Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Buza / Code-archief 1965-1974

2.05.313
Centrale Archief Selectiedienst
Nationaal Archief, Den Haag
2009
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.05.313
Auteur: Centrale Archief Selectiedienst
Nationaal Archief, Den Haag
2009
CC0

Periode:

1965-1974

Omvang:

1090.00 meter; 32603 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.Correspondentie met buitenalndse vertegenwoordigers, alsmede documenten van internationale organisaties zijn hoofdzakelijk in het Engels en in het Frans.

Soort archiefmateriaal:

Het archief bevat normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief betreft de periode van de Koude Oorlog en de opbouw, integratie van de Europese Gemeenschap en de uitbouw van de ontwikkelingshulp. Het archief is ingedeeld op een aantal hoofdthema's zoals: protocolaire en juridische aangelegenheden, openbare gezondheidszorg, openbare veiligheid, volkshuisvesting, verkeer en vervoer, economie, migratie, arbeid, sociale aangelegenheden, culturele en wetenschappelijke aangelegenheden, landsverdediging en internationale organisaties.
Belangrijke onderwerpen in dit archief zijn internationale conferenties en organisaties, verdragen, staatsbezoeken, grensregelingen, uitleveringen, Nederlanderschap, onderscheidingen, paspoorten en visa, scheepvaart, luchtvaart, ruimteonderzoek, buitenlandse handel, buitenlands betalingsverkeer, ontwikkelingshulp, noodhulp, migratie, repatriëring van Nederlanders, vluchtelingenhulp, kernenergie, voorlichting over Nederland, defensie en bewapening. Van belang is voorts de periodieke en incidentele politieke en economische rapportage van de Nederlandse ambassadeurs en consuls uit het buitenland.

Archiefvormers:

  • Ministerie van Buitenlandse Zaken

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

1 HET BUITENLANDS BELEID EN HET MINISTERIE VAN BUITENLANDSE ZAKEN IN DE PERIODE 1945-1990
( Met dank aan prof. dr. A.E. Kersten voor zijn adviezen en correcties. )
1.1 INLEIDING

Het institutioneel onderzoek beoogt onder meer een beschrijving te geven van de organisatie, de taken en de handelingen van het ministerie van Buitenlandse Zaken over de periode 1945-1990. In dit hoofdstuk zal dat in grote lijnen worden gedaan. Na een korte beschrijving van de ontwikkelingen in het buitenlands beleid zal de organisatiestructuur van het ministerie en de veranderingen daarin in de periode 1945-1990 worden geschetst, alsmede de doelstellingen en taken van het ministerie. Een inleiding op de door het ministerie verrichtte handelingen besluit dit hoofdstuk.

De afzonderlijke onderzoeksgebieden '1945-1950', '1950-1958', '1958-1990', DGIS, de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland, alsmede de stafdirecties en adviseurs worden in navolgende hoofdstukken nader beschouwd.

1.2 DE NEDERLANDSE BUITENLANDSE POLITIEK 1945-1990
( Tenzij anders vermeld is deze paragraaf gebaseerd op A.E. Kersten, Nederland en de buitenlandse politiek na 1945, in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden dl. 15 (Haarlem 1982) 382-400. Deze tekst is gebaseerd op drs. E. Burger, P.L. Groen en drs. J. Steenhuis, Gedane buitenlandse zaken. Een institutioneel onderzoek naar het beleidsterrein buitenland, ontwikkelingssamenwerking en het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1945 - 1990 [1994] ('s-Gravenhage 2000), Pivot-rapport nr. 103a. Voor een uitgebreidere inleiding op het in deze toegang beschreven beleidsterrein wordt u verwezen naar dit rapport. )

De Duitse inval van 10 mei 1940 en de korte duur van het verzet van de Nederlandse strijdkrachten had aan de verantwoordelijke politici duidelijk gemaakt, dat de neutraliteits- of afzijdigheidspolitiek geen goede grondslag meer vormde voor het buitenlands beleid van Nederland. Minister van Buitenlandse Zaken, E.N. van Kleffens kwam tijdens de tweede wereldoorlog al tot de conclusie, dat voor Nederland een stelsel van regionale veiligheidsorganisaties onder leiding van de Verenigde Staten de beste garantie voor de veiligheid van het Koninkrijk - in 1945 omvatte dat nog Nederland, Nederlands-Indië, Suriname en de Nederlandse Antillen - zou zijn. De Verenigde Staten waren economisch en militair in staat elke denkbare agressor in Europa zijn wil op te leggen. Tegelijkertijd was van belang, dat aanvaarding van het Amerikaanse leiderschap voor Nederland geen problemen opleverde. Ondanks verschillen in uitwerking waren het Nederlandse en Amerikaanse politieke, economische en culturele bestel voortgekomen uit dezelfde Europese en christelijke beginselen.

Naast de duidelijke keuze voor de Verenigde Staten was samenwerking met andere landen een wezenskenmerk van de naoorlogse buitenlandse politiek. Die samenwerking moest ook in de Europese context gestalte krijgen. Het eerste teken daarvan was de samenwerking met België en Luxemburg in de zg. Benelux.

De overgang van neutraliteitspolitiek naar een buitenlands beleid gericht op internationale samenwerking verliep moeizaam. Twee factoren speelden daarbij een bepalende rol: 1. realisering van samenwerking was afhankelijk van de medewerking van andere staten. Deze kwam pas van de grond nadat de Oost-Westtegenstelling in de Koude Oorlog de blokvorming stimuleerde; 2. in de dekolonisatie van Indonesië speelden juist de Verenigde Staten en Groot-Brittannië - staten aan wie Nederland de leidende rol in de westerse internationale samenwerking toedacht - een rol die de Nederlandse regering tegenstond. Hoewel de Nederlandse regering in haar buitenlands beleid bleef hechten aan bevordering van de internationale rechtsorde, kwam samenwerking in Europees, Atlantisch en mondiaal verband steeds meer centraal te staan. In tegenstelling tot de periode tot 1940 voerde zij nu een actief buitenlands beleid. Dit bleek het duidelijkst op drie nieuwe beleidsterreinen, namelijk veiligheid, Europese integratie en ontwikkelingssamenwerking.

1.2.1 Het veiligheidsbeleid

In 1945 was Duitsland het centrale vraagstuk van het veiligheidsbeleid. Zolang de Grote Vier als bezettingsmogendheden onderhandelden over een vredesverdrag voor Duitsland als geheel zag ook de Nederlandse regering daarin het beste middel de kans op hernieuwde Duitse agressie te beteugelen. Het afbreken van dit overleg eind 1947 onder invloed van de toenemende tegenstelling tussen de Verenigde Staten en de Sovjetunie schiep een volstrekt andere situatie. Duitsland vormde niet langer de voornaamste bedreiging, maar de Sovjetunie en het communisme vormden de voornaamste bedreiging voor het Westen en de democratische maatschappij. De Verenigde Staten waren vanaf 1947 bereid zich rechtstreeks met de situatie in Europa in te laten als hoofdelement in haar containment-politiek. Deze 'indamming' van de Sovjetunie vond langs twee sporen plaats, namelijk 1. het economische van de Marshallhulp ter versnelling van de wederopbouw en 2. versterking van de westerse defensie. De Nederlandse regering had geen moeite dit Amerikaanse beleid te aanvaarden, omdat het duidelijk aansloot bij haar visie op de nieuwe internationale positie van Nederland. Nadat Frankrijk, Groot-Brittannië en de Benelux-landen op 17 maart 1948 in het Verdrag van Brussel hun intentie tot een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid hadden uitgesproken, kon de stap naar inschakeling van de Verenigde Staten bij de verdediging van West-Europa snel worden gezet. Op 4 april 1949 ondertekenden in Washington de Verenigde Staten, Canada en 10 Westeuropese landen het Noordatlantisch Verdrag. Daarmee verwierf Nederland een permanente Amerikaanse veiligheidsgarantie, die de basis bleef voor het veiligheidsbeleid in de komende decennia. Nederland gaf er de voorkeur aan deel te nemen aan bondgenootschap onder Amerikaanse leiding. Het alternatief van een zelfstandiger Westeuropese defensie was voor haar niet aantrekkelijk, omdat dit per definitie minder bescherming bood dan de Amerikaanse atoomparaplu.

De Nederlandse deelname aan de Europese Defensie Gemeenschap (EDG) in mei 1952 - bedoeld om de Duitse herbewapening voor Frankrijk aanvaardbaar te maken - was voor de Nederlandse regering slechts aanvaardbaar vanwege de Amerikaanse steun aan de EDG en de operationele onderschikking aan de NAVO. Om dezelfde reden was Nederland in 1961-1963 gekant tegen de oprichting van de Multilateral Nuclear Force (MLF), die de NAVO een eigen arsenaal van kernwapens zou verschaffen. Noch de EDG, noch de MLF zouden echter gerealiseerd worden. Ook initiatieven van andere NAVO-leden tot militaire integratie in Europees verband te komen stuitten op tegenstand van Nederland. Het Franse initiatief tot oprichting van een Europese kernmacht wees het resoluut van de hand. De Westeuropese NAVO-leden moesten naar de Nederlandse opvatting blijven vertrouwen op de Amerikaanse atoomparaplu en zich vooral inzetten voor betere overlegstructuren binnen de organisatie.

Aan het einde van de jaren zestig en in de jaren zeventig kwam het Nederlandse veiligheidsbeleid en het lidmaatschap van de NAVO meer in de publieke belangstelling vanwege het Amerikaanse beleid in Vietnam. Het ondemocratisch karakter van regeringen van NAVO-partners, de aanvaardbaarheid van het gebruik van kernwapens, de noodzaak tot onderhandelingen met het Warschaupakt over wederzijdse wapenvermindering en zelfs de eventuele beëindiging van het NAVO-lidmaatschap waren onderdeel van de discussie. De mobilisatie van de publieke opinie tegen de plaatsing in Nederland van nieuwe raketten met kernkoppen had haar hoogtepunt in grote demonstraties in Amsterdam en Den Haag in het begin van de jaren tachtig.

De in 1973 te Wenen gestarte onderhandelingen tussen de NAVO en het Warschau-pact over de wederzijdse vermindering van conventionele strijdkrachten (MBFR) waren een onderdeel van de détente-politiek waarbij Nederland, als NAVO-woordvoerder, een rol speelde. Verdere activiteiten van Nederland in de ontspanning tussen Oost- en West Europa waren de intensivering vanaf 1967 van de betrekkingen met de kleinere Oosteuropese landen en de erkenning van de DDR in 1973.

Na de slotakte van Helsinki (1975) die een erkenning inhield van de status quo in Europa, richtte het Nederlandse veiligheidsbeleid inzake Oost-Europa vooral op de beginselen van mensenrechten, non-interventie en het recht op zelfbeschikking.

1.2.2 De Europese integratie.

Door de Tweede Wereldoorlog was bij politici, diplomaten en intellectuelen de overtuiging gegroeid, dat de Europese staten alleen door samenwerking in staat zouden zijn de welvaart te bevorderen. Het bleek buitengewoon moeilijk aan deze intentie gestalte te geven. Nederland was vanwege zijn afhankelijkheid van export traditioneel gericht op internationale economische samenwerking. De totstandbrenging van de internationale samenwerking na 1945 bleek geen gemakkelijke zaak, omdat over de terreinen van samenwerking, manier van samenwerking en de deelnemers eraan verschillende meningen leefden. Er was geen sprake van een logisch verlopende ontwikkeling van samenwerking en integratie. Het was een grillig, door de omstandigheden gedicteerd proces. Het Nederlandse beleid was vooral gericht op de totstandbrenging van economische integratie tussen een zo groot mogelijke groep van landen met overdracht van bevoegdheden.

De eerste aanzet tot nauwere onderlinge samenwerking van Europese landen werd tijdens de Tweede Wereldoorlog voorbereid door België, Nederland en Luxemburg via de Benelux. Met name door initiatieven tot integratie in groter verband zou de Benelux nooit tot volle bloei zou komen.

De eerste daadwerkelijke poging tot samenwerking werd onder Amerikaanse druk via de in 1947 aangeboden Marshallhulp ondernomen in de in 1948 opgerichte Organisatie voor Europese Economische Samenwerking (OEES) voor de uitvoering van het Europees Herstel Programma. Het EHP beoogde het economisch herstel van West-Europa ondermeer te bevorderen door liberalisering van het handels- en betalingsverkeer tussen de 16 deelnemende landen.

De Nederlandse regering was een groot voorstander van dit liberaliseringsproces, maar in de praktijk bleek het tempo veel te laag. Dat was de voornaamste reden voor minister D. Stikker om in te stemmen met het zg. Schumanplan (mei 1950) voor de oprichting van de supranationale Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal waarvan naast de Benelux-landen Frankrijk, West-Duitsland en Italië deel uitmaakten. Stikker liet veel minder warm voor de Europese Defensiegemeenschap en een Europese Politieke Gemeenschap die kort daarna werden voorgesteld. Zijn opvolger J.W. Beijen bleek in september 1952 wel bereid mee te werken aan politieke integratie op supranationale basis in de Europese Politieke Gemeenschap (EPG) op voorwaarde dat deze gekoppeld zou worden aan de voortgang van de economische integratie.

Beijen formuleerde daarvoor het zg. Beijenplan, dat uitging van economische integratie in twee fasen: eerst de totstandbrenging van een douane-unie en daarna de opbouw van een gemeenschappelijke markt. Door de Franse afwijzing van de EDG in augustus 1954 kwam ook de EPG niet tot stand. Beijens voorstellen voor economische integratie speelden een cruciale rol in het uit het slob halen van de Europese integratie na de verwerping van de EDG. Zij vormden de basis voor het Verdrag van Rome (maart 1957) tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG). Samen met het Verdrag voor de oprichting van een Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) en de al sinds 1952 functionerende EGKS vormden deze nieuwe organisaties de basis voor het proces van Europese integratie. ( Zie voor de organisatorische consequenties voor Buitenlandse Zaken van de instelling van deze organen § 1.3.6. )

Minister van Buitenlandse Zaken mr. J.M.A.H. Luns, na oktober 1956 de enige minister op het departement, toetste verdere voorstellen tot Europese integratie samenwerking zowel op hun verenigbaarheid met het uitgangspunt van de gemeenschappelijk/communautaire aanpak, d.w.z. door middel van besluitvorming in de instituties van de gemeenschappen zelf en op de verenigbaarheid met de samenwerking zoals die bestond binnen de NAVO. Ook streefde hij naar geografische uitbreiding van de EEG. Deze uitgangspunten brachten Luns tot stelselmatige verzet tegen pogingen van de Franse president Ch. de Gaulle de communautaire integratie te vervangen door een systeem van intergouvernementele samenwerking onder Franse leiding. In de jaren zestig leidde dit beleid tot diverse confrontaties tussen de Franse president Charles de Gaulle en de andere EEG-lidstaten.

Na het aftreden van De Gaulle in april 1969 gaf de topconferentie van Den Haag van december 1969 een nieuwe impuls in de Europese integratie. De regeringsleiders van de Zes besloten tot voltooiing van de gemeenschappelijke markt, tot verbreding van het werkterrein met name door vorming van een economische en monetaire unie, wetenschappelijk onderzoek en technologische samenwerking en op korte termijn toetredingsonderhandelingen met Groot-Brittannië en andere staten te beginnen. De mogelijkheden tot politieke samenwerking zouden worden onderzocht.

Het Nederlands beleid na de aansluiting van Groot-Brittannië, Denemarken en Ierland bij de EEG in 1973 en van Griekenland, Spanje en Portugal in de jaren tachtig bleef gericht op versterking van de supranationale EG-organen (reden waarom de instelling van de Europese Raad in 1974 niet met gejuich werd ontvangen) als waarborg tegen de machtspolitiek van de grote lidstaten, behalve als het terrein van defensie-aangelegenheden ter sprake kwam, omdat de relatie met de Verenigde Staten binnen de NAVO voorop bleef staan. Dat was ook de reden dat Nederland zich aanvankelijk terughoudend opstelde ten opzichte van de Europese Politieke Samenwerking (EPS). Pas toen in de loop van de jaren tachtig bleek dat de EPS zich redelijk verhield met het veiligheidsbeleid en de banden tussen de EPS en de EG werden aangehaald werd Nederland een pleitbezorger van dit samenwerkingsverband. ( J. Klabbers, Nederland en de EPS, in; Nieuw Europa 14 (2) 1988, 68-69; D. Hellema, Buitenlandse politiek van Nederland (Utrecht 1995) 308. )

De Europese Akte van 1986 was een belangrijke impuls voor het Europese integratieproces door de doelstelling van een politiek, economische en monetair verenigd Europa vast te leggen. De coördinatie en ontwikkeling van een gemeenschappelijke buitenlandse politiek kreeg hiermee een formele basis, die geconcretiseerd werd in het Verdrag van Maastricht ( A.E. Kersten, De Europese integratie in vogelvlucht, in; Economisch Statistische Berichten 77 (3891) 1992, 1235. ). Nederland bleef daarbij vasthouden aan het uitgangspunt dat de Nederlandse belangen het best gewaarborgd waren bij een supranationale Europese structuur, waarbinnen de een Europese Commissie een belangrijk aandeel in de besluitvorming had, de democratische controle door het Europees Parlement werd versterkt en het Europese Hof de naleving van de Europese verdragen toetste. ( Hellema, 310. )

Vanaf het begin van de werkzaamheden van de EGKS in de zomer van 1952, maar vooral vanaf het optreden van de EEG in 1958 was het Europese beleid meer en meer het hoofdbestanddeel van het Nederlandse buitenlandse beleid gaan vormen. De consequenties hiervan voor de positie van de minister-president in de Europese besluitvorming en de toegenomen betrokkenheid van andere departementen met het Europese beleid, komen in hoofdstuk 2 aan de orde bij de bespreking van diverse actoren op het terrein van het buitenlands beleid.

1.2.3 Ontwikkelingshulp

( Voor deze paragraaf is, naast de bijdrage van A.E. Kersten in de AGN, gebruik gemaakt van P. Hoebink, Geven is nemen: de Nederlandse ontwikkelingshulp aan Tanzania en Sri Lanka (Nijmegen 1988) 47-74. )

Ontwikkelingshulp werd in 1948 door de Amerikaanse president H.S. Truman geïntroduceerd in de internationale politiek. Truman wilde door middel van technische en financiële steun aan koloniën die pas hun onafhankelijkheid hadden verworven hun economische zelfstandigheid bevorderen en daarmee voorkomen dat zij binnen de invloedssfeer van de Sovjetunie kwamen. De veronderstelling dat financiële en technische hulp aan deze nieuwe staten hetzelfde economische effect zou hebben als de Marshallhulp aan West-Europa bleek al snel onjuist te zijn. Dit had tot gevolg dat de ontwikkelingshulp zich ontwikkelde tot een breed terrein van hulpverlening.

Deze evolutie kan aan de Nederlandse terminologie worden afgelezen: van "hulpverlening aan minder-ontwikkelde gebieden", via "ontwikkelingshulp" naar "ontwikkelingssamenwerking". De groeiende betekenis van dit beleidsterrein kan worden aangetoond aan de hand van (1) de relatief en absoluut beschikbare financiële middelen: van Hfl. 27,3 miljoen in 1951 tot Hfl. 5.988,2 miljoen in 1990 en (2) het institutionele kader: van een klein ondersteunend bureau in 1948 tot een zich expanderend Directoraat-Generaal met een staatssecretaris (1963) en later minister voor Ontwikkelingssamenwerking (1965).

De periode vanaf de eerste hulpverlening via het "Expanded Programme of Technical Assistence" van de Verenigde Naties in 1950 tot aan ca. 1965 is ook wel een "schemerzone" tussen koloniaal beleid en het formuleren van nieuw beleid genoemd. ( Hoebink, 47. ) De doelstellingen van het beleid zijn in nota's uiteengezet. Als redenen voor hulpverlening werden in 1956 genoemd het oprukkende communisme en de functie van de ontwikkelingslanden als grondstoffenleverancier en afzetgebied. Tevens bood de hulpverlening een compensatie voor het verlies van de Indonesische markt.

Nederland legde een voorkeur voor een multilaterale benadering van de hulp aan de dag, omdat het politieke en economische belang in een multilaterale omgeving een geringere rol zou spelen en de invloed en deelname van Nederland beter gewaarborgd zouden zijn. De Nederlandse hulp bestond in die periode voor het grootste gedeelte uit het uitzenden van deskundigen in het kader van diverse VN-programma's.

In de uit 1962 daterende "Nota over de hulp aan minder-ontwikkelde landen" werd voor het eerst aandacht geschonken aan coördinatie van de hulp in consortia en hulpgroepen door Wereldbank en OESO, aan hulpverlening via de EEG en kapitaalhulp, voedselhulp en handelsrelaties binnen het domein van ontwikkelingssamenwerking een eigen plaats kregen.

Th.H. Bot, de eerste minister voor ontwikkelingssamenwerking, introduceerde in 1966 met de keuze voor bilaterale hulp naast multilaterale een kentering in het beleid ("Algemeen wordt aanvaard dat een land als Nederland van beide kanalen gebruik dient te maken"). Vanaf 1968 is het begrotingsaandeel voor de bilaterale hulp groter dan voor de multilaterale hulp. Bot trachtte Nederland een bemiddelende rol te laten spelen tussen de ontwikkelingslanden en de OESO-landen. Het Nederlandse voorstel tot het opstellen van een ontwikkelingshandvest leidde mede tot het Tweede Ontwikkelingsdecennium van de VN (1970-1980).

Onder minister B.J. Udink (1967-1973) vond een concentratie van de financiële hulpverlening in een aantal consortia plaats. De technische projecthulp bleef verspreid over een groot aantal landen. In de periode 1965-1972 werd ook discussie gevoerd over de hoogte van het hulpbedrag, het streven werd de door de VN geadviseerde norm van 0,75% van het Bruto Nationaal Produkt aan Ontwikkelingssamenwerking uit te geven. De hulp steeg in 1976 tot 0,75 % van het BNP en in 1990 tot 0,99 %.

In de jaren zeventig was het beleid niet meer uitsluitend gericht op kapitaalshulp, maar ook op structurele verandering van de wereldhandel, productie van goederen en de internationale arbeidsverdeling. Minister J.P. Pronk (1973-1977) gaf ook een politieke doelstelling aan het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid, namelijk mondiale herverdeling van macht en rijkdom door middel van een Nieuwe Economische Orde.

De centrale lijn in het OS-beleid onder minister J. de Koning (1977-1981) werd de verzelfstandiging van de OS-landen en verbetering van de positie van de armsten. In het kader van de kwaliteitsverbetering werd het aantal concentratielanden verminderd. Het hulpvolume stabiliseerde zich in deze periode die zich verder kenmerkte door het voortzetten van het beleid dat onder Pronk werd gevoerd. De Koning trachtte het bedrijfsleven aan te zetten tot een grotere deelname in OS-activiteiten, maar slaagde daarin niet.

In de nota Herijking van 1984 werd het twee-sporenbeleid van De Koning (economische verzelfstandiging en verbetering positie van de armsten) verlaten voor het éénspoorbeleid van structurele armoedebestrijding waarbinnen twee concentratie-sectoren werden onderkend: plattelandsontwikkeling en industriële ontwikkeling. Het aantal concentratielanden werd nog verder teruggebracht. De oprukkende schuldenproblematiek kwam in deze periode min of meer in handen van het Ministerie van Financiën terecht.

Onder P. Bukman als minister voor Ontwikkelingssamenwerking (1986-1989) trad een verdere stabilisering van het beleid op door aandacht voor donorcoördinatie en jonge democratieën in Midden-Amerika en de Filippijnen.

De evolutie van ontwikkelingssamenwerking was over de gehele periode belast met een competentiestrijd tussen een aantal ministeries over de zeggenschap over de OS-gelden. Het Ministerie van Economische Zaken (EZ) was begin jaren zestig een pleitbezorger van meer bilaterale hulpverlening. De Ministeries van Buitenlandse Zaken (DGIS) en Financiën waren hier tegen gekant, maar konden niet voorkomen dat EZ in 1966 ca. 38% van het projectenprogramma beheerde. EZ was niet het enige ministerie dat naast BZ een gedeelte van de OS-gelden controleerde: het Ministerie van Financiën had zeggenschap over de aan OS-landen leningen verstrekkende Herstelbank (het latere NIO), waar EZ meer over te zeggen wilde hebben en Financiën wilde zeggenschap over de door EZ te besteden gelden. Het zwaartepunt kwam uiteindelijk bij DGIS te liggen door de benoeming van de minister zonder portefeuille belast met ontwikkelingshulp, Bot. De omslag in 1968 van de hoogte van de begroting van multilaterale hulp ten gunste van de bilaterale hulp ziet Hoebink als een zege voor EZ ( Hoebink, 53. ). Tijdens het ministerschap van Pronk werden een aantal van deze competenties geregeld. Samen met Financiën kreeg het DGIS de verantwoordelijkheid over het te voeren beleid ten aanzien van de Wereldbank en de diverse ontwikkelingsbanken en met EZ over het beleid ten aanzien van de UNCTAD. DGIS werd tevens alleen verantwoordelijk voor het consortia- en hulpgroepenbeleid en nam de financiële OS-hulp over van EZ. Aangelegenheden met betrekking tot het ontwikkelingsbeleid via de EG bleven resteren onder de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken. Pronk herstructureerde tevens de Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO, de instelling waarbij de drempelprojecten waren ondergebracht) door een meerderheidsdeelname van de staat in de FMO.

Tijdens het ministerschap van Van Dijk werd het beleid ten aanzien van de Wereldbank en Speciale fondsen in tegenstelling tot de afspraken die daarover in het regeerakkoord werden gemaakt door Financiën niet overgedragen aan het DGIS. Minister Van Dijk legde zich daarbij neer. Onder minister Schoo werd dat beleid weer mede bij DGIS neergelegd, maar Financiën hield het voortouw want het bleef de bevoegdheid houden de gouverneurs te benoemen en de instructies op te stellen.

1.3 DE ORGANISATIE VAN HET MINISTERIE VAN BUITENLANDSE ZAKEN, 1950-1990

1.3.1 De jaren 1950-1990

'Kon Nederland het zich voor de oorlog permitteren belangstellend toeschouwer te zijn, thans is Nederland ten nauwste betrokken bij een aantal grote internationale problemen en speelt het land een actieve rol in diverse internationale constellaties, zowel op zuiver politiek als op economische en sociaal terrein', zo schreef de secretaris-generaal van Buitenlandse Zaken in 1949.

De grotere betrokkenheid van Nederland bij het internationale krachtenspel had een forse toename tot gevolg van het aantal kwesties waarin standpunten moest worden ingenomen of anderszins actie moest worden ondernemen. De groei in de personele sfeer illustreerde deze ontwikkeling. Waren er in 1946 nog 188 ambtenaren werkzaam op het departement, in 1949 was dit aantal gestegen tot 387. ( Organisatie en reorganisatie, 45. Zie voor een uitgebreide verhandeling over de oorzaken, die tot de reorganisatie noopten: idem, 197-201. Zie voor opgave aantal ambtenaren: idem, 49. )

Met ingang van 1 januari 1950 werd daarom een grootscheepse reorganisatie doorgevoerd, waarbij de beleidstaken, de adviserende en de administratieve taken zoveel mogelijk bij elkaar werden gegroepeerd. Om de beleidsmatige taken, geconcentreerd in een politieke vleugel, op rationeler wijze uit te kunnen voeren, werd een regionale in plaats van functionele indeling van de werkzaamheden ingevoerd: 'de grondgedachte, welke aan de reorganisatie ten grondslag ligt is een versterking van de regionale behandeling van de vraagstukken waarmede het Dept. van Buitenlandse Zaken bemoeienis heeft in verhouding tot de functionele scheiding welke thans in de meeste afdelingen bestaat', aldus de toenmalige secretaris-generaal (SG). ( Code 101, Reorganisatie Departement, deel I, 1948-1950, Aantekening van Bureau S.G. aan prof. Francois, mr. N.S. Blom, mw. Kluyver en dr. Pierson, 24 juni 1949. ) De regionale indeling moest een beter inzicht geven in alle problemen, die binnen een bepaald geografisch omgrensd gebied speelden. De coördinatie van het beleid zou daarmee beter gewaarborgd kunnen worden.

De reorganisatie greep niet in het gehele departement even hard in. De ondersteunende diensten, die onder leiding van een assistent-secretaris-generaal Administratieve Zaken werden gebracht, en de directies Buitenlandse Dienst, Juridische en Administratieve Zaken (omgedoopt tot Algemene Zaken) alsmede de directie Kabinet en Protocol onder rechtstreekse leiding van de SG, bleven min of meer onaangetast. De beleidsdirecties daarentegen, waar de primaire werkprocessen plaatsvonden, werden geheel gereorganiseerd. De taken van de directies Politieke Zaken, Economische Zaken en Verkeer en Grote Rivieren werden bijeengevoegd en waar mogelijk naar regio ingedeeld. Zo kwamen er vier regionale directies tot stand: Europa, Oosten, Afrika en het Midden-Oosten alsmede het Westelijk Halfrond. De taken met betrekking tot mondiaal opererende internationale organisaties als de Verenigde Naties, werden in een afzonderlijke directie ondergebracht: de directie Internationale Organisaties. Om de regio-overschrijdende zaken op verkeersgebied te coördineren kwam er, naar analogie van de juridisch adviseur, een verkeersadviseur (VADV). Aanvankelijk werden de beleidsdirecties samen met de directie Voorlichting Buitenland onder leiding van de assistent secretaris-generaal Politieke Zaken gesteld. Korte tijd later werd deze functiebenaming gewijzigd in directeur-generaal Politieke Zaken.

Aldus kwam er een directoraat-generaal tot stand, dat voor zover het de bilaterale betrekkingen betrof naar regio en voor zover het de multilaterale betrekkingen betrof naar internationale organisaties was ingericht. Na 1950 is op deze hoofdlijn herhaaldelijk inbreuk gepleegd door een meer onderwerps- dan wel thematische indeling. ( Memorandum 134/87 van chef O&I aan DGPZ, 7 mei 1987. Code 101 O&I DAV 1985-. ) Met betrekking tot een meer gedetailleerde organisatorische ontwikkeling van DGPZ en de overige DG's wordt verwezen naar de desbetreffende hoofdstukken.

Tegelijkertijd met de reorganisatie van 1950 werd overgegaan tot het invoeren van afkortingen voor alle onderdelen van het departement. De toekenning van afkortingen gebeurde volgens een systeem, dat gedurende de gehele onderzoeksperiode is toegepast. ( De ministers, de staatssecretaris, de secretaris-generaal en de regeringscommissaris werden met één letter aangeduid, de directeuren-generaal, de assistent-secretaris-generaal en de adviseurs en ambassadeurs met vier letters, de directies en (hoofd)afdelingen met drie letters en met twee letters de bureaus en assistenten / secretarissen van departementsleiding; Code 101 O&I DGPZ/AP, 4e blok, inv.nr. 01, 5 maart 1971. )

1.3.2 Ontstaan van de andere directoraten-generaal

Sinds de instelling in 1950 is de taakomschrijving van het Directoraat-Generaal Politieke Zaken min of meer dezelfde gebleven. ( Organisatie en reorganisatie, 207. ) Desondanks is er in de organisatiestructuur wel het een en ander veranderd. Er zijn directies bijgekomen, opgeheven en van naam veranderd. Ook zijn er taken van DGPZ naar nieuwe directoraten-generaal overgegaan. Onderstaande afbeelding laat de organisatorische ontwikkeling van het ministerie van Buitenlandse Zaken op het niveau van directoraten-generaal zien.

1.3.3 Directoraat-Generaal Indonesië (DGIN)

( Zie verder hoofdstuk 3. )

Het directoraat-generaal Indonesië (DGIN) werd ingesteld met ingang 1 januari 1953.

Aanleiding was de overdracht van de Indonesische aangelegenheden met uitzondering van de culturele betrekkingen (naar OKW), financiële betrekkingen (naar Financiën) en economische betrekkingen (naar EZ) door het ministerie van Uniezaken en Overzeese Rijksdelen aan het ministerie van Buitenlandse Zaken. Het bureau dat tot dan toe de Indonesische zaken bij Buitenlandse Zaken had behandeld, het bureau Indonesië van de Directie Oosten (DOA/IN), werd voor de behandeling van deze taken uitgebouwd tot directoraat-generaal.

Toen de betrekkingen met Indonesië geleidelijk aan normaliseerden en de administratieve taken naar andere departementen, waaronder Binnenlandse Zaken, konden worden overgeheveld, werd in 1964 besloten DGIN op te heffen en de overblijvende taken deels bij DGPZ en deels bij de S-sector ( Met de S-sector wordt bedoeld: de direct onder de Secretaris-Generaal ressorterende afdelingen en directies. ) onder te brengen. ( A.M. van der Togt, Het ministerie van Buitenlandse Zaken in een veranderende wereld. Organisatorische aspecten van de vorming van het buitenlandse beleid 1945-1974 (Ongepubliceerde doctoraal-scriptie Nieuwe Geschiedenis, KU Nijmegen 1984) 48. )

1.3.4 Directoraat-Generaal Economische en Militair Hulpprogramma (DGEM)

( Zie verder hoofdstuk 3. )

Het directoraat-generaal voor het Economische en Militaire Hulpprogramma (DGEM), opgericht in september 1952, kwam voort uit het regeringscommissariaat voor het Economische en Militaire Hulpprogramma. De instelling hiervan was een rechtstreeks gevolg van de Marshall-hulp en de coördinatie die die hulp behoefde. Toen dit directoraat-generaal in 1958 werd opgeheven, werden de overblijvende taken verdeeld over DGPZ en het nieuw opgerichte directoraat-generaal Europese Samenwerking (DGES). DGPZ kreeg de taken van de DGEM-directie Militaire Aangelegenheden (DMA) en paste deze in in de directie NAVO- en WEU-zaken. De taken van de andere DGEM-directie, de directie Economische Aangelegenheden (DMA), gingen naar het directoraat-generaal Europese Samenwerking.

1.3.5 Directoraat-Generaal Europese Samenwerking (DGES)

De ondertekening in 1957 van de verdragen van Rome (verdragen met betrekking tot de instelling van de EEG en Euratom) waren voor het ministerie van Buitenlandse Zaken aanleiding tot een herschikking van de taken die waren ondergebracht bij DGEM en DGPZ. De expansie van de Europese samenwerking, die vanaf 1950 onder de vleugels van het DGPZ had plaatsgevonden, werd geïnstitutionaliseerd in het directoraat-generaal Europese Samenwerking (DGES). Onderdelen van de DGPZ-directies Westelijke Samenwerking (bureau Raad van Europa en bureau Integratie Europa) en Europa (bureau Benelux), alsmede het bureau Atoomzaken werden ondergebracht bij het DGES dat gecompleteerd werd met de directie Economische Aangelegenheden van het opgeheven DGEM.

1.3.6 Directoraat-Generaal Internationale Samenwerking (DGIS)

( Zie verder hoofdstuk 5. )

Secretaris-Generaal van Tuyll meende al in januari 1962 dat er 'een krachtige organisatorische opzet' geschapen moest worden om de leidende en coördinerende positie van het departement, zowel interdepartementaal als internationaal, op het terrein van de ontwikkelingssamenwerking te verzekeren. ( Van der Togt, 90. ) Met het aantreden in november 1963 van staatssecretaris Diepenhorst, belast met de hulpverlening aan minder ontwikkelde landen, werd tevens een begin gemaakt met het scheppen van een georganiseerd kader waarbinnen die hulpverlening zou plaatsvinden. In april 1964 werd het Directoraat-Generaal Internationale Samenwerking ingesteld. Voor die datum werden ontwikkelingsvraagstukken bij DGES en bij DGPZ behandeld. Bij DGPZ gebeurde dat bij de directie Internationale Organisaties (DIO). Deze directie ging geheel over naar DGIS (de chef werd directeurgeneraal van DGIS), met dien verstande dat de directeur-generaal Politieke Zaken verantwoordelijk bleef voor de eenheid van het politieke beleid.

Het bureau Internationale Technische Hulp (ITH), dat als interdepartementaal bureau onder de instructies van de Commissie ITH in 1951 bij DIO was gekomen, werd nu als directie Technische Hulp bij DGIS ondergebracht.

Het in 1963 ingestelde Jongeren Vrijwilligers Programma (JVP) werd aan de directie Technische Hulp toegevoegd. De taken van DGES op het terrein van de ontwikkelingshulp betroffen voornamelijk de OESO. Deze taken werden niet overgedragen. Gekozen werd voor een tussenoplossing waarbij de directie Economische Samenwerking van DGES een personele unie vormde met de nieuwe directie Financieel-Economische Ontwikkelingshulp (DFO) van DGIS. Deze situatie zou voortduren tot 1967.

1.4 DE DOELSTELLING VAN HET MINISTERIE VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Bepalend voor de taakinhoud van een ministerie is de algemene beleidsdoelstelling van dat ministerie. Veranderingen in de algemene beleidsdoelstelling kunnen dientengevolge veranderingen in de taken tot gevolg hebben. Hoewel er bij het ministerie van Buitenlandse Zaken wijzigingen in de algemene beleidsdoelstelling zijn geweest, waren zij niet van dien aard, dat zij hebben geleid tot wijzigingen in de taken. In organisatorisch opzicht hebben wijzigingen in de beleidsdoelstellingen wel tot aanpassingen geleid, zoals bijvoorbeeld in 1972 toen bij de directie Economische Samenwerking een assistent-milieuzaken werd aangesteld. Deze organisatorische aanpassingen worden in de desbetreffende hoofdstukken behandeld.

Sinds 1953 is de doelstelling van Buitenlandse Zaken in de grondwet opgenomen. Deze luidt: 'het bevorderen van de ontwikkeling van de internationale rechtsorde'. ( Grondwet 1953, artikel 58. Gepubliceerd in: Staatsblad (1953) 295. ) Tot die tijd had het ministerie geen andere doelstelling dan het bestuur der internationale betrekkingen in het kader van de ministeriële verantwoordelijkheid. De huidige algemene doelstelling van het ministerie luidt:

'het bevorderen van het welzijn van het Koninkrijk in zijn betrekkingen met het buitenland en het beschermen van het Koninkrijk tegen aantasting van buitenaf, alsmede het bevorderen van een rechtvaardige wereld, meer specifiek vrede en veiligheid, menselijk welzijn en menselijke waardigheid' ( Buitenlandse Zaken, Buitenlands beleid belicht (17 september 1991) 1. )

1.5 DE TAKEN VAN HET MINISTERIE VAN BUITENLANDSE ZAKEN

De taken van het ministerie van Buitenlandse Zaken zijn tot nu toe in zeer algemene bewoordingen aan de orde geweest: de voorbereiding en, na vaststelling, de uitvoering van het Nederlandse buitenlandse beleid. Het wordt tijd om wat dieper op de taak of de taken van het ministerie in te gaan.

Eerst zijn echter om begripsverwarring te voorkomen enkele opmerkingen over het gebruik van het begrip 'taak' op z'n plaats. In deze paragraaf wordt het begrip in de meest algemene zin gebruikt, namelijk om de taken van het ministerie als geheel weer te geven. In de hoofdstukken betreffende de verschillende onderzoeksgebieden wordt 'taak' gebruikt om de werkzaamheden van de betreffende organisatie-eenheden aan te duiden.

In eenvoudige termen kan het maken van beleid omschreven als het verzamelen en bestuderen van informatie, het maken van keuzes en het bepalen van een standpunt gerelateerd aan de doelstelling, waaraan vervolgens uitvoering wordt gegeven. Dit is dan ook in grote lijnen wat er bij de beleidsdirecties van het ministerie van Buitenlandse Zaken gebeurt. Een belangrijk deel van hun taak betreft:

  1. Het volgen van de (inter-)nationale ontwikkelingen
  2. Het formuleren van een Nederlands standpunt ten aanzien van die (inter-)nationale ontwikkelingen
  3. Het uitdragen van dat Nederlands standpunt ten aanzien van die (inter-)nationale ontwikkelingen

Maar het ontwikkelen en tot uitvoering brengen van het buitenlands beleid is uiteraard niet de enige taak. Omdat het ministerie in beginsel alle buitenlandse zaken van Nederland behandelt, heeft het naast een beleidsmatige taak ook een dienstverlenende taak ten aanzien van de Nederlandse samenleving, zowel in het buitenland als in Nederland zelf. Hiertoe behoren het uitvoeren van Nederlandse wetgeving, de zorg voor Nederlanders in het buitenland en het voorlichten over Nederland in het buitenland.

Om deze twee taken naar behoren uit te kunnen voeren, verricht het ministerie een derde taak, namelijk 'het onderhouden van betrekkingen met het buitenland'. Hiertoe zijn onder andere de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland opgericht: de Permanente Vertegenwoordigingen bij internationale organisaties ten behoeve van de multilaterale betrekkingen en de ambassades ten behoeve van de bilaterale betrekkingen. In Nederland zelf worden contacten onderhouden met de vertegenwoordigingen van het buitenland in Nederland. Verder zijn inkomende en uitgaande staatsbezoeken middelen om betrekkingen te onderhouden.

Ook de vierde taak, de coördinerende taak, die voortvloeit uit de verantwoordelijkheid van de minister van Buitenlandse Zaken voor de eenheid van het buitenlandse beleid, loopt dwars door de beleidsmatige en dienstverlenende taak heen. Dat deze coördinatietaak door Buitenlandse Zaken niet licht wordt opgevat, mag blijken uit een memorandum uit 1956 van de secretaris-generaal, waarin hij schrijft dat `Buitenlandse Zaken in beginsel voornamelijk werk verricht van coördinerende aard'. ( Code 101 Taakinventarisatie rijksoverheid, memorandum van mr.S.J. Baron van Tuyll van Serooskerken aan de minister en de staatssecretaris, 6 maart 1956. ) Veertien jaar later omschrijft de secretaris-generaal in een brief aan de Commissie Interdepartementale Taakverdeling de coördinerende taak van Buitenlandse Zaken als: `het verwerken van deel-elementen in een totaalopvatting, derhalve het opstellen van buitenlands beleid als een bovengeordend gezichtspunt'. ( Code 101, Commissie Interdepartementale Taakverdeling, deel II, Missive van de E.L.C. Schiff, secretaris-generaal van het ministerie van Buitenlandse Zaken, aan J.A.M. van Nispen tot Pannerden, secretaris-generaal van het Ministerie van Algemene Zaken, voorzitter van de Commissie Interdepartementale Taakverdeling, 8 september 1970, nr. 171999. ) Deze taak omvat, aldus de SG, de volgende werkzaamheden:

  • het inwinnen van gezichtspunten en desiderata van de andere betrokken departementen
  • het verwerken van die gezichtspunten en desiderata in een beleidsstandpunt en/of een instructie aan een post of delegatie
  • het verstrekken van richtlijnen en/of instructies aan de vertegenwoordigingen in het buitenland en aan delegaties
  • het ontvangen van rapporten en verzoeken om (nadere) richtlijnen en/of instructies
  • het inlichten van de andere betrokken departementen omtrent de resultaten van het gevoerde beleid
  • het benoemen van vertegenwoordigers, diplomatieke zowel als consulaire, respectievelijk het doen van voordrachten voor hun benoeming, en de samenstelling van delegaties
  • het onderhouden van officiële contacten met de buitenlandse vertegenwoordigingen in 's-Gravenhage

Bij deze opsomming moet worden opgemerkt dat een aantal werkzaamheden ook wordt uitgevoerd zonder dat de coördinerende taak van Buitenlandse Zaken direct in het geding is. Verder kan aan de lijst nog worden toegevoegd het voeren van het voorzitterschap en secretariaat van interdepartementale commissies

Bij het ministerie van Buitenlandse Zaken kunnen dus vier taken worden onderscheiden:

  1. Beleidsvoorbereiding en uitvoering
  2. Dienstverlening
  3. Onderhouden van betrekkingen met buitenlandse regeringen en internationale organisaties
  4. Coördinatie

Een opgave van het takenpakket, door het ministerie in 1958 ten behoeve van de Administratieve Handleiding voor het Departement van Buitenlandse Zaken gemaakt, weerspiegelt bovenstaande vier taken (de tussen haken geplaatste cijfers verwijzen naar de hierboven vermelde taken):

Het voeren van het buitenlands beleid van Nederland, omvattende:

  1. het onderhouden en verzorgen van de betrekkingen van Nederland met vreemde mogendheden en internationale organisaties (1 en 3)
  2. de behartiging en de bescherming van de belangen van Nederlanders met betrekking tot of in het buitenland (2)
  3. het verzamelen en verstrekken van inlichtingen over het buitenland aan de Regering en aan Nederlanders' (1 en 2)
  4. de behandeling van aangelegenheden betreffende vreemdelingen in Nederland verblijvende, of zich uit of naar Nederland begevende (2 en 3)

a./d. Voor zover een en ander ligt op het arbeidsterrein van een ander departement treedt Buitenlandse Zaken op als coördinerende instantie (4) ( Er wordt in de Administratieve Handleiding nog een taak gemeld, namelijk: 'de afwikkeling van de gevolgen van de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië voor individuele Nederlanders (in hoofdzaak gewezen Indische overheidsdienaren), voor zover deze afwikkeling niet aan andere departementen is opgedragen'. Omdat dit een tijdelijke taak is en de lading bovendien wordt gedekt door de omschrijving onder b. is deze taak hier niet opgenomen. )

In 1970 is er een nieuwe taakomschrijving gemaakt, nu ten behoeve van een herziene en bijgewerkte administratieve handleiding, die onder de naam Circulairebundel van Buitenlandse Zaken, in januari 1972 uitkwam. Uit een vergelijking blijkt dat er een taak is bijgekomen: 'het door internationale samenwerking leveren van een adequate bijdrage aan versnelde economische en sociale groei van in welvaart achtergebleven landen in de wereld'.

Achter deze omschrijving gaat de ontwikkelingssamenwerking schuil. Een taak, die van het begin af aan gezien werd als een 'integrerend onderdeel van het buitenlands beleid' en daarom een taak moest zijn en blijven van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De ontwikkelingssamenwerking heeft zich ontwikkeld uit de technische hulp, die aan het einde van de jaren '40 binnen het kader van technische hulpprogramma's van de Verenigde Naties verleend werd aan de 'laagontwikkelde' landen, zoals de ontwikkelingslanden toen werden genoemd. In de tweede helft van de jaren '50 en begin jaren '60 namen de werkzaamheden een dermate grote vlucht dat in 1964 besloten werd tot de instelling van een apart directoraat-generaal, het DG Internationale Samenwerking. Een jaar later in, april 1965, werd de eerste minister voor Ontwikkelingssamenwerking benoemd, mr Th.H. Bot ( De benoeming van Bot als minister zonder Portefeuille, belast met aangelegenheden betreffende hulp aan ontwikkelingslanden, werd eerder ingegeven door politieke motieven, dan door organisatorische overwegingen. Zie over het begin en de uitbouw van de ontwikkelingssamenwerking: Van der Togt, 81-102; Melkert, A. (ed.), De volgende minister: ontwikkelingssamenwerking binnen het kabinet: 1965 tot ? (Den Haag 1986); en in dit rapport hoofdstuk 4 betreffende het DGIS. ). Het DG Internationale Samenwerking voert, zoals hieronder zal blijken, tevens zelf ontwikkelingsprojecten uit.

2 DE ACTOREN OP HET BELEIDSTERREIN BUITENLANDS BELEID EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
2.1 INLEIDING

Het ministerie van Buitenlandse Zaken is niet het enige overheidsorgaan met taken en bemoeienissen op het terrein van het buitenlands beleid en ontwikkelingssamenwerking. Diverse andere ministeries en organen begeven zich vanuit hun specifieke taken op buitenlands terrein. In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van die instellingen, verder genoemd 'actoren', die zich op het beleidsterrein buitenlands beleid bewegen alsook van de onderlinge relaties tussen deze 'actoren'.

2.2 DE REGERING
( In deze tekst wordt gebruikt gemaakt van de staatsrechtelijke term "koning", ook als duidelijk is dat h.m. de koningin bedoeld wordt. )

Volgens de Grondwet berust de wetgevende macht bij de regering (Koning en alle ministers) en de Staten-Generaal (art. 81 GW). De uitvoerende macht is opgedragen aan de regering (art. 42 GW). De rechtsprekende macht, die hier verder buiten beschouwing wordt gelaten, wordt uitgeoefend door de rechterlijke macht.

Onder de uitvoerende macht wordt alles verstaan wat niet tot de wetgevende of rechtsprekende macht behoort, zoals uitvoering van wetten en het bestuur. Deze taken zijn opgedragen aan de regering. De Koning is voor zijn daden niet verantwoordelijk, hij is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk, zowel voor de rechtmatigheid als de doelmatigheid van de daden van de regering. ( De ministeriële verantwoordelijkheid (art. 42 Grondwet) omvat: - strafrechtelijke verantwoordelijkheid (Grondwetsherziening van 1840: de ministers zijn verantwoordelijk voor de rechtmatigheid van daden van de regering); - civielrechtelijke verantwoordelijkheid (niet bij wet geregeld: de ministers moeten persoonlijk de financiële gevolgen dragen voor de schade de zij zelf of hun medewerkers door verkeerde handelingen aan het Rijk hebben toegebracht); - politieke of staatkundige verantwoordelijkheid (Grondwetsherziening van 1848: minister is verantwoordelijk voor de doelmatigheid van het doen en laten van de regering). ) Het formele overleg tussen de Koning en de minister(s) over regeringsaangelegenheden verloopt via het Kabinet van de Koning. ( C.W. van der Pot, Handboek van het Nederlandse staatsrecht (12e druk, Zwolle 1989) 374. )

De ministers vormen samen de ministerraad onder voorzitterschap van de minister-president, die tevens minister van Algemene Zaken is. Aan het overleg in deze raad kan door staatssecretarissen worden deelgenomen wanneer het gaat om onderwerpen waarbij zij vanuit hun beleidsterrein rechtstreeks zijn betrokken. De staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, die belast is met aangelegenheden betreffende de Europese integratie, is sinds het kabinet Den Uyl aanwezig bij de zittingen van de ministerraad omdat de Europese integratie een vast agendapunt vormt. ( S. Rozemond, Regeringsleider in Europa: de rol van de minister-president (Den Haag 1992) 16. ) De taak van de ministerraad wordt vastgesteld bij ministerieel besluit. Samen met de staatssecretarissen vormt de ministerraad het kabinet. In de ministerraad wordt het algemeen regeringsbeleid besproken en vastgesteld. De ministerraad dient daarbij te waken voor eenheid van het beleid (art. 44 lid 3 GW). In het Reglement van Orde van de ministerraad (art. 4 lid 2) staat een aantal zaken opgesomd waarover de ministerraad in ieder geval beraadslaagt en besluiten neemt. ( Reglement van orde van de Ministerraad. Besluit van 16 mei 1979', in: Parlement en Kiezer, 63 (Den Haag 1981) 67. ) Naast aangelegenheden zoals wetsontwerpen, ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur en nota's aan de Staten-Generaal van mogelijk groot politiek en financieel belang, worden er onderwerpen behandeld die specifiek van toepassing zijn op het buitenlands beleid.

De ministerraad beraadslaagt en besluit:

  • lid 2 b: 'over overeenkomsten met andere mogendheden en met volkenrechtelijke organisaties alvorens deze ter stilzwijgende goedkeuring aan beide Kamers der Staten-Generaal worden toegezonden'
  • lid 2 h: 'over belangrijke onderwerpen het buitenlands beleid betreffende, daaronder begrepen het in internationaal verband doen van of instemmen met voorstellen, die van aanmerkelijke invloed kunnen zijn op de geldende rechtsorde, verplichtingen van blijvende aard ten gevolge kunnen hebben, dan wel de Nederlandse Antillen raken'
  • lid 2 i: 'over aan delegaties dan wel aan vertegenwoordigers in het buitenland te verstrekken instructies, alsmede over de samenstelling van delegaties, een en ander voor zover het van belang is de Raad hierin te kennen' ( Ibidem. )

Lid h en i zijn voor meerdere uitleg vatbaar. Immers, wie bepaalt wat 'belangrijk' of 'van belang' is? De wetgever heeft met art. 5 van het Reglement van Orde geprobeerd dit te ondervangen: in die gevallen waarin niet duidelijk is of een aangelegenheid het algemeen regeringsbeleid raakt, dient de minister overleg te plegen met de minister-president. Als zij het samen niet eens kunnen worden, wordt de kwestie in ieder geval in de ministerraad gebracht.

2.3 DE KONING

Als staatshoofd van het Koninkrijk der Nederlanden heeft de Koning taken die het terrein van de buitenlandse betrekkingen betreffen. Eén daarvan is het ontvangen van hoofden van buitenlandse diplomatieke missies ter gelegenheid van het aanbieden van hun geloofsbrieven of ter gelegenheid van hun afscheid. Andersom geeft de Koning de geloofsbrieven die Nederlandse diplomaten aan de staatshoofden in hun standplaats aanbieden af. Voorts ontvangt hij staatshoofden van andere landen en legt hij zelf staatsbezoeken af. Bij de beslissing over het al dan niet ontvangen van of ingaan op een uitnodiging voor een staatsbezoek is hijzelf, de minister-president en de minister van Buitenlandse Zaken betrokken. Aan de minister van Buitenlandse Zaken is in beginsel de uiteindelijke beslissing over het al dan niet ingaan op een uitnodiging (voorbeeld: het staatsbezoek aan de Volksrepubliek China in 1989 werd na de studentenopstand geannuleerd). Hij is ook degene die, als politiek verantwoordelijk minister, de Koning begeleidt bij het afleggen van staatsbezoeken. Het staatsbezoek is voornamelijk een representatieve aangelegenheid, bedoeld om de goede betrekkingen tussen twee landen te onderstrepen. Het optreden van de Koning op het terrein van het buitenlands beleid is voornamelijk ceremonieel van karakter.

De Koning wordt in zijn taken bijgestaan door het Kabinet van de Koning. Het Kabinet treedt op als intermediair tussen de Koning en de verschillende ministeries. Binnen het ministerie van Buitenlandse Zaken is de Directie Kabinet en Protocol belast met het onderhouden van de contacten met het Kabinet van de Koning.

2.4 DE MINISTER-PRESIDENT
( In 1983 is aan het ambt van minister-president een grondwettelijke basis verschaft (artt. 43, 45 en 48 GW 1983). Hiermee werd een feitelijk verworven positie vastgelegd. )

De positie van de minister-president heeft zich in de praktijk ontwikkeld van 'primus inter pares' tot een soort regeringsleider, zij het niet tot een regeringsleider als de Britse Prime Minister of de Duitse Bundeskanzler. ( Overigens verschillen de bevoegdheden van de Europese regeringsleiders onderling. België en Italië wijken niet sterk af van Nederland en het 'dubbele' Franse optreden (president en premier nemen deel aan de Europese Raad) vertoont ook weer een ander beeld. Rozemond, Regeringsleider, 6. ) De facto treedt hij echter wel op als regeringsleider. Aan deze ontwikkeling heeft enerzijds de invulling van het voorzitterschap van de ministerraad door de opeenvolgende ministerpresidenten bijgedragen; de minister-president is tenslotte verantwoordelijk voor de gang van zaken in de ministerraad alsook voor het algemeen regeringsbeleid. Anderzijds heeft hij zijn positie ook als gevolg van zijn lidmaatschap van de Europese Raad kunnen versterken. In de Europese Raad wordt overleg gevoerd over tal van inter- en supranationale aangelegenheden door de staatshoofden c.q. regeringsleiders van de lidstaten van de Europese Gemeenschappen. ( Gezien het overheersend retrospectieve karakter van het onderzoek is in dit rapport de naam 'Europese Gemeenschappen' aangehouden. ) Als lid van deze Raad treedt de minister-president op als vertegenwoordiger van Nederland. Als zodanig raakt hij het beleidsterrein en de positie van de minister van Buitenlandse Zaken.

Vooral door de totstandkoming van de EG en de Europese Raad is het optreden van de ministerpresident op buitenlandse fora onvermijdelijk geworden. In de Europese Raad speelt hij zijn meest pregnante rol. ( Art.2 van de Europese Akte (1986) luidt: 'De Europese Raad is samengesteld uit de Staatshoofden en Regeringsleiders van de Lid-Staten, alsmede de Voorzitter der Europese Gemeenschappen. Hij (...) wordt bijgestaan door de Ministers van Buitenlandse Zaken en door een Lid van de Commissie. De Europese Raad komt ten minste tweemaal per jaar bijeen.' De Europese Raad is de opvolger van de topconferenties van staatshoofden en regeringsleiders die sinds 1961 worden gehouden. Sinds december 1974 dragen deze conferenties de benaming 'Europese Raad'. J.P. Rehwinkel, De minister-president, Eerste onder gelijken of Gelijken onder eerste? (Zwolle 1951), 208-209. )

Omdat de functie van minister-president nu eenmaal de enige functie in Nederland is die vergelijkbaar is met die van een buitenlandse regeringsleider, is hij ook degene die voor bepaalde internationale fora uitgenodigd wordt. Zo krijgt hij, net als staatshoofden en andere regeringsleiders, tijdens de jaarlijkse zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties de gelegenheid een toespraak te houden. Ook in het kader van de NAVO worden er op het niveau van staatshoofden en regeringsleiders bijeenkomsten georganiseerd. Voorts worden staatshoofden en regeringsleiders uitgenodigd voor tal van internationale conferenties en bijeenkomsten van andere aard, niet in de laatste plaats om het gewicht van die bijeenkomsten te vergroten of een bepaald karakter te verlenen.

De huidige positie van de minister-president is uiteraard niet uit de lucht komen vallen, maar is een gevolg van een aantal ontwikkelingen die zich in de periode 1945-1990 hebben voorgedaan. Enerzijds is dit een gevolg van ressortvervaging waar het het terrein van buitenlands beleid betreft (het aantal actoren is in de loop van de tijd immers toegenomen) en anderzijds traden er externe ontwikkelingen op die internationaal optreden van de minister-president vereisten, vooral in multilateraal verband, waar voorheen de minister van Buitenlandse Zaken alleen acte de presence gaf.

Een andere taak van de minister-president op het terrein van de buitenlandse betrekkingen betreft staatsbezoeken en officiële bezoeken. ( Staatsbezoek: bezoek van een staatshoofd op uitnodiging van een ander staatshoofd. Officieel bezoek: bezoek van een staatshoofd of regeringsleider op uitnodiging van de minister-president. ) Bij uitgaande staatsbezoeken neemt hij alleen deel aan het gemeenschappelijk overleg tussen de Koning, de minister-president en de minister van Buitenlandse Zaken. Bij inkomende staatsbezoeken speelt hij ook tijdens het bezoek zelf een rol: met de Koning en de minister van Buitenlandse Zaken is hij aanwezig bij ontvangst en vertrek, zit hij aan bij het galadiner en is hij aanwezig bij tal van andere programma-onderdelen.

In geval van een officieel bezoek is het staatshoofd of de regeringsleider gast van de regering. Op het programma, dat opgesteld wordt door de directie Kabinet en Protocol van Buitenlandse Zaken in overleg met de betreffende ambassade, het Koninklijk Huis en het ministerie van Algemene Zaken, staan dan in ieder geval een diner en een werkbespreking met de minister-president. Verder is de minister-president met de minister van Buitenlandse Zaken aanwezig bij ontvangst en vertrek.

De minister-president, die in het buitenland gezien wordt als regeringsleider en niet als 'primus inter pares', legt zelf ook officiële bezoeken af. In Nederland is het de gewoonte dat de minister-president, na zijn aantreden, in de eerste plaats de overzeese delen van het Koninkrijk bezoekt en daarna de BENELUX- en andere omringende landen.

De inhoudelijke voorbereiding van een buitenlands bezoek van de minister-president is in handen van de betreffende regionale beleidsdirectie van het ministerie van Buitenlandse Zaken, waarbij het Kabinet van de minister-president uiteraard intensief is betrokken. Of de minister-president door de minister van Buitenlandse Zaken wordt vergezeld, wordt van bezoek tot bezoek bekeken.

2.5 DE RELATIE VAN HET MINISTERIE VAN BUITENLANDSE ZAKEN MET ANDERE MINISTERIES VAN ALGEMEEN BESTUUR

De minister van Buitenlandse Zaken is niet (meer) de enige minister die het buitenlands beleid voert. Andere ministers zijn zich meer en meer op dit terrein gaan bewegen. De afkalving van het monopolie van de minister van Buitenlandse Zaken inzake het buitenlands beleid, begon in 1932 met het primaat voor de buitenlandse economische betrekkingen bij de minister van Economische Zaken; het ministerie van Economische Zaken zou 'in volle omvang en bij uitsluiting' worden belast met de uitvoering van de handelspolitiek en de economische voorlichting. ( Kersten, Nederland en de buitenlandse politiek, 382; Organisatie en Reorganisatie, 97-103. Zie ook J.A. de Bruijn, Economische Zaken. Profiel van een ministerie. Departementale studies, nr. 1 ('s-Gravenhage 1989) 15-16. Het DG Buitenlandse Economische Betrekkingen is opgericht op 11 oktober 1946 en sinds 1947 eerstverantwoordelijke, en dus coördinerende instantie, voor het buitenlands economisch beleid (voortvloeiende uit de algemene verantwoordelijkheid van de minister van Economische Zaken voor de ontwikkeling van de Nederlandse economie). )

Tot aan de Tweede Wereldoorlog hebben de andere departementen, behalve Sociale Zaken, zich nooit zoals Economische Zaken een eigen verantwoordelijkheid op het terrein van de buitenlandse politiek verworven. Wel kregen zij, als gevolg van de toenemende internationale samenwerking, bepaalde taken op het terrein van de buitenlandse betrekkingen te behandelen. Deze ontwikkeling kent zijn oorsprong in de 19e eeuw toen op verschillende gebieden internationale samenwerking tot stand kwam, zoals met betrekking tot het post- en telegraafverkeer, het auteursrecht, de industriële eigendom, etcetera. Begin 20e eeuw nam deze internationale samenwerking meer en meer toe, bijvoorbeeld ook op de terreinen van het internationaal privaatrecht en de bestrijding van opiummisbruik.

Voor het ministerie van Buitenlandse Zaken had deze ontwikkeling tot gevolg dat het genoodzaakt werd om met de verschillende binnenlandse vakdepartementen in overleg te treden. De oprichting van de Volkenbond in 1920 betekende een verdere toename van de interdepartementale contacten. Voortdurend was overleg nodig: met Sociale Zaken over vraagstukken betreffende de volksgezondheid; met Justitie voor de behandeling van wisselrecht- en nationaliteitskwesties; met Waterstaat voor verkeersaangelegenheden; met Oorlog en Marine voor het ontwapeningsvraagstuk, etcetera. Alleen het departement van Sociale Zaken nam een bijzondere positie in, in die zin dat dit departement, en niet Buitenlandse Zaken, de primaire verantwoordelijkheid droeg voor betrekkingen met de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO). Het statuut van de ILO, dat voorschreef dat de betrokken vakministers rechtstreeks met de organisatie moesten corresponderen en dus niet via Buitenlandse Zaken, was hier debet aan.

Na de Tweede Wereldoorlog zette deze trend zich voort. Het ministerie van Financiën verwierf zich de zeggenschap over het internationale monetaire beleid. ( Kersten, Nederland in de buitenlandse politiek na 1945, 382. E.H. van der Beugel, Vaststellen en uitvoeren van buitenlandse politiek. Verhouding Buitenlandse Zaken-Vakministeries, Internationale Spectator XXIV (1970) 71. ) Een aantal andere vakdepartementen kreeg de gelegenheid om zelfstandig of samen met Buitenlandse Zaken op internationale fora op te treden door de toenemende Europese samenwerking en integratie. De groeiende wederzijdse afhankelijkheid van de nationale economieën, de internationale aanpak van grensoverschrijdende problemen en de als gevolg van de daardoor ontstane internationale vervlechting van allerlei terreinen van overheidsbemoeienis leidden ertoe dat steeds meer onderwerpen van het binnenlandse beleid op de agenda van het buitenlands beleid kwamen te staan. Om een paar voorbeelden te noemen: het internationale veiligheidsbeleid behoort tevens tot de verantwoordelijkheid van het ministerie van Defensie; de zaken die binnen de Europese Gemeenschap behandeld worden vereisen intensieve samenwerking met vakdepartementen als Economische Zaken en Landbouw & Visserij en Milieu; een cultureel buitenlands beleid kan niet gevoerd worden zonder de ministeries van Onderwijs en Wetenschappen en Welzijn, Volksgezondheid & Cultuur; Verkeer en Waterstaat heeft net als Buitenlandse Zaken een taak in de internationale luchtvaart. Kortom, in beginsel bewegen alle ministeries zich op het terrein van het buitenlands beleid. Een Speciaal Adviseur van het ministerie van Buitenlandse Zaken omschreef deze situatie in een rapport van 1974 aldus: 'het totaal van het buitenlands beleid zou kunnen worden gedefinieerd als het totaal van binnenlandse aangelegenheden overgebracht naar buitenlandse verhoudingen'.

Het gevolg hiervan is dat het ministerie van Buitenlandse Zaken zich in een aantal aangelegenheden ontwikkelde van beleidsbepaler tot coördinator, want BZ bleef eerst verantwoordelijke voor de eenheid van het buitenlands beleid, en dat de rol van de Ministerraad door het veelvuldig interdepartementaal overleg groter werd. De spreekwoordelijke uitzondering op de verantwoordelijkheid van Buitenlandse Zaken voor het buitenlands beleid vormt het ministerie van Economische Zaken, dat nog steeds de verantwoordelijkheid draagt voor het buitenlandse economische beleid. ( De verhouding tussen het ministerie van Buitenlandse Zaken en het ministerie van Economische Zaken met betrekking tot buitenlandse economische en handelspolitieke aangelegenheden staat uitvoerig beschreven in: F.G. Moquette, Van BEP tot BEB. De aanpassing van de bestuurlijke structuren aan de ontwikkelingen van de buitenlandse economische betrekkingen in Nederland sinds 1795 (Leiden 1993). )

Omdat de minister van Buitenlandse Zaken de eerstverantwoordelijke is voor de eenheid van het buitenlands beleid, kunnen de andere ministeries formeel niet zelfstandig internationaal opereren. Het ministerie van Buitenlandse Zaken treedt op als coördinerende instantie. Dat betekent dat overleg plaatsvindt met de vakdepartementen, wanneer het gaat om aangelegenheden die tot hun verantwoordelijkheid behoren en een buitenlands aspect hebben. De aangelegenheden van de diverse vakdepartementen worden op elkaar afgestemd, getoetst aan en ingepast in het buitenlands beleid, zodanig dat in het buitenland een eenduidig Nederlands standpunt kan worden gepresenteerd. Het uitgangspunt van Buitenlandse Zaken daarbij is dat de vakdepartementen op hun eigen 'technische' terrein min of meer vrij spel hebben, maar dat bij politieke implicaties Buitenlandse Zaken het voortouw neemt. ( Code 101, Commissie Interdepartementale Taakverdeling, Missive van de Secretaris-Generaal van Buitenlandse Zaken aan de Secretaris-Generaal van Algemene Zaken, 8 september 1970. )

2.6 ONDERRADEN, MINISTERIËLE COMMISSIES EN VOORPORTALEN
( Aan onderraden, ministeriële commissies en andere coördinatieorganen is een apart institutioneel onderzoek gewijd. voor een uitgebreid overzicht van die instellingen wordt dan ook naar dat rapport verwezen: l. hovy, coördinatie op hoog niveau. institutioneel onderzoek naar de ministeriële coördinatieorganen en de ambtelijke voorportalen, 1945-1990 (den haag 1992). )

Voor een aantal onderdelen van het algemeen regeringsbeleid zijn er onderraden ingesteld: permanente ministeriële commissies, die zich bezighouden met de voorbereiding van onderwerpen die in de ministerraad zullen worden behandeld. Hoewel de onderraden beslissingsbevoegdheden hebben, hebben zij in de praktijk slechts voorbereidende taken en ligt de eindbeslissing bij de ministerraad. ( Reglement van orde van de Ministerraad, artikel 16 en 20. )

In de onderraden hebben naast de betrokken bewindslieden ook ambtenaren zitting. In de REZ (Raad voor Europese Zaken) heeft bijvoorbeeld de Permanente Vertegenwoordiger van Nederland bij de Europese Gemeenschappen zitting. ( Rozemond, 25. ) Naast de voor onbepaalde tijd ingestelde onderraden zijn er ministeriële commissies, die een in de tijd beperkte en omschreven opdracht hebben.

Ten behoeve van de ambtelijke voorbereiding kennen de onderraden zgn. voorportalen. Dit zijn ambtelijke commissies, die vaak tevens fungeren als interdepartementale coördinatiecommissies: commissies die de werkzaamheden van twee of meer departementen ten aanzien van een bepaald beleidsterrein coördineren. ( Voor een opgave van bestaande en opgeheven onderraden, ministeriële commissies, ambtelijke voorportalen en adviescolleges op het beleidsterrein van buitenlandse zaken in de periode 1945 tot heden wordt verwezen naar de bijlage bij Hovy, Coördinatie op hoog niveau.. )

De Raad van Europese Zaken (REZ), de Raad voor Ontwikkelingssamenwerking (ROS) en de Decoratiecommissie zijn onderraden die werkzaam zijn op het beleidsterrein waarvoor de minister van Buitenlandse Zaken of de minister voor Ontwikkelingssamenwerking de eerstverantwoordelijk bewindspersoon is en tevens is aangewezen als coördinerend bewindsman. Dit laatste betekent dat hij dient toe te zien op een deugdelijke interdepartementale voorbereiding, hetgeen met zich meebrengt dat het departement van Buitenlandse Zaken het voorzitterschap en secretariaat voert van deze commissies. ( Reglement van orde van de Ministerraad, artikel 17. ) De REZ kent als ambtelijk voorportaal de Coördinatiecommissie voor Europese Integratie- en Associatieproblemen (CEIA; sinds 1956) en de ROS de Coördinatiecommissie Ontwikkelingssamenwerking (COCOS; sinds 1964).

Onderraden die mede op het beleidsterrein van Buitenlandse Zaken opereren en waarvan de minister niet als coördinerend bewindsman is aangewezen, zijn in de periode 1955-1964 de ( Voor een gedetailleerd overzicht van de samenstelling van de onderraden en bijbehorende ambtelijke voorportalen zie: Hovy, Coördinatie op hoog niveau. ):

  • Algemene Verdedigingsraad (AVR)
  • Raad voor Economische Aangelegenheden (REA)
  • Raad voor Aangelegenheden inzake de Jeugd (RAJ)
  • Raad voor de Ruimtelijke Ordening (RRO)
  • Raad voor Europese Zaken (REZ)

Wat de ministeriële commissies betreft is Buitenlandse Zaken lid van de

  • Ministeriële Commissie Noordzee Aangelegenheden (MICONA) en de
  • Ministeriële Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (MICIV).
2.7 INTERDEPARTEMENTALE COMMISSIES: CONTACTEN VAN BZ MET ANDERE DEPARTEMENTEN OP AMBTELIJK NIVEAU

Interdepartementale commissies worden over het algemeen in het leven geroepen vanuit de behoefte of noodzaak tot overleg en coördinatie, tot het op elkaar afstemmen van het beleid van twee of meer departementen. Vaak vloeit deze noodzaak of behoefte voort uit de normale, dagelijkse, departementale coördinatietaak die het gevolg is van de raakvlakken en overlappingen van het eigen beleidsterrein met dat van andere ministeries. Daarnaast komt het voor dat een minister expliciet als coördinerend bewindspersoon voor een bepaald beleidsterrein of -onderwerp is aangewezen. Hij dient dan de totstandkoming van een gecoördineerd beleid te bevorderen. De instelling van een interdepartementale commissie is daartoe uiteraard een geëigend middel.

Afgezien van het al dan niet aangewezen zijn van een coördinerend bewindspersoon, blijft het een feit dat het beleidsterrein van het ministerie van Buitenlandse Zaken een beleidsterrein is, dat een groot aantal raakvlakken en overlappingen kent met de overige ministeries. Het departement beschouwt zichzelf ook als een ministerie dat 'in beginsel voornamelijk werk verricht van coördinerende aard'. ( Code 101, Taakinventarisatie bij de Rijksoverheid, Memorandum van de Secretaris-Generaal aan de Minister en de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken inzake de Taakinventarisatie der Rijksoverheid, 6 maart 1956. Twintig jaar later in een rapport van de Commissie van Advies voor de Integratie is het element 'coördinatie' opgenomen in de algemene taakomschrijving van het ministerie: 'Het Departement (...) is belast met de voorbereiding, coördinatie en uitvoering van het buitenlands beleid'. Departement van Buitenlandse Zaken, Rapport van de Commissie van Advies voor de Integratie ('s-Gravenhage, 30 oktober 1976) 10. )

2.8 DE STATEN-GENERAAL

'De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk', aldus artikel 50 van de Grondwet. Omdat de regering voor haar beleid verantwoording dient af te leggen aan de volksvertegenwoordiging, spelen de Staten-Generaal een belangrijke rol in het bestuur van Nederland. Het is hun taak de regering te controleren.

Voor een groot aantal beleidsterreinen zijn zowel in de Eerste als in de Tweede Kamer van de Staten-Generaal zogenaamde Vaste kamercommissies ingesteld. De beleidsterreinen van deze commissies vallen samen met die van de departementen van Algemeen Bestuur. ( Eerste Kamer: Reglement van Orde (RvO) van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, 14 november 1967, art. 52. Tweede Kamer: Reglement van Orde voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal, 12 juli 1966, gewijzigd 18 september 1968, art. 30. ) Vaste kamercommissies op het beleidsterrein van Buitenlandse Zaken zijn onder meer die van Buitenlandse Zaken, Ontwikkelingssamenwerking en EG-zaken (zie verder bijlage b.). Deze commissies kunnen met de minister in schriftelijk of mondeling overleg treden. ( RvO Eerste Kamer, art. 61 en art. 63 lid 2. )

Volgens de Grondwet moeten internationale overeenkomsten ter goedkeuring aan de Staten-Generaal worden voorgelegd. De goedkeuring kan zowel stilzwijgend als uitdrukkelijk worden verleend. Willen de Staten-Generaal dat de overeenkomst aan de uitdrukkelijke goedkeuring wordt onderworpen, dan doet de voorzitter van de Kamer hiervan mededeling aan de minister van Buitenlandse Zaken. ( RvO Eerste Kamer, art. 76-81. RvO Tweede Kamer, art. 100-105. )

2.9 HET MINISTERIE VAN BUITENLANDSE ZAKEN
( Hoewel sinds 1983 de officiële term 'ministerie' is, worden de termen departement en ministerie nog altijd door elkaar gebruikt. op het ministerie van buitenlandse zaken reserveert men de term departement voor het centrale apparaat in den haag. met het ministerie worden tevens de nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland aangeduid. in dit rapport is deze terminologie overgenomen. de term departement, ter aanduiding van het ministerie in den haag en de nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland, is vanaf 1 januari 1971 tot en met 1983 in gebruik geweest. )

Het regeringsbeleid wordt voorbereid op de departementen van Algemeen Bestuur. Aan het hoofd van elk van deze departementen staat een minister (art. 44 lid 1 GW). De minister van Buitenlandse Zaken heeft de leiding over het departement, of ministerie, van Buitenlandse Zaken en de vertegenwoordigingen in het buitenland en is verantwoordelijk voor het buitenlands beleid (art. 42 lid 2 GW). De ambtelijke leiding van het ministerie berust bij de secretaris-generaal. Het ministerie ondersteunt de minister bij de voorbereiding en uitvoering van het buitenlands beleid.

Een wettelijke grondslag voor het bestaan van het beleidsterrein 'buitenlands beleid' is te vinden in de Grondwet van 1972. De tekst van artikel 58 luidt: 'De koning heeft het opperbestuur der buitenlandse betrekkingen. Hij bevordert de ontwikkeling der internationale rechtsorde.' In de Grondwetsherziening van 1987 is het eerste deel van dit artikel vervallen; het tweede deel is gehandhaafd, hoewel het woordje 'hij' is vervangen door 'de regering'.

In z'n algemeenheid kan de taak van het ministerie van Buitenlandse Zaken worden omschreven als de voorbereiding en uitvoering van het buitenlandse beleid. De vaststelling van het beleid gebeurt, zover dit het algemene regeringsbeleid raakt, in de ministerraad. Voor de overige beleidsvaststelling draagt de minister zelf de verantwoordelijkheid, 'voor zover geen beleid wordt geraakt waarvoor andere ministers de eerste verantwoordelijkheid dragen'. ( De regering in een Memorie van Antwoord van 6 december 1979 betreffende de Grondwetsherziening van bepalingen inzake de buitenlandse betrekkingen: "Met inachtneming van de hun toegewezen taken zijn de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking de eerste verantwoordelijken voor het buitenlandse beleid, dat wil zeggen voor zover geen beleid wordt geraakt waarvoor andere ministers de eerste verantwoordelijkheid dragen". Tweede Kamer der Staten-Generaal, Zitting 1979-1980, 15 049, nr.7, p. 2. ) Tot de taken van de minister van Buitenlandse Zaken behoren het behartigen van de Nederlandse belangen in het buitenland, het behartigen van de belangen van Nederlandse onderdanen in het buitenland, het voldoen aan internationale verplichtingen en het bevorderen van de internationale rechtsorde. Hoe deze taak in de praktijk wordt vervuld zal in de volgende hoofdstukken aan de orde komen.

2.10 NEDERLANDSE VERTEGENWOORDIGINGEN IN HET BUITENLAND

Strikt genomen zijn de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk der Nederlanden in het buitenland geen afzonderlijke actoren. Zij maken deel uit van het ambtelijk apparaat van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Verspreid over de hele wereld verrichten zij werkzaamheden ten behoeve van de beleidsvoorbereiding en voeren zij beleid uit dat op het departement in Den Haag wordt gemaakt. Het zijn vooruitgeschoven posten van het departement.

Na 1945 hebben de vertegenwoordigingen in het buitenland een snelle ontwikkeling doorgemaakt. Door 'de toename van overheidstaken, de toename van het aantal onafhankelijke landen, de intensivering van de internationale samenwerking, het ontstaan van belangrijke multilaterale overleggen samenwerkingsvormen (EG, VN, NAVO, Raad van Europa etcetera), de toename van de ontwikkelingssamenwerking en het steeds belangrijker worden van economische en commerciële taken' namen zij sterk toe zowel in aantal als in omvang. ( Aantekening van de minister van Buitenlandse Zaken aan de Tweede Kamer, Bijlagen Tweede Kamer, 1986-1987, 20 022, nr. 1, p. 4. )

De Nederlandse vertegenwoordigingen kunnen in drie categorieën worden onderscheiden, namelijk multilaterale diplomatieke vertegenwoordigingen, bilaterale diplomatieke vertegenwoordigingen en consulaire vertegenwoordigingen. ( Zie voor een uitgebreid overzicht hoofdstuk 6 van dit rapport. )

De posten vertegenwoordigen het gehele Koninkrijk. Zij ontvangen hun instructies van het ministerie van Buitenlandse Zaken en sinds het concordaat van 26 juli 1950 tussen Buitenlandse Zaken en Economische Zaken tevens van het Directoraat-Generaal Buitenlandse Economische Betrekkingen. Sinds 1955 ontvangen de posten ook instructies van de Economische Voorlichtingsdienst (EVD). ( Van der Togt, 32. ) De instructies afkomstig van de andere ministeries gaan via het departement van Buitenlandse Zaken naar de posten.

In beginsel zijn de ambtenaren werkzaam op een vertegenwoordiging van Nederland in het buitenland in dienst van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Dit geldt echter niet voor een aantal gespecialiseerde functies met betrekking tot militaire en agrarische aangelegenheden. Die worden vervuld door ambtenaren van de ministeries van Defensie en van Landbouw & Visserij. Ook andere ministeries kennen, zij het in bescheidener mate dan Defensie en L&V, dergelijke functionarissen.

2.11 EXTERNE ADVIESCOMMISSIES

Een externe adviescommissie is een beleidsvoorbereidend orgaan waarvan de helft of meer dan de helft van de leden bestaat uit niet-ambtenaren ( De hier bedoelde niet-ambtenaar, kan wel ambtenaar in de zin der wet zijn, maar niet een ambtenaar tot wiens functie het behoort om de minister onder wie hij of zij ressorteert te adviseren over de problematiek waarvoor het adviesorgaan is ingesteld. Algemene Aanwijzingen voor de Rijksdienst inzake externe adviesorganen en inzake interdepartementale commissies (Staatsuitgeverij, april 1987) art. 1.2. ) en dat tot taak heeft de regering of één of meer ministers te adviseren omtrent het te voeren beleid. Deze commissies worden ingesteld door de minister(s) van het beleidsterrein(en) waarop de commissie opereert.

Het oudste adviescollege op het terrein van het buitenlands beleid is de Staatscommissie voor de te nemen maatregelen ter bevordering der codificatie van het internationaal privaatrecht. Dit college, ingesteld in 1897 bij Koninklijk Besluit, adviseert de ministers van Buitenlandse Zaken en Justitie over het internationaal privaatrecht.

2.12 VORMEN VAN GOUVERNEMENTELE INTERNATIONALE SAMENWERKING

Zoals hierboven al enige malen vermeld, is het Nederlands buitenlands beleid na de Tweede Wereldoorlog in toenemende mate georiënteerd op samenwerkingsverbanden met meerdere landen. Naast bilaterale betrekkingen, tussen twee staten, kwamen er multilaterale betrekkingen, tussen meerdere staten, tot stand. De multilaterale samenwerking kreeg gestalte in vele internationale verbanden. In deze verbanden is een aantal typen te onderscheiden:

Conferenties:
Een vorm van internationale samenwerking speelt zich af binnen conferenties. Een conferentie is een tijdelijke samenwerkingsvorm, die bijeen wordt geroepen om een bepaald onderwerp te behandelen, waarbij het de opzet is door die samenwerkingsvorm een door alle partijen te accepteren resultaat te bereiken. Voorbeelden van conferenties zijn: Ontwapeningsconferentie te Génève, de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa te Stockholm (CVSE) en de Conferentie over Wederzijdse en Evenwichtige Vermindering van Strijdkrachten te Wenen (MBFR), de Intergouvernementele Groep voor Indonesië (IGGI).

Intergouvernementele organisaties:
Organisaties die geen eigen bevoegdheden hebben tegenover de verdragsluitende staten. Beslissingen kunnen slechts worden bereikt wanneer alle partners daarmee instemmen. Voorbeelden zijn: de Raad van Europa, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de Verenigde Naties.

Supranationale organisaties:
Organisaties die eigen bevoegdheden hebben met betrekking tot wetgeving, rechtspraak en bestuur, waaraan de verdragsluitende landen zijn onderworpen. ( De mogelijkheid om bevoegdheden aan volkenrechtelijke organisaties over te dragen is neergelegd in art. 92 van de Grondwet: bij of krachtens verdrag kunnen aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen. ) Een voorbeeld van een supranationaal samenwerkingsverband is de Europese Gemeenschap (EG).

Voor het Nederland buitenlands beleid zijn internationale organisaties een platform om het Nederlands standpunt met betrekking tot diverse aangelegenheden uit te dragen en de Nederlandse belangen zo goed mogelijk te behartigen. Op welke wijze dat gebeurt en hoe groot de Nederlandse invloed is verschilt van organisatie tot organisatie en is afhankelijk van de rol, samenstelling, taak en structuur van de betreffende organisatie en het belang dat Nederland aan zo'n organisatie hecht. Er is immers in de praktijk van het besluitvormingsproces van een organisatie verschil tussen een intergouvernementele instelling (waarbij voor besluitvorming consensus nodig is) of een supranationale (besluitvorming bij meerderheid van, al dan niet gewogen, stemmen).

2.13 PARTICULIERE (INTER-)NATIONALE ORGANISATIES

Op het terrein van het buitenlandse beleid is een groot aantal internationale en nationale particuliere organisaties actief. Een aantal van deze organisaties, ook genoemd NGO's (niet-gouvernementele organisaties), wordt betrokken bij de beleidsvoorbereiding en/of uitvoering. Voorbeelden hiervan zijn de ontwikkelingsorganisaties NOVIB, HIVOS, CEBEMO en ICCO, die werkzaam zijn op het beleidsterrein van het directoraat-geneneraal Internationale Samenwerking, en die in sommige gevallen beschouwd kunnen worden als uitvoerders van het DGIS-beleid.

Daarnaast zijn er nog een heleboel andere particuliere organisaties actief op (delen van) het terrein van het buitenlands beleid. Een opsomming geven van deze organisaties is een ondoenlijke zaak. In de eerste plaats omdat het een sterk wisselend bestand is en in de tweede plaats omdat het vrijwel onmogelijk is eenduidige criteria aan te leggen welke organisaties wel en welke organisaties niet opgenomen zouden moeten worden. Desalniettemin kunnen hier wel enkele voorbeelden genoemd kunnen worden: Amnesty International, Greenpeace, Artsen zonder Grenzen, Wereldwinkels, IKV, Centrum voor Informatie en Documentatie over Israël, Medisch Comité Nederland Vietnam etc.

3 HET DEPARTEMENT VAN BUITENLANDSE ZAKEN 1958-1990
3.1 DIRECTORAAT-GENERAAL POLITIEKE ZAKEN

3.1.1 Directie NAVO- en WEU-zaken (DNW), 1958-1976

Door samenvoeging van de directie Militaire Aangelegenheden (DGEM/DMA) en het bureau NAVO en Europese Defensie-aangelegenheden (DWS/NE) werd de directie NAVO- en WEU-zaken gevormd. Alle aangelegenheden met betrekking tot de NAVO en de WEU, alsmede alle overige veiligheidsvraagstukken werden bij deze directie geconcentreerd. Formeel is de directie bij ministeriële beschikking van 3 april 1958 met ingang van 1 februari 1958 ingesteld. ( Code 133, dossier Instelling directies, 3 april 1958 APD/PD 40995. )

De taakomschrijving van DNW omvatte de volgende onderdelen:

  1. Internationale samenwerking in Europees en Atlantisch verband
  2. Coördinatie van de politieke, politiek-militaire, financieel-economische, organisatorische, wetenschappelijk, juridische, sociale en culturele aspecten van de instructies aan de Nederlandse vertegenwoordigingen bij de NAVO en de WEU, inclusief die, betrekking hebbende op produktie van militair materieel en op civiele verdedigingsvoorbereiding
  3. Amerikaanse en Canadese militaire hulpverlening
  4. Contacten terzake met andere departementen (in de Gids van 1959 worden genoemd: Departementen van Oorlog en Marine, van Economische Zaken en van Financiën). ( Gids (1959) 21. )

DNW, en later DAV, was tevens verantwoordelijk voor de inbreng van het ministerie van Buitenlandse Zaken met betrekking tot het al dan niet afgeven van exportvergunningen voor strategische goederen. De grondslag voor het exportvergunningenbeleid ten aanzien van strategische goederen werd gevormd door de In- en Uitvoerwet van 1962. ( In- en Uitvoerwet 1962 (Staatsblad 295, 1962); nadere regelingen staan vermeld in het Uitvoerbesluit Strategische Goederen; van belang zijn ook de Nota Ontwapening en Veiligheid (1975), het Rapport inzake het Militair-Industrieel Complex (1977), de Nota inzake de Rechten van de Mens in het Buitenlands Beleid (1979) en diverse uitspraken van de Tweede Kamer. ) Deze raamwet stelde geen concrete regels, maar verleende bevoegdheden om, waar nodig, regelend op te treden. De te volgen procedure was als volgt: ( L. van der Mey, K. Colijn e.a. (eds.), De Nederlandse wapenexport. Beleid en Praktijk. Indonesië, Iran, Taiwan (Den Haag 1984) 15 e.v.; ook: Handelingen Tweede Kamer (1980-1981), 16204, nr. 3, 2. )

Een bedrijf vroeg een exportvergunning aan bij het ministerie van Economische Zaken, dat zich voor de beoordeling van de buitenlands-politieke aspecten wendde tot het ministerie van Buitenlandse Zaken. Betrof het materieel dat ook bij de Nederlandse Krijgsmacht in gebruik was, dan oordeelde het ministerie van Defensie in verband met de classificatie van bepaalde onderdelen van het wapensysteem. De afweging door het ministerie van Defensie was een onderdeel van de politieke beoordeling door het ministerie van Buitenlandse Zaken. Op dezelfde wijze werd de minister voor Ontwikkelingssamenwerking (sinds 1973) geconsulteerd, als het ging om levering van materiaal aan concentratielanden van de Nederlandse ontwikkelingshulp. Buitenlandse Zaken, i.c DNW of DAV verzorgde de politieke beoordeling en Economische Zaken het belang van de Nederlandse economie. Indien tussen die twee geen overeenstemming werd bereikt besliste het kabinet. Voorafgaand aan een exportvergunning werd veelal een "letter of intent" (vaak aangeduid als 'voorlopige exportvergunning') aangevraagd. Deze kon, evenals de definitieve vergunning, worden geweigerd of, bij veranderde omstandigheden, worden ingetrokken. Bij de beoordeling tot afgifte van een "letter of intent" of exportvergunning werden de volgende elementen betrokken:

  • de aard van het materieel
  • de situatie met betrekking tot het ontvangende land
  • de defensiebehoefte van het ontvangende land
  • de economische en financiële toestand van het ontvangende land
  • de precedentwerking
  • het werkgelegenheidsaspect
  • wapenembargomaatregelen

Voor de uitvoering van deze taken werd de directie verdeeld in een viertal bureaus, te weten:

Algemene NAVO- en WEU-zaken (AN), Financieel-militaire aangelegenheden (FM), Productie en Civiele Verdedigingsvoorbereiding (PC) en Militaire Hulpverlening (MH). De chef werd bijgestaan door twee sous-chefs waarvan de één tevens optrad als plaatsvervanger van de chef en de ander tevens de functie van hoofd van de afdeling Militair-economische aangelegenheden en civiele defensie (DNW/MC) vervulde. Deze afdeling omvatte de bureaus FM, PC en MH.

In 1959 werd om personele redenen een tweede afdeling gevormd, de afdeling Politieke Aangelegenheden en Militaire Hulpverlening (PH). ( Ministeriële beschikking van 10 november 1959 API/PD 142410 met ingang van 1 augustus 1976. Code 133, Instelling directies. ) Deze afdeling omvatte het bureau (AN), dat nu bureau Politieke NAVO- en WEU-aangelegenheden (PN) ging heten, alsmede het bureau Economische aangelegenheden en Militaire hulpverlening (EH), het voormalige bureau Militaire hulpverlening (MH) van de afdeling MC.

In deze vorm bleef de directie min of meer ongewijzigd voortbestaan tot 1976 (zie verder Directie Atlantische Samenwerking en Veiligheidszaken).

De bureaus van de directie verzorgden elk op eigen terrein instructies aan de Nederlandse vertegenwoordigers in de betrokken commissies en werkgroepen NAVO en WEU. De NAVO was tot 1967 gevestigd te Parijs. De aldaar gevestigde Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging functioneerde tevens als vertegenwoordiging van Nederland bij de OESO en heette de Gecombineerde Nederlandse Vertegenwoordiging (GNV). In 1967, toen de NAVO naar Brussel verhuisde, werd ook daar een Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging gevestigd, de PV NAVO. De Permanente Raad van de WEU zetelde in Londen. Nederland had hier geen Permanente Vertegenwoordiging.

Chef DNW had zitting in de:

  • Defensieraad (behandeling van internationale aangelegenheden), 1963-1976.
  • Interdepartementale Commissie Dienstplichtbeleid, 1970-1975
  • Adviesraad voor Militaire Productie, 1959-1976
  • Commissie Nieuwe Wapens, 1959- (secretariaat bij hoofd bureau DNW/PC)
  • Interdepartementale Coördinatiecommissie voor Internationale milieuvraagstukken, 1971-1976
  • werkgroepen van de EPS

3.1.1.1 Afdeling Politieke aangelegenheden en militaire hulpverlening (DNW/-PH), 1959-1976

Bureau Algemene NAVO- en WEU-aangelegenheden (DNW/AN), 1958-1959 en bureau Politieke NAVO- en WEU-aangelegenheden (DNW/PH), 1959-1976

Onder de naam Algemene NAVO- en WEU-aangelegenheden heeft dit bureau slechts één jaar bestaan. In 1959 kwam het bureau te ressorteren onder de afdeling Politieke Aangelegenheden en Militaire Hulpverlening (DNW/PH) en werd in de naamgeving het woord `algemene' verruild voor het woord `politieke' (DNW/PN). Voor de taak had dit geen gevolgen.

Het bureau behartigde `alle zaken de uitvoering van het Noordatlantische verdrag, alsmede de uitvoering van de Parijse Protocollen inzake de instelling van de West-Europese Unie betreffende, voor zover dit althans geen aangelegenheden zijn van financieel-economische of zuiver militaire aard'. Het bureau richtte zich dus op politieke en politiek-militaire vraagstukken alsmede op organisatorische vraagstukken betreffende de NAVO en de WEU. Het bureau verzorgde tevens de (inter-)departementale coördinatie van de juridische, sociale en culturele onderwerpen die binnen de NAVO en WEU aan de orde kwamen.

Bij de naamswijziging van de directie in Atlantische Samenwerking en Veiligheidszaken, kreeg dit bureau de naam Politieke Aangelegenheden (DAV/PH).

Het hoofd van het bureau heeft zitting in het - dagelijks bestuur van de Atlantische Commissie, 1968-onbekend. ( De Atlantische Commissie is een particuliere organisatie die zich beijvert voor de bevordering van de Atlantische gedachte in Nederland en elders. Zie code 101 O&I DAV, 1971-1985. Taakomschrijving van het bureau PN, 1960. )

Bureau Economische Aangelegenheden en Militaire Hulpverlening (DNW/EH), 1958-1976

Bij ministeriële beschikking van 10 november 1959 werd de naam van bureau Militaire Hulpverlening (DNW/MH) gewijzigd in bureau Economische Aangelegenheden en Militaire Hulpverlening (DNW/EH). Tegelijkertijd werd het bureau overgebracht van de afdeling Militair-Economische Aangelegenheden (DNW/MC) naar de afdeling Politieke Aangelegenheden en Militaire Hulpverlening (DNW/PH). Voor de taakinhoud had dit geen gevolgen. Deze richtte zich enerzijds op de militaire hulpverlening en anderzijds op economische vraagstukken in NAVO-verband.

Begin jaren zeventig kwam de behandeling van milieuvraagstukken in NAVO-verband (CCMS: Committee on the Challenges of Modern Society) en de behandeling van de economische aspecten van de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE) erbij. Naast de instructies, die van dit bureau uitgingen naar de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging bij de Noordatlantische Raad te Parijs, vanaf 1967 gevestigd te Brussel, gingen er ter zake van de CVSE tevens instructies naar de missie in Genève, die belast was met de deelname aan de CVSE.

De taak van het bureau met betrekking tot de militaire hulpverlening is in de loop van de tijd sterk in omvang verminderd ( Terwijl het Jaarboek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken 1961-1962 het einde van de Amerikaanse en Canadese militaire hulpverlening aan Nederland al aankondigt (63), wordt de militaire hulp tot en met de Gids van het Departement van Buitenlandse Zaken 1976 bij het takenpakket van DNW genoemd. Uit de scriptie van I. Megens, De Amerikaanse militaire hulpverlening aan Nederland (1980) valt op te maken dat de hulp in ieder geval tot en met 1965 doorliep (80). ). Deze beperkte zich tot het afhandelen van aangelegenheden die samenhingen met de door de Verenigde Staten en Canada aan Nederland verleende hulp en het bemiddelen bij de Nederlandse financiële bijdrage aan de Military Assistance and Advisory Group (MAAG).

Het hoofd van het bureau voerde het secretariaat van de

  • Contact-commissie Schone Motoren, 1971-onbekend
en was plaatsvervanger van de chef in de
  • Interdepartementale Coördinatiecommissie voor Internationale Milieuvraagstukken, 1971-1976
.

3.1.1.2 Afdeling Militair-Economische Aangelegenheden en Civiele Defensie (DNW/MC), 1958-1965 en Afdeling Militaire en civiele Verdedigingsaangelegenheden DNW/MC, 1965-1976

In eerste instantie omvatte deze afdeling drie bureaus, namelijk: Financieel-Militaire Aangelegenheden (DNW/FM), Produktie en Civiele Verdedigingsvoorbereiding (DNW/PC) en Militaire Hulpverlening (DNW/MH). Dit laatste bureau werd in 1959, zoals al eerder is gezegd, als bureau Economische Aangelegenheden en Militaire Hulpverlening (DNW/EH) overgeheveld naar de afdeling Politieke Aangelegenheden en Militaire Hulpverlening (DNW/PH).

In hetzelfde jaar werd de naam van bureau FM gewijzigd in bureau Militaire Samenwerking (DNW/MS). In 1965 werd op grond van een voorstel van chef DNW de naam van de afdeling gewijzigd in Afdeling Militaire- en Civiele Verdedigingsaangelegenheden (met ongewijzigde afkorting). Naar zijn mening gaf de vroegere naam een onvolledige omschrijving van de feitelijke werkzaamheden.

Chef DNW en hoofd DNW/MC waren beiden lid van de

  • Raad van overleg omtrent Research en ontwikkeling ten behoeve van de Koninklijke Landmacht, 1969-onbekend

Chef DNW en hoofd DNW/MC waren lid, respectievelijk plaatsvervangend lid van de

  • Commissie Nieuwe Wapens, 1959-onbekend

Hoofd DNW/MC was adviserend lid van het

  • Nederlands Defensie Research Coördinatie Comité, 1960-1976

Bureau Financieel-Militaire Aangelegenheden (DNW/FM), 1958-1959 en Bureau Militaire Samenwerking (DNW/MS), 1959-1976

De voorganger van dit bureau was het bureau NAVO- en WEU-zaken van de directie Militaire Aangelegenheden van het DG Economische en Militaire Aangelegenheden (DGEM/DMA/NW).

De naam van het bureau werd in december 1959 gewijzigd in bureau Militaire Samenwerking (DNW/MS). De reden hiervan is onduidelijk. De werkzaamheden van het bureau bleven gericht op internationale financieringsvraagstukken als de NAVO-infrastructuurprogramma's, het Europese militaire pijpleidingennet, internationale begrotingen van de NAVO-hoofdkwartieren, e.d. Daarnaast werden vraagstukken rond de militaire samenwerking binnen NAVO en WEU behandeld, waaronder de defensieplannen binnen de NAVO (`Defense Planning'), integratie van de NAVO-strijdkrachten, NAVO Annual Review en WEU Controle-Agentschap voor het toezicht op de bewapening.

Hoofd van het bureau was één van de vier secretarissen van de

  • Commissie van Civiele en Militaire Deskundigen, 1971-1972.
.

Bureau Produktie en Civiele Verdedigingsvoorbereiding (DNW/PC), 1958-1976

Het bureau Produktie en Civiele Verdedigingsvoorbereiding kende twee voorgangers bij de directie Militaire Aangelegenheden van het DG voor Economische en Militaire Aangelegenheden (DGEM/DMA), namelijk de bureaus Produktie en Goederen-Vraagstukken (DMA/PG) en bureau Militaire Hulpverlening (DMA/MH). Bij `produktie' gaat het onder meer om standaardisatie, uitwisseling van technische gegevens en produktiesamenwerking op het terrein van militair materieel. Bij `civiele verdedigingsvoorbereiding' gaat het om maatregelen ter bescherming van de burgerbevolking in geval van oorlog en eventuele andere calamiteiten.

De onderwerpen die het bureau behandelde, waren:

  • Produktie- en aanverwante vraagstukken, samenhangende met het Amerikaanse hulpprogramma (t/m 1959);
  • Produktie- en aanverwante vraagstukken in NAVO- en WEU-verband (resp. in Defense Production Committee (DPC) en Standing Armaments committee (SAC);
  • Wetenschappelijke samenwerking binnen de NAVO, onder andere omvattende de defensieresearch (Science Committee);
  • Civiele Verdedigingsvoorbereiding in de NAVO (Comité der Hoofdverantwoordelijken voor de Civiele Verdedigingsplannen (SCEPC);
  • Uitvoer uit en doorvoer door Nederland van militair materieel.

Het hoofd van het bureau is secretaris van de

  • Commissie Nieuwe Wapens, 1959-onbekend ( Volgens het Overzicht interne adviesorganen c.o. (1977) wordt het secretariaat in 1977 vervuld door het ministerie van Defensie. Overige betrokken ministeries zijn: Onderwijs en Wetenschappen, Financiën, Verkeer en Waterstaat en Economische Zaken. )

en plaatsvervangend adviserend lid van het

  • Nederlands Defensie Research Coördinatie Comité, 1960-1976

3.1.2 Directie Europa (DEU), 1958-

Samen met de directie Westelijk Halfrond, de directie Oosten en de directie Afrika en Midden-Oosten is de directie Europa verantwoordelijk voor de voorbereiding van het buitenlandse politieke beleid ten aanzien van, en de verzorging van de bilateratele betrekkingen van Nederland met de andere landen in de wereld. De directie Europa doet dat, zoals de naam al aangeeft, voor de regio Europa. De directie is ingesteld bij de reorganisatie van 1950 en is nadien niet van naam veranderd, noch opgeheven. De taakomschrijving is gedurende de gehele periode 1950-1990 in algemene zin ongewijzigd gebleven: het behandelen van alle aangelegenheden van buitenlandse politiek in de ruimste zin van het woord, derhalve alle zaken waaraan een beleidsaspect is verbonden, ongeacht of het zuiver politieke dan wel economisch, sociale of verkeersvraagstukken geldt, voor zover zij betrekking hebben op de bij de bureaus vermelde landen of regionale organisaties.

De taak van de chef van de directie, chef DEU, bestaat uit de leiding over de bureaus, de coördinatie van de werkzaamheden en de coördinatie van aangelegenheden die meerdere bureaus betreffen. Hij heeft directe toegang tot de ambtelijke en politieke leiding en vertegenwoordigt het departement in delegaties, raden en commissies. ( Lijst is niet volledig. )

Hij is/was:

  • lid van de Nederlandse delegatie van de Internationale commissie voor de bescherming van de Rijn tegen verontreiniging, 1963-1990;
  • lid van de Nederlandse delegatie van de Permanente commissie voor de coördinatie van de handelspolitiek (Benelux), 1950-1958;
  • lid van de Nederlandse delegatie van de Administratieve raad voor de douaneregelingen (Benelux), 1950-1958;
  • lid van de Nederlandse delegatie van de Raad voor de Economische Unie (Benelux), 1950-1958;
  • lid van de Nederlandse delegatie van de Raad voor de Handelsaccoorden (Benelux), 1950-1958;
  • lid van de Nederlandse delegatie van de Permanente consultatieve commissie voor de buitenlandse politiek der Beneluxlanden, 1955-1960 en 1961-1963 (voorzitter is DGPZ);
  • voorzitter van de Interdepartementale coördinatiecommissie inzake de betrekkingen tussen de Benelux-regeringen en de Raadgevende Interparlementaire Benelux-Raad (1959-heden);
  • voorzitter van de Interdepartementale commissie inzake Nationalisatievraagstukken, 1957-1964;

Bij de instelling in 1950 bestond de directie uit vijf bureaus, te weten Westelijke Samenwerking (DEU/WS), West-Europa (DEU/WE), Oost-Europa (DEU/OE), Duitsland (DEU/DU) en Benelux (DEU/BE). In 1990 bestonden alleen nog de bureaus West-Europa en Oost-Europa. Hier onder wordt deze ontwikkeling, voor wat betreft organisatie en taken, nader uit de doeken gedaan. Vooraf gaat een overzicht van de wijzigingen van de regioverdeling per bureau.

Bureau Duitsland (DEU/DU), 1950-1953: Bondsrepubliek Duitsland, Saargebied, Berlijn en de Russische bezettingszone.

Bureau West-Europa (DEU/WE), 1950-1967: België (vanaf 1958, daarvoor bij DEU/BE), Cyprus (vanaf 1965, daarvoor bij DEU/OE), Denemarken, Finland, Frankrijk, Griekenland (vanaf 1965. daarvoor bij DEU/OE), Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Ierland (Gids van 1950-1962; Gids vanaf 1967), Italië, Luxemburg (vanaf 1958, daarvoor bij DEU/BE), Noorwegen, Oostenrijk (in 1953 over naar DEU/ME), Portugal, Spanje, Turkije (vanaf 1965, daarvoor bij DEU/OE), Vaticaan (vanaf Gids van 1953), IJsland, Zweden, Zwitserland (in 1953 over naar DEU/ME).

Bureau Oost-Europa (DEU/OE), 1950-1990: Albanië, Bulgarije, Cyprus (in 1965 over naar DEU/WE), Duitse Democratische Republiek (vanaf 1988), Griekenland (in 1965 over naar DEU/WE), Hongarije, Joegoslavië (in Gids 1950 en vanaf 1972), Polen, Roemenië, Tsjechoslowakije, Turkije (in 1965 over naar DEU/WE), Ukraïne (alleen opgave in Gids 1950), Unie van Socialistische Sovjet Republieken, Wit-Rusland (alleen opgave in Gids 1950), Zuid-Slavië (t/m 1972; zie Joegoslavië).

Bureau Midden-Europa (DEU/ME), 1953-1967: Bondsrepubliek Duitsland (inclusief Russische bezettingszone), Saargebied (wordt in 1957 opgenomen in de Bondsrepubliek Duitsland), Berlijn, Oostenrijk, Zwitserland alsmede de Centrale Rijnvaartcommissie en het Internationaal orgaan voor de Ruhr.

Bureau Noord- en Midden-Europa (DEU/ME), 1967-1988

In 1967 vond er een herschikking plaats van de landen die behandeld werden door Bureau Midden-Europa en Bureau West-Europa. De Noord-Europese landen werden bij Bureau Midden-Europa gevoegd, dat nu Bureau Noord- en Midden-Europa ging heten; de Zuideuropese landen werden bij Bureau West-Europa gevoegd, dat de naam Bureau West- en Zuid-Europa kreeg.

Bureau West- en Zuid-Europa (DEU/WE), 1967-1988

Bij een herschikking van landen, in behandeling bij de Bureaus Midden-Europa en West-Europa werden de Zuid-Europese landen bij Bureau West-Europa gevoegd, dat de naam Bureau West- en Zuid-Europa kreeg.

Secretariaat van de:

  • Interdepartementale Coördinatiecommissie inzake de betrekkingen tussen de Beneluxregeringen en de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad (Coördinatiecommissie Interparlementaire Beneluxraad), 1967-1986.

Bureau Schadeclaims DDR (DEU/SD), 1973-1988

Dit bureau week als niet-beleidsbureau af van de andere DEU-bureaus. Het behandelde de individuele claims van Nederlandse natuurlijke en rechtspersonen op de Duitse Democratische Republiek vanwege schade ontstaan als gevolg van nationalisaties of andere overheidsmaatregelen. De beleidsbureaus hielden zich wel met schadeclaims bezig, maar dan ging het om politieke onderhandelingen op ambtelijk en diplomatiek niveau en niet om de daadwerkelijke behandeling van individuele claims (verifiëren vordering, opmaken van uitdelingslijsten). Tot en met 1970 was dat laatste gedaan door mr Van der Walle, achtereenvolgens bij DEU/OE, DWS, DEU/WE, chef DEU en chef DAZ. Een apart bureau voor de behandeling van schadeclaims was er bij DEU dus niet eerder geweest. Wel bij de directie Oosten. Daar bestond sinds 1969 het Bureau Schadeclaims Indonesië (DOA/SI). Dit bureau behandelde ook de schadeclaims die als gevolg van het Compensatie-akkoord met Egypte werden ingediend. Bij de behandeling van die zaken werkte het bureau dan onder de verantwoordelijkheid van het Bureau Midden-Oosten van de directie Afrika en Midden-Oosten (DAM/MO) en werd het aangeduid met sectie Uitvoering Compensatie-akkoord Egypte (DAM/CE). Voor de behandeling van de Oost-Duitse schadeclaims werd een soortgelijke regeling getroffen. De claims werden door de ambtenaren van Bureau DOA/SI behandeld, die dan als DEU/SD ressorteerden dan onder chef DEU. De laatste vermelding in de Gids van DEU/SD is in 1988.

3.1.2.1 Korte schets van de civiele en militaire overleg- en beslissingsorganen van de NAVO

Van de Noord Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) vormt de Noordatlantische Raad het hoogste beslissingsorgaan. De Raad wordt voorgezeten door de Secretaris-Generaal van de NAVO. In de Raad zijn de lidstaten elk vertegenwoordigd door een Permanente Vertegenwoordiger (PV) met de rang van ambassadeur, die wordt bijgestaan door een nationale ambtelijke delegatie. Elke PV handelt volgens instructies van zijn regering. De Raad komt tweemaal per jaar in ministeriële zitting bijeen, dat wil zeggen dat de lidstaten dan vertegenwoordigd zijn door hun ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie. In de geschiedenis van de NAVO kwam de Raad ongeveer tienmaal bijeen op topniveau, dat wil zeggen op het niveau van staatshoofden en regeringsleiders. De PV's komen wekelijks bij elkaar 'in permanente zitting.'

Het militair beleid wordt besproken in het Defensieplanningcomité (DPC), waaraan alle lidstaten, behalve Frankrijk deelnemen. Binnen zijn verantwoordelijkheid heeft het DPC in de praktijk dezelfde functies en dezelfde autoriteit als de Raad. Evenals de Raad vergadert het comité regelmatig op PV-niveau en tweemaal per jaar met de ministers van Defensie van de lidstaten.

De Nucleaire Planninggroep (NPG) functioneert op hetzelfde niveau als het DPC en is het specifieke overlegforum voor nucleaire aangelegenheden. Samenstelling: zie DPC. IJsland neemt deel als waarnemer.

Onder de Raad functioneren een groot aantal Comités of Commissies en Werkgroepen. Deze bereiden het beleid voor, waarover de Raad beslist. De meeste Comités brengen verslag uit aan de Raad, een aantal aan het DPC of de NPG en sommige, die een gecombineerde civiele/militaire samenstelling hebben, aan alle drie. De Comités zijn samengesteld uit beleidsambtenaren van departementen van de lidstaten. Al naar gelang het onderwerp kunnen dat ambtenaren van de Ministeries van Buitenlandse Zaken, Defensie of Verkeer en Waterstaat zijn. Gezien het uitdijend aantal beleidsterreinen waarop de NAVO zich in de loop van de jaren is gaan bewegen (o.a. ook milieu, wetenschap) zijn hier meer departementen bij betrokken geraakt. Ook op deze beleidsterreinen worden soms ministeriële bijeenkomsten georganiseerd.

Het hoogste militaire orgaan in de NAVO is het Militair Comité, dat voor telkens drie jaar gekozen wordt door de stafchefs van de lidstaten. Het Militair Comité adviseert aan de Raad en het DPC over militaire aangelegenheden. Het geeft richtlijnen aan de Geallieerde Opperbevelhebbers, waarvan er drie zijn (één voor Europa, één voor het Atlantische Oceaangebied en één voor de Kanaalzone). Deze zijn verantwoordelijk voor het opstellen van verdedigingsplannen voor hun Oppercommando's en het leiden van militaire oefeningen in hun regio. Uitvoerend orgaan van het Comité is sinds 1967 de Internationale Militaire Staf (IMS). Voor 1967 fungeerde de Permanente Groep (Standing Group) als dagelijks bestuur van het Militair Comité.

Het Bureau van de Secretaris-generaal en de Internationale Staf (IS) vormen de coördinerende organen van de NAVO. De administratieve organisatie wordt van daaruit bestuurd. Een aantal adjunct-secretarissen-generaal geeft leiding aan de divisies, die weer verdeeld zijn in directies waar planning, regelingen en programma's worden voorbereid die in de comités wordt besproken. De comités staan onder voorzitterschap van deze adjunct-secretarissen-generaal of directeuren.

Los van de NAVO-organisatie bestaat er de Noordatlantische Assemblée, een interparlementaire organisatie waarin vertegenwoordigers van de parlementen van de lidstaten samen komen. In commissies en plenaire zittingen (tweemaal per jaar) worden alle aspecten van het NAVO-beleid besproken.

3.2 HET DIRECTORAAT-GENERAAL EUROPESE SAMENWERKING (DGES) 1958-

Het tot stand brengen en uitdragen van het Nederlandse beleid ten aanzien van de Europese economische samenwerking en integratie, alsmede ten aanzien van andere vraagstukken van buitenlandse economische politiek vormen de kern van de taak van het Directoraat-Generaal Europese Samenwerking (DGES). Voorts behoren de beleidsvorming ten aanzien van het internationale energiebeleid en beleidsvorming en coördinatie van het internationale milieubeleid tot de taken van DGES. In een aparte paragraaf van dit hoofdstuk wordt de totstandkoming van het EG-beleid op nationaal- en EGniveau in het kort beschreven.

3.2.1 Organisatorische ontwikkeling

Per 1 februari 1958 werd een reorganisatie van kracht, waarbij een aantal organisatie-onderdelen werd opgeheven en een nieuw DG werd ingesteld. DGEM en DWS werden opgeheven, evenals het Bureau Benelux van de Directie Europa en het Bureau Atoomzaken van de Directie Internationale organisaties (DIO/AT). Ingesteld werden het Directoraat-Generaal Europese Samenwerking (zie afb. 5) en - bij DGPZ - de Directie NAVO- en WEU-zaken (DNW).

DGES stond in de loop van de jaren onder leiding van de volgende directeuren-generaal:

  • 1958-1959 : jhr. mr. H.F.L.K. van Vredenburgh
  • 1959-1962 : mr. G.E. baron van Ittersum
  • 1962-1973 : mr. A.F.K. Hartogh
  • 1973-1978 : mr. F. Italianer
  • 1978-1986 : drs H.C. Posthumus Meyes
  • 1986-1990 : jhr drs R.A. van Swinderen
  • 1990- : Ch.R. van Beuge

DGES werd verdeeld in twee directies: Integratie Europa (DIE) en Vrijhandelszone en OEES (DVO). Beide directies waren voorts verdeeld in een aantal afdelingen en bureaus. Een Adviseur Atoomzaken (TMA) werd benoemd onder wie een Bureau Atoomzaken (AT) zou ressorteren. TMA zou direct onder de directeur-generaal Europese Samenwerking ressorteren. Tenslotte werd ingesteld het Bureau Raad van Europa (RE), dat volgens de beschikking zou ressorteren onder chef DNW. Voor het einde van 1958 kwam het echter rechtstreeks onder de directeur-generaal te ressorteren.

Voor de uitvoering van zijn taken zou TMA bijgestaan worden door TMA/AT en DVO/OA 'dat formeel ressorteert onder DVO, doch materieel functioneert onder leiding van TMA.' Voorts kwamen aangelegenheden betreffende de Raad van Europa ook onder de verantwoordelijkheid van TMA. Hiertoe kwam het Bureau RE onder TMA te ressorteren.

Begin 1961 werd deze opzet meer gestroomlijnd door de instelling van een nieuwe directie bij DGES: de Directie Raad van Europa en wetenschappelijke samenwerking (DRW). Hierin werden de Bureaus RE en AT ondergebracht. Een nieuw bureau voor Wetenschappelijke samenwerking (WS) werd ingesteld. De chef van de nieuwe directie was tevens TMA, de sous-chef kreeg tevens de functie plaatsvervangend TMA. ( Beschikking van 24 februari 1961, API/PD-21434. )

Door internationale ontwikkelingen, met name de reorganisatie van de OEES tot OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) ( De taak van de OESO onderscheidde zich in het bijzonder van de OEES door de bijdrage die zij aan de ontwikkeling van minder ontwikkelde landen wil leveren. Jaarboek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken 1960-1961, 44. Nederland ratificeerde het OESO-verdrag op 13 november 1961. Jaarboek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken 1962/1963, 45. ) in 1960, was de benaming en organisatie van DVO niet langer correct. De naam DVO werd in 1962 gewijzigd in Directie Economische Samenwerking (DES). DES werd verdeeld in twee afdelingen met in totaal vijf bureaus. ( Beschikking van 29 oktober 1962, API/PD-1179 )

Bij beschikking van 1 november 1967 werd de organisatie van DES vereenvoudigd tot twee bureaus: een Bureau Economische aangelegenheden (DES/EA) en een Bureau OESO en Benelux (DES/OB). Met de herindeling van de bureaus van DES in 1967 kwam ook een einde aan de eigenaardige personele unie die vanaf 1964 had bestaan tussen DES en de Directie Financieel-Economische Ontwikkelingshulp (DFO) van het directoraat-generaal Internationale Samenwerking (DGIS).

Voornaamste wijziging in de organisatie van DES nadien betreft de instelling van de functie assistent Milieuzaken (DES/AM) in 1972. De functie DES/AM verviel in 1975 door de instelling van een Bureau Milieuzaken bij DES (ook DES/AM genaamd) ( Beschikking van 11 augustus 1975, PLVS/AOR-189007. ).

Toename van het aantal taken bij DIE maakte de instelling van een derde bureau, Bureau Algemene ondersteuning interne markt (DIE/AO) in 1980 noodzakelijk. De groei van DGES-taken en de veelvuldige afwezigheid in verband met internationaal en interdepartementaal overleg van de directeur-generaal, maakte in 1982 de instelling van een Plaatsvervangend Directeur-generaal Europese Samenwerking (Plv.DGES) noodzakelijk.

3.2.2. Taakontwikkeling

Het belang van de Europese samenwerking nam in de loop van de jaren vijftig snel toe. Na de ondertekening van de verdragen van Rome in 1957 legde de regering de zorg voor de coördinatie en de samenwerking van de departementen betrokken bij het EEG- en het Euratom-verdrag in handen van Buitenlandse Zaken. Het lag voor de hand de daarop gerichte activiteiten binnen het departement te bundelen in één directoraat-generaal. DGES kreeg als taak het formuleren van Nederlandse standpunten ten aanzien van Europese aangelegenheden, welke in OEES, Benelux, EEG, Raad van Europa en Euratom aan de orde mochten komen, alsmede het coördineren van interdepartementaal overleg om dat mogelijk te maken. Ook het uitdragen van Nederlandse standpunten in genoemde organisaties zou tot de taken van DGES gaan behoren.

De voorbereiding van de Nederlandse bijdragen aan het Europese atoomenergiebeleid zou vanaf 1958 plaats vinden bij een nieuwe organisatie-eenheid. TMA adviseerde behalve de departementsleiding ook de Commissie voor Atoom Energie (1955-1964, naar de voorzitter 'Commissie Fock' genaamd) en het Reactor Centrum Nederland (RCN) te Petten. Voorts coördineerde hij de uitvoering en toepassing van het Euratom-verdrag en stelde hij de instructies op voor de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiger bij Euratom. TMA bekleedde het voorzitterschap van de Subcommissie buitenlandse aangelegenheden van de Commissie voor Atoomenergie (1958-1964, ook wel aangeduid als 'Subcommissie buitenlandse atoomaangelegenheden'). ( Brief van API/PD-44720 van 24 maart 1960 aan het Min. van Binnenlandse Zaken. Beschikking van 26 september 1960, API/PD-132874. )

De taken van het departement ten aanzien van atoomaangelegenheden en de Raad van Europa hadden hiermee nog niet hun definitieve organisatorische vorm gevonden. In maart 1960 kreeg TMA een nieuwe formele taakomschrijving. Hierin kreeg hij onder andere de coördinatie van het Nederlandse buitenlandse atoombeleid opgedragen. Dat gold zowel bilaterale als multilaterale aangelegenheden.

Bij het Bureau Raad van Europa werden de zittingen van het Comité van Ministers voorbereid en de instructies aan de Permanent Vertegenwoordiger van Nederland te Straatsburg opgesteld. DGES/RE coördineerde de opstelling van gemeenschappelijke standpunten van de betrokken departementen.

De taken ten aanzien van buitenlandse atoomaangelegenheden, wetenschappelijke samenwerking en de Raad van Europa werden in 1961 ondergebracht in de nieuwe directie DRW. Door de invoering van de Kernenergiewet (1963) veranderde de interdepartementale overlegstructuur. De Commissie Fock en de Subcommissie buitenlandse atoomaangelegenheden werden vervangen door de Interdepartementale Commissie voor de Kernenergie (1964). ( 'Kernenergie in Nederland. Organisatie, wetgeving, opleiding' [1964]. DGES-archief code 813.339.2, nr. 1101. )

De nieuwe directies DIE (1958) en DES (1962) hadden beide tot taak het voorbereiden (formuleren) èn uitdragen van Nederlandse standpunten in de verschillende Europese organisaties, alsmede het ter uitvoering doorsluizen van Europees beleid naar de desbetreffende Nederlandse instanties. Er kwam in de eerste jaren een werkverdeling tussen de twee directies tot stand, waarbij DIE haar werkzaamheden richtte op de instellingen van de EEG, Euratom, EGKS en de Benelux en DES vooral op de instellingen van de OESO. Chef DES was voorzitter van het interdepartementaal overleg over OESOmilieu-aangelegenheden (IOMO) In 1964 werden ook Benelux-aangelegenheden overgebracht naar DES. Verder heeft DES van het begin af aan tot taak gehad binnen het departement te adviseren op het terrein van de internationale economische en financiële politiek.

Bij de herindeling van DES in 1967 werden de taken met betrekking tot de multilaterale ontwikkelingshulp overgebracht naar het nieuwe Bureau Multilaterale Zaken van DFO (DFO/MZ). Hier zou voortaan het beleid ten aanzien van het Development Assistance Committee (DAC) ( Werkzaamheden m.b.t. de DAC werden in het vervolg bij DGIS verricht. De bij de OESO aangesloten landen stemmen hun beleid inzake ontwikkelingshulp op elkaar af in de DAC. ) van de OESO gevormd worden. De omwenteling in Oost-Europa in 1989 heeft het takenpakket van DES doen groeien.

DES nam voor Nederland deel in de Economic Commission for Europe (ECE) van de Verenigde Naties. ( De ECE is de oudste (1947) van de vijf regionaal gerichte commissies van de Verenigde Naties en zetelt te Genève. In deze commissies worden in VN-verband economische, milieu- en technologische problemen van de betreffende regio bestudeerd en aanbevelingen gedaan. De ECE houdt zich momenteel (1991/92) vooral bezig met de problemen van Midden- en Oost-Europa. The Europa World Yearbook 1992 vol 1 (London 1992) 24 ) De interdepartementale coördinatie van economische hulp aan Centraal- en Oost-Europa vond onder verantwoordelijkheid van DES plaats in de IOHOE (Interdepartementaal Overleg voor Hulp aan Oost-Europa). De assistent Milieuzaken bij DGES was vanaf zijn aanstelling in 1972 belast met het secretariaat van de interdepartementale Coördinatiecommissie Internationale Milieu-aangelegenheden (CIM), waarvan DGES voorzitter en chef DES plaatsvervangend voorzitter was. DGES was binnen het ministerie coördinator voor milieuzaken en vertegenwoordiger van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in de Interdepartementale Waddenzeecommissie, de Rijksplanologische Commissie en de Interdepartementale Coördinatiecommissie voor de Milieuhygiëne (ICMH, 1971-1984).

De werkverdeling tussen de bureaus van DIE was aanvankelijk gedeeltelijk gebaseerd op het onderscheid tussen intern EG-beleid (DIE/AE) en de externe betrekkingen van de EG (DIE/EE). ( Met uitzondering van EG-ontwikkelingssamenwerking, welke aangelegenheid bij DGIS behandeld wordt. ) In 1980 kwam daar een derde Bureau (Algemene ondersteuning interne markt DIE/AO) bij. Een taakverdeling tussen de drie bureaus van DIE is niet alleen in algemene bewoordingen te geven. DIE/AE en DIE/AO hielden zich voornamelijk bezig met het interne EG-beleid. DIE/AO vertegenwoordigde Buitenlandse Zaken in de Interdepartementale Adviescommissie Wet Investeringsrekening. DIE/EE bereidde de Nederlandse standpunten voor ten aanzien van het extern communautair beleid, dat wil zeggen EG-handelspolitiek en -samenwerking met ontwikkelingslanden. ( 'Wie probeert in de taken van beide bureau's een schema aan te brengen, loopt bij voorbaat vast. ...geen exacte afbakening mogelijk. De zaken overlappen elkaar ten dele.' 'Wat doen ze daar?', BZ-maandblad 5 jrg. (1978) 6. ) Instructies aan de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiger bij de Europese Gemeenschappen werden bij DIE opgesteld.

DIE was als gewoon lid vertegenwoordigd in de Commissie Uniforme Interpretatie EEG-Verdrag (CUI, ingesteld 1960) ( De CUI is bij brief van 24 oktober 1960 van DGES ingesteld en ressorteert onder de Juridische Adviseur (JURA). ) en voerde het secretariaat van de Coördinatie-Commissie voor Europese Integratie- en Associatieproblemen. De toenemende internationale samenwerking op het gebied van wetenschap, technologie en nucleaire toepassingen kwam tot uitdrukking in de naamswijziging van DRW/WS in het Bureau Wetenschappelijke, technologische en nucleaire samenwerking (DRW/WN).

Het Nederlandse ruimtevaartbeleid werd door het Ministerie van Economische zaken gecoördineerd in de Interdepartementale Commissie Ruimtevaart. DRW/WN vertegenwoordigde Buitenlandse Zaken in deze commissie, alsmede in de Interdepartementale Commissie Kernenergie (ICK) en leverde voorzitter en secretaris voor de ICK-subcommissie Internationale Nucleaire Aangelegenheden.

DRW/WN voerde om de drie jaar het secretariaat van het URENCO Joint Committee, wanneer Nederland bij toerbeurt het voorzitterschap vervulde en leverde voorzitter en secretaris voor het Interdepartementaal Antarctica-overleg en leidde de Nederlandse delegaties bij internationaal overleg op dit terrein ( Naar de toestand van 1992. 'De BZ-organisatie in kaart', (1992) 18. ). Verder was DRW vertegenwoordigd in de CEIA en de CIM.

DGES was uit hoofde van zijn functie voorzitter van de CIM, lid van de CEIA, de Coördinatie-Commissie voor Ontwikkelingssamenwerking (COCOS), de Interdepartementale Raad voor de Handelspolitiek (IRHP) en de Interdepartementale Coördinatie-Commissie voor de Milieuhygiëne (ICCM).

3.2.3 Adviseur voor Atoomzaken (DGES/TMA) 1961-1967

( Ingesteld met Ministeriële Beschikking van 24 februari 1961, API/PD-21434 )

De Adviseur voor Atoomzaken was belast met de coördinatie van het Nederlandse buitenlandse atoombeleid. Deze taak vervulde hij als voorzitter van de Sub-commissie Buitenlandse Aangelegenheden van de Commissie voor Atoomenergie. Als zodanig was hij tevens lid van laatstgenoemde commissie, adviseur van het bestuur van de RCN, adviseur van de Nederlandse delegatie in de Nederlands-Noorse gemengde Commissie, vertegenwoordiger en woordvoerder in de bestuurscommissie van het Europees Atoom Agentschap. Bovendien trad TMA op als adviseur van de Minister voor alle vragen betreffende het internationale atoombeleid, zowel ten departemente als bij internationale bijeenkomsten en conferenties.

In 1960 - voor de instelling van Directie Raad van Europa en Wetenschappelijke Samenwerking (DRW) - was aan TMA ook opgedragen: aangelegenheden betreffende de Raad van Europa, Vraagstukken betreffende internationale samenwerking op universitair gebied. Vandaar dat in 1960 'de benaming Atoom-Adviseur bij deze nieuwe taak niet juist meer is; een nieuwe benaming is echter nog niet vastgesteld.' ( Brief van Chef API/PD aan het ministerie van Binnenlandse Zaken van 24 maart 1960, API/PD-44720. )

3.2.4 Directie Economische Samenwerking (DES) 1962-1990

( Ministeriële Beschikking van 19 oktober 1962, API/PD-117968. )

DES nam voor een groot gedeelte de taken over van DVO en was belast ( Gids 1963-1990, Circulaire no. 865 van 14-11-67. APA DES-archief 1991. O&I AOR//0398. ) met de behandeling van vraagstukken van economische samenwerking en ontwikkeling (met uitzondering van de samenwerking in de Verenigde Naties en de gespecialiseerde VN-organisaties en van de integratie in de EEG, KSG, Euratom en Benelux), in het bijzonder de samenwerking van de OESO-landen en bepaalde delen van het complex van de relaties tussen EEG en derde landen. DES diende ook te adviseren inzake vraagstukken van algemene economische en financiële politiek en de instructies voor de Nederlandse Permanent Vertegenwoordiger bij de OESO te verzorgen.

In 1967 kwam daarbij de samenwerking met de Benelux-landen en in 1972 aangelegenheden met betrekking tot de Europese Vrijhandelszone (EFTA), alsmede de onder de EG vallende problemen van handelspolitieke relaties met ontwikkelingslanden. In 1976 tevens belast met de behandeling van en advisering over internationale milieuaangelegenheden, internationale energievraagstukken en behandeling van energievraagstukken in het kader van het Internationaal Energie Agentschap (IEA).

Van 1964 tot en met 1967 bestond er een personele unie tussen DES en de Directie Financieel-Economische Ontwikkelingshulp (DFO, een directie ressorterend onder DGIS): chef DES was tevens chef DFO, ook een aantal medewerkers waren ten behoeve van beide directies werkzaam.

Afdeling Economische Samenwerking (DES/ES) 1962-1967

( Ingesteld bij Ministeriële Beschikking van 19 oktober 1962, API/PD-11796 )

DES/ES was de opvolger van de Afdeling OEES-aangelegenheden (DVO/OS). In 1967 werden de taken van het bureau overgenomen door het bureau Multilaterale Zaken van de Directie Financieel- Economische Ontwikkelingshulp (DFO/MZ). Onder de afdeling ressorteerden in 1962 de bureaus DES/AH, DEZ/AO en DES/BC.

Bureau Bijzondere Commissies (DES/BC) 1962-1967

( Ingesteld bij Ministeriële Beschikking van 19 oktober 1962, API/PD-117968. )

Opvolger van het Bureau Produktiviteit en bijzondere OEES-commissies (DVO/PR) en was belast met de beleidsvoorbereiding inzake de bijzondere OESO-commissies:

Landbouw, Wetenschappelijk Onderzoek, Technisch en Wetenschappelijk Personeel, Technische Samenwerking, Arbeidskrachten en Sociale Aangelegenheden.

Bureau Atoomaangelegenheden O.E.S.O. (DES/AO) 1962-1967

Het was de opvolger van het Bureau Atoomaangelegenheden OEES (DVO/AO) en werd in 1967 als Bureau Atoomzaken onderdeel van de Directie Raad van Europa en Wetenschappelijke Samenwerking (DRW/AT). Het bureau was belast met behandeling van aangelegenheden inzake het Europese Agentschap voor Kernenergie (ENEA, European Nuclear Energy Agency).

Bureau Algemene Zaken en Hulpverlening (DES/AH) 1962-1966 en Bureau Algemene Zaken (DES/AZ) 1966-1967

( Ingesteld bij Ministeriële Beschikking van 19 oktober 1962, API/PD-117968. )

DES/AH nam in 1962 enkele taken over van het Bureau Handels- en Betalingsverkeer (DVO/HB) en werd in 1966 opgevolgd door het Bureau Algemene Zaken (DES/AZ). De takeb van DES/AZ werden in 1967 overgenomen door het Bureau Multilaterale Zaken van DFO (DFO/MZ) en het Bureau OESO en Benelux van DES (DES/OB).

Was belast met de voorbereiding van het Nederlandse beleid inzake economische hulpverlening in de OESO en het het Development Assistance Commitee (DAC), alsmede met activiteiten van de OESO op handels- en industrieel gebied.

Afdeling Economische Politiek (DES/EP) 1962-1966

( Ingesteld bij Ministeriële Beschikking van 19 oktober 1962, API/PD-117968. )

De Afdeling Economische Politiek omvatte de bureaus DES/EA en DES/HB en was belast met de beleidsvoorbereiding en coördinatie met betrekking tot economische en monetaire politiek, multilaterale economische samenwerking tussen Europa en de Verenigde Staten-Canada, Commonwealth-vraagstukken en vraagstukken met betrekking tot de Europese Vrijhandelszone (EFTA).

Bureau Economische en Statistische Aangelegenheden (DES/EA) 1962-1967 en Bureau Economische Aangelegenheden (DES/EA) 1967-1990

DES/EA was de opvolger van het Bureau Economische en Statistische Aangelegenheden( Ingesteld bij Ministeriële Beschikking van 19 oktober 1962, API/PD-117968. ) van de Directie Vrijhandelszone en O.E.E.S. (DVO/ES) en werd in 1967 opgevolgd door het Bureau Economische Aangelegenheden (DES/EA).( Ingesteld met Ministeriële Beschikking van 1 november 1967, ASAZ/AOR-172412. )

Belast met vraagstukken van economische politiek en van economische samenwerking en aangelegenheden van algemeen economisch karakter in de OESO. Tevens met betrekking tot vraagstukken inzake de economische en financiële politiek in de EEG.

Ook belast met het beheer van de zgn. 'Wellink-faciliteit', waarmee door middel van een versnelde interdepartementale besluitvormingsprocedure internationale noodhulp geboden kan worden. Deze faciliteit was een onderdeel van het OS-begrotingsartikel 'Hulp in noodsituaties'.

Bureau Handels- en Betalingsverkeer (DES/HB) 1962-1967

Bureau Handels- en Betalingsverkeer (DES/HB) was opvolger van het bureau met dezelfde naam bij de Directie Vrijhandelszone en O.E.E.S. (DVO/HB) en was belast met financiële, monetaire en algemene handelspolitieke aangelegenheden; diensten verkeer en vervoer en Commonwealth-vraagstukken.

Bureau OESO en Benelux (DES/OB) 1967-1990

( Ingesteld met Ministeriële Beschikking van 1 november 1967, ASAZ/AOR-172412. )

Dit bureau nam een aantal taken over van het in 1967 opgeheven Bureau Algemene Zaken (DES/AZ) en was belast met werkzaamheden met betrekking tot de OESO met uitzondering van de DAC (Development Assistance Committee) en de OESO-consortia (de werkzaamheden inzake de Commissie voor Wetenschapspolitiek en de ENEA werden onder de directieven van DES bij DRW verricht); werkzaamheden met betrekking tot de Benelux Economische Unie; handelspolitieke vraagstukken, waaronder die met betrekking tot de ontwikkelingslanden en contacten met EFTA-landen ter zake van de EEG.

DES/OB had een coördinerende bevoegdheid. Instructies werden opgesteld door DES/OB voor de PV-OESO. DES/OB was belast met het secretariaat voor het interdepartementaal overleg ten behoeve van het Internationaal Energie Agentschap (IEA, een autonoom orgaan binnen de OESO). DES/OB vertegenwoordigde Nederland bij vergaderingen in IEA en OESO, behandelde energiekwesties in IEA en OESO en adviseerde over andere internationale energiezaken ( Memo DES aan AOR van 13-2-75, no. 144, ABZ IV, 130.1 DES 1973-1977. ).

Assistent Milieuzaken (DES/AM) 1972-1975 en Bureau Milieuzaken (DES/AM) 1975-1990

De Assistent Milieuzaken was belast met de secretariaatswerkzaamheden voor de CIM (Interdepartementale Coördinatiecommissie voor Internationale Milieu-aangelegenheden) en had een adviesfunctie op het gebied van milieu-aangelegenheden ten behoeve van DGES/Chef DES als voorzitter van de CIM; de milieuzaken van de DES waren ook bij DES/AM geconcentreerd ( ABZ IV, Code 130.1 DES 1973-1977. ).

3.2.5 Directie Integratie Europa (DIE) 1958-1990

De Directie Integratie Europa werd ingesteld met ingang van 3 april 1958

( Brief API/PD-38196 aan ministerie van Binnenlandse Zaken, ABZ, 101 Algemeen Organisatie departement, deel 1, 1958-1964. ) en had als opdracht het verrichten van coördinatiewerkzaamheden met betrekking tot de uitvoering en toepassing van het EEG-verdrag. Dit hield in: het onderhouden van contacten met de betrokken departementen, het opstellen van instructies voor de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiger bij de EEG, behandeling van de algemene integratie vraagstukken, behandeling van aangelegenheden met betrekking tot de Benelux en de EGKS en de EEG.

De directie was belast met: ( Brief API/PD-38196 aan ministerie van Binnenlandse Zaken, ABZ, 101 Algemeen Organisatie departement, deel 1, 1958-1964. )

  1. het formuleren en doen van voorstellen met betrekking tot het Nederlandse beleid ten aanzien van de Europese integratie in het algemeen en met betrekking tot het EEG-verdrag in het bijzonder.
  2. het verzorgen van de interdepartementale coördinatie van de werkzaamheden met betrekking tot de EEG.
  3. de werkzaamheden met betrekking tot de EGKS, voor zover deze het Departement van Buitenlandse Zaken raakten, tevens belast met de interdepartementale coördinatie van EGKS-aangelegenheden (welke onder leiding van de Directeur-Generaal van de BEB geschiedde), alsmede bij het intergouvernementele overleg in het kader van de Raad van Ministers.
  4. idem met betrekking tot de Benelux Economische Unie. Als zodanig had DIE zitting in alle belangrijke commissies, die bestonden in Beneluxverband, was zij vertegenwoordigd in de bespreking van de Raad van Presidenten en bij de Ministeriële besprekingen. Zij verrichtte in het laatste geval de voorbereidingen ten behoeve van de Minister van Buitenlandse Zaken, die daarbij als regel optrad als woordvoerder. Zij verrichtte voorts de werkzaamheden met betrekking tot de Interdepartementale Raad van de Benelux.

Bureau EEG en Benelux (DIE/EB) 1958-1964, Bureau EEG (DIE/EE) 1964-1981 en Bureau Europese Gemeenschappen (DIE/EE) 1981-

Deze bureaus behandelden vanaf 1958 aangelegenheden in EG-verband. De taakstelling onderging daarbij geen wijziging. Het zwaartepunt van de aandacht van het bureau veranderde en was afhankelijk van de politieke ontwikkelingen. Ook het verdwijnen van de benaming Benelux uit de naam van het bureau duidt op een wijziging in politieke aandacht. De taken waren: ( Brief API/PD-38196 aan ministerie van Binnenlandse Zaken, ABZ, 101 Algemeen Organisatie departement, deel 1, 1958-1964. Gids 1958-. )

  1. Behandeling van aangelegenheden betreffende de Benelux Economische Unie voor dit departement, met nadruk op de vraagstukken met betrekking tot de interpretatie en de uitvoering van het Unie-verdrag.
  2. Vertegenwoordiging in de Permenente Commissie van de Benelux, in de verschillende werkgroepen door de Benelux-organen ingesteld en in de Raad van Presidenten. Voorzitterschap van de Nederlandse delegatie in het Benelux Comité van Juristen.
  3. Ontwerpen c.q. assisteren bij het opstellen van publikaties, rapporten, overzichten en inleidingen met betrekking tot de Benelux en tevens met betrekking tot de verschillende economische aspecten van het EEG-verdrag.
  4. Behandeling van EEG-problemen en o.a. zitting in een aantal interdepartementale commissies voor de volgende onderwerpen: onderlinge tariefsverlaging en contingentsverruiming; commerciële monopolies; sociaalfonds; steunmaatregelen en concurrentieregime voor de industrie; vrijheid van dienstenverkeer en vestiging van bedrijven; vraagstukken met betrekking tot de handelspolitiek van de EEG ten opzichte van derde landen en andere internationale organisaties; vrijheid van het kapitaalverkeer; regeling van de economische machtspositie en kartels; vrijheid van het personenverkeer.
  5. Rapportage en voorlichting van het departement, de posten en andere departementen inzake de ontwikkeling van de integratie en de EEG in de Nederlandse pers en over de ontwikkeling in de Nederlandse particuliere en officiële organisaties (inclusief de Sociaal Economische Raad).
  6. Assistentie bij het ontwerpen van instructies, op basis van het interdepartementaal overleg ten behoeve van de Nederlandse vertegenwoordigers in de Raad van Ministers, het Comité van Permanente Vertegenwoordigers en de commissies van regeringsdeskundigen die in Brussel werkzaam zijn in het kader van de EEG.
  7. Behandeling van aangelegenheden met betrekking tot de associatie van de overzeese gebieden bij de EEG, het speciale Fonds voor de overzeese gebieden, alsmede de associatie-regeling, voorzien voor wel-zelfbesturende overzeese gebieden met de EEG.

Bureau Algemene Integratie en EGKS (DIE/AE) 1958-1983, Bureau Algemene Integratie Europa (DIA/AE) 1983-1988 en Bureau Algemene Integratie (DIE/AE) 1988-

Het bureau DIE/AE was de opvolger van het onder DGPZ ressorterende bureau DWS/IE. Aan de naamgeving van het bureau valt, net als bij DIE/EE, af te lezen dat bij een gelijkblijvende taakstelling de accenten in de loop van de tijd werden verlegd.

Het bureau was belast met de beleidsvoorbereiding inzake: ( Brief API/PD-38196 aan ministerie van Binnenlandse Zaken, ABZ, 101 Algemeen Organisatie departement, deel 1, 1958-1964. Gids 1958-. )

  1. alle EGKS-zaken voor zover deze het departement raken. Dit hield o.m. in: bijwonen van bijeenkomsten Raad van Ministers EGKS, vertegenwoordiging van het Departement in de Coördinatie Commissie van de EGKS te Luxemburg, zitting in de interdepartementale Contactcommissie voor de EGKS, zitting in de Commissie voor de herziening van het EGKS-verdrag.
  2. het opstellen van de adviezen inzake de juridische problemen betreffende de interpretatie van van de Europese Verdragen, zo nodig in samenwerking met de Juridische Adviseur.
  3. alle vervoersaangelegenheden van de EGKS, EEG en Benelux ten aanzien waarvan Buitenlandse Zaken voor een deel coördinerend optreedt.
  4. de instellingen welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben, t.w. het Hof van Justitie, het Europese Parlement en het Secretariaat van de Raad van Ministers.
  5. institutionele vraagstukken van de Europese Gemeenschappen en de verschillende adviescolleges van het EEG-verdrag.
  6. aangelegenheden samenhangende met de begroting van EEG en Euratom, alsmede van eventueel rijzende vraagstukken op het gebied van personeelsstatuut, personeelsvoorziening e.d. van de Gemeenschappen.
en tevens met belast met:
  1. de bestudering en commentariëring van berichten in de buitenlandse pers en de rapportage van de buitenlandse posten inzake de Europese Gemeenschappen, het behandelen van algemene aspecten van integratie waaronder o.m. valt het opstellen van rapporten, overzichten en te houden inleidingen inzake de Europese integratie en de Europese Gemeenschappen o.m. ten behoeve van de departementsleiding.
  2. zorg voor de samenstelling van het jaarverslag ten behoeve van de Staten-Generaal inzake de Europese Gemeenschappen.
  3. het zo nodig bijwonen en rapporteren inzake de werkzaamheden van het Europees Parlement.
  4. toezicht op de documentatie met betrekking tot de Europese integratie en de werken der drie Gemeenschappen.

3.2.6 Directie Raad van Europa en Wetenschappelijke Samenwerking (DRW) 1961-1990

DRW was een versmelting van de Adviseur voor Atoomzaken (TMA) en het Bureau Raad van Europa van DWZ (DWS/RE). ( Ingesteld met Ministeriële Beschikking van 24 februari 1961, API/PD-21434. ) De directie hield zich bezig met werkzaamheden met betrekking tot de Raad van Europa, alsmede vraagstukken verband houdende met de wetenschappelijke samenwerking, voor zover van invloed op de bepaling van het buitenlandse politieke beleid.

Ambtelijke coördinatie met de betrokken departementen. Advisering over het buitenlandse atoombeleid, zowel op het departement, als in de Commissie voor Atoomenergie en het Reactor Centrum Nederland; coördinatie met betrekking tot de uitvoering en toepassing van het Euratom-verdrag. Chef DRW was tot 1967 tevens Adviseur voor Atoomzaken (TMA).

Meer concreet hield dit in: ( APA DRW-archief 1991. )

  • opstellen van instructies voor de Nederlandse Permanent Vertegenwoordiger bij de Raad van Europa;
  • ambtelijke coördinatie met de betrokken departementen;
  • advisering over politieke aspecten van de internationale samenwerking in het kader van de Raad van Europa;
  • behandeling van buitenlands-politieke vraagstukken inzake internationale samenwerking bij de vreedzame toepassing van kernenergie onder andere in het kader van Euratom, het verdrag van Almelo (Urenco), de IAEA, de OESO/NEA en in bilateraal verband;
  • behandeling van internationale samenwerking op het gebied van wetenschap en technologie, onder andere met betrekking tot ruimtevaart (ESA en internationale satellietenorganisaties), EUREKA, EG-wetenschappelijke- en technologische programma's en CERN [Organisation Européenne pour la Recherche Nucléaire];
  • coördinatie van het beleid inzake Antarctica;
  • behandeling van buitenlands-politieke aspecten van het mediabeleid onder andere in EG- en Raad van Europa-verband.'

Bureau Raad van Europa (DRW/RE) 1961-1990

( Ingesteld met Ministeriële Beschikking van 24 februari 1961, API/PD-21434. )

De opvolger van het Bureau Raad van Europa (DGES/RE) met ingang van 1961 en belast met dezelfde werkzaamheden als dat bureau (zie aldaar).

Bureau Wetenschappelijke Samenwerking (DRW/WS) 1961-1986

( Ingesteld met Ministeriële Beschikking van 24 februari 1961, API/PD-21434. )

Dit bureau werd met het Bureau Atoomzaken in 1986 opgenomen in het Bureau Wetenschappelijke, Technologische en Nucleaire Samenwerking (DRW/WN).

Tot aan die datum was het bureau belast met vraagstukken in verband met de wetenschappelijke samenwerking, voor zover van invloed op het buitenlands politieke beleid, in het bijzonder die vormen van samenwerking, welke hetzij in de Euratom en de Raad van Europa werden ontwikkeld, hetzij een autonoom karakter dragen.

DRW/WS vertegenwoordigde Buitenlandse Zaken in de Interdepartementale Commissie voor Ruimteonderzoek en Technologie en bij het Interdepartementaal Overleg Wetenschapsbeleid. Deze taken werden door DRW/WN overgenomen.

Bureau Atoomzaken (DRW/AT) 1961-1986

( Ingesteld met Ministeriële Beschikking van 24 februari 1961, API/PD-21434. )

DRW/AT had als voorganger het Bureau Atoomzaken (DGES/AT) en als opvolger het Bureau Wetenschappelijke, Technologische en Nucleaire Samenwerking (DRW/WN). DRW/AT voerde dezelfde taken uit als zijn voorganger. Organisatorisch was AT geplaatst onder DRW, maar functioneerde vanaf 1967 (opheffing DES/AO, waarvan het de taken overnam) met betrekking tot de European Nuclear Energy Agency (ENEA) onder de directieven van DES.

3.2.7 Totstandkoming EG-beleid op nationaal- en EG-niveau

DGES fungeert als intermediair tussen de Europese instellingen en de Nederlandse vakdepartementen. Hoewel de vakdepartementen (in toenemende mate) direct contact hebben met de Europese instellingen, vormt DGES het orgaan dat de totstandkoming van Nederlandse standpunten op Europees gebied coördineert en uitdraagt via de Nederlandse vertegenwoordigers in de Europese instellingen. Van de Europese samenwerkingsverbanden is de het omvangrijkste en misschien wel belangrijkste. In het navolgende hoofdstuk worden plaats en functie van de Directie Integratie Europa in het taakgebied nader uiteengezet.

De onderwerpen die door de EG worden behandeld, worden door de Europese Commissie als voorstel aan een voor dat specifieke onderwerp ingestelde werkgroep te Brussel voorgelegd. De werkgroep dient tot een gemeenschappelijk standpunt te komen. Deze werkgroepen, waarvan er meer dan honderd zijn, worden bijgewoond door medewerkers van de vakdepartementen. Van een aantal vakdepartementen zijn één of meer ambtenaren gedetacheerd bij de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging te Brussel (PVEG): Buitenlandse Zaken (met 134 ambtenaren), Economische Zaken (4), Financiën (4), Verkeer en Waterstaat (2), Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (3), Sociale Zaken en Werkgelegenheid (1), Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (1). Sinds kort worden de belangen van lagere overheden bij PVEG behartigd door een ambtenaar van Binnenlandse Zaken. ( Aantallen 1991. Europees recht en decentrale overheden, samengesteld door SGBO ('s-Gravenhage 1991). )

De Directie Integratie Europa (DIE) ontvangt de stukken van de werkgroepen, verspreidt deze zowel intern (departement en posten) als over betrokken vakdepartementen en organiseert het interdepartementaal overleg. Omdat EG-aangelegenheden niet exclusief bij DIE behandeld worden (b.v. ontwikkelingssamenwerking, milieu), gebeurt het ook dat andere directies van Buitenlandse Zaken bij dit overleg aanwezig zijn. Deze betrokkenheid geldt onder andere voor het Bureau EEG-aangelegenheden van DGIS (DMP/EG) en het Bureau Milieuzaken van DGES (DES/AM). ( AOR/APM, Organisatierapport betreffende instelling derde bureau bij DIE (niet gepubliceerd; 1979). Gids van het Ministerie van Buitenlandse Zaken 1990/91 (z.p. 1990). )

Behalve deze coördinatie- en secretariaatsfunctie heeft DIE bij de totstandkoming van het Nederlandse EG-beleid enkele inhoudelijke taken. Ten eerste moet het overleg tot een gemeenschappelijk Nederlands standpunt leiden. Ten tweede spelen bij de afwegingen niet alleen de belangen van de verschillende vakdepartementen een rol, ook dient het standpunt getoetst te worden aan de bestaande EG-regelgeving. Bovendien dient de consistentie van het Nederlandse EG-beleid en de algemene richting daarvan door DIE bewaakt te worden. Het is dan ook de taak van de medewerkers van DIE om notities te schrijven over onderwerpen die op een bepaald moment actie vereisen van DIE. Hiertoe volgen zij de activiteiten van de diverse werkgroepen te Brussel en leggen over ieder onderwerp een dossier aan. De medewerkers worden geacht om op grond van de informatie uit Brussel te bepalen wanneer actie (het opstellen van een notitie of 'actualiteitenmemo') door hen moet worden ondernomen. Vervolgens attenderen zij het bureauhoofd op te ondernemen actie. Het is de taak van bureauhoofden om genoemde notities gereed te maken voor behandeling door de directie-leiding. De leiding past de notities vervolgens aan de wensen en mogelijkheden van de ambtelijke en politieke leiding die er gebruik van moeten maken. Hiertoe vindt vrijwel dagelijks overleg met de departementsleiding plaats (in S-staf, DGES-staf en T-staf).

Nieuwe Commissie-voorstellen worden in Nederland eerst besproken in de Werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissie-voorstellen (WBNC). Dat is een maandelijks, breed inter-departementaal overleg met vaste deelnemers, dat tot doel heeft een basisstrategie uit te stippelen en de informatievoorziening aan de Tweede Kamer te verzorgen. De WBNC wijst het voor behandeling van het voorstel eerstverantwoordelijke ministerie aan en bepaalt welk ministerie een instructie voor PVEG opstelt (als er geïnstrueerd moet worden). Indien slechts één ministerie bij een zaak betrokken is, instrueert dat ministerie zèlf. de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken stelt de Tweede Kamer op de hoogte van de nieuwe Commissie-voorstellen door de in de WBNC opgestelde fiches te overleggen. ( J. Leuven, DIE: werkproces en documenten (Ministerie van Buitenlandse Zaken 1992). )

Een gecoördineerd Nederlands standpunt wordt opgesteld in de Coördinatie-Commissie voor Europese Integratie en Associatieproblemen (CEIA, intern wordt de afkorting CoCo gehanteerd) onder voorzitterschap van de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken (T). Secretaris van de CEIA is souschef DIE. Ter voorbereiding van de CEIA stelt die 'CoCo-aantekeningen' op. Een aantekening heeft betrekking op één Commissie-voorstel en bestaat uit een inleiding (voor de voorzitter van de CEIA) en een 'concept-CoCo-conclusie' (voor alle deelnemers). ( Leuven. De CEIA vergaderde rond 1979 gemiddeld 30 keer per jaar. De CEIA werd formeel ingesteld bij verslag eerste vergadering van 20 juni 1956 van de minister van Buitenlandse Zaken en heette toen nog (Ambtelijke) Coördinatie Commissie voor Europese Integratie en de Vrijhandelszone. Staatsalmanak 1991, J67. Overzicht coördinerende taken van bewindspersonen. Beschrijvend overzicht van coördinerende taken die ministers en staatssecretarissen per 1 augustus 1980 vervulden ('s-Gravenhage 1981) 32-35. ) Dit interdepartementale overleg vindt meestal plaats in de week voorafgaand aan een vergadering van een EG-Raad. Eventueel wordt het standpunt van de CEIA eerst nog voorgelegd aan de Raad voor Europese Zaken (REZ), waarvan de CEIA het ambtelijk voorportaal vormt. De REZ is een onderraad van de Ministerraad, waarin de betreffende ministers met een hogere ambtenaar (directeur-generaal) zitting hebben. Buitenlandse Zaken is een uitzondering, daar als ambtenaar chef DIE zitting heeft in de REZ. ( De REZ is in 1963 door het kabinet Marijnen ingesteld ter bevordering van de coördinatie van het Europees beleid tussen de bewindslieden. De REZ vergaderde rond 1979 gemiddeld vier keer per jaar. Overzicht coördinerende taken, 32-35. ) De 'CoCo-conclusies', ook door DIE geformuleerd, komen uiteindelijk ter bekrachtiging in de Ministerraad.

Het Nederlandse standpunt komt ook weer via DIE bij PVEG in Brussel terecht. De concepten voor instructies aan PVEG worden meestal door vakdepartementen opgesteld. De instructies die na interdepartementaal overleg tot stand zijn gekomen worden iedere week vastgesteld in het interdepartementale 'PV-instructie-overleg' onder de verantwoordelijkheid van DIE/EM en vervolgens doorgezonden naar Brussel. ( Leuven. )

Alle door een EG-werkgroep behandelde onderwerpen worden via het Comité van Permanente Vertegenwoordigers te Brussel (COREPER) aan de betreffende EG-raad ter bekrachtiging voorgelegd. De COREPER heeft tot taak de besprekingen van de Raad voor te bereiden en de door de Raad verstrekte mandaten uit te voeren. Sommige voorstellen worden door de COREPER opnieuw aan een werkgroep ter bespreking voorgelegd. In de EG-raad hebben de betrokken ministeries (Buitenlandse Zaken of vakdepartementen) van de EG-landen zitting. Als vertegenwoordiger treedt een hoge ambtenaar of de minister zelf op. Komt de werkgroep niet tot een gemeenschappelijk standpunt, dan zal de Vergadering van PV's tot overeenstemming moeten komen. Als dat ook niet slaagt, zal de betreffende EG-raad overeenstemming over het voorstel van de Europese Commissie moeten bereiken. De Raad kan een voorstel ook terug verwijzen naar een lager niveau. Wanneer de Raad haar goedkeuring hecht aan een voorstel, dan wordt dit gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. De richtlijnen die daar in vermeld staan, moeten vervolgens in de lidstaten omgezet worden in nationaal recht. De lidstaat is daarbij vrij om vorm en middelen te kiezen.

In Nederland worden richtlijnen veelal, langs het gebruikelijke wetgevingsproces, omgezet in formele wetgeving.

De Europese Commissie houdt toezicht op de implementatie van richtlijnen. Naast richtlijnen stellen de Raad en de Commissie ook verordeningen vast, die rechtstreeks toepasselijk zijn in elke lidstaat (en daarmee vergelijkbaar met nationale wetten). Verder kunnen zij beschikkingen uitvaardigen, die verbindend zijn in al hun onderdelen voor hen tot wie zij uitdrukkelijk zijn gericht (bijvoorbeeld een regering of onderneming). Aanbevelingen en adviezen van de Raad en de Commissie zijn niet verbindend. ( Artikel 189 van het EEG-Verdrag. De Europese Gemeenschap 1992 en daarna (Brussel/Luxemburg 1991) 25. Europees recht en Nederlandse decentrale overheden, 49-51. ) De rol van het Europees Parlement in deze hele procedure is advisering en controle van de Europese Commissie.

Sinds 1987 heeft het Parlement de bevoegdheid voorstellen van de Commissie te amenderen. Het Parlement heeft medebeslissingsrecht op het gebied van de interne markt en de begroting, bij toetreding van nieuwe lidstaten en bij het sluiten van associatieverdragen. Wetgevende bevoegdheden heeft het Parlement niet. Ter bespreking van bijzondere kwesties en belangrijke vraagstukken, zoals de toetreding van een land of het buitenlandse beleid van de EG, komt tweemaal per jaar de Europese Raad bijeen. Deze is samengesteld uit de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten, alsmede de voorzitter van de Commissie. Artikel 2 van de Europese Akte bepaalt dat zij worden bijgestaan door de ministers van Buitenlandse Zaken en een lid van de Commissie ( De Europese Gemeenschap 1992 en daarna (Brussel/Luxemburg 1991) 23. ).

Het Hof van Justitie is de rechtsprekende instantie van de EG. Het Hof waakt over de uniforme uitleg en toepassing van het gemeenschapsrecht, gaat de wettigheid na van de Raad en de Commissie en doet uitspraak over door de nationale rechter voorgelegde vragen over het gemeenschapsrecht. Verder beschikt de EG over een eigen Rekenkamer, die de inkomsten en uitgaven van de Gemeenschap controleert en een eigen bank, de Europese Investeringsbank (EIB). Deze laatste drie instellingen zijn in Luxemburg gevestigd.

4 HET DIRECTORAAT-GENERAAL INTERNATIONALE SAMENWERKING (DGIS) 1964-
4.1 DGIS

4.1.1 Instelling van het DGIS

Per 1 april 1964 werd ingesteld het Directoraat-Generaal Internationale Samenwerking (DGIS); dit na een langdurige interne discussie bij het ministerie van Buitenlandse Zaken hoe de hulpverlening aan minder-ontwikkelde landen, zoals de toenmalige benaming voor ontwikkelingssamenwerking luidde, georganiseerd moest worden. ( zie hiervoor Van der Togt, 81-101. )

Van het DGIS maakten de volgende directies en afdelingen deel uit:

  • de Directie Internationale Organisaties (DIO; de door DIO behandelde politieke aangelegenheden zouden echter onder verantwoordelijkheid van DGPZ blijven vallen);
  • de Directie Financieel-Economische Ontwikkelingshulp (DFO);
  • de Directie Technische Hulp (DTH; een omzetting van het vroegere Bureau ITH. Het Jongerenvrijwilligersprogramma werd hiërarchisch onder DTH geplaatst);
  • het Bureau Beleidsvoorbereiding (SA; tevens secretariaat van de NAR en de COCO).

4.1.2 De taakontwikkeling van het DGIS

De taakomschrijving van het DGIS luidde bij de instelling in 1964: "Behandeling van alle aangelegenheden met betrekking tot de Verenigde Naties en haar organen, met dien verstande dat de Directeur-Generaal Politieke Zaken verantwoordelijk blijft voor de eenheid van het beleid van het Departement op buitenlands politiek terrein. Voorts alle zaken met betrekking tot de hulpverlening aan minder-ontwikkelde landen. Algemene departementale en interdepartementale coördinatie op het gebied van deze taken". Slechts de zinsnede met betrekking tot de verantwoordelijkheid van de Directeur-Generaal Politieke Zaken ontbreekt vanaf 1986 met de instelling van de Directie Politieke VN-zaken (DPV), een directie die onder het Directoraat-Generaal Politieke Zaken ressorteerde. Voor het overige werd de breed geformuleerde taakstelling niet veranderd. ( Zie hoofdstukken 4 en 5 met betrekking tot het Directoraat-Generaal Politieke Zaken. )

Het statische element in de taakomschrijving werd echter ruimschoots gecompenseerd door de bij tijd en wijle explosieve organisatorische veranderingen en de personele groei van het Directoraat-Generaal en de daaronder ressorterende directies.

4.1.3 De Directeur-Generaal Internationale Samenwerking

De DG Internationale Samenwerking was voorzitter van de Directieraad van het DGIS (het Directorium) en had zitting in de Coördinatie Commissie Ontwikkelingssamenwerking.

De DG werd bijgestaan door een plaatsvervangend DG. In het begin van de jaren tachtig werd hij zelfs bijgestaan door 3 plaatsvervangend DG's, waarvan er 2 tevens hoofd van een directie of bureau waren.

4.1.4 De organisatorische ontwikkeling

De organisatorische ontwikkeling van DGIS heeft zich niet langs de lijnen van geleidelijkheid voltrokken. De drie directies en een stafeenheid die bij de start in 1964 onder de DG Internationale Samenwerking vielen, waren in 1990 uiteengevallen in zeven directies, een inspectiedienst, een stafbureau, twee administratief ondersteunende afdelingen en een importbevorderend centrum.

De voornaamste reorganisatie speelde zich af aan het eind van jaren zeventig toen de min of meer traditioneel geworden scheiding tussen technische en financiële hulpverlening werd opgeheven en voor een regionale benadering werd gekozen met daarnaast een aantal directies voor beleidsontwikkeling en voor de uitvoering van functionele of speciale OS-programma's.

Een meer gedetailleerde beschrijving van de organisatorische ontwikkeling is bij de betreffende directies te vinden.

De Directeur-Generaal Internationale Samenwerking had in de loop van de tijd ook rechtstreeks verschillende (staf-)bureaus onder zijn hoede.

Bureau Beleidsvoorbereiding (DGIS/SA), 1964-1990

Het Bureau Beleidsvoorbereiding, dat aanvankelijk de naam Secretariaat Adviesraad voerde, werd gelijktijdig met het DGIS ingesteld. ( Ministeriële Beschikking dd. 23.04.64, nr. API/PD-60519. ) Het bureau was in eerste instantie ingesteld om te dienen als ambtelijk secretariaat van de Nationale Raad van Advies inzake Hulp aan Minder Ontwikkelde Landen, later de Nationale Adviesraad voor Ontwikkelingssamenwerking (NAR). ( Zie voor de organisatorische ontwikkeling van de NAR de desbetreffende paragraaf van dit rapport. )

DGIS/SA was tevens belast met het voeren van het secretariaat van de interdepartementale Coördinatie Commissie voor Ontwikkelingssamenwerking (COCOS) en de daaronder ressorterende subcommissies.

Naast het optreden als secretariaat had DGIS/SA na het overnemen van het takenpakket van DTH/BL (zie hiervoor de betreffende paragraaf) als taak het bestuderen en analyseren van alle aspecten van de hulpverlening aan ontwikkelingslanden en het op hoofdlijnen formuleren van het te voeren beleid.

Ook had DGIS/SA een taak in het adviseren van directies inzake de diverse landen/regio- en sectorprogramma's, het adviseren over de samenstelling van delegaties en het opmaken van de instructies voor die delegaties.

DGIS/SA was lid van de OESO/DAC/WID-groep en van de EG/WID-groep.

4.2 DIRECTIE INTERNATIONALE ORGANISATIES (DIO), 1964-1990

In 1964 werd de Directie Internationale Organisaties van het Directoraat-Generaal Politieke Zaken (DGPZ) organisatorisch geplaatst onder het nieuw opgerichte Directoraat-Generaal Internationale Organisaties (DGIS). ( Ministeriële Beschikking van 23.4.1964, nr. API/PD-60519. )

4.2.1 Organisatie

In 1965 bestond DIO uit het Bureau Documentatie en Administratieve Zaken en twee afdelingen. Het Bureau Documentatie en Administratieve Zaken (DIO/DA) bleef over de gehele onderzochte periode ongewijzigd functioneren.

De afdeling Politieke en Internationale Veiligheidszaken (DIO/PI) was verdeeld in een Bureau Politieke Zaken (DIO/PZ) en een Bureau Ontwapening en Internationale Vredesvraagstukken (DIO/OV).

Het Bureau DIO/OV werd in 1984 omgezet in een afdeling met dezelfde naam. Aan deze afdeling werden de volgende bureaus verbonden: Bureau Nucleaire Wapenbeheersing en Ontwapening (DIO/NW) en het Bureau Niet-nucleaire Wapenbeheersing en Ontwapening (DIO/NN). Deze afdelingen en bureaus ressorteerden organisatorisch onder de vleugels van de Directeur-generaal Internationale Samenwerking (DGIS), maar de Directeur-generaal Politieke Zaken (DGPZ) was verantwoordelijk voor de politieke aspecten van het door DIO voorgestelde beleid, dit om de eenheid in het te voeren buitenlands beleid te waarborgen. Ter formalisering van deze situatie werden in 1985 DIO/PZ en DIO/OV met de bijbehorende bureaus ondergebracht in de onder DGPZ ressorterende Directie Politieke VN-Zaken (DPV), bestaande uit het Bureau Politieke Zaken (DPV/PZ) en de Afdeling Ontwapening en Internationale Vredesvraagstukken (DPV/OV). DPV/OV omvatte de Bureaus DPV/NW en DPV/NN.

Onder de Afdeling Economische en Sociale Zaken (DIO/EZ) ressorteerden de bureaus Sociale Zaken en Congressen (DIO/SC), Economische Zaken en Regionale Commissies (DIO/ER) en Coördinatie en Gespecialiseerde Organisaties (DIO/CG). Aan DIO/EZ werd in 1969 het Bureau UNCTAD-Zaken (DIO/UC) toegevoegd. Dat bureau zou slechts tot 1975 blijven bestaan. DIO/SC werd in 1974 omgezet in het Bureau Sociale en Juridische Zaken (DIO/JS).

4.2.2 Taken

De Directie Internationale Organisaties was belast met de behandeling van politieke, economische, sociale, humanitaire, juridische, administratieve en andere aangelegenheden met betrekking tot de Verenigde Naties en haar organen, de Gespecialiseerde Organisaties en de Internationale Atoomorganisatie, alsmede die met betrekking tot andere wereldwijde organisaties en van vraagstukken met een wereldwijd karakter; de voorbereiding en interdepartementale coördinatie van het Nederlands beleid op het gebied van deze taken en met de coördinatie van het interdepartementaal overleg inzake de hulpverlening aan minder-ontwikkelde landen. ( Met ingang van 31 oktober 1962 wordt DIO belast met de beleidsvoorbereiding en de intradepartementale coördinatie van de uitvoering van het hulpbeleid, alsmede met de coördinatie van het interdepartementale overleg nopens het regeringsbeleid, memorandum nr. 2337 van de Secretaris-Generaal van het ministerie van Buitenlandse Zaken dd. 31 oktober 1962. )

4.2.3 Bureau Documentatie en Administratieve Zaken (DIO/DA), 1964-1990

Beheer, distributie en uitlening van VN-documenten en -publikaties en het verstrekken van informatie uit dit materiaal.

4.2.4 Afdeling Politieke en Internationale Veiligheidszaken (DIO/PI), 1964-1983

Omvatte de bureaus DIO/OV en DIO/PZ.

Bureau Ontwapening en Internationale Vredesvraagstukken (DIO/OV), 1964-1983

Beleidsontwikkeling en behandeling van zaken betreffende wapenbeheersing, wapenbeperking en collaterale en internationale ontwapening., militaire en politiële vredesoperaties van de VN, internationale vredesbewegingen en -activiteiten, wereldfederalisme, vredesonderzoek, het Antarctica verdrag, alsmede waarborgen tegen niet-vreedzaam gebruik van kernenergie. Voerde het secretariaat van de Adviescommissie inzake Vraagstukken van Ontwapening en Internationale Veiligheid en Vrede.

Bureau Politieke Zaken (DIO/PZ), 1964-1985

Behandeling van zaken betreffende de Veiligheidsraad, de politieke en dekolonisatie onderwerpen in de Algemene Vergadering en de daaronder ressorterende commissies, alsmede in andere organen van de VN, het Internationaal Hof van Justitie, het Permanente Hof van Arbitrage, de Carnegie Stichting, de Interparlementaire Unie.

DIO/PZ verzorgde de beleidsvoorbereiding ten aanzien van de politieke en politiek-juridische VN-zaken. Hierbij ging het met name om de politieke organen van de VN: de Algemene Vergadering en de daaronder ressorterende politieke commissies, verder de Veiligheidsraad en de Trustschapsraad.

De ECOSOC en de Gespecialiseerde Organen van de VN kwamen aan de orde voor zover het daarin ging om politieke kwesties. Ten aanzien van de juridische zaken kunnen genoemd worden het Internationale Gerechtshof en het Internationale Hof van Arbitrage.

Naast politiek-inhoudelijke kwesties, zoals het opstellen van instructies voor de PV VN te New York of te Genève, was het bureau verantwoordelijk voor de administratieve en financiële voorbereiding van het werk van de Nederlandse delegaties naar de Algemene Vergadering. Hiervoor leverde het bureau tevens de secretaris. Deze had als taak het bijhouden van basisdossiers over onderwerpen die binnen de VN werden behandeld, vooral ten behoeve van diplomatieke posten en nieuwe delegatieleden, en de eindredactie van publicaties van Buitenlandse Zaken op het vlak van de Verenigde Naties. Medewerkers van het bureau woonden de Algemene Vergadering van de VN bij.

4.2.5 Afdeling Economische en Sociale Zaken (DIO/EZ), 1964-1975

Onder DIO/EZ ressorteerden de bureaus DIO/SC (tot 1973), DIO/ER, DIO/CG, DIO/UC (vanaf 1968) en DIO/JS (vanaf 1973)

Bureau Coördinatie en Gespecialiseerde Organisaties (DIO/CG), 1964-1990

DIO/CG was belast met de beleidsvoorbereiding met betrekking tot de Internationale Atoomorganisatie en de Gespecialiseerde Organisaties (ILO, FAO, WHO, UNESCO, UPU, ITU, ICAO, WMO, IMCO, WIPO, IAEA); de behandeling van administratieve kwesties in de VN en de coördinatie van het door Nederland te voeren beleid met betrekking tot de economisch-sociale activiteiten van de VN en van de werkzaamheden van de bovengenoemde organisaties.

Bureau Economische Zaken en Regionale Commissies (DIO/ER), 1964-1990

Dit bureau was belast met de beleidsvoorbereiding en de coördinatie van het beleid met betrekking tot de behandeling van economische onderwerpen in de VN en in de Regionale Commissies (ECE, ECAFE, ECLA, ECA), het Speciale Fonds, grondstoffenovereenkomsten, GATT, Internationale Bank, IMF, ICF en IDA, UNDP, UNIDO, Wereldbank, WFP, IBRD. Tevens verzorgde het bureau aangelegenheden inzake het internationaal toerisme en de UN Advisory Committee on the Application of Science and Technology to Development.

Bureau Sociale Zaken en Congressen (DIO/SC), 1964-1973

Beleidsvoorbereiding ten aanzien van sociale en sociaal-juridische onderwerpen in de VN, de sociale commissies voor de Rechtstoestand van de Vrouw, voor de Statistiek, voor de Verdovende Middelen en voor de Rechten van de Mens, de vrijheid van voorlichting, vluchtelingen, de UNICEF en andere sociale onderwerpen. Tevens behandeling van de sociale en sociaal-juridische onderwerpen in de VN Commissie voor Sociale Ontwikkeling. Opvolger van dit bureau was DIO/JS.

Bureau Sociale en Juridische Zaken (DIO/JS), 1973-1975

Bij dit bureau, opvolger van DIO/SC, berustte de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de sociale, humanitaire en juridische onderwerpen in de verschillende organen van de VN, zoals de Rechten van de Mens, de Rechtstoestand van de Vrouw, het humanitair recht, de ontwikkeling van het internationaal recht, de oceaanbodemproblematiek, de sociale ontwikkeling, de milieusamenwerking, de bevolkingsproblematiek, het vluchtelingenvraagstuk, jeugd en verdovende middelen.

Bureau UNCTAD-zaken (DIO/UC), 1968-1975

Beleidsvoorbereiding met betrekking tot de 'United Nations Conference on Trade and Development' (UNCTAD); internationale grondstoffenaangelegenheden en de GATT (hoofdstuk IV inzake speciale problematiek Ontwikkelingslanden).

4.3 DIRECTIE INTERNATIONALE TECHNISCHE HULP, (DTH) 1964-1980

Met de ministeriële beschikking API/PD-60519 van 23 april 1964 werd met terugwerkende kracht vanaf 1 april 1964 de Directie Internationale Technische Hulp (DTH) in het leven geroepen als opvolger van het Bureau-ITH. De interdepartementale commissie voor Internationale Technische Hulpverlening (ITH) werd gelijktijdig met de instelling van DTH opgeheven. De Directie zou als onderdeel van het eveneens in 1964 opgerichte Directoraat-Generaal Internationale Samenwerking in diverse organisatorische verschijningen blijven voortbestaan tot 1980.

Voor de beschrijving van de taken is uitgegaan van het takenpakket van DTH in 1979, een jaar voor de reorganisatie die het einde van DTH zou betekenen.

Bij DTH vallen door de jaren heen (1964-1980) de volgende taakgebieden te onderscheiden. De hieronder gegeven indeling komt overeen met de situatie eind 1979, het moment waarop DTH zoveel mogelijk organisatorisch was uitgesplitst.

Taakgebieden:

  1. Beleidsaangelegenheden
  2. Juridische aangelegenheden
  3. Bilaterale technische hulpverlening
  4. Personeelsaangelegenheden
  5. Onderwijs en onderzoek
  6. Financiële aangelegenheden en documentatie

4.3.1 Beleidsaangelegenheden (DTH/BL) (1966-1980)

Behandeling van aangelegenheden op het gebied van de beleidsvoorbereiding en de beleidscontrole werden verricht door het Bureau Beleidszaken (DTH/BL). Dit stafbureau werd in 1966 opgericht en functioneerde tot de opheffing van DTH in 1980. De formele taakomschrijving van DTH/BL luidde: deelneming in de externe taken van de directie op nationaal en internationaal niveau en het bijstaan van Chef DTH in de beleidsvoorbereiding en in de algemene werkzaamheden op hoog niveau. ( Gids 1967; ABZ III, code 1, nr. 173/176 )

Meer concreet geformuleerd waren de taken van het Bureau Beleidszaken:

  1. het mede verwerken van de politieke aspecten van ontwikkelingssamenwerking door contacten te onderhouden met de regionaal politieke directies van het ministerie;
  2. het mede verwerken van sociaaleconomische aspecten van de ontwikkelingslanden, waarbij in toenemende mate coördinatie met de multilaterale en regionale hulpverlening, alsmede met de bilaterale programma's van andere landen moest worden nagestreefd. Een en ander bracht mee het onderhouden van contacten met DIO en DES, en het deelnemen aan internationale conferenties over deze problematiek;
  3. het nauw overleggen met de andere betrokken ministeries, instellingen en organisaties binnen en buiten de overheid ter bevordering van de infrastructuur bij de hulpverlening;
  4. de programmering van de hulpverlening op lange termijn op basis van de beschikbare gegevens en mogelijkheden;
  5. de externe evaluatie in nauwe relatie met de organen buiten de directie in Nederland en internationaal, en de interne beleidscontrole;
  6. het leveren van een aandeel in de werkzaamheden van de Nationale Adviesraad en de verschillende commissie, subcommissies en werkgroepen;
  7. het deelnemen aan stafvergaderingen van DTH.

Na 1980 werden deze werkzaamheden onveranderd overgenomen door DGIS/SA.

4.3.2 Juridische aangelegenheden (DTH/AM en DTH/JR)

( Gids 1965 en 1968; ABZ III, code 1, nr. 174; ABZ IV, code 1, nr. 3111 )

De juridische aangelegenheden van DTH bestonden voornamelijk uit het redigeren van overeenkomsten en afspraken met autoriteiten van ontwikkelingslanden en particuliere of rechtspersonen betreffende in uitvoering genomen projecten. Daarnaast waren de diverse bureaus belast met:

  1. het opstellen van rechtspositieregelingen voor uitgezonden deskundigen;
  2. het voeren van het secretariaat van het overleg met de centrales van overheidspersoneel over aangelegenheden de uitgezonden deskundigen betreffende;
  3. het voorbereiden en uitvoeren van het juridische assistentie programma voor ontwikkelingslanden;
  4. het behandelen van conflicten of rechtsgedingen, waarbij de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking is of kan worden betrokken en het voeren van overleg ter zake met de Landsadvocaat;
  5. het uitbrengen van adviezen aan andere dienstonderdelen ter zake van juridische/fiscale problemen samenhangend met ontwikkelingssamenwerking;
  6. in het kader van het drempelprojectenprogramma adviseren bij onderhandelingen met directies van Nederlandse bedrijven over de te sluiten geldleenovereenkomsten en het opstellen van die overeenkomsten.

De juridische aangelegenheden werden behartigd door:

1964-1967Bureau Algemene Zaken (DTH/AM)
1967-1980Bureau Juridische Zaken (DTH/JR)

4.3.3 Bilaterale technische hulpverlening (DTH/MP, DTH/VH, DTH/UH, DTH/CP en DTH/PR)

Deze vorm van hulpverlening valt te splitsen in medefinancieringsprojecten en projecten die in eigen beheer werden uitgevoerd.

De bilaterale technische hulpverlening met betrekking tot de medefinanciering over de periode 1964-1980 werd van 1964-1968 uitgevoerd door het Bureau Medefinanciering Projecten Particuliere Organisaties (DTH/MP). Dit bureau was belast met de uitvoering van het in 1965 gestarte programma van medefinanciering van projecten van particuliere niet-commerciële organisaties. Bij de medefinanciering werd de volgende werkwijze aangehouden: ( Jaarverslag DTH 1965 )

  • het per aanvrage bezien of een project in eerste instantie passend is voor het programma van medefinanciering en of het voldoet aan de daarvoor geldende criteria.
  • het inwinnen van advies van de ambassade van Nederland in het betreffende land.
  • het, na goedkeuring van het project, in overleg met de aanvrager opstellen van een gedetailleerde projectbeschrijving.
  • het, na overeenstemming over de projectbeschrijving, opstellen en ondertekenen van de overeenkomst.

Per 1 november 1968 werden de taken van DTH/MP overgenomen door de regionale bureaus van de Onderafdelingen Voorbereiding Technische Hulpverlening (DTH/VH) en Uitvoering Technische Hulpverlening (DTH/UH) ( ABZ III, code 1, nr. 173/175 ) die de medefinancieringsprojecten verzorgen tot 1974. In dat jaar nam het Bureau Coördinatie Particuliere Activiteiten (DTH/CP) deze taken over. Na 1980 worden de activiteiten in het kader van de Medefinanciering van projecten voortgezet in de Directie Particuliere Activiteiten-, Onderwijs- en Onderzoekprogramma's (DPO). ( ABZ III, code 1, nr. 180 )

De bilaterale technische hulpverlening werd ook uitgevoerd door middel van 'projecten in eigen beheer'. Deze projecten werden van 1964 tot 1967 verzorgd door het Bureau Projecten (DTH/PR).

De taken van DTH/PR ( Gids 1965; ABZ III, code 1, nr. 173 ) met betrekking tot deze projecten zijn als volgt te omschrijven:

  1. het onderzoeken of een project leidde tot overdracht van de beoogde kennis en/of deskundigheid en het onderzoeken of de continuïteit van de projecten was verzekerd;
    • correspondentie met de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland over de aard van de projecten;
    • onderzoek van de voorgestelde projecten; toetsing aan het programma.
  2. het opstellen van een projectpresentatie met kwalitatieve en kwantitatieve aspecten;
    • overleg met de betrokken ministeries over de uitvoering van een project (OKW, L&V, Soza, MaWe).
  3. na aanvaarding van de projectpresentatie verleende DTH/PR medewerking aan het opstellen van een gedetailleerd operationeel plan en uitvoeringsovereenkomsten en het briefen en ondersteunen van deskundigen;
    • onderzoek naar de uitvoerbaarheid van project;
    • overleg over de wijze van uitvoering;
    • het in samenwerking met de Directie Verdragen opstellen van overeenkomsten met het ontvangende land inzake de verplichtingen van beide partijen bij uitvoering van de projecten.
  4. een coördinerende en toezichthoudende functie bij de uitvoering van projecten;
    • de (financiële) administratie van in uitvoering zijnde projecten;
    • advisering over problemen bij uitvoering van projecten.

In 1968 vond een scheiding plaats tussen de voorbereiding en de uitvoering van de internationale technische hulpverlening. Die scheiding was ook van toepassing op de projecten die in eigen beheer werden uitgevoerd. Tot 1980 zouden de (Onder)Afdeling Voorbereiding Technische Hulpverlening (DTH/VH) en de (Onder)Afdeling Uitvoering Technische Hulpverlening (DTH/UH) de taken van DTH/PR overnemen. De werkwijze van deze (onder)afdelingen verschilden niet met die van de voorganger.

4.3.4 Personeelsaangelegenheden (DTH/EM en DTH/WR)

Van 1964 tot 1968 was het Bureau Experts en Missies (DTH/EM) belast met het aantrekken van deskundigen en leden van internationale missies die in het kader van de technische hulpverlening naar het buitenland konden worden uitgezonden. Dit hield in het rekruteren en selecteren van Nederlandse deskundigen voor het hulpprogramma van de Verenigde Naties en het verlenen van bemiddeling bij de aanstelling van Nederlanders in ontwikkelingslanden buiten het VN-programma om. Voortvloeiend uit die taak werden besprekingen met vertegenwoordigers van internationale organisaties en buitenlandse regeringsinstellingen gehouden. De projecten waarvoor werd gerekruteerd en geselecteerd werden niet vastgesteld door DTH/EM, maar door DTH/PR. ( ABZ II, 130.1 DTH, dl. III, 1961-1964. ) In 1968 werd de naam van DTH/EM veranderd in Bureau Werving (DTH/WR). De taak bleef onveranderd, maar werd voortaan verricht onder supervisie van de Onderafdeling Werving en Opleiding (DTH/WO) waartoe ook het Bureau Fellowships (zie elders) behoorde.

In de periode 1970-1980 hielden drie bureaus van de Afdeling Personele Zaken en Opleidingen (DTH/PD) zich bezig met personele aangelegenheden, namelijk het hierboven beschreven Bureau Werving (DTH/WR), het Bureau Personeelsaangelegenheden (DTH/PK), met als taak de behandeling van personeelsadministratieve aangelegenheden met betrekking tot de naar ontwikkelingslanden uit te zenden en uitgezonden deskundigen en het Bureau Vorming (DTH/VI). De taak van het laatstgenoemde bureau was het organiseren en plannen van cursussen voor uit te zenden personen in het kader van het deskundigen- en assistent-deskundigenprogramma en het projectenprogramma en het voorbereiden van fellows en groepen van fellows op hun studie in Nederland. ( ABZ III, code 1, nr. 177 )

4.3.5 Onderwijs en onderzoek (DTH/FE en DTH/OO)

Het Bureau Fellowships ( ABZ II, 130.1 DTH, dl II, 1956-1960 & dl. III, 1961-1964. ) was als opvolger van ITH/FE belast met dezelfde werkzaamheden: de zorg voor de 'fellows' en 'scholars' van de Verenigde Naties en gespecialiseerde organisaties. Dit hield in het ten behoeve van de 'multilaterale fellows' (personen die in het kader van een VN-programma in Nederland een opleiding volgden) bemiddelen tussen de diverse internationale organisaties en instanties met betrekking tot het studieprogramma van de fellows, het verzorgen van verblijfsvergunningen en visa en het toezicht houden op de fellows. Het ontwikkelen van soortgelijke activiteiten ten behoeve van 'bilaterale fellows' (personen die in het kader van een Nederlands bilateraal programma in Nederland een opleiding volgden) en het voeren van overleg met internationale opleidingscentra in Nederland behoorde eveneens tot de taak van het Bureau Fellowships. DTH/FE heeft afwisselend als bureau en afdeling gefunctioneerd tot 1979 toen de taken werden overgenomen door de Afdeling Internationaal Onderwijs en Onderzoek (DTH/OO). ( Gids 1979; ABZ IV, code 1, nr. 3111 ) Vanaf 1970 werkte het Bureau Vorming mee aan de voorbereiding van fellows of groepen van fellows op hun studie in Nederland. ( ABZ III, code 1, nr. 177 ) In 1980 werd DTH/OO, dat bestond uit de Bureaus Internationaal Onderwijs en Universitaire Ontwikkelingssamenwerking (DTH/IO), Onderzoek en aangepaste Technologie (DTH/OT), Opleidingen in Nederland (DTH/OL) en Studie in de Regio (DTH/SO), omgezet in de Directie Particuliere Activiteiten-, Onderwijs- en Onderzoekprogramma's (DPO). ( ABZ III, code 1, nr. 180 )

4.3.6 Financiële aangelegenheden en documentatie (DTH/AM, DTH/FZ, DTH/BO, DTH/CR, DTH/FA, DTH/BF en DTH/DS)

De financiële aangelegenheden van DTH werden van 1964 tot 1968 verricht door het Algemene Zaken (DTH/AM). In 1968 werden deze taken overgenomen door de Onderafdeling Financiële Zaken (DTH/FZ) van de Afdeling Beheers- en Administratieve Zaken. Deze constructie hield stand tot 1970. Door de toegenomen hoeveelheid werk werd de activiteiten van DTH/FZ verdeeld over de nieuwe Bureaus Begroting (DTH/BO), Controle en Onderzoek (DTH/CR) en Financiële Administratie (DTH/FA).

De documentatietaken voor DTH werden tot 1968 verricht door het Bureau Algemene Zaken (DTH/AM). In 1968 werden de werkzaamheden door het Bureau Documentatie en Statistiek (DTH/DS) uitgevoerd.

4.4 Directie Financieel-Economische Ontwikkelingshulp (DFO), 1964-1980

4.4.1 Organisatie

De Directie Financieel-economische Ontwikkelingshulp werd bij ministeriële beschikking API/PD-60519 van 23 april 1964 ingesteld als één van de drie directies van het met diezelfde beschikkingingestelde Directoraat-generaal Internationale Samenwerking. ( ABZ IV, code 1, nr. 3111. ) In deze beschikking heette deze directie nog de Directie Kapitaalshulp (DKH), maar deze naam zou nimmer worden gebruikt.

Van 1964 tot 1967 was DFO in een 'personele unie' verbonden met de Directie Economische Samenwerking (DES) van DGES: de functies van chef DFO en chef DES waren aan één persoon gebonden. Tot 1967 was DFO ook slechts een directie met één medewerker, namelijk de chef. In dat jaar werden de Bureaus Multilaterale Zaken (DFO/MZ), Bilaterale Zaken (DFO/BT) en Kapitaalverkeer en Banken (DFO/KB) ingesteld.

In 1972 werden twee afdelingen opgericht. De Afdeling Financiële Ontwikkelingssamenwerking (DFO/FO), met daaronder het bestaande Bureau MZ en het nieuwe Bureau Consortia en Consultatieve Groepen (DFO/CC) en de Afdeling Financiële Hulpverleningsprogramma's (DFO/FH) met de Bureaus Investeringsbevordering (DFO/IB) en Banken en Voedselhulp (DFO/BV).

4.4.2 Taakafbakening

( Bijlage bij de notulen van de ministerraadsvergadering van 7 januari 1966, in; ABZ III, code 1, nr. 158. )

Taakafbakening tussen de Minister zonder Portefeuille belast met Ontwikkelingssamenwerking en de Minister van Financiën

De instructies voor het door Nederland te voeren beleid in de Wereldbank, IDA en IFC werden opgesteld door of onder leiding van het ministerie van Financiën. Als deze instructies onderwerpen van hulpverleningsbeleid betroffen moesten zij worden meegedeeld en besproken in de Coördinatie Commissie inzake Hulpverlening aan Minder ontwikkelde Landen (COCOM, later COCOS). Bij verschil van mening over de te geven instructies tussen het ministerie van Financiën en de Coördinatie Commissie werden de instructies besproken in de Ministerraad. De Ministerraad besliste.

Ten aanzien van consortia, consultatieve groepen en in zekere mate ontwikkelingsbanken werd het beleid na bespreking in de COCOM/COCOS in overleg vastgesteld tussen DGIS en het ministerie van Financiën:

  1. het ministerie van Financiën had de primaire verantwoordelijkheid voor de vaststelling van bijdragen, instructies en het aanwijzen van delegaties;
  2. instructies en samenstelling delegaties moesten echter wel in overleg tussen DGIS en het ministerie van Financiën worden vastgesteld, na voorbereiding in de COCOM/COCOS;
  3. overeenkomsten tot aansluiting bij een consortium, consultatieve groep of ontwikkelingsbank werden getekend door Financiën.

Taakafbakening tussen de Minister zonder Portefeuille belast met Ontwikkelingssamenwerking en de Minister van Economische Zaken met betrekking tot de UNCTAD

De instructies voor het in de UNCTAD door Nederland te voeren beleid werden na behandeling in de Coördinatie Commissie voor de Internationale Technische Hulp opgesteld onder leiding van het Directoraat-generaal van de BEB (Buitenlandse Economische Betrekkingen) van het ministerie van Economische Zaken. De instructies werden besproken in de IRHP; bij verschil van inzicht besloot de ministerraad. De instructies voor de UNCTAD werden mede ondertekend door DGIS. De delegaties naar de UNCTAD-vergaderingen werden aangewezen door Economische Zaken in overleg met DGIS. De delegaties rapporteerden aan Economische Zaken en DGIS.

4.4.3 Taken van DFO

De formele taakomschrijving van DFO luidde: "Behandeling van de aangelegenheden met betrekking tot de financieel-economische ontwikkelingshulp en de coördinatie van de verschillende vormen van deze hulpverlening en van het internationaal overleg terzake. Leiding der interdepartementale coördinatie op het gebied van deze taken". ( Gids 1965 )

4.4.4 Bureau Multilaterale Zaken (DFO/MZ), 1967-1971 (1980)

Het Bureau Multilaterale Zaken was belast met de behandeling van algemene beleidsproblemen, de beleidsvoorbereiding inzake aangelegenheden betreffende het Development Assistance Committee (DAC) en het Development Centre van de OESO en inspraak in het beleid ten aanzien van EEG en OESO voor de hulpverleningsaspecten en met de behandeling van de financiële zaken van de UNCTAD, in het bijzonder de zaken van de 3e commissie van deze organisatie.

De werkzaamheden ten aanzien van het Development Assistence Committee van de OESO (DAC) hielden in:

  1. behandelen van de financiële hulpaspecten die in de DAC worden behandeld: voorwaarden van de hulp, binding, schuldenproblematiek e.d.;
  2. voorbereiding van het Nederlandse DAC-examen, en de behandeling van de examens van andere landen:
    • verzorging van de financiële overzichten van het Nederlandse hulpprogramma conform DAC-voorschriften;
    • voorbereiding van het Nederlandse DAC-memorandum.

Dezelfde taken worden verricht in het kader van de werkzaamheden voor de financiële commissie van de UNCTAD en voor de EG.

DFO/MZ bleef tot 1980 als bureau van DFO functioneren.

4.4.5 Bureau Bilaterale Zaken (DFO/BT), 1967-1971

Belast met de voorbereiding van het beleid van de Nederlandse financieel-economische hulp in consortia en consultatieve groepen, de hulpverlening aan Indonesië en de voedselhulp.

4.4.6 Bureau Kapitaalverkeer en Banken (DFO/KB), 1967-1971

DFO/KB was belast met de behandeling van aangelegenheden met betrekking tot de 'wereldbankfamilie' (IBRD, IDA, IFC, supplementaire financiering) en van regionale en nationale ontwikkelingsbanken. Tevens belast met het afgeven van investeringsgaranties en het treffen van andere maatregelen ter bevordering van het privé kapitaalverkeer met ontwikkelingslanden. Een uitvloeisel daarvan was het bevorderen van de samenwerking met het bedrijfsleven in projecten in ontwikkelingslanden.

4.4.7 Afdeling Financiële Hulpverleningsprogramma's (DFO/FH), 1971-1974
( ABZ III, code 1, nr. 158, MB ASAZ/AOR-102179 van 2 juni 1971. )

DFO/FH omvatte de Bureaus DFO/IB (Investeringsbevordering, 1971-1974) en DFO/BV (Banken en Voedselhulp, 1971-1974) en had als taak de behandeling van aangelegenheden met betrekking tot de 'wereldbankfamilie' (IBRD, IDA, IFC, supplementaire financiering) en van regionale en nationale ontwikkelingsbanken. Ook de bilaterale financiële hulpverlening aan Zuid-Oost Azië behoorde tot het takenpakket.

DFO/FH was verantwoordelijk voor de behandeling van aangelegenheden betreffende de Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden NV (FMO). DFO/FH vertegenwoordigde de minister voor Ontwikkelingssamenwerking in de Raad van Commissarissen en in de financieringscommissie (waarin ook de ministeries van Financiën en Economische Zaken zitting hadden) van het FMO. ( Internationale Samenwerking 2 (1969) nr. 2, 34 e.v. en de Wet van 1 mei 1970, houdende machtiging tot deelneming in het aandelenkapitaal van een door de Staat met anderen op te richten Nederlandse Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden N.V., alsmede tot het treffen van maatregelen ten behoeve van de middelenvoorziening van die vennootschap (Staatsblad 237). )

Daarnaast hield de afdeling zich bezig met het afgeven van investeringsgaranties en het treffen van andere maatregelen ter bevordering van privé kapitaalverkeer met ontwikkelingslanden. Ook diende DFO/FH zorg te dragen voor de bevordering van de samenwerking van DGIS met het bedrijfsleven en de financiering van de voedselhulp te organiseren.

4.4.8 Afdeling Financiële Ontwikkelingssamenwerking (DFO/FO), 1971-1974

DFO/FO bestond uit de Bureaus DFO/CC (Consortia en Consultatieve Groepen, 1971-1974) en DFO/MZ (Multilaterale Zaken, [1967] 1971-1974 [1980]). De afdeling behandelde algemene beleidsaangelegenheden met betrekking tot de financiële ontwikkelingssamenwerking. De afdeling verrichtte beleidsvoorbereidende aangelegenheden met betrekking tot het Development Assistance Committee (DAC) en het Development Centre van de OESO en bereidde de Nederlandse inspraak in het beleid ten aanzien van EEG en OESO voor de hulpverleningsaspecten voor. Daarnaast was DFO/FO belast met de behandeling van de financiële zaken van de UNCTAD, in het bijzonder de zaken van de 3e commissie van deze organisatie en de Nederlandse financieel-economische hulp in consortia en consultatieve groepen.

4.5 Centrum tot Bevordering van de Import uit ontwikkelingslanden (CBI) 1971-

4.5.1 Organisatorische ontwikkeling

Met een beschikking van de Minister van Buitenlandse Zaken werd per 1 januari 1971 het Centrum tot Bevordering van de Import uit ontwikkelingslanden (CBI) in het leven geroepen. ( Beschikking van 18 december 1970, nr. ASAZ/AOR-240572. ) De voornaamste reden om tot instelling van het CBI over te gaan was de overweging dat de ontwikkelingslanden onvoldoende bekend waren met de markt in de industriële landen en omgekeerd. De centra die zich in de industriële landen met deze problematiek bezig hielden bewogen zich in het algemeen op het theoretische, educatieve en instructieve terrein en hielden zich niet bezig met de praktische importbevordering. Bij DGIS bestond het gevoel dat een op de praktijk en op een beperkt territoir gericht importbevorderingscentrum in aanvulling op de bestaande theoretische en educatieve centra een nuttige taak zou kunnen hebben. ( ABZ, arch-HDBZ/FM / 0027 )

Hiërarchisch werd het CBI rechtstreeks onder de Directeur-generaal Internationale Samenwerking van het Ministerie van Buitenlandse Zaken geplaatst. De DG Internationale Samenwerking werd tevens aangesteld als voorzitter van de Raad van Advies van het Centrum tot Bevordering van de Import uit Ontwikkelingslanden.

4.5.2 Organisatie

Het CBI bestond vanaf december 1972 uit drie bureaus. ( Beschikking van 15 december 1972, nr. ASAZ/AOR-259009. ) Het Bureau Administratieve Zaken (CBI/AZ), het Bureau Bedrijfsbemiddeling en Handelsbevordering (CBI/BH) en het Bureau Internationale Liaison en Overheidsinformatie (CBI/LO).

4.5.3 Taken en activiteiten van het CBI

De taakstelling van het CBI was het verstrekken van inlichtingen over afzetmogelijkheden in West-Europa voor uit ontwikkelingslanden afkomstige goederen, het verlenen van bemiddeling tussen aanbieders en aspirant-kopers van dergelijke goederen, het verrichten van overige werkzaamheden die kunnen bijdragen tot een groei van import uit de ontwikkelingslanden en het onderhouden van de relatie met het UNCTAD/GATT International Trade Centre (ITC) te Genève (o.a. namens Nederland deelnemen aan de zittingen van de adviesgroep van dit centrum). ( ABZ, 1975-1984, code 1, nr. 3045. )

Het onderhouden van de contacten met het ITC betekende tevens dat de activiteiten van het Bureau Exportbevorderingshulp aan Ontwikkelingslanden van de Economische Voorlichtingsdienst door het CBI in zijn geheel werden overgenomen. Dit bureau hield op te bestaan.

Bureau Administratieve Zaken (CBI/AZ), 1972-1985 en het Bureau Algemene en Comptabele Aangelegenheden (CBI/CZ), 1985-

De taken van de Bureaus AZ en CZ betroffen het financieel beheer van het CBI, het verzorgen van het archief en de documentatie. Deze taak werd over de periode 1972-1990 niet gewijzigd. De naamsverandering vond slechts plaats om de taakinhoud van het bureau beter in de naamgeving tot uiting te laten komen.

Bureau Bedrijfsbemiddeling en Handelsbevordering (CBI/BH), 1972-1985 en het Bureau Handelsbevordering en Bedrijfsbemiddeling (CBI/HB), 1985-

Bij de instelling in 1972 kreeg CBI/BH als taak opgedragen: het leggen en bevorderen van contacten tussen exporteurs uit ontwikkelingslanden en importeurs uit West-Europa. In dit kader dienden de volgende activiteiten te worden verricht:

  • verstrekken van inlichtingen en documentatie over handel en industrie;
  • onderhouden van contacten met bedrijfsleven over afzetmogelijkheden van producten;
  • het bevorderen van handelscontacten door het organiseren van projecten (tentoonstellingen, publicaties, beurzen e.d.);
  • het ontvangen van handelsmissies uit ontwikkelingslanden en het stimuleren van ontmoetingen met importeurs in West-Europa.

De naamsverandering van het bureau in 1985 bracht geen wijziging in de uit te voeren taken met zich mee.

Bureau Internationale Liaison en Overheidsinformatie (CBI/LO), 1972-1985 en het Bureau Internationale Projecten en Kennisoverdracht (CBI/IK), 1985-

Het Bureau CBI/LO had als taak het voorbereiden van, adviseren over en uitvoering geven aan beleid van het International Trading Centre (ITC) van UNCTAD/GATT te Genève en het ten behoeve van deze organisatie organiseren van informatieprojecten in Nederland voor deelnemers uit ontwikkelingslanden. CBI/IK behield deze taken en diende tevens te zorgen voor de begeleiding van exportbevorderende organisaties in ontwikkelingslanden en Nederland, het samen met deze organisaties opstellen van jaarplannen en het uitvoeren van die jaarplannen.

4.5.4 Raad van Advies van het CBI, 1971-

De Raad van Advies van het CBI werd op 4 februari 1971 door minister Udink, minister zonder portefeuille belast met aangelegenheden betreffende ontwikkelingssamenwerking, geïnstalleerd. De Raad had taak de directeur van het CBI in zijn werkzaamheden bij te staan en vergaderde minimaal twee maal per jaar. De adviezen van de Raad waren bindend.

In de Raad waren naast het DGIS de volgende instellingen vertegenwoordigd:

  • de Directeur van de Economische Voorlichtingsdienst;
  • een vertegenwoordiger van het Ministerie van Landbouw & Visserij;
  • een vertegenwoordiger van de Kamer van Koophandel te Rotterdam;
  • een vertegenwoordiger van het Verbond van de Nederlandse Groothandel;
  • een vertegenwoordiger van het Nederlands Economisch Instituut;
  • een vertegenwoordiger van de Nederlandse Organisatie voor Internationale Bijstand (NOVIB).

4.5.5 Actoren in het taakgebied van het CBI

  • International Trade Centre (ITC) UNCTAD/GATT te Genève
  • Directoraat Generaal Internationale Samenwerking (DGIS)
  • Directoraat Generaal Buitenlandse Economische Betrekkingen (DG BEB)
  • Bedrijfsleven in Nederland (importeurs)
  • Bedrijfsleven in ontwikkelingslanden (exporteurs)
  • Overheid ontwikkelingslanden
  • Handelsmissies

4.5.6 Staf Ontwikkelingssamenwerking (SON), 1970-1973

De ambtelijke ondersteuning voor de werkzaamheden van de Nationale Commissie Voorlichting en Bewustwording Ontwikkelingssamenwerking (NCO) werd geleverd door de Staf Ontwikkelingsstrategie (SON) van DGIS. De SON had als taak de voorbereiding en uitvoering van projecten van de NCO te verzorgen. De Staf Ontwikkelingsstrategie werd gelijktijdig met het verstrijken van het mandaat van het NCO in december 1973 opgeheven.

De nieuwe "Stichting Nationale Commissie Voorlichting en Bewustwording Ontwikkelingssamenwerking" ( Ministeriële Beschikking dd. 21.02.1974, nr. 44839 ) werd in haar werkzaamheden ambtelijk ondersteund door de Voorlichtingsdienst Ontwikkelingssamenwerking (VDO). ( ABZ IV, code 1, nr. 3517, memo van DGIS dd. 06.03.1974 )

4.5.7 Voorlichtingsdienst Ontwikkelingssamenwerking (VDO), 1967-1981

4.5.7.1 Instelling

Tot 1967 was de gehele voorlichtingsactiviteit van het ministerie samengebracht in de Directie Voorlichting Buitenland (DVB). Het bestaande apparaat beantwoordde echter te weinig aan de behoefte tot actieve voorlichting in de OS-sector. Minister Bot nam in 1966 het initiatief tot de instelling van een aparte dienst. De Voorlichtingsdienst Ontwikkelingssamenwerking (VDO) werd ingesteld in 1967. Het bestaande DVB werd gesplitst in DPN (politieke voorlichting in engere zin) en DCV (voorlichting over Nederland in het buitenland).

4.5.7.2 Taken

De voorlichtingsdienst diende op ruime schaal bekendheid te geven, in woord, in beeld en in geschrift, aan het regeringsbeleid, in casu op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking. Anders dan de meeste departementale voorlichtingsdiensten had VDO ook een aanzienlijke taak op het gebied van wat met "bewustmaking" wordt aangeduid, reden waarom deze voorlichtingsdienst op deze plaats is opgenomen.

VDO verrichtte ten aanzien van de Stichting Nationale Commissie Voorlichting en Bewustwording Ontwikkelingssamenwerking (NCO) de volgende taken:

  • projectbehandeling jaarplan + projecten van het dagelijks bestuur aan de hand van voorstellen van de NCO, aan de hand van adviezen van de Adviescommissie NCO en aan de hand van adviezen van beleidsdirecties.
  • geregeld overleg met staf NCO en secretariaat Adviescollege.
  • incidentele begeleiding onderzoeksprojecten.
  • de behandeling van beroepsschriften van particuliere organisaties tegen besluiten van de NCO en de bemiddeling tussen partijen namens de minister voor Ontwikkelingssamenwerking.
  • lidmaatschap van het Adviescollege NCO als waarnemer van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking.
  • overleg met vakministeries inzake gezamenlijke financiering van projecten
4.6 Stichting Nederlandse Vrijwilligers / Organisatie voor Ontwikkelingssamenwerking en Bewustwording en voorgangers, (JVP, AJV, ANV en SNV) 1963-1990

4.6.1 Organisatie

( Tenzij anders vermeld is deze paragraaf gebaseerd op de Gidsen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over de periode 1964-1991. )

4.6.1.1 De ambtelijke organisatie

Op 8 februari 1963 werd in de Ministerraad besloten dat naar analogie van het Amerikaanse 'Peace Corps' ook in Nederland een dergelijke organisatie zou worden opgericht. Het Ministerraadsbesluit volgde op het debat in de Tweede Kamer van november 1962 waarin de Regeringsnota inzake hulp aan minder ontwikkelde gebieden werd behandeld en op de behandeling van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Bij beide gelegenheden had de Tweede Kamer aangedrongen op de opzet van een vrijwilligersprogramma. Tussen het JVP en de Stichting Jongeren Vrijwilligers Corps - een overkoepelende organisatie van particuliere instellingen die ook met de gedachte leefden een dergelijke organisatie op te zetten - werd een regeling getroffen met betrekking tot samenwerking ten aanzien van de uitzending van jonge vrijwilligers. ( Jaarboek BuZa 1962/1963. )

Het Jongeren Vrijwilligers Programma (JVP), zoals het Nederlandse Peace Corps zou gaan heten, werd per 1 april 1964 ingepast als onderdeel van de Directie Technische Hulp (DTH). Het JVP werd in 1963 samengesteld uit het Bureau Algemene Zaken (JVP/AG), het Bureau Projekten (JVP/PJ) en het Bureau Vrijwilligerszaken (JVP/VW). ( Zie voor de organisatorische ontwikkeling van JVP, AJV, ANV en SNV ook het bijgevoegde schematisch overzicht. )

In 1965 werd de naam van het JVP omgezet in Afdeling Jongeren Vrijwilligers (AJV). De reden hiervoor was de oprichting op 19 juli 1965 van de Stichting Nederlandse Vrijwilligers, een stichting opgericht door de Stichting Jongeren Vrijwilligers Corps en het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het AJV fungeerde na de oprichting van de Stichting als het uitvoerende apparaat van de SNV. Het Bureau Algemene Zaken bleef bestaan (met een enkele naamsverandering bleef dit bureau de gehele periode 1964-1990 intact); de Bureaus Projekten en Vrijwilligerszaken werden opgeheven. Daarvoor in de plaats kwamen het Bureau Selectie (AJV/SL), het Bureau Recrutering (AJV/RC), het Bureau Analyse en Resultatenonderzoek (AJV/AN) en het Bureau Projectbegeleiding (AJV/PB).

In 1968 vond een reorganisatie plaats. De Bureaus Selectie en Recrutering bleven bestaan, maar werden ondergebracht in de nieuwe Onderafdeling Vrijwilligerszaken (AJV/VW). AJV/AN en AJV/PB werden opgeheven en samengevoegd in de Onderafdeling Projecten (AJV/PR), die vier regionaal ingedeelde bureaus omvatte: Bureau Azië (AJV/ZI), Bureau Latijns-Amerika (AJV/LK), Bureau West-Afrika (AJV/WA) en Bureau Oost-Afrika (AJV/OA).

In 1972 vonden wederom veranderingen in de organisatie plaats. De regionale bureaus Azië, Latijns-Amerika, West-Afrika en Oost-Afrika werden opgeheven en ondergebracht bij de nieuwe Bureaus Planning en Resultatenonderzoek (AJV/PL) en Projectzaken (AJV/PR). Dit was min of meer een terugkeer naar de situatie van vóór 1968. Het Bureau Personele Zaken (AJV/PE) kwam in de plaats van het Bureau Selectie (AJV/SL).

Tot 1973 was het AJV in de ambtelijke hiërarchie geplaatst onder DTH. Vanaf dat jaar ressorteerde de ambtelijke staf rechtstreeks onder de DG Internationale Samenwerking.

4.6.1.2 De Stichting Nederlandse Vrijwilligers

Op 16 juli 1965 werd in Den Haag de Stichting Nederlandse Vrijwilligers opgericht. De stichting stelde zich, in samenwerking met de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking, tot doel de hulpverlening aan en de samenwerking met ontwikkelingslanden door uitzending van jonge vrijwilligers. De comparanten bij de stichtingsakte waren mr. Th.H. Bot, Minister zonder Portefeuille belast met de aangelegenheden betreffende de hulp aan de ontwikkelingslanden, ds. N.O. Steenbeek en drs. J.F. van Campen, voorzitter en secretaris van de Stichting Jongeren Vrijwilligers Corps. ( Oprichtingsakte Stichting Nederlandse Vrijwilligers, 16 juli 1965. )

Het doel van de stichting moest bereikt worden door:

  1. het verstrekken van voorlichting over ontwikkelingssamenwerking in Nederland in de ruimste zin;
  2. het bestuderen van projectvoorstellen - onafhankelijk van de herkomst van die voorstellen - met dien verstande dat de uiteindelijke beslissing over de keuze van de projecten bij de Minister berustte;
  3. het werven van jonge vrijwilligers;
  4. het selecteren van jonge vrijwilligers met dien verstande dat de uiteindelijke beslissing over de aanstelling bij de Minister berustte;
  5. het uitvoeren en het begeleiden van de projecten;
  6. de opleiding van jonge vrijwilligers onder leiding van een door de Minister in te stellen curatorium van zeven leden, te benoemen door de Minister, na overleg met het bestuur van de stichting;
  7. alle andere middelen die kunnen leiden tot realisering van het doel van de stichting.

Bij de oprichtingsakte bestond het bestuur uit 12 personen, van wie er zes door de Stichting Jongeren Vrijwilligers Corps werden aangewezen; vier leden werden door de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking benoemd (onder wie de secretaris en de penningmeester); twee leden, waaronder de voorzitter, benoemd door de Minister na overleg met het JVC. In de statuten werd tevens bepaald dat de werkzaamheden voortvloeiende uit de taken van de stichting, zouden worden verricht door een haar door het ministerie van Buitenlandse Zaken ter beschikking gestelde staf.

4.6.1.3 Verhouding tussen bestuur Stichting Nederlandse Vrijwilligers en het ministerie van Buitenlandse Zaken

De uiteindelijke keuze van voorgestelde projecten en de aanstelling van vrijwilligers was de verantwoordelijkheid van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking. Ook het huishoudelijk reglement en besluiten tot statutenwijziging en ontbinding van de stichting behoefden de goedkeuring van die minister.

De toetsing van voorgestelde projecten kon gedaan worden door de tevens in het bestuur van de SNV zittende Plaatsvervangend Directeur-generaal Internationale Samenwerking (Plv. DGIS) of zijn vervanger.

Besluiten van het bestuur werden via de chef van de ambtelijke organisatie aan de ambtelijke staf doorgeleid. De bestuursbesluiten konden ambtelijk worden beschouwd als te zijn uitgegaan van de Plv. DGIS. Voorstellen of informatie van de ambtelijke staf of de veldwerkers werden het bestuur aangeboden door tussenkomst van de chef van de ambtelijke organisatie. De secretaris van de SNV (in ambtelijke dienst) kon bepaalde van te voren omschreven werkzaamheden zelfstandig in opdracht van het bestuur uitvoeren. Werkzaamheden die niet van te voren waren omschreven behoefden eerst goedkeuring van de chef van de ambtelijke organisatie. Vóór 1975 en ná 1980 was de functie van secretaris en chef gecombineerd.

Correspondentie van de SNV kon in het algemeen namens het bestuur door de ambtelijke staf en de SNV-veldstaf worden behandeld. Uitgaande correspondentie werd namens het bestuur ondertekend door de chef van de ambtelijke organisatie.

De ambtelijke staf kon ook correspondentie voeren namens de minister voor Ontwikkelingssamenwerking.

Correspondentie die niet tot de competentie van de ambtelijke staf behoorde werd door het bestuurssecretariaat afgehandeld, evenals correspondentie die het bestuur na overleg met de ambtelijk chef expliciet door het bestuurssecretariaat wilde laten behandelen. Deze correspondentie werd door voorzitter of secretaris ondertekend.

4.6.2 Taken en activiteiten

4.6.2.1 Jongeren Vrijwilligers Programma (JVP), 1963-1965

De taak van het Jongeren Vrijwilligers Programma bij de installatie was de behandeling van alle aangelegenheden met betrekking tot de uitzending van jonge vrijwilligers naar de minder ontwikkelde landen (de huidige ontwikkelingslanden). In het kader hiervan had het JVP de volgende (deel)taken:

  • kiezen van geschikte projecten;
  • recrutering, selectie en opleiding van vrijwilligers;
  • maken van afspraken met ontvangende regeringen en de uitzending der vrijwilligers in het kader van de gekozen projecten;
  • bevorderen van vruchtbare samenwerking tussen overheid en particulier initiatief.

De uitwerking van deze (deel)taken/doelstellingen/functies resulteerde in een drietal concrete taakgebieden:

  • Dirigerende taak: het doen van voorstellen met betrekking tot het opstellen van richtlijnen voor het entameren van projecten;
  • Controlerende taak: ter plaatse op de hoogte stellen van de verlangde activiteiten, de te volgen methoden, de te werven vrijwilligers, het te verstrekken materiaal, huisvesting, verslaglegging en uitvoering van projecten;
  • Adviserende taak: verstrekken van adviezen inzake opleidings-, organisatorische-, administratieve en algemene beleidsproblemen.

Bureau Algemene Zaken (JVP/AG), 1963-1965

( Gids BUZA 1965 en 1966; ABZ II, 130.1 JVP 1963-1964. )

Het Bureau Algemene Zaken kreeg de volgende taken opgedragen:

  • het onderhouden van contacten met nationale jongerenorganisaties en internationale organisaties (VN).
  • het verzorgen van de algemene voorlichting over het JVP door middel van het uitgeven van brochures, het inlichten van de schrijvende pers, de radio en de televisie over JVP-activiteiten, het verzorgen van lezingen en het redigeren van het maandelijkse informatiebulletin.
  • de behandeling van administratieve en financiële zaken, zoals werkzaamheden ten behoeve van de begrotingsvoorbereiding, begrotingsbewaking, financiële administratie en beheer van het archief.
  • het opstellen van richtlijnen met betrekking tot de wetenschappelijke evaluatie van projecten uitgevoerd door of uit te voeren onder de paraplu van JVP en het ontwikkelen van criteria met betrekking tot de selectie en opleiding van aspirant vrijwilligers.

Bureau Vrijwilligerszaken (JVP/VW), 1963-1965

( Gids BUZA 1965 en 1966; ABZ II, 130.1 JVP 1963-1964. )

Het Bureau Vrijwilligerszaken werd belast met de werving, selectie en begeleiding van aspirant jonge vrijwilligers.

  • werving (het verzorgen van advertenties, verzorgen van individuele en groepsvoorlichting, voeren van gesprekken met aspirant vrijwilligers en de verslaglegging hiervan).
  • selectie en aanname (de beslissing over plaatsing, verzorgen van keuringen, contracten en eventueel dienstplichtzaken, het verzorgen van de personeelsadministratie).
  • vorming en opleiding (het in overleg met opleidingsinstituten vaststellen van opleidingsprogramma's naar aanleiding van projectanalyses van JVP/PJ, het verzorgen van de coördinatie tussen het JVP en opleidingsinstituten, het persoonlijk volgen van vrijwilligers tijdens de opleiding en het voorbereiden van nieuw beleid met betrekking tot opleidingsvormen).

Bureau Projecten (JVP/PJ), 1963-1965

( Gids BUZA 1965 en 1966; ABZ II, 130.1 JVP 1963-1964. )

Het Bureau Projecten van het JVP was in algemene zin belast met werkzaamheden met betrekking tot de voorbereiding en uitvoering van vrijwilligersprojecten in ontwikkelingslanden. Meer specifieker was JVP/PJ verantwoordelijk voor:

  • de beoordeling van projectvoorstellen (kennisnemen van projectvoorstellen, verzamelen van gegevens voor eerste beoordeling, bepalen of voorstellen in het kader van de doelstellingen en mogelijkheden van het JVP uitvoerbaar zijn).
  • de projectanalyse (technische analyse met behulp van een externe vakdeskundige, ter plaatse opstellen van projectanalyse met vakdeskundige, analyse voorleggen aan leiding JVP, zonodig maken van uitvoeringsplan).
  • de uitvoering (coördinerende en toezichthoudende functie bij uitvoering, aanbrengen van correcties en rapportage aan leiding JVP).

Daarnaast had PJ tot taak het opstellen van overeenkomsten met de hulp ontvangende landen en was het belast met de behartiging van de juridische zaken van geheel JVP.

Naar aanleiding van de projectanalyse diende PJ tevens te zorgen voor de aanschaf van materieel en het vervoer daarvan.

4.6.2.2 De Afdeling Jongeren Vrijwilligers (AJV), 1965-1976

De naamswijziging van JVP in AJV en de daarmee gepaard gaande statuswijziging (van alleen ambtelijke dienst naar uitvoerende staf van het SNV-bestuur) bracht op hoofdlijnen geen veranderingen in de taken en activiteiten.

Bureau Selectie (AJV/SL), 1965-1972 en Bureau Personele Zaken(AJV/PE), 1972-1976

Het Bureau Selectie nam de selectietaak van het voormalige JVP/VW over. Ook met de naamsverandering in 1972 veranderde er niets aan de taakstelling van het bureau.

Bureau Rekrutering (AJV/RC), 1965-1976

Het Bureau Rekrutering nam van JVP/VW de rekruteringstaak over. AJV/RC diende tevens de gerichte voorlichting aan aspirant vrijwilligers te verzorgen.

Onderafdeling Vrijwilligerszaken (AJV/VW), 1968-1972

De Onderafdeling Vrijwilligerszaken die van 1968 tot 1972 functioneerde werd gevormd door het Bureau Rekrutering (AJV/RC) en het Bureau Selectie (AJV/SL). Van deze bureaus staan de taken hierboven beschreven.

Bureau Algemene Zaken (AJV/AG), 1965-1976

Het Bureau Algemene Zaken werd belast met het onderhouden van de nationale en internationale contacten van AJV, het verzorgen van publiciteit (pers, radio, televisie) en de administratieve en financiële zaken. De juridische zaken werden door AJV/AG overgenomen van het voormalige JVP/PJ. Tevens diende het bureau zorg te dragen voor het secretariaat van de Stichting Nederlandse Vrijwilligers.

Bureau Projectbegeleiding (AJV/PB), 1965-1968

Het Bureau Projectbegeleiding van AJV werd belast met de begeleiding van uitgezonden vrijwilligers. Die begeleiding betrof zowel personele als materiële zaken. Deze taak werd voor de instelling van AJV/PB uitgevoerd door JVP/VW en JVP/PJ.

Bureau Analyse en Resultaten onderzoek (AJV/AN), 1965-1968

De door het Bureau Projecten van het JVP uitgevoerde werkzaamheden met betrekking tot de voorbereiding en analyse van projecten werd overgenomen door het Bureau Analyse en Resultaten onderzoek dat ook als taak kreeg het verrichten van rendementsonderzoek naar de inzet van de door SNV uitgezonden vrijwilligers.

Onderafdeling Projekten (AJV/PR), 1968-1972 en daaronder ressorterende regionale bureaus

In 1968 werden de Bureaus AJV/AN en AJV/PB samengevoegd tot de Onderafdeling Projecten (AJV/PR). De Onderafdeling Projecten omvatte de Bureaus Azië (AJV/ZI), Latijns-Amerika (AJV/LK) , West-Afrika (AJV/WA) en Oost-Azië (AJV/OA). Deze bureaus functioneerden van 1968 tot 1972. De taken van al deze bureaus waren identiek aan de taken van voorheen JVP/PJ en AJV/AN met AJV/PB: zorg dragen voor voorbereiding, planning en uitvoering van de gekozen projecten, slechts de regio's verschilden.

De regionale bureaus werden in 1972 opgeheven. Voor die bureaus kwamen in de plaats het Bureau Planning en Resultatenonderzoek (AJV/PL) en het Bureau Projectzaken (AJV/PR). In feite een terugkeer naar de situatie van vóór 1968, waarbij AJV/PL het takenpakket van AJV/AN en AJV/PR het takenpakket van AJV/PB op zich nam.

Bureau Planning en Resultatenonderzoek (AJV/PL), 1972-1976

AJV/PL kwam voort uit de landenbureaus die ressorteerden onder de Onderafdeling Projecten (AJV/PR). De taken van PL waren analoog aan die van het tot 1968 functionerende Bureau Analyse en Resultatenonderzoek (AJV/AN).

Bureau Projectzaken (AJV/PR), 1972-1976

Het Bureau Projectzaken (AJV/PR) kwam evenals AJV/PL voort uit de landenbureaus die ressorteerden onder de Onderafdeling Projecten (AJV/PR). Net als bij AJV/PL was de taak gelijk aan dat van een bureau dat tot 1968 functioneerde; in dit geval het Bureau Projectbegeleiding (AJV/PB).

4.7 Commissies en onderraden

4.7.1 Coördinatie-Commissie inzake Hulpverlening aan Minder Ontwikkelde Landen (Cocom) en de Coördinatie-Commissie Ontwikkelingssamenwerking (Cocos), 1964-

( Jaarboek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken 1964/1965, 276. )

4.7.1.1 Organisatorische ontwikkeling

In de tweede helft van 1964 werd nader inhoud gegeven aan de interdepartementale samenwerking op het gebied van de ontwikkelingshulp. Het besluit hiertoe werd reeds in november 1963 in de Ministerraad genomen. ( ABZ II, code 6, nr. 2290 ) Bij beschikking van 16 oktober 1964 werd de Coördinatie-Commissie inzake Hulpverlening aan Minder-Ontwikkelde Landen ingesteld. In de wandeling werd deze commissie de COCOM genoemd. ( ABZ II, code 6, nr. 2289: Ministeriële Beschikking dd. 16.10.1964, nr. DGIS/SA-152609 ) In deze commissie werden vertegenwoordigers van departementen benoemd die op enigerlei wijze betrokken waren bij het ontwikkelingswerk (in eerste instantie waren dat buiten het ministerie van Buitenlandse alle overige departementen minus die van Justitie en Defensie). De commissie werd voorgezeten door de minister zonder Portefeuille, belast met de ontwikkelingssamenwerking. De eerste vergadering van de commissie vond plaats op 26 oktober 1964. ( ABZ II, code 6, nr. 2290 ) Ergens in de loop van de jaren zeventig werd de naam van de commissie veranderd in die van Coördinatie-Commissie Ontwikkelingssamenwerking (COCOS), zonder dat dit consequenties had voor de werkzaamheden van de commissie.

De COCOM/COCOS was het ambtelijk voorportaal van de (Onder-)Raad voor de Ontwikkelingssamenwerking (ROS). ( L. Hovy, 33-39. )

De Coördinatie Commissie hield zich bezig met de algemene beleidslijnen van de ontwikkelingssamenwerking. Door zijn samenstelling en door de geringe frequentie van de vergaderingen was de Commissie niet geschikt zich bezig te houden met details en technische problemen van het hulpverleningsbeleid. Daarom werden er door de Coördinatie Commissie drie gespecialiseerde subcommissies ingesteld die zich bezig hielden met details en technische problemen:

  1. de subcommissie Technische Hulp (voorzitter Chef DIO);
  2. de subcommissie Financieel-Economische Hulp (voorzitter Chef DFO);
  3. de bestaande Coördinatie-Commissie voor de Verenigde Naties en de Gespecialiseerde Organisaties trad als subcommissie op als in die commissie kwesties werden besproken die lagen op het terrein van de ontwikkelingshulp.

Met de instelling van de subcommissies werden de drie werkgroepen voor het Development Assistance Committee, Wereldbank Consortia en Consortia voor Griekenland en Turkije overbodig; hun taak werd overgenomen door de subcommissie Financieel-Economische Hulp. De subcommissie Technische Hulp nam de taken van de Interdepartementale Commissie voor Internationale Technische Hulp (Commissie ITH) over, waardoor laatstgenoemde commissie overbodig werd.

In 1972 werden de subcommissies Technische Hulp en Financieel-Economische Hulp samengevoegd tot de subcommissie Hulpverleningsprogramma. ( ABZ IV, code 6, nr. 1036: brief DGIS/SA-172557 dd. 24.08.1972 ) Tegelijkertijd werd de nieuwe subcommissie Algemene Ontwikkelingssamenwerking ingesteld, die de ontwikkelingspolitieke onderwerpen diende te behandelen voor zover zij geen deel uitmaakten van het financiële en technische programma, zoals ontwikkelingsstrategie en het DAC. De subcommissie Algemene Ontwikkelingssamenwerking nam daarmee de werkzaamheden van de interdepartementale werkgroepen Ontwikkelingsstrategie en Internationale Ruimtelijke Ordening over. Deze werkgroepen werden opgeheven.

Het secretariaat van de COCOS en de subcommissies werden verzorgd door het Bureau Beleidsvoorbereiding van DGIS (DGIS/SA).

4.7.1.2 Taak

De taak van de commissie was het bespreken van alle beleidskwesties die betrekking hadden op de hulpverlening en die van enige importantie waren. Alle adviezen die door de Nationale Adviesraad voor Ontwikkelingssamenwerking (NAR) werden uitgebracht werden in de Coördinatie Commissie aan de orde gesteld. De Coördinatie Commissie moest met betrekking tot deze adviezen nagaan in hoeverre gevolg kon worden gegeven aan de suggesties van de NAR die in deze adviezen waren vervat.

De COCOS had geen vaste vergaderfrequentie. Het aantal beleidsnota's bepaalde het aantal vergaderingen. Gemiddeld kwam de commissie 3 á 4 maal per jaar bijeen.

De aangelegenheden werden in eerste instantie in de subcommissies besproken. Alleen indien de leden van de subcommissie van mening waren dat de Coördinatie Commissie zich uit diende te spreken kwam die commissie bijeen.

4.7.2 Nationale Raad van Advies inzake Hulpverlening aan Minder Ontwikkelde Landen / Nationale Adviesraad voor Ontwikkelingssamenwerking (Nar), 1964-1990

4.7.2.1 Doelstelling

De taak van de NAR was de minister van Buitenlandse Zaken (later de minister voor Ontwikkelingssamenwerking) op diens verzoek en uit eigener beweging over alle zaken met betrekking tot ontwikkelingssamenwerking van advies te dienen. De Raad deed dat door het uitbrengen van rapporten, het instellen van werkgroepen en het organiseren van studiebijeenkomsten en het publiceren van de verslagen van die bijeenkomsten.

4.7.2.2 Instelling

Op 22 januari 1964 werd de Nationale Raad van Advies inzake Hulpverlening aan Minder Ontwikkelde landen per beschikking ingesteld door de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, dr. I.N.Th. Diepenhorst. ( ABZ IV, O&I, nr. 99, Beschikking nr. DIO-10271 ) De installatie van de adviesraad vond twee dagen later plaats. ( Jaarverslag DTH 1964 ) De 63 leden tellende Raad stond onder voorzitterschap van professor dr. J. Tinbergen.

De Raad kreeg een ambtelijk secretariaat dat werd verzorgd door het Bureau Beleidsvoorbereiding van het DGIS (DGIS/SA).

4.7.2.3 Samenstelling

Bij de installatie van de NAR in januari 1964 werd de Raad, teneinde een zo groot maatschappelijk draagvlak te verkrijgen samengesteld uit vertegenwoordigers van missie en zending, onderwijs en wetenschappen, bedrijfsleven, vakbeweging en sociale zekerheid, volksgezondheid en maatschappelijk werk, landbouw en de particuliere sector.

Voorzitter en leden werden voor een periode van vier jaar door de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken (later de minister voor Ontwikkelingssamenwerking) benoemd.

De Raad kende in de loop van zijn bestaan de volgende werkgroepen:

  • Algemene Samenstelling Hulpprogramma
  • Wettelijke Grondslag
  • Jongeren Vrijwilligers
  • Activiteiten van Universiteiten
  • Internationaal Beleid
  • Subuniversitair Onderwijs
  • Uitzending Ondernemers
  • Consortiumbeleid
  • Bevordering particuliere financiering ontwikkeling
  • Vraag en aanbod deskundigen
  • Projecten Programma
  • Opleiding uit te zenden deskundigen

De door de Raad uitgebrachte adviezen werden door het departement als volgt behandeld. Na verschijning van het advies werd een voorlopige schriftelijke reactie op het advies gegeven. Vervolgens vond een gesprek plaats van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking met de betreffende werkgroep. Naar aanleiding van dat gesprek stuurde het departement tenslotte een definitieve schriftelijke reactie aan de Raad. Wanneer de onderwerpen van de NAR-adviezen terreinen betroffen waarvoor de minister voor Ontwikkelingssamenwerking niet de enige competente minister was werd, alvorens een gesprek met één van de werkgroepen aan te gaan, interdepartementaal overleg gevoerd.

4.7.3 Nationale Commissie Ontwikkelingsstrategie 1970-1980 (NCO), 1970-1973 en de Stichting Nationale Commissie Voorlichting en Bewustwording Ontwikkelingssamenwerking (NCO), 1973-1990

4.7.3.1 Instelling

Op 2 december 1970 werd de "Nationale Commissie Ontwikkelingsstrategie (Commissie Claus) 1970-1980" ingesteld. De commissie diende als platform voor particuliere organisaties en had als doel de gedachtenvorming en informatievoorziening over de internationale ontwikkelingsstrategie van de Verenigde Naties te stimuleren. De commissie had van meet af aan een tijdelijk karakter en werd op 3 december 1973 door de minister voor Ontwikkelingssamenwerking van haar mandaat ontheven. ( Ministeriële Beschikking dd. 21.02.1974, nr. 44839 )

Door de commissie werden ter uitvoering van haar taak de volgende werkgroepen in het leven geroepen:

  • werkgroep Vorming;
  • werkgroep Onderwijs;
  • werkgroep Inventarisatie;
  • werkgroep Methodieken;
  • werkgroep Opiniepeiling.

Ambtelijke ondersteuning voor haar werkzaamheden kreeg de Nationale Commissie van de Staf Ontwikkelingsstrategie (SON) van DGIS. De SON had als taak de voorbereiding en uitvoering van projecten van de NCO te verzorgen. De Staf Ontwikkelingsstrategie werd gelijktijdig met de Commissie in december 1973 opgeheven.

Als opvolger van de Nationale Commissie Ontwikkelingsstrategie 1970-1980 werd in februari 1974 door de minister voor Ontwikkelingssamenwerking, drs. J.P. Pronk de nieuwe "Stichting Nationale Commissie Voorlichting en Bewustwording Ontwikkelingssamenwerking" geïnstalleerd. ( Ministeriële Beschikking 21.02.1974, nr. 44839 ) Deze stichting werd door DGIS gefinancierd.

De Voorlichtingsdienst Ontwikkelingssamenwerking (VDO) werd door DGIS aangewezen als instelling die, waar nodig, de ambtelijke behandeling van zaken betreffende de NCO en het eveneens in februari 1974 ingestelde Adviescollege NCO op zich moest nemen. ( ABZ IV, code 1, nr. 3517, memo van DGIS dd. 06.03.1974 ) Na het opgaan van VDO in de Dienst Voorlichting Buitenland werd deze taak overgenomen door DPO/AN. ( Zie voor de activiteiten van SON, VDO en DPO/AN de betreffende paragrafen in dit rapport. )

4.7.3.2 Doelstelling

Doel van de NCO was het versterken van het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking. Dit betekende een voorlichtings- en bewustwordingsbeleid, dat zo breed mogelijke lagen van de bevolking betrok bij, bewust maakte van en offerbereid maakte voor het noord-zuid-vraagstuk. Op grond hiervan kon de NCO voorlichtings- en bewustwordingsprogramma's en projecten in Nederland met betrekking tot de grondslagen, de doelstellingen, de uitvoering en de voortgang van het ontwikkelingsproces in de derde wereld en de internationale ontwikkelingssamenwerking laten uitvoeren. De NCO diende daartoe een aangepast subsidiebeleid te voeren, ter zake zelf initiatieven te nemen en voldoende toezicht te houden op de uitvoering van de activiteiten. ( Structuur en functioneren van de nationale commissie ontwikkelingssamenwerking, onderzoeksrapport van "adviseurs voor organisatie en beleid Van de Bunt", samengesteld door T.J.M. van Oers (1982) )

4.7.3.3 Samenstelling

De plenaire vergadering van het NCO bestond uit meer dan 30 personen. Om een efficiënte besluitvorming mogelijk te maken en het niet nodig te maken alle projecten in de plenaire vergadering te behandelen werden verschillende geledingen ontwikkeld:

  1. het Adviescollege;
  2. het Dagelijks Bestuur;
  3. de werkgroepen en taakgroepen (de taakgroepen adviseerden de werkgroepen ten aanzien van deze specifieke aandachtsvelden);
    • werkgroep Vorming
    • werkgroep Onderwijs
    • werkgroep Media
    • werkgroep Kerken
    • taakgroep Onderzoek
    • taakgroep Vrouwen
  4. 4. de staf. De staf (eerst VDO, later DPO/AN) was uitsluitend verantwoording aan de commissie verschuldigd en verrichtte secretariaatswerkzaamheden ten behoeve van de Commissie, de werk- en taakgroepen en diensten ten behoeve van cliënten van de NCO (behulpzaam zijn bij opzetten, formuleren en uitwerken of uitvoeren van projecten die cliënten bij de commissie aanbrengen). Daarnaast verleende de staf ook diensten aan het Adviescollege. Taken van de werkgroepsecretarissen:
    • onderhouden van contacten met projectindieners
    • voorbereiden en begeleiden van de behandeling van projectaanvragen in de werkgroep, DB, plenaire vergadering en Adviescollege
    • voeren van secretariaat van één of meerdere werkgroepen
    • ondersteunen en coördineren van voorbereidingsweekenden ten behoeve van de projectronde
    • zorgdragen voor evaluatie van de projecten

In de plenaire raad van de Stichting NCO hadden in de loop der jaren vertegenwoordigers uit meer dan 60 verschillende instellingen en organisaties zitting Als waarnemers in de plenaire raad werden door de minister voor Ontwikkelingssamenwerking twee leden van de Vaste Commissies voor Ontwikkelingssamenwerking van de Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal aangewezen.

4.7.3.4 Besluitvormingsprocedure ten aanzien van projecten

De ambtelijke staf beoordeelde in eerste instantie een aanvraag voor een project op specifieke criteria. De door de staf toegelaten projecten werden, al naar gelang het onderwerp, verdeeld over de verschillende taak- en werkgroepen. De taak- en werkgroepen stelden een advies op voor het dagelijks bestuur en de plenaire vergadering. De plenaire vergadering wees de subsidie voor de projecten toe of af. In de meeste gevallen werd het voorstel van een werkgroep ongewijzigd overgenomen. Tegen de afkeuring van een ingediend projectvoorstel kon in beroep worden gegaan bij de minister voor Ontwikkelingssamenwerking (in de praktijk VDO).

4.7.3.5 Het Adviescollege NCO

Het door de minister voor Ontwikkelingssamenwerking ingestelde en benoemde Adviescollege had volgens de beschikking van februari 1974 tot taak de minister in grote lijnen te adviseren over het NCO-beleid, het jaarprogramma en de evaluatie.

5 DE BUITENLANDSE DIENST
5.1 ORGANISATIE VAN DE BUITENLANDSE DIENST:

Directie Buitenlandse Dienst (DBD)

Tot 1940 bestonden er voor het in het buitenland werkzame personeel van het ministerie drie diensten. De Diplomatieke Dienst, de Consulaire Dienst en de Tolkendienst. Leden van de diplomatieke dienst hielden zich bezig met het onderhouden van contacten op regeringsniveau over politieke en diplomatieke aangelegenheden. Economische en consulaire aangelegenheden werden behandeld door leden van de Consulaire Dienst. De Tolkendienst bestond uit een groep in Arabische, Japanse en Chinese taal en cultuur gespecialiseerde personen. ( Kersten, Buitenlandse Zaken in ballingschap, 74-75. )

De diplomatieke dienst was voor de Tweede Wereldoorlog beperkt van omvang. Slechts 59 diplomaten maakten hiervan deel uit. De consulaire dienst had een veel grotere omvang. Inclusief de honoraire consuls bijna 700 personen. De Tolkendienst tenslotte kende in mei 1940 slechts elf leden. ( Idem, 81-89. )

Tijdens de Londense periode van de Nederlandse regering werd een plan gemaakt om de drie afzonderlijke diensten te integreren. De overwegingen daarbij waren van tweeërlei aard; er diende meer waarde te worden gehecht aan de persoonlijkheid van de Nederlandse vertegenwoordiger in het buitenland en minder aan de sociale achtergrond van de kandidaten en samensmelting van de diverse diensten had vele praktische voordelen en waarborgde een betere behartiging van de Nederlandse belangen. Met het Koninklijk Besluit van 21 december 1945 kwam een einde aan het afzonderlijke bestaan van de Consulaire Dienst, de Diplomatieke Dienst en de Tolkendienst. Door samenvoeging functioneerde vanaf 1 januari 1946 de Directie Buitenlandse Dienst (DBD), waaronder de nieuw gevormde Buitenlandse Dienst ressorteerde. De minister van Buitenlandse Zaken, mr. E.N. van Kleffens formuleerde de motieven voor de samenvoeging als volgt: 'Handhaving van afzonderlijke diplomatieke en consulaire diensten elk met hun eigen personeel en verschillende dienstvoorwaarden is niet meer van deze tijd, nu het werk dat voorheen aan de consulaire posten toeviel voor een groot deel naar diplomatieke posten is verschoven'. ( ABZ, Directie Buitenlandse Dienst (DBD), inventarisnummer 35 )

De vertegenwoordigingen

De werkzaamheden van de Buitenlandse Dienst werden verricht door de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland. Binnen die groep van vertegenwoordigingen vielen drie categorieën te onderscheiden.

  1. Bilaterale diplomatieke vertegenwoordigingen
    1. Gezantschappen
    2. Ambassades
    3. Militaire Missies
  2. Multilaterale diplomatieke vertegenwoordigingen
  3. Consulaire vertegenwoordigingen
    1. consulaten-generaal
    2. consulaten
    3. vice-consulaten
    4. consulaire agenten

- Bilaterale diplomatieke vertegenwoordigingen

Het onderhouden van diplomatieke betrekkingen met een vreemde mogendheid impliceert de accreditering van een ambassadeur bij het staatshoofd van die betreffende mogendheid. Dit betekent niet dat in elk land waarmee Nederland diplomatieke relaties onderhoudt ook een ambassade is gevestigd, want een ambassadeur kan bij meerdere regeringen geaccrediteerd zijn. De ambassade is het formele en officiële kanaal waardoor twee regeringen contact met elkaar onderhouden.

Tegenwoordig kent Nederland geen vertegenwoordigers meer met de status van gezant. ( De rang van minister-resident, die in 1818 werd ingesteld, verdween in 1920 uit het Nederlandse corps diplomatique, J.P.A. François, Handboek van het volkenrecht, dl. II (Zwolle 1933) 16. ) De laatste gezantschappen werden in de jaren zeventig verheven tot ambassade. In een enkel geval staat aan het hoofd van een Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland een (tijdelijk) zaakgelastigde. Het verschil tussen deze benamingen is vooral protocollair van aard. Een ambassadeur en een gezant zijn geaccrediteerd bij het staatshoofd van het ontvangende land; een zaakgelastigde bij de minister van Buitenlandse Zaken van het ontvangende land. Slechts met betrekking tot voorrang en etiquette bestaat er onderscheid tussen de hoofden van zending. Het verschil tussen ambassadeurs en gezanten is dat ambassadeurs, als vertegenwoordigers met een hogere rang, voorrang hebben boven gezanten en dat zij het voorrecht hebben rechtstreeks een audiëntie bij het staatshoofd aan te vragen. Gezanten dienen dit via de minister van Buitenlandse Zaken van het ontvangende land te doen. ( François, Handboek, 13-17. ) Door middel van het uitzenden van een ambassadeur, gezant of zaakgelastigde kan een land uitdrukking geven aan de waarde die het hecht aan de diplomatieke betrekkingen met een ontvangend land.

Een uitzondering in de benaming is die van Hoge Commissaris, een titel die van 1950 tot 1956 aan de Nederlandse vertegenwoordiger bij het Indonesische staatshoofd werd verleend (en vice versa aan de Indonesische vertegenwoordiger bij het Nederlandse staatshoofd). Deze titel is slechts korte tijd gebruikt. Na het herstel van de diplomatieke relatie tussen Indonesië en Nederland in 1963 werd gebruik gemaakt van de titel ambassadeur. De status van de Hoge Commissaris was echter niet afwijkend van die van ambassadeur. De titel werd slechts gebruikt, naar analogie van de 'High Commissioners' in de Gemenebestlanden, om de bijzondere band tussen de twee landen aan te duiden. Het ministerie van Buitenlandse Zaken moest de competentie over het Hoge Commissariaat echter delen met het ministerie van Uniezaken en Overzeese Gebiedsdelen, dat mede verantwoordelijk was voor de relaties met Indonesië. Buitenlandse Zaken verkreeg in 1952 de volledige verantwoordelijkheid voor het Hoge Commissariaat. ( H. Baudet, M. Fennema e.a., Het Nederlands belang bij Indië (Utrecht 1983) 72 e.v. )

Een aparte groep binnen de categorie bilaterale diplomatieke vertegenwoordigingen vormen de Militaire Missies. Het hoofd van een dergelijke missie was niet geaccrediteerd bij een instantie van het ontvangende land, maar bij de tijdelijke bezettende militaire macht in een land.

De werkzaamheden op de bilaterale posten kunnen grofweg verdeeld worden in politieke aangelegenheden, handelsaangelegenheden, aangelegenheden betreffende pers en culturele zaken en consulaire aangelegenheden. Voor posten in ontwikkelingslanden komen daar werkzaamheden in het kader van de Ontwikkelingssamenwerking bij. Of er voor de verschillende terreinen aparte medewerkers op een post zijn aangewezen is afhankelijk van de grootte van de post. Op kleinere posten worden diverse taakgebieden door één persoon behandeld.

Aan ambassades verbonden technische attachés zijn afkomstig van andere departementen van algemeen bestuur. Landbouwattachés worden geleverd door het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, defensieattachés door het ministerie van Defensie etc.

Het ambtsgebied waarover de diplomatieke bevoegdheden van een Nederlandse vertegenwoordiging zich uitstrekt is gelijk aan de landsgrenzen van de ontvangende staat.

- Multilaterale diplomatieke vertegenwoordigingen

De Nederlandse multilaterale diplomatieke vertegenwoordigingen werden aangeduid met de term: Permanente Vertegenwoordigingen van het Koninkrijk. De ambassadeurs die aan het hoofd van een dergelijke PV stonden werden geaccrediteerd bij de betreffende internationale organisaties. De PV's hadden een meer gespecialiseerde taak dan de ambassades. Zij waren gericht op de werkzaamheden van de internationale organisatie. Voor de permanente vertegenwoordigingen gold dat zij slechts een klein gedeelte van de hierna beschreven taken vervulden. Consulaire werkzaamheden verrichtten zij in het geheel niet.

- Consulaire vertegenwoordigingen

Aan het hoofd van een consulaire post staat een vice-consul, een consul of een consul-generaal, al dan niet honorair. De taken van een consulaire post zijn vooral van economische en uiteraard consulaire aard. Politieke rapportages werden door een consulaire post zelden geleverd, hoewel uitzonderingen mogelijk waren en vanwege de Weense conventie ook toegestaan werden en worden. Tegenwoordig is het wat meer gebruik dat de (beroeps)consuls ook regionale politieke en economische rapportage verzorgen.

Het district of ressort van een consulaire vertegenwoordiging wordt in overleg tussen de Nederlandse regering en het ontvangende land vastgesteld. Indien in een land waar Nederland een consulaire vertegenwoordiging had ook een Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging was gevestigd was de consulaire post ondergeschikt aan die vertegenwoordiging.

Het ressort van een consulaat of consulaat-generaal kon worden onderverdeeld in een aantal ressorten ten behoeve van enkele kleine, meestal honoraire, (vice-)consulaten. Vooral in landen waar zich veel Nederlanders hebben gevestigd (Australië, Canada, Verenigde Staten) was dit het geval.

5.2 TAKEN VAN DE BUITENLANDSE DIENST:

Artikel 1 van het Reglement van de Buitenlandse Dienst (KB van 13 oktober 1951, Staatsblad nr. 499) omschrijft de taak van de Buitenlandse Dienst. De door het Koninkrijk der Nederlanden ondertekende Verdragen van Wenen inzake diplomatiek en consulair verkeer komen hiermee overeen. ( Heroverweging collectieve uitgaven. Deelrapport 9. Taak en Omvang Buitenlandse Dienst, Handelingen Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 16 625, nr. 14; Omvang en organisatie van de Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland, Handelingen Tweede Kamer, zitting 1986-1987, 20 022, nr. 1; Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer, 18 april 1961 (Trb. 1962, nr. 159); Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen, 24 april 1964 (Trb. 1981, nr. 143). )

Die taken zijn:

  1. Het Koninkrijk in het buitenland te vertegenwoordigen;
  2. De buitenlandse betrekkingen van het Koninkrijk te onderhouden door middel van contacten met de regering van de ontvangende staat;
  3. Buiten het grondgebied de belangen van het Koninkrijk en van de onderdanen te behartigen en te beschermen;
  4. Met alle wettige middelen inlichtingen omtrent het buitenland te verzamelen en te verstrekken die voor de regering en voor de bewoners van het Koninkrijk van belang kunnen zijn;
  5. Buiten het grondgebied van het Koninkrijk de gerechtelijke, buitengerechtelijke en administratieve handelingen en werkzaamheden te verrichten welke krachtens internationale overeenkomsten en de wetten en voorschriften van het Koninkrijk aan diplomatieke en consulaire ambtenaren zijn opgedragen of waartoe deze bevoegd zijn verklaard;
  6. Het verrichten van alle andere door of vanwege de regering op te dragen werkzaamheden;
  7. Het bevorderen van vriendschappelijke betrekkingen tussen het Koninkrijk en de ontvangende staat en het tot ontwikkeling brengen van hun betrekkingen op economisch, wetenschappelijk en cultureel gebied.

Bovenstaande taken dienden te worden uitgevoerd met inachtneming van het volkenrecht, in het bijzonder de voor het Koninkrijk of de samenstellende delen van het Koninkrijk bindende internationale verdragen en andere overeenkomsten. Ook dienden bij de uitoefening van de taak de wetten en gebruiken van het land van accreditering in acht te worden genomen.

De taakelementen werden in bilateraal en multilateraal verband uitgeoefend.

5.3 TAAKVERDELING:

In materiële zin werd het werk van de ambassades en consulaten globaal worden onderverdeeld in:

  1. Politieke aangelegenheden
  2. Economische aangelegenheden
  3. Ontwikkelingssamenwerkingsaangelegenheden
  4. Consulaire aangelegenheden
  5. Pers- en Culturele aangelegenheden

Uiteraard werden door de consulaten consulaire werkzaamheden verricht. Politieke en economische aangelegenheden werden door consulaten vaak op regionaal niveau behandeld.

a. Politieke aangelegenheden

  • Het volgen van de binnenlandse en buitenlandse politieke ontwikkelingen in het land of bij de internationale organisatie waarbij de missie geaccrediteerd is. Het rapporteren aan de Nederlandse Regering omtrent de voor Nederland relevante ontwikkelingen opdat die bij het formuleren van haar beleid daar rekening mee kan houden;
  • Het uitdragen van het Nederlandse politieke beleid - tevens in het belang van de bevordering van de internationale rechtsorde - bij de autoriteiten, waarbij de post is geaccrediteerd, respectievelijk de andere leden van de internationale organisatie, ten einde te bewerkstelligen dat het beleid van die autoriteiten (of van die landen) zich, voor zover nodig en/of wenselijk, aan dat Nederlandse beleid aanpast of conformeert;
  • Behartiging van belangen van andere landen. Dit omvat de behartiging van de politieke belangen van Luxemburg in die landen waar Luxemburg geen vertegenwoordiging heeft. Deze verdragsrechtelijke vastgelegde verplichting wordt gedeeld met België, dat de commerciële en consulaire taken vervult in landen waar Luxemburg geen vertegenwoordiging heeft.
  • Na de Tweede Wereldoorlog verliet de Nederlandse regering de vooroorlogse neutraliteitspolitiek. Een gevolg hiervan was dat tussen de bondgenoten in de NAVO en tussen de leden van de Europese Gemeenschap in alle hoofdsteden waar meerdere NAVO- of EG-landen zijn vertegenwoordigd regelmatig overleg werd gevoerd om tot een gemeenschappelijke standpunten te komen.

b. Economische aangelegenheden

Op grond van een overeenkomst werken de posten ook voor het Directoraat-Generaal voor de Buitenlandse Economische Betrekkingen (BEB) en de Exportbevordering- en Voorlichtingsdienst (EVD) van het ministerie van Economische Zaken. Deze overeenkomst, in de wandeling "het Concordaat" ( ABZ, DBD invnr. 32. ), werd op 26 juli 1950 door de Raad voor Economische Aangelegenheden (REA) goedgekeurd. Op grond van deze overeenkomst waren de BEB en de EVD gerechtigd instructies op handelspolitiek gebied aan de posten te geven. ( Van der Togt, 32. )

De economische werkzaamheden kunnen worden onderscheiden in macro-, meso- en micro-economische (respectievelijk het gehele land, een bedrijfstak en een bedrijf betreffende).

Macro-economisch:

  • algemene economische rapportage over macro-economische ontwikkelingen in het buitenland, overheidsmaatregelen, monetaire kwesties, energievoorziening, milieuhygiëne, lucht- en scheepvaartaangelegenheden, etc;
  • Handelspolitieke informatievergaring en inspanningen, met name daar waar de handel op beperkende maatregelen stuit;
  • toezending van economische-statistisch materiaal;
  • het verstrekken van inlichtingen aan de overheid en het bedrijfsleven van het land van vestiging over economische ontwikkelingen en mogelijkheden tot economische samenwerking met Nederland;
  • het uitdragen van het Nederlandse beleid op economisch terrein.

Meso-economisch:

  • berichtgeving over afzetmogelijkheden, ontwikkelingen in het bedrijfsleven, fusies, buitenlandse investeringen, concurrentie van derde landen etc;
  • voorlichting over Nederlandse leveringsmogelijkheden van goederen en diensten;
  • meldingen over ontwikkelingsprojecten en overheidsaanbestedingen;
  • aantrekken van industriële projecten voor Nederland door middel van voorlichting, bemiddeling, etc;
  • berichten over economische missies die West-Europa bezoeken en hulp aan Nederlandse missies in het ambtsgebied;
  • berichten over beurzen en tentoonstellingen in het land van vestiging en hulp bij Nederlandse deelname aan beurzen.

Micro-economisch:

  • ondersteuning en begeleiding van Nederlandse exporteurs in de vorm van:
  • handelsbemiddeling
  • voorlichting van Nederlandse zakenlieden en introducties bij overheid en bedrijfsleven;
  • bemiddeling bij handelsgeschillen

c. Ontwikkelingssamenwerkingsaangelegenheden

Aansluitend op de hiervoor reeds omschreven taken van observeren, rapporteren, analyseren en het onderhouden van contacten omvatten de werkzaamheden in de ontwikkelingssamenwerking voorts in het bijzonder:

  • het analyseren van het ontwikkelingsbeleid van het betrokken land;
  • het nagaan van de plaats die Nederland in de samenwerking op dit gebied zou kunnen innemen;
  • vaststelling van doelgroepen waarop het samenwerkingsbeleid gericht kan zijn;
  • adviseren omtrent de aanvaardbaarheid en uitvoerbaarheid van individuele projecten;
  • onderhandelingen over projecten met de lokale autoriteiten.
  • het voorbereiden, uitvoeren en evalueren van Kleine Ambassade Projecten (KAP) ( ABZ, OSAB / 1985-1994 / nr. 78. );

Daarnaast omvat de uitvoering van projecten:

  • toezicht op en berichtgeving over de voortgang van projecten;
  • begeleiding van uit te zenden deskundigen, huisvesting, financiering, hulp bij import van goederen;
  • bemiddeling bij de invoer van materieel voor hulpprojecten;
  • behandeling van financiële aspecten.

d. Consulaire aangelegenheden

  1. Ten behoeve van Nederlanders:
    • Het zorg dragen voor de Nederlandse kolonie en Nederlandse toeristen in het buitenland. De meest voorkomende werkzaamheden hiervoor zijn:
      • verstrekking, verlenging en wijziging van reisdocumenten voor Nederlanders, alsmede diplomatieke, consulaire en dienstpaspoorten; ( Hoofden van diplomatieke posten zijn hiertoe bevoegd op grond van de artikelen 8, 10, 12 en 13 van de Paspoortinstructie Nederland 1952. Het hoofd van de diplomatieke post kan de bevoegdheid delegeren aan consulaire ambtenaren in zijn ressort. )
      • uit door post bij te houden administratie moet blijken: ( Artikel 26 Paspoortinstructie Nederland 1952. ) aan wie en wanneer een bepaald paspoort werd verstrekt en voor welke duur, dan wel of een paspoort werd verschreven of als onbruikbaar moest worden beschouwd en of aan een bepaalde persoon een paspoort werd verstrekt, dan wel of het paspoort van een bepaalde persoon werd verlengd en zo ja, welk paspoort.
      • van de vermissing of van de intrekking van een paspoort moet aantekening worden gehouden in bedoelde administratie.
      • van iedere afgifte, verlenging, vermissing of intrekking wordt in tweevoud aangifte gedaan bij het ministerie van Buitenlandse Zaken.
      • van de verlenging van elders afgegeven paspoorten wordt aantekening gehouden.
      • een Nederlandse paspoort dat is ingeleverd wordt ongeldig gemaakt.
      • opgave aan autoriteit van een vermist paspoort wordt doorgegeven aan de autoriteit die het paspoort heeft afgegeven.
      • op een paspoortaanvraag wordt uiterlijk binnen twee maanden na het indienen van de aanvraag beslist. Is het niet mogelijk binnen deze termijn een beslissing te nemen, dan wordt hiervan kennis gegeven aan de Minister van Buitenlandse Zaken met opgave van redenen; voorts wordt de aanvrager verwittigd.
      • opmaken van legalisaties;
      • verstrekken van juridische adviezen;
      • bijstand notariële akten:
      • opmaken van akten van huwelijkstoestemming;
      • de eed af te nemen, die de voogd, toeziende voogd, curator of toeziende curator volgens de wet moet afleggen;
      • in bewaring nemen van holografische en geheime testamenten; ( Niet alle posten zijn hiertoe bevoegd. Zie voor (wisselende) lijst het Consulair Besluit van 15 september 1956 (Stb. 484) en de wijzigingen hierop. )
      • opdragen van voogdij en toeziende voogdij; ( idem. )
      • huwelijkstoestemming te verlenen, voor zover de wet zulks toelaat, aan minderjarigen, die de volgens de wet vereiste toestemming van ouders, voogd of toeziende voogd niet hebben verkregen; ( idem. )
      • holografische en geheime testamenten op de door de wet voorgeschreven wijze te openen; ( idem. )
      • opmaken van volmachten;
      • registratie van opgemaakte akten in een repertorium.
      • opmaken van akten van de burgerlijke stand; ( idem. )
      • dienstplichtzaken; doorgeleiden van verzoeken tot ontheffing van de dienstplicht voor in het ressort woonachtige Nederlanders.
    • repatriëring;
    • zorg voor gearresteerden:
      • inlichten hoofdpost;
      • bezoeken arrestant;
      • toezien op juiste toepassing van het vreemde recht;
      • onderhouden van contact met advocaat arrestant;
      • eventueel arrestant voordragen bij WVC voor financiële bijstand;
    • overbrenging van gerechtelijke stukken, rogatoire commissies, legalisaties en andere juridische handelingen;
    • scheepvaartzaken, zeebrieven, aanmonstering, scheepsverklaringen;
      • indien in een buitenlandse haven een kapitein wordt vervangen dan maakt de consul daarvan een aantekening in de scheepspapieren;
      • schade tijdens een reis of buitengewone gebeurtenissen worden door de kapitein vastgelegd in een scheepsverklaring ten overstaan van de consul. Deze neemt de verklaring op, waarmerkt het document en stuurt de scheepsverklaring aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie;
      • de consul bevordert de repatriëring van verstekelingen met de Nederlandse nationaliteit;
    • vlootbezoeken;
      • burgerlijke en militaire autoriteiten inlichten over vlootbezoek en saluutschoten aanvragen;
      • havenautoriteiten, havenpolitie, loodswezen, douane en immigratiedienst inlichten;
      • tijdige aankondiging van vlootbezoek in de pers;
      • organiseren van activiteiten op de wal;
      • aanwezig zijn bij aankomst schepen op de rede;
      • bezoeken af leggen bij de commandant, die ook bij de consul een bezoek af moet leggen;
      • aanwezig zijn bij kransleggingen en andere officiële plechtigheden op de wal.
    • opsporing van personen in het ressort en het innen van vorderingen;
    • hulp bij emigratie
      • doorsturen van verzoeken van Nederlanders die zich in ressort van de consul willen vestigen naar het Nederlands Migratie Instituut.
    • taken in het kader van de Wet Uitkering Vervolgingsslachtoffers (WUV) sinds 1973 ( De activiteiten in het kader van de WUV worden voornamelijk uitgevoerd in de Verenigde Staten, Australië en Indonesië; ABZ, HDBZ / algemeen / doos 91, 1985-1992. ):
      • voeren van administratie ten behoeve van de WUV;
      • zorg dragen voor opstellen medische rapportages in het kader van de WUV;
      • zorg dragen voor medische rapportage in het kader van de WUV;
      • rapporteren over activiteiten in het kader van de WUV.
  2. Ten behoeve van buitenlanders:
    • verlenen van visa voor bezoeken aan Nederland korter dan drie maanden of verstrekken van een 'machtiging voorlopig verblijf' bij een verblijf van langer dan drie maanden;
    • doorzending van asielverzoeken;
    • doorgeleiden van klachten over het optreden van Nederlandse overheidsorganen;
    • inlichten van buitenlandse autoriteiten betreffende Nederland o.a. inzake de Nederlandse wetgeving.

e. Pers en Culturele aangelegenheden

  • Het bevorderen en verbreiden van kennis van het leven en denken van het Nederlandse volk, zijn staatkundige, economische en sociale structuur, zijn cultuur en zijn historie, en over de beginselen en feitelijke gegevens die daarbij een rol spelen. Al dan niet in het kader van een Cultureel Accoord tussen Nederland en het ontvangende land heeft de post tot taak het ontwikkelen van activiteiten en het aankweken en onderhouden van relaties die de banden tussen beide landen kunnen verstevigen. Concreter betekent dit:
    • Het medewerken aan de uitvoering van bilaterale afspraken en verdragen op cultureel en wetenschappelijk gebied;
    • Het deelnemen aan het internationale culturele verkeer;
    • Het profijt trekken uit multilaterale samenwerkingsvormen op dit gebied alsmede het uitdragen van Nederlandse standpunten.
    • Het onderhouden van contacten met de lokale pers teneinde publicaties over Nederland te stimuleren en waar nodig onjuiste voorlichting te corrigeren.
5.4 WERKZAAMHEDEN VAN PERMANENTE VERTEGENWOORDIGINGEN

De taak van de Permanente Vertegenwoordigingen van het Koninkrijk der Nederlanden bij internationale organisaties is het voorbereiden van het gezamenlijke beleid en de voorbereiding en formulering van het nationale beleid met betrekking tot die internationale organisaties. De PV's zijn intermediair tussen de nationale administratie en de administratie van de internationale organisatie. Uitvoering van de taak geschiedt door het uitdragen van het Nederlandse standpunt ten aanzien van aangelegenheden waarvoor de internationale organisatie in het leven is geroepen en het bevorderen van besluitvorming van de internationale organisaties, veelal via compromissen, waarin de Nederlandse belangen zo goed mogelijk tot hun recht komen.

De werkzaamheden vinden voornamelijk plaats in vergaderingen van ambtelijke overleg- en werkgroepen en, afhankelijk van het soort organisatie, in al of niet regulier overleg van de politiek verantwoordelijken. De ambtelijke overleg- en werkgroepen kennen bij sommige internationale organisaties een vaste samenstelling (bijv. NATO), in andere gevallen is er sprake van een ad-hoc overleg. De definitieve voorbereiding van de besluitvorming vindt plaats in het overleg van de Permanente Vertegenwoordigers. De beslissing over de voorstellen vindt altijd op het departement in Den Haag plaats.

Het uitdragen van standpunten door de Permanente Vertegenwoordigingen kan slechts plaatsvinden indien instructies bestaan over die standpunten. Die instructies worden geleverd door de departementen van algemeen bestuur in Nederland. Het departement van Buitenlandse Zaken treedt formeel op als coördinerend orgaan bij het vaststellen en doorgeleiden van die instructies.

Multilateraal werk vindt ook plaats op ad-hoc basis. Het betreft hier speciale conferenties van kortere of langere duur waaraan meerdere staten deelnemen. Een voorbeeld hiervan is de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE).

Daarnaast kan een bilaterale post ook optreden als de Nederlandse vertegenwoordiger bij een conferentie of internationale organisatie. Iets wat anders door een speciaal uitgezonden delegatie zou moeten worden gedaan. Voorbeelden hiervan zijn de ambassade Bern ter zake van de UPU en het Consulaat-Generaal Montreal ter zake van de ICAO en de ambassade Nairobi bij het Centrum van de Verenigde Naties voor menselijke nederzettingen (HABITAT) en bij het milieu-programma van de Verenigde Naties (UNEP).

6 STAFAFDELINGEN EN ADVISEURS ('S-SECTOR') 1950-

In dit hoofdstuk wordt de taak- en organisatieontwikkeling over de periode 1950-1990 beschreven van de stafafdelingen en adviseurs die rechtstreeks onder de secretaris-generaal ressorteren. Organisatie-ondersteunende afdelingen, zoals die voor personele en financiële aangelegenheden blijven, zoals eerder opgemerkt, buiten het onderzoek. Dientengevolge komen in dit hoofdstuk achtereenvolgens aan de orde: Directie Kabinet en Protocol, Directie Verdragen, Directie Algemene Zaken en de diverse adviseurs.

6.1 ORGANISATIE-ONTWIKKELING 1950-

Na de reorganisatie van 1950 laat de departementale, 'Haagse' organisatie zich verdelen in directoraten-generaal (uiteindelijk drie) en de zgn. 'S-sector' (rechtstreeks ressorterend onder de secretarisgeneraal) met onder andere beleidsadviseurs en ondersteunende eenheden. De reorganisatie van 1950 had de structuur van de Directie Kabinet en Protocol (DKP) niet aangetast. DKP bestond op dat moment uit het Kabinet (DKP/KA), de afdeling Decoraties (DKP/DE) en de afdeling Verdragen (DKP/VE).

Deze laatste afdeling groeide in 1956 uit tot een zelfstandige directie. Bij deze directie werd ook het in 1953 ingestelde Vertaalbureau van DKP ondergebracht. In 1960 werd bij het Kabinet een sectie Registratie Personeel Buitenlandse Vertegenwoordigingen ingesteld, die vanaf einde 1962 verder ging als bureau Administratie Buitenlandse Missies (DKP/BM). Tot slot werd bij DKP in 1989 het bureau Voorrechten en Immuniteiten (DKP/VI) ingesteld.

In 1956 werd een Directie Verdragen (DVE) ingesteld als afsplitsing van DKP. DVE werd in 1959 gesplitst in een bureau Parlementaire Aangelegenheden (DVE/PA) en een bureau Voorbereiding en Bekendmaking Verdragen (DVE/VB). In 1967 werd het bureau Voorbereiding en Bekendmaking van Verdragen gesplitst in een bureau Voorbereiding Verdragen (DVE/VV) en een bureau Bekendmaking Verdragen (DVE/BK). Onder DVE ressorteerde vanaf 1956, zoals gezegd, het Vertaalbureau. Het Vertaalbureau werd in 1959 omgedoopt tot bureau Vertalingen (DVE/VT). In 1968 werd dat als afdeling Vertalingen ondergebracht in de ondersteunende sector onder de Assistent Secretarisgeneraal Administratieve Zaken (ASAZ).

Bij de reorganisatie van 1950 was de Directie Algemene Zaken (DAZ) de opvolger van de Directie Juridische en Administratieve Zaken. Onder DAZ kwamen de volgende, deels nieuwe bureaus te ressorteren: bureau Vreemdelingenzaken (DAZ/VZ), bureau Juridische Zaken (DAZ/JZ), bureau Paspoorten (DAZ/PP), bureau Reiswezen (DAZ/RW) en bureau Algemene Zaken (DAZ/AZ). Het laatste bureau werd in 1952 reeds gesplitst in een bureau Sociaal-economische Zaken (DAZ/SZ) en een bureau Nederlanders in het Buitenland (DAZ/NB, 1952-1963). In hetzelfde jaar werd het bureau Paspoorten omgedoopt tot bureau Paspoorten en Policiaire Zaken (DAZ/PP).

Na de opheffing van het Directoraat-generaal Indonesië (DGIN) werd het bureau Schadeclaims Indonesië bij DAZ ondergebracht. In 1969 ging het over naar de Directie Oosten van DGPZ (DOA/SI). ( Voor dit beleidsterrein zal een apart institutioneel onderzoek worden ingesteld door PIVOT. )

In de loop van de periode 1950-1990 werden met wisselende benamingen ('adviseur', 'assistent', 'ambassadeur') een aanzienlijk aantal adviseursfuncties ingesteld voor kortere of langere tijd. De meesten ressorteren rechtstreeks onder de secretaris-generaal. Een aantal verleent of verleende uit hoofde van zijn functie ondersteuning in de DGPZ-sector.

In aanvulling op de regionale opzet van het organisatiemodel (1949-1950) werden in de secretaris-generaal-sector ook op een aantal algemene beleidsterreinen adviseursfuncties ingesteld. Uit de Directie Verkeer en Grote Rivieren kwam de Verkeersadviseur (VADV) voort. Hoewel aangeduid alsof het één functionaris betreft, groeide VADV snel uit tot een afdeling, bestaande uit de Verkeersadviseur, diens plaatsvervanger en enkele medewerkers. De Raadadviseurs werden opgevolgd door twee Juridisch Adviseurs (JAFR en ALAD). Vanaf 1953 werd de nieuwe Juridisch Adviseur aangeduid met de afkorting JURA. Ook hier was al snel sprake van één Juridisch Adviseur, een plaatsvervanger en medewerkers. Ook werd in 1950 de functie van Financieel-Economisch Adviseur (FEAD) ingesteld. Deze functie werd overigens alleen in de jaren 1954-1957 daadwerkelijk vervuld. Overige adviseursfuncties zijn: Adviseur voor Tractaatsaangelegenheden (TRAD, 1961-1969), Adviseur Beleidsplanning (PLAN, 1972-), Adviseur in Algemene Dienst (ADVA, 1974-1980), Adviseur voor Onderhandelingen met Buurlanden (BUAD, 1987-1990) en Adviseur voor Protocollaire Aangelegenheden (ADKP, 1989-1990).

6.2 DIRECTIE KABINET EN PROTOCOL 1950-

Kabinet

DKP/KA behandelt buitenlandse aangelegenheden betreffende het Koninklijk Huis en onderhoudt hiertoe de contacten met het Kabinet der Koningin en de posten in het buitenland. Tot 1988 behandelde DKP/KA ook de briefwisseling tussen Koningin en vreemde vorsten en staatshoofden. Verder is het DKP/KA belast met de voorbereiding van staats- en (niet) officiële bezoeken en van buitengewone diplomatieke zendingen (van Nederland aan het buitenland en v.v). DKP/KA behandelt voorts zaken ten aanzien van leden van het buitenlandse Corps Diplomatique en het personeel werkzaam bij buitenlandse missies en de internationale organisaties in Nederland. Het gaat hierbij om agrementverlening (formele toestemming van de ontvangende staat om als diplomaat werkzaam te zijn), diplomatieke voorrechten en immuniteiten, visa en legitimatiebewijzen, beveiligingsmaatregelen ( 'Beveiliging ... van het Corps Diplomatique en het personeel werkzaam bij buitenlandse missies en de internationale organisaties in Nederland', wordt sinds 1988 in de Gids vermeld, maar werd in 1970 al als taak omschreven. 'Functiemap DKP, januari 1970'. O & I archief, 4e blok, inv.nr. 0178. ), alsmede de voorlichting over deze zaken (deze werkzaamheden werden einde 1962 gedeeltelijk overgedragen aan het nieuwe bureau Administratie buitenlandse missies, zie daar). Behandeling van zaken van de minister (korte tijd: ministers) persoonlijk behoorde tot 1988 tot de taak van DKP/KA. Ministeriële correspondentie van protocollaire en ceremoniële aard wordt ook door DKP/KA verzorgd. De ceremoniële aangelegenheden die door DKP/KA verricht worden, bestaan uit de voorbereiding en begeleiding van de organisatie van officiële buitenlandse bezoeken aan Nederland en v.v. Ook vervult het Kabinet een adviserende functie ten aanzien van deze aangelegenheden ten opzichte van andere overheidsinstanties en bedrijfsleven. DKP/KA documenteert buitenlandse protocollaire en ceremoniële regelgeving.

Bureau Decoraties

( Deze organisatie-eenheid werd in de jaren vijftig achtereenvolgens aangeduid als 'Afdeling Decoraties', 'Decoraties' en 'Bureau Decoraties. 'Gids. Ministerie van Buitenlandse Zaken ('s-Gravenhage 1950-1960). )

Vanaf 1950 verzorgde DKP/DE voordrachten voor Nederlandse decoraties aan buitenlanders en agrementsaanvragen van buitenlandse decoraties aan Nederlanders. Tevens voorzag het in het secretariaat van de Interdepartementale Decoratiecommissie en de Decoratie Commissie uit de Raad van Ministers.

Bureau Administratie Buitenlandse Missies

DKP/BM had in 1963 de voorbereiding en uitvoering van werkzaamheden met betrekking tot de erkenning en toelating van buitenlandse consulaire vertegenwoordigers overgenomen van DKP/KA en de Sectie registratie personeel buitenlandse vertegenwoordigingen. Het bureau verzorgde tevens de agrementsverlening van buitenlandse militaire attachés en de registratie en verlening van visa en legitimatiebewijzen aan personeel van buitenlandse vertegenwoordigingen en internationale organisaties.

Afdeling Verdragen

De werkzaamheden van DKP/VE omvatten de formele procedure van door Nederland te sluiten verdragen en andere overeenkomsten met vreemde mogendheden. Inhoudelijke bemoeienis betreft de (juridische) controle van de ontwerpteksten en vertalingen. Vanaf 1951 redigeert de afdeling het Tractatenblad van het Koninkrijk der Nederlanden. ( 'De zorg voor de uitgifte van het Tractatenblad wordt opgedragen aan de Minister van Buitenlandse Zaken.' KB van 29 december 1950 art. 3 (Stb. no. K 667). Ingetrokken bij Rijkswet van 22 juni 1961, Stb. 207, houdende bekendmaking van internationale overeenkomsten en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, art. 8. de zorg voor het Tractatenblad bleef evenwel bij de Minister van Buitenlandse Zaken (art. 4). ) Vanaf 1953 beheert de afdeling het Archief der Nederlandse Verdragen. De afdeling had ook bemoeienis met de departementale Commissie voor de Verdragen. Vanaf 1953 ressorteerde een Vertaalbureau onder de afdeling. ( Organisatie en reorganisatie, 62-63. Jaarboek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken 1950-1951, 313-316. Gids van het Ministerie van Buitenlandse Zaken ('s-Gravenhage 1953). )

6.3 DIRECTIE VERDRAGEN 1956-

Vanaf 1956 werden de taken van de DKP/VE voortgezet in een directie. De taken zijn in de loop van jaren vastgelegd in (internationale) wet- en regelgeving of zijn indirect terug te voeren op wet- en regelgeving. Algemene bepalingen met betrekking tot het sluiten van verdragen zijn te vinden in de grondwet. Deze is hiertoe in de naoorlogse periode regelmatig gewijzigd. ( KB van 22 juni 1953 (Stb. 295), KB van 11 september 1956 (Stb. 472) en KB van 17 december 1963 (Stb. 536). Het betreft daarbij vnl. de art. 60 e.v. ) In het bijzonder gaat het om de Rijkswet van 22 juni 1961, Stb. 207 houdende regeling inzake de bekendmaking van internationale overeenkomsten en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, in werking getreden met ingang van 1 juli 1969 (besluit van 29 mei 1969, Stb. 253). Voorts kwam in 1954 het voor het Koninkrijk der Nederlanden tot stand. Het bepaalt onder andere de rol van Suriname en de Nederlandse Antillen bij de totstandkoming van verdragen en overeenkomsten. ( KB van 22 juni 1953 (Stb. 295), KB van 11 september 1956 (Stb. 472) en KB van 17 december 1963 (Stb. 536). Het betreft daarbij vnl. de art. 60 e.v. ) Verder bestaan er ambtelijke richtlijnen, welke ook bevestigd zijn door de Ministerraad. De richtlijnen bevatten gedetailleerde instructie ter zake van alle aspecten van de totstandbrenging, goedkeuring, bekendmaking en bekrachtiging van verdragen en van de centrale rol van de Directie Verdragen daarbij. ( 'Hoofdstuk 5 Buitenlandse Zaken', Rijksbegroting 1992 ('s-Gravenhage 1991) 33. 'Internationaal-rechtelijke aangelegenheden. Richtlijnen betreffende verdragen. Circulaire A/12 Bijlage 1', Administratieve voorschriften betreffende de posten Bijlagen (dienstgeheim). )

Chef DVE fungeerde van 1963 tot 1968 als secretaris van de interdepartementale werkgroep Interpretatie en toepassing voor het Koninkrijk. ( Van de werkgroep, die mogelijk in 1959 is ingesteld, werd het secretariaat voor 1963 vervuld door de speciaal assistent van de Regeringscommissaris voor Indonesische aangelegenheden (ZS). JURA was gedurende de gehele periode lid van de werkgroep. ) DVE (en daarvoor DKP/VE) was ook vertegenwoordigd in de Contactcommissie wetgevingstechniek.

Vertaalbureau/Bureau Vertalingen

Verzorgde de vertaling van (verdrags-)teksten in en uit vreemde talen. Was het contactpunt voor de uitbesteding van vertalingen. Verzorgde vanaf 1962 voor een toenemend aantal departementen en Hoge Colleges van Staat de vertalingen van teksten.

Bureau Parlementaire Aangelegenheden

DVE/PA behandelt de legislatieve aangelegenheden ten aanzien van de Staten-Generaal, Raad van State, Ministerraad, Suriname en de Nederlandse Antillen en andere zaken van parlementaire aard, zoals vastgelegd in de op verdragen betrekking hebbende artikelen van de Grondwet en het voor het Koninkrijk.

DVE/PA verzorgde het secretariaat van de in 1969 ingestelde interdepartementale (ad hoc) Commissie VN-verdragen rechten van de mens onder voorzitterschap van chef DVE ( Ingesteld door de minister van Buitenlandse Zaken bij brief aan betrokken vakministers van 15 juli 1968. De commissie produceerde o.a. het Ontwerp van Rijkswet en Memorie van toelichting (Kamerstuk 13 932 (R1037) en enkele openbare publicaties over de activiteiten van de commissie. ).

Bureau Voorbereiding en Bekendmaking Verdragen

DVE/VB had tot taak de formele voorbereiding en bekendmaking van door het Koninkrijk te sluiten en gesloten internationale overeenkomsten. De redactie van het Tractatenblad ( Vanaf 1961 t.g.v. de Rijkswet van 22 juni 1961, Stb. 207, houdende regeling inzake de bekendmaking van internationale overeenkomsten en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, art. 1 t/m 4. ) en het Archief der Nederlandse Verdragen.

Bureau Voorbereiding Verdragen

DVE/VV houdt zich sinds splitsing van laatstgenoemd bureau bezig met de formele voorbereiding en inwerkingtreding van internationale overeenkomsten.

Bureau Bekendmaking Verdragen

DVE/BK houdt zich als tweede opvolger van Bureau Voorbereiding en Bekendmaking Verdragen bezig met de uitvoering van eerder genoemde Rijkswet. Vanaf 1970 is het bureau tevens belast met depositaire taken voor wat betreft verdragen waarvan het Koninkrijk depotstaat ( Depotstaat: land waar een (multilateraal) verdrag ondertekend wordt. 'In vele multilaterale verdragen wordt een artikel opgenomen, waarin de taak is omschreven van de Staat, bij welke de originele tekst van het verdrag is gedeponeerd, met name wat betreft het vervaardigen van afschriften, het mededelen aan de Partijen van ondertekeningen, bekrachtigingen, opzeggingen, enz. Berust het verdrag bij een internationale organisatie, dan valt die taak aan een orgaan van die organisatie toe.' A.M. Stuyt, Formeel tractatenrecht, overzicht aan de hand van de Nederlandse praktijk ('s-Gravenhage 1966) 47 en 66. ) is, houdt het de centrale administratie bij van overeenkomsten en verstrekt het inlichtingen over overeenkomsten.

6.4 DIRECTIE ALGEMENE ZAKEN 1950-

DAZ is belast met de zaken die betrekking hebben op Nederlanders en vreemdelingen ( Met uitzondering van: 1. de belangenbehartiging van Nederlands diplomatiek personeel in het buitenland, hetgeen geschiedt door de Directie Buitenlandse Dienst en 2. zaken met betrekking tot hier te lande geaccrediteerde buitenlandse diplomaten, door Directie Kabinet en Protocol. ) die in Nederland verblijven of zich naar het buitenland begeven; de zaken betreffende de rechten en plichten en persoonlijke belangen van Nederlanders in het buitenland - waar nodig in overleg met de regionale directies; alle consulaire en aanverwante aangelegenheden Nederlanders en vreemdelingen betreffende en alle zaken betreffende het contentieus. ( Werkzaamheden die betrekking hebben op de algemene belangen van in Indonesië verblijvende en uit Indonesië gerepatrieerde Nederlanders (waaronder toepassing garantiewetten, pensioenregelingen, wachtgelden, tegemoetkomingen oorlogsslachtoffers) werden in de jaren vijftig door het Directoraat-Generaal Indonesië (DGIN) uitgevoerd. Zie ook Bureau Schadeclaims Indonesië (DAZ/SI). ) In 1986 werd de coördinatie van de internationale aspecten van het minderhedenbeleid toegevoegd aan het takenpakket van DAZ, in 1987 gevolgd door coördinatie met betrekking tot terrorisme en drugsbestrijding, in 1988 met betrekking tot de aids-problematiek.

Chef DAZ had van 1953 tot 1967 (als plv. lid) zitting in de Raad voor de Emigratie, een adviescollege ten behoeve van de Minister van Sociale zaken en Volksgezondheid. Hij had vanaf de instelling in 1955 het voorzitterschap van de interdepartementale commissie voor Vluchtelingenzaken (ICV, later: Vluchtelingenbeleid) en was lid van de Permanente vreemdelingen adviescommissie, welke van voor 1950 dateert. ( Ingesteld door de Minister van Buitenlandse Zaken 13 april 1955. Het secretariaat berust bij de Directie Internationale Organisaties (DIO). )De ICV wordt in 1980 vervangen door de interdepartementale coördinatiecommissie Minderhedenbeleid (ICM), waarin chef DAZ Buitenlandse Zaken vertegenwoordigt en de subcommissie Vluchtelingenbeleid, waarvan hij het voorzitterschap heeft. ( ICM is ingesteld door de minister van Binnenlandse Zaken bij beschikking van CM 80/U698 van 6 oktober 1980 en is ambtelijk voorportaal van de Welzijnsraad. Voorzitterschap en secretariaat besrusten bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken. ) Het laatste geldt ook voor de interdepartementale commissie ad hoc voor Hongaarse vluchtelingenzaken (1956). De chef DAZ Buitenlandse Zaken heeft ook het voorzitterschap van de interdepartementale commissie ad hoc voor Hongaarse vluchtelingenzaken (1956). Chef DAZ was lid van de in 1955 ingestelde externe adviescommissie Nationaliteitsaangelegenheden. ( Ingesteld door de minister van Justitie bij ministeriële beschikking van 26 februari 1955, nr. 131/155, 1ste Afdeling A. ) Hij was adviseur in de interdepartementale commissie Nederlands-Indonesische Unie en Nieuw-Guinea (1952). ( Commissie onder voorzitterschap van de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken. Ingesteld door de minister-president bij ministeriële beschikking van 11 januari 1952. ) Met DAZ/VZ had chef DAZ zitting in de Bijzondere Benelux Commissie voor het Personenverkeer en de Benelux Commissie voor het vrije verkeer en de vestiging van personen (1961-1963). Chef DAZ heeft vanaf 1970 zitting in de Emigratiecommissie uit de Sociaal Economische Raad.

Vanaf 1959 is souschef DAZ tevens adviseur van de Visadienst. Verder had souschef DAZ vanaf 1955 als waarnemer zitting in de Belgisch-Nederlands-Luxemburgse (externe) studiecommissie tot eenmaking van het Recht.

Tussen 1965 en 1970 was aan de directieleiding een staffunctionaris verbonden 'belast met de behandeling van nationalisatievraagstukken.' Deze was als regeringsvertegenwoordiger verbonden aan de Commissies verdeling schadeloosstelling voor Zuidslavië (1963-1969), voor Bulgarije (1966-1968), voor Polen (1966-1970), voor Tsjechoslowakije (1966-1970) en voor Hongarije (1967-1970). Ook had deze stafmedewerker het secretariaat van de interdepartementale commissie inzake nationalisatievraagstukken ( Voorzitterschap tussen 1950 en 1967 bij Directie Europa (DEU). Secretariaat tot 1964 bij DEU, vanaf dat jaar bij DAZ. ).

Bureau Algemene Zaken

In DAZ/AZ werden onder andere een aantal taken van de in 1950 opgeheven directie Verkeer en Grote Rivieren ondergebracht. Tot 1952 hield het zich bezig met de volgende onderwerpen: nalatenschappen, belastingen, hulpacties, repatriëring, vlootbezoek, scheepvaart, zeelieden, visserij, verkeer en waterstaatkwesties, dienstplichtaangelegenheden, oorlogsschaden, onderstand, overneming van behoeftigen, inlichtingen omtrent personen.

Bureau Paspoorten / Bureau Paspoorten en Policiaire Zaken / Bureau Paspoortaangelegenheden / Beleidsgroep Reisdocumenten

DAZ/PP verzorgde (in 1950) de afgifte van paspoorten aan personen, die niet in het bevolkingsregister van enige Nederlandse gemeente zijn ingeschreven, alsmede van dienst-, consulaire en diplomatieke paspoorten en legalisaties. Daar kwam bij in 1952 naar aanleiding van de Paspoortinstructie ( Paspoortinstructie Nederland 1952, vastgesteld bij beschikking van de Minister van Buitenlandse Zaken van 26 mei 1952, DAZ/PP 48810, Ned. Stcrt. 1952, 132. ) de vaststelling van voorschriften ten aanzien van de afgifte en het gebruik van de paspoorten in Nederland en in het buitenland en het toezicht op de uitvoering van die voorschriften. ( Vanaf 1955 is in Rotterdam een dependance gevestigd van het bureau, dat voorziet in afgifte, verlenging of wijziging van paspoorten t.b.v. Rijnschippers en hun gezinsleden. Vanaf 1979 is te Schiphol een bureau gevestigd, ressorterend onder het Bureau Paspoorten en Policiaire Zaken, voor afgifte, verlenging of wijziging van paspoorten ten behoeve van het vliegend personeel van de KLM. ) Verder heeft het bureau bemoeienis met het reizigersverkeer van Nederlanders naar het buitenland.

Ook werden in 1952 policiaire zaken toegevoegd aan het takenpakket van het bureau. Hieronder zijn te verstaan werkzaamheden met betrekking tot antecedentenonderzoek, signaleringen, opsporing en uitlevering van misdadigers. Deze policiaire taak werd in 1963 gewijzigd in: 'antecedentenonderzoek, gedroste zeelieden, opsporing en uitlevering op verzoek van politie' en in 1972 in: 'gevallen van arrestatie en veroordeling van Nederlanders in het buitenland, opsporing en onderzoeken op verzoek van de politie, uitleveringen uit het buitenland.'

DAZ/PP vertegenwoordigde vanaf 1953 het Ministerie van Buitenlandse Zaken in de Commissie voor intrekking van bij deviezenfraude ingenomen paspoorten. Eerder had DAZ/JZ zitting in de commissie.

Bureau Reiswezen

DAZ/RW heeft als hoofdtaken de verzorging van reizen naar het buitenland voor ambtenaren van het ministerie van Buitenlandse Zaken en verzorgen van visering van alle diplomatieke, dienst- en gewone paspoorten voor ambtenaren van alle ministeries. In bijzondere gevallen wordt deze dienst ook voor particulieren verricht (waarvoor vanaf 1978 een uitzondering voor toeristen geldt). Tot 1964 vroeg het bureau ook de voor die reizen benodigde deviezen aan. Tussen 1964 en 1978 verleende DAZ/RW bemiddeling aan Nederlanders bij visa-aanvragen voor landen niet in Nederland vertegenwoordigd.

DAZ/RW was tot 1953 vertegenwoordigd in de interdepartementale deviezencommissie ambtenarenreizen.

Bureau Juridische Zaken

Bepaalde taken van DAZ/JZ werden tussen 1950 en 1984 afgestoten en andere juist toegevoegd. Dat geldt voor behandeling van kwesties van extraterritorialiteit en emigratie (taak tot 1952), naturalisatie (tot 1952 en vanaf 1984), inlichtingen omtrent Nederlandse en vreemde wetgeving (tot 1963), beheerszaken, auteursrechten, effectenregistratie, rechtsherstel, gerechtelijke stukken (1952 tot 1982), burgerlijke stand, grensverdragen (1952 tot 1984), belastingwetgeving en -verdragen, conciliatieverdragen (1963 tot 1982) en de afwikkeling van nalatenschappen (1963 tot 1984).

DAZ/JZ is sinds 1950 vertegenwoordigd in de Commissie rechtsherstel buitenlandse effecten.

Bureau Sociaal-Economische Zaken

Bij de instelling in 1952 kreeg DAZ/SZ taken toebedeeld op de volgende terreinen: emigratie, sociale zekerheid, arbeid, vestigingsverdragen, onderstanden, alimentatie, overneming van behoeftigen en krankzinnigen, voogdij, nalatenschappen, oorlogsschade. In 1953 werd repatriëring daar aan toegevoegd, in 1957 adoptie en curatele. In 1957 kwam oorlogsschade, in 1960 vestigingsverdragen te vervallen. In 1963 werd het takenpakket uitgebreid met kostwinnersvergoedingen en pensioenen, recuperatie en oorlogsgraven.

DAZ/SZ had zitting in de Centrale coördinatie-commissie sociale voorzieningen (1950-1968). DAZ/SZ heeft zitting in de Permanente Commissie voor zaken van de Burgerlijke Stand en Nationaliteitsaangelegenheden en de Commissie Nederlandse gedetineerden in het Buitenland. Verder is er extern overleg met particuliere hulpverleningsorganisaties en reisorganisaties ( Gids van het Ministerie van Buitenlandse Zaken ('s-Gravenhage 1984), Jaarboek Buitenlandse Zaken 1988-1989 ('s-Gravenhage 1989) 159-164. De BZ-organisatie in kaart, ongepubliceerd rapport, O & I, Ministerie van Buitenlandse Zaken (1992). ).

Bureau Vreemdelingenzaken

DAZ/VZ is in de jaren vijftig en zestig belast met de toelating en uitwijzing van vreemdelingen, door middel van de verlening van visa, toelating als vluchteling, uitlevering, naturalisatie, verlenging van paspoorten voor vreemdelingen en vluchtelingen in het buitenland. Het bureauhoofd was tot 1958 tevens adviseur van de Visadienst. In 1960 werd de bemoeienis met vestigingsverdragen en statusregelingen aan de taken toegevoegd, in 1969 met verdragen en regelingen inzake het personenverkeer. In 1970 kwamen daarbij de privileges en immuniteiten van internationale organisaties en hun personeel (voor zover niet behorende tot de competentie van DKP).

DAZ/VZ vertegenwoordigt het Ministerie van Buitenlandse Zaken vanaf 1950 in de Facilitaire Commissie Burgerluchtvaart ( Ingesteld in 1949 door de Rijksluchtvaartdienst (zie PIVOT-rapport 'Grenzen aan het vliegen' Institutioneel onderzoek op het terrein van de burgerluchtvaart, 1945-1992 (1994). ), de Coördinatiecommissie ICAO-voorschriften en de Commissie tot vergemakkelijking van het internationale luchtverkeer.

6.5 ADVISEURS 1950-

Verkeersadviseur (VADV)

De taak van VADV is sinds 1950 onveranderd: de behandeling van alle luchtvaartaangelegenheden voor het departement en het adviseren van de departementsleiding over scheepvaart en andere verkeersaangelegenheden in de ruimste zin van het woord. Bij de reorganisatie van 1950 zijn de uitvoerende taken van de Directie Verkeer en Grote Rivieren overgedragen aan DAZ. VADV verricht de volgende werkzaamheden: het bestuderen van ontwikkelingen op het terrein van internationaal vervoer; bijdragen aan de voorbereiding van wetgeving op verkeersgebied; het adviseren van en overleggen met departementsleiding, directies, andere ministeries (in het bijzonder Verkeer en Waterstaat (DGSM,DGV, HDTP), vervoersorganisaties (w.o. Stichting Nederlandse Internationale Wegvervoerorganisatie (NIWO), Kamers van Koophandel en het bedrijfsleven (w.o. KLM); het instrueren van posten en permanente vertegenwoordigingen; behandeling van zaken betreffende de ICAO, ECAC, CEMT, IMCO en CRC en vertegenwoordiging van Buitenlandse Zaken in afvaardigingen naar deze organisaties; secretariaat van de Nederlandse afvaardiging naar de Centrale Rijnvaartcommissie (CRC, Straatsburg); deelname aan de departementale crisisstaf; het voeren van overleg met de Antilliaanse autoriteiten en directie van de ALM; behandeling in overleg met het Ministerie van Defensie van overvlieg- of landingsvergunningen buitenlandse militaire vliegtuigen; verzorging aanvragen Nederlandse militaire vliegtuigen; verzorging diplomatieke toestemming bezoeken Nederlandse Marineschepen aan buitenlandse havens; overleg met Ministerie van Defensie over toekomstige vlootbezoeken; overleg met Ministerie van Financiën over belastingaangelegenheden; vertegenwoordiging van Nederland in bilaterale onderhandelingen over vervoerskwesties; bijdragen aan werkdossiers bewindslieden.

VADV was voorzitter van de Nederlandse delegatie van de Nederlands-Belgische studie-commissie voor het Scheldevraagstuk (1956-1961) ( Ingesteld n.a.v. de op 14 juli 1951 te Goes gehouden Ministersconferentie. Voorzitterschap 1951-1956 bij JAFR, echter: eerste bijeenkomst 5 maart 1956. Secretariaat Nederlandse delegatie bij DEU/BE. ), van de Nederlands-Belgische onderhandelingscommissie voor de kwestie van het Kanaal Gent-Terneuzen (1959-1960) ( De onderhandelingen resulteerden in het verdrag van 20 juni 1960 (Trb. 1960, 105). Secretariaat: DEU/WE. ) en voorzitter van Nederlandse afvaardigingen in diverse commissies uit de (Benelux) Raad voor de Economische Unie. ( De Raad kent een uitgebreide commissiestructuur met commissies en subcommissies waarin weg- en watervervoerskwesties besproken worden tussen de Beneluxpartners. Zie ook Tractatenblad 1953, 55. )

VADV en diens plaatsvervanger waren vertegenwoordigd in de raad van toezicht van het NIWO (1955-1957), de Commissie vervoer gevaarlijke stoffen (vanaf 1961), het Havencomité Straatsburg/Rotterdam/Amsterdam (1950-1962).

VADV vertegenwoordigt Buitenlandse Zaken in de volgende interdepartementale commissies:

Interdepartementale Commissie voor Burgerluchtvaartaangelegenheden (voorzitterschap en secretariaat) ( Ingesteld bij verslag eerste vergadering 29 oktober 1945 op initiatief van chef Directie Verkeer en Grote Rivieren. ), Interdepartementale Veiligheidscommissie Burgerluchtvaart, Interdepartementale Commissie betreffende herziening van het Luchtvaartverdrag van Chicago, Commissie Warschaupact Handelsscheepvaart, Werkgroep zeepiraterij, Commissie begeleiding vlootbezoeken (voorzitterschap), de Verkeerscommissie Schumanplan (1953-1957), Verkeerscommissie Benelux (en subcommissies, 1950-1960), de Rijkscommissie voor Luchtfotgrafie (1955-1960).

Tot 1981 vertegenwoordigt VADV het Ministerie van Buitenlandse Zaken in de Centrale commissie voor de statistiek (CCS). ( Vanaf 1981 wordt deze taak door chef DES overgenomen. Ingesteld bij KB van 9 januari 1899 (Stb. 1899, 43). De commissie, waarvan voorzitterschap en secretariaat bij Economische Zaken berusten, verstrekt bindende adviezen aan het Centraal Bureau voor de Statistiek. )

Juridisch Adviseur (JURA)

Het is de taak van JURA de departementsleiding en directies bij te staan bij de beantwoording van vraagstukken van volkenrechtelijke aard en te voorzien van andere juridische adviezen. Het doel hierbij is de eenheid der volkenrechtelijke opvattingen van het ministerie te verzekeren. JURA is verantwoordelijk voor de eenheid van de uitleg van het internationale en Europese recht, alsmede voor advies over de inhoud bij de totstandbrenging daarvan. JURA bevordert de ontwikkeling en codificatie van de internationale rechtsorde en de procedures voor vreedzame geschillenbeslechting. JURA adviseert andere departementen over de inhoud en uitleg van de op het Koninkrijk berustende internationale rechten en verplichtingen.

JURA vertegenwoordigt Buitenlandse Zaken in de (externe) Staatscommissie tot voorbereiding van de te nemen maatregelen ter bevordering der codificatie van het internationaal privaatrecht (1897).

JURA treedt op namens het Koninkrijk in procedures voor internationale gerechtelijke instanties, zoals het Internationaal Gerechtshof, de Europese Commissie, het Hof van Justitie voor de pen en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. JURA verzorgt het secretariaat van de (externe) Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (1954-) en heeft het voorzitterschap en secretariaat van de (interdepartementale) Commissie voor Uniforme Interpretatie van het EEG-verdrag. ( Ingesteld bij brief van DGES 24 oktober 1960. De commissie heeft tot taak een uniforme Nederlandse interpretatie van daarvoor in aanmerking komende belangrijke verdragsartikelen voor te bereiden. Naast een aantal vast vertegenwoordigde departementen, kunnen departementen naar gelang het te behandelen onderwerp worden uitgenodigd. )

Financieel-Economisch Adviseur (FEAD)

FEAD was in 1950 pro memorie in de nieuwe organisatie opgenomen. De functie zou niet ingevuld worden zolang van de diensten van regeringscommissaris Hirschfeld (zie hfdst. 6 DGEM en voorgangers) gebruik kon worden gemaakt. Met ingang van 15 juli 1954 werd E.H. van der Beugel Directeur-Generaal voor Economische en Militaire Aangelegenheden) tot FEAD benoemd. Toen deze in 1957 staatssecretaris van Buitenlandse Zaken werd, bleef de functie vacant. Het was de taak van FEAD adviezen uit te brengen de departementleiding (twee ministers en een secretaris-generaal) en de directies van het departement over vragen van financieel-economische aard. ( Organisatie en reorganisatie, 206-207. Beschikking van 15 juli 1954, ASAZ no. 88417. )

Adviseur voor Tractaatsaangelegenheden (TRAD)

De functie heeft bestaan tussen 1961 en 1968. In deze periode vertegenwoordigde TRAD het ministerie in de interdepartementale Contactcommissie voor wetgevingstechniek. In de functie werd aangesteld prof. dr. A.M. Stuyt, het voormalig hoofd DVE.

Adviseur Beleidsplanning (PLAN)

De functie werd per 1 september 1972 ingesteld. Met de titel raadadviseur werd prof.drs. H. Ch. Posthumus Meyes, voormalig souschef DIE, de eerste Adviseur Beleidsplanning. Hij kreeg een aantal assistenten toegevoegd. Taak van PLAN is de minister gevraagd en ongevraagd te adviseren over het Nederlandse multilaterale en bilaterale buitenlandse beleid in algemene zin op de langere termijn. Hiertoe verricht PLAN onderzoek en studies en heeft hij recht op informatie, het zelfstandig onderhouden van interne en externe contacten, het bijwonen van beleidsvergaderingen ( Archief O & I, blok 4, inv.nr. 0011. Jaarboek van het Departement van Buitenlandse Zaken 1972-1973 ('s-Gravenhage 1973), 165-167. ).

Adviseur in Algemene Dienst (ADVA)

Tussen 1974 en 1980 stond deze adviseur ter beschikking van de bewindslieden van het departement voor het geven van adviezen over belangrijke principiële beleidsvraagstukken op het gehele terrein van de taak van het departement. Ook kon ADVA belast worden met bijzondere opdrachten. Aangesteld in deze functie werd J. Meijer, voormalig directeur-generaal Internationale Samenwerking (DGIS).

Adviseur voor Onderhandelingen met Buurlanden (BUAD)

Adviseert de departementsleiding over Nederlands-Belgische kwesties (Schelde, Benelux, etc.). Maakt deel uit van onderhandelingsdelegaties.

Adviseur voor Protocollaire Aangelegenheden (ADKP)

Adviseert de departementsleiding en de Directie Kabinet en Protocol (DKP) over zaken die het in acht te nemen protocol in officiële buitenlandse contacten aangaan.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in