Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Gezantschap Zuid-Afrika

2.05.122
R. Spork
Nationaal Archief, Den Haag
2006
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.05.122
Auteur: R. Spork
Nationaal Archief, Den Haag
2006

CC0

Periode:

1910-1955
merendeel 1930-1954

Omvang:

573 inventarisnummers; 13,00 meter

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief bevat briefwisseling betreffende de inrichting van de diplomatieke en consulaire dienst, voorts stukken over publiek- en privaatrechtelijke en staatkundige aangelegenheden, economische zaken en migratie. Voorts stukken over oudstrijders uit de boerenoorlog en over het werven van Nederlandse dienstplichtigen tijdens de tweede wereldoorlog. Het archief bevat persoonsdossiers.

Archiefvormers:

  •  
  • Gezantschap Zuid-Afrika (1929-1951)
  • Ambassade Zuid-Afrika, Pretoria (1951-1954)
  • Consulaat in Pretoria (Zuid-Afrika), 1941-1946

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Verheffing van het consulaat-generaal tot gezantschap

In 1929 benoemde de regering van de Unie van Zuid-Afrika Daniel de Villiers tot gezant in Nederland. Dit was dertig jaar nadat zijn voorganger dr. W.J. Leyds, zij het toen alleen als gezant van de Zuid-Afrikaansche Republiek (Transvaal), als zodanig met standplaats te Brussel zijn intrede deed. Deze standplaats werd opgeheven na de Boerenoorlog van 1899-1902.

Reeds in 1938 waren berichten over een benoeming van een Zuid-Afrikaans gezant te Nederland doorgedrongen tot de Nederlandse regering. De minister van Buitenlandse Zaken F. Beelaerts van Blokland schreef in dat jaar aan de Hooge Commissaris van Zuid-Afrika te Londen de heer J.S. Smit, het volgende:

(....) Nu, zoals het behoorde, de Zuid-Afrikaansche Regeering het iniatief heeft genomen en tot de oprichting van een Gezantschap in Nederland heeft besloten, is de zaak van het Nederlandsche Gezantschap in Zuid-Afrika in een ander stadium gekomen. De instelling daarvan zou thans zijn te beschouwen als het antwoord van Nederland op het Afrikaansche initiatief. Het ligt echter voor de hand dat ik dat antwoord niet zou willen geven en zelfs generlei stap in die richting zou willen doen wanneer ik niet de zekerheid heb dat ik daarmede handel geheel in overeenstemming met de wenschen van de Regeering in Zuid-Afrika. Eerst wanneer ik van hare instemming verzekerd ben, kan ik officieel tot haar de vraag richten of de instelling van een Gezantschap te Pretoria haar aangenaam zou zijn (..) ( Nationaal Archief. Kabinets- protocolarchief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, 1871-1940 Inv. Nr.81 Corps Diplomatieque Zuid-Afrika, 1924-1940. Brief van 27-12-1928.) .

De regering van de Unie van Zuid-Afrika reageerde positief. Bij Koninklijk Besluit van 5 april 1930 nr. 86 werd dr. H.A. Lorentz, consul-generaal te Pretoria met de persoonlijke titel van gezant, benoemd tot buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister van de Nederlandse regering. Het consulaat-generaal, achtereenvolgens geleid door H.C. Bergsma (vanaf 16 maart 1888), F.J. Domela Nieuwenhuis (vanaf 13 februari 1895), F.M. Knobel (vanaf 18 november 1905), J.D. van Ketwich Verschuur (vanaf 1 maart 1913) en H.A. Lorentz (vanaf 19 november 1921), werd daarmee opgeheven en verheven tot gezantschap.

Intstelling en opheffing van het consulaat

Voor de voortzetting van de consulaire werkzaamheden werd bij Koninklijk Besluit van 15 oktober 1930 nr. 28 te Pretoria een consulaat der Nederlanden opgericht. Het ressort van het consulaat strekte zich uit over de stad Pretoria. Respectievelijk waren consul: J. van Sighem (vanaf 15 oktober 1930), W.J. Geerling (vanaf 28 augustus 1933) en J.W.M. Diepenveen (vanaf 27 januari 1944). Het consulaat werd in 1946 opgeheven en als consulaire afdeling aan het gezantschap toegevoegd.

Verheffing van het gezantschap tot ambassade

In 1951 nam de Nederlandse regering het initiatief om de wederzijdse diplomatieke vertegenwoordigingen te Pretoria en Den Haag te verheffen tot de rang van ambassade. De verheffing van het gezantschap te Pretoria werd bekrachtigd bij Koninklijk Besluit van 8 juni 1951. De gezant J. v.d. Berg werd benoemd tot ambassadeur. De regering van Zuid-Afrika benoemde kolonel P. Imker Hoogenhout tot haar ambassadeur te Den Haag.

Het ressort van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging

De wijzigingen in de status van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging te Pretoria waren van invloed op de omvang van het ressort van deze vertegenwoordiging.

Onder de eerste gezant, H.A. Lorentz, omvatte het ressort de Unie van Zuid-Afrika. In 1941 werd als district van Harer Majesteit's Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister W.F. van Lennep vastgesteld: de Unie van Zuid-Afrika, benevens de Britse bezittingen en territoriën van Noord-West en Noord-Oost Rhodesia en het Nyasaland-Protectoraat; de Kenya-kolonie en Kenya-Protectoraat, het Uganda-Protectoraat, het Tangayka-gebied, de Portugese koloniën Angola (met inbegrip van Cabinda) en Mozambique en de Belgisch Congo, en de eilanden Mahé, Zanzibar, Port Louis en St. Denis. In de beschikking van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 16 december 1942, Afdeling Consulaire- en Handelszaken, Nr. 23324 staan, naast genoemde gebieden, vermeld de eilanden Madagascar, Rëunion, Mauritius, de Sychellen, Amiranten en overige Britse eilanden ten Zuiden van de Evenaar en ten Westen van 80° O.L..

Met ingang van 1 januari 1955 werden Zuid-Rhodesia en het Nyasaland-protectoraat, alsmede Portugees-Oost-Afrika (Mozambique) onttrokken aan het ambtsgebied van de ambassadeur J. v.d. Berg. De federatie van Rhodesia en van het consulaat-generaal te Salisbury. Zie het kaartje op blz. 21.

Opeenvolgende Nederlandse vertegenwoordigers te Pretoria (1930-1962)
H.A. Lorentz

Hendrikus Albertus Lorentz werd 18 september 1871 geboren te Oudewater. In 1900 promoveerde hij tot doctor in de rechtswetenschappen te Utrecht, waar hij ook biologie studeerde. In de jaren 1901-1902 nam hij deel aan een wetenschappelijke expeditie onder leiding van prof. C.E.A. Wichmann naar Noord Nieuw Guinea. In 1913 werd hij benoemd tot aspirant vice-consul. Na gewerkt te hebben bij het consulaat-generaal te kopenhagen en het departement van Buitenlandse Zaken arriveerde hij in 1916 te Kaapstad met de persoonlijke titel van vice-consul. Vijf jaar later werd hij benoemd tot consul in algemene dienst met de persoonlijke titel van consul-generaal te Pretoria. Zijn benoeming tot consul-generaal volgde in 1926. In 1930 werd hij benoemd tot buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Pretoria. Van de buitenlandse vertegenwoordigers in Zuid-Afrika overhandigde hij als eerste zijn geloofsbrieven, waardoor hij leider werd van het nieuwe diplomatieke corps. Eervol ontslag werd hem verleend bij Koninklijk Besluit van 16 november 1937 nr. 39. Hij overleed in 1944.

W.F. van Lennep

Jonkheer Willem Frederik van Lennep werd 20 december 1894 geboren te Amsterdam. Van Lennep begon zijn carriére in de diplomatie in 1919 te Boekarest. Daarna was hij werkzaam bij het Kabinet van de minister van Buitenlandse Zaken, het gezantschap te Berlijn, het Comité van Controle betreffende de economische en financiële wederopbouw van Oostenrijk, het gezantschap te Constantinopel en wederom het gezantschap te Boekarest, waar hij in 1928 werd bevorderd tot gezantschapssecretaris der eerste klasse. In 1931 werd hij als zodanig overgeplaatst van Boekarest naar Pretoria. Na zijn bevordering tot gezantschapsraad in 1934 werd hij in 1935 toegevoegd aan het gezantschap te Brussel.

In 1937 keerde hij terug naar Zuid-Afrika in verband met zijn benoeming tot buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Pretoria. In 1944 werd Van Lennep teruggeroepen uit Pretoria en met ingang van 28 januari 1945 tijdelijk geplaatst op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Bij Koninklijk Besluit van 7 juni 1945 nr. 9 werd hij benoemd tot buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister bij het Deense Hof. Hij overleed te Denemarken in 1950.

Ph.C. Visser

Philips Christiaan Visser, Glacioloog en diplomaat, werd 8 mei 1882 geboren te Schiedam. Hij was de zoon van G.B. Visser, eigenaar-directeur van de familiezaak "De Graauwe Hengst" een jeneverstokerij in Schiedam. In 1916 werkte hij een half jaar bij het gezantschap te St. Petersburg. Na de eerste wereldoorlog werd hij (in 1919) als Attaché-Honorair toegevoegd aan het gezantschap te Stockholm, waar hij met min of meer grote tussenpozen werkzaam bleef tot 1931. Genoemde "tussenpozen" werden veroorzaakt door de deelname van dr. Visser aan de expedities van 1922, 1925 en 1929 naar het Karakorum-gebergte in Centraal Azië. In 1931 werd hij benoemd tot consul-generaal te Calcutta en in 1938 tot gezant te Ankara. Zeven jaar later, in 1945, werd hij overgeplaatst naar Pretoria. Van 1948 tot 1950 bekleedde hij zijn laatste diplomatieke post te Moskou. Ph.C. Visser overleed te Wassenaar in 1955.

J. v.d. Berg

Jan van den Berg werd geboren te Hazerswoude op 17 juli 1899. Hij studeerde Chinese taal aan de universiteit te Leiden. Zijn eerste standplaats was Peking (1922-1923). Daarna was hij achtereenvolgens werkzaam te Shanghai (1923-1927), Tsjoengking (1939-1940), Shanghai (1940-1942), Tsjoenking (1942-1945) en Nanking (1945-1948).

Bij Koninklijk Besluit van 1 juni 1948 Nr. 41 werd J. v.d. Berg benoemd tot buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Pretoria. In 1951 werd het gezantschap verheven tot ambassade en werd J. v.d. Berg benoemd tot ambassadeur kort nadat te Den Haag tussen Nederland en Zuid-Afrika een cultureel akkoord was gesloten.

In 1962 werd van de Berg eervol ontslag verleend. Hij overleed te Frankrijk in 1982.

De Tweede Wereldoorlog

Met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog namen de werkzaamheden van het gezantschap dermate toe, dat de hulp van vrijwilligers moest worden ingeroepen. Buiten bezwaar van 'slands schatkist werden tijdelijk aan het gezantschap toegevoegd: luitenant P.M. de Boer die de leiding op zich nam van de militaire afdeling, prof. Dr. M. Bokhorst die de behandeling op zich nam van de Afrikaansche correspondentie en de persafdeling dirigeerde, dr. F. Daubenton, consul met de persoonlijke titel van consul-generaal, die de leiding kreeg van de afdeling Rode Kruis werk en - voor administratieve en comptabele werkzaamheden - de heer W.J. Geerling, consul te Pretoria, alsmede de dames R. Beezhold (geb. Roelofs), dr. M.G. Mes, E. Mönnig en E.E. Wijers. Tegen betaling werd de heer J.H. Schmüll, boekhouder van de voormalige Duitse Bescherming, aangesteld voor het beheer en de administratie van de noodleningsfondsen.

Daarnaast werden door de Nederlandse regering personen aan het gezantschap toegevoegd belast met speciale opdrachten zoals de rekrutering van Nederlandse dienstplichtigen in Zuid-Afrika. Achtereenvolgens zullen worden besproken de werkzaamheden van het gezantschap voor het ministerie van Defensie in samenwerking met de Nederlandse militaire Missie, de werkzaamheden voor de Nederlands-Indische overheid in samenwerking met de Hoofdambtenaar J.W. Klei, de werkzaamheden voor het Ministerie van Waterstaat in samenwerking met de Scheepvaartinspectie te Durban en de werkzaamheden voor het Ministerie van Koloniën en de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten in verband met het Marine Etablissement Soerabaja te Simonstad.

De Nederlandse Militaire Missie te Pretoria
Organisatie

In 1941 ging de Nederlandse regering over tot het rekruteren van Nederlandse dienstplichtigen verblijven buiten Groot-Brittannië, het door de Duitsers veroverde Nederlandse gebied en de Nederlandse koloniën. Daartoe werd het Koninklijk Besluit Nr. 9 van 28 februari 1941 uitgevaardigd waardoor alle in Zuid-Afrika aanwezige mannelijke Nederlanders geboren tussen 1-1-1904 en 1-1-1922 werden ingelijfd bij de Nederlandse strijdkrachten (marine en landmacht).

Ter uitvoering van dit Besluit zond de Nederlandse regering in 1941 een Militaire Missie naar Pretoria. Deze bestond uit vier personen, te weten: de gepensioneerde schout-bij-nacht J. Bosma, luitenant-kolonel dr. C.F. Koch, eersten-luitenant ir. W.M. Reuhl en kapitein-kolonel ter zee A. Boosman, die reeds vanaf 1940 als nautisch officier werkzaam was bij het consulaat te Kaapstad. Dr. C.F. Koch keerde in augustus 1942 terug naar Groot-Britannië. P.M. de Boer, die als honorair attaché was verbonden aan het gezantschap onder meer belast met de leiding van de militaire afdeling (zie boven), werd benoemd tot hoofd van de Missie. In augustus 1947 werd hem ontslag verleend. Zijn opvolger, reserve majoor J.M.J. Noordendorp, werd al met ingang van 1 april 1947 belast met de leiding van de missie. Voorheen (vanaf aug. 1942) was Noordendorp als administrateur werkzaam bij de Militaire Missie. Na het vertrek van dr. Koch werd als medisch adviseur, belast met het toezicht op de uitslag van de medische keuringen van dienstplichtigen, benoemd dr. F. Daubenton. Vóór die tijd had Daubenton, consul te Johannesburg, de leiding van de afdeling Rode Kruis werk van het gezantschap (zie boven).

Hij werd in 1944 medisch adviseur opgevolgd door prof. Dr. W.G. de Haas. De Militaire Missie te Pretoria werd 1 september 1947 opgeheven. De heer Noordendorp werd aan het gezantschap te Pretoria toegevoegd als hoofd van een Militair Bureau belast met de afwikkeling van talrijke zaken, meest van comptabele aard (leningen, onderstanden, pensioenen).

Taak

Het was de taak van de Missie door middel van doelmatige propaganda het dienstnemen bij de Nederlandse strijdkrachten in Groot-Brittannië of Canada en later ook in Nederlands-Indië te bevorderen. In eerste instantie beschikte men niet over sancties om het dienstnemen bij de Nederlandse strijdkrachten af te dwingen. Wel werd aan dienstweigeraars iedere vorm van consulaire bijstand onthouden. Vanaf 1942 beschikte men over de mogelijkheid dienstweigeraars naar Suriname te deporteren, waar zij werden geïnterneerd. Voor op de grond van hun religieuze overtuiging erkende dienstweigeraars bestond de mogelijkheid om administratieve werkzaamheden te verrichten in Groot-Brittannië.

Van de Nederlandse vertegenwoordigers in Zuid-Afrika werd verlangd, dat zij medewerking zouden verlenen aan de verschillende maatregelen betreffende het oproepen van dienstplichtigen, zoals het registreren van dienstplichtigen (hetgeen werd bemoeilijkt door het ontbreken van een burgerlijke stand in Zuid-Afrika), het verzenden/doorgeleiden van formulieren inzake de keuring van dienstplichtigen, idem van aanvraagformulieren voor kostwinnersvergoeding. De Nederlandse vertegenwoordigers konden bij het rekruteren van dienstplichtigen rekenen op de steun van de Zuid-Afrikaanse regering. Slechts met grote moeite was het de regering-Smuts in september 1939 gelukt om Zuid-Afrika aan Britse zijde aan de Tweede Wereldoorlog te doen deelnemen. Smuts' tegenstander generaal Hertzog, op wie Nederland in 1939 een beroep deed om te interveniëren bij Adolf Hitler ter voorkoming van een inval in Nederland, was een tegenstander van neutraliteit ( Inv.nr. 410.) . Anti-Britse sentimenten speelden sinds de Boerenoorlog van 1899-1902 een grote rol in Zuid-Afrika. Om deze niet nog meer aan te wakkeren legde Smuts de nadruk op het feit, dat Zuid-Afrika samen met Nederland vocht. Deze houding verklaart waarom hij de Nederlandse rekrutering in Zuid-Afrika steunde zoveel hij kon. Zo werden Nederlandse dienstweigeraars door de Zuid-Afrikaanse autoriteiten gearresteerd en ter deprotatie aan de Nederlandse autoriteiten uitgeleverd.

L de Jong:

Van de ruim drie-en-twintighonderd mannen die tot eind oktober '44 onder de dienstplicht vielen, werden bijna negenhonderd medisch afgekeurd en kregen ruim driehonderd vrijstelling wegens hun plaats in het economisch leven of om andere redenen. Naar ruim tachtig dienstweigeraars was men in oktober '44 nog zoekende, ruim zeventig waren afgevoerd. Honderdzeventig personen hadden dienstgenomen in Indië of de West, bijna honderdveertig waren naar het Zuid-Afrikaanse leger overgegaan en zeshonderdvijftig waren voor dienst bij de Irene-Brigade naar Engeland vertrokken - daar kwamen er zeshonderd aan: vijftig man die in oktober '42 ingescheept waren, verdronken toen hun schip getorpedeerd werd ( L.de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 9 Londen eerste helft. 's-Gravenhage 1979, blz. 704.) .

De Hoofdambtenaar J.W. Klei

Bij de rekrutering van dienstplichtigen ondervond de Militaire Missie concurrentie van de hoofdambtenaar J.W. Klei. Deze werd in juni 1941 door de Nederlands-Indische regering uitgezonden naar Pretoria om in Zuid-Afrika burgerpersoneel te werven voor de Nederlands-Indische overheid in het bijzonder voor het Departement der Marine en de daaronder ressorterende diensten (inclusief de werving van militair personeel voor de zeemacht). Omtrent de keuze van de uit te zenden personen moest J.W. Klei steeds in overleg treden met de functionaris van de militaire Missie die belast was met de werving in Zuid-Afrika van militair personeel voor de Nederlandse zeemacht. De gezant verstrekte eventueel inlichtingen over de (politieke) betrouwbaarheid van de uit te zenden personen. In oktober 1942 verliet J.W. Klei de Unie van Zuid-Afrika.

De handelsbeschermingsofficieren te Durban en Kaapstad

In 1940 werd luitenant ter zee A. Boosman als nautisch adviseur geplaatst bij het conuslaat te Kaapstad en in 1941 werd als zodanig geplaatst bij het consulaat te Durban luitenant ter zee E.B. Willemstijn. Het was hun taak koopvaardij-aangelegenheden te behandelen verband houdend met de oorlogstoestand en dus niet behorend tot de rechtstreekse en gebruikelijke werkzaamheden van de consuls. Zij stonden onder het hoofd van de handelsbescherming (HHB) te New York C.H. Brouwer. De benaming "nautisch adviseur"werd vervangen door die van "officier van de handelsbescherming". De HBO A. Boosman werd in oktober 1942 overgeplaatst naar Durban. De HBO te Durban, E.B. Willemstijn, werd overgeplaatst naar Kaapstad en kwam rechtstreeks onder bevel te staan van A. Boosman. Over de positie van de aan de consulaten toegevoegde HBO's ontspon zich een uitvoerige discussie tussen Buitenlandse Zaken en Marine, nadat sommige consulaire ambtenaren hun ongenoegen hadden geuit over het al te zelfstandig optreden van de HBO's. Vooral tussen A. Boosman en de gezant Van Lennep rezen moeilijkheden over hun formele verhouding. Buitenlandse Zaken zwichtte voor de opvatting van Marine , dat het "met het oog op het militaire karakter der Handelsbescherming de voorkeur verdiende voortaan HBO's niet aan consulaire ambtenaren, die civiele autoriteiten zijn, toe te voegen" ( A. Kersten, Buitenlandse Zaken in Ballingschap. Groei en verandering van een ministerie 1940-1945. Alphen aan de Rijn 1981, blz.156) . De HBO's kregen een meer zelfstandige positie. Dit had tot gevolg dat een groot deel van de belangenbehartiging van individuele schepelingen door de consuls uit handen werden gegeven aan de HBO's, die de neiging hadden deze belangen ondergeschikt te maken aan het in de vaart houden van schepen krachtens de toen geldende vaarplicht ( Als boven, blz. 157.) .

Vanaf 1 maart 1944 bleef de post van HBO te Durban onbezet. Het ressort van de HBO te Kaapstad werd uitgebreid met dat van de vroegere HBO te Durban. Met ingang van 1 oktober 1945 werd de post van HBO te Kaapstad opgeheven.

De scheepvaartinspectie te Durban

In verband met de vordering door de Nederlandse regering van alle koopvaardijschepen onder Nederlandse vlag in haar bezit, rees bij de Minister van Waterstaat het voornemen om de Nederlandse scheepvaartwetgeving voor de duur van de bezitsvordering op al deze schepen van toepassing te verklaren. Dit was met name van betekenis voor de veiligheidsvoorschriften, het toezicht en de diploma-eisen met betrekking tot het personeel. Het voornemen van de Minister van waterstaat werd uitgevoerd in 9142. Voor het toezicht op de Nederlandse schepen in niet-vijandelijk en niet door de vijand bezet gebied buiten het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittanië en Noord-Ierland werden "inspecteurs in buitengewone dienst voor de scheepvaart"benoemd in de Verenigde Staten, de Unie van Zuid-Afrika en Australië. De inspecteurs waren onder meer bevoegd tot het afgeven namens de Nederlandse regering van certificaten van deugdelijkheid en (radio-)veiligheidscertificaten. Zij stonden in het land waar zij werkzaam waren onder algemeen toezicht van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiger.

Bij Koninklijk Besluit van 1 oktober 1942 Nr. 2 werd de kapitein-luitenant ter zee der Koninklijke Marine Reserve mr. A. Boosman benoemd tot inspecteur van de scheepvaart te Durban.

Als expert werd benoemd de heer S. de Haan. In 1944 werd Boosman opgevolgd door de heer M.C.M. Cornelis, gezagvoerder ter koopvaardij. In 1945 werd de post te Durban opgeheven.

Het Marine Etablissement Soerabaja te Simonstad

In maart 1942 werd als gevolg van de Japanse bezetting van Java het Marine Etablissement Soerabaja geëvacueerd naar Simonstad in Zuid-Afrika. De directeur van het ME Soerabaja, C.W. Heringa, ressorteerde voor de oorlogvoering onder de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten en administratief onder de Minister van Koloniën. Het etablissement werd tijdelijk opgenomen in de "Naval Dockyard" te Simonstad en de Zuid-Afrikaanse oorlogsindustrie. Het gezantschap te Pretoria verleende evenals het consulaat te Kaapstad hulp bij de behartiging van de persoonlijk belangen van het personeel van het Marine Etablissement.

Belangenbehartiging voor niet- Nederlandse regeringen en onderdanen

Naast de diplomatieke en consulaire werkzaamheden voor de Nederlandse regering, was het gezantschap ook belast met werkzaamheden voor niet-Nederlandse regeringen, te weten (in chronologische volgorde): de regeringen van Luxemburg, Duitsland en Indonesië.

Luxemburg

In alle plaatsen waar Luxemburg geen eigen diplomatieke vertegenwoordiging bezat waren sinds 1880 de Nederlandse gezanten belast met de diplomatieke bescherming van de belangen van de Luxemburgse onderdanen. De behandeling van politieke aangelegenheden van de Luxemburgse regering waren hiervan uitgesloten. Deze was opgedragen aan de Belgische diplomatieke ambtenaren. De belangenbehartiging van de Luxemburgse onderdanen werd beëindigd in 1940.

Duitsland

In 1939 verzocht de Duitse regering de Nederlandse regering om de gezant Van Lennep de bescherming van de Duitse belangen in Zuid-Afrika en het mandaatgebied Zuid-West-Afrika op te dragen.

Dit in verband met de tussen de Unie van Zuid-Afrika en Duitsland ingetreden oorlogstoestand.

Sedert 10 mei 1940 werden de Duitse belangen in Zuid-Afrika waargenomen door de Spaanse regering.

Indonesië

In 1949 werd ter Ronde Tafel Conferentie overeengekomen, dat "indien een der deelgenoten in de Nederlands-Indische Unie bij enige vreemde mogendheid geen eigen diplomatieke vertegenwoordiging heeft, hij bij voorkeur zijn belangen door de diplomatieke vertegenwoordiging van de andere deelgenoot bij mogendheid zal doen behartigen ( Inv.nr.567. Brief DOA/IN 2 mei 1950,agenda nr. 43985-3625 GS/342) ". Op grond van deze overeenkomst werd in 1950 de gezant Van den Berg de diplomatieke belangenbehartiging van Indonesië opgedragen. In 1952 gaf de minister van Buitenlandse Zaken van de Republiek Indonesië te kennen dat in verband met de uitbreiding van het aantal Indonesische vertegenwoordiging in het buitenland zijn regering met ingang van 17 jan. 1953 genoemde regeling als geëindigd zou willen beschouwen. De Nederlandse regering zou op verzoek van de Indonesische regering nog slechts incidenteel haar bemiddeling verlenen.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in