

    Hem werd het Ereteken voor Orde en Vrede met de jaargesp 1946, 1947, 1948 en 1949 toegekend. In 1989 ontving hij van de minister van Defensie, ter gelegenheid van de afronding van de opdracht als Vertrouwensman Oud-Militairen Indiëgangers, het Ereteken voor Verdiensten, in zilver. In 1994 werd hem nog vanwege het ministerie van Defensie het Draaginsigne Gewonden toegekend. (

    Zie bijgevoegd CV in: Departementsarchief 911.23 Nederland/ Ministerie van Buitenlandse Zaken/ staatssecretaris drs. D. F. van der Mei. 1978-1980, inv.nr. 000641

    )

    1.4. Het eerste Kabinet-van Agt

    Het kabinet-van Agt I (1977-1981) was in 1977 de eerste van een reeks van coalities die werden gevormd door de VVD en het CDA die (met uitzondering van 1981 en 1982) tot 1989 zouden blijven regeren. Het aantreden van het eerste kabinet-van Agt was het begin van een periode die zich kenmerkte door bezuinigingen en liberalisering. (

    Hellema, Buitenlandse politiek van Nederland, p. 290

    ) De toenemende werkloosheid en het stijgend begrotingstekort brachten het kabinet regelmatig in de problemen. De regering had slechts een kleine meerderheid en kon doorgaans op veel kritiek van de felle oppositie (met name de PvdA) rekenen. (

    http://www.parlement.com/9291000/modules/g0cc3to1

    )

    1.5. Buitenlands beleid

    Het eerste probleem dat zich voordeed voor het kabinet-van Agt I volgde direct na aantreden. Dit was naar aanleiding van de ambivalente houding die het kabinet aannam ten aanzien van het besluit van de NAVO om de Neutronenbom (een bom die door middel van neutronenstraling alle leven doodt, terwijl de materiële schade beperkt blijft) te plaatsen en de beslissing van de Verenigde Staten deze te produceren. (

    Hellema, Buitenlandse politiek van Nederland, p 292

    ) Hierna volgden meerdere omstreden onderwerpen die in het buitenlands beleid van het kabinet-van Agt I een rol speelden. Zo nam Nederland in 1978 deel aan het WK-voetbal in Argentinië, werden de Olympische Spelen van 1980 in Moskou door Nederland geboycot, rees de vraag of Nederland moest deelnemen aan een olieboycot tegen Zuid-Afrika, besloot de regering een exportvergunning af te geven voor levering van twee onderzeeërs aan Taiwan (in reactie waarop door China de betrekkingen met Nederland werden teruggebracht tot het niveau van zaakgelastigde) en werd er door de opwerkingsfabriek URENCO in Almelo verrijkt uranium geleverd aan Brazilië. (

    http://www.parlement.com/9291000/modules/g0cc3to1

    )
    Met name de laatste twee kwesties brachten minister Ch.A. van der Klaauw ernstig in de problemen. Een deel van deze problemen werden volgens Hellema veroorzaakt door het "specifieke economische belang" dat het kabinet-van Agt in sommige situaties liet prevaleren boven doelstellingen op lange termijn. (

    Hellema, Buitenlandse politiek van Nederland, p 315

    )

    Een belangrijk terugkerend thema in het buitenlandse beleid van dit kabinet (en ook in de archieven van Van der Mei) was het CVSE-Verdrag (Conferentie van Veiligheid en Samenwerking in Europa). Nederland greep het verdrag aan om nadruk te kunnen leggen op een verbetering van het mensenrechtenbeleid in sommige van de lidstaten. Deze tactiek was al door Nederland aangekondigd ten tijde van de ondertekening van het verdrag in Helsinki (1975), maar werd pas effectief ten uitvoer gebracht tijdens de vervolgconferenties in Belgrado (oktober 1977 tot maart 1978) en in Madrid (november 1980 tot najaar 1983). (

    Ibidem, p. 300

    ) In het Europese integratiebeleid speelde de mensenrechten ook een belangrijke rol, bijvoorbeeld bij de totstandkoming van het Lomé-II Verdrag, waarbij Nederland tevergeefs probeerde een bepaling met betrekking tot de mensenrechten te doen opnemen. (

    Bijdrage van Durk van der Mei in: Charlotte Dijkstra ed., 'Een leven voor Europa. Liber amicorum Max Kohnstamm' (Den Haag, Europese Beweging Nederland en ministerie van Buitenlandse Zaken, 2004), p. 144-148; m.n. 145-146.

    )

    1.6. Europa

    Het eerste kabinet-van Agt legde de nadruk op de oorspronkelijke verdragsinstellingen en er werd groot belang gehecht aan de rol van de Europese Commissie en het Europees Parlement. De regering hield aan het standpunt vast dat ze met betrekking tot de Europese Politieke Samenwerking op geen enkele wijze de bevoegdheden van de NAVO mocht beperken. (

    Hellema, Buitenlandse politiek van Nederland, p. 305

    ) Met uitzondering van de Europese Politieke Samenwerking, was het de taak van staatssecretaris Van der Mei met Europese Samenwerking in de portefeuille, dit Nederlandse Europese beleid mede vorm te geven, te verdedigen en uit te dragen.

    2. De Archieven

    De op het Ministerie van Buitenlandse Zaken aanwezige archieven die betrekking hebben op de werkzaamheden van oud-staatssecretaris Van der Mei, vallen uitsluitend binnen de periode 1977-1981 en zijn onder te verdelen in twee soorten. Enerzijds is er het zogeheten 'bewindsliedenarchief'. Dit bevat onder andere het persoonlijk archief van Van der Mei dat door hem is geschonken aan het Departement. Daarnaast is er het archief dat in beheer is van het Ministerie zelf, het zogeheten departementsarchief, waarin ook dossiers te vinden zijn die betrekking hebben op het staatssecretariële werk van Van der Mei.

    2.1. Persoonlijk archief

    Het persoonlijke archief van Van der Mei bestaat uit zeventien inventarisnummers. Het grootste deel daarvan heeft betrekking op de periode dat hij staatssecretaris was. (

    NA, Bewindsliedenarchief, inv.nrs 505-519

    ) Daarnaast zijn er nog twee pakken bewaard gebleven uit de periode dat hij daarna Kamerlid van het CDA was. (

    Ibidem, inv.nrs 520-521

    )

    2.2. Departementsarchief

    Het deel van het departementsarchief dat betrekking heeft op Van der Mei valt uiteen in drie delen. (

    In 2004 was het departementsarchief nog niet overgedragen aan het Nationaal Archief.

    ) Het eerste bevat correspondentie met betrekking tot de buitenlandse onderscheidingen die van der Mei heeft ontvangen. In het tweede deel bevinden zich brieven van het corps diplomatique (geaccrediteerd in Den Haag) met betrekking tot de ontvangen kennisgeving van de benoeming van Van der Mei als staatssecretaris van Buitenlandse Zaken. (

    Corps diplomatique (geaccrediteerd in Den Haag): de gezamenlijke gezanten, attachés enz. van vreemde staten die officieel erkend zijn door de Nederlandse staat en in die functie de belangen van hun staat behartigen in Den Haag.

    )
    Tevens is hierin de destijds aan alle Nederlandse posten in het buitenland verzonden CV van Van der Mei te vinden, alsmede de benoemingsakte tot staatssecretaris door Koningin Juliana, een korte correspondentie tussen Boutros Boutros Ghali en Van der Mei over zijn benoeming, een telex van Mostafo Tolba (United Nations Environment Programme) en een bericht aan de Nederlandse ambassade in Londen over een bezoek van Van der Mei. (

    Departementsarchief 911.23 Nederland/ Ministerie van Buitenlandse Zaken/ staatssecretaris drs. D. F. van der Mei. 1978-1980, inv.nr 000641

    )
    Het derde deel is gewijd aan de reizen van Van der Mei. Het bevat achtergrondinformatie over landen ter voorbereiding op zijn werkbezoeken, samenvattingen van besprekingen met buitenlandse bewindslieden en verslagen van en voorbereidingen op vergaderingen in het buitenland (met name over de EEG). (

    Departementsarchief 911.23 Nederland/ Ministerie van Buitenlandse Zaken/ staatssecretaris drs. D. F. van der Mei. 1978-1981, inv.nr 001228

    )

    Om meer inzicht te krijgen in zijn werkzaamheden als staatsecretaris kan het mogelijk interessant zijn archieven op het Ministerie te raadplegen die niet direct verbonden zijn aan zijn naam, maar wel aan de verschillende onderwerpen waar hij in zijn ambtstermijn mee te maken heeft gehad. Te denken valt bijvoorbeeld aan de archieven:

    • DGES (Directoraat-Generaal Europese Samenwerking) met betrekking tot Europese Samenwerking;
    • DAF (Directie Sub-Sahara Afrika) betreffende de olieboycot van Zuid Afrika;
    • DWH (Directie Westelijk Halfrond) inzake Brazilië;
    • DVB (Directie Veiligheidsbeleid) over de CVSE en
    • DMV (Mensenrechten en Vredesopbouw) omtrent het toenmalige Nederlandse mensenrechtenbeleid (De archieven met betrekking tot de NAVO vallen eveneens onder DVB).
    • Gegevens over het buitenlands beleid van het eerste kabinet-van Agt zijn te vinden in het archief van DGPZ (Directoraat-generaal Politieke Zaken).
  • 1. Biografie 1.1. Loopbaan

    Michiel Patijn werd op 19 augustus 1942 geboren te Den Haag. Hij stamt uit een familie van politici, topambtenaren en bestuurders. Zijn overgrootvader, mr. J.A.N. Patijn, was onder meer burgemeester van Leeuwarden en Den Haag en sloot zijn ambtelijke loopbaan af als minister van Buitenlandse Zaken (1937-1939). Zijn grootvader, mr. R.J.H. Patijn, was thesaurier-generaal op het ministerie van Financiën en secretaris-generaal op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Zijn vader, C.L. Patijn, was Tweede Kamerlid en van 1950-1956 directeur internationale organisaties van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Zijn broer S. Patijn, die zijn loopbaan bij het ministerie van Buitenlandse Zaken was begonnen als directeur internationale organisaties (1962-1967), had later ook zitting in de Tweede Kamer (1973-1984) en was in de jaren zeventig lid van het Europees Parlement (1973-1979). Daarna was deze achtereenvolgens Commissaris van de Koningin in Zuid-Holland (1984-1994) en burgemeester van Amsterdam (1994-2001). (

    D. Hooghiemstra, H. Nijenhuis, De Patijns zijn waar de voorzittershamer ligt (Dossier over de Europese Top in Amsterdam, NRC Webpagina's 16 juni 1997) www.nrc.nl/W2/Lab/Eurotop/160697bin1.html Zie ook: www.parlement.com/9291000/bio/01965

    )

    Na het behalen van zijn gymnasium-b diploma aan het Haags Montessori Lyceum, studeerde Michiel Patijn rechten aan de Rijksuniversiteit Utrecht. In 1968, twee jaar na het beëindigen van zijn studie, trad hij in de voetsporen van zijn overgrootvader, grootvader en vader door bij het ministerie van Buitenlandse Zaken te gaan werken. Hij werd ambtenaar en later plaatsvervangend hoofd bij het Bureau Beleidsvoorbereiding Ontwikkelingssamenwerking. In 1974 reisde hij af naar de Verenigde Staten om daar als eerste handelssecretaris te fungeren op de ambassade in Washington D.C.

    Vier jaar later keerde hij terug naar Den Haag, waar hij begon aan zijn carrière bij het ministerie van Economische Zaken. Van 1978 tot 1981 was hij plaatsvervangend directeur bij de directie Economische Samenwerking met Ontwikkelingslanden. Vervolgens werd hij plaatsvervangend directeur van de Directie Bilaterale Zaken. In 1985 werd hij directeur van deze directie. Na drie jaar kreeg hij de positie van directeur van Europese Zaken toebedeeld. In 1988 veranderde Patijn van koers: hij werd secretaris-generaal van het ministerie van Defensie.

    Nadat VVD-leider F. Bolkestein hem gevraagd had, werd Patijn op 22 augustus 1994 staatssecretaris van Buitenlandse Zaken. (

    Hooghiemstra, Nijenhuis, De Patijns (Dossier over de Europese Top in Amsterdam, NRC Webpagina's 16 juni 1997) www.nrc.nl/W2/Lab/Eurotop/160697bin1.html

    ) Gedurende zijn ambtsperiode was hij belast met zowel Europese als culturele samenwerking. Patijn speelde een belangrijke rol bij de voorbereidingen van de Europese Top in Amsterdam. In het vervolg van deze inleiding zullen zowel het beleid van het eerste Paarse kabinet als de portefeuille van Patijn uiteengezet worden.

    Na vier jaar verliet Patijn het ministerie van Buitenlandse Zaken om in de Tweede Kamer voor zijn partij, de VVD, zitting te nemen. Als parlementariër hield hij zich bezig met zaken die aansloten bij zijn vorige functie: Europese zaken en justitie. Patijn was voorzitter van de algemene commissie voor Europese Zaken. In november 1997 diende de oppositie een motie van afkeuring in tegen hem en staatssecretaris mevr. E.M.A. Schmitz van Justitie vanwege het onjuist en onvolledig informeren van de Kamer over de monitoring van teruggezonden Iraanse vluchtelingen. Ondanks de motie behield Patijn toch zijn functie. (

    www.parlement.com/9291000/bio/01965 (25 juni 2004) Zie ook: NA, Bewindslieden, 2.05.81, inv.nr 538, Rapport over de monitoring van teruggekeerde uitgeprocedeerde Iraanse asielzoekers, geschreven op verzoek van de Tweede Kamer door de Directie Personenverkeer, Migratie en Consulaire Zaken . Het rapport zet het volgende uiteen: de algemene uitgangspunten van het monitoringsbeleid; de monitoringsactiviteiten van 1996 in Iran; de vraag in hoeverre de kamer hierover geïnformeerd is en hoe invulling gegeven dient te worden aan de motie ter zake van 27 juni 1997.

    ) In 2001 besloot het Kabinet hem voor te dragen als permanent vertegenwoordiger van Nederland bij de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), een functie die hij sinds 1 april 2001 in Brussel bekleedt. (

    Ministerie van Defensie, Michiel Patijn voorgedragen als permanent vertegenwoordiger bij de NAVO (Nieuwsberichten, 26 januari 2001) www.mindef.nl/nieuws/nieuwsberichten/patijn_260101.htm Zie ook: www.parlement.com/9291000/bio/01965

    )

    1.2. Het eerste Kabinet Kok: 1994 - 1998: Paars I

    Binnenlands beleid

    Voor een beschrijving van het eerste kabinet-Kok zie: "Inleiding op de archieven van prof. J.P. Pronk".

    1.3. Buitenlands beleid algemeen

    Een opvallend aspect, dat door sommigen als een hoogtepunt wordt beschouwd uit de periode dat Paars I Nederland regeerde, was de verbetering van de relatie met Indonesië. (

    S. Rozenmond, 'Paars pragmatisme en het buitenland' in: Internationale Spectator (Instituut Clingendael, juli-aug 1998 - LII - 7/8), p. 353

    ) In 1995 bracht Koningin Beatrix een bezoek aan de voormalige kolonie. In december van datzelfde jaar besloot minister H.A.F.M.O. van Mierlo om mensenrechtenactivist Poncke Princen een visum voor Nederland te verlenen. (

    Duco Hellema, Neutraliteit en vrijhandel: De geschiedenis van de Nederlandse buitenlandse betrekkingen (Utrecht, Het Spectrum, 2001) p. 380-381.

    )
    Maar het buitenlands beleid in deze periode werd vooral beheerst door twee belangrijke kwesties; de Nederlandse deelname aan een vredesmissie van de Verenigde Naties in Srebrenica en de Europese Top in Amsterdam in 1997. (

    In het vervolg van deze inleiding zal dieper op de Europese Top worden ingegaan. Het wordt echter niet als gepast beschouwd om de kwestie Srebrenica hier te behandelen. Dhr. M. Patijn heeft zich in de periode dat hij staatssecretaris was niet direct met Srebrenica beziggehouden. Bovendien is de kwestie te complex om deze in een paar zinnen correct uiteen te zetten. Zie daarom voor een gedetailleerde achtergrond onder andere het rapport op de website van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD): Srebrenica: Een 'veilig' gebied: Reconstructie, Achtergronden en Analyses van de val van een Safe Area www.srebrenica.nl (28 juni 2004)

    )
    Hiernaast werd tijdens Paars I het ministerie onder de noemer 'herijking' aan een grondige reorganisatie onderworpen. Hierbij werd een poging ondernomen om het Nederlandse buitenlandse beleid van koers te doen veranderen en de aandacht op Europa te richten.

    1.4. De portefeuille van Patijn: culturele samenwerking en Europese integratie

    Naast culturele samenwerking maakte Europese integratie deel uit van de portefeuille van de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken. Het Nederlandse voorzitterschap mocht niet worden onderschat, zo schreef Patijn in de Internationale Spectator. (

    62 M. Patijn, 'De Europese politieke agenda en het Nederlands voorzitterschap' in: Internationale Spectator , 1e jaargang nr 12 (december 1996), p. 563

    ) Het voorzitterschap van de EU en de voorbereidingen op de Europese Top van Amsterdam in 1997 drukten een stempel op het Nederlandse buitenlandse beleid. Tijdens de Top zou de lopende Intergouvernementele Conferentie (IGC) afgerond worden in het Verdrag van Amsterdam. Het belangrijkste doel van de IGC en het Verdrag was om de instituties van de EU zodanig aan te passen dat een Europa met meer dan vijftien leden ook bestuurbaar zou blijven. (

    Hellema, Neutraliteit en vrijhandel, p. 361

    )
    Tijdens zijn ambtsperiode heeft Patijn een grote bijdrage geleverd aan de voorbereidingen van deze Top. Voordat de Europese Top plaatsvond, bracht een andere ontwikkeling grote veranderingen teweeg binnen het ministerie van Buitenlandse Zaken zelf: de reorganisatie van het ministerie van Buitenlandse Zaken.

    1.5. Herijking

    Formeel was deze Herijking het gevolg van de veranderingen op internationaal politiek niveau en de toenemende verwevenheid van internationale vraagstukken. (

    BZnet Factsheets: De herrijking van het buitenlands beleid (Ministerie van Buitenlandse Zaken, Intranet, Februari 2000), p. 1

    ) Nederland diende beter op deze veranderingen in te spelen, zo formuleerde men het doel van de reorganisatie. Het was echter duidelijk dat de zogeheten Herijking eigenlijk voortkwam uit problemen over de organisatie en financiering van ontwikkelingssamenwerking tijdens de formatie van het kabinet. (

    Speech van Minister van Buitenlandse Zaken H.A.F.M.O van Mierlo, Bruggen naar Europa en de wereld p. 4, Zie ook: Hellema, Neutraliteit en vrijhandel, p. 359, en: Rozenmond, 'Paars pragmatisme en het buitenland' in: Internationale Spectator, p. 353

    )
    Een volledige reorganisatie van het ministerie van Buitenlandse Zaken moest bruggen slaan tussen verschillende departementen en binnen de ministerraad, activiteiten op politiek niveau bundelen en financiële instrumenten beter op elkaar afstemmen. (

    Speech van Minister van Buitenlandse Zaken H.A.F.M.O van Mierlo, Bruggen naar Europa en de wereld: Het buitenlands beleid van Paars I en II (20 april 1998, Leiden) p. 4. Bznet Factsheets: Historisch Overzicht Buitenlandse Zaken (Ministerie van Buitenlandse Zaken, Intranet, Februari 2004) 28 juni 2004

    )
    De Herijking gaf het ministerie voor Ontwikkelingssamenwerking, dat toen onder leiding stond van de initiatiefrijke minister J.P. Pronk, een grotere rol.

    Naast de formele reorganisatie van het ministerie, werd ook het Nederlandse buitenlands beleid aan een herziening onderworpen. In een rapport concludeerde de Wetenschappelijke Raad Regeringsbeleid dat de grondslagen van het traditionele atlanticisme waren weggevallen. Nu het belang van de NAVO afnam, had Nederland belang bij een sterke Europese Unie (EU). (

    Hellema, Neutraliteit en vrijhandel, p. 360

    ) Er was een heroriëntatie in Europese richting nodig. De relaties met Duitsland en de Benelux zouden worden aangehaald en er zou gewerkt worden aan een verbetering van de relatie met Frankrijk. De opvolger van Van Mierlo, J. van Aartsen, zette de Europeanisering van het buitenlands beleid echter niet door. (

    Ibidem, p. 388

    )

    1.6. Het Verdrag van Amsterdam

    De voorbereidingen van de regering op de Europese Top werden gedurende twee jaar geleid door het ministerie van Buitenlandse Zaken. Patijn beschouwde de IGC in eerste instantie vooral als een 'springplank' voor de uitbreiding van de Europese Unie. (

    K. Corver, M. van den Toorn, 'IGC is springplank voor uitbreiding Europese Unie', in: Maatschappijbalansen (januari/februari 1997), p. 3

    ) De herinnering aan de 'Zwarte Maandag' tijdens het Nederlandse voorzitterschap in 1991, waarbij een Nederlands voorstel voor een ontwerpverdrag voor de institutionele organisatie van de EU werd verworpen, maakte dat de Nederlandse regering er nu alles aan deed om het Verdrag te doen slagen. (

    Hellema, Neutraliteit en vrijhandel, p. 361-362

    )
    Sommigen verweten de regering zelfs dat het de totstandkoming van het Verdrag belangrijker leek te vinden dan de inhoud. (

    P.G.C. van Schie, 'Bedekte bevlogenheid en brede belangenbehartiging: vier jaar paars Europa-beleid', in: Internationale Spectator, Jaargang 52, nr 7-8 (juli-aug 1998), p. 359

    )

    Het Verdrag van Amsterdam werd op 2 oktober 1997 door de politieke leiders van de Europese Unie ondertekend en trad op 1 mei 1999 officieel in werking. In het verslag van de Directie Integratie Europa over het voorzitterschap van de EU werd geschreven dat Nederland op een drietal terreinen een aantal taken met succes volbracht had. (

    NA, Bewindsliedenarchief, 2.05.81, inv.nr: 532. Verslag van het Nederlands voorzitterschap, opgesteld door de Directie Integratie Europa, gericht aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (11 juli 1997), p. 1

    ) Er werd geconstateerd dat het nieuwe verdrag in hoofdlijnen beantwoordde aan de doelstellingen die de Raad had geformuleerd. Bovendien was er wat betreft de Europese Monetaire Unie (EMU) grote vooruitgang geboekt. Tot slot concludeerde men dat er tijdens de IGC degelijk voorwerk voor de toekomstige uitbreiding van de Unie was geleverd. Zoals verwacht bleven belangrijke organisatorische kwesties dus onopgelost. Maar het Verdrag was in ieder geval 'vanuit bescheiden optiek' een succes. (

    Hellema, Neutraliteit en vrijhandel, p. 362

    )
    Het was een uitbreiding van het Verdrag van Maastricht en versterkte elk van de drie pijlers die het beleid van de Europese Unie ondersteunen. (

    De drie pijlers: de eerste, communautaire Economische pijler; de tweede, intergouvernementele pijler betreffende gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid; en de derde, tevens intergouvernementele pijler waaronder justitie valt. Zie: Amsterdam: De vier doelstellingen van het Verdrag van Europa, op: Eenheid en verscheidenheid: De portaalsite van de Europese Unie, www.europa.eu.int/en/agenda/igc-home/intro/intro/nl.htm (23 juni 2003)

    )
    De mogelijkheden voor institutionele hervormingen en uitbreiding werden opengelaten.

    Met de ondertekening van het Verdrag stelde de lidstaten zichzelf vier doelen. Ten eerste zou de EU meer inbreng krijgen wat betreft de versterking en bescherming van de rechten, belangen en werkgelegenheid van de burger. Hiertoe zou een burgerschap van de Unie ingesteld worden. (

    Amsterdam: De vier doelstellingen van het Verdrag van Europa. www.europa.eu.int/en/agenda/igc-home/intro/intro/nl.htm Zie ook: De Europasite, www.europasite.net/1980tot1998.htm

    ) Ten tweede moest Europa in de toekomst een grotere rol op het wereldtoneel spelen. De deur werd geopend voor samenwerking met de West Europese Unie (WEU), een organisatie die zich bezighield met defensie. Zo werden de eerste voorzichtige stappen gezet in de richting van een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Met het oog op de uitbreiding, werd ten derde afgesproken om het institutionele bestel van de EU flexibeler en doeltreffender te maken. (

    Datzelfde jaar bracht de Europese Commissie een rapport uit (Agenda 2000) waarin een strategie voor de uitbreiding onder het Verdrag van Amsterdam uiteengezet werd. Het rapport stelde dat de Unie eerst grondige hervormingen moest ondergaan, voordat er meer landen toe zouden treden. Er moesten maatregelen genomen worden om economische groei, competitiveit en werkgelegenheid te stimuleren. Ook moesten er op structureel en agrarisch gebied hervormingen doorgevoerd worden. Tot slot zou er volgens de Commissie een Europees financieel netwerk opgezet moeten worden.

    )

    Tot slot werd afgesproken dat de laatste belemmeringen voor het vrije verkeer opgeheven zouden worden. Met uitzondering van de grenzen van Engeland, Ierland en Denemarken, zouden de grenzen in de rest van Europa geopend worden voor handel en verkeer. In verband hiermee werd tijdens de IGC in Amsterdam besloten dat de implementatie van de EMU doorgezet zou worden: er kwam een gemeenschappelijke munt. Daarmee ging een oude Nederlandse wens in vervulling. (

    Hellema, Neutraliteit en vrijhandel p. 362

    )

    2. De Archieven

    Het archief van M. Patijn bestaat uit 95 inventarisnummers. Het bevat uitsluitend dossiers uit de periode tussen 1994 en 1998, de tijd dat hij staatssecretaris van Buitenlandse Zaken was. De inhoud van het archief is op onderwerp ingedeeld. Verder is er nog een omslag bewaard gebleven van zijn particulier secretaris P. Noordermeer. (

    NA, Bewindsliedenarchief, 2.05.81, inv.nrs. 522-617

    )

  • 1. Biografie 1.1. Loopbaan

    Johannes Pieter Pronk (16 maart 1940) studeerde tot 1964 economische wetenschappen aan de Nederlandse Economische Hogeschool te Rotterdam (huidige Erasmus Universiteit). Van 1965 tot 1971 was hij werkzaam als wetenschappelijk medewerker van het Centrum voor Ontwikkelingsprogrammering aan de Nederlandse Economische Hogeschool en wetenschappelijk medewerker aan het Nederlands Economisch Instituut Rotterdam. (

    Margriet Brandsma & Pieter Klein, 'Jan Pronk. Rebel met een missie' (Utrecht, Uitgeverij Scheffers, 1996) p. 201

    )

    Van mei 1971 tot mei 1973 was Pronk namens de PvdA lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Tevens was hij van maart tot mei 1973 lid van het Europees Parlement. In mei 1973 werd hij benoemd tot minister voor Ontwikkelingssamenwerking in het kabinet-Den Uyl (1973-1977). Hierna keerde hij op 8 juni 1977 terug naar de Tweede Kamer en bleef aan als kamerlid tot augustus 1980.

    Van 1980 tot 1985 was hij adjunct-secretaris-generaal van de UNCTAD (United Nations Conference on Trade and Development) en van 1985 tot 1986 assistent-secretaris-generaal van de Verenigde Naties. Hierna keerde hij op 3 juni 1986 weer terug naar de Tweede Kamer. Hij verruilde zijn kamerlidmaatschap in november 1989 voor een tweede termijn als minister voor Ontwikkelingssamenwerking, ditmaal in het derde kabinet-Lubbers (1989-1994) en aansluitend, in augustus 1994, werd hij voor een derde maal benoemd tot minister voor Ontwikkelingssamenwerking in het eerste kabinet-Kok (1994-1998). Van augustus 1998 tot juli 2002 was hij in het tweede kabinet-Kok minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

    Sinds oktober 1991 was Pronk speciaal VN-gezant voor duurzame ontwikkeling en adviseur van VN-secretaris-generaal Kofi Annan. In januari 2003 werd hij, nadat hij in oktober 2002 al een eredoctoraat van het Institute of Social Studies te 's-Gravenhage had ontvangen, tot hoogleraar theorie en praktijk van internationale ontwikkeling van dit instituut benoemd. Verder was hij vanaf juli 2004 tot juni 2007 speciaal VN-gezant voor de Darfur-regio in Sudan. (

    www.parlement.com/9291000/bio/01735

    )

    1.2. Nevenfuncties

    Nevenfuncties van Pronk waren in het verleden onder meer het lidmaatschap van diverse commissies binnen de Wereldraad van Kerken, van de International Commission for the Study of Communication Problems van de UNESCO, van de Steering Committee International Foundation for Development Alternatives, van de Independant Commission on International Development Issues (Commissie-Brandt) (hiervan ook penningmeester). Van 1979 tot 1981 was Pronk buitengewoon hoogleraar internationale ontwikkeling aan het Institute of Social Studies, waar hij - zoals hierboven werd vermeld - sinds 2003 hoogleraar werd. Daarvoor was hij in 1989 nog hoogleraar op de Joop den Uyl-leerstoel aan Universiteit van Amsterdam. Verder kan nog worden genoemd Pronks lidmaatschap van het hoofdbestuur van de Nederlandse Vereniging voor de Verenigde Naties. Ten slotte maakte hij van september 1987 tot november 1989 als gedelegeerde deel uit van de vaste commissie voor Economische Zaken van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (voorzitter). (

    Ibidem

    )

    1.3. Onderscheidingen

    Pronk heeft tijdens zijn loopbaan diverse onderscheidingen ontvangen. Op 14 september 1977 benoemde de president van de Republiek Suriname hem tot Drager Grootlint in de Ere-orde van de Palm van Suriname. Op 28 oktober 1976 werd hij door de koning van Zweden benoemd tot Ridder Grootkruis in de Koninklijke Orde van de Poolster. (

    Departementsarchief code 2 / 1975-1984 / inv.nr. 2016

    ) Op 11 april 1978 werd hij Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en op 10 december volgde zijn benoeming tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau.

    2. Minister voor Ontwikkelingssamenwerking 2.1. Kabinet- den Uyl

    Voor een beschrijving van het kabinet-den Uyl zie: "Inleiding op de archieven van prof. P.H. Kooijmans", Kabinet-Den Uyl.

    2.2. Derde kabinet-Lubbers

    Voor een beschrijving van het derde kabinet-Lubbers zie: "Inleiding op de archieven van P. Dankert", Derde kabinet-Lubbers.

    2.3. Eerste kabinet-Kok

    In het eerste kabinet-Kok (1994-1998) hadden de PvdA, de VVD en D66 zitting en daarmee was het voor het eerst sinds 1918 dat er een kabinet was geformeerd zonder een confessionele partij. Gezien de grote sociale veranderingen in de samenleving, was het thema van dit kabinet 'continuïteit, saamhorigheid en solidariteit'. Eén van die grote sociale veranderingen was de toenemende vergrijzing in Nederland en daarom waren voldoende ouderenvoorzieningen en zekerheid van financiering op de lange termijn van de Algemene Ouderdomswet belangrijke aandachtspunten van dit kabinet. (

    Houwaart,Van Drees tot Kok, p. 187

    )

    Een ander belangrijk aandachtspunt was de toelating en integratie van asielzoekers. Dit onderwerp werd gekoppeld aan een ander thema van het kabinet: werk. Volgens minister-president W. Kok was vertegenwoordiging van asielzoekers op de arbeidersmarkt een snelle manier om zo goed mogelijk te integreren in de Nederlandse samenleving. Tevens gaf hij hiermee het belang van werk aan voor alle autochtonen. Net als in het derde kabinet-Lubbers (1989-1994) stond het verder terugdringen van de werkeloosheid hoog op de agenda. (

    Ibidem

    )

    Het creëren van nieuwe banen bleek een makkelijke opgave voor het kabinet-Kok omdat Nederland een grote economische groei in deze kabinetsperiode kende. Dit zorgde niet alleen voor nieuwe banen, maar ook voor een vermindering van lasten voor bedrijven en burgers. De economische groei bracht ook de investering in grote infrastructurele projecten zoals de Hoge Snelheids Lijn (HSL), de Betuwelijn en de uitbreiding van Schiphol met zich mee. (

    www.parlement.com/9291000/modules/fzyd78dr

    )

    In het buitenlands beleid zou volgens Kok een "herrijking" plaatsvinden. De positie van Nederland op het internationale toneel zou, zo bleek tijdens de regeringsverklaring, in een nieuw perspectief moeten worden gebracht. Weliswaar zou er niks veranderen aan de Nederlandse bijdrage aan internationale instanties en samenwerkingsverbanden (Nederland nam deel aan VN-missies in onder meer Angola en voormalig Joegoslavië (

    www.parlement.com/9291000/modules/fzyd78dr

    )), maar de prioriteiten van het Nederlands buitenlands beleid zouden volgens het kabinet opnieuw moeten worden vastgesteld. (

    Houwaart, Van Drees tot Kok, p.188

    )

    2.4. Ontwikkelingssamenwerking

    Pronk was begin jaren zeventig pleitbezorger voor een Nieuwe Economische Orde. Dit vertaalde zich in het streven de productie, handel, werk en welvaart wereldwijd opnieuw te verdelen. Belangrijke voorwaarde hiervoor was dat politieke en economische afhankelijkheidsrelaties werden opgeheven en de zelfstandigheid van de ontwikkelingslanden werd vergroot. Concreet uitte zich dit in drie belangrijke wijzigingen met het ontwikkelingsbeleid van Pronks voorgangers:

    • de Nederlandse bilaterale hulp beschikbaar stellen aan landen die zelf een actieve poging deden het armoedepeil te verlagen;
    • de voorwaarden voor Nederlandse hulp minder hard maken door een lagere rente op leningen te vragen en meer schenkingen te doen, en
    • de invloed van het Nederlandse bedrijfsleven op de ontwikkelingshulp terugdringen. (

      Hellema, Buitenlandse politiek van Nederland, p. 274-275

      )

    In de jaren negentig kwam minister Pronk met een wijziging ten opzichte van zijn beleid uit de periode van het kabinet-Den Uyl. In de nota "Een wereld van verschil: nieuwe kaders voor ontwikkelingssamenwerking in de jaren negentig"(1990) verwerkte hij de gevolgen van de fundamentele veranderingen op het wereldtoneel in een nieuw ontwikkelingsbeleid, dat nog verder werd uitgewerkt in de vervolgnota "Een wereld in geschil: de grenzen van de ontwikkelingssamenwerking verkend"(1993). In deze tweede nota zette hij uiteen hoe de veranderingen in de internationale betrekkingen hadden geleid tot meer regionale conflicten en dat deze veranderingen voor nieuwe normen binnen de ontwikkelingssamenwerking moesten zorgen.

    Deze wijziging in het ontwikkelingsbeleid kwam het duidelijkst in de ontwikkelingsrelatie met Indonesië tot uiting. Toen er in 1991 in Oost-Timor sprake was van een massamoord, werd er door minister Pronk en minister van Buitenlandse Zaken H. van den Broek besloten de toezeggingen voor nieuwe hulpprojecten op te schorten naar het jaarlijks overleg met Indonesië. In reactie hierop besloot president Soeharto echter de ontwikkelingsrelatie met Nederland te beëindigen. (

    Hellema e.a. 'De Nederlandse ministers van Buitenlandse Zaken' p. 278

    )

    3. De Archieven

    De archieven die betrekking hebben op de werkzaamheden van minister Pronk zijn onder te verdelen in twee soorten. Enerzijds is er het zogeheten 'bewindsliedenarchief'. Dit bevat een deel van het persoonlijke archief van Pronk dat door hem is geschonken aan het departement. Het overgrote deel berust momenteel (2008) echter nog bij hem thuis. Daarnaast is er het archief dat in beheer is van het ministerie zelf, het zogeheten departementsarchief, waarin ook dossiers te vinden zijn die betrekking hebben op het werk van Pronk.

    Naast de hieronder vermelde archieven bezit het ministerie van Buitenlandse Zaken tevens een zeer omvangrijke collectie boeken, nota's en artikelen geschreven door of over Pronk. Hierin bevinden zich onder meer de nota's "Een wereld van verschil" (1990) en "Een wereld in geschil" (1993). Tevens zijn de gezamenlijke publicaties van Jan Pronk en Peter Kooijmans "Humanitaire hulp tussen conflict en ontwikkeling" (1993) en "Inheemse volken in het buitenlands beleid en in de ontwikkelingssamenwerking" (1993) ter inzage aanwezig.

    3.1. Persoonlijk archief

    Het persoonlijke archief bestaat uit 177 inventarisnummers. Deze zijn onderverdeel naar de twee perioden dat Pronk minister van Ontwikkelingssamenwerking was, te weten 1973-1977 en 1989-1998. Zo weinig als er van de eerste periode aanwezig is (

    NA, Bewindsliedenarchief, 2.05.81, inv.nrs 618-620

    ), zoveel van de tweede. (

    NA, Bewindsliedenarchief, 2.05.81, inv.nrs 621-785

    )
    Daarom is deze nader onderverdeeld. Het geheel wordt afgesloten met negen inventarisnummers, die door Pronks particulier secretaris zijn gevormd. (

    NA, Bewindsliedenarchief, 2.05.81, inv.nrs 786-794

    )

    3.2. Departementsarchief

    De delen van het departementsarchief die betrekking hebben op Pronk zijn zeer omvangrijk. Het is gegroepeerd in twee delen: het kabinet-Den Uyl, het derde kabinet-Lubbers en het eerste kabinet-Kok.

    De archieven op het departement die betrekking hebben op zijn werkzaamheden als minister ten tijde van het kabinet-Den Uyl, bevatten voorbereidingen op en verslagen van door Pronk afgelegde werkbezoeken en zijn CV.

    De tienjaren-blokken van het departementsarchief over de werkzaamheden van minister Pronk tijdens het derde kabinet-Lubbers en het eerste kabinet-Kok bevatten onder meer werkmappen, verslagleggingen, voorbereidingen en persoverzichten met betrekking tot afgelegde dienstreizen, werkbezoeken, conferenties en officiële bezoeken aan diverse landen. Verder bevatten deze inwerkdossiers over verschillende landen en onderwerpen, letterlijke weergaven van speeches en interviews, dossiers met betrekking tot de beleidsvorming inzake ontwikkelingssamenwerking, vragen vanuit diverse media en reacties hierop, verslagen van debatten met leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en F. Bolkenstein, aanvragen, verslagen en financiering van diverse projecten in ontwikkelingslanden, dossiers over milieuvraagstukken in ontwikkelingslanden en over zijn kandidatuur voor de UNHCR en andere functies binnen de Verenigde Naties.

    Het kan mogelijk interessant zijn archieven op het ministerie te raadplegen die niet direct verbonden zijn aan zijn naam, maar die wel gerelateerd zijn aan de verschillende onderwerpen waar Pronk in zijn ambtstermijnen mee te maken heeft gehad. Voorbeelden hiervan zijn de archieven van de:

    • Directie Verenigde Naties en Internationale Financiële Instellingen (DVF) betreffende de UNHCR en het IMF;
    • Directie Mensenrechten en Vredesopbouw (DMV) met betrekking tot mensenrechten, Directie Westelijk Halfrond (DWH) inzake Suriname;
    • Directie Noord-Afrika en Midden-Oosten (DAM) omtrent Israël en de Palestijnse gebieden, Directie Sub-Sahara Afrika (DAF) over diverse Afrikaanse landen;
    • Zuidoost-Azië en Oceanië (DAO) over Indonesië en archieven;
    • Directie Milieu en Ontwikkeling (DML) over milieuvraagstukken.
    • Gegevens over het buitenlands beleid van het kabinet-Den Uyl, het derde kabinet-Lubbers en het eerste kabinet-Kok zijn te vinden in het archief van DGPZ (Directoraat-generaal Politieke Zaken) en over het ontwikkelingssamenwerkingbeleid van deze kabinetten in het archief van DGIS (Directoraat-generaal Internationale Samenwerking).

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in