gahetNA in the National Archives

Buitenlandse Zaken / Code-Archief 45-54

2.05.117
CAS 841
Nationaal Archief, Den Haag
2008
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.05.117
Auteur: CAS 841
Nationaal Archief, Den Haag
2008
CC0

Periode:

1945-1954

Omvang:

413,00 meter; 27439 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Het archief bevat normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken betreft het eigen departement, de Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland en de buitenlandse vertegenwoordigingen in Nederland, daarnaast bevat het archief de archieven van commissarissen-generaal, van commissies en enkele werkarchieven.
Het archief bevat voornamelijk een neerslag van de periode na de Tweede Wereldoorlog, maar bevat ook materiaal uit de oorlogsperiode. Het archief is ingedeeld op een aantal hoofdthema's zoals: protocolaire en juridische aangelegenheden, openbare gezondheidszorg, openbare veiligheid, volkshuisvesting, verkeer en vervoer, economie, migratie, arbeid, sociale aangelegenheden, culturele en wetenschappelijke aangelegenheden, landsverdediging en internationale organisaties.
Enkele belangrijke gebeurtenissen waarover materiaal te vinden is zijn: opsporing en berechting van Duitse oorlogsmisdadigers, restitutie van o.a. geroofde kunst, koloniale geschiedenis en dekolonisatie, oprichting van belangrijke internationale organisaties (bijvoorbeeld de NAVO en de EEG) en (foto's van) de watersnoodramp van 1953.

Archiefvormers:

  • Ministerie van Buitenlandse Zaken
  • Ministerie van Buitenlandse Zaken / Commissie-Generaal voor Nederlands-Indië/Indonesië
  • Ministerie van Buitenlandse Zaken / Commissie/Commissariaat-Generaal voor de Nederlandse Economische Belangen in Duitsland
  • Ministerie van Buitenlandse Zaken / Staatscommissie Herziening Grondwet en Commissie nopens de samenwerking tussen regering en Staten-Generaal inzake het buitenlandse beleid (Commissie Van Eysinga)
  • Ministerie van Buitenlandse Zaken / Commissie van onderzoek naar de gedragingen van baron C. van Breugel Douglas in zijn hoedanigheid van ambassadeur te Moskou
  • Stikker, Mr. D.U. [levensjaren, 1897-1979]
  • Stuyt, A.M.
  • Bentinck, Baron G.W.
  • Boon, H.N.

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Hoofdstuk 1 Het buitenlands beleid en het Ministerie van Buitenlandse Zaken in de periode 1945-1990
1.1 Inleiding

Het institutioneel onderzoek beoogt onder meer een beschrijving te geven van de organisatie, de taken en de handelingen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over de periode 1945-1990(

Met dank aan professor dr. A.E. Kersten voor zijn adviezen en correcties. Deze tekst is gebaseerd op drs. E. Burger, P.L. Groen en drs. J. Steenhuis, gedane buitenlandse zaken. Een institutioneel onderzoek naar het beleidsterrein buitenland, ontwikkelingssamenwerking en het ministerie van buitenlandse zaken, 1945 - 1990 [1994] ('s-gravenhage 200) pivot-rapport nr. 103a. Voor een uitgebreidere inleiding op het in deze toegang beschreven beleidsterrein wordt u verwezen naar dit rapport. Een exemplaar hiervan treft u onder andere aan in de kast tegenover de toegangen op de studiezaal van het nationaal archief.

). In dit hoofdstuk zal dat in grote lijnen worden gedaan. Na een korte beschrijving van de ontwikkelingen in het buitenlands beleid zal de organisatiestructuur van het ministerie en de veranderingen daarin in de periode 1945-1990 worden geschetst, alsmede de doelstellingen en taken van het ministerie. Een inleiding op de door het ministerie verrichtte handelingen besluit dit hoofdstuk.

De afzonderlijke onderzoeksgebieden '1945-1950', '1950-1958', '1958-1990', DGIS, de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland, alsmede de stafdirecties en adviseurs worden in navolgende hoofdstukken nader beschouwd.

1.2 De Nederlandse buitenlandse politiek 1945-1990

In deze paragraaf een overzicht van de Nederlandse buitenlandse politiek van 1945 tot 1990 (

Tenzij anders vermeld is deze paragraaf gebaseerd op A.E. Kersten, Nederland en de buitenlandse politiek na 1945, in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden dl. 15 (Haarlem 1982) 382-400.

).

De Duitse inval van 10 mei 1940 en de korte duur van het verzet van de Nederlandse strijdkrachten had aan de verantwoordelijke politici duidelijk gemaakt, dat de neutraliteits- of afzijdigheidspolitiek geen goede grondslag meer vormde voor het buitenlands beleid van Nederland. Minister van Buitenlandse Zaken, E.N. van Kleffens kwam tijdens de tweede wereldoorlog al tot de conclusie, dat voor Nederland een stelsel van regionale veiligheidsorganisaties onder leiding van de Verenigde Staten de beste garantie voor de veiligheid van het Koninkrijk - in 1945 omvatte dat nog Nederland, Nederlands-Indië, Suriname en de Nederlandse Antillen - zou zijn. De Verenigde Staten waren economisch en militair in staat elke denkbare agressor in Europa zijn wil op te leggen. Tegelijkertijd was van belang, dat aanvaarding van het Amerikaanse leiderschap voor Nederland geen problemen opleverde. Ondanks verschillen in uitwerking waren het Nederlandse en Amerikaanse politieke, economische en culturele bestel voortgekomen uit dezelfde Europese en christelijke beginselen. Naast de duidelijke keuze voor de Verenigde Staten was samenwerking met andere landen een wezenskenmerk van de naoorlogse buitenlandse politiek. Die samenwerking moest ook in de Europese context gestalte krijgen. Het eerste teken daarvan was de samenwerking met België en Luxemburg in de zg. Benelux.

De overgang van neutraliteitspolitiek naar een buitenlands beleid gericht op internationale samenwerking verliep moeizaam. Twee factoren speelden daarbij een bepalende rol: 1. realisering van samenwerking was afhankelijk van de medewerking van andere staten. Deze kwam pas van de grond nadat de Oost-Westtegenstelling in de Koude Oorlog de blokvorming stimuleerde; 2. in de dekolonisatie van Indonesië speelden juist de Verenigde Staten en Groot-Brittannië - staten aan wie Nederland de leidende rol in de westerse internationale samenwerking toedacht - een rol die de Nederlandse regering tegenstond. Hoewel de Nederlandse regering in haar buitenlands beleid bleef hechten aan bevordering van de internationale rechtsorde, kwam samenwerking in Europees, Atlantisch en mondiaal verband steeds meer centraal te staan. In tegenstelling tot de periode tot 1940 voerde zij nu een actief buitenlands beleid. Dit bleek het duidelijkst op drie nieuwe beleidsterreinen, namelijk veiligheid, Europese integratie en ontwikkelingssamenwerking.

1.2.1 Het veiligheidsbeleid

In 1945 was Duitsland het centrale vraagstuk van het veiligheidsbeleid. Zolang de Grote Vier als bezettingsmogendheden onderhandelden over een vredesverdrag voor Duitsland als geheel zag ook de Nederlandse regering daarin het beste middel de kans op hernieuwde Duitse agressie te beteugelen. Het afbreken van dit overleg eind 1947 onder invloed van de toenemende tegenstelling tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie schiep een volstrekt andere situatie. Duitsland vormde niet langer de voornaamste bedreiging, maar de Sovjet-Unie en het communisme vormden de voornaamste bedreiging voor het Westen en de democratische maatschappij. De Verenigde Staten waren vanaf 1947 bereid zich rechtstreeks met de situatie in Europa in te laten als hoofdelement in haar containment-politiek. Deze 'indamming' van de Sovjet-Unie vond langs twee sporen plaats, namelijk 1. het economische van de Marshallhulp ter versnelling van de wederopbouw en 2. versterking van de westerse defensie. De Nederlandse regering had geen moeite dit Amerikaanse beleid te aanvaarden, omdat het duidelijk aansloot bij haar visie op de nieuwe internationale positie van Nederland. Nadat Frankrijk, Groot-Brittannië en de Benelux-landen op 17 maart 1948 in het Verdrag van Brussel hun intentie tot een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid hadden uitgesproken, kon de stap naar inschakeling van de Verenigde Staten bij de verdediging van West-Europa snel worden gezet. Op 4 april 1949 ondertekenden in Washington de Verenigde Staten, Canada en 10 West-Europese landen het Noord-Atlantisch Verdrag. Daarmee verwierf Nederland een permanente Amerikaanse veiligheidsgarantie, die de basis bleef voor het veiligheidsbeleid in de komende decennia. Nederland gaf er de voorkeur aan deel te nemen aan bondgenootschap onder Amerikaanse leiding. Het alternatief van een zelfstandiger West-Europese defensie was voor haar niet aantrekkelijk, omdat dit per definitie minder bescherming bood dan de Amerikaanse atoomparaplu.

De Nederlandse deelname aan de Europese Defensie Gemeenschap (EDG) in mei 1952 - bedoeld om de Duitse herbewapening voor Frankrijk aanvaardbaar te maken - was voor de Nederlandse regering slechts aanvaardbaar vanwege de Amerikaanse steun aan de EDG en de operationele onderschikking aan de NAVO.

1.2.2 De Europese integratie.

Door de Tweede Wereldoorlog was bij politici, diplomaten en intellectuelen de overtuiging gegroeid, dat de Europese staten alleen door samenwerking in staat zouden zijn de welvaart te bevorderen. Het bleek buitengewoon moeilijk aan deze intentie gestalte te geven. Nederland was vanwege zijn afhankelijkheid van export traditioneel gericht op internationale economische samenwerking. De totstandbrenging van de internationale samenwerking na 1945 bleek geen gemakkelijke zaak, omdat over de terreinen van samenwerking, manier van samenwerking en de deelnemers eraan verschillende meningen leefden. Er was geen sprake van een logisch verlopende ontwikkeling van samenwerking en integratie. Het was een grillig, door de omstandigheden gedicteerd proces. Het Nederlandse beleid was vooral gericht op de totstandbrenging van economische integratie tussen een zo groot mogelijke groep van landen met overdracht van bevoegdheden.

De eerste aanzet tot nauwere onderlinge samenwerking van Europese landen werd tijdens de Tweede Wereldoorlog voorbereid door België, Nederland en Luxemburg via de Benelux. Met name door initiatieven tot integratie in groter verband zou de Benelux nooit tot volle bloei zou komen. De eerste daadwerkelijke poging tot samenwerking werd onder Amerikaanse druk via de in 1947 aangeboden Marshallhulp ondernomen in de in 1948 opgerichte Organisatie voor Europese Economische Samenwerking (OEES) voor de uitvoering van het Europees Herstel Programma. Het EHP beoogde het economisch herstel van West-Europa ondermeer te bevorderen door liberalisering van het handels- en betalingsverkeer tussen de 16 deelnemende landen. De Nederlandse regering was een groot voorstander van dit liberaliseringsproces, maar in de praktijk bleek het tempo veel te laag. Dat was de voornaamste reden voor minister D. Stikker om in te stemmen met het zg. Schumanplan (mei 1950) voor de oprichting van de supranationale Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal waarvan naast de Benelux-landen Frankrijk, West-Duitsland en Italië deel uitmaakten. Stikker liet veel minder warm voor de Europese Defensiegemeenschap en een Europese Politieke Gemeenschap die kort daarna werden voorgesteld. Zijn opvolger J.W. Beijen bleek in september 1952 wel bereid mee te werken aan politieke integratie op supranationale basis in de Europese Politieke Gemeenschap (EPG) op voorwaarde dat deze gekoppeld zou worden aan de voortgang van de economische integratie. Beijen formuleerde daarvoor het zg. Beijenplan, dat uitging van economische integratie in twee fasen: eerst de totstandbrenging van een douane-unie en daarna de opbouw van een gemeenschappelijke markt. Door de Franse afwijzing van de EDG in augustus 1954 kwam ook de EPG niet tot stand. Beijens voorstellen voor economische integratie speelden een cruciale rol in het uit het slop halen van de Europese integratie na de verwerping van de EDG. Zij vormden de basis voor het Verdrag van Rome (maart 1957) tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG). Samen met het Verdrag voor de oprichting van een Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) en de al sinds 1952 functionerende EGKS vormden deze nieuwe organisaties de basis voor het proces van Europese integratie. (

Zie voor de organisatorische consequenties voor Buitenlandse Zaken van de instelling van deze organen § 1.3.6.

)

Vanaf het begin van de werkzaamheden van de EGKS in de zomer van 1952, maar vooral vanaf het optreden van de EEG in 1958 was het Europese beleid meer en meer het hoofdbestanddeel van het Nederlandse buitenlandse beleid gaan vormen. De consequenties hiervan voor de positie van de minister-president in de Europese besluitvorming en de toegenomen betrokkenheid van andere departementen met het Europese beleid, komen in hoofdstuk 2 aan de orde bij de bespreking van diverse actoren op het terrein van het buitenlands beleid.

1.2.3 Ontwikkelingshulp

Ontwikkelingshulp(

Voor deze paragraaf is, naast de bijdrage van A.E. Kersten in de AGN, gebruik gemaakt van P. Hoebink, Geven is nemen: de Nederlandse ontwikkelingshulp aan Tanzania en Sri Lanka (Nijmegen 1988) 47-74.

) werd in 1948 door de Amerikaanse president H.S. Truman geïntroduceerd in de internationale politiek. Truman wilde door middel van technische en financiële steun aan koloniën die pas hun onafhankelijkheid hadden verworven hun economische zelfstandigheid bevorderen en daarmee voorkomen dat zij binnen de invloedssfeer van de Sovjet-Unie kwamen. De veronderstelling dat financiële en technische hulp aan deze nieuwe staten hetzelfde economische effect zou hebben als de Marshallhulp aan West-Europa bleek al snel onjuist te zijn. Dit had tot gevolg dat de ontwikkelingshulp zich ontwikkelde tot een breed terrein van hulpverlening.

Deze evolutie kan aan de Nederlandse terminologie worden afgelezen: van "hulpverlening aan minder ontwikkelde gebieden", via "ontwikkelingshulp" naar "ontwikkelingssamenwerking". De groeiende betekenis van dit beleidsterrein kan worden aangetoond aan de hand van (1) de relatief en absoluut beschikbare financiële middelen: van ƒ 27, 3 miljoen in 1951 tot ƒ 5.988, 2 miljoen in 1990 en (2) het institutionele kader: van een klein ondersteunend bureau in 1948 tot een zich expanderend Directoraat-Generaal met een staatssecretaris (1963) en later minister voor ontwikkelingssamenwerking (1965).

De periode vanaf de eerste hulpverlening via het "Expanded Programme of Technical Assistence" van de Verenigde Naties in 1950 tot aan ca. 1965 is ook wel een "schemerzone" tussen koloniaal beleid en het formuleren van nieuw beleid genoemd. (

Hoebink, 47.

) De doelstellingen van het beleid zijn in nota's uiteengezet. Als redenen voor hulpverlening werden in 1956 genoemd het oprukkende communisme en de functie van de ontwikkelingslanden als grondstoffenleverancier en afzetgebied. Tevens bood de hulpverlening een compensatie voor het verlies van de Indonesische markt.

Nederland legde een voorkeur voor een multilaterale benadering van de hulp aan de dag, omdat het politieke en economische belang in een multilaterale omgeving een geringere rol zou spelen en de invloed en deelname van Nederland beter gewaarborgd zouden zijn. De Nederlandse hulp bestond in die periode voor het grootste gedeelte uit het uitzenden van deskundigen in het kader van diverse VN-programma's.

1.3 De organisatie van het Ministerie van Buitenlandse zaken, 1945-1990

1.3.1 De jaren 1945-1950

De Nederlandse regering bevond zich gedurende de Tweede Wereldoorlog te Londen (

Deze paragraaf is grotendeels gebaseerd op Kersten, Buitenlandse zaken in ballingschap, 15-74, en Organisatie en Reorganisatie, (Alphen aan den Rijn 1981) 45-48, 57.

).

De toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, mr. E.N. van Kleffens, zette zijn taak met een aantal overgekomen ambtenaren aldaar zo goed mogelijk voort. Het departement, dat in Den Haag nog geruime tijd doorwerkte, werd in juli 1942 door de Duitse bezetter officieel opgeheven.

De Tweede Wereldoorlog betekende voor Nederland onder andere het einde van de sinds 1830 gevoerde neutraliteits- en zelfstandigheidspolitiek: in plaats daarvan kwam een streven naar regionale internationale samenwerking. Al in Londen was duidelijk geworden dat deze nieuwe doelstelling van beleid gevolgen zou hebben voor de departementale organisatie: 'de taak van dit Departement in Londen (was) reeds zodanig toegenomen en zo veelzijdig van karakter geworden, dat een aanpassing van het departementaal apparaat aan de gewijzigde omstandigheden niet kon uitblijven'. (

Organisatie en reorganisatie, 45.

)

Bij de terugkeer naar Den Haag in de zomer van 1945 kwam er daarom een gewijzigde organisatie tot stand, zij het minder vergaand dan door sommigen was gewenst. Een ingrijpender reorganisatie zou tot 1950 op zich laten wachten. Het Kabinet van de Minister en de directie van het Protocol bleef, als in Londen, onder éénhoofdige leiding. De vooroorlogse afdeling Consulaire en Handelszaken werd gesplitst in twee afzonderlijke directies: de directie Economische Zaken en de directie Verkeer en Grote Rivieren. Voor de behandeling van de personele en materiële zaken van de consulaire vertegenwoordigingen (voorheen een taak van de afdeling Consulaire en Handelszaken) en van de diplomatieke vertegenwoordigingen (voorheen behandeld door de afdeling Diplomatieke Zaken) werd naar buitenlands voorbeeld een nieuwe directie gevormd: de directie Buitenlandse Dienst. De vooroorlogse afdeling Diplomatieke Zaken kwam terug als de directie Politieke Zaken, waarin de afdeling Volkenbondszaken, die zich nu met de Verenigde Naties bemoeide, was ondergebracht.

Nieuw is ook de directie Duitsland. Deze directie, die in Londen was opgericht voor de behandeling van alle zaken, die zich met betrekking tot het vredesverdrag met Duitsland zouden voordoen, bleef slechts korte tijd bestaan. Al in 1946 werd besloten de directie op te heffen en de taken over de andere directies te verdelen. Nieuw in het organogram is ook de raadadviseur, een voorloper van de JURA (juridisch adviseur). Aanleiding voor zijn aanstelling was een herschikking van de juridische taken.

Voor de oorlog werden alle juridische zaken, ook die van de andere afdelingen, centraal behandeld door de afdeling Juridische Zaken. Na de oorlog besloot men, om te voorkomen dat men al te theoretisch en te weinig gericht op de praktijk aan de gang zou gaan, aan alle directies eigen juristen te verbinden. De juridisch adviseur kreeg tot taak de juridische aangelegenheden van de directies te coördineren en op hoofdlijnen te superviseren. De directie Voorlichting Buitenland ten slotte is geheel nieuw en is voortgekomen uit de Regerings Voorlichtingsdienst, opgericht te Londen in 1940. (

Zie voor een uitvoerige bespreking van de voorlichtingsdiensten bij het ministerie van Buitenlandse Zaken: A.C. van der Zwan, Voorlichting bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken 1920-1995 (Ministerie van Buitenlandse Zaken 1995).

)

1.3.2 De jaren 1950-1990

'Kon Nederland het zich voor de oorlog permitteren belangstellend toeschouwer te zijn, thans is Nederland ten nauwste betrokken bij een aantal grote internationale problemen en speelt het land een actieve rol in diverse internationale constellaties, zowel op zuiver politiek als op economische en sociaal terrein', zo schreef de secretaris-generaal van Buitenlandse Zaken in 1949.

De grotere betrokkenheid van Nederland bij het internationale krachtenspel had een forse toename tot gevolg van het aantal kwesties waarin standpunten moest worden ingenomen of anderszins actie moest worden ondernemen. De groei in de personele sfeer illustreerde deze ontwikkeling. Waren er in 1946 nog 188 ambtenaren werkzaam op het departement, in 1949 was dit aantal gestegen tot 387. (

Organisatie en reorganisatie, 45. Zie voor een uitgebreide verhandeling over de oorzaken, die tot de reorganisatie noopten: idem, 197-201. Zie voor opgave aantal ambtenaren: idem, 49.

)

Met ingang van 1 januari 1950 werd daarom een grootscheepse reorganisatie doorgevoerd, waarbij de beleidstaken, de adviserende en de administratieve taken zoveel mogelijk bij elkaar werden gegroepeerd. Om de beleidsmatige taken, geconcentreerd in een politieke vleugel, op rationeler wijze uit te kunnen voeren, werd een regionale in plaats van functionele indeling van de werkzaamheden ingevoerd: 'de grondgedachte, welke aan de reorganisatie ten grondslag ligt is een versterking van de regionale behandeling van de vraagstukken waarmede het Dept. van Buitenlandse Zaken bemoeienis heeft in verhouding tot de functionele scheiding welke thans in de meeste afdelingen bestaat', aldus de toenmalige secretaris-generaal (SG). (

Code 101, Reorganisatie Departement, deel I, 1948-1950, Aantekening van Bureau S.G. aan prof. Francois, mr. N.S. Blom, mw. Kluyver en dr. Pierson, 24 juni 1949.

) De regionale indeling moest een beter inzicht geven in alle problemen, die binnen een bepaald geografisch omgrensd gebied speelden. De coördinatie van het beleid zou daarmee beter gewaarborgd kunnen worden.

De reorganisatie greep niet in het gehele departement even hard in. De ondersteunende diensten, die onder leiding van een assistent-secretaris-generaal Administratieve Zaken werden gebracht, en de directies Buitenlandse Dienst, Juridische en Administratieve Zaken (omgedoopt tot Algemene Zaken) alsmede de directie Kabinet en Protocol onder rechtstreekse leiding van de SG, bleven min of meer onaangetast. De beleidsdirecties daarentegen, waar de primaire werkprocessen plaatsvonden, werden geheel gereorganiseerd. De taken van de directies Politieke Zaken, Economische Zaken en Verkeer en Grote Rivieren werden bijeengevoegd en waar mogelijk naar regio ingedeeld. Zo kwamen er vier regionale directies tot stand: Europa, Oosten, Afrika en het Midden-Oosten alsmede het Westelijk Halfrond. De taken met betrekking tot mondiaal opererende internationale organisaties als de Verenigde Naties, werden in een afzonderlijke directie ondergebracht: de directie Internationale Organisaties. Om de regio-overschrijdende zaken op verkeersgebied te coördineren kwam er, naar analogie van de juridisch adviseur, een verkeersadviseur (VADV). Aanvankelijk werden de beleidsdirecties samen met de directie Voorlichting Buitenland onder leiding van de assistent secretaris-generaal Politieke Zaken gesteld. Korte tijd later werd deze functiebenaming gewijzigd in directeur-generaal Politieke Zaken.

Aldus kwam er een directoraat-generaal tot stand, dat voorzover het de bilaterale betrekkingen betrof naar regio en voor zover het de multilaterale betrekkingen betrof naar internationale organisaties was ingericht. Na 1950 is op deze hoofdlijn herhaaldelijk inbreuk gepleegd door een meer onderwerps danwel thematische indeling. (

Memorandum 134/87 van chef O&I aan DGPZ, 7 mei 1987. Code 101 O&I DAV 1985-.

) Met betrekking tot een meer gedetailleerde organisatorische ontwikkeling van DGPZ en de overige DG's wordt verwezen naar de desbetreffende hoofdstukken.

Tegelijkertijd met de reorganisatie van 1950 werd overgegaan tot het invoeren van afkortingen voor alle onderdelen van het departement. De toekenning van afkortingen gebeurde volgens een systeem, dat gedurende de gehele onderzoeksperiode is toegepast. (

De ministers, de staatssecretaris, de secretaris-generaal en de regeringscommissaris werden met 1 letter aangeduid, de directeuren-generaal, de assistent-secretaris-generaal en de adviseurs en ambassadeurs met 4 letters, de directies en (hoofd)afdelingen met 3 letters en met 2 letters de bureaus en assistenten / secretarissen van departementsleiding; Code 101 O&I DGPZ/AP, 4e blok, inv.nr. 01, 5 maart 1971.

)

1.3.3 Ontstaan van de andere directoraten-generaal

Sinds de instelling in 1950 is de taakomschrijving van het Directoraat-Generaal Politieke Zaken min of meer dezelfde gebleven. (

Organisatie en reorganisatie, 207.

) Desondanks is er in de organisatiestructuur wel het een en ander veranderd. Er zijn directies bijgekomen, opgeheven en van naam veranderd. Ook zijn er taken van DGPZ naar nieuwe directoraten-generaal overgegaan. Onderstaande afbeelding laat de organisatorische ontwikkeling van het Ministerie van Buitenlandse Zaken op het niveau van directoraten-generaal zien.

1.3.4 Directoraat-Generaal Indonesië(DGIN)

Het directoraat-generaal Indonesië (DGIN) (

Zie verder hoofdstuk 4.

) werd ingesteld met ingang 1 januari 1953.

Aanleiding was de overdracht van de Indonesische aangelegenheden met uitzondering van de culturele betrekkingen (naar OKW), financiële betrekkingen (naar Financiën) en economische betrekkingen (naar EZ) door het Ministerie van Uniezaken en Overzeese Rijksdelen aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het bureau dat tot dan toe de Indonesische zaken bij Buitenlandse Zaken had behandeld, het bureau Indonesië van de Directie Oosten (DOA/IN), werd voor de behandeling van deze taken uitgebouwd tot directoraat-generaal. Toen de betrekkingen met Indonesië geleidelijk aan normaliseerden en de administratieve taken naar andere departementen, waaronder Binnenlandse Zaken, konden worden overgeheveld, werd in 1964 besloten DGIN op te heffen en de overblijvende taken deels bij DGPZ en deels bij de S-sector (

Met de S-sector wordt bedoeld: de direct onder de Secretaris-Generaal ressorterende afdelingen en directies.

) onder te brengen. (

A.M. van der Togt, Het ministerie van Buitenlandse Zaken in een veranderende wereld. Organisatorische aspecten van de vorming van het buitenlandse beleid 1945-1974 (Ongepubliceerde doctoraal-scriptie Nieuwe Geschiedenis, KU Nijmegen 1984) 48.

)

1.3.5 Directoraat-Generaal Economische en Militair Hulpprogramma (DGEM)

Het directoraat-generaal voor het Economische en Militaire Hulpprogramma (DGEM) (

Zie verder hoofdstuk 4.

), opgericht in september 1952, kwam voort uit het regeringscommissariaat voor het Economische en Militaire Hulpprogramma. De instelling hiervan was een rechtstreeks gevolg van de Marshall-hulp en de coördinatie die die hulp behoefde. Toen dit directoraat-generaal in 1958 werd opgeheven, werden de overblijvende taken verdeeld over DGPZ en het nieuw opgerichte directoraat-generaal Europese Samenwerking (DGES). DGPZ kreeg de taken van de DGEM-directie Militaire Aangelegenheden (DMA) en paste deze in in de directie NAVO- en WEU-zaken. De taken van de andere DGEM-directie, de directie Economische Aangelegenheden (DMA), gingen naar het directoraat-generaal Europese Samenwerking.

1.3.6 Directoraat-Generaal Europese Samenwerking (DGES)

De ondertekening in 1957 van de verdragen van Rome (verdragen met betrekking tot de instelling van de EEG en Euratom) waren voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken aanleiding tot een herschikking van de taken die waren ondergebracht bij DGEM en DGPZ. De expansie van de Europese samenwerking, die vanaf 1950 onder de vleugels van het DGPZ had plaatsgevonden, werd geïnstitutionaliseerd in het directoraat-generaal Europese Samenwerking (DGES). Onderdelen van de DGPZ-directies Westelijke Samenwerking (bureau Raad van Europa en bureau Integratie Europa) en Europa (bureau Benelux), alsmede het bureau Atoomzaken werden ondergebracht bij het DGES dat gecompleteerd werd met de directie Economische Aangelegenheden van het opgeheven DGEM.

1.3.7 Directoraat-Generaal Internationale Samenwerking (DGIS)

Secretaris-Generaal van Tuyll meende al in januari 1962 dat er 'een krachtige organisatorische opzet' geschapen moest worden om de leidende en coördinerende positie van het departement, zowel interdepartementaal als internationaal, op het terrein van de ontwikkelingssamenwerking te verzekeren. (

Van der Togt, 90.

) Met het aantreden in november 1963 van staatssecretaris Diepenhorst, belast met de hulpverlening aan minder ontwikkelde landen, werd tevens een begin gemaakt met het scheppen van een georganiseerd kader waarbinnen die hulpverlening zou plaatsvinden. In april 1964 werd het Directoraat-Generaal Internationale Samenwerking ingesteld. Voor die datum werden ontwikkelingsvraagstukken bij DGES en bij DGPZ behandeld. Bij DGPZ gebeurde dat bij de directie Internationale Organisaties (DIO). Deze directie ging geheel over naar DGIS (de chef werd directeur-generaal van DGIS), met dien verstande dat de directeur-generaal Politieke Zaken verantwoordelijk bleef voor de eenheid van het politieke beleid.

Het bureau Internationale Technische Hulp (ITH), dat als interdepartementaal bureau onder de instructies van de Commissie ITH in 1951 bij DIO was gekomen, werd nu als directie Technische Hulp bij DGIS ondergebracht. Het in 1963 ingestelde Jongeren Vrijwilligers Programma (JVP) werd aan de directie Technische Hulp toegevoegd. De taken van DGES op het terrein van de ontwikkelingshulp betroffen voornamelijk de OESO. Deze taken werden niet overgedragen. Gekozen werd voor een tussenoplossing waarbij de directie Economische Samenwerking van DGES een personele unie vormde met de nieuwe directie Financieel-Economische Ontwikkelingshulp (DFO) van DGIS. Deze situatie zou voortduren tot 1967.

1.4 De doelstelling van het Ministerie van Buitenlandse Zaken

Bepalend voor de taakinhoud van een ministerie is de algemene beleidsdoelstelling van dat ministerie. Veranderingen in de algemene beleidsdoelstelling kunnen dientengevolge veranderingen in de taken tot gevolg hebben. Hoewel er bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken wijzigingen in de algemene beleidsdoelstelling zijn geweest, waren zij niet van dien aard, dat zij hebben geleid tot wijzigingen in de taken. In organisatorisch opzicht hebben wijzigingen in de beleidsdoelstellingen wel tot aanpassingen geleid, zoals bijvoorbeeld in 1972 toen bij de directie Economische Samenwerking een assistent milieuzaken werd aangesteld. Deze organisatorische aanpassingen worden in de desbetreffende hoofdstukken behandeld.

Sinds 1953 is de doelstelling van Buitenlandse Zaken in de grondwet opgenomen. Deze luidt: 'het bevorderen van de ontwikkeling van de internationale rechtsorde'. (

Grondwet 1953, artikel 58. Gepubliceerd in: Staatsblad (1953) 295.

) Tot die tijd had het ministerie geen andere doelstelling dan het bestuur der internationale betrekkingen in het kader van de ministeriële verantwoordelijkheid.

1.5 De taken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken

De taken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken zijn tot nu toe in zeer algemene bewoordingen aan de orde geweest: de voorbereiding en, na vaststelling, de uitvoering van het Nederlandse buitenlandse beleid. Het wordt tijd om wat dieper op de taak of de taken van het ministerie in te gaan.

Eerst zijn echter om begripsverwarring te voorkomen enkele opmerkingen over het gebruik van het begrip 'taak' op z'n plaats. In deze paragraaf wordt het begrip in de meest algemene zin gebruikt, namelijk om de taken van het ministerie als geheel weer te geven. In de hoofdstukken betreffende de verschillende onderzoeksgebieden wordt 'taak' gebruikt om de werkzaamheden van de betreffende organisatie-eenheden aan te duiden.

In eenvoudige termen kan het maken van beleid omschreven als het verzamelen en bestuderen van informatie, het maken van keuzes en het bepalen van een standpunt gerelateerd aan de doelstelling, waaraan vervolgens uitvoering wordt gegeven. Dit is dan ook in grote lijnen wat er bij de beleidsdirecties van het Ministerie van Buitenlandse Zaken gebeurt. Een belangrijk deel van hun taak betreft:

  1. Het volgen van de (inter-)nationale ontwikkelingen
  2. Het formuleren van een Nederlands standpunt ten aanzien van die (inter-)nationale ontwikkelingen
  3. Het uitdragen van dat Nederlands standpunt ten aanzien van die (inter-)nationale ontwikkelingen.

Maar het ontwikkelen en tot uitvoering brengen van het buitenlands beleid is uiteraard niet de enige taak. Omdat het ministerie in beginsel alle buitenlandse zaken van Nederland behandelt, heeft het naast een beleidsmatige taak ook een dienstverlenende taak ten aanzien van de Nederlandse samenleving, zowel in het buitenland als in Nederland zelf. Hiertoe behoren het uitvoeren van Nederlandse wetgeving, de zorg voor Nederlanders in het buitenland en het voorlichten over Nederland in het buitenland.

Om deze twee taken naar behoren uit te kunnen voeren, verricht het ministerie een derde taak, namelijk 'het onderhouden van betrekkingen met het buitenland'. Hiertoe zijn onder andere de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland opgericht: de Permanente Vertegenwoordigingen bij internationale organisaties ten behoeve van de multilaterale betrekkingen en de ambassades ten behoeve van de bilaterale betrekkingen. In Nederland zelf worden contacten onderhouden met de vertegenwoordigingen van het buitenland in Nederland. Verder zijn inkomende en uitgaande staatsbezoeken middelen om betrekkingen te onderhouden.

Ook de vierde taak, de coördinerende taak, die voortvloeit uit de verantwoordelijkheid van de minister van Buitenlandse Zaken voor de eenheid van het buitenlandse beleid, loopt dwars door de beleidsmatige en dienstverlenende taak heen. Dat deze coördinatietaak door Buitenlandse Zaken niet licht wordt opgevat, mag blijken uit een memorandum uit 1956 van de secretaris-generaal, waarin hij schrijft dat `Buitenlandse Zaken in beginsel voonamelijk werk verricht van coördinerende aard'. (

Code 101 Taakinventarisatie rijksoverheid, memorandum van mr.S.J. Baron van Tuyll van Serooskerken aan de minister en de staatssecretaris, 6 maart 1956.

)

1.6 De handelingen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken

Uit het voorgaande zal duidelijk geworden zijn dat genoemde vier taken (beleidsvoorbereiding en -uitvoering, dienstverlening, onderhouden van betrekkingen en coördinatie) een breed spectrum van werkzaamheden omvatten. Deze lopen uiteen van bij wijze van spreken het beantwoorden van een verzoek van een burger om informatie (dienstverlening) tot het voorbereiden van zwaarwegende politieke beslissingen; van het bezoeken van recepties (onderhouden betrekkingen) tot het voorzitten van interdepartementale coördinatiecommissies (coördinatie) etc. De beschrijving van deze werkzaamheden moet op een dusdanige eenduidige manier worden geordend en gepresenteerd, dat in een volgende stap bepaald kan worden welke bestanddelen van de neerslag van die werkzaamheden voor blijvende bewaring en voor overbrenging naar het Nationaal Archief in aanmerking komen. Er is daarom een ordenend principe, een eenheid van beschrijving, nodig. Hiertoe is het begrip 'handeling' geïntroduceerd. Hieronder wordt verstaan: één of meer samenhangende activiteiten die door een actor op grond van zijn taken en/of bevoegdheden ten aanzien van een andere actor worden verricht en die resulteren in een dienst of een product aan die andere actor. De volgende hoofdstukken bevatten steeds een beschrijving van organisatie- en taakontwikkeling van de onderscheiden onderdelen van het ministerie, alsmede een lijst van handelingen die daar verricht worden. Ter bevordering van de overzichtelijkheid wordt bij de beleidsdirecties telkens per directie aangegeven welke handelingen voorkomen. Voorts zijn alle handelingen voorzien van een nummer. Dit vereenvoudigt het terugvinden van handelingen bij het opstellen van een selectielijst (het zgn. Basisselectiedocument of BSD), alsmede de praktische toepassing in de selectiefase zelf.

Veel formele handelingen zullen voor veel beleidsdirecties hetzelfde blijken te zijn. Verschil bestaat dan alleen in het te behandelen onderwerp of regio, hetgeen voor de uiteindelijke selectie geen relevant onderscheid is. Vanwege hun algemeenheid zijn die handelingen hieronder gegroepeerd.

Hetzelfde geldt voor de verschillende typen commissies. Sommige handelingen worden exclusief door één bepaalde directie uitgevoerd. Deze handelingen staan bij de beschrijvingen van de diverse organisatieonderdelen vermeld en zijn ook in het Basis Selectie Document opgenomen. Bij de 'exclusieve' handelingen van de organisatieonderdelen staat ook een opsomming van de voor dat organisatieonderdeel geldende 'algemene handelingen'.

Hoofdstuk 2 De actoren op het beleidsterrein buitenlands beleid en ontwikkelingssamenwerking
2.1 Inleiding

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is niet het enige overheidsorgaan met taken en bemoeienissen op het terrein van het buitenlands beleid en ontwikkelingssamenwerking. Diverse andere ministeries en organen begeven zich vanuit hun specifieke taken op buitenlands terrein. In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van die instellingen, verder genoemd 'actoren', die zich op het beleidsterrein buitenlands beleid bewegen alsook van de onderlinge relaties tussen deze 'actoren'.

2.2 De regering

Volgens de grondwet berust de wetgevende macht bij de regering (Koning (

In deze tekst wordt gebruikt gemaakt van de staatsrechtelijke term "Koning", ook als duidelijk is dat H.M. de Koningin bedoeld wordt.

) en alle ministers) en de Staten-Generaal (art. 81 GW). De uitvoerende macht is opgedragen aan de regering (art. 42 GW). De rechtsprekende macht, die hier verder buiten beschouwing wordt gelaten, wordt uitgeoefend door de rechterlijke macht.

Onder de uitvoerende macht wordt alles verstaan wat niet tot de wetgevende of rechtsprekende macht behoort, zoals uitvoering van wetten en het bestuur. Deze taken zijn opgedragen aan de regering. De Koning is voor zijn daden niet verantwoordelijk, hij is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk, zowel voor de rechtmatigheid als de doelmatigheid van de daden van de regering. (

De ministeriële verantwoordelijkheid (art. 42 Grondwet) omvat: - strafrechtelijke verantwoordelijkheid (Grondwetsherziening van 1840: de ministers zijn verantwoordelijk voor de rechtmatigheid van daden van de regering); - civielrechtelijke verantwoordelijkheid (niet bij wet geregeld: de ministers moeten persoonlijk de financiële gevolgen dragen voor de schade de zij zelf of hun medewerkers door verkeerde handelingen aan het Rijk hebben toegebracht); - politieke of staatkundige verantwoordelijkheid (Grondwetsherziening van 1848: minister is verantwoordelijk voor de doelmatigheid van het doen en laten van de regering).

) Het formele overleg tussen de Koning en de minister(s) over regeringsaangelegenheden verloopt via het Kabinet van de Koning. (

W. van der Pot, Handboek van het Nederlandse staatsrecht (12e druk, Zwolle 1989) 374.

)

De ministers vormen samen de ministerraad onder voorzitterschap van de minister-president, die tevens minister van Algemene Zaken is. Aan het overleg in deze raad kan door staatssecretarissen worden deelgenomen wanneer het gaat om onderwerpen waarbij zij vanuit hun beleidsterrein rechtstreeks zijn betrokken. De taak van de ministerraad wordt vastgesteld bij ministerieel besluit. Samen met de staatssecretarissen vormt de ministerraad het kabinet. In de ministerraad wordt het algemeen regeringsbeleid besproken en vastgesteld. De ministerraad dient daarbij te waken voor eenheid van het beleid (art. 44 lid 3 GW). In het Reglement van Orde van de ministerraad (art. 4 lid 2) staat een aantal zaken opgesomd waarover de ministerraad in ieder geval beraadslaagt en besluiten neemt. (

Reglement van orde van de Ministerraad. Besluit van 16 mei 1979', in: Parlement en Kiezer, 63 (Den Haag 1981) 67.

) Naast aangelegenheden zoals wetsontwerpen, ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur en nota's aan de Staten-Generaal van mogelijk groot politiek en financieel belang, worden er onderwerpen behandeld die specifiek van toepassing zijn op het buitenlands beleid. De ministerraad beraadslaagt en besluit:

  • lid 2 b: 'over overeenkomsten met andere mogendheden en met volkenrechtelijke organisaties alvorens deze ter stilzwijgende goedkeuring aan beide Kamers der Staten-Generaal worden toegezonden'
  • lid 2 h: 'over belangrijke onderwerpen het buitenlands beleid betreffende, daaronder begrepen het in internationaal verband doen van of instemmen met voorstellen, die van aanmerkelijke invloed kunnen zijn op de geldende rechtsorde, verplichtingen van blijvende aard ten gevolge kunnen hebben, dan wel de Nederlandse Antillen raken'
  • lid 2 i: 'over aan delegaties dan wel aan vertegenwoordigers in het buitenland te verstrekken instructies, alsmede over de samenstelling van delegaties, een en ander voor zover het van belang is de Raad hierin te kennen' (

    ibidem.

    )
    .

Lid h en i zijn voor meerdere uitleg vatbaar. Immers, wie bepaalt wat 'belangrijk' of 'van belang' is?

De wetgever heeft met art. 5 van het Reglement van Orde geprobeerd dit te ondervangen: in die gevallen waarin niet duidelijk is of een aangelegenheid het algemeen regeringsbeleid raakt, dient de minister overleg te plegen met de minister-president. Als zij het samen niet eens kunnen worden, wordt de kwestie in ieder geval in de ministerraad gebracht.

2.3 De Koning

Als staatshoofd van het Koninkrijk der Nederlanden heeft de Koning taken die het terrein van de buitenlandse betrekkingen betreffen. Eén daarvan is het ontvangen van hoofden van buitenlandse diplomatieke missies ter gelegenheid van het aanbieden van hun geloofsbrieven of ter gelegenheid van hun afscheid. Andersom geeft de Koning de geloofsbrieven die Nederlandse diplomaten aan de staatshoofden in hun standplaats aanbieden af. Voorts ontvangt hij staatshoofden van andere landen en legt hij zelf staatsbezoeken af. Bij de beslissing over het al dan niet ontvangen van of ingaan op een uitnodiging voor een staatsbezoek is hijzelf, de minister-president en de minister van Buitenlandse Zaken betrokken. Aan de minister van Buitenlandse Zaken is in beginsel de uiteindelijke beslissing over het al dan niet ingaan op een uitnodiging (voorbeeld: het staatsbezoek aan de Volksrepubliek China in 1989 werd na de studentenopstand geannuleerd). Hij is ook degene die, als politiek verantwoordelijk minister, de Koning begeleidt bij het afleggen van staatsbezoeken. Het staatsbezoek is voornamelijk een representatieve aangelegenheid, bedoeld om de goede betrekkingen tussen twee landen te onderstrepen. Het optreden van de Koning op het terrein van het buitenlands beleid is voornamelijk ceremonieel van karakter.

De Koning wordt in zijn taken bijgestaan door het Kabinet van de Koning. Het Kabinet treedt op als intermediair tussen de Koning en de verschillende ministeries. Binnen het Ministerie van Buitenlandse Zaken is de Directie Kabinet en Protocol belast met het onderhouden van de contacten met het Kabinet van de Koning.

2.4 De minister-president

De positie van de minister-president (

In 1983 is aan het ambt van minister-president een grondwettelijke basis verschaft (art. 43, 45 en 48 gw 1983). Hiermee werd een feitelijk verworven positie vastgelegd.

) heeft zich in de praktijk ontwikkeld van 'primus inter pares' tot een soort regeringsleider, zij het niet tot een regeringsleider als de Britse Prime Minister of de Duitse Bundeskanzler. (

Overigens verschillen de bevoegdheden van de Europese regeringsleiders onderling. België en Italië wijken niet sterk af van Nederland en het 'dubbele' Franse optreden (president en premier nemen deel aan de Europese Raad) vertoont ook weer een ander beeld. Rozemond, Regeringsleider, 6.

)
De facto treedt hij echter wel op als regeringsleider. Aan deze ontwikkeling heeft de invulling van het voorzitterschap van de ministerraad door de opeenvolgende minister-presidenten bijgedragen; de minister-president is tenslotte verantwoordelijk voor de gang van zaken in de ministerraad alsook voor het algemeen regeringsbeleid.

Omdat de functie van minister-president nu eenmaal de enige functie in Nederland is die vergelijkbaar is met die van een buitenlandse regeringsleider, is hij ook degene die voor bepaalde internationale fora uitgenodigd wordt. Zo krijgt hij, net als staatshoofden en andere regeringsleiders, tijdens de jaarlijkse zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties de gelegenheid een toespraak te houden. Ook in het kader van de NAVO worden er op het niveau van staatshoofden en regeringsleiders bijeenkomsten georganiseerd. Voorts worden staatshoofden en regeringsleiders uitgenodigd voor tal van internationale conferenties en bijeenkomsten van andere aard, niet in de laatste plaats om het gewicht van die bijeenkomsten te vergroten of een bepaald karakter te verlenen.

De huidige positie van de minister-president is uiteraard niet uit de lucht komen vallen, maar is een gevolg van een aantal ontwikkelingen die zich in de periode 1945-1990 hebben voorgedaan. Enerzijds is dit een gevolg van ressortvervaging waar het het terrein van buitenlands beleid betreft (het aantal actoren is in de loop van de tijd immers toegenomen) en anderzijds traden er externe ontwikkelingen op die internationaal optreden van de minister-president vereisten, vooral in multilateraal verband, waar voorheen de minister van Buitenlandse Zaken alleen acte de presence gaf.

Een andere taak van de minister-president op het terrein van de buitenlandse betrekkingen betreft staatsbezoeken en officiële bezoeken. (

Staatsbezoek: bezoek van een staatshoofd op uitnodiging van een ander staatshoofd. Officieel bezoek: bezoek van een staatshoofd of regeringsleider op uitnodiging van de minister-president.

) Bij uitgaande staatsbezoeken neemt hij alleen deel aan het gemeenschappelijk overleg tussen de Koning, de minister-president en de minister van Buitenlandse Zaken. Bij inkomende staatsbezoeken speelt hij ook tijdens het bezoek zelf een rol: met de Koning en de minister van Buitenlandse Zaken is hij aanwezig bij ontvangst en vertrek, zit hij aan bij het galadiner en is hij aanwezig bij tal van andere programmaonderdelen.

In geval van een officieel bezoek is het staatshoofd of de regeringsleider gast van de regering. Op het programma, dat opgesteld wordt door de directie Kabinet en Protocol van Buitenlandse Zaken in overleg met de betreffende ambassade, het Koninklijk Huis en het Ministerie van Algemene Zaken, staan dan in ieder geval een diner en een werkbespreking met de minister-president. Verder is de minister-president met de minister van Buitenlandse Zaken aanwezig bij ontvangst en vertrek.

De minister-president, die in het buitenland gezien wordt als regeringsleider en niet als 'primus inter pares', legt zelf ook officiële bezoeken af. In Nederland is het de gewoonte dat de minister-president, na zijn aantreden, in de eerste plaats de overzeese delen van het Koninkrijk bezoekt en daarna de BENELUX- en andere omringende landen.

De inhoudelijke voorbereiding van een buitenlands bezoek van de minister-president is in handen van de betreffende regionale beleidsdirectie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, waarbij het Kabinet van de minister-president uiteraard intensief is betrokken. Of de minister-president door de minister van Buitenlandse Zaken wordt vergezeld, wordt van bezoek tot bezoek bekeken.

2.5 De relatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken met andere ministeries van algemeen bestuur

De minister van Buitenlandse Zaken is niet (meer) de enige minister die het buitenlands beleid voert. Andere ministers zijn zich meer en meer op dit terrein gaan bewegen. De afkalving van het monopolie van de minister van Buitenlandse Zaken inzake het buitenlands beleid, begon in 1932 met het primaat voor de buitenlandse economische betrekkingen bij de minister van Economische Zaken; het Ministerie van Economische Zaken zou 'in volle omvang en bij uitsluiting' worden belast met de uitvoering van de handelspolitiek en de economische voorlichting. (

Kersten, Nederland en de buitenlandse politiek, 382; Organisatie en Reorganisatie van het Departement van Buitenlandse Zaken ('s-Gravenhage 1950) 97-103. Zie ook J.A. de Bruijn, Economische Zaken. Profiel van een ministerie. Departementale studies, nr. 1 ('s-Gravenhage 1989) 15-16. Het DG Buitenlandse Economische Betrekkingen is opgericht op 11 oktober 1946 en sinds 1947 eerstverantwoordelijke, en dus coördinerende instantie, voor het buitenlands economisch beleid (voortvloeiende uit de algemene verantwoordelijkheid van de minister van Economische Zaken voor de ontwikkeling van de Nederlandse economie).

)

Tot aan de Tweede Wereldoorlog hebben de andere departementen, behalve Sociale Zaken, zich nooit zoals Economische Zaken een eigen verantwoordelijkheid op het terrein van de buitenlandse politiek verworven. Wel kregen zij, als gevolg van de toenemende internationale samenwerking, bepaalde taken op het terrein van de buitenlandse betrekkingen te behandelen. Deze ontwikkeling kent zijn oorsprong in de 19e eeuw toen op verschillende gebieden internationale samenwerking tot stand kwam, zoals met betrekking tot het post- en telegraafverkeer, het auteursrecht, de industriële eigendom, etcetera. Begin 20e eeuw nam deze internationale samenwerking meer en meer toe, bijvoorbeeld ook op de terreinen van het internationaal privaatrecht en de bestrijding van opiummisbruik.

Voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken had deze ontwikkeling tot gevolg dat het genoodzaakt werd om met de verschillende binnenlandse vakdepartementen in overleg te treden. De oprichting van de Volkenbond in 1920 betekende een verdere toename van de interdepartementale contacten.

Voortdurend was overleg nodig: met Sociale Zaken over vraagstukken betreffende de volksgezondheid; met Justitie voor de behandeling van wisselrecht- en nationaliteitskwesties; met Waterstaat voor verkeersaangelegenheden; met Oorlog en Marine voor het ontwapeningsvraagstuk, etcetera. Alleen het departement van Sociale Zaken nam een bijzondere positie in, in die zin dat dit departement, en niet Buitenlandse Zaken, de primaire verantwoordelijkheid droeg voor betrekkingen met de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO). Het statuut van de ILO, dat voorschreef dat de betrokken vakministers rechtstreeks met de organisatie moesten corresponderen en dus niet via Buitenlandse Zaken, was hier debet aan.

Na de Tweede Wereldoorlog zette deze trend zich voort. Het Ministerie van Financiën verwierf zich de zeggenschap over het internationale monetaire beleid. (

Kersten, Nederland in de buitenlandse politiek na 1945, 382. E.H. van der Beugel, Vaststellen en uitvoeren van buitenlandse politiek. Verhouding Buitenlandse Zaken-Vakministeries, Internationale Spectator XXIV (1970) 71.

) Een aantal andere vakdepartementen kreeg de gelegenheid om zelfstandig of samen met Buitenlandse Zaken op internationale fora op te treden door de toenemende Europese samenwerking en integratie. De groeiende wederzijdse afhankelijkheid van de nationale economieën, de internationale aanpak van grensoverschrijdende problemen en de als gevolg van de daardoor ontstane internationale vervlechting van allerlei terreinen van overheidsbemoeienis leidden ertoe dat steeds meer onderwerpen van het binnenlandse beleid op de agenda van het buitenlands beleid kwamen te staan. Om een paar voorbeelden te noemen: het internationale veiligheidsbeleid behoort tevens tot de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Defensie; de zaken die binnen de Europese Gemeenschap behandeld worden vereisen intensieve samenwerking met vakdepartementen als Economische Zaken en Landbouw & Visserij en Milieu; een cultureel buitenlands beleid kan niet gevoerd worden zonder de ministeries van Onderwijs en Wetenschappen en Welzijn, Volksgezondheid & Cultuur; Verkeer en Waterstaat heeft net als Buitenlandse Zaken een taak in de internationale luchtvaart. Kortom, in beginsel bewegen alle ministeries zich op het terrein van het buitenlands beleid. Een Speciaal Adviseur van het Ministerie van Buitenlandse Zaken omschreef deze situatie in een rapport van 1974 aldus: 'het totaal van het buitenlands beleid zou kunnen worden gedefinieerd als het totaal van binnenlandse aangelegenheden overgebracht naar buitenlandse verhoudingen'.

Het gevolg hiervan is dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken zich in een aantal aangelegenheden ontwikkelde van beleidsbepaler tot coördinator, want BZ bleef eerst verantwoordelijke voor de eenheid van het buitenlands beleid, en dat de rol van de Ministerraad door het veelvuldig interdepartementaal overleg groter werd. De spreekwoordelijke uitzondering op de verantwoordelijkheid van Buitenlandse Zaken voor het buitenlands beleid vormt het Ministerie van Economische Zaken, dat nog steeds de verantwoordelijkheid draagt voor het buitenlandse economische beleid. (

De verhouding tussen het ministerie van Buitenlandse Zaken en het ministerie van Economische Zaken met betrekking tot buitenlandse economische en handelspolitieke aangelegenheden staat uitvoerig beschreven in: F.G. Moquette, Van BEP tot BEB. De aanpassing van de bestuurlijke structuren aan de ontwikkelingen van de buitenlandse economische betrekkingen in Nederland sinds 1795 (Leiden 1993).

)

Omdat de minister van Buitenlandse Zaken de eerstverantwoordelijke is voor de eenheid van het buitenlands beleid, kunnen de andere ministeries formeel niet zelfstandig internationaal opereren. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken treedt op als coördinerende instantie. Dat betekent dat overleg plaatsvindt met de vakdepartementen, wanneer het gaat om aangelegenheden die tot hun verantwoordelijkheid behoren en een buitenlands aspect hebben. De aangelegenheden van de diverse vakdepartementen worden op elkaar afgestemd, getoetst aan en ingepast in het buitenlands beleid, zodanig dat in het buitenland een eenduidig Nederlands standpunt kan worden gepresenteerd. Het uitgangspunt van Buitenlandse Zaken daarbij is dat de vakdepartementen op hun eigen 'technische' terrein min of meer vrij spel hebben, maar dat bij politieke implicaties Buitenlandse Zaken het voortouw neemt. (

Code 101, Commissie Interdepartementale Taakverdeling, Missive van de secretaris-generaal van Buitenlandse Zaken aan de secretaris-generaal van Algemene Zaken, 8 september 1970.

)

2.6 Onderraden, ministeriële commissies en voorportalen

Voor een aantal onderdelen van het algemeen regeringsbeleid zijn er onderraden ingesteld: permanente ministeriële commissies, die zich bezighouden met de voorbereiding van onderwerpen die in de ministerraad zullen worden behandeld. (

Aan onderraden, ministeriële commissies en andere coördinatieorganen is een apart institutioneel onderzoek gewijd. Voor een uitgebreid overzicht van die instellingen wordt dan ook naar dat rapport verwezen: L. Hovy, coördinatie op hoog niveau. Institutioneel onderzoek naar de ministeriële coördinatieorganen en de ambtelijke voorportalen, 1945-1990 (Den Haag 1992).

)

Hoewel de onderraden beslissingsbevoegdheden hebben, hebben zij in de praktijk slechts voorbereidende taken en ligt de eindbeslissing bij de ministerraad. (

Reglement van orde van de Ministerraad, artikel 16 en 20.

)

In de onderraden hebben naast de betrokken bewindslieden ook ambtenaren zitting. In de REZ (Raad voor Europese Zaken) heeft bijvoorbeeld de Permanente Vertegenwoordiger van Nederland bij de Europese Gemeenschappen zitting. (

Rozemond, 25.

) Naast de voor onbepaalde tijd ingestelde onderraden zijn er ministeriële commissies, die een in de tijd beperkte en omschreven opdracht hebben.

Ten behoeve van de ambtelijke voorbereiding kennen de onderraden zgn. voorportalen. Dit zijn ambtelijke commissies, die vaak tevens fungeren als interdepartementale coördinatiecommissies: commissies die de werkzaamheden van twee of meer departementen ten aanzien van een bepaald beleidsterrein coördineren.

2.7 Interdepartementale commissies: contacten van BZ met andere departementen op ambtelijk niveau

Interdepartementale commissies worden over het algemeen in het leven geroepen vanuit de behoefte of noodzaak tot overleg en coördinatie, tot het op elkaar afstemmen van het beleid van twee of meer departementen. Vaak vloeit deze noodzaak of behoefte voort uit de normale, dagelijkse, departementale coördinatietaak die het gevolg is van de raakvlakken en overlappingen van het eigen beleidsterrein met dat van andere ministeries. Daarnaast komt het voor dat een minister expliciet als coördinerend bewindspersoon voor een bepaald beleidsterrein of -onderwerp is aangewezen. Hij dient dan de totstandkoming van een gecoördineerd beleid te bevorderen. De instelling van een interdepartementale commissie is daartoe uiteraard een geëigend middel.

Afgezien van het al dan niet aangewezen zijn van een coördinerend bewindspersoon, blijft het een feit dat het beleidsterrein van het Ministerie van Buitenlandse Zaken een beleidsterrein is, dat een groot aantal raakvlakken en overlappingen kent met de overige ministeries. Het departement beschouwt zichzelf ook als een ministerie dat 'in beginsel voornamelijk werk verricht van coördinerende aard'. (

Code 101, Taakinventarisatie bij de Rijksoverheid, Memorandum van de Secretaris-Generaal aan de Minister en de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken inzake de Taakinventarisatie der Rijksoverheid, 6 maart 1956. Twintig jaar later in een rapport van de Commissie van Advies voor de Integratie is het element 'coördinatie' opgenomen in de algemene taakomschrijving van het ministerie: 'Het Departement (...) is belast met de voorbereiding, coördinatie en uitvoering van het buitenlands beleid'. Departement van Buitenlandse Zaken, Rapport van de Commissie van Advies voor de Integratie ('s-Gravenhage, 30 oktober 1976) 10.

)

2.8 De Staten-Generaal

'De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk', aldus artikel 50 van de Grondwet. Omdat de regering voor haar beleid verantwoording dient af te leggen aan de volksvertegenwoordiging, spelen de Staten-Generaal een belangrijke rol in het bestuur van Nederland. Het is hun taak de regering te controleren.

Voor een groot aantal beleidsterreinen zijn zowel in de Eerste als in de Tweede Kamer van de Staten-Generaal zogenaamde Vaste kamercommissies ingesteld. De beleidsterreinen van deze commissies vallen samen met die van de departementen van Algemeen Bestuur. (

Eerste Kamer: Reglement van Orde (RvO) van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, 14 november 1967, art. 52. Tweede Kamer: Reglement van Orde voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal, 12 juli 1966, gewijzigd 18 september 1968, art. 30.

) Vaste kamercommissies op het beleidsterrein van Buitenlandse Zaken zijn onder meer die van Buitenlandse Zaken, Ontwikkelingssamenwerking en EG-zaken. Deze commissies kunnen met de minister in schriftelijk of mondeling overleg treden. (

RvO Eerste Kamer, art. 61 en art. 63 lid 2.

)

Volgens de Grondwet moeten internationale overeenkomsten ter goedkeuring aan de Staten-Generaal worden voorgelegd. De goedkeuring kan zowel stilzwijgend als uitdrukkelijk worden verleend. Willen de Staten-Generaal dat de overeenkomst aan de uitdrukkelijke goedkeuring wordt onderworpen, dan doet de voorzitter van de Kamer hiervan mededeling aan de minister van Buitenlandse Zaken. (

RvO Eerste Kamer, art. 76-81. RvO Tweede Kamer, art. 100-105.

)

2.9 Het Ministerie van Buitenlandse Zaken

Het regeringsbeleid wordt voorbereid op de departementen van Algemeen Bestuur. Aan het hoofd van elk van deze departementen staat een minister (art. 44 lid 1 GW). De minister van Buitenlandse Zaken heeft de leiding over het departement, of ministerie (

hoewel sinds 1983 de officiële term 'ministerie' is, worden de termen departement en ministerie nog altijd door elkaar gebruikt. Op het Ministerie van Buitenlandse Zaken reserveert men de term departement voor het centrale apparaat in Den Haag. Met het ministerie worden tevens de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland aangeduid. In dit rapport is deze terminologie overgenomen. De term departement, ter aanduiding van het ministerie in Den Haag en de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland, is vanaf 1 januari 1971 tot en met 1983 in gebruik geweest.

), van Buitenlandse Zaken en de vertegenwoordigingen in het buitenland en is verantwoordelijk voor het buitenlands beleid (art. 42 lid 2 GW). De ambtelijke leiding van het ministerie berust bij de secretaris-generaal. Het ministerie ondersteunt de minister bij de voorbereiding en uitvoering van het buitenlands beleid.

In z'n algemeenheid kan de taak van het Ministerie van Buitenlandse Zaken worden omschreven als de voorbereiding en uitvoering van het buitenlandse beleid. De vaststelling van het beleid gebeurt, zover dit het algemene regeringsbeleid raakt, in de ministerraad. Voor de overige beleidsvaststelling draagt de minister zelf de verantwoordelijkheid, 'voor zover geen beleid wordt geraakt waarvoor andere ministers de eerste verantwoordelijkheid dragen'. (

De regering in een Memorie van Antwoord van 6 december 1979 betreffende de Grondwetsherziening van bepalingen inzake de buitenlandse betrekkingen: "Met inachtneming van de hun toegewezen taken zijn de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking de eerste verantwoordelijken voor het buitenlandse beleid, dat wil zeggen voor zover geen beleid wordt geraakt waarvoor andere ministers de eerste verantwoordelijkheid dragen". Tweede Kamer der Staten-Generaal, Zitting 1979-1980, 15 049, nr.7, p. 2.

) Tot de taken van de minister van Buitenlandse Zaken behoren het behartigen van de Nederlandse belangen in het buitenland, het behartigen van de belangen van Nederlandse onderdanen in het buitenland, het voldoen aan internationale verplichtingen en het bevorderen van de internationale rechtsorde. Hoe deze taak in de praktijk wordt vervuld zal in de volgende hoofdstukken aan de orde komen.

2.10 Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland

Strikt genomen zijn de vertegenwoordigingen van het Koninkrijk der Nederlanden in het buitenland geen afzonderlijke actoren. Zij maken deel uit van het ambtelijk apparaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Verspreid over de hele wereld verrichten zij werkzaamheden ten behoeve van de beleidsvoorbereiding en voeren zij beleid uit dat op het departement in Den Haag wordt gemaakt. Het zijn vooruitgeschoven posten van het departement.

Na 1945 hebben de vertegenwoordigingen in het buitenland een snelle ontwikkeling doorgemaakt. Door 'de toename van overheidstaken, de toename van het aantal onafhankelijke landen, de intensivering van de internationale samenwerking, het ontstaan van belangrijke multilaterale overleggen samenwerkingsvormen (EG, VN, NAVO, Raad van Europa etcetera), de toename van de ontwikkelingssamenwerking en het steeds belangrijker worden van economische en commerciële taken' namen zij sterk toe zowel in aantal als in omvang. (

Aantekening van de minister van Buitenlandse Zaken aan de Tweede Kamer, Bijlagen Tweede Kamer, 1986-1987, 20 022, nr. 1, p. 4.

) De Nederlandse vertegenwoordigingen kunnen in drie categorieën worden onderscheiden, namelijk multilaterale diplomatieke vertegenwoordigingen, bilaterale diplomatieke vertegenwoordigingen en consulaire vertegenwoordigingen. (

Zie voor een uitgebreid overzicht hoofdstuk 7 van dit rapport.

)

De posten vertegenwoordigen het gehele Koninkrijk. Zij ontvangen hun instructies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en sinds het concordaat van 26 juli 1950 tussen Buitenlandse Zaken en Economische Zaken tevens van het Directoraat-Generaal Buitenlandse Economische Betrekkingen. Sinds 1955 ontvangen de posten ook instructies van de Economische Voorlichtingsdienst (EVD). (

Van der Togt, 32.

) De instructies afkomstig van de andere ministeries gaan via het departement van Buitenlandse Zaken naar de posten.

In beginsel zijn de ambtenaren werkzaam op een vertegenwoordiging van Nederland in het buitenland in dienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Dit geldt echter niet voor een aantal gespecialiseerde functies met betrekking tot militaire en agrarische aangelegenheden. Die worden vervuld door ambtenaren van de ministeries van Defensie en van Landbouw & Visserij. Ook andere ministeries kennen, zij het in bescheidener mate dan Defensie en L&V, dergelijke functionarissen.

2.11 Externe adviescommissies

Een externe adviescommissie is een beleidsvoorbereidend orgaan waarvan de helft of meer dan de helft van de leden bestaat uit niet-ambtenaren (

De hier bedoelde niet-ambtenaar, kan wel ambtenaar in de zin der wet zijn, maar niet een ambtenaar tot wiens functie het behoort om de minister onder wie hij of zij ressorteert te adviseren over de problematiek waarvoor het adviesorgaan is ingesteld. Algemene Aanwijzingen voor de Rijksdienst inzake externe adviesorganen en inzake interdepartementale commissies (Staatsuitgeverij, april 1987) art. 1.2.

) en dat tot taak heeft de regering of één of meer ministers te adviseren omtrent het te voeren beleid. Deze commissies worden ingesteld door de minister(s) van het beleidsterrein(en) waarop de commissie opereert.

Het oudste adviescollege op het terrein van het buitenlands beleid is de Staatscommissie voor de te nemen maatregelen ter bevordering der codificatie van het internationaal privaatrecht. Dit college, ingesteld in 1897 bij Koninklijk Besluit, adviseert de ministers van Buitenlandse Zaken en Justitie over het internationaal privaatrecht.

2.12 Vormen van gouvernementele internationale samenwerking

Zoals hierboven al enige malen vermeld, is het Nederlands buitenlands beleid na de Tweede Wereldoorlog in toenemende mate georiënteerd op samenwerkingsverbanden met meerdere landen. Naast bilaterale betrekkingen, tussen twee staten, kwamen er multilaterale betrekkingen, tussen meerdere staten, tot stand. De multilaterale samenwerking kreeg gestalte in vele internationale verbanden. In deze verbanden is een aantal typen te onderscheiden:

  • Conferenties: Een vorm van internationale samenwerking speelt zich af binnen conferenties. Een conferentie is een tijdelijke samenwerkingsvorm, die bijeen wordt geroepen om een bepaald onderwerp te behandelen, waarbij het de opzet is door die samenwerkingsvorm een door alle partijen te accepteren resultaat te bereiken. Voorbeelden van conferenties zijn: Ontwapeningsconferentie te Genève en de Intergouvernementele Groep voor Indonesië (IGGI).
  • Intergouvernementele organisaties: Organisaties die geen eigen bevoegdheden hebben tegenover de verdragsluitende staten. Beslissingen kunnen slechts worden bereikt wanneer alle partners daarmee instemmen. Voorbeelden zijn: de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de Verenigde Naties.
  • Supranationale organisaties: Organisaties die eigen bevoegdheden hebben met betrekking tot wetgeving, rechtspraak en bestuur, waaraan de verdragsluitende landen zijn onderworpen. (

    De mogelijkheid om bevoegdheden aan volkenrechtelijke organisaties over te dragen is neergelegd in art. 92 van de Grondwet: bij of krachtens verdrag kunnen aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen.

    )
    Een voorbeeld van een supranationaal samenwerkingsverband is de Europese Gemeenschap (EG).

Voor het Nederland buitenlands beleid zijn internationale organisaties een platform om het Nederlands standpunt met betrekking tot diverse aangelegenheden uit te dragen en de Nederlandse belangen zo goed mogelijk te behartigen. Op welke wijze dat gebeurt en hoe groot de Nederlandse invloed is verschilt van organisatie tot organisatie en is afhankelijk van de rol, samenstelling, taak en structuur van de betreffende organisatie en het belang dat Nederland aan zo'n organisatie hecht. Er is immers in de praktijk van het besluitvormingsproces van een organisatie verschil tussen een intergouvernementele instelling (waarbij voor besluitvorming consensus nodig is) of een supranationale (besluitvorming bij meerderheid van, al dan niet gewogen, stemmen).

2.13 Particuliere (inter-)nationale organisaties

Op het terrein van het buitenlandse beleid is een groot aantal internationale en nationale particuliere organisaties actief. Een aantal van deze organisaties, ook genoemd NGO's (niet-gouvernementele organisaties), wordt betrokken bij de beleidsvoorbereiding en/of uitvoering. Voorbeelden hiervan zijn de ontwikkelingsorganisaties NOVIB en ICCO, die werkzaam zijn op het beleidsterrein van het directoraat-geneneraal Internationale Samenwerking, en die in sommige gevallen beschouwd kunnen worden als uitvoerders van het DGIS-beleid.

Daarnaast zijn er nog een heleboel andere particuliere organisaties actief op (delen van) het terrein van het buitenlands beleid. Een opsomming geven van deze organisaties is een ondoenlijke zaak. In de eerste plaats omdat het een sterk wisselend bestand is en in de tweede plaats omdat het vrijwel onmogelijk is eenduidige criteria aan te leggen welke organisaties wel en welke organisaties niet opgenomen zouden moeten worden. Desalniettemin kunnen hier wel enkele voorbeelden genoemd kunnen worden: Amnesty International, Greenpeace, Artsen zonder Grenzen, Wereldwinkels, IKV, Centrum voor Informatie en Documentatie over Israël, Medisch Comité Nederland Vietnam etc.

Hoofdstuk 3 Het Departement van Buitenlandse Zaken 1945-1950

In dit hoofdstuk worden de taak- en organisatieontwikkeling van het departement in de periode 1945-1950 beschreven. De in kwantiteit wisselende omschrijving van taken die door de diverse directies en bureaus die in dit hoofdstuk staan beschreven werden uitgevoerd vind zijn oorzaak vooral in de mate waarin informatie beschikbaar is. Zeker ten opzichte van jongere periodes werd in de eerste jaren na de oorlog weinig omtrent de gekozen organisatievormen en de overwegingen die daar aan ten grondslag lagen op papier gesteld. De ondersteunende taken en afdelingen zullen zo veel mogelijk buiten beschouwing blijven. (

Zie opmerking in inleiding.

)

3.1 Organisatieontwikkeling 1945-1950

Na de reorganisatie van 1950 laat de departementale, 'Haagse' organisatie zich verdelen in directoraten-generaal (uiteindelijk drie) en de zgn. 'S-sector' (rechtstreeks ressorterend onder de secretaris-generaal) waar onder andere beleidsadviseurs en ondersteunende eenheden deel van uitmaakten. Vóór 1950 is een dergelijk onderscheid niet te maken. Van directoraten-generaal was überhaupt nog geen sprake; de directies ressorteerden alle rechtstreeks onder de secretaris-generaal. Ondersteunende taken en beleidsvormende taken waren nog niet nadrukkelijk organisatorisch gescheiden. De secretaris-generaal beschikte niet, zoals nadien het geval werd, over een 'assistent' of 'plaatsvervanger', onder wie later een aantal ondersteunende taken zou komen te ressorteren (de zgn. 'PLVS-sector', ressorterend onder de plaatsvervangend secretaris-generaal).

De Londense periode van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (1940-1945) valt buiten het kader van dit onderzoek. (

Zie voor een gedetailleerde beschrijving van deze periode Kersten, Buitenlandse Zaken in ballingschap.

) De beschrijving in dit rapport begint bij de reorganisatie en daaropvolgende terugkeer naar Den Haag in respectievelijk juli en augustus 1945.

Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog was bij Buitenlandse Zaken het plan opgevat de voorbereiding van het buitenlandse beleid grotendeels binnen één directie te doen plaatsvinden. Binnen deze directie zou een aantal bureaus zijn werkzaamheden op bepaalde regio's richten. Dit idee was blijkbaar zijn tijd teveel vooruit. Per 1 juli 1945 kwam een functionele indeling van de beleidsvormende onderdelen van de departementale organisatie tot stand. Dit kwam duidelijk tot uitdrukking in de instelling van een Directie Politieke Zaken (DPZ) en een Directie Economische Zaken (DEZ). DPZ was de opvolger van de Afdeling Diplomatieke Zaken, die in 1945 werd opgeheven.

Ook de instelling van de nieuwe Directie van Verkeer en Rivieren (met twee onderafdelingen) en van de Directie Administratieve en Juridische Zaken (JAZ) komt voort uit het, ook in de Londense periode, gehanteerde functionele model. DEZ en de Directie Verkeer en Rivieren kwamen beide voort uit de Afdeling Consulaire en Handelszaken die in 1945 werd opgeheven. Een uitzondering op dit model vormde de Directie Duitsland, die uit twee secties bestond en overigens in 1946 weer werd opgeheven. Nieuw was ook de Directie Voorlichting Buitenland (DVB), waarvan de Regeringsvoorlichtingsdienst de voorloper was. DVB beschikte aanvankelijk over een Onderafdeling documentatie en bibliotheek. Het Kabinet van de Minister en Directie van het Protocol (DKP) bestond alleen in naam uit twee afzonderlijke afdelingen, maar was reeds voor de oorlog uit bezuinigingsoverwegingen verenigd onder één chef. DKP werd vanaf 1945 één directie, bestaande uit het Kabinet en een Onderafdeling Nederlandse en vreemde decoraties. Teneinde de directies van het departement van juridisch advies te kunnen dienen werd een Raadadviseur aangesteld. Ook deze ressorteerde rechtstreeks onder de secretaris-generaal.

De jaren 1945-1950 gaven een aanzienlijke groei van het aantal medewerkers te zien. Alleen DPZ groeide tussen 1946 en 1949 al van zes tot 34 medewerkers. De kern van de hiervoor beschreven structuur werd echter niet aangetast. In 1948 werd een bescheiden begin gemaakt met een organisatorische scheiding in de behandeling van bilaterale en multilaterale aangelegenheden door de instelling van een aparte afdeling Verenigde Naties bij DPZ. Met ingang van januari 1948 werd het politieke buitenlandse beleid behandeld bij drie regionale bureaus van DPZ: Bureau Europa, Bureau Oosten (Azië en Australië) en Bureau Westelijk Halfrond (Noord- en Zuid-Amerika). Ook DEZ groeide aanzienlijk; in 1948 werd de directie verdeeld in vier afdelingen: Afdeling Financiële en Handelsaangelegenheden, Afdeling Juridische en Beheersaangelegenheden, Afdeling Conferenties, Tentoonstellingen, enz. en de Afdeling Documentatie en Onderzoek. Het Bureau Duitsland werd gecontinueerd tot 1949. Bij DKP werd, mogelijk in hetzelfde jaar, een Afdeling verdragen ingesteld. De directie JAZ werd einde jaren veertig verdeeld in bureaus voor Algemene Zaken, Reiswezen en Paspoorten. (

Uit een notitie, getiteld 'de huidige formatie en bezetting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken' [1949?] blijkt een nadere onderverdeling van het Bureau Algemene Zaken in een Bureau Rechtsvragen en Justitiële stukken, een bureau Naturalisatievragen en een Bureau Nederlandse Belangen. Mogelijk hebben deze, hangende de reorganisatie van 1949/50, alleen op papier bestaan. ABZ I, code 130.1; Formatie departement 1945-1954.

)

Zowel de Regeringsadviseur in internationale opiumzaken, als het Permanent Bureau der Haagse Conferentie betreffende het internationaal privaatrecht, beide reeds in de jaren twintig ingesteld, keerden in 1945 terug. Na de reorganisatie van 1950 zouden adviseur en bureau verdwijnen. Als coördinator tussen de departementen, maar met gebruikmaking van het apparaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, fungeerde vanaf 1947 de Regeringscommissaris voor Duitse aangelegenheden dr. H.M. Hirschfeld. Hij maakte voor zijn werkzaamheden gebruik van het bureau Duitsland, dat formeel onder DEZ ressorteerde.

Tussen 1947 en 1950 beschikte het departement over een Directie Verre Oosten (DIRVO) welke in Batavia gevestigd was. Deze uitzonderlijke constructie was een gevolg van de overeenkomst van Linggadjati, die in november 1946 tussen Nederland en de republiek Indonesië tot stand was gekomen. Hierin was overeengekomen dat beide partijen zouden samenwerken op het terrein van de buitenlandse betrekkingen. Een Nederlands orgaan ter plaatse ('een speciaal agentschap, een soort factory van het Departement'), dat aan deze overeenkomst uitvoering zou geven, diende volgens de Nederlandse grondwet onder de verantwoordelijkheid van de minister van Buitenlandse Zaken te ressorteren. Deze bepaalde bij beschikking van 20 maart 1947 de oprichting van DIRVO te Batavia op 1 april 1947. In de departementale hierarchie werd chef DIRVO een gelijke plaats toegekend als chef DPZ. DIRVO ontving aanwijzingen van de Lt. Gouverneur-Generaal, de Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon of diens plaatsvervanger en mocht in dringende gevallen zelfstandig handelen. (

Organisatie en reorganisatie, 123-126.

)

Vóór de vestiging van DIRVO te Batavia had Buitenlandse Zaken daar ook al zijn vooruitgeschoven waarnemers in de vorm van politieke adviseurs van de Lt. Gouverneur-Generaal. Achtereenvolgens waren dat mr. W.F.L. graaf van Bylandt (tot november 1946) en van november 1946 tot juni 1947 de latere secretaris-generaal van het ministerie, dr. H. Boon.

3.2 Directie kabinet en protocol 1945-1950

DKP behandelde in 1945 zaken die verband houden met het buitenlandse Corps Diplomatique in Nederland, buitenlandse aangelegenheden van het Koninklijk Huis, in- en uitgaande staatsbezoeken, erkenning en toelating van vreemde consulaire vertegenwoordigers, alsmede zaken van de minister persoonlijk. De taken ten aanzien van het Corps Diplomatique strekten zich ook uit tot de leden van de in Nederland gevestigde internationale organisaties, zoals het Permanente Hof van Arbitrage en het Internationale Gerechtshof. Verder verrichtte DKP administratief-juridische werkzaamheden bij de totstandkoming en publicatie van internationale verdragen waarin Nederland partij was (deze laatste taak werd in 1949 ondergebracht in een aparte afdeling Verdragen van DKP; zie hieronder).

Onderafdeling Nederlandse en vreemde decoraties

Voorts verzorgde DKP de verlening van Nederlandse decoraties aan vreemdelingen en behandelde de goedkeuringsaanvragen voor aanvaarding van buitenlandse decoraties door Nederlanders. Ook deze taak was in een afzonderlijk bureau van de directie ondergebracht. Bij deze Onderafdeling Nederlandse en vreemde decoraties werd ook het secretariaat van de Decoratiecommissie uit de Ministerraad gevoerd.

Afdeling Verdragen

De afdeling Verdragen van DKP verrichtte de volgende juridisch-administratieve werkzaamheden: het aanvragen van koninklijke volmachten voor onderhandelaars en van geloofsbrieven voor Nederlandse delegaties op internationale conferenties, het doen plaatsen van goedkeuringswetten in het Staatsblad, het doen bekendmaken van verdragen en overeenkomsten bij KB in het Staatsblad (

Publicatie van verdragen en andere overeenkomsten, waarbij het Koninkrijk der Nederlanden partij is vond tot 1 januari 1951 plaats in het Staatsblad, zonder dat daartoe overigens een plicht bestond. Met de instelling van het Tractatenblad van het Koninkrijk der Nederlanden (KB 29 december 1950, Stb. K.667) werd getracht een meer tijdige, volledige en overzichtelijke publicatie van verdragen te bewerkstelligen; vanaf die datum werden verdragen in dat blad gepubliceerd. Verdragen waarvan de tekst goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, worden overigens wel in het Staatsblad afgedrukt. H.H.M. Sondaal, De Nederlandse verdragspraktijk (Den Haag 1986) 209 e.v.

), het verzorgen van publicaties in de Staatscourant, alle maatregelen verband houdende met de bekrachtiging, mededeling van overeenkomsten aan de Staten-Generaal, registratie bij de VN, inventarisatie van het Archief der Nederlandse Verdragen en het bijhouden van literatuur en jurisprudentie terzake. De juridische werkzaamheden van de afdeling bestonden uit het nazien van de ontwerptekst van verdragen, overeenkomsten en goedkeuringswetten met bijbehorende memorie van toelichting en het controleren van de Nederlandse vertaling op juridische terminologie. De afdeling had ook bemoeienis met een departementale Commissie voor de Verdragen, 'bestaande uit hoofdambtenaren van het Departement, gekozen uit de verschillende Directies die met deze materie in aanraking komen.' (

Organisatie en reorganisatie, 62-63.

)

3.3 Directie politieke zaken 1945-1950

DPZ had de volgende taken: het volgen van internationale ontwikkelingen en het opstellen van notities hierover, onder andere aan de hand van de politieke rapportage van de posten; adviseren van de minister over in te nemen standpunten op het terrein van het buitenlandse politieke beleid; het opstellen van instructies aan posten en delegaties. Om deze taken uit te kunnen voeren onderhield DPZ in de eerste plaats contacten met de buitenlandse vertegenwoordigingen in Nederland en voerde ze het nodige intra- en interdepartementale overleg. Hoewel DPZ zich in naam specifiek richtte op alle aangelegenheden van buitenlands politieke aard, had zij ook regelmatig bemoeienis met zaken van economische en technische aard, aangezien hiermee vaak een politiek aspect verbonden kon zijn. De indeling van DPZ langs geografische lijnen in vier bureaus met ingang van 1 januari 1948 bracht geen verandering in de taakinhoud met zich mee. (

De huidige formatie en bezetting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Archiefcode 130.1 Formatie departement 1945-1954. Organisatie en reorganisatie, 56.

)

Afdeling Verenigde Naties

Werkzaamheden ten aanzien van de Verenigde Naties en de zgn. gespecialiseerde organisaties werden bij verschillende directies verricht. Vanaf 1948 werden al deze werkzaamheden gecoördineerd door de Afdeling Verenigde Naties van DPZ. In 1948 werd ook een interdepartementale Coördinatiecommissie voor de VN en de gespecialiseerde organisaties ingesteld, waarvan de Afdeling VN het secretariaat voerde. De inbreng in de Economische en Sociale Raad van de VN (ECOSOC), waarvan Nederland in 1947-1948 deel uitmaakte, werd aanvankelijk gecoördineerd door de BEB (Ministerie van Economische Zaken). Vanwege de vele niet-economische aspecten kwam de coördinatie na een jaar weer bij Buitenlandse Zaken te liggen. Economische Zaken bleef echter het eerst verantwoordelijke departement voor de economische werkzaamheden in de ECOSOC. (

Van der Togt, 81. Brief van het ministerie van Economische Zaken aan DPZ/VN van 9 juli 1948. Archiefcode 999.232.50 VN Coördinatiecommissie voor de VN en gespecialiseerde organisaties dl. I.

)

3.4 Directie Duitsland 1945-1950

In 1945 en 1946 waren zaken betreffende Duitsland onttrokken aan de bemoeienis van DPZ. Bij de terugkeer van het departement van Londen naar Den Haag in juli/augustus 1945 werd een aparte Directie Duitsland ingesteld in de veronderstelling dat een vredesverdrag met Duitsland tot stand zou komen. Hiermee samenhangende zaken als het Nederlandse beleid ten aanzien van het bestuur van de bezettingszones, annexatie, herstelbetalingen en restitutie zouden bij die directie behandeld worden. Politieke en consulaire aangelegenheden, respectievelijk economische en financiële aangelegenheden waren in afzonderlijke secties van de directie ondergebracht. In 1946 waren de verwachte ontwikkelingen goeddeels achterhaald en werden politieke zaken ten aanzien van Duitsland ondergebracht bij DPZ en economische aangelegenheden bij DEZ. (

Circulaire chef directie Duitsland, 20 maart 1946. Archiefcode 130.1 Dir. inwendige dienst Formatie departement 1946. Organisatie en reorganisatie, pg. 46. Staatsalmanak 1946. Kersten suggereert dat de aanleiding tot de instelling van de Directie Duitsland mogelijk meer van opportunistische dan praktische aard was. Dit verklaart mogelijk de onlogische plaats binnen een functioneel organisatiemodel, de onduidelijkheid over specifieke taken en het opheffen van de directie bij het vertrek van haar chef. Buitenlandse Zaken in ballingschap, 69-71.

)

3.5 Directie Verre Oosten (Batavia) 1947-1950

Na de Tweede Wereldoorlog werd Nederlands-Indië meer in aangelegenheden van internationale aard betrokken dan voorheen. Deze ontwikkeling maakte het gewenst, dat in Indonesië over een dienst kon worden beschikt die de buitenlandse aangelegenheden op deskundige wijze behandelde. Bij beschikking van de minister van Buitenlandse Zaken van 20 maart 1947 nr. 25660-1904 G.S. werd op 1 april 1947 de Directie Verre Oosten (DIRVO) te Batavia opgericht, waarvan T. Elink Schuurman tot chef werd benoemd. DIRVO onderhield speciale betrekkingen met de Luitenant Gouverneur-Generaal, zijn opvolger de Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon (HVK) en de Indische administratie. DIRVO zou een snelle en doeltreffende coördinatie en distributie van gegevens op buitenlands politiek en economisch gebied met de Nederlandse diplomatieke en consulaire zendingen in de Aziatische regio zoveel mogelijk bevorderen. Tenslotte werd de verhouding tot het Departement van Overzeese Gebiedsdelen geregeld door de bepaling dat de minister van Buitenlandse Zaken de minister van Overzeese Gebiedsdelen op de hoogte zou houden van alles wat "mede tot de verantwoordelijkheid van deze bewindsman" behoorde. Naar haar aard was DIRVO formeel een directie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, maar gezien haar werkzaamheden en interne organisatie functioneerde DIRVO als een ambassade.

Aan DIRVO werden de volgende taken opgedragen: (

Beschikking van de minister van Buitenlandse Zaken van 20 maart 1947, nr. 25660-1904 G.S.

)

  1. de dagelijkse werkzaamheden op het terrein van het buitenlands beleid;
  2. het onderhouden van contact met de in Nederlands-Indië gevestigde consulaten, waaronder het tot stand brengen van audiënties van leden van het buitenlandse consulaire corps bij de Lt.G.G. (later HVK) of diens plaatsvervanger, alsmede bij de Commissie-Generaal;
  3. het adviseren van de Indische regering inzake buitenlandse aangelegenheden;
  4. het adviseren van de minister van Buitenlandse Zaken bij benoemingen op diplomatieke en consulaire posten in de Aziatische regio;
  5. het bevorderen van de indienstneming en opleiding van voor de buitenlandse dienst geschikt geachte Indonesiërs en andere Nederlandse onderdanen niet-zijnde Nederlanders;
  6. het bevorderen van een snelle en doeltreffende coördinatie en distributie van gegevens op buitenlands politiek en economisch gebied met die Nederlandse diplomatieke en consulaire zendingen, wier berichtgeving voor Nederlands-Indië van belang was. Hiertoe behoorden naast de Aziatische landen de aan de Indische en Stille Oceaan gelegen mogendheden en gebieden.

In 1947 werden aan DIRVO werkzaamheden met betrekking tot voorlichting, economie en financiële aangelegenheden overgedragen, die werden uitgevoerd door het te Batavia gevestigde kantoor van de Nederlandse Militaire Missie Japan. Dat kantoor werd namelijk in 1947 opgeheven. Daarnaast werd in 1949 in verband met de soevereiniteitsoverdracht de Codekamer, benodigd voor het telegramverkeer met Nederland, formeel ondergebracht bij DIRVO. (

Archief DIRVO, inventarisnummer 10.

)

Op 27 december 1949 vond de soevereiniteitsoverdracht plaats. DIRVO werd opgeheven in begin 1950; de overgebleven taken en werkzaamheden werden door het Hoge Commissariaat der Koninkrijk der Nederlanden in Indonesië overgenomen.

3.6 Directie Administratieve en Juridische Zaken 1945-1950

In algemene zin hield JAZ zich bezig met de rechten, status en bevoegdheden van Nederlanders in het buitenland en vreemdelingen in Nederland - en eventuele veranderingen daarin. Dit betrof meestal aangelegenheden van internationaal privaat- en internationaal publiekrechtelijke aard. Ten aanzien van de volgende zaken werd bij deze directie werkzaamheden verricht: kwesties van nationaliteit en exterritorialiteit (

Exterritorialiteit: voorrechten van Nederlanders in bepaalde landen, voortvloeiende uit verdragen.

), naturalisaties, emigratie, uitleiding van misdadigers, toelating en uitzetting van vreemdelingen, consulaire wet, nalatenschappen, belastingen, relief, repatriëring, internationaal cultureel verkeer, vlootbezoek, bemoeiïngen met schepen en zeelieden, dienstplichtaangelegenheden, onderstanden, (

Financiële steun aan Nederlanders in het buitenland of lokale ex-medewerkers van posten.

)
inlichtingen omtrent Nederlandse en buitenlandse wetgeving, inlichtingen omtrent personen, paspoorten, buitenlandse dienstreizen van ambtenaren. Met uitzondering van de twee laatste onderwerpen, werden al deze zaken door Bureau Algemene zaken (JAZ/AZ) behandeld.

Bureau Algemene Zaken

Emigratie was een aangelegenheid die tot de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Sociale Zaken en enkele ambtelijke en niet-ambtelijke diensten behoorde. Voor hen was AZ het aanspreekpunt op Buitenlandse Zaken. AZ kreeg op zijn beurt weer, via DPZ, informatie uit de immigratielanden van de Nederlandse vertegenwoordigingen. (

Jaarboek 1949/1950, pg. 87; Landverhuizingswet 1936, Stb. 804. Administratieve werkzaamheden inzake de aanvragen van een Rijksbijdrage en van de nodige vergunningen enz. van de autoriteiten der immigratielanden werden verricht door de Stichting Landverhuizing Nederland, welke vanaf 1945 in feite de functie van een Rijksdienst vervulde. Een nieuwe wettelijke regeling voor de naoorlogse emigratiegolf kwam in 1952 tot stand: Emigratiewet 1952, Stb. 279.

)

Over de toelating van vreemdelingen werd door het Ministerie van Justitie beslist; instructies inzake afgifte van visa door consulaire ambtenaren gingen uit van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (JAZ). Een ambtenaar van JAZ was als adviseur vertegenwoordigd in de leiding van de Visa-dienst van de Rijksvreemdelingendienst van het Ministerie van Justitie. De directie had bemoeienis met het toezicht op en verstrekken van gegevens over in Nederland verblijvende vreemdelingen.

Bepaalde taken van de directie hielden verband met de afloop van de oorlog en waren daarom van voorbijgaande aard. Dat gold voor de hulp bij repatriëring van in het buitenland verblijvende Nederlanders (gedemobiliseerden, vluchtelingen, ex-dwangarbeiders, overlevenden uit Duitse en Sovjet-kampen), verzoeken om inlichtingen over vermiste personen en afwikkeling van erfeniskwesties (aanspraken van Nederlanders op tijdens de oorlog in het buitenland opengevallen erfenissen).

Ten behoeve van deze werkzaamheden stond de directie in contact met de Internationale Vluchtelingen Organisatie (IRO) (

Intergouvernementele Comité voor de Vluchtelingen werd in 1938 n.a.v. de Conferentie van Evian opgericht. Was vooral belast met zorg voor Spaanse en Duitse vluchtelingen. In 1943 werd te Washington de United Nations Relief and Rehabilitation Administration (UNRRA) opgericht tot leniging van de directe noden van de burgerbevolking in bevrijde gebieden. UNRRA had de zorg voor kampen, vluchtelingen, repatriëring etc. Beide organisaties gingen in 1946 op in de door de VN ingestelde Internationale Vluchtelingen Organisatie (IRO). Deze werd op haar beurt weer vervangen in 1949 door het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen, dat nog steeds bestaat. Jaarboek 1950/1951, 35-38.

), het Internationale Rode Kruis en het Ministerie van Sociale Zaken (Afdeling Repatriëring en opsporing vermiste personen) (

Deze afdeling van Sociale Zaken had 'leiding en coördinatie van alle werkzaamheden de repatriëring en opsporing betreffende ... met uitzondering van de werkzaamheden t.a.v. de gerepatrieerden uit Indonesië'. Tevens had die afdeling het 'toezicht op het Informatiebureau (Nationaal Opsporingsbureau) van het Nederlandse Rode Kruis. Staatsalmanak 1949.

)
. In 1950 restte van deze naoorlogse problemen voornamelijk nog een groep van enkele honderden in Russische kampen verblijvende Nederlanders.

Op het terrein van de buitenlandse culturele betrekkingen leverde Algemene Zaken een aandeel bij het tot stand komen van culturele verdragen. Verder had het bureau een bemiddelende rol bij de voorbereiding van culturele evenementen in het buitenland (congressen, tentoonstellingen etc) en buitenlandse evenementen in Nederland. (

Voor wat betreft de buitenlandse culturele betrekkingen is de taakafbakening tussen DKP/VE, DVB en AZ niet geheel duidelijk in deze periode.

)

Paspoortenbureau

Afgifte van paspoorten was gedelegeerd aan de commissaris van de koningin in de provincie en de burgemeesters van een aantal grote gemeenten (62 in 1950). Van Bureau Paspoorten gingen uit 'alle instructies inzake de afgifte, verkrijging en intrekking van buitenlandse paspoorten, van vreemdelingenpaspoorten en andere reisdocumenten door de bovenvermelde autoriteiten en door de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland.' (

Afgifte van buitenlandse paspoorten, alsmede de mogelijkheid tot delegatie van deze bevoegdheid, was opgedragen aan de minister van Buitenlandse Zaken. Specifieke regelgeving voor de afgifte van reisdocumenten dateert van 1952. SB van 12 dec. 1813, no. 7 (Stcrt. 1813/1814 no. 4); Paspoortinstructie Nederland 1952, vastgesteld bij beschikking van de minister van Buitenlandse Zaken van 26 mei 1952, DAZ/PP 48810, (Ned. Stcrt. 1952, 132).

) Verder hield het bureau toezicht op de toepassing van deze voorschriften, verzorgde het zelf de paspoorten van niet in Nederland woonachtige landgenoten en de uitgifte en verlenging van diplomatieke en dienstpaspoorten en zorgde het mede voor legalisatie van in het buitenland te gebruiken documenten. (

Organisatie en reorganisatie, 66.

)

Bureau Reiswezen

Het bureau had tot taak het regelen van officiële buitenlandse reizen van ambtenaren en het verkrijgen van onderdak voor officiële buitenlandse bezoekers, het inlichten van desbetreffende posten over te verwachten vooraanstaande bezoekers aan een land en (vanaf 1949) het helpen verkrijgen van buitenlandse visa voor particulieren in bijzondere gevallen. (

ibidem

)

3.7 Directie Economische Zaken 1945-1950

Zoals DPZ bemoeienis had met alle buitenlandse politieke aangelegenheden, was het de taak van DEZ, voortgekomen uit de in 1945 opgeheven afdeling Consulaire- en Handelszaken, om zaken te behandelen 'op handels-, landbouw-, algemeen economisch of financieel gebied, welke de betrekkingen van het Koninkrijk met vreemde landen betreffen.' Voorts behoorden tot de formele taken: tentoonstellingen op economisch gebied en jaarbeurzen in het buitenland, internationale zaken van industrieel eigendom, internationale petroleumzaken en internationale opiumzaken. Kort na de oorlog hield DEZ zich echter ook bezig met afdoening zaken die samenhingen met de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog. Door opheffing van de Directie Duitsland in 1946 kreeg DEZ er nog taken bij op dit terrein. (

'Bovendien worden op 1 april 1946 alle aangelegenheden van economischen en financieelen aard, waaronder onder ook ressorteeren zaken nopens reparatie en restitutie, overgedragen aan de Directie van Economische Zaken.' Archiefcode 130.1 Dir. Inwendige Dienst Formatie departement 1946.

) Voor de afhandeling van de oorlog richtte de directie zich vooral op de landen Duitsland en Japan, 'welke door aparte bureaus van deze Directie worden behandeld.' (

Aldus Organisatie en reorganisatie, 52-53. Het bestaan van een apart bureau voor Japanzaken kan vooralsnog niet bevestigd worden.

)
Als feitelijke taken kunnen in dit verband genoemd worden: behandelen van problemen samenhangend met vergoeding van oorlogsschade, waaronder hulp bij het verkrijgen van vergoedingen voor genationaliseerde en geconfisqueerde belangen in het buitenland en terugvordering van door Duitsland uit Nederland geroofde vermogensbestanddelen, zoals goud. Verder behandelde de directie zaken die betrekking hebben op internationale organisaties op economisch gebied. In de eerste plaats ging het dan om de Verenigde Naties en daarvan in het bijzonder de Economische en Sociale Raad (ECOSOC) en de regionale commissies, zoals de Economische Commissie voor Europa (ECE); verder de Food and Agricultural Organization (FAO) en de International Trade Organization (ITO). Verder bestudeerde de directie rapporten, publicaties etc. op internationaal economisch terrein en leidde deze naar instanties die daarvan kennis moesten nemen.

Tenslotte fungeerde DEZ als tussenstation voor het berichtenverkeer tussen de vakdepartementen en de posten in het buitenland en de Nederlandse vertegenwoordigers bij genoemde internationale organisaties. Rond deze taak en de uitleg die verschillende ministeries er aan gaven, speelde zich een jarenlange competentiestrijd af met het (formeel interdepartementale, maar feitelijk onder Handel en Nijverheid ressorterende) Directoraat-Generaal Buitenlandse Economische Betrekkingen (BEB). Ook de variant dat de BEB onder het Ministerie van Buitenlandse Zaken zou komen te ressorteren kwam daarbij ter sprake. (

Moquette, 243.

) De BEB werd bijgestaan door de Interdepartementale Raad voor de Handelspolitiek (IRHP), waarvan ook het Ministerie van Buitenlandse Zaken lid was. De BEB stond onder instructie van de Raad voor Economische Aangelegenheden (REA) uit de Ministerraad. 'De meeste problemen ontstonden rond de organisatie en contacten met de posten in het buitenland. Daarbij werd er door de BEB naar gestreefd om in de economische afdelingen van ambassades en gezantschappen een soort eigen tegenhanger te creëren.' De andere departementen 'waren meer geporteerd voor een coördinatie op de posten door Buitenlandse Zaken (...) Zolang de BEB nog geen vast statuut had, poogden zij hun contacten dan ook veelal over de Directie Economische Zaken van BZ te laten lopen, dat zo in sommige opzichten een doublure van de BEB dreigde te worden.' (

Van der Togt, 19.

)
Dat Statuut of Mandaat van de BEB werd in 1946 vastgesteld. De vertegenwoordigingen in het buitenland werden hiervan in november 1946 in kennis gesteld. Het statuut regelde: (

Moquette, 251-253.

)

  • de coördinerende functie van de BEB inzake de handelspolitiek in interdepartementaal verband onder verantwoordelijkheid van de minister van Economische Zaken;
  • de noodzakelijkheid van contacten tussen de BEB en Buitenlandse Zaken i.v.m. de eenheid van het buitenlands beleid;
  • dat de BEB werd belast met de voorbereiding, uitvoering en interdepartementale coördinatie van de richtlijnen van de REA;
  • dat de Directeur-Generaal BEB werd bijgestaan door de IRHP, waarvan deze voorzitter was;
  • dat de overige departementen de coördinerende functie van de BEB accepteerden en dat bij geschillen de REA zou beslissen;
  • de Directeur-Generaal BEB zich tot de REA kon wenden voor goedkeuring van de RHPconclusies;
  • handelsbesprekingen in beginsel door de BEB worden gevoerd; de samenstelling van en instructies voor onderhandelingsdelegaties werden door de REA opgesteld;
  • dat handelsaangelegenheden zonder politieke component rechtstreeks tussen BEB en posten konden worden afgedaan;
  • dat BEB en BZ elkaar op de hoogte stellen van de met buitenlandse vertegenwoordigers van vreemde mogendheden in Den Haag gevoerde besprekingen;
  • dat indien een Chef de Poste bezwaar had tegen verkregen instructies van de BEB hij BZ hiervan op de hoogte kon stellen en dat verder overleg in Den Haag plaats zou vinden;
  • wetsontwerpen en kamerstukken met betrekking tot handelsverdragen en overeenkomsten door EZ en BZ zouden worden ondertekend;
  • Economische Zaken zorg zou dragen voor de contacten met en verantwoording aan de Staten-Generaal met betrekking tot de buitenlandse economische betrekkingen.

Bureau Duitsland

Feitelijk stond dit onder DEZ ressorterende bureau (

Zie ook hoofdstuk 3.4 inzake de Directie Duitsland.

) vanaf 1947 ten dienste van de regeringscommissaris voor Duitse aangelegenheden. (

Ook na de instelling van een bureau t.b.v. de regeringscommissaris voor Duitse aangelegenheden in mei 1948 werden de meeste economische werkzaamheden verricht door Bureau Duitsland. Van der Togt, 35.

)
Behandeld werden economische en financiële aangelegenheden samenhangend met de afloop van de Tweede Wereldoorlog. Onderwerpen: geallieerde kapitaalsbelangen, het Internationaal Orgaan voor het Ruhrgebied, (

Ingesteld Londen 28-4-1949 door België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, Nederland, Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Het 'Ruhrorgaan' regelde de export van Duitse cokes, steenkool en staal. Duitsland werd vertegenwoordigd door de Bezettingsautoriteiten. Jaarboek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken 1949/1950, 229-244.

)
moeilijkheden voorvloeiende uit grenstractaten, recuperatiezaken. Het bureau onderhield contacten met de Nederlandse militaire missie bij de geallieerde bestuursraad (Allied Control Council) in Duitsland, te Berlijn, alsmede met de Nederlandse posten in de hoofdsteden der bezettingsmachten. (

De missie was verdeeld in secties, die enigszins de departementale indeling reflecteren. Staatsalmanak 1949, 79.

)

Afdeling Financiële en Handelsaangelegenheden

Vanaf 1948 bestond DEZ, naast het Bureau Duitsland, uit vier afdelingen. Aangelegenheden met betrekking tot Duitsland waren over het algemeen uitgesloten van de werkzaamheden van deze afdelingen; die werden door het Bureau Duitsland behandeld. Een nadere omschrijving van de werkzaamheden van de Afdeling Financiële en Handelsaangelegenheden luidde: (

Staatsalmanak 1949. Notitie van Chef DEZ aan S van 21-3-1949. Archiefcode 130.0 Formatie Departement 1945-1954.

)

  1. doorgeleiden van concepten bij de voorbereiding van de totstandkoming van bilaterale handelsverdragen en -overeenkomsten, welke door de BEB werden gesloten;
  2. het met betrekking tot die verdragen het in de formeel juiste vorm vastleggen (hetzelfde geschiedde ten aanzien van krediet-dubbele belasting waarmee de BEB geen bemoeienis had);
  3. het beantwoorden van vragen om algemene inlichtingen op het terrein van de directie;
  4. het verlenen van interventie ten behoeve van bepaalde belangen, op het gebied van de deviezenpolitiek, belastingmaatregelen, handelsverdragen, etc., welke afkomstig waren van de Nederlandse posten in het buitenland, van het Nederlandse bedrijfsleven of van de buitenlandse regeringsvertegenwoordigers in Den Haag;
  5. de interne bewerking van rapporten van de buitenlandse dienst voorzover die door DEZ werden behandeld en de distributie daarvan onder de in aanmerking komende ministeries en posten;
  6. het bijhouden van een kaartsysteem, waarin bijgehouden alle afspraken met het buitenland, voor zover van belang voor DEZ, in welke vorm dan ook, met eventueel de stand van de parlementaire behandeling;
  7. het behandelen van reparatie- en restitutieaangelegenheden in verband met de Japanse aanwezigheid in Indonesië (waarvoor contact met de Far Eastern Commission te Washington en de Nederlandse missie te Tokio diende te worden onderhouden);
  8. behandeling van alle zaken welke voortvloeiden uit het lidmaatschap van Chef DEZ in de Raden der Benelux-overeenkomst.'

Afdeling Juridische en Beheerszaken

Ook deze afdeling hield zich intensief bezig met de afhandeling van oorlogsaangelegenheden. Taken:

  1. behandeling van zaken verband houdende met vijandelijk vermogen, met de herstelwetgeving overgang rijksmarkengebied, de behandeling van Oostenrijkers en Oostenrijks vermogen, deblokkeringmaatregelen welke door het buitenland genomen werden op grond van "trading with the enemy"-maatregelen, recuperatie van door Duitsland geroofde en in het buitenland terechtgekomen Nederlandse goederen, octrooien en merkenkwesties (internationaal octrooibureau, Duitse octrooien en merken);
  2. behandeling van oorlogsschade geleden in landen waarmee vredesverdragen zijn gesloten (Italië);
  3. andere juridische aangelegenheden, welke bij DEZ in behandeling waren (zoals de kwestie van de interpretatie van het grenstractaat van 1843). In 1949 werd opgemerkt dat deze materie in omvang weliswaar toenam, maar 'uiteraard over 2 à 3 jaar in betekenis [zou] afnemen.'

Buiten het ministerie had de afdeling binnen de overheid vooral contact met de ministeries van Financiën en Justitie, de afdeling Industrieel beleid en de Octrooiraad van Economische Zaken, de Raad voor het Rechtsherstel en de Nederlandse Bank. (

Notitie van Chef DEZ aan S van 21-3-1949. Archiefcode 130.1 Formatie departement 1945-1954. Staatsalmanak 1949.

)

Het hoofd van de afdeling had voor Buitenlandse Zaken zitting in de volgende interdepartementale overlegorganen: Interdepartementale Commissie ter behartiging van Nederlandse nationalisatie- en oorlogsschadeclaims (ook wel: Commissie v.d. Meulen), Interdepartementale Commissie inzake herstel rechtsverkeer Duitsland, Interdepartementale Commissie inzake herstel rechtsverkeer Oostenrijk. (

Gids van het departement van Buitenlandse Zaken en de Buitenlandse Dienst ('s-Gravenhage 1950) 34.

)

Afdeling Conferenties, Tentoonstellingen, enz.

In tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden had deze afdeling tot taak de werkzaamheden te verrichten die voortvloeien uit het Nederlandse lidmaatschap van internationale organisaties en commissies, voor zover die een economisch aspect hebben (ECOSOC, ECE, Ecafe, Ecla, ITO, FAO).

Instructies aan Nederlandse delegaties werden hier, in overleg met de betrokken departementen opgesteld. Het hoofd van deze afdeling was (althans in 1949, 'optredend voor de Afdeling P.Z./V.N.' (

De Afdeling Verenigde Naties van de Directie Politieke Zaken.

)) voorzitter van de interdepartementale coördinatiecommissie voor internationale organisaties. Voorts werden werkzaamheden verricht ten behoeve van Nederlandse vertegenwoordiging aan buitenlandse jaarbeurzen (

Dit was in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de Economische Voorlichtingsdienst (EVD) van het ministerie van Economische Zaken. Staatsalmanak 1949.

)
en had de afdeling de verantwoordelijkheid voor de economische- en handelsberichtgeving door de posten. (

Omtrent deze economische- en handelsberichtgeving bestond een competentiestrijd tussen de Economische Voorlichtingsdienst van het ministerie van Economische Zaken en Buitenlandse Zaken. Notitie van Chef DEZ aan S van 21-3-1949. Archiefcode 130.1 Formatie departement 1945-1954.

)

Afdeling Documentatie en Onderzoek

Deze afdeling had tot taak studies te verrichten van meer principiële aard met betrekking tot de Nederlandse buitenlandse economische politiek ter ondersteuning van de activiteiten van de overige afdelingen van DEZ. In maart 1949 werd geconstateerd dat de afdeling 'thans volledig in beslag genomen [wordt] door de gevolgen van de nationaliseringspolitiek in de Oosteuropese landen. Het beschermen van de Nederlandse kapitaalsbelangen in deze landen eist een intensieve overheidsbemoeiing, waartoe thans de nodige besprekingen met de betrokken regeringen (of voorbereidingen daartoe) plaats vinden.' De afdeling werd daarom ook wel aangeduid als 'Afdeling Nationalisaties'. Hoofd en enig medewerker van deze afdeling had zitting in de Interdepartementale Commissie inzake nationalisatievraagstukken en de Interdepartementale Commissie inzake de Verhouding overheid - Nederlandse belangen in het buitenland. (

Notitie van Chef DEZ aan S van 21-3-1949. Archiefcode 130.1 Formatie departement 1945-1954. Directie Economische Zaken [adreslijst]. Archiefcode 100 Circulaires dl 1. Gids van het departement van Buitenlandse Zaken en de Buitenlandse Dienst ('s-Gravenhage 1950) 34-35.

)

3.8 Directie van Verkeer en Grote Rivieren 1945-1950

De directie adviseerde de minister over internationale verkeersaangelegenheden en droeg het Nederlandse standpunt uit door middel van instructie aan Nederlandse vertegenwoordigers bij desbetreffende internationale organisaties. De werkzaamheden waren verdeeld over twee 'onderafdelingen'.

Onderafdeling A hield zich bezig met lucht- en spoorwegverkeer en post-, telegraaf-, telefoon-, en radioverkeer. Onderafdeling B wijdde zich aan weg- en waterverkeer. (

In 1949 werden de afdelingen ook wel aangeduid als resp. 'Afdeling Luchtvaart en Telecommunicaties' en 'Afdeling alle andere Verkeerskwesties'.

) De directie behandelde ook de met deze onderwerpen samenhangende problemen van juridisch karakter en daarmee verband houdende belasting- en deviezenkwesties. (

Staatsalmanak 1946. Organisatie en reorganisatie, 50-52.

)

De Chef van de Directie Verkeer en Grote Rivieren had voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken zitting in de volgende internationale organen: de Transport and Communications Commission van ECOSOC, de Inland Transport Committee van de ECE, de Commissie voor de Transport- en Havenvraagstukken van de Economische Raad van de Benelux. (

Organisatie en reorganisatie, 50-52.

)

In 1945 werd de Interdepartementale Luchtvaartcommissie ingesteld, waarin behalve de betrokken departementen ook een vertegenwoording van de KLM, de burgerluchtvaartattachés (Londen en Washington) en de Nederlandse permanente vertegenwoordiger bij de ICAO te Montreal zitting hadden. Voorzitterschap en secretariaat berustten bij Buitenlandse Zaken, respectievelijk bij chef Directie Verkeer en Grote Rivieren en Onderafdeling A. (

C.J.M. Schaepman, 'De overeenkomsten van Chicago en de naoorlogse Nederlandse luchtvaartpolitiek' in: Jaarboek van het ministerie van Buitenlandse Zaken 1950/1951 ('s-Gravenhage 1951) 156-178, aldaar 177. Gids 1950, 34.

)

Onderafdeling A

'De [burger-]luchtvaartpolitiek in Nederland wordt in het bijzonder bepaald door de departementen van Verkeer en Waterstaat, van Uniezaken en Overzeese Rijksdelen en van Buitenlandse Zaken. De behandeling van de technische zijde van de luchtvaart ligt uiteraard nagenoeg uitsluitend op het terrein van het departement van Verkeer en Waterstaat, de Rijksluchtvaartdienst. De politieke aspecten van de luchtvaart berusten gelijkelijk bij de drie genoemde departementen.' (

Schaepman, 177.

)

Taken van Onderafdeling A op het terrein van de luchtvaartpolitiek en daarmee samenhangende vraagstukken (

Bijvoorbeeld luchtkarteringsvraagstukken, wanneer deze aanleiding geven tot contact met vreemde regeringen.

): adviseren van de minister, opstellen van instructies aan de Nederlandse vertegenwoordigers bij de International Civil Aviation Organization (ICAO) te Montreal en de Nederlandse afgevaardigden naar de jaarlijkse algemene vergadering en conferenties van deze organisatie, bij buitenlandse regeringen aanvragen van de benodigde vergunningen voor de Nederlandse luchtvaart - en omgekeerd, het verlenen van de terzake door buitenlandse regeringen aangevraagde vergunningen (een en ander in overleg met het Ministerie voor overzeese gebiedsdelen, wanneer belangen der overzeese gebiedsdelen daarbij waren betrokken). (

Art. 6 Conventie van Chicago inzake de internationale burgerluchtvaart Stbl. 1947 no. H 165. Schaepman, 159.

)

Op het terrein van het post-, telegraaf-, telefoon- en radioverkeer gelden de reeds genoemde adviezen instructietaken, zij het dat de relevante internationale organisaties hier de Union Postale Universelle (UPU) en de International Telecommunications Union (ITU) waren (en nog steeds zijn).

Onderafdeling B

Het werkterrein van Onderafdeling B was het weg- en waterverkeer. Tot haar competentie behoorde het beleid ten aanzien van de Rijnvaart, het Schelde-regiem, de overige waterwegen die Nederland met zijn buurlanden verbinden en 'actuele visserijproblemen'. Voorts had zij bemoeienis met de arbeidsvoorwaarden van hen die in het internationale transport werkzaam zijn (eerste verantwoordelijkheid bij minister van Sociale Zaken). Relevante internationale organen waren: de Centrale Commissie voor de Rijnvaart, het Permanente College van Schelde-commissarissen, de gemengde Nederlands-Belgische Commissie voor Haventarieven, de Intergouvernementele Maritieme Consultatieve Organisatie (IMCO) en de Walvisvaart Commissie. De chef van Onderafdeling B vertegenwoordigde het Ministerie van Buitenlandse Zaken als één der drie Commissarissen voor Nederland bij de Centrale Commissie voor de Rijnvaart. (

Organisatie en reorganisatie, 50-52 en 137-138.

)

3.9 Directie Voorlichting Buitenland 1945-1950

DVB (

Zie voor een uitgebreide beschrijving A.C. van der Zwan, voorlichting bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken 1920-1995 (Ministerie van Buitenlandse Zaken 1995).

) had tussen 1945 en 1950 de volgende vier taken:

  1. nieuwsvoorziening aan de posten (d.m.v. telegrammen, brieven, brochures en nieuwsbrieven);
  2. onderhouden van contacten met binnen- en buitenlandse pers, alsmede het adviseren en ondersteunen van de beleidsdirecties op dit terrein;
  3. leiding en organisatie van persafdelingen en informatiebureaus (welke waren toegevoegd aan de belangrijkste posten in het buitenland);
  4. vergaren en verstrekken van gegevens en publiciteitsmateriaal aan de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland ten behoeve van de goodwillvormende publiciteit in het buitenland. (

    Van de Onderafdeling Documentatie en Bibliotheek, waarover DVB tot 1948 beschikte zijn vooralsnog geen aparte taakgegevens bekend. Hetzelfde geldt voor de secties 'Duitsland', 'Voorlichting posten en contact met de pers' en 'Organisatorische en comptabele kwesties', welke mogelijk van 1949 dateren. Organisatie en reorganisatie, 57-59. Een beschrijving van taken en handelingen op het beleidsterrein 'interne en externe overheidsvoorlichting' treft men aan in het concept PIVOT-rapport: "In den strijd tegen onwetendheid, valsche voorstelling en leugen" een institutioneel onderzoek naar het beleidsterrein voorlichting van de rijksoverheid, 1931-1990.

    )
3.10 Regeringscommissaris voor Duitse Aangelegenheden 1947-1952

H. Hirschfeld werd, met toekenning van de persoonlijke titel van Regeringscommissaris in algemene dienst, formeel belast met 'de voorbereiding van de economische en financiële vraagstukken ten aanzien van een vredesverdrag met Duitsland, alsmede met de coördinatie van de economische en financiële belangen van Nederland bij Duitsland in het algemeen.' In 1948 werden de taken van het regeringscommissariaat ter onderscheiding van de andere directies nader omschreven: 'een orgaan voor coördinatie, studie en advies, in het bijzonder van de meer belangrijke beleidsvraagstukken... [geeft] ook ongevraagd zijn oordeel over het te voeren beleid... Bij de behandeling van de Duitse zaken zullen de directies voordurend contact met het Regeringscommissariaat onderhouden. Het Regeringscommissariaat zal niet dan bij uitzondering en met voorkennis der betrokken directies zelf onderwerpen in behandeling nemen, die tot de normale taak van de diverse directies behoren. Het Regeringscommissariaat zal eveneens de officiële contacten met de posten in het buitenland en de diplomatieke vertegenwoordigingen te 's-Gravenhage via de betrokken afdelingen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken leiden.' (

Notitie betreffende het gesprek op 23 december 1948 [moet zijn: 1947], tussen Hirschfeld, Baron van Tuyll van Serooskerken, Boon en Kohnstamm, inzake de verdeling der werkzaamheden tussen de Directie Politieke Zaken, de Directie Economische Zaken en het Regeringscommissariaat voor Duitse aangelegenheden. archiefcode 101. Reorganisatie departement dl. II 1950-1951.

) Het Regeringscommissariaat bestond slechts uit enkele medewerkers; economische aangelegenheden werden behandeld bij het Bureau Duitsland van de Directie Economische Zaken dat ten dienste stond van de Regeringscommissaris. (

Van der Togt, 35.

)

3.11 Adviseurs 1945-1950

Raadadviseur(s)

De functie van raadadviseur was in 1945 ingesteld om beleidsbeslissingen juridisch op hoofdlijnen te toetsen. Een tweede raadadviseur werd in 1947 aangesteld. Deze zou zich geheel met 'de juridische aspecten van het Indonesische probleem' bezighouden en tevens meewerken aan de voorbereiding van 'de interimregelingen voor Suriname en de Nederlandse Antillen.' (

Organisatie en reorganisatie, 47. Staatsalmanak 1945 en 1947.

)

Regeringsadviseur in internationale opiumzaken

De opiumbestrijding werd vanaf 1920 in internationaal verband door de Volkenbond aangepakt. Ter voorbereiding van het Nederlandse standpunt dat in Genève moest worden uitgedragen beschikte Nederland vanaf 1935 over een Regeringsadviseur in internationale opiumzaken in de persoon van J.H. Delgorge. Na de oorlog werd de functie nog tot 1950 gehandhaafd. Bovendien had Delgorge van 1947 tot 1952 zitting in de Permanente Centrale Opiumraad van de ECOSOC (Verenigde Naties).

Hiertoe had hij ook zitting in de Interdepartementale Coördinatiecommissie voor de Verenigde Naties en de Gespecialiseerde Organisaties. (

Organisatie en reorganisatie, 133. Staatsalmanak 1945-1950. Archief Ministerie van Buitenlandse Zaken archiefcode 999.232.411 VN, inv.nr. 767; archiefcode 999.232.50 VN, inv.nr 781.

)

3.12 Permanent Bureau der Haagse Conferentie betreffende het internationaal privaatrecht 1929-

Met onregelmatige tussenpozen werden vanaf 1893 in de Den Haag door de Nederlandse regering internationale conferenties georganiseerd over het internationaal privaatrecht. Het doel was te komen tot een zekere internationale afstemming. De laatste bijeenkomst voor de Tweede Wereldoorlog vond plaats in 1928. In 1929 werd bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken een permanent bureau ingesteld ten behoeve van de conferenties. (

Ingesteld bij KB van 15 april 1929 no. 50. Staatsalmanak 1949.

)

Het bureau ressorteerde in 1949-1950 onder het hoofd van de Directie Verkeer en Grote Rivieren Onderafdeling B. Het bureau organiseerde de zevende zitting van de conferentie in oktober 1951. (

Jaarboek van het ministerie van Buitenlandse Zaken 1950/1951 en 1951/1952.

) De conferenties werden inhoudelijk voorbereid door de Staatscommissie tot voorbereiding van de te nemen maatregelen ter bevordering der codificatie van het internationaal privaatrecht, een buitenministeriële commissie met specialisten op dit terrein, waarvan het hoofd van het Permanent Bureau secretaris was. (

Ingesteld bij KB van 20 februari 1897 no. 1 (Stcrt. 1897 no. 2). Verder was het de taak van de commissie om de regering op genoemd terrein voorstellen te doen en de ministers van Buitenlandse Zaken en van Justitie desgevraagd te adviseren. De commissie bestond overigens in 1991 nog steeds.

)

Hoofdstuk 4 Het Departement van Buitenlandse Zaken (1948)1950-1958
4.1 Regeringscommissariaat voor het Europese Herstelprogramma 1948-1952

Relevante historische ontwikkelingen vanaf 1945 die de voorgeschiedenis, de totstandkoming en ontwikkeling van het Directoraat-Generaal voor het Economisch en Militaire Hulpprogramma (DGEM) in 1952 bepaald hebben zijn: de afwikkeling van Duitse aangelegenheden (na afloop van de Tweede Wereldoorlog), de Marshallhulp, de westerse militaire samenwerking en de Europese economische eenwording. Formeel gezien startte die ontwikkeling tot een nieuw directoraat-generaal buiten het departement.

Per 1 januari 1947 was dr. H.M. Hirschfeld (

Dr H.M. Hirschfeld bekleedde gedurende de Tweede Wereldoorlog weliswaar de positie van secretaris-generaal op het departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, maar wist zich na de oorlog door zijn langdurige staat van dienst en (internationaal) aanzien al snel de functie van regeringscommissaris te verwerven.

) aangesteld als regeringscommissaris in algemene dienst. Hirschfeld werd ondersteund bij zijn werkzaamheden door het ambtelijk apparaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Hiertoe beschikte de Directie Economische Zaken over het reeds genoemde Bureau Duitsland. Bij de departementale reorganisatie van 1950 zou het bureau van Hirschfeld opgaan in een Bureau Duitsland van de regionale Directie Europa (DEU). In 1954 werd het bureau opgeheven en de taken verdeeld over de Directie Westelijke Samenwerking (DWS) en DEU (zie verder hfdst. 4 'DGPZ').

Regeringscommissaris Hirschfeld was aanvankelijk belast met de voorbereiding van het buitenlandse beleid ten aanzien van Duitsland. Hij hield zich in het bijzonder bezig met voorbereiding van beleid met betrekking tot - en advisering aan de REA over - economische en financiële vraagstukken in verband met een mogelijk vredesverdrag met Duitsland.

Het specifieke, aan de oorlog gerelateerde karakter van de Duitse aangelegenheden ging overigens spoedig verloren bij het Bureau Duitsland van de regionale Directie Europa (DEU). Bij dit bureau werden vanaf 1952 ook EGKS-aangelegenheden (voor Kolen en Staal) behandeld. Overigens werd het beleid ten aanzien van de EGKS in eerste instantie door de BEB voorbereid. Hiertoe werd in het leven geroepen een Interdepartementale Contact Commissie voor de EGKS, waarin ook Buitenlandse Zaken vertegenwoordigd was. Belangrijke beslissingen werden genomen in de REA of de Ministerraad. (

De coördinatie van EGKS-aangelegenheden maakte enige tijd deel uit van de 'stammenstrijd' tussen de BEB en Buitenlandse Zaken. Hoewel de strijd in het voordeel van de BEB werd beslist, nam het politieke gewicht van de EGKS - en dus het belang voor BZ - snel af. Van der Togt, 51-54.

)

Op 14 januari 1948 werd Hirschfeld benoemd tot regeringscommissaris voor het Europese Herstel Programma (EHP). Het EHP werd gefinancierd uit de gelden van de Marshall-hulp. Voor de uitvoering van zijn taak werd hij bijgestaan door een nieuw bureau onder leiding van E.H. van der Beugel. Bij de OEES te Parijs werd een Nederlandse missie ingesteld, waarmee vanuit Nederland contact onderhouden werd door dat bureau. Hoewel Hirschfeld niet onder de minister van Buitenlandse Zaken ressorteerde, maakte hij wel gebruik van diens ambtelijk apparaat. De regeringscommissaris stond onder instructie van de Raad voor Economische Aangelegenheden (REA) uit de Ministerraad en was daaraan rechtstreeks verantwoording verschuldigd. Overigens werd het regeringscommissariaat wel de facto geassocieerd met het departement van Buitenlandse Zaken. Dit werd nog versterkt door de personele unie die bestond tussen de leiding van het bureau van het regeringscommissariaat en hoofden van DGPZ-onderdelen.

In 1950 was het regeringscommissariaat voor het EHP al uitgegroeid tot een bureau met vier afdelingen. Het bureau omvatte nu een Economisch-statistische afdeling, een afdeling Programmering en procedure, een afdeling ECA (Economic Cooperation Administration), technical assistance en algemene zaken en een afdeling Archief en documentatie. Voorts fungeerde Hirschfeld op dat moment niet alleen als regeringscommissaris voor het EHP, hij was bovendien regeringscommissaris voor Duitse zaken èn regeringscommissaris voor Benelux-aangelegenheden.

In 1950 startten de Verenigde Staten ook een militair hulpprogramma voor Europa. Nederland sloot een verdrag met de VS om in dit programma te kunnen participeren. Ook van dit programma werd Hirschfeld regeringscommissaris. De coördinerende instanties voor de twee hulpprogramma's werden geïntegreerd in één Regeringscommissariaat voor het Economische en Militaire Hulpprogramma (EMHP); het bureau kreeg voor elk programma zowel een directeur als een adjunct-directeur; er kwam een afdeling Militaire zaken en een Nederlandse vertegenwoordiging bij de NAVO (Noord Atlantische VerdragsOrganisatie). Verder werd nog een afdeling Administratieve zaken aan de organisatie toegevoegd. (

Tiende verslag van de Nederlandse regering aangaande de werking van het Europese Herstelprogramma, behandelende de periode oktober tot en met december 1950 ('s-Gravenhage 1951) 8-9. Meer over het militaire hulpprogramma in het verslag van het Pivotonderzoek bij het ministerie van Defensie.

)

Per 1 januari 1952 hield de ECA, de Amerikaanse instantie die vanaf 1948 belast was geweest met de uitvoering van het Marshall Plan, op te bestaan. Op grond van een nieuwe Amerikaanse wet, die veel meer de nadruk legde op versterking van de defensie in West-Europa, werd het Mutual Security Agency (MSA, Bureau voor Wederzijdse Beveiliging) ingesteld. Net als de ECA had de MSA een vertegenwoordiging in Nederland. (

Dertiende verslag van de Nederlandse regering aangaande de werking van het Europese herstelprogramma, behandelende de periode juli tot en met september 1951 ('s-Gravenhage 1951) 69.

) Aangezien de economische en de militaire hulp (

Uit regeringsverslagen blijkt overigens dat na invoering van het Mutual Security Program het aandeel van de economische hulpverlening slechts een zeer gering deel van de totale hulp uitmaakte. Voor het fiscale jaar 1952/1953 werd totaal $6032 mln. beschikbaar gesteld, waarvan $4226 mln. voor militaire hulp, $1282 mln. voor 'defense support', $472 mln. Voor economische hulp en $52 mln. voor overige doeleinden. Overigens besloot de Nederlandse regering in januari 1953 voortaan geheel af te zien van de economische hulp. Bepaalde vormen hiervan, zoals de technical assistance bleven vooralsnog gehandhaafd. Zestiende verslag van de Nederlandse regering inzake het economische hulpprogramma, behandelende de periode juli tot en met september 1952 ('s-Gravenhage 1952). 'Communiqué van 27 Januari 1953 betreffende het afzien van het doen van een verzoek om economische hulp voor het fiscale jaar 1952/53', Jaarboek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken 1952/1953 ('s-Gravenhage 1953) 281-282.

)
vanuit de Verenigde Staten juridisch en organisatorisch aldus meer geïntegreerd werden, waren aanpassingen in de Nederlandse coördinerende instantie vereist.

Op 12 september 1952, een maand voor het aangekondigde ontslag van de regeringscommissaris, besloot het kabinet de gehele organisatie voor het EMHP als nieuw directoraat-generaal onder te brengen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De kabinetsbeslissing werd bij Koninklijk Besluit van 14 oktober 1952 no. 500 formeel bekrachtigd. (

Staatsblad, 28 oktober 1952. Van der Togt, 39.

)

De taken van de regeringscommissaris voor het Europese Herstel Programma waren: algemene ambtelijke leiding van het EHP in Nederland, voorzitter van de Interdepartementale Commissie voor het EHP, contacten onderhouden met de Amerikaanse autoriteiten en met de Europese organisatie voor het EHP (later: OEES, Organisatie voor Europese Economische Samenwerking) te Parijs. De uitvoering van het Programma zou plaats vinden door Afdeling IV Programmering Europees Herstel Plan van het directoraat-generaal BEB van het Ministerie van Economische Zaken. Ter ondersteuning van de regeringscommissaris en het overleg was een bureau ingesteld dat secretariaatswerkzaamheden zou verrichten en de contacten met betrokken binnen- en buitenlandse instanties zou onderhouden. Als betrokken instanties golden: de Nederlandse missie bij de OEES, de Amerikaanse ECA-missie in Nederland, de Nederlandse ambassade te Washington, de ECA te Washington, de Interdepartementale Commissie voor het EHP en de Raad van Advies uit het bedrijfsleven.

De Economic Cooperation Administration was de Amerikaanse overheidsinstantie die belast was met de uitvoering van de Marshall-hulp aan Europa. De ECA had zowel vertegenwoordigers bij de OEES (het samenwerkingsverband van hulp-ontvangende landen) als in ieder ontvangend land afzonderlijk. De Nederlandse ambassade in Washington onderhield rechtstreeks contact met het hoofdkantoor van de ECA aldaar en werd hiertoe geïnstrueerd door de regeringscommissaris en diens bureau. In 1950 werd bij het bureau een aparte afdeling voor ECA-aangelegenheden ingesteld. Deze zelfde afdeling coördineerde de uit de zogenaamde 'technical assistance' voortvloeiende activiteiten. Die 'technische bijstand' bestond uit financiering met Marshall-hulpgelden van: studiereizen naar de Verenigde Staten, uitzending van Amerikaanse deskundigen naar Europa en de aanschaf van nieuwe apparatuur ten behoeve van technische opleidingen. Nederlandse voorstellen in het kader van de 'technical assistance' werden door de desbetreffende afdeling na regeringsgoedkeuring aan de Amerikaanse ECA-missie hier te lande ter uitvoering voorgelegd. (

Vierde verslag van de Nederlandse regering aangaande de werking van het Europese Herstelprogramma, behandelende de periode April tot en met Juni 1949 ('s-Gravenhage 1949) 17.

) In de Interdepartementale Commissie voor het EHP werd over het desbetreffende beleid onder voorzitterschap van de regeringscommissaris door de betrokken ministeries overleg gepleegd. De Raad van Advies uit het bedrijfsleven was ingesteld, omdat het bedrijfsleven direct belanghebbend was bij de Marshall-hulp. (

Eerste verslag van de Nederlandse regering aangaande de werking van het Europese Herstelprogramma, behandelende de periode April tot en met September 1948 ('s-Gravenhage 1948) 12-13. Van der Togt, 36.

)

Als regeringscommissaris voor Benelux-aangelegenheden was Hirschfeld zowel voorzitter van de Nederlandse delegatie in de Raad van Presidenten van de Raden der Belgisch-Nederlands-Luxemburgse Douaneovereenkomst, alsmede voorzitter van de Nederlandse delegatie in de Raad der Economische Unie. Deze raad is het hoogste ambtelijke orgaan van de Benelux. Hier worden besluiten

voorbereid en draagt men zorg voor de uitvoering daarvan. Beslissingsbevoegdheid heeft het Comité van Ministers.

4.2 Het Directoraat-Generaal voor het Economische en Militaire hulpprogramma (DGEM)

Per 1 november 1952 gingen de taken van het regeringscommissariaat voor het Economische en Militaire Hulpprogramma over naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het bureau van de regeringscommissaris werd hierbij opgeheven. Tot directeur-generaal voor het Economische en Militaire Hulpprogramma werd benoemd voormalig bureauhoofd Van der Beugel. Tevens was hij Financieel-Economisch Adviseur (FEAD) van de minister (zie hfdst. 10 'Stafdirecties en adviseurs').

Het DG was verdeeld in twee directies: een directie voor Economische aangelegenheden (DEA) en een directie voor Militaire aangelegenheden (DMA). De afdelingen van het regeringscommissariaat werden gecontinueerd en - in de militaire sfeer - in aantal uitgebreid

In 1955 werd de naam van DGEM veranderd in Directoraat Generaal voor Economische en Militaire aangelegenheden. De Verenigde Staten hadden in 1952 het economische hulpprogramma beëindigd.

De militaire hulp zou tot het begin van de jaren zestig doorgaan. (

Van der Togt, 41-42.

)

In zijn functie van directeur-generaal voor het Economische en Militaire Hulpprogramma werd Van der Beugel opgedragen:

'Algemene ambtelijke coördinatie ten aanzien van de uitvoering der Amerikaanse hulpprogramma's in Nederland; coördinatie van de contacten met de daarbij betrokken Amerikaanse instanties. Ambtelijke coördinatie van de Nederlandse werkzaamheden in de OEES, alsmede van de economische, militair-economische en financiële aangelegenheden in de NATO en de EDG [Europese Defensie Gemeenschap]. Voorbereiding en uitvoering van voor het ten aanzien van deze taken door de REA en de Algemene Verdedigingsraad te voeren beleid.' (

Gids van het Departement van Buitenlandse Zaken en de Buitenlandse dienst (1953), 19.

)

4.2.1 Directie Economische Aangelegenheden (DEA), 1952-1958

De twee directies van DGEM gaven ieder op eigen terrein invulling aan de hierboven omschreven, aan Van der Beugel opgedragen, taken. DEA kreeg derhalve de taak zorg te dragen voor de economische aangelegenheden. DEA verzorgde voorts de interdepartementale coördinatie van de werkzaamheden op haar terrein in de Interdepartementale Raad voor Militaire Aangelegenheden en de voorbereiding van instructies op civieleconomisch en financieel terrein aan de Nederlandse vertegenwoordiging bij de OEES, de NAVO en de EDG te Parijs. (

Vanaf 1952 was in Parijs gevestigd de 'Gecombineerde Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging bij de Noord Atlantische Raad, bij de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking en bij de Interim-commissie voor de Europese Defensie Gemeenschap'. De gehele missie stond onder leiding van Tjarda van Starkenborgh Stachhouwer. Na het ter ziele gaan van de EDG in 1954 werd de Gecombineerde PV voortgezet. In de jaren zestig worden deze Nederlandse vertegenwoordigingen gescheiden. Staatsalmanak 1952-1955.

) De Nederlandse standpuntbepaling bij de onderhandelingen voor de totstandkoming van de EDG werd onder voorzitterschap van Buitenlandse Zaken gecoördineerd in de interdepartementale Adviesraad voor de Europese Defensie Gemeenschap (1951-1952). Na het ter ziele gaan van de EDG verzorgde DEA instructies ten behoeve van de Nederlandse vertegenwoordiging bij de West-Europese Unie (WEU), die in Londen zetelde.

De werkzaamheden van DEA verschoven vanaf 1955 meer in de richting van Europese economische integratie (voorbereiding van de Europese Economische Gemeenschap). Het bureau (vanaf 1952: directie) Westelijke Samenwerking (DWS) van DGPZ behandelde onder andere de 'politieke' aspecten van beleidszaken met betrekking tot het Noord Atlantisch Verdrag, het Verdrag van Brussel en de Raad van Europa. Instructies aan de Nederlandse vertegenwoordigingen bij NAVO, WEU en Raad van Europa werden mede bij DWS voorbereid. Het bureau Benelux (DEU/BE) was er voor de voorbereiding van het buitenlandse beleid ten aanzien van België, Luxemburg en de Benelux. De gedeeltelijke overlap in taken met DGEM leidde tot de afspraak dat DWS politieke aspecten en DGEM/DEA financieel-economische aspecten zou behandelen. In de praktijk betekende dit echter dat DGEM een groter aandeel had in de beleidsvorming, daar de voorbereiding van de integratieplannen en de Europese verdragen voornamelijk financieel-economische expertise vergde. De Nederlandse afvaardiging in de Permanente (Benelux) Commissie voor de coördinatie van de handelspolitiek bestond aanvankelijk uit medewerkers van DEU/BE. Vanaf 1955 was ook DEA vertegenwoordigd.

Na 1958 kwamen alle Benelux-aangelegenheden bij DGES terecht en bestond de afvaardiging uit medewerkers van DIE/EB. (

Van der Togt, hfdst. VII.

)

4.2.2 Directie Militaire Aangelegenheden (DMA), 1952-1958

DMA hield zich bezig met de militaire aspecten van de uitvoering van de Amerikaanse hulpprogramma's in Nederland en de militaire aangelegenheden met betrekking tot NAVO en EDG. DMA gaf instructies op militair-economisch en financieel gebied alleen aan de Nederlandse vertegenwoordiging bij NAVO en EDG. Voorts voerde DMA het secretariaat van de Interdepartementale Raad voor het Militaire Hulpprogramma, die de coördinatiefunctie van het voormalige regeringscommissariaat deels had overgenomen.

4.3 Ontstaan van Directeur-Generaal Politieke Zaken

Zoals in hoofdstuk twee is beschreven, is het directoraat-generaal Politieke Zaken tot stand gekomen bij de reorganisatie van 1950. De directies Politieke Zaken, Economische Zaken en Verkeer en Grote Rivieren werden bij die gelegenheid bij elkaar gevoegd en opnieuw gestructureerd. Het was de bedoeling de beleidsvorming in het ministerie in één onderdeel, DGPZ, te concentreren. Overigens kwam daar, zoals in het vervolg zal blijken, al snel de klad in door de instelling van beleidsdirecties buiten DGPZ. De instelling van DGIN (1951) en DGEM (1952) getuigen daarvan. Een ander uitgangspunt bij de reorganisatie was een regionale indeling van de werkzaamheden in plaats van een functionele. Op die manier ontstonden vier regionale directies: Europa (DEU), Westelijk Halfrond (DWH), Oosten (DOA), Afrika en Midden-Oosten (DAM). Daarnaast werd op mondiale grondslag de directie Internationale Organisaties (DIO) ingesteld; de directie kreeg alle internationale organisaties te behandelen met een wereldwijde werkingssfeer; de behandeling van internationale organisaties met een uitgesproken regionaal karakter werd overgelaten aan de regionale directies. Het directoraat-generaal werd gecompleteerd met de in 1945 ingestelde directie Voorlichting Buitenland (DVB). In verband met de personele implicaties werden de taken van deze directie, waarvan men overigens vond dat ze nauw samenhingen met het politieke beleid, niet over de regionale directies verdeeld, maar werd de directie in z'n geheel ondergebracht in het nieuwe directoraat-generaal. De `Directie-Generaal Politieke Zaken' was hiermee rond. (

Deze betiteling werd voor het eerst aangetroffen in een memo van dr. Pierson van 9 augustus 1949. Code 130.1 Formatie departement, 1945-1954.

)

4.4 De taakontwikkeling van het Directoraat-Generaal Politieke Zaken 1950-1958

In de taak van DGPZ hebben zich sinds 1950 een aantal verschuivingen voorgedaan, die terug te voeren zijn op organisatorische veranderingen. De instelling van de hierboven genoemde directoraten-generaal is hier één van; het schuiven met de directie Culturele Samenwerking en Voorlichting Buitenland (DCV) naar een plaats rechtstreeks onder de secretaris-generaal en weer terug (zie hieronder) een andere. Afgaande op de algemene taakomschrijving zou er gedurende de periode 1950-1990 echter nooit iets veranderd zijn. In 1990 luidde die nog bijna hetzelfde als in 1950: `de behandeling van alle aangelegenheden van buitenlandse politiek in de ruimste zin van het woord, derhalve alle zaken waaraan een beleidsaspect is verbonden, ongeacht of het zuiver politieke dan wel economische, sociale of verkeersvraagstukken geldt, voorzover zij betrekking hebben op de bij ieder bureau vermelde landen of regionale organisaties'. (

Gids (1990/91) 28.

)

Deze taakomschrijving is dermate breed geformuleerd, dat alle mogelijke onderwerpen eronder schuil kunnen gaan. Zodra aan een onderwerp een aspect van buitenlands beleid zit en het betrekking heeft op één van de bij de directies vermelde regio's of regionale organisaties kan behandeling door het directoraat-generaal plaatsvinden.

Hebben er zich in de algemene taakomschrijving zelf geen wijzigingen voorgedaan, in de organisatorische invulling daarvan is wel het één en ander gewijzigd. Weliswaar kwam bij de herverdeling van taken van DGEM, dat in 1958 werd opgeheven, het veiligheidsbeleid aan DGPZ toe, met de overheveling van het Europese beleid naar DGES heeft DGPZ toch per saldo in belangrijkheid ingeboet. Het principe van DGPZ als enige beleidsonderdeel, zoals het bij de reorganisatie van 1950 gedacht was, werd hiermee wel definitief verlaten.

Overigens wist de directeur-generaal Politieke Zaken (zie volgende paragraaf) tussen het toenemend aantal andere DG's wel de status van primus inter pares te handhaven. Het feit dat nieuw ingestelde directoraten-generaal bepaalde taken, of beleidsonderwerpen, overnamen, wilde overigens niet zeggen dat DGPZ daar dan ook niets meer mee te maken had. De verantwoordelijkheid van DGPZ voor de politieke eenheid van het beleid bleef; de directeur-generaal was en is verantwoordelijk voor de coördinatie van de politieke werkzaamheden van de directoraten-generaal. DGPZ wordt daarom door middel van consultaties en kopie-verlening van alles wat ook maar enigszins van belang kan zijn op de hoogte gehouden.

Het handhaven van de algemene taakomschrijving kon ook niet voorkomen dat, bijvoorbeeld als gevolg van de naoorlogse dekolonisatie van Afrika, Azië, het Midden-Oosten en het Caraïbisch gebied, het aantal staten in de wereld verdubbelde tot een totaal van 160. (

Internationale Samenwerking 10 (1992) 15.

) Omgekeerd hebben landen opgehouden te bestaan, zoals recentelijk de Duitse Democratische Republiek (1991). Ook ten aanzien van de regionale organisaties is iets dergelijks gebeurd. Om slechts één voorbeeld te geven: in 1957 werd de Europese Economische Gemeenschap opgericht (later: Europese Gemeenschappen, nu Europese Unie), hetgeen aanleiding gaf tot de instelling van DGES.

4.5 De functie Directeur-Generaal Politieke Zaken

Aan het hoofd van de - toen nog - directie-generaal Politieke Zaken was een assistent-secretaris-generaal Politieke Zaken gepland. Tegen deze figuur was aanvankelijk vanuit de directies tegenstand gekomen: hij zou hun zelfstandigheid kunnen beperken. De minister zette echter door omdat een dergelijke functionaris de secretaris-generaal zou ontlasten, die dan in staat zou zijn hem naar besprekingen in het buitenland te vergezellen. (

Verslag van de bespreking van de secretaris-generaal van Buitenlandse Zaken met de Raad voor Rijkspersoneelsaangelegenheden inzake de topformatie van het ministerie, 27 oktober 1949, code 130.1 map 3133.

) Hij gaf de chefs van de directies de verzekering dat zij ondanks de assistent-secretaris-generaal direct toegang tot hem en tot de secretaris-generaal zouden blijven behouden.

Een functionaris met de titel assistent-secretaris-generaal Politieke Zaken is echter nooit benoemd. In plaats daarvan werd in januari 1951, een jaar na het van start gaan van de nieuwe organisatiestructuur, een directeur-generaal Politieke Zaken, Jhr. O. Reuchlin, aangesteld. Zijn taakomschrijving luidde: de behandeling van `aangelegenheden meer dan één beleidsdirectie betreffende, benevens coördinatie van de werkzaamheden dezer directies'. (

Gids 1950, 16.

)

Met de instelling van de andere directoraten-generaal, zoals in 1952, in 1953, in 1958 en 1964 werd de taak van de directeur-generaal Politieke Zaken uitgebreid met de `coördinatie van de politieke werkzaamheden van de directoraten-generaal'.Zijn taakomschrijving is sindsdien niet meer gewijzigd. De functie van directeur-generaal Politieke Zaken is achtereenvolgens uitgeoefend door de volgende personen:

  • 1950-1953 : jhr O. Reuchlin
  • 1953-1957 : mr H.F. Eschauzier
  • 1958-1959 : dr H.R. van Houten
  • 1959-1960 : vacature, waarneming door mr E. Schokker
  • 1960-1964 : mr J.A.G. baron de Vos van Steenwijk
  • 1964-1970 : jhr mr J.A. de Ranitz
  • 1970-1974 : D.W. baron van Lynden
  • 1974-1980 : mr M.H.J.C. Rutten
  • 1980-1982 : dr K.W. Reinink
  • 1982-1986 : mr A.P.R. Jacobovits de Szeged
  • 1986-1988 : mr H. Wijnaendts
  • 1988-1993 : mr A.P. van Walsum

De directeur-generaal vertegenwoordigde het departement in de volgende raden en commissies:

  • Interdepartementale adviescommissie voor de Europese integratie, 1954-1956
  • Commissie voor Atoomenergie, 1945-1957
  • Adviescommissie voor het bedrijfsleven, 1957-
  • Adviescommissie buitenlandse dienst, 1966-onbekend
  • Commissie heroriëntatie overheidsvoorlichting, 1969-1970
  • Ambtelijke coördinatiecommissie voor de integratie en de vrijhandelszone, 1957-1958
  • Raad voor Europese Zaken (onderraad MR), 1963-heden
  • Algemene Verdedigingsraad (onderraad MR), 1966-heden
  • Coördinatiecommissie voor de Civiele Verdediging (ambtelijk voorportaal), 1972-1987
  • Coördinatiecommissie voor de Militaire Verdediging (ambtelijk voorportaal), 1972-1987
  • Interdepartementale commissie bescherming installaties Noordzee, 1975-onbekend

Hij vertegenwoordigde Nederland in:

  • Permanente consultatieve commissie voor de buitenlandse politiek der Beneluxlanden, 1952-1958, 1960-
  • Politieke Commissie van de Europese Politieke Samenwerking (dagelijks bestuur van de EPS), 1970
4.6 De directies van Directeur-Generaal Politieke Zaken

DGPZ kwam uit de reorganisatie van 1950 te voorschijn als een organisatie-eenheid met één directeur-generaal, vier regionale directies (DAM, DEU, DOA en DWH), één mondiaal opererende directie (DIO) en één directie met voorlichting tot taak (DVB).

De directies staan onder leiding van een chef en worden gevormd door een wisselend aantal bureaus, die soms ondergebracht zijn in afdelingen. Tot plaatsvervanger van de chef wordt meestal een afdelings- of bureauhoofd aangewezen. Ook mogelijk is de figuur van souschef, een `permanente' plaatsvervanger; in dat geval is er niet een plv. chef. De figuur van `eerste medewerker' (EM) ter versterking van de leiding van de directie is niet gebruikelijk en komt weinig voor. Voorbeelden zijn de eerste medewerker van de Directie Atlantische Samenwerking en Veiligheidszaken (DAV) gedurende de jaren 1983-1987 en de eerste medewerker van de Directie Westelijk Halfrond, die tevens de functie van Adviseur Koninkrijkszaken vervulde gedurende de jaren 1986-1990. Meer gebruik is gemaakt van de figuur `toegevoegd aan' de chef van een directie. Deze medewerker werd veelal belast met bijzondere opdrachten.

De gebruikelijke personeelsformatie van een directie bestaat dus uit een chef, eventueel een souschef, één of twee afdelingshoofden, waarvan één plv. chef, een aantal bureauhoofden, waarvan mogelijk één plv. chef en een x-aantal bureaumedewerkers.

4.7 Directie Europa (DEU), 1950-

Samen met de directie Westelijk Halfrond, de directie Oosten en de directie Afrika en Midden-Oosten is de directie Europa verantwoordelijk voor de voorbereiding van het buitenlandse politieke beleid ten aanzien van, en de verzorging van de bilateratele betrekkingen van Nederland met de andere landen in de wereld. De directie Europa doet dat, zoals de naam al aangeeft, voor de regio Europa. De directie is ingesteld bij de reorganisatie van 1950 en is nadien niet van naam veranderd, noch opgeheven. De taakomschrijving is gedurende de gehele periode 1950-1990 in algemene zin ongewijzigd gebleven:

het behandelen van alle aangelegenheden van buitenlandse politiek in de ruimste zin van het woord, derhalve alle zaken waaraan een beleidsaspect is verbonden, ongeacht of het zuiver politieke dan wel economisch, sociale of verkeersvraagstukken geldt, voorzover zij betrekking hebben op de bij de bureaus vermelde landen of regionale organisaties.

De taak van de chef van de directie, chef DEU, bestaat uit de leiding over de bureaus, de coördinatie van de werkzaamheden en de coördinatie van aangelegenheden die meerdere bureaus betreffen. Hij heeft directe toegang tot de ambtelijke en politieke leiding en vertegenwoordigt het departement in delegaties, raden en commissies. (

Lijst is niet volledig.

)

Hij is/was:

  • lid van de Nederlandse delegatie van de Internationale commissie voor de bescherming van de Rijn tegen verontreiniging, 1963-1990;
  • lid van de Nederlandse delegatie van de Permanente commissie voor de coördinatie van de handelspolitiek (Benelux), 1950-1958;
  • lid van de Nederlandse delegatie van de Administratieve raad voor de douaneregelingen (Benelux), 1950-1958;
  • lid van de Nederlandse delegatie van de Raad voor de Economische Unie (Benelux), 1950-1958;
  • lid van de Nederlandse delegatie van de Raad voor de Handelsakkoorden (Benelux), 1950-1958;
  • lid van de Nederlandse delegatie van de Permanente consultatieve commissie voor de buitenlandse politiek der Beneluxlanden, 1955-1960 en 1961-1963 (voorzitter is DGPZ);
  • voorzitter van de Interdepartementale coördinatiecommissie inzake de betrekkingen tussen de Benelux-regeringen en de Raadgevende Interparlementaire Benelux-Raad (1959-heden);
  • voorzitter van de Interdepartementale commissie inzake Nationalisatievraagstukken, 1957-1964;
  • lid van het Comité Coördination Politique van de EPS, 1970 heden.

Bij de instelling in 1950 bestond de directie uit vijf bureaus, te weten Westelijke Samenwerking (DEU/WS), West-Europa (DEU/WE), Oost-Europa (DEU/OE), Duitsland (DEU/DU) en Benelux (DEU/BE). In 1990 bestonden alleen nog de bureaus West-Europa en Oost-Europa. Hier onder wordt deze ontwikkeling, voor wat betreft organisatie en taken, nader uit de doeken gedaan. Vooraf gaat een overzicht van de wijzigingen van de regioverdeling per bureau.

Bureau Duitsland (DEU/DU), 1950-1953: Bondsrepubliek Duitsland, Saargebied, Berlijn en de Russische bezettingszone.

Bureau West-Europa (DEU/WE), 1950-1967: België (vanaf 1958, daarvoor bij DEU/BE), Cyprus (vanaf 1965, daarvoor bij DEU/OE), Denemarken, Finland, Frankrijk, Griekenland (vanaf 1965. daarvoor bij DEU/OE), Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Ierland (Gids van 1950-1962; Gids vanaf 1967), Italië, Luxemburg (vanaf 1958, daarvoor bij DEU/BE), Noorwegen, Oostenrijk (in 1953 over naar DEU/ME), Portugal, Spanje, Turkije (vanaf 1965, daarvoor bij DEU/OE), Vaticaan (vanaf Gids van 1953), IJsland, Zweden, Zwitserland (in 1953 over naar DEU/ME).

Bureau Oost-Europa (DEU/OE), 1950-1990: Albanië, Bulgarije, Cyprus (in 1965 over naar DEU/WE), Duitse Democratische Republiek (vanaf 1988), Griekenland (in 1965 over naar DEU/WE), Hongarije, Joegoslavië (in Gids 1950 en vanaf 1972), Polen, Roemenië, Tsjechoslowakije, Turkije (in 1965 over naar DEU/WE), Ukraïne (alleen opgave in Gids 1950), Unie van Socialistische Sovjet Republieken, Wit-Rusland (alleen opgave in Gids 1950), Zuid-Slavië (t/m 1972; zie Joegoslavië).

Bureau Midden-Europa (DEU/ME), 1953-1967: Bondsrepubliek Duitsland (inclusief Russische bezettingszone), Saargebied (wordt in 1957 opgenomen in de Bondsrepubliek Duitsland), Berlijn, Oostenrijk, Zwitserland, alsmede de Centrale Rijnvaartcommissie en het Internationaal orgaan voor de Ruhr.

4.7.1 Bureau Westelijke Samenwerking (DEU/WS), 1950-1952

Het Bureau Westelijke Samenwerking kreeg bij de reorganisatie tot taak de behandeling van alle aangelegenheden betreffende het Noord-Atlantisch Verdrag (NAVO), het Verdrag van Brussel en de Raad van Europa. Deze taak stond toen nog in de kinderschoenen. Het Noord-Atlantisch Verdrag was net in werking getreden en bracht nog niet veel werkzaamheden met zich mee. (

De Gecombineerde Permanente Vertegenwoordiging bij de Noord-Atlantische Raad, bij de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking (OEES) en bij de Interim-commissie voor de Europese Defensiegemeenschap (EDG) werd ook pas in 1952 opgericht.

) Ook de Raad van Europa was net opgericht. De ontwikkelingen gingen echter snel. Door het streven naar Europese integratie was er een geheel nieuw werkterrein ontstaan. Ten tijde van de reorganisatie van het departement was de Europese samenwerking nog een in hoofdzaak economische aangelegenheid, die in eerste instantie behandeld werd door de Regeringscommissaris voor het Europees Herstel Programma. De politieke aspecten kwamen echter meer en meer naar voren. Het bureau Westelijke Samenwerking moest zich daarvan voortdurend op de hoogte houden. Voorts zorgden het Schumanplan en het plan-Pleven (agrarische integratie) ook voor de nodige werkzaamheden. De toename van de werklast, ook als gevolg van de toenemende werkzaamheden ten aanzien van de NAVO, de Raad van Europa, het Verdrag van Brussel en de Westelijke Unie (WU), leidde tot de beslissing het bureau om te vormen tot een directie. De behoefte om extern, o.a. met het bureau van de Regeringscommmissaris, de BEB en de thesaurier-generaal op gelijkwaardig niveau, dus op directeurs-generaal niveau te communiceren, droeg het nodige aan deze beslissing bij. In april 1952 was de omzetting van het bureau in de directie Westelijke Samenwerking een feit (zie verder 4.12).

4.7.2 Bureau Duitsland (DEU/DU), 1950-1953

Het beleidsterrein van bureau Duitsland werd gevormd door het grondgebied van het voormalige Derde Rijk. Als taakopvolger van het bureau Duitsland van de directie Economische Zaken verzorgde het bureau Duitsland tevens de ambtelijke ondersteuning van de regeringscommissaris voor Duitse zaken. (

Zie ook paragraaf 10 van hoofdstuk 3. Van der Togt, 34-35.

) Voorts behandelde het bureau de Centrale Rijnvaartcommissie en het Internationaal Orgaan voor het Ruhrgebied. Met de instelling van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) in 1952 kwam ook deze organisatie onder bureau Duitsland te ressorteren, zij het in naam. Voor de behandeling van EGKS-aangelegenheden ressorteerde het bureau niet onder de directie Europa, maar onder de directie Westelijke Samenwerking (DWS). Aan deze situatie werd met ingang van 1 maart 1955 een einde gemaakt, toen de behandeling van EGKS-aangelegenheden geheel kwam te berusten bij het bureau Integratie Europa van de directie Westelijke Samenwerking (DWS/IE).

Het bureau was vertegenwoordigd in het bestuur van de Stichting Coördinatiecommissie voor culturele betrekkingen met Duitsland, 1950-1953.

In 1953 werd het bureau opgevolgd door bureau Midden-Europa (DEU/ME).

4.7.3 Bureau Benelux (DEU/BE), 1950-1958

Het bureau Benelux was een wat langer leven beschoren. Naast de behartiging van de bilaterale betrekkingen met België en Luxemburg behoorde tevens het Nederlandse politiek beleid ten aanzien van de Benelux tot haar takenpakket. De economische aspecten van de Benelux werden behandeld en gecoördineerd door het DG Buitenlandse Economische Betrekkingen van het Ministerie van Economische Zaken. (

Van der Togt, 50.

) In 1958 gingen met de instelling van het directoraat-generaal Europese Samenwerking de taken met betrekking tot de Benelux-Economische Unie over naar het nieuwe DG. De bilaterale aangelegenheden met betrekking tot België en Luxemburg werden overgenomen door het bureau West-Europa (DEU/WE). De aangelegenheden betreffende de Interparlementaire Beneluxraad en de Interdepartementale Benelux-commissie bleven vooralsnog door de Directie Europa behandeld worden.

4.7.4 Bureau West-Europa (DEU/WE), 1950-1967

Zoals hierboven al is vermeld, kreeg bureau West-Europa in 1958 de politieke beleidstaken van Bureau Benelux (DEU/BE) met betrekking tot België, Luxemburg en de Benelux opgedragen. Betreffende de Benelux ging het hierbij om:

  • aangelegenheden betreffende de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad
  • coördinatie van de Benelux-samenwerking buiten de Economische Unie
  • voorbereiding van de ambtelijke Benelux-samenwerking op buitenlands politiek gebied in het kader van het Comité de Coördination Politique (COCOPO).

Taken die 'in wezen niet tot de competentie van de politieke directie DEU, en nog minder bij het bureau West-Europa' behoorden, waren de nationalisatiekwesties en de behandeling van de schadeclaims in Oost-Europese landen. (

Memo van chef DEU aan S, 26 maart 1959, code 130.1 DEU, deel II, 1955-1964.

) Dat dit wel gebeurde, kwam doordat de behandeling van deze aangelegenheden vanaf het begin af aan in 1948 aan één persoon, mr A. van der Walle, waren verbonden. Mr van der Walle was secretaris van de in 1949 opgerichte Interdepartementale Commissie Nationalisatievraagstukken. Hij werkte toen bij de directie Economische Zaken (DEZ). Na de reorganisatie kwam hij achtereenvolgens terecht bij het bureau Oost-Europa (1950-1953), de directie Westelijke Samenwerking (1953-1956), het bureau West-Europa (1956-1960) en van 1960 tot en met 1963 bij chef DEU als toegevoegd ambtenaar. Steeds bleef hij nationalisatievraagstukken behandelen. Het voorzitterschap van de Commissie Nationalisatievraagstukken ging in 1950 na de opheffing van DEZ over op chef DEU. In 1965, toen mr. Van der Walle toegevoegd werd aan chef DAZ, ging de behandeling van de schadeclaims ook over naar DAZ. De hier bedoelde werkzaamheden waren geheel financieel van aard.

In september 1967 werd de naam van bureau West-Europa gewijzigd in bureau West- en Zuid-Europa (DEU/WE). Dit omdat de taken met betrekking tot Denemarken, Finland, Noorwegen, IJsland en Zweden aan het bureau Midden-Europa werden overgedragen. De naam van bureau Midden-Europa werd ook gewijzigd en wel in bureau Noord- en Midden-Europa (DEU/ME). De afkorting van beide bureaus bleef dezelfde; dus DEU/WE en DEU/ME.

Secretariaten:

  • Interdepartementale Coördinatiecommissie inzake de betrekkingen tussen de Beneluxregeringen en de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad (Coördinatiecommissie Interparlementaire Beneluxraad), 1959-1967.
  • Interdepartementale commissie inzake nationalisatievraagstukken / nationalisatieclaims in de Oost-Europese landen, 1950-1953

4.7.5 Bureau Oost-Europa (DEU/OE), 1950-1990

Regionale organisaties die behandeld werden bij het bureau Oost-Europa waren onder meer het Warschau Pact, de Comecon en het Wereld Verbond van Vakverenigingen.

In organisatorisch opzicht heeft dit bureau weinig veranderingen ondergaan. De enige wijziging betrof de overdracht in 1988 van de behandeling van de Duitse Democratische Republiek door het bureau West-Europa (DEU/WE).

Ten aanzien van de behandeling van nationalisatievraagstukken geldt hetzelfde als voor bureau West-Europa (DEU/WE). Mr Van der Walle was gedurende de jaren 1950-1953 aan dit bureau verbonden en behandelde die jaren tevens de nationalisatievraagstukken.

Een bijzondere taak van dit bureau is de behartiging van Israëlische belangen in de Sowjet-Unie en Polen. Het bureau verricht deze taak ten aanzien van de Sowjet-Unie vanaf 1953 toen Israël de diplomatieke betrekkingen met Rusland verbrak en Nederland vroeg de behartiging van de Israëlische diplomatieke belangen in Rusland op zich te willen nemen. (

Jaarboek van het ministerie van Buitenlandse Zaken, 1952/53 (1953) 115.

) Sinds juni 1967 doet het bureau hetzelfde ten aanzien van Polen na de verbreking van de diplomatieke betrekkingen tussen Polen en Israël. (

Jaarboek van het ministerie van Buitenlandse Zaken, 1966-1967 (1967) 94-95.

)

Commissies en secretariaten:

  • Lid van de Interdepartementale commissie inzake de verhouding overheid-Nederlandse belangen in het buitenland
  • Secretariaat van de Interdepartementale commissie inzake nationalisatievraagstukken / nationalisatieclaims in de Oost-Europese landen, 1950-1953.

4.7.6 Bureau Midden-Europa (DEU/ME), 1953-1967

Ten aanzien van de EGKS-aangelegenheden gold hetzelfde als voor de taakvoorloper bureau Duitsland: het bureau ressorteerde bij de behandeling daarvan niet onder DEU, maar onder de directie Westelijke Samenwerking. Met ingang van 1 maart 1955 werd de behandeling van de EGKS overgedragen aan het bureau Integratie Europa van DWS (DWS/IE).

Met ingang van 25 september 1967 werd de naam van het bureau gewijzigd in bureau Noord- en Midden-Europa. De afkorting van het bureau, DEU/ME, bleef ongewijzigd. Reden van de naamsverandering was de overname van bureau West-Europa (DEU/WE) van de behandeling van de aangelegenheden met en met betrekking tot Denemarken, Finland, Noorwegen, IJsland en Zweden.

Het bureau was vertegenwoordigd in het bestuur van de

  • Stichting Coördinatiecommissie voor culturele betrekkingen met Duitsland, 1953-.... en lid van de
  • Interdepartementale contactcommissie betreffende de Europese gemeenschap voor Kolen en Staal, 1953-....
4.8 Directie Afrika en Midden-Oosten 1950-

Ingesteld bij de reorganisatie van 1950. Werd op dat moment verdeeld in een Bureau Afrika (DAM/AF) en een Bureau Midden-Oosten (DAM/MO). In 1968 werd DAM/AF uitgebreid tot een Afdeling Afrika met twee bureaus: Noord-Afrika (DAM/ND) en Centraal- en Zuidelijk-Afrika (DAM/CZ). Aan DAM/MO werd in 1973 de Sectie uitvoering compensatieakkoord Egypte (DAM/CE) toegevoegd. De sectie werd in 1989 opgeheven. In 1976 kwamen DAM/CZ en DAM/ND rechtstreeks onder de directieleiding te ressorteren en werd de afdeling daar tussen in opgeheven. DAM/CZ werd in 1983 gesplitst in een Bureau Centraal Afrika (DAM/CA) en Zuidelijk Afrika (DAM/ZD). DAM/CA en DAM/ND werden in 1989 gecombineerd tot Bureau Centraal en Noord-Afrika (DAM/CN).

De DAM-regio is aan de 'buitengrenzen' nauwelijks veranderd sinds 1950; alleen Afghanistan is in 1985 aan Bureau Zuid-Azië van de Directie Oosten (DOA/ZA) toebedeeld. Wel is het aantal onafhankelijke Afrikaanse staten na de Tweede Wereldoorlog en vooral in de jaren zestig en zeventig ten gevolge van de dekolonisatie sterk gegroeid. Had Nederland in 1962 13 ambassades in de DAMregio, in 1977 was dit aantal gegroeid tot 28.

De taken van deze regionale beleidsdirectie verschillen niet van die van de andere, zij het dan dat ze betrekking hebben op de landen in Afrika en het Midden-Oosten:

'Behandeling van alle aangelegenheden van buitenlandse politiek in de ruimste zin van het woord, derhalve alle zaken waaraan een beleidsaspect is verbonden, ongeacht of het zuiver politieke dan wel economische, sociale of verkeersvraagstukken geldt, voor zover zij betrekking hebben op de bij de bureaus vermelde landen of regionale organisaties.'

Aan het laatste element uit deze globale omschrijving moet toegevoegd worden dat ook in multilaterale organisaties waar Nederland deel van uit maakt (o.a. EG, VN, NAVO) Afrikaanse aangelegenheden behandeld worden. Ook het Nederlandse beleid dat daar wordt uitgedragen wordt mede voorbereid in deze directie.

Uit 1990 dateert de volgende, meer nauwkeurige taakomschrijving:

  • Het volgen, analyseren en becommentariëren van ontwikkelingen op binnenlands en buitenlands politiek terrein in of van belang voor de DAM-regio. Hierbij inbegrepen de ontwikkelingen waaraan economische, financiële, culturele, sociale, of ontwikkelingssamenwerkingsaspecten zijn verbonden;
  • Het adviseren van de departementsleiding en bewindslieden omtrent het te voeren beleid;
  • Het voorbereiden van het door Nederland in te nemen standpunt ten aanzien van kwesties in de DAM-regio, het in EPS-kader verdedigen en uitdragen van dit standpunt;
  • Het leveren van gespreksstof ten behoeve van M, MP of de Koningin;
  • Het voorbereiden van en het assisteren bij behandeling in de Kamer van ontwikkelingen met betrekking tot landen in de DAM-regio;
  • Het informeren van de posten over beleidsbeslissingen en het opstellen van instructies;
  • Het voeren van besprekingen met andere departementsonderdelen, departementen, buitenlandse ambassades in Nederland, vakbonden en particuliere organisaties.

Ten aanzien van contacten met particuliere organisaties moeten in het bijzonder het Afrika Instituut en het Afrika Studiecentrum genoemd worden.

Naast de taken ten aanzien van het Nederlandse buitenlandse beleid verricht DAM werkzaamheden voor landen waarvan Nederlandse posten de belangen vertegenwoordigen (Frankrijk, België).

De Sectie Uitvoering Compensatieaccoord Egypte is in uitzondering op de overige directieonderdelen uitvoerend en is ingesteld naar aanleiding van het met Egypte gesloten akkoord. De sectie verifieert vorderingen en verzorgt uitkeringen tot schadeloosstelling van Nederlandse belangen in Egypte, welke door nationalisaties en dergelijke zijn getroffen in de periode 1960-1962.

4.9 Directie Oosten (DOA), 1950-1976, Directie Azië en Oceanië (DOA), 1977-

Bij de instelling van Directie Oosten (DOA) in 1950 werden drie bureaus gecreëerd: Bureau Zuid-Azië (DOA/ZA), Bureau Oost-Azië (DOA/OP) en Bureau Indonesië (DOA/IN). Vanwege de overdracht van Indonesische aangelegenheden door het Ministerie van Uniezaken en Overzeese Rijksdelen (MINUOR) aan Buitenlandse Zaken, werd een Directoraat-Generaal Indonesië (DGIN) ingesteld. DOA/IN ging bij die gelegenheid op in de Directie Beleidszaken Indonesië (DBI) van DGIN.

Bij de opheffing van DGIN in 1965 kwam DOA/IN terug bij de directie, nu als Afdeling Indonesië (wederom DOA/IN). Hieronder kwamen twee voormalige DBI-bureaus te ressorteren: Bureau Economische en Financiële Zaken (DOA/EF) en Bureau Politieke Zaken (DOA/PL).

Net als andere regionale beleidsdirecties heeft DOA van meet af aan tot taak gehad de behandeling van:

'alle aangelegenheden van buitenlandse politiek in de ruimste zin van het woord, derhalve alle zaken waaraan een beleidsaspect is verbonden, ongeacht of het zuiver politieke dan wel economische, sociale of verkeersvraagstukken geldt, voor zover zij betrekking hebben op de bij ieder bureau vermelde landen of regionale organisaties.' (

Gids 1987.

)

Concrete werkzaamheden die uit deze taak voortvloeien zijn: het bestuderen van politieke en economische rapportages van diplomatieke en consulaire posten, het zonodig distribueren hiervan binnen het ministerie, het eventueel samenvatten hiervan in zogenaamde vertrouwelijke resumé's voor de vaste kamercommissie, posten en departementsleiding, het documenteren, het informeren van andere departementen, industrieën, universiteiten, instituten en personen, het aantrekken en ontvangen van missies van velerlei aard uit de betreffende regio, welke Nederland willen bezoeken voor culturele, commerciële of studiedoeleinden. (

Archiefcode 130.1 DOA, 16 september 1953.

)

Voor zover toegespitst op Indonesië ging deze taak in februari 1953 van DOA naar DGIN. Tussen de Directie Beleidszaken (DBI) van DGIN en DOA/OP kwam in dat zelfde jaar een taakverdeling tot stand met betrekking tot Nieuw-Guinea. Alle zaken betreffende Nieuw-Guinea zouden door DOA/OP behandeld worden, uitgezonderd die waar de verhouding tussen Indonesië en Nieuw-Guinea aan de orde was. Uitgaande stukken zou men elkaar ter visie voorleggen.

De landen ten aanzien waarvan DOA/OP bovengenoemde taken uitvoerde, waren: Australië, Buiten Mongolië, China (t/m 1952), China, incl. Formosa en Tibet (vanaf 1953), Filippijnse Rep. (vanaf 1965), Formosa (1950), Hongkong (vanaf 1953), Japan, Korea, Macao (vanaf 1953), Ned. Nieuw-Guinea (1953-1962), Nieuw-Zeeland, Oceanië, Philippijnen (t/m 1964), Tibet (1951-1952). Ook behandelde DOA/OP zaken ten aanzien van de Zuid-Pacific Commissie (t/m 1962) en de Far Eastern Commission (t/m 1952). In uitzondering op de algemene taken van een regionaal bureau behandelde DOA/OP rekesten tot invrijheidsstelling van Japanse oorlogsmisdadigers op grond van art. 11 van het Vredesverdrag met Japan van 8 september 1951. (

Beschikking GS van 17 december 1954, DOA/OP 158781.

)

DOA/ZA richt zich op de landen: Birma, Britse gebiedsdelen op Borneo (vanaf 1961), Broenei (1965), Ceylon (later SriLanka), Franse gebiedsdelen (t/m 1956), India, Indochina (t/m 1954), Kambodja (vanaf 1957, later Khmer, Kampuchea), Laos (vanaf 1957), Maleisië, Singapore, Nepal, Pakistan, Portugese gebiedsdelen, Portugees Timor, Thailand, Tibet, Vietnam (vanaf 1957). Binnen de bovenvermelde algemene taak ten aanzien van landen in Zuid-Azië, behandelde DOA/ZA ook zaken ten aanzien van de Economic Commission Asia and the Far East (ECAFE, t/m 1956) en het zogenaamde Colomboplan van deze VN-commissie (een ontwikkelingsplan voor India, Pakistan en Ceylon). Hierdoor had DOA/ZA ook bemoeienis met ontwikkelingshulp. (

Archiefcode 130.1, DOA, 16 september 1953.

)

4.10 Directie Westelijk Halfrond (DWH), 1950-

Deze regionale directie werd bij de grote reorganisatie van 1950 ingesteld en bestond toen uit drie bureaus: Caraïbische Zone (DWH/CA), Noord-Amerika (DWH/NA) en Zuid-Amerika (DWH/LA). De organisatie bleef ongewijzigd tot 1972. Toen werden DWH/NA en DWH/CA samengevoegd tot Bureau Noord-Amerika en Caraïbische Zone (DWH/NC). DWH/LA onderging een naamswijziging en werd Bureau Zuidelijk Latijns-Amerika (DWH/ZL).

Ook op de regionale directie DWH/NC, die gericht is op het Noord- en Zuid-Amerikaanse continent, is de algemene taakomschrijving van toepassing:

'Behandeling van alle aangelegenheden van buitenlandse politiek in de ruimste zin van het woord, derhalve alle zaken waaraan een beleidsaspect is verbonden, ongeacht of het zuiver politieke dan wel economische, sociale of verkeersvraagstukken geldt, voor zover zij betrekking hebben op de bij ieder bureau vermelde landen of regionale organisaties.' (

Gids 1987.

)

Bovengenoemde algemene taak werd door DWH/CA tot 1972 uitgevoerd ten aanzien van volgende landen: Nederlandse Antillen, Suriname, Barbados (vanaf 1967), Britse gebiedsdelen, Costa Rica, Cuba, Dominicaanse Republiek, Franse gebiedsdelen, met Groot-Brittannië geassocieerde staten (vanaf 1967), Guatemala, Guyana (vanaf 1967), Haïti, Honduras, Jamaica (vanaf 1964), Mexico, Nicaragua, Panama, Porto Rico (t/m 1966, vanaf 1967 door DWH/NA), El Salvador, Trinidad en Tobago (vanaf 1964) en Venezuela. Verder had DWH/CA tot 1966 bemoeienis met de Caraïbische Commissie uit de VN en behandelde het bureau kwesties van defensiesamenwerking met de Verenigde Staten in de Caraïbische zone.

DWH/LA had het buitenlands beleid ten aanzien van de volgende landen tot taak: Argentinië, Bolivia, Brazilië, Chili, Colombia, Ecuador, Paraguay, Peru en Urugay. Verder werd bij dit bureau de Nederlandse inbreng in de Economische Commissie voor Latijns Amerika (ECLA) voorbereid (1950-1960).

DWH/NA behandelde tot 1972 de zaken ten aanzien van Alaska (t/m 1957), Canada, Verenigde Staten en - vanaf 1967 - Porto Rico.

Bij DWH/NC werd vanaf 1 december 1972 de behandeling van bovengenoemde Noord- en Midden-Amerikaanse landen en eilanden geconcentreerd in één bureau. In 1985 droeg het bureau buitenlandse aangelegenheden met betrekking tot Panama over aan DWH/ZL, dat de bij LA genoemde Zuid-Amerikaanse landen behandelde. In 1981 werd de functie 'coördinator Surinamebeleid' gecreëerd.

4.11 Directie Internationale Organisaties 1950-1964

De directie Internationale Organisaties, ingesteld bij de reorganisatie van 1950, kwam voort uit de afdeling Verenigde Naties van de directie Politieke Zaken. Het takenpakket van de nieuwe directie was echter ruimer dan dat van de afdeling VN. Naast de behandeling van alle werkzaamheden verbonden van de Verenigde Naties en de aan de VN verbonden gespecialiseerde organisaties kreeg de directie namelijk ook alle andere organisaties en aangelegenheden met een multilateraal karakter te behandelen, uitgezonderd organisaties met een uitgesproken regionaal belang en organisaties die door respectievelijk het bureau Westelijke Samenwerking (DEU/WS, 1950-1952), de directie Westelijke Samenwerking (DWS, 1952-1958), de directie NAVO- en WEU-aangelegenheden (DNW, 1958-1976), de directie Atlantische veiligheid en Samenwerking (DAV, 1976-) en het DG Europese Samenwerking (DGES, 1958-) werden behandeld.

De taakvoorganger van de directie was dus niet alleen de afdeling Verenigde Naties, maar ook 1. de directie Economische Zaken, die voorheen de economische en sociale organisaties had behandeld, 2. de directie Juridische en Administratieve Zaken, die voorheen organisaties als het Internationale Rode Kruis en de Internationale Vluchtelingen Organisatie had behandeld, en 3. de directie Verkeer en Grote Rivieren, die zich voor de reorganisatie had beziggehouden met internationale organisaties op het gebied van lucht-, scheepvaart- en wegverkeer, alsmede op het gebied van post- en telecommunicatie.

Doordat de regionale directies ook internationale organisaties behandelden, zij het alleen die met een regionaal karakter, was afstemming met DIO gewenst. Om de coördinatie te waarborgen, werd aanvankelijk afgesproken dat alle op internationale organisaties betrekking hebbende stukken centraal bij DIO binnen zou komen, waarna DIO zorgdroeg voor doorzending naar de betreffende regionale directie. Na afdoening zouden de stukken opnieuw DIO passeren alvorens uit te gaan.

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken was uiteraard niet het enige ministerie dat betrokken was bij de behandeling van werkzaamheden betreffende de VN en de Gespecialiseerde Organisaties.

Hieronder volgt een opgave uit 1958 van de bij de verschillende VN-organen en organisaties betrokken ministeries. (

Code 999.232.50 VN/Interdepartementale Coördinatie Commissie van de VN en Gespecialiseerde Organisaties, deel IV, 1955-1959, inv.nr. 1596. Antwoord aan de secretaris-generaal van de VN inzake ECOSOC-resolutie 630 (XXII), sub A II, 28 februari 1958.

)

OrganisatieMinisterie
Alle organen en commissies van de Verenigde Naties m.u.v. de Economic Commission for EuropeBuitenlandse Zaken
International Bank for Reconstruction and Development (IBRD)Financiën
International Monetary Fund (IMF)Financiën
Economic Commission for Europe (ECE)Economische Zaken
Food and Agriculture Organization (FAO)Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening
World Health Organization (WHOSociale Zaken en Volksgezondheid
International Labour Organization (ILO)Sociale Zaken en Volksgezondheid
United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization (UNESCO)Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen
International Civil Avation Organization (ICAO)Verkeer en Waterstaat
International Telecommunications Union (ITU)Verkeer en Waterstaat
Universal Postal Union (UPU)Verkeer en Waterstaat
International Maritime Consultative Organization (IMCO)Verkeer en Waterstaat
World Meteorological Organization (WMO)Verkeer en Waterstaat

De grote verscheidenheid van VN-organen en Gespecialiseerde organisaties en de daarbij in Nederland betrokken ministeries maakte nadere afspraken over de interdepartementale coördinatie van het Nederlandse beleid in deze instanties onvermijdelijk. Gezien de verantwooordelijkheid van Buitenlandse Zaken voor het Nederlandse buitenlandse beleid lag de coördinatie bij Buitenlandse Zaken. Het ministerie moest daarom kennisnemen van alle correspondentie tussen de Gespecialiseerde Organen en de betrokken ministeries. De stukken werden toegezonden door de Gespecialiseerde Organisaties zelf of door de behandelende ministeries. Voorzover het daarbij ging om de technische materie van de organisatie verzorgden de betrokken vakministeries de contacten zelf. Ging het echter om politieke en verdragstechnische kwesties, ten aanzien waarvan Buitenlandse Zaken de primaire verantwoordelijkheid had, of over administratieve, constitutionele dan wel budgettaire zaken, die Buitenlandse Zaken mede aangingen, ging het contact na overleg tussen Buitenlandse Zaken en het betrokken departement hetzij rechtstreeks via Buitenlandse Zaken, hetzij via het betrokken departement met inachtneming van de in het overleg tussen beide ministeries genomen beslissingen. De distributie van de documenten van de VN zowel binnen het ministerie als over de andere ministeries werd door Buitenlandse Zaken als centraal postadres voor de VN, verzorgd. Alle correspondentie met de VN ging via de in New York en Genève gevestigde Permanente Vertegenwoordigers. In Genève is het Europees bureau van de VN gevestigd.

De coördinerende verantwoordelijkheid van Buitenlandse Zaken betekende tevens dat aan de delegaties naar vergaderingen van de Gespecialiseerde Organisaties zo mogelijk een ambtenaar van Buitenlandse Zaken of een diplomatiek ambtenaar ter plaatse werd toegevoegd. De samenstelling van dergelijke delegaties werd bepaald door het ministerie dat voor de deelneming aan het werk van de betreffende organisatie verantwoordelijk was. De ministeriële besluiten betreffende de samenstelling van de delegaties werden gewoonlijk medeondertekend door de minister van Buitenlandse Zaken. De geloofsbrieven, die door de delegatie aan de betreffende organisatie werden aangeboden, werden door Buitenlandse Zaken verzorgd. (

Het opmaken van geloofsbrieven gebeurt alleen voor de hoogste organen van internationale organisaties; dus niet voor werkgroepen en committees e.d.

)

Met betrekking tot de verantwoording aan de Staten-Generaal gold dat de minister van Buitenlandse Zaken alleen verantwoordelijk was voor zijn beleid binnen de VN, niet voor dat van de andere departementen. Ten aanzien van de Gespecialiseerde Organisaties droeg hij verantwoordelijkheid voor politieke en verdragstechnische kwesties en medeverantwoordelijkheid voor administratieve, constitutionele en budgettaire kwesties van die organisaties. Voor de vaktechnische activiteiten in de Gespecialiseerde Organisaties waren de betrokken ministers zelf verantwoordelijk.

Bij de instelling in 1950 werden de taken van de directie Internationale Organisaties verdeeld over twee beleidsbureaus: het bureau Politieke en Juridische Zaken (DIO/PZ) en het bureau Economische Zaken (DIO/EZ), en een bureau waar de meer administratieve zaken werden behandeld: het bureau Documentatie en Administratieve Zaken (DIO/DA). Dit laatste bureau bleef gedurende de gehele periode ongewijzigd bestaan. Het bureau Politieke Zaken en Juridische Zaken is gedurende twee jaar, van 1955 tot en met 1957, gesplitst geweest in een bureau Juridische en Vluchtelingenzaken (DIO/JV) en een bureau Politieke Zaken (DIO/PZ). In 1957 werden de bureaus weer samengevoegd. Het bureau Economische en Sociale Zaken (DIO/EZ) heeft zich ontwikkeld tot afdeling. In 1957 werd het een afdeling met drie bureaus.

De ontwikkelingen op atoomgebied vertaalden zich in 1956 in de instelling van een bureau Atoomzaken (DIO/AT). In 1957 werd een atoomadviseur (ATM) aangesteld. Weer een jaar later, in 1958, werd het bureau Atoomzaken bij het nieuwe directoraat-generaal Europese Samenwerking ingepast.

Ten behoeve van de interdepartementale afstemming zijn er door de minister van Buitenlandse Zaken de volgende coördinatiecommissies ingesteld:

1 Interdepartementale Coördinatiecommissie van de VN en de Gespecialiseerde Organisaties, 1948-heden

Hierin zijn alle betrokken ministeries vertegenwoordigd. De taak van de commissie is: het coördineren van het Nederlandse beleid in de vele organen en organisaties van de Verenigde Naties. In de commissie worden de agenda's van komende conferenties behandeld en verslagen uitgebracht over afgelopen bijeenkomsten. De conclusies gaan, zonodig, rechtstreeks naar de ministerraad. Een onderraad is nooit ingesteld. De commissie staat onder voorzitterschap van de chef van de directie Internationale Organisaties; het secretariaat werd gevoerd door DIO/EZ (1950) en DIO/CG (1960-1964).

Vanaf 1957 trad de commissie tevens op als Subcommissie voor buitenlandse aangelegenheden van atoomzaken van de Commissie voor atoomenergie. In die kwaliteit verzorgde DIO/AT het secretariaat.

Vanaf 1964 fungeerde de commissie tevens als subcommissie van de Coördinatiecommissie inzake hulpverlening aan minder ontwikkelde landen (zie verder hoofdstuk 7).

2 Interdepartementale Commissie voor Internationale Technische Hulp, 1951-1964

In deze commissie (

Voorganger van deze commissie is de Commissie van beheer van de werkgroep inzake technische hulp aan laagontwikkelde landen. Opvolger is: Subcommissie technische hulp van de Coördinatiecommissie inzake hulpverlening aan minder ontwikkelde landen. Instelling bij MB Buitenlandse Zaken, 3 april 1951, nr. 28067 (Beschikkingen GS, 19 november 1953, DIO, nr. 143500).

) waren alle ministeries en diensten vertegenwoordigd, die bij de activiteiten van de Verenigde Naties en de Gespecialiseerde Organisaties ten aanzien van de technische hulp (voorloper van de ontwikkelingssamenwerking) waren betrokken. De taak betrof naast het adviseren van de regering over de Nederlandse deelname aan de internationale technische hulp en de coördinatie van de bemoeiingen van de verschillende ministeries, tevens het toezicht houden op het bureau voor Internationale Technische Hulp. De chef van DIO was wederom voorzitter; het secretariaat werd gevoerd door de directeur van het bureau ITH.

Het bureau voor Internationale Technische Hulp was het uitvoerend orgaan van de interdepartementale Commissie voor Internationale Technische Hulp, waarvan het zijn instructies ontving. Hoewel het bureau administratief onder het Ministerie van Buitenlandse Zaken ressorteerde en organisatorisch was ingepast in de directie Internationale Organisaties, had het een interdepartementaal karakter; het stond in gelijke mate ter beschikking van alle betrokken ministeries. De aanvragen voor technische hulp die Nederland, hetzij van de VN, hetzij van de Gespecialiseerde Organisaties bereikten, werden centraal door dit bureau behandeld. Het bureau hield zich hoofdzakelijk bezig met de werving en uitzending van Nederlandse deskundigen en de ontvangst van fellows uit het buitenland (zie verder hoofdstuk 7).

3 Commissie van Advies voor Volkenrechtelijke Vraagstukken, 1953-heden

Dit extern adviesorgaan is eind 1953 door de minister van Buitenlandse Zaken en de minister zonder portefeuille ingesteld. (

MB 30 december 1953, DIO/PZ 158180, m.i.v. 20 december 1953.

) De leden werden op 19 januari 1954 geïnstalleerd. Bij deze commissie is niet de chef van de directie Internationale Organisaties voorzitter, maar de Juridisch Adviseur (JURA).

Chef DIO is wel lid. Verder zijn lid Nederlandse hoogleraren in het volkenrecht, een drietal leden van de Tweede Kamer, een rechter, een advocaat, de secretaris van de Kamer van Koophandel te Amsterdam en een vertegenwoordiger van de minister van Justitie en van Defensie. Het secretariaat wordt verzorgd door assistenten van de Juridisch Adviseur. De taak van de adviescommissie betreft het adviseren van de minister van Buitenlandse Zaken inzake volkenrechtelijke vraagstukken. Het behandelend bureau bij de directie Internationale Organisaties is DIO/PV en DIO/JV.

Commissies:

Chef DIO vertegenwoordigde het ministerie en de directie in een groot aantal organisaties, raden en commissies. Naast de eerder genoemde waren en/of zijn dat:

  • Interdepartementale Werkcommissie inzake Technische Hulp aan Laagontwikkelde Landen, 1950-?
  • Commissie van advies inzake het beleid in de VN t.a.v. niet zelfbesturende gebieden, 1952-?
  • Adviescommissie ad hoc inzake de herziening van het Handvest der VN, 1953-?
  • en lid van de:
  • Commissie van Advies voor Internationaal Strafrecht, 1952
  • Interdepartementale commissie voor de bestudering van de internationale criteria voor het beheer van niet-zelfbesturende gebieden in verband met Nederlands Nieuw-Guinea, 1953?-1953?
  • Nederlands Nationaal Comité tot samenwerking met de FAO, 1951-1964 (extern adviesorgaan)
  • Nederlands Nationale Unesco-commissie, 1954-1964 (extern adviesorgaan)
  • Commissie voor Buitenlandse Aangelegenheden van Atoomzaken van de commissie voor Atoomenergie, 1955-1958

4.11.1 Bureau Politieke en Juridische Zaken (DIO/PZ), 1950-1957; bureau Juridische en Vluchtelingenzaken (DIO/JV), 1955-1957 en bureau Politieke Zaken (DIO/PZ), 1957-1964

Het bureau Politieke en Juridische Zaken verzorgde de beleidsvoorbereiding ten aanzien van de politieke en politiek-juridische VN-zaken. Hierbij ging het met name om de politieke organen van de VN: de Algemene Vergadering en de daaronder ressorterende politieke commissies, verder de Veiligheidsraad en de Trustschapsraad. De ECOSOC en de Gespecialiseerde Organen van de VN kwamen aan de orde voorzover het daarin ging om politieke kwesties. Ten aanzien van de juridische zaken kunnen genoemd worden het Internationale Gerechtshof en het Internationale Hof van Arbitrage.

Naast politiekinhoudelijke kwesties, zoals het opstellen van instructies voor de PV VN te New York of te Genève, was het bureau verantwoordelijk voor de administratieve en financiële voorbereiding van het werk van de Nederlandse delegatie naar de Algemene Vergadering. Hiervoor leverde het bureau tevens de secretaris. Hij had als taak het bijhouden van basisdossiers over onderwerpen die binnen de VN werden behandeld, vooral ten behoeve van diplomatieke posten en nieuwe delegatieleden, en de eindredactie van publicaties van Buitenlandse Zaken op het vlak van de Verenigde Naties. Medewerkers van het bureau woonden de Algemene Vergadering van de VN bij.

In 1955 werd in verband met de Nederlandse activiteiten in de VN-Adviescommissie van de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen (vanaf 1955: `UNREF Executive Committee', een commissie met uitvoerende bevoegdheden) de formatie van DIO uitgebreid met een ambtenaar voor vluchtelingenzaken. In Nederland werd een Interdepartementale Commissie voor Vluchtelingenzaken ingesteld). (

Jaarboek van het ministerie van Buitenlandse Zaken, 1954/55 (1955) 148-151.

)

Vervolgens werd het bureau Juridische en Vluchtelingenzaken (DIO/JV) van DIO/PZ afgesplitst. (

MB 14 april 1955 API/PD-48772 met ingang van 7 februari 1955.

)

Tegelijkertijd met de reorganisatie van DIO/EZ werd het bureau met ingang van 1 oktober 1957 weer opgeheven. (

MB 30 september 1957 APD/PD-132851 met ingang van 1 oktober 1957.

) De juridische zaken gingen terug naar het bureau Politieke Zaken (DIO/PZ). De behandeling van de vluchtelingenzaken werd nu toevertrouwd aan het bureau Sociale Zaken en Congressen (DIO/SC) van de afdeling DIO/EZ.

In 1964 ging het bureau Politieke Zaken onder dezelfde naam over naar DGIS.

Bureau DIO/PZ vervulde het secretariaat van:

  • Commissie van advies inzake het beleid in de VN ten aanzien van niet-zelfbesturende gebieden, 1952
  • Adviescommissie ad hoc inzake de herziening van het Handvest der VN, 1953-1955
  • Commissie van advies voor internationaal strafrecht, 1952
  • Commissie van advies bij de VN aanhangige problemen betreffende niet-zelfbesturende gebieden, 1953

Het bureau DIO/JV vervulde het secretariaat van:

  • Adviescommissie ad hoc inzake de herziening van het handvest der VN, 1955-1957
  • Interdepartementale Commissie voor Vluchtelingenzaken, 1955-1957

4.11.2 Bureau Economische en Sociale Zaken (DIO/EZ), 1950-1957 en de Afdeling Economische en Sociale Zaken (DIO/EZ), 1957-1964

Het bureau/afdeling Economische en Sociale Zaken behandelde alle economische en sociale zaken met betrekking tot de VN, de Gespecialiseerde Organisaties, de Internationale Atoomorganisatie en andere organisaties en aangelegenheden met een multilateraal karakter. Tijdens het Nederlands lidmaatschap van de ECOSOC (1955-1960) was het bureau verantwoordelijk voor de voorbereiding, de organisatie en het secretariaat van de zittingen, de verwerking van de rapporten en het samenstellen van het verslag dat jaarlijks aan de Staten-Generaal werd aangeboden. Het hoofd van het bureau woonde de zittingen van de ECOSOC in persoon bij. Het bureau vervulde tevens het secretariaat van Nederlandse delegaties naar de Algemene Vergadering. Een bureaumedewerker maakte altijd deel uit van de delegaties naar conferenties van de Gespecialiseerde Organisaties onder meer voor de behandeling van administratieve en statutaire onderwerpen.

Het bureau vervulde het secretariaat van de:

  • Coördinatiecommissie voor de VN en de Gespecialiseerde Organisaties, 1950-1957

Chef DIO/EZ was lid van de

  • Opiumcommissie, 1950-1955
  • Werkgroep voor Internationale Rubberaangelegenheden, 1950-1957 (extern adviesorgaan)
  • Werkgroep voor Internationale Tinaangelegenheden, 1950-1957 (extern adviesorgaan)
  • Nederlands Nationaal Comité FAO, 1953?-? (extern adviesorgaan) en plaatsvervangend lid van de Interdepartementale Commissie voor Internationale Technische Hulp, 1951-1957

4.11.3 Bureau Documentatie en Administratieve Zaken (DIO/DA), 1950-1964

Het bureau Documentatie en Administratieve Zaken had een puur administratieve functie. Naast het beheer, de distributie en uitlening de omvangrijke VN-documentatie behoorde ook de verzorging van alle administratieve en budgettaire aangelegenheden, met name ten aanzien van Nederlandse delegaties naar internationale conferenties, tot de taken van dit bureau. Bij de overgang naar DGIS in 1964 bleef het bureau onder dezelfde naam voortbestaan.

4.11.4 Bureau voor Internationale Technische Hulp (ITH), 1951-1964

Tot einde 1950 was het bureau voor Internationale Technische Hulp onderdeel van het toenmalige departement van Overzeese Gebiedsdelen, waar het als bureau WITHALL (Werkgroep Inzake Technische Hulp aan Laagontwikkelde Landen) onder de afdeling Economische Zaken ressorteerde.

Nadat in de ministerraad op 27 december 1950 het besluit was genomen de Commissie Internationale Technische Hulp onder de minister van Buitenlandse Zaken te laten ressorteren, kwam ook het bureau Internationale Technische Hulp over naar Buitenlandse Zaken. (

Staatsalmanak (1951), 810.

)

Hoewel het bureau in de organisatie van Buitenlandse Zaken bij de directie Internationale Organisatie werd ingepast, was het een zelfstandig interdepartementaal orgaan. Als uitvoerend orgaan van de Commissie voor Internationale Technische Hulp ontving het bureau zijn instructies van die commissie en stond het alle departementen op gelijke wijze ten dienste.

Het bureau was belast met de werving en uitzending van technische specialisten naar ontwikkelingslanden en de ontvangst van buitenlandse fellows, voor onderwijs en stageactiviteiten, in Nederland.

Daarnaast verzamelde het bureau informatie over de behoefte aan technische en wetenschappelijk bijstand bij ontwikkelingslanden, over hulpprogramma's, die bij de VN en de Gespecialiseerde Organisaties of afzonderlijke landen, werden ontworpen en ook over de mogelijkheden binnen Nederland voor technische en wetenschappelijke hulp. De aanvragen voor technische hulp, die Nederland hetzij van de Verenigde Naties, hetzij van de Gespecialiseerde Organisaties, ontving, werden centraal door dit bureau behandeld.

Aanvankelijk bestond het bureau uit twee afdelingen: de afdeling Experts en Missies (ITH/EM) voor de bemiddeling bij de uitzending van Nederlandse deskundigen, en de afdeling Fellowships (ITH/FE) voor de ontvangst van buitenlanders, die in verband met technische hulpprogramma's Nederland bezochten.

De directeur ITH was secretaris van:

  • Interdepartementale Commissie voor Internationale Hulp, 1951-1964
  • WITHALL Werkgroep inzake technische hulp aan laagontwikkelde landen, 1951-1964

De directeur ITH was lid van:

  • Nederlands Nationaal Comité FAO, 1951-1964 (extern adviesorgaan)
  • Coördinatiecommissie voor de VN en de Gespecialiseerde Organisaties, 1951-1964
  • Commissie voor internationale uitwisseling van sociale werkers, 1952-onbekend
  • Werkcomité Internationale Sociale Bijstand, 1952-1954
  • Werkgroep van het Development Assistance Committee, 1961-1964
  • Commissie van advies van het Nederlands Adviesbureau voor Ingenieurswerken in het buitenland, 1951-1964 (stichting)
  • Dagelijks bestuur van het Nederlands Instituut voor werkzaamheden in het buitenland (Plan Export), 1953-onbekend (stichting)

Hij was plaatsvervangend lid van de:

  • Contactgroep opvoering productiviteit, 1954-1962

Regeringsvertegenwoordiger in het

  • Dagelijks bestuur en raad van beheer van het Koninklijk Instituut voor de Tropen, 1955-1962

ITH/EM was lid van de

  • Commissie voor overzeese gebiedsdelen van de OEES, 1950-onbekend
  • Werkcomité Internationale Sociale Bijstand, 1964

ITH/FE was lid van het

  • Werkcomité Internationale Sociale Bijstand, 1954-1962

ITH/AM was lid van de

  • Werkgroep van het Development Assistance Committee, 1961-1962
4.12 Directie Westelijke Samenwerking 1952-1958

De directie Westelijke Samenwerking, ingesteld in april 1952, is de directe voortzetting van het bureau Westelijke Samenwerking (DEU/WS) van de directie Europa. Hierboven is verhaald wat de reden was van de uitbouw van bureau tot directie: enerzijds de grote groei in werkzaamheden, anderzijds de behoefte om op 'directieniveau' met gesprekspartners te kunnen communiceren. Met de instelling van de directie Westelijke Samenwerking werd verder inbreuk gemaakt op een puur regionale indeling van de beleidstaken van het departement, zoals men die zich bij de reorganisatie van 1950 gedacht had. Door de groei van de multilaterale betrekkingen was deze organisatievorm niet lang meer vol te houden. Internationale organisaties als NAVO, EGKS, EDG en Raad van Europa waren eind jaren '40 en begin jaren '50 opgericht. Plannen voor de oprichting van andere internationale organisaties stonden op stapel (bijv. de Europese Landbouwgemeenschap). De directie begon bij haar instelling in april 1952 met twee bureaus, bureau NAVO en Europese Defensiegemeenschap (DWS/NE) en bureau Raad van Europa (DWS/RE) (zie ook organogram DWS).

Het bureau Integratie Europa (DWS/IE) werd eind 1952 ingesteld. Gedurende korte tijd hebben ook bestaan het bureau Europese Defensie Gemeenschap DWS/ED), het bureau NAVO (DWS/NO) en het bureau Europese Gemeenschap voor Kolen- en Staal (DWS/KS). Dit waren min of meer fictieve bureaus. In het onderstaande zal hierop dieper worden ingegaan.

Werd de taak van de directie als bureau in 1950 nog kort omschreven als `Noord-Atlantisch Verdrag, Verdrag van Brussel, Raad van Europa', in de nieuwe taakomschrijving in de Gids werd het uitdijende takenpakket van de directie DWS als volgt omschreven: (

Gids van het departement van Buitenlandse Zaken en de Buitenlandse Dienst ('s-Gravenhage 1954) 23.

)

  1. Behandeling van aangelegenheden betreffende de internationale samenwerking in Europees en Atlantisch Verband.
  2. Voorbereiding van de politieke aspecten van de instructies aan de Nederlandse vertegenwoordigingen bij de NAVO en EDG te Parijs, alsmede bij de Raad van Europa te Straatsburg.
  3. Contacten terzake met de Departementen van Oorlog en Marine, evenals met die van Economische Zaken (EGKS en 'Europese Politieke Gemeenschap (EPG)').
  4. Coördinatie van de politieke werkzaamheden op het gebied der Westelijke Samenwerking tussen de verschillende daarbij betrokken Departementen.

De overeenkomsten met de taakomschrijving van de directies van het in 1952 opgerichte Directoraat-Generaal Economische en Militaire Aangelegenheden (DGEM, zie volgend hoofdstuk) zijn treffend. Er bestond dan ook een heftige concurrentie met dat DG. Daar kwam in 1958 pas een eind aan. Met ingang van 1 februari 1958 werd de directie opgeheven in verband met de reorganisatie op het terrein van de Westelijke Samenwerking. (

Serie Beschikkingen GS, ministeriële beschikking van 3 april 1958, API/PD nr. 40995.

) Taken ten aanzien van de NAVO en WEU werden overgedragen aan de nieuw op te richten directie NAVO- en WEU-zaken. De overige taken werden ondergebracht bij het nieuwe DG Europese Samenwerking (DGES).

Commissies: chef DWS had zitting in:

  • Nationale commissie van advies voor de Europese landbouwintegratie, 1952-....
  • Ambtelijke commissie tot bestudering van vraagstukken betreffende de Europese integratie, 1952?-onbekend en diens opvolger:
  • Interdepartementale adviescommissie voor de Europese integratie, 1954-1956 en diens opvolger:
  • Ambtelijke coördinatiecommissie voor de integratie en de vrijhandelszone, 1956-1958 en diens opvolger:
  • Coördinatiecommissie voor Europese Integratie- en Associatieproblemen, 1958 (formeel 1965)-

4.12.1 Bureau NAVO en Europese Defensiegemeenschap (DWS/NE), 1952-1958

Het bureau NAVO en Europese Defensiegemeenschap behandelde de algemene en/of politieke aangelegenheden met betrekking tot het Noord-Atlantische verdrag, het verdrag van Brussel (t/m 1954), de West-Europese Unie (vanaf 1954), de Europese Defensiegemeenschap alsmede de met deze verdragen verband houdende militaire aangelegenheden. De financieel-economische aspecten werden behandeld door het directoraat-generaal Economisch- en Militair Hulpprogramma (DGEM, zie hoofdstuk 5); de technisch-militaire aspecten door het Ministerie van Oorlog.

Begin 1953 werd het Ministerie van Buitenlandse Zaken belast met de coördinatie van alle werkzaamheden verband houdende met de Europese Defensiegemeenschap (EDG). Het verdrag tot oprichting van de EDG was 27 mei 1952 gesloten. Ten behoeve van de behandeling van de EDG vond men het nuttig een afzonderlijk organisatieonderdeel te creëren. Daartoe besloot men het bureau NAVO en Defensiegemeenschap (DWS/NE) te splitsen in een bureau NAVO (DWS/NO) en een bureau Europese Defensie Gemeenschap (DWS/ED). In hoeverre deze splitsing in werkelijkheid is doorgevoerd is niet geheel duidelijk. Er is geen instellingsbeschikking aangetroffen. De EDG zelf is nooit tot stand gekomen. (

Nadat het verdrag door het Nederlandse en Duitse parlement was geratificeerd, liep de zaak stuk op het Franse parlement. De Franse Nationale Vergadering had zwaarwegende bezwaren tegen het supranationale karakter. Dit betekende het einde van de EDG.

) Als gevolg daar van werd met ingang van 1 december 1954 het bureau EDG opgeheven en het bureau NO de behandeling van de Europese defensieaangelegenheden opgedragen. De naam van bureau NAVO werd tevens gewijzigd in bureau NAVO en Europese defensieaangelegenheden en kreeg de afkorting DWS/NE. (

Dossier 130.1, DWS, Ministeriële beschikking van 26 februari 1955, API/PD nr. 26286.

)

Ten behoeve van de werkzaamheden met betrekking tot de NAVO, de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking (OEES) en de Europese Defensiegemeenschap was er in 1952 in Parijs een Gecombineerde Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging ingericht. DWS/NE bereidde de instructies met betrekking tot de Noord-Atlantische Raad en de Interim Commissie van de EDG (

Gedurende de periode tot inwerkingtreding van het EDG-verdrag was er een Interim Commissie der EDG werkzaam. Deze commissie zette de werkzaamheden van de onderhandelingsdelegaties bij de conferentie tot oprichting van de EDG voort.

) voor, waar nodig in overleg met andere departementsonderdelen en ministeries waaronder het Ministerie van Oorlog c.q. de Verenigde Chefs van Staven en Generale Staf, en de ministeries van Financiën, Algemene Zaken en Economische Zaken.

Voor de Brusselse Verdragsorganisatie, in januari 1955 voortgezet in de West-Europese Unie (WEU) en gevestigd te Londen, was geen Permanente Vertegenwoordiging ingericht. De Nederlandse ambassadeur te Londen fungeerde als de Nederlandse Vertegenwoordiger. Zijn instructies werden verzorgd door het bureau DWS/NE , in samenwerking met de ministeries van Sociale Zaken, Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en Binnenlandse Zaken. Voor wat betreft economische aangelegenheden werden de instructies verzorgd door de directie Economische Aangelegenheden van DGEM (zie hoofdstuk 5).

4.12.2 Bureau Raad van Europa (DWS/RE), 1952-1958

Onderwerp van bemoeienis van dit bureau was de in Straatsburg gevestigde Raad van Europa. Het bureau Raad van Europa was belast met de behandeling van alle aangelegenheden, die in de Raadgevende Vergadering (parlementaire vertegenwoordigers uit de lidstaten) en het Comité van Ministers (van Buitenlandse Zaken) of de Plaatsvervangers daarvan aan de orde komen.

Vanaf 1952 is een Permanente Vertegenwoordiging van Nederland bij de Raad van Europa gevestigd. Het bureau verzorgde de instructies aan de PV in overleg met de andere betrokken ministeries. Het hoofd van het bureau Europa woonde de vergaderingen van het Comité van Plaatsvervangers in Straatsburg zelf bij.

DWS/RE werd in 1958 ondergebracht in het nieuwe directoraat-generaal Europese Samenwerking. Het bureau kwam direct onder de directeur-generaal te ressorteren.

4.12.3 Bureau Integratie Europa (DWS/IE), 1952-1958

De taken van dit bureau waren niet zozeer gericht op één of twee internationale organisaties als wel op de organisaties die op het terrein van de Europese integratie reeds gevormd of nog gevormd moesten worden. Het bureau is niet tegelijkertijd met de instelling van de directie ingesteld. Plannen lagen er wel al. De formele instelling achtte men onvermijdelijk toen eind 1952 de maatregelen in Westeuropees verband tot integratie op het gebied van landbouw, verkeer, kolen- en staal, gezondheidszorg en energie in een min of meer gevorderd stadium van voorbereiding of uitvoering bleken te zijn en de besprekingen over een te stichten Europese politieke gemeenschap (EPG) waren begonnen. Deze ontwikkelingen vergden een intensief overleg op interdepartementaal, parlementair en internationaal niveau.

Het bureau behandelde op het terrein van de politieke en economische integratie alle aangelegenheden omtrent de vorming van een Europese 'gemeenschap'. Het secretariaat van de Interdepartementale Adviescommissie voor de Europese Integratie (zgn. commissie Beyen), dat onder voorzitterschap stond van de minister van Buitenlandse Zaken, werd geleid door het hoofd IE. Verder kwam bij dit bureau in overleg met het Ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening de aangelegenheden betreffende de Europese Landbouwgemeenschap aan de orde. De integratie van het Europese transportwezen werd behandeld in overleg met het DG voor het Economische Militaire Hulpprogramma, de Verkeersadviseur, het DG BEB van Economische Zaken en het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Ook de aangelegenheden ten aanzien van de Internationale Douaneraad te Brussel werden, voor zover deze op politiek en niet-zuiver technisch gebied lagen, door het bureau DWS/IE behandeld. Hier werd vooral samengewerkt met de afdeling Internationale Fiscale Zaken van het Ministerie van Financiën.

4.12.4 Bureau voor Kolen en Staal (DWS/KS), 1953-1954

Op 18 april 1951 werd de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) opgericht. Deze vroege 'Europese' organisatie werd effectief vanaf mei 1952. De behandeling van EGKS-zaken werd vooralsnog overgelaten aan DEU/DU en DEU/ME. Vanwege de nauwe samenhang met andere aangelegenheden betreffende Westelijke Samenwerking bedacht men de constructie om DEU/DU voor wat betreft de EKGS-zaken als DWS/KS onder chef DWS te laten werken. Onduidelijk is wanneer dit fictieve bureau is ingesteld.

Overigens was niet het Ministerie van Buitenlandse Zaken het coördinerend ministerie inzake EGKS-aangelegenheden, maar het DG BEB van Economische Zaken. Alle correspondentie met EGKS-organen werd daarom ook via het DG BEB geleid. In tweede instantie vond de coördinatie plaats via de Interdepartementale Contactcommissie voor de EGKS, bestaande uit contactambtenaren van de betrokken ministeries. Voor Buitenlandse Zaken was hierin een ambtenaar van het bureau DWS/KS vertegenwoordigd.

In november 1954 werd besloten om de EGKS-werkzaamheden aan DWS/IE over te dragen. Het niet tot stand komen van de Europese Defensie Gemeenschap had DWS/IE hiervoor de benodigde armslag gegeven. Per 1 maart 1955 werd aan dit besluit uitvoering gegeven.

DWS/KS, resp. DWS/IE was lid van:

  • Interdepartementale contactcommissie betreffende de voor Kolen en Staal, 1952-1958 DWS/IE voerde het secretariaat van:
  • Interdepartementale adviescommissie voor de Europese Integratie, 1954-1956
4.13 Bijzondere functies in de beleidsvleugel van het Directoraat-Generaal Politieke Zaken

Ter ondersteuning van de directeur-generaal Politieke Zaken zijn er een aantal bijzondere functies geweest. Op dit moment bestaat daarvan alleen nog die van assistent van de DGPZ (AP). In deze inventaris gold het alleen:

Assistent van de DGPZ (AP)

Zoals hierboven vermeld heeft de directeur-generaal tot taak de behandeling van `aangelegenheden meer dan één onder hem ressorterende directie betreffende, coördinatie van de werkzaamheden dezer directie, alsmede van de politieke werkzaamheden van de directoren-generaal'. De directeur-generaal maakt deel uit van de departementsleiding en behoort daarmee tot de hoogste medewerkers en adviseurs die rechtstreeks toegang hebben tot de bewindslieden. Sinds 1954 beschikt hij bij de uitoefening van zijn taak vrijwel onafgebroken over een assistent, de AP.

Mr E. Schokker, plv. chef directie Westelijke Samenwerking en hoofd bureau NAVO en EDG (DWS/NE), was de eerste AP. Hij werd benoemd met ingang van 1 april 1954. Drie jaar later werd hij gepromoveerd tot adviseur voor Politieke Zaken (PZA). Ook deze functie vervulde hij als eerste.

Hoofdstuk 5 De Buitenlandse Dienst
5.1 Organisatie van de Buitenlandse Dienst:

Directie Buitenlandse Dienst (DBD)

Tot 1940 bestonden er voor het in het buitenland werkzame personeel van het ministerie drie diensten. De Diplomatieke Dienst, de Consulaire Dienst en de Tolkendienst. Leden van de diplomatieke dienst hielden zich bezig met het onderhouden van contacten op regeringsniveau over politieke en diplomatieke aangelegenheden. Economische en consulaire aangelegenheden werden behandeld door leden van de Consulaire Dienst. De Tolkendienst bestond uit een groep in Arabische, Japanse en Chinese taal en cultuur gespecialiseerde personen. (

Kersten, Buitenlandse Zaken in ballingschap, 74-75.

)

De diplomatieke dienst was voor de Tweede Wereldoorlog beperkt van omvang. Slechts 59 diplomaten maakten hiervan deel uit. De consulaire dienst had een veel grotere omvang. Inclusief de honoraire consuls bijna 700 personen. De Tolkendienst tenslotte kende in mei 1940 slechts elf leden. (

idem, 81-89.

)

Tijdens de Londense periode van de Nederlandse regering werd een plan gemaakt om de drie afzonderlijke diensten te integreren. De overwegingen daarbij waren van tweeërlei aard; er diende meer waarde te worden gehecht aan de persoonlijkheid van de Nederlandse vertegenwoordiger in het buitenland en minder aan de sociale achtergrond van de kandidaten en samensmelting van de diverse diensten had vele praktische voordelen en waarborgde een betere behartiging van de Nederlandse belangen. Met het Koninklijk Besluit van 21 december 1945 kwam een einde aan het afzonderlijke bestaan van de Consulaire Dienst, de Diplomatieke Dienst en de Tolkendienst. Door samenvoeging functioneerde vanaf 1 januari 1946 de Directie Buitenlandse Dienst (DBD), waaronder de nieuw gevormde Buitenlandse Dienst ressorteerde. De minister van Buitenlandse Zaken, mr. E.N. van Kleffens formuleerde de motieven voor de samenvoeging als volgt:

'Handhaving van afzonderlijke diplomatieke en consulaire diensten elk met hun eigen personeel en verschillende dienstvoorwaarden is niet meer van deze tijd, nu het werk dat voorheen aan de consulaire posten toeviel voor een groot deel naar diplomatieke posten is verschoven'. (

Nationaal Archief (NA) Den Haag, Archief Directie Buitenlandse Dienst (DBD), 1945-1954, 2.05.51, inv.nr. 35.

)

De vertegenwoordigingen

De werkzaamheden van de Buitenlandse Dienst werden verricht door de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland. Binnen die groep van vertegenwoordigingen vielen drie categorieën te onderscheiden:

  1. Bilaterale diplomatieke vertegenwoordigingen
    1. Gezantschappen
    2. Ambassades
    3. Militaire Missies
  2. Multilaterale diplomatieke vertegenwoordigingen
  3. Consulaire vertegenwoordigingen
    1. consulaten-generaal
    2. consulaten
    3. vice-consulaten
    4. consulaire agenten

Zie voor een opgave van de diverse bilaterale diplomatieke vertegenwoordigingen overzicht 1, van de diverse multilaterale diplomatieke vertegenwoordigingen overzicht 2 en van de diverse consulaire vertegenwoordigingen overzicht 3 bij dit hoofdstuk.

ad. 1 Bilaterale diplomatieke vertegenwoordigingen

Het onderhouden van diplomatieke betrekkingen met een vreemde mogendheid impliceert de accreditering van een ambassadeur bij het staatshoofd van die betreffende mogendheid. Dit betekent niet dat in elk land waarmee Nederland diplomatieke relaties onderhoudt ook een ambassade is gevestigd, want een ambassadeur kan bij meerdere regeringen geaccrediteerd zijn. De ambassade is het formele en officiële kanaal waardoor twee regeringen contact met elkaar onderhouden.

Tegenwoordig kent Nederland geen vertegenwoordigers meer met de status van gezant. (

De rang van minister-resident, die in 1818 werd ingesteld, verdween in 1920 uit het Nederlandse corps diplomatique, J.P.A. François, Handboek van het volkenrecht, dl. II (Zwolle 1933) 16.

) De laatste gezantschappen werden in de jaren zeventig verheven tot ambassade. In een enkel geval staat aan het hoofd van een Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland een (tijdelijk) zaakgelastigde. Het verschil tussen deze benamingen is vooral protocolair van aard. Een ambassadeur en een gezant zijn geaccrediteerd bij het staatshoofd van het ontvangende land; een zaakgelastigde bij de minister van Buitenlandse Zaken van het ontvangende land. Slechts met betrekking tot voorrang en etiquette bestaat er onderscheid tussen de hoofden van zending. Het verschil tussen ambassadeurs en gezanten is dat ambassadeurs, als vertegenwoordigers met een hogere rang, voorrang hebben boven gezanten en dat zij het voorrecht hebben rechtstreeks een audiëntie bij het staatshoofd aan te vragen. Gezanten dienen dit via de minister van Buitenlandse Zaken van het ontvangende land te doen. (

François, Handboek, 13-17.

)
Door middel van het uitzenden van een ambassadeur, gezant of zaakgelastigde kan een land uitdrukking geven aan de waarde die het hecht aan de diplomatieke betrekkingen met een ontvangend land.

Een uitzondering in de benaming is die van Hoge Commissaris, een titel die van 1950 tot 1956 aan de Nederlandse vertegenwoordiger bij het Indonesische staatshoofd werd verleend (en vice versa aan de Indonesische vertegenwoordiger bij het Nederlandse staatshoofd). Deze titel is slechts korte tijd gebruikt.

Na het herstel van de diplomatieke relatie tussen Indonesië en Nederland in 1963 werd gebruik gemaakt van de titel ambassadeur. De status van de Hoge Commissaris was echter niet afwijkend van die van ambassadeur. De titel werd slechts gebruikt, naar analogie van de 'High Commissioners' in de Gemenebestlanden, om de bijzondere band tussen de twee landen aan te duiden. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken moest de competentie over het Hoge Commissariaat echter delen met het Ministerie van Uniezaken en Overzeese Gebiedsdelen, dat mede verantwoordelijk was voor de relaties met Indonesië. Buitenlandse Zaken verkreeg in 1952 de volledige verantwoordelijkheid voor het Hoge Commissariaat. (

H. Baudet, M. Fennema e.a., Het Nederlands belang bij Indië (Utrecht 1983) 72 e.v.

)

Een aparte groep binnen de categorie bilaterale diplomatieke vertegenwoordigingen vormen de Militaire Missies. Het hoofd van een dergelijke missie was niet geaccrediteerd bij een instantie van het ontvangende land, maar bij de tijdelijke bezettende militaire macht in een land.

De werkzaamheden op de bilaterale posten kunnen grofweg verdeeld worden in politieke aangelegenheden, handelsaangelegenheden, aangelegenheden betreffende pers en culturele zaken en consulaire aangelegenheden. Voor posten in ontwikkelingslanden komen daar werkzaamheden in het kader van de Ontwikkelingssamenwerking bij. Of er voor de verschillende terreinen aparte medewerkers op een post zijn aangewezen is afhankelijk van de grootte van de post. Op kleinere posten worden diverse taakgebieden door één persoon behandeld.

Aan ambassades verbonden technische attachés zijn afkomstig van andere departementen van algemeen bestuur. Landbouwattachés worden geleverd door het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, defensieattachés door het Ministerie van Defensie etc.

Het ambtsgebied waarover de diplomatieke bevoegdheden van een Nederlandse vertegenwoordiging zich uitstrekt is gelijk aan de landsgrenzen van de ontvangende staat.

ad. 2 Multilaterale diplomatieke vertegenwoordigingen

De Nederlandse multilaterale diplomatieke vertegenwoordigingen werden aangeduid met de term: Permanente Vertegenwoordigingen van het Koninkrijk. De ambassadeurs die aan het hoofd van een dergelijke PV stonden werden geaccrediteerd bij de betreffende internationale organisaties. De PV's hadden een meer gespecialiseerde taak dan de ambassades. Zij waren gericht op de werkzaamheden van de internationale organisatie. Voor de permanente vertegenwoordigingen gold dat zij slechts een klein gedeelte van de hierna beschreven taken vervulden. Consulaire werkzaamheden verrichtten zij in het geheel niet.

ad. 3 Consulaire vertegenwoordigingen

Aan het hoofd van een consulaire post staat een vice-consul, een consul of een consul-generaal, al dan niet honorair. De taken van een consulaire post zijn vooral van economische en uiteraard consulaire aard. Politieke rapportages werden door een consulaire post zelden geleverd, hoewel uitzonderingen mogelijk waren en vanwege de Weense conventie ook toegestaan werden en worden. Tegenwoordig is het wat meer gebruik dat de (beroeps)consuls ook regionale politieke en economische rapportage verzorgen.

Het district of ressort van een consulaire vertegenwoordiging wordt in overleg tussen de Nederlandse regering en het ontvangende land vastgesteld. Indien in een land waar Nederland een consulaire vertegenwoordiging had ook een Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging was gevestigd was de consulaire post ondergeschikt aan die vertegenwoordiging.

Het ressort van een consulaat of consulaat-generaal kon worden onderverdeeld in een aantal ressorten ten behoeve van enkele kleine, meestal honoraire, (vice-)consulaten. Vooral in landen waar zich veel Nederlanders hebben gevestigd (Australië, Canada, Verenigde Staten) was dit het geval.

5.2 Taken van de Buitenlandse Dienst

Artikel 1 van het Reglement van de Buitenlandse Dienst (KB van 13 oktober 1951, Staatsblad nr. 499) omschrijft de taak van de Buitenlandse Dienst. De door het Koninkrijk der Nederlanden ondertekende Verdragen van Wenen inzake diplomatiek en consulair verkeer komen hiermee overeen. (

Heroverweging collectieve uitgaven. Deelrapport 9. Taak en Omvang Buitenlandse Dienst, Handelingen Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 16 625, nr. 14; Omvang en organisatie van de Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland, Handelingen Tweede Kamer, zitting 1986-1987, 20 022, nr. 1; Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer, 18 april 1961 (Trb. 1962, nr. 159); Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen, 24 april 1964 (Trb. 1981, nr. 143).

)

Die taken zijn:

  1. Het Koninkrijk in het buitenland te vertegenwoordigen;
  2. De buitenlandse betrekkingen van het Koninkrijk te onderhouden door middel van contacten met de regering van de ontvangende staat;
  3. Buiten het grondgebied de belangen van het Koninkrijk en van de onderdanen te behartigen en te beschermen;
  4. Met alle wettige middelen inlichtingen omtrent het buitenland te verzamelen en te verstrekken die voor de regering en voor de bewoners van het Koninkrijk van belang kunnen zijn;
  5. Buiten het grondgebied van het Koninkrijk de gerechtelijke, buitengerechtelijke en administratieve handelingen en werkzaamheden te verrichten welke krachtens internationale overeenkomsten en de wetten en voorschriften van het Koninkrijk aan diplomatieke en consulaire ambtenaren zijn opgedragen of waartoe deze bevoegd zijn verklaard;
  6. Het verrichten van alle andere door of vanwege de regering op te dragen werkzaamheden;
  7. Het bevorderen van vriendschappelijke betrekkingen tussen het Koninkrijk en de ontvangende staat en het tot ontwikkeling brengen van hun betrekkingen op economisch, wetenschappelijk en cultureel gebied.

Bovenstaande taken dienden te worden uitgevoerd met inachtneming van het volkenrecht, in het bijzonder de voor het Koninkrijk of de samenstellende delen van het Koninkrijk bindende internationale verdragen en andere overeenkomsten. Ook dienden bij de uitoefening van de taak de wetten en gebruiken van het land van accreditering in acht te worden genomen.

De taakelementen werden in bilateraal en multilateraal verband uitgeoefend.

5.3 Taakverdeling

In materiële zin werd het werk van de ambassades en consulaten globaal worden onderverdeeld in:

  1. Politieke aangelegenheden
  2. Economische aangelegenheden
  3. Ontwikkelingssamenwerkingsaangelegenheden
  4. Consulaire aangelegenheden
  5. Pers- en Culturele aangelegenheden

Uiteraard werden door de consulaten consulaire werkzaamheden verricht. Politieke en economische aangelegenheden werden door consulaten vaak op regionaal niveau behandeld.

Ad. A. Politieke aangelegenheden

  • Het volgen van de binnenlandse en buitenlandse politieke ontwikkelingen in het land of bij de internationale organisatie waarbij de missie geaccrediteerd is. Het rapporteren aan de Nederlandse Regering omtrent de voor Nederland relevante ontwikkelingen opdat die bij het formuleren van haar beleid daar rekening mee kan houden;
  • Het uitdragen van het Nederlandse politieke beleid - tevens in het belang van de bevordering van de internationale rechtsorde - bij de autoriteiten, waarbij de post is geaccrediteerd, respectievelijk de andere leden van de internationale organisatie, ten einde te bewerkstelligen dat het beleid van die autoriteiten (of van die landen) zich, voor zover nodig en/of wenselijk, aan dat Nederlandse beleid aanpast of conformeert;
  • Behartiging van belangen van andere landen. Dit omvat de behartiging van de politieke belangen van Luxemburg in die landen waar Luxemburg geen vertegenwoordiging heeft. Deze verdragsrechtelijke vastgelegde verplichting wordt gedeeld met België, dat de commerciële en consulaire taken vervult in landen waar Luxemburg geen vertegenwoordiging heeft.
  • Na de Tweede Wereldoorlog verliet de Nederlandse regering de vooroorlogse neutraliteitspolitiek. Een gevolg hiervan was dat tussen de bondgenoten in de NAVO en tussen de leden van de Europese Gemeenschap in alle hoofdsteden waar meerdere NAVO- of EG-landen zijn vertegenwoordigd regelmatig overleg werd gevoerd om tot een gemeenschappelijke standpunten te komen.

Ad. B. Economische aangelegenheden

Op grond van een overeenkomst werken de posten ook voor het Directoraat-Generaal voor de Buitenlandse Economische Betrekkingen (BEB) en de Exportbevordering- en Voorlichtingsdienst (EVD) van het Ministerie van Economische Zaken. Deze overeenkomst, in de wandeling "het Concordaat" (

NA, DBD, 2.05.51, inv.nr. 32.

), werd op 26 juli 1950 door de Raad voor Economische Aangelegenheden (REA) goedgekeurd. Op grond van deze overeenkomst waren de BEB en de EVD gerechtigd instructies op handelspolitiek gebied aan de posten te geven. (

Van der Togt, 32.

)

De economische werkzaamheden kunnen worden onderscheiden in macro-, meso- en micro-economische (respectievelijk het gehele land, een bedrijfstak en een bedrijf betreffende).

Macro-economisch:

  • algemene economische rapportage over macro-economische ontwikkelingen in het buitenland, overheidsmaatregelen, monetaire kwesties, energievoorziening, milieuhygiëne, lucht- en scheepvaartaangelegenheden, etc;
  • Handelspolitieke informatievergaring en inspanningen, met name daar waar de handel op beperkende maatregelen stuit;
  • toezending van economisch statistisch materiaal;
  • het verstrekken van inlichtingen aan de overheid en het bedrijfsleven van het land van vestiging over economische ontwikkelingen en mogelijkheden tot economische samenwerking met Nederland;
  • het uitdragen van het Nederlandse beleid op economisch terrein.

Meso-economisch:

  • berichtgeving over afzetmogelijkheden, ontwikkelingen in het bedrijfsleven, fusies, buitenlandse investeringen, concurrentie van derde landen etc;
  • voorlichting over Nederlandse leveringsmogelijkheden van goederen en diensten;
  • meldingen over ontwikkelingsprojecten en overheidsaanbestedingen;
  • aantrekken van industriële projecten voor Nederland door middel van voorlichting, bemiddeling, etc;
  • berichten over economische missies die West-Europa bezoeken en hulp aan Nederlandse missies in het ambtsgebied;
  • berichten over beurzen en tentoonstellingen in het land van vestiging en hulp bij Nederlandse deelname aan beurzen.

Micro-economisch:

  • ondersteuning en begeleiding van Nederlandse exporteurs in de vorm van:
  • handelsbemiddeling
  • voorlichting van Nederlandse zakenlieden en introducties bij overheid en bedrijfsleven;
  • bemiddeling bij handelsgeschillen

Ad. C. Ontwikkelingssamenwerkingsaangelegenheden

Aansluitend op de hiervoor reeds omschreven taken van observeren, rapporteren, analyseren en het onderhouden van contacten omvatten de werkzaamheden in de ontwikkelingssamenwerking voorts in het bijzonder:

  • het analyseren van het ontwikkelingsbeleid van het betrokken land;
  • het nagaan van de plaats die Nederland in de samenwerking op dit gebied zou kunnen innemen;
  • vaststelling van doelgroepen waarop het samenwerkingsbeleid gericht kan zijn;
  • adviseren omtrent de aanvaardbaarheid en uitvoerbaarheid van individuele projecten;
  • onderhandelingen over projecten met de lokale autoriteiten.
  • het voorbereiden, uitvoeren en evalueren van Kleine Ambassade Projecten (KAP) (

    ABZ, OSAB / 1985-1994 / nr. 78.

    )
    ;

Daarnaast omvat de uitvoering van projecten:

  • toezicht op en berichtgeving over de voortgang van projecten;
  • begeleiding van uit te zenden deskundigen, huisvesting, financiering, hulp bij import van goederen;
  • bemiddeling bij de invoer van materieel voor hulpprojecten;
  • behandeling van financiële aspecten.

Ad. D. Consulaire aangelegenheden

1. Ten behoeve van Nederlanders:

  • Het zorgdragen voor de Nederlandse kolonie en Nederlandse toeristen in het buitenland. De meest voorkomende werkzaamheden hiervoor zijn:
    • verstrekking, verlenging en wijziging van reisdocumenten voor Nederlanders, alsmede diplomatieke, consulaire en dienstpaspoorten; (

      Hoofden van diplomatieke posten zijn hiertoe bevoegd op grond van de artikelen 8, 10, 12 en 13 van de Paspoortinstructie Nederland 1952. Het hoofd van de diplomatieke post kan de bevoegdheid delegeren aan consulaire ambtenaren in zijn ressort.

      )
    • uit door post bij te houden administratie moet blijken: (

      Artikel 26 Paspoortinstructie Nederland 1952.

      )
      aan wie en wanneer een bepaald paspoort werd verstrekt en voor welke duur, dan wel of een paspoort werd verschreven of als onbruikbaar moest worden beschouwd en of aan een bepaalde persoon een paspoort werd verstrekt, dan wel of het paspoort van een bepaalde persoon werd verlengd en zo ja, welk paspoort.
    • van de vermissing of van de intrekking van een paspoort moet aantekening worden gehouden in bedoelde administratie.
    • van iedere afgifte, verlenging, vermissing of intrekking wordt in tweevoud aangifte gedaan bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
    • van de verlenging van elders afgegeven paspoorten wordt aantekening gehouden.
    • een Nederlandse paspoort dat is ingeleverd wordt ongeldig gemaakt.
    • opgave aan autoriteit van een vermist paspoort wordt doorgegeven aan de autoriteit die het paspoort heeft afgegeven.
    • op een paspoortaanvraag wordt uiterlijk binnen twee maanden na het indienen van de aanvraag beslist. Is het niet mogelijk binnen deze termijn een beslissing te nemen, dan wordt hiervan kennis gegeven aan de Minister van Buitenlandse Zaken met opgave van redenen; voorts wordt de aanvrager verwittigd.
  • opmaken van legalisaties;
  • verstrekken van juridische adviezen;
  • bijstand notariële akten:
    • opmaken van akten van huwelijkstoestemming;
    • de eed af te nemen, die de voogd, toeziende voogd, curator of toeziende curator volgens de wet moet afleggen;
    • in bewaring nemen van olografische en geheime testamenten; (

      Niet alle posten zijn hiertoe bevoegd. Zie voor (wisselende) lijst het Consulair Besluit van 15 september 1956 (Stb. 484) en de wijzigingen hierop.

      )
    • opdragen van voogdij en toeziende voogdij; (

      idem.

      )
    • huwelijkstoestemming te verlenen, voorzover de wet zulks toelaat, aan minderjarigen, die de volgens de wet vereiste toestemming van ouders, voogd of toeziende voogd niet hebben verkregen; (

      idem.

      )
    • olografische en geheime testamenten op de door de wet voorgeschreven wijze te openen; (

      idem.

      )
  • opmaken van volmachten;
  • registratie van opgemaakte akten in een repertorium.
  • opmaken van akten van de burgerlijke stand; (

    idem.

    )
  • dienstplichtzaken; doorgeleiden van verzoeken tot ontheffing van de dienstplicht voor in het ressort woonachtige Nederlanders.
  • repatriëring;
  • zorg voor gearresteerden:
    • inlichten hoofdpost;
    • bezoeken arrestant;
    • toezien op juiste toepassing van het vreemde recht;
    • onderhouden van contact met advocaat arrestant;
    • eventueel arrestant voordragen bij WVC voor financiële bijstand;
  • overbrenging van gerechtelijke stukken, rogatoire commissies, legalisaties en andere juridische handelingen;
  • scheepvaartzaken, zeebrieven, aanmonstering, scheepsverklaringen;
    • indien in een buitenlandse haven een kapitein wordt vervangen dan maakt de consul daarvan een aantekening in de scheepspapieren;
    • schade tijdens een reis of buitengewone gebeurtenissen worden door de kapitein vastgelegd in een scheepsverklaring ten overstaan van de consul. Deze neemt de verklaring op, waarmerkt het document en stuurt de scheepsverklaring aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie;
    • de consul bevordert de repatriëring van verstekelingen met de Nederlandse nationaliteit;
  • vlootbezoeken;
    • burgerlijke en militaire autoriteiten inlichten over vlootbezoek en saluutschoten aanvragen;
    • havenautoriteiten, havenpolitie, loodswezen, douane en immigratiedienst inlichten;
    • tijdige aankondiging van vlootbezoek in de pers;
    • organiseren van activiteiten op de wal;
    • aanwezig zijn bij aankomst schepen op de rede;
    • bezoeken af leggen bij de commandant, die ook bij de consul een bezoek af moet leggen;
    • aanwezig zijn bij kransleggingen en andere officiële plechtigheden op de wal.
  • opsporing van personen in het ressort en het innen van vorderingen;
  • hulp bij emigratie
    • doorsturen van verzoeken van Nederlanders die zich in ressort van de consul willen vestigen naar het Nederlands Migratie Instituut.
  • taken in het kader van de Wet Uitkering Vervolgingsslachtoffers (WUV) sinds 1973 (

    De activiteiten in het kader van de WUV worden voornamelijk uitgevoerd in de Verenigde Staten, Australië en Indonesië; ABZ, HDBZ / algemeen / doos 91, 1985-1992.

    )
    :
    • voeren van administratie ten behoeve van de WUV;
    • zorgdragen voor opstellen medische rapportages in het kader van de WUV;
    • zorgdragen voor medische rapportage in het kader van de WUV;
    • rapporteren over activiteiten in het kader van de WUV.

2. Ten behoeve van buitenlanders:

  • verlenen van visa voor bezoeken aan Nederland korter dan drie maanden of verstrekken van een 'machtiging voorlopig verblijf' bij een verblijf van langer dan drie maanden;
  • doorzending van asielverzoeken;
  • doorgeleiden van klachten over het optreden van Nederlandse overheidsorganen;
  • inlichten van buitenlandse autoriteiten betreffende Nederland o.a. inzake de Nederlandse wetgeving.

Ad. E. Pers en Culturele aangelegenheden

  • Het bevorderen en verbreiden van kennis van het leven en denken van het Nederlandse volk, zijn staatkundige, economische en sociale structuur, zijn cultuur en zijn historie, en over de beginselen en feitelijke gegevens die daarbij een rol spelen. Al dan niet in het kader van een Cultureel Accoord tussen Nederland en het ontvangende land heeft de post tot taak het ontwikkelen van activiteiten en het aankweken en onderhouden van relaties die de banden tussen beide landen kunnen verstevigen. Concreter betekent dit:
    • Het medewerken aan de uitvoering van bilaterale afspraken en verdragen op cultureel en wetenschappelijk gebied;
    • Het deelnemen aan het internationale culturele verkeer;
    • Het profijt trekken uit multilaterale samenwerkingsvormen op dit gebied alsmede het uitdragen van Nederlandse standpunten.
    • onderhouden van contacten met de lokale pers teneinde publicaties over Nederland te stimuleren en waar nodig onjuiste voorlichting te corrigeren.
5.4 Werkzaamheden van Permanente Vertegenwoordigingen

De taak van de Permanente Vertegenwoordigingen van het Koninkrijk der Nederlanden bij internationale organisaties is het voorbereiden van het gezamenlijke beleid en de voorbereiding en formulering van het nationale beleid met betrekking tot die internationale organisaties. De PV's zijn intermediair tussen de nationale administratie en de administratie van de internationale organisatie. Uitvoering van de taak geschiedt door het uitdragen van het Nederlandse standpunt ten aanzien van aangelegenheden waarvoor de internationale organisatie in het leven is geroepen en het bevorderen van besluitvorming van de internationale organisaties, veelal via compromissen, waarin de Nederlandse belangen zo goed mogelijk tot hun recht komen.

De werkzaamheden vinden voornamelijk plaats in vergaderingen van ambtelijke overleg- en werkgroepen en, afhankelijk van het soort organisatie, in al of niet regulier overleg van de politiek verantwoordelijken.

De ambtelijke overleg- en werkgroepen kennen bij sommige internationale organisaties een vaste samenstelling (bijv. NATO), in andere gevallen is er sprake van een ad-hoc overleg. De definitieve voorbereiding van de besluitvorming vindt plaats in het overleg van de Permanente Vertegenwoordigers. De beslissing over de voorstellen vindt altijd op het departement in Den Haag plaats. Het uitdragen van standpunten door de Permanente Vertegenwoordigingen kan slechts plaatsvinden indien instructies bestaan over die standpunten. Die instructies worden geleverd door de departementen van algemeen bestuur in Nederland. Het departement van Buitenlandse Zaken treedt formeel op als coördinerend orgaan bij het vaststellen en doorgeleiden van die instructies.

Multilateraal werk vindt ook plaats op ad-hoc basis. Het betreft hier speciale conferenties van kortere of langere duur waaraan meerdere staten deelnemen. Een voorbeeld hiervan is de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE).

Daarnaast kan een bilaterale post ook optreden als de Nederlandse vertegenwoordiger bij een conferentie of internationale organisatie. Iets wat anders door een speciaal uitgezonden delegatie zou moeten worden gedaan. Voorbeelden hiervan zijn de ambassade Bern ter zake van de UPU en het Consulaat-Generaal Montreal ter zake van de ICAO en de ambassade Nairobi bij het Centrum van de Verenigde Naties voor menselijke nederzettingen (HABITAT) en bij het milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP)

Overzicht 1: Gezantschappen en ambassades van het Koninkrijk der Nederlanden, 1945-1990
land van accrediteringvanafstatus(

A = Ambassade
G = Gezantschap
NM = Nederlandse Missie
NMM = Nederlandse Militaire Missie

)
land van vestiging
Afghanistan '56GIndia
'65AIndia
'66AIran (gesloten in '86)
Albanië'71AJoegoslavië
Algerije'62A
Angola '77A
'79 A Nigeria (TZ te Luanda)
'80 A
Antigua & Barbuda '83 A Trinidad & Tobago
Argentinië '45 G
'54 A
Australië '45 G
'51 A
Bahamas '74 A Jamaica
Bahrein '72 A Irak
'73 A Koeweit
Bangla Desh '72 A
'79 A Thailand (TZ te Dhaka)
'80 A
Barbados ''70A Trinidad & Tobago
België '45 A
Belize '82 A Mexico
'84 A Costa Rica
Benin (Dahomey) '63 A Ivoorkust
'82 A Nigeria
Bolivia '45 G Peru
'56 G
'62 A
'73 A Peru
Bondsrepubliek Duitsland'52 A
'45 NMMBerlijn
Botswana '67 A Zuid-Afrika
'71 A Zambia
'81 A Zimbabwe
Brazilië '45 G
'53 A
Brunei '86 A Singapore
Bulgarije '47 G Joegoslavië
'65 G Roemenië
'68 A
Burkina Faso '62 A Ivoorkust
'78 A Ivoorkust (Ambassadekantoor / TZ te Ouagadougou)
'86 A
Burma (Myanmar) '48 G
'62A
'69A Pakistan
'72 A India
'79 A Thailand
Burundi '64 A Zaïre / Kongo
Canada '45 G
'47 A
Centrafrika '65 A Kameroen
Chili '45 G
'56 A
China '45 A Kantoor van de Zaakgelastigde ergens in de jaren 50
'72 A
Columbia '45 G
'59 A
Comoren '77 A Tanzania
Costa Rica '45 G Guatemala
'51 G Cuba
'55 G
'62A
Cuba '45 G
'64 A
Cyprus '63 A Libanon
'86 A Italië
Denemarken '45 G
'56 A
Djibouti '80 A Ethiopië
Dominica '79 A Trinidad & Tobago
Dominicaanse Republiek '45 G Cuba
'63 A
'64 A Mexico (TZ te Santo Domingo)
'68 A
'74 A Venezuela
Duitse Democratische Republiek'73A
Ecuador '45 G Columbia
'56 G
'62 A
Egypte '45 G
'55 A
El Salvador '45 G Guatemala
'51 G Cuba
'54 G Costa Rica
'56 G Guatemala
'62 A Guatemala
'79 A Mexico
'84 A Costa Rica
Equatoriaal Guinee '71 A Kameroen
Ethiopië '48 G Egypte
'50 G
'62 A
Fiji'72 A Nieuwzeeland
Filippijnen '47 G
'62 A
Finland '45 G
'57 A
Frankrijk '45 A
Gabon '65 A Kameroen
Gambia '66 A Senegal
Ghana '60 A
Grenada '76 A Trinidad & Tobago
Griekenland'45 G
'55 A
Guatemala '45 G
'51 G Cuba
'55 G Costa Rica
'56 G
'62 A
'72 A Mexico (TZ te Guatemala)
'79 A Mexico
Guinee '62 A Liberia
'83 A Ivoorkust
Guinee Bissau '75 A Senegal
Guyana '69 A Trinidad & Tobago
'80 A Suriname
Haïti '45 G Cuba
'55 G Costa Rica
'56 G Cuba
'71 A Jamaica
Honduras '45 G Guatemala
'51 G Cuba
'55 G Costa Rica
'56 G Guatemala
'60 A Guatemala
'79 A Mexico
'84 A Costa Rica
Hongarije '47 G
'65 A
Ierland '45 G
'59 A
IJsland '49 G Ierland
'54 G Verenigd Koninkrijk
'56 A Verenigd Koninkrijk
India '47 A
Indonesië '50 A
Irak '45 G Turkije
'52G
'62 A
Iran '45 G
'57 A
Israël '50 G
'57 A
Italië '45 G
'54 A
Ivoorkust '62 A
Jamaica '62 A Trinidad & Tobago
'66 A
Japan '46 NMM
'48 NM
'52 A
Joegoslavië '45 G Griekenland
'46 G
'57 A
Jordanië '52 G Irak
'62 A Libanon
'86 A Syrië
Kaapverdië '77 A Senegal
Kambodja '60 G Thailand
'66 G Maleisië (dicht '75)
Kameroen '62 A Zaïre/Kongo
'65 A
Katar '72 A Irak
'73 A Koeweit
Kenya '64 A
Kiribati '82 A Nieuwzeeland
Koeweit '64 A Irak
'71 A
Kongo Republiek '62 A Zaïre/Kongo
Korea '62 A Japan
'69 A Japan (TZ te Seoel)
'78 A
Laos '60 G Thailand
'62 A Thailand
Lesotho '68 A Zuid-Afrika
Libanon '49 G Egypte
'52 G
'62 A
'86 A Syrië
Liberia '54 G
'62 A
'83 A Ivoorkust
Libië '56 G Egypte
'62 G Tunesië
'64 G Egypte
'65 A Egypte
'68 A Egypte (TZ te Tripoli)
'79 A
Luxemburg '45 G België
'50 G
'54 A
Madagascar '62 A Ethiopië
'73 A Tanzania
Malawi '65 A Zambia
Maldiven '81 A Sri Lanka
Maleisië '57 G
'62 A
Mali '64 A Senegal
Malta'65 A Italië
Marokko '57 G
'62 A
Mauritanië '62 ASenegal
Mauritius '70 AKenya
'74 A Tanzania
Mexico '45 G
'54 A
Mongolië '72 A Sovjetunie
Mozambique '76 A Zambia
'77 A Zambia (TZ te Maputo)
'82 A Zimbabwe (TZ te Maputo)
Nauru '82 A Australië
Nepal '62 A India
Nicaragua '45 G Guatemala
'51 G Cuba
'56 G Costa Rica
'60 A Costa Rica
Nieuwzeeland '47 G
'65 A
Niger '62 A Ivoorkust
Nigeria '62 A
Noordjemen '72 A Saudiarabië
'79 A Saudiarabië (Ambassadekantoor/ TZ te Sana'a)
'83 A
Noorwegen '45 G
'55 A
Oman '72 A Irak
'73 A Koeweit
'78 A Iran
'84 A Saudiarabië
'86 A
Oostenrijk '46 G
'57 A
Pakistan '48 G
'52 A
Panama '45 G Guatemala
'51 G Cuba
'54 G Costa Rica
'65 A Costa Rica
'84 A Colombia
Papua Nieuw Guinea '76 A Nieuwzeeland
'87 A Australië
Paraguay '45 G Argentinië
'63 A Argentinië
'75 A Uruguay
Peru'45 G
'55 G Costa Rica
'56 G
'57 A
Polen '45 G
'60 A
Portugal '45 G
'57 A
Roemenië '45 G
'54 G Hongarije
'64 G
'68 A
Rwanda '64 A Zaïre/Kongo
São Tomé en Príncipe '78 A Angola
Saudiarabië '45 tot '52 G
'59 G Irak
'68 A
Senegal'62 A
Seychellen '76 A Ethiopië
Sierra Leone'62 A Liberia
'83 A Ivoorkust
Singapore '65 A
St. Christopher & Nevis'83A Trinidad & Tobago
Sint Lucia '79 A Trinidad & Tobago
Sint Vincent en de Grenadinen '80 A Trinidad & Tobago
Solomoneilanden '82 A Australië
Somalië '62 A Sudan
'87 A Kenya
Sovjetunie '45 A
Spanje '45 G
'54 A
Sri Lanka '52 G India
'53 G
'65 A
'72 A India
'77 A India (TZ te Colombo)
'83 A
Sudan '56G
'62 A
Suriname '75 A
Swaziland '68 A Zuid-Afrika
Syrië '52 G Egypte
'56 G Libanon
'59 A Egypte - VAR
'62 A
Tanzania '62 A
Thailand '47 G
'57 A
Togo '62 A Nigeria
'64 A Ivoorkust
'82 A Ghana
Tonga '72 A Nieuwzeeland
Trinidad & Tobago '62 A
Tsjaad '62 A Kongo
'65 AKameroen
Tsjechoslowakije '45 G
'64 A
Tunesië '57 A Italië
'62 A
Turkije '45 G
'55 A
Tuvalu '82 A Nieuwzeeland
Ugunda / Oeganda '64 A Kenya
Uruguay '45 G Argentinië
'51 G
'59 A
Vanuatu '83 A Australië
Vaticaanstad '45 G
'57 A
Venezuela '45 G
'54 A
Verenigd Koninkrijk '45 A
Verenigde Arabische Emiraten '72 AIrak
'73 A Koeweit
'77 A Koeweit (TZ te Abu Dhabi)
'83 A
Verenigde Staten van Amerika '45 A
Vietnam (Noord) '73 A China (TZ te Hanoi)
'80 A Thailand (TZ te Hanoi)
Vietnam Zuid '57 G Filippijnen
'64 A Filippijnen (TZ te Saigon)
'70 A Thailand (TZ te Saigon) (gesloten '75)
West-Samoa '76 A Nieuwzeeland
Zaïre '62 A
Zambia '65 A
Zimbabwe '80 A
Zuid-Afrika '45 G
'53 A
Zuidjemen '75 A Egypte
'84 A Saudiarabië
'85 A Noordjemen
Zweden '45 G
'56 A
Zwitserland '45 G
'57 A
Overzicht 2: Permanente Vertegenwoordigingen en delegaties van het Koninkrijk der Nederlanden, 1945-1990
plaats van-tot afkorting organisatie
Bangkok '60-'75 PV-ECAFE Economische Commissie voor Azië en het Verre Oosten
Bangkok '75 PV-ESCAP Economische en Sociale Commissie voor Azië en het Stille Oceaan-gebied
Brussel '58-'65 GNV Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie
Brussel '65 PV-EG Europese Gemeenschappen
Brussel '68 PV-NAVO Noord-Atlantische Raad
Genève '45 PV-VN Bureau der Verenigde Naties en bij andere Internationale Organisaties (ILO, ITU, WHO, WIPO, WMO, GATT)
Londen '47 PV-WEU Westeuropese Unie
Madrid '89 PV-WTOWereld Toerisme Organisatie
Nairobi '79 PV-HABITATCentrum van de Verenigde Naties voor menselijke nederzettingen
Nairobi '76 PV-UNEP Milieu-programma van de Verenigde Naties
New York '46 PV-VN Verenigde Naties
Parijs '53-'56 GNV Noord-Atlantische Raad, de organisatie voor Europese Economische Samenwerking en de interim commissie voor de Europese Defensie Gemeenschap
Parijs '56-'62 GNV Noord-Atlantische Raad en de organisatie voor Europese Economische Samenwerking
Parijs '62 GNV Noord-Atlantische Raad en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
Parijs '68 PV-OESO Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
Parijs '67 PV-UNESCO organisatie van de Verenigde Naties voor Opvoeding, Wetenschap en Cultuur
Rome '73 PV-FAO Voedsel en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties
Rome '73 PV-WFP Wereld-Voedselprogramma
Stockholm '85-'86 EOC Delegatie naar de onderhandelingen inzake Vertrouwenwekkende en Veiligheid-bevorderende maatregelen
Straatsburg '53 PV-RvE Raad van Europa
Wenen '65 PV-IAEA Internationale Organisatie voor Atoomenergie
Wenen '82 PV-VN Bureau van de Verenigde Naties te Wenen
Wenen'86 CVSE Delegatie naar de Conferentie voor Veiligheid en samenwerking
Wenen '77-'90 MBFR Delegatie naar de onderhandelingen over wederkerige vermindering van strijdkrachten en bewapening en daarmee samenhangende maatregelen in Centraal-Europa
Wenen '75 PV-UNIDO Bureau der Verenigde Naties te Wenen en bij de Organisatie voor Industriële Ontwikkeling
Overzicht 3: (Honoraire) consulaten(-generaal) van het Koninkrijk der Nederlanden, 1945-1990
landplaatsstatus(

C = Consulaat
CA = Consulair Agent
CC = Consulair Correspondent
CG = Consulaat-Generaal
Cms = Commissariaat
IK = Informatiekantoor
NIB = Netherlands Information Bureau
VC = Vice-consulaat

)
soort(

h = honoraire post
- = beroepspost

)
vantot
Afghanistan Kaboel C h '52 '86
Algerije Algiers CG h '45 '66
Algiers CG - '66 -
Annaba (Bône) VC h '45 '64
Annaba (Bône) C h '64 '74
Arzow VC h '45 '64
Oran VC h '45 '64
Oran C h '64 '67
Philippeville VC h '45 '64
Angola Luanda C h '45 '77
Luanda C - '77 -
Antigua en Barbuda St.John's Antigua C h '46 -
Argentinië Bahia-Blanca VC h '45 -
Buenos Aires C h '45 '72
Buenos Aires C - '72 -
Comodore Rivadavia C h '45 '70
Cordoba VC h '45 '50
Cordoba C h '67 '77
Rosario de Santa Fé C h '45 -
Santa Fe VC h '45 '50
Tres Arroyos VC h '55 -
Tucuman VC h '45 '70
Australië Adelaïde C h '45 '74
Adelaïde C h '77 -
Brisbane C h '45 '89
Brisbane C - '89-
Canberra C - '68 -
Darwin C h '45 '62
Hobart C h '45 '46
Hobart C h '47 -
Melbourne C h '45 '54
Melbourne C - '54 '62
Melbourne CG - '62 '74
Melbourne C h '74 '77
Melbourne C - '77 '79
Melbourne CG - '79 -
Newcastle VC h '45 '72
Perth C h '45 '54
PerthC -'54 '73
PerthC h '73 -
Port-Kennedy VC h '45 '59
Sydney CG - '45 -
Sydney NIB - '60 '72
Townsville VC h '45 '89
Bahama-eilanden Nassau C h '45 -
Bahrein Manama CA h '77-
BangladeshDhaka C - '71(

tot 1971: Pakistan

)
-
Barbados Bridgetown C h '45 -
België Antwerpen CG h '45 '48
Antwerpen CG- '48 -
Brugge C h '45 -
Brussel CG - '45 -
Charleroi VC h '45 '72
Charleroi C h '81 -
Gent Ch '45 -
Hasselt VC h '45 '48
Leuven C h '46 '50
Luik C h '45 '56
Luik C - '56 '63
Luik CG - '63 '86
Luik CG h '88 -
Oostende VC h '45 '50
Belize Belize C h '45 -
Benin (Dahomey) Cotonou C h '64 -
Birma (Myanmar) Rangoon (Yangon) C h '45 '48
Rangoon (Yangon) C - '48 '69
Rangoon (Yangon) C h '69 '84
Rangoon (Yangon) CG h '84 -
Bolivia Cochabamba C h '57 -
La Paz C h '45 '50
La Paz C - '50 '60
La Paz C h '60 '75
La Paz CG h '75 -
Oruro C h '45 '57
Santa Cruz de la Sierra C h '88 -
Bondsrepubliek Dsld. Aken C - '47 '51
Aken C h '63 -
Baden-Baden C h'47 '52
Berlijn CG - '47 -
Bonn C - '51 -
Bremen VC - '48 '51
Bremen VC h '51 '55
Bremen C h '55 -
Dortmund C - '47 '64
Dortmund C h '64 -
Duisburg C - '55 '60
Duisburg C h '60 -
Düsseldorf C - '47 '48
Düsseldorf CG - '48 -
Emden C - '49 '60
Emden C h '60 -
Essen C - '50 '57
Essen C h '57 '72
Frankfurt C - '48 '50
Frankfurt CG - '50 -
Gronau VC - '48 '51
Hamburg CG - '47 -
Hannover C - '47 '52
Hannover C h '60 -
Keulen C - '47 '51
Keulen C h '54 -
Kleef C - '47 '72
Kleef C h '72-
Koblenz C h '47 '50
Mannheim VC h '50 '74
MühlheimC - '47 '50
München C - '48 '61
München CG - '61 -
Münster C h '57 -
Oldenburg C - '47 '50
Osnabrück C h '60 -
Rendsburg C h '62 -
Saarbrücken C h '70 -
Stuttgart C h '48 '82
Stuttgart CG h '82 -
Botswana Gaborone C h '76 -
Brazilië Belém C h '45 -
Belo Horizonte C h '45 -
Blumenau C h '63 '75
Brasilia C - '72 -
Curitiba C h '45 -
Florianopolis C h '45 '46
Florianopolis C h '75 '83
Fortaleza C h '45 -
João Pessoa C h '45 '77
Manáus C h '45 -
Pôrto Alegre C h '45 -
Recife (Pernambuco) Ch '45 -
Rio de Janeiro C - '45 '72
Rio de Janeiro CG - '72 '89
Rio de Janeiro CG h '89 -
Rio Grande C h '45 '88
São Luiz de Maranhão C h '45 '46
Salvador C h '45 -
Santos C h '45 -
Sao Paulo C h '45 '52
Sao Paulo CG - '52 -
Vitória C h '45 '88
Brunei Seria C h '79 -
Bulgarije Bourgas VC h '45 '47
Philippopel C h '45 '47
Sofia CG - onbekend-
Burkina Faso Ouagadougou C h '64 '81
Ouagadougou C - '81 -
Burundi Bujumbura (Usumbura) C h '62 -
Canada Calgary VC h '45 '67
CalgaryVC h '69 '81
CalgaryC h '81 -
Chatham VC h '45 '87
Edmonton VC h '45 '58
Edmonton C h '58 '60
Edmonton C - '60'77
Edmonton C h '77 -
Fort William VC h '45 '69
Halifax VCh '45 '69
Halifax C h '69 -
Hamilton VC h '47 '50
Hamilton VC h '58 '84
Kingston VC h '65 -
London VC h '50 -
Montreal CG - '45 '52
Montreal C - '52 '59
Montreal CG - '59 -
North Bay VC h '58 '62
Ottawa C - '50 -
Quebec VC h '45'69
Quebec C h '69 -
Regina VC h '45'69
Regina C h '69 -
Saint John VC h '45 '69
Saint John C h '69 -
Saskatoon VC h '58 '87
St.John's VC h '45 '69
St.John's C h '69 -
Sydney VC h '45 '65
Thunder Bay VC h '69 -
Toronto C h '45 '50
Toronto C - '50 '58
Toronto CG - '58 -
Trenton VC h '58 '65
Vancouver C h '45 '46
Vancouver CG - '46 '50
Vancouver C - '50 '58
Vancouver CG - '58 -
Victoria VC h '45 '58
Winnipeg C h '45 -
Centrafrika Bangui C h '71 -
Chili Antofagasta C h '45 -
Arica VC h '45 '59
Arica C h '59 '65
Arica C h '69 '81
Concepción C h '59 -
Iquique C h '81 -
Magelhanes C h '45 '46
Puerto Montt C h '61 -
Punta Arenas C h '45 -
Santiago de Chili CG- '46 -
Talcahuano C h '45 '60
Temuco C h '61 '74
Temuco VC h '75 '81
Temuco C h '81-
Valdivia C h '45 -
Valparaíso C h '45 -
China Amoy C h '45 '50
Canton C h '45 '51
Chefoo C h '45 '50
Foochow Ch '45 '50
Hankow C h '45 '51
Harbin C h '45 '50
New-Chang C h '45 '50
Peking C - '50 -
Shanghai CG - '45 '51
Swatow Ch '45 '50
Tientsin C h '45 '51
Colombia Barranquilla C h '45 -
Bogotá C h '45 '54
Bogotá C - '54 -
Bucaramanga VC h '55 '61
Buenaventura VC h '45 '84
Cali C h '45 -
Cartagena VC h '45 '46
Cartagena VC h '52 '65
Cartagena C h '65 -
Manizales VC h '48 '67
Medellin C h '45 '81
Medellin CG h '81 -
Riohacha VC h '45 '74
Santa Marta VC h '45 '83
Costa Rica Puerto Limón VC h '45 '46
Puerto Limón VC h '85 -
Puntarenas VC h '45 '50
San José Ch'45 '52
San José C - '52 -
Cuba Cienfuegos VCh '45 '71
Havana CG h '45 '68
Havana CG - '68 -
Santiago de Cuba VCh '45 '59
Santiago de Cuba C h '59 '81
Cyprus Famagusta VC h '48 '59
Famagusta C h '59 -
Larnaca VC h '45 '58
Limassol C h '45 -
DDR Berlijn C -'73 -
Denemarken Aalborg VC h '45 '46
Aalborg C h '46 -
Aarhus C h '45 -
Elseneur VC h '45 '46
Esbjerg VC h '45 '52
Esbjerg C h '52 -
Fredericia VC h '67 -
Frederikshaven C h '45'46
Kolding VC h '45 '48
Kopenhagen CG - '45-
Korsør VC h '45 '56
Nakskov VC h '45 '46
Nakskov VCh '68 -
Nykøbing (Falster) VC h '50 '68
Odense C h '45 -
Rønne VC h '45 -
Sønderborg C h '45 '75
Stege VC h '45 '50
Thisted VC h '45 '47
Tørshavn VC h '45 '60
Tørshavn C h '60 -
Tønder VCh '45 '50
Vejle VC h '45 '67
Djibouti Djibouti C h '77 -
Dominica Roseau C h '78 -
Dominicaanse Rep. Ciudad TrujilloCG h '45 -
Macoris (San Pedro de) VC h '45 '80
Puerto Plata VC h '45 '84
Sanchez VC h '45 '49
Ecuador Guayaquil C h '45 -
Quito C h '45 '48
Quito C - '48 '85
Quito CG h '85 -
Egypte Alexandrië C h '45 '74
Alexandrië C h '78 -
Cairo C - '45 -
Port-Said C h '45 '71
Suez VCh '45 '57
El Salvador San Salvador CG h '45 -
Etiopië Addis Abeba C - '50 -
Asmara C h '55 '65
Fiji Suva C h '70 -
Filipijnen Cebu VCh '48 '51
Cebu C h '60 '64
Cebu C h '79 -
Ilo-Ilo VC h '48 '51
Manilla CG - '46 -
Finland Hamina VC h '55 -
Hanko (Hango) VC h '45 '46
Hanko (Hango) VC h '49 '73
Helsinki CG - '45 -
Kemi VC h '49 '74
Kokkola (Gamlakarleby) VC h '45 '73
Kotka VC h '45 '70
Kotka C h '70 -
Kuopio VC h '51 -
Loviisa VC h '45'73
Mäntyluoto VC h '57 '73
Mariehamn VC h '47 -
Oulu (Uleåborg) VC h '45 -
Pori VCh '45 '57
Pori VC h '73 -
Porvoo VC h '45 '48
Rovaniemi VC h '74 -
Tampere (Tammerfors) VC h '45 '82
Tampere (Tammerfors) C h '82-
Turku (Åbo) VC h '45 '81
Turku (Åbo) C h '81 -
Vaasa (Vasa) VC h '45 -
Viipuri VC h '45 '46
Frankrijk Ajaccio C h '51 -
Bastia C h '45 '51
Bayonne C h '45'59
Bordeaux C h '45 -
Boulogne C h '45 '69
Brest C h '45 -
Caen VC h '45 '48
Calais C h '45 -
Calvi VC h '45 '50
Cannes VC h '45 '67
Château-d'Oléron VC h '45 '51
Cherbourg VC h '45 '46
Cherbourg C h '46 '69
Dieppe VC h '45 '75
Dijon C h '45 -
Duinkerken C h '45 -
Epernay C h '84 -
Grenoble C h '67 -
Hendaye VC h '68 '88
Le Havre C h '45 -
Lorient VC h '45 -
Lyon C h '45 -
St. Malo C h '45 -
Marseille CG h '45 '88
Marseille C h '88 -
Metz C h '45 '47
Montauban C h '45 '46
Nantes C h '45-
St. Nazaire VC h '45 '68
Nice C h '45 -
Orange VC h '45 '55
Orange VC h '65 '74
Parijs CG - '45 -
Pau VCh '45 '60
Pau C h '60 '77
Perpignan C h '68 -
Reims C h '45 '84
Rijssel C h '45 -
Rochefort VC h '45 '47
La Rochelle C h '45 -
Rouaan VC h '45 '75
Rouaan C h '75 -
Roubaix VCh '45 '48
Royan VC h '45 '48
Sète VC h '45 -
Straatsburg C h '45 -
Toulon C h '45 '58
Toulouse C h '47 -
Tours C h '45 -
Valery sur Somme VC h '45 '48
Franse gebiedsdelen in Afrika Saint Denis C h '45 -
Franse gebiedsdelen in Amerika Cayenne C h '45 -
Fort-de-France C h '45 -
Pointe-a-Pitre C h '45 -
Franse gebiedsdelen in Oceanië Noumea C h '45 -
Gabon Libreville C h '61 -
Port Gentil C h '68 -
Gambia Banjul (Bathurst) C h '69 -
Ghana Accra C h '45 '60
Accra C - '60 -
Grenada St. George's C h '77 -
Griekenland Argostoli (Cephalonia) VC h '45 '58
Athene C - '60 -
Candia / Irakleion C h '45 -
Kalamata VCh '45 -
Kavalla VCh '45 -
Korfoe (Kerkyra) C h '45 -
Mitilini (Metelin) VC h '45 -
Naxos VC h '45 '49
Patras VC h '45 '46
Patras C h '46 -
Piraeus C h '45 -
Rhodos C h '49 -
Samos (Vathy) VC h '45 -
Santa-Maura (Leukos) VC h '45 '58
Siros (Syra) C h '45 '50
Siros (Syra) C h '55 -
Thessaloniki C h '45 -
Volos (Volo) VC h '45 -
Zante VC h '45 '58
Zante VC h '64 '68
Guatemala Guatemala C h '45 '74
Guatemala C - '74 '79
Guatemala CG h '79 -
Puerto-Barrios VC h '45 '46
Puerto-Barrios VC h '60 '84
Guinee Conakry C h '45 -
Guinee Bissau Bissau C h '75 -
Guyana Georgetown C h '45 '71
Georgetown CG - '71 '75
Georgetown CG h '75 -
Haïti Cayes VC h '45 '68
Jacmel VC h '45 '73
Kaap-Haïti VC h '45 '68
St. Marc CA h '45 '49
Port au Prince CG h '45 -
Honduras Amapala VC h '45 '46
San Pedro Sula VC h '45 '46
San Pedro Sula VCh '67 -
Tegucigalpa C h '45 '58
Tegucigalpa CG h '58 -
Hongarije Boedapest CG h '45 '47
Boedapest CG - '47 -
Ierland Cork VC h '45 '75
Cork C h '75 -
Dublin CG h '45 '46
Dublin CG - '46 -
Limerick VC h '45 '70
Limerick VC h'81 -
Sligo VC h '45 -
Waterford VC h '45 -
India Bombay C h '45 '54
Bombay CG - '54 -
Calcutta CG - '45 '47
Calcutta C h '47 '60
Calcutta CG h '60 '73
Calcutta C h '73 -
Cochin Ch '47 '61
Cochin C h '64 '79
New Delhi C - '50 -
Madras C h '45 -
Indonesië Bandjermasin Cms. -'51 '56
Bandung Cms. - '50 '56
Bandung C - '56 '57
Bandung C h '73 -
Den Pasar CC h '84 '84
Jakarta CG - '63 -
Kuta CA h '89 -
Makassar Cms. - '50 '56
Makassar C - '56 '57
Medan Cms. - '50 '56
Medan C - '56 '57
Medan C h '67 -
Palembang Cms. - '50 '56
Palembang C - '56 '57
Semarang Cms. - '50 '56
Semarang C - '56'57
Surabaya Cms. - '50 '56
Surabaya C - '56 '57
Surabaya C h '68 -
Irak Bagdad C h '45 '56
Bagdad C - '56 -
Basrah C h '46 '61
Iran Ahwaz C h '45 '46
Khorramshahr C h '60 '71
Teheran C h '45 '46
Teheran C - '46 -
Israël Eilat VC h '73 '84
Eilat C h'84 -
Haifa C h '45 -
Jeruzalem C h '45 '48
Jeruzalem CG - '48 '80
Jeruzalem IK-'82 -
Tel Aviv C h '45'81
Tel Aviv C - '81 -
Italië Ancona C h '48 '57
Ancona C h '69 -
Bari C h '48 -
Brindisi VC h '48 -
Cagliari C h '48 -
Catania C h '50 -
Florence C h '55 -
Gela VC h '69 '78
Genua C - '45 '48
Genua CG h '48 '59
Genua CG - '59 '64
Genua CG h '64 -
La Spezia VC h '48 -
Livorno VC h '48 '54
Livorno C h '54 -
Messina VC h '50 '77
Messina C h '77 -
Milaan C - '45 '48
Milaan CG - '48 '74
Milaan CG h '74 '89
Milaan CG - '89 -
Napels C h '45 -
Palermo C h '50 -
Rome C - '48 '75
Rome CG - '75 -
San Remo VC h '60 '74
Sassari C h '67 '76
Savona VC h '48 -
Syracuse VC h '50 '79
Syracuse C h '79 -
Taranto VC h '68 -
Triëst C h '50 -
Turijn C h '48 '86
Venetië C h '49 -
Ivoorkust Abidjan C h '45 '62
Abidjan C - '62 -
Jamaica Kingston C h '45 '64
Kingston C - '64 -
Japan DairenVC h '48 '54
Kobe CG - '48 -
Nagasaki VC h '48 '50
Nagasaki C h '73 -
Nagoya VC h '48 '54
Nagoya C h '73 -
Sapporo C h '77 -
Shimonoseki VC h '48 '50
Tokio C h '48 '54
Tokio C - '54 '75
Tokio CG - '75 -
Yokohama C h '48 -
Jemen Aden C h '45 '72
Joegoslavië Belgrado C - '48 -
Dubrovnik VC h '69 -
Ljubljana C h '68 -
Rijeka C h '68-
Skopje C h '71 -
Split VC h '45 '50
Split C h '69 -
Susak VC h '47 '50
Zagreb C h '45 '50
Zagreb C h '71 -
Jordanië Amman C h '60 '71
Amman CG h '71 -
Kaapverdië Porto Grande Mindelo C h '76 -
Praia C h '75-
Kambodja Phnom Penh C h '56 '75
Kameroen Douala C h '45 -
Yaoundé C h '62 '65
Yaoundé CG - '65 -
Katar Doha C h '74 '82
Kenya Mombasa C h '45 -
Nairobi CG - '49 -
Koeweit Koeweit C h '68 '71
Koeweit C - '72 -
Kongo Brazzaville C h '60 -
Pointe Noire VCh'67 -
Korea Seoel VCh '48 '50
Seoel C h '61 '69
Seoel C - '69 -
Pusan C h '84'89
Laos Vientiane C h '56 -
Lesotho Maseru C h '78 '79
Maseru C h '87 -
Libanon Beiroet CG h '45 '71
Beiroet CG - '71 -
Tripoli VC h '45 '75
Tripoli C h '75 '87
Liberia Monrovia Ch '45 '54
Monrovia CG - '54 '83
Monrovia CG h '83 -
Libië Tripoli C h '47 '73
Tripoli C - '73 -
Liechtenstein Vaduz C h '45 '59
Luxemburg Luxemburg CG h '45 '87
Luxemburg C - '87 -
Madagaskar Antananarivo (Tananarive) C h '45 -
Tamatave VC h '45 '76
Malawi Limbe (Blantyre) C h '76 -
Maleisië Koeala Loempoer C - '56 -
Miri C h '85 -
Penang C h '45 -
Mali Bamako C h '64 -
Malta Valetta C h '45 '64
Valetta CG h '64 -
Marokko Casablanca C- '45 '48
Casablanca C h '48 '72
Casablanca CG h '72 -
Larache VC h '45 '46
Marrakesch VC h '45 '46
Mazagan VC h '45 '53
Meknes VC h '45 '46
Mogador VC h '45 '51
Rabat VC h '45 '47
Rabat (

In Rabat was van 1947 tot 1951 een handelscommissaris voor Noord-Afrika aangesteld.

)
'47 '51
Rabat CG -'51 -
Saffi VC h '45 '49
Tanger CG - '45 '56
Tanger C - '56 '64
Tanger C h '81 -
Tetuan VC h '45 '49
Mauritanië Nouakchott C h '75 -
Nouadhibou C h '70 '74
Mauritius Port Louis C h '45 '72
Port Louis CG h '72 -
Mexico Acapulco VC h '68 -
Coatzacoalcós C h '45 '89
Guadalajara C h '55 -
Mazatlán VC h '45 '46
Mazatlán VC h '67 -
Mérida VC h '45 -
Mexico C h '46 '60
Mexico C - '60 -
Monterry C h '45 -
Tampico C h '45 -
Veracruz C h '45 -
Monaco Monte Carlo C h '68 -
Mozambique Beira C h'45
Lourenco-MarquesC h '45
Maputo C -
Namibië Swakopmund VC h '45 '51
Windhoek C h'45
Nepal Kathmandu C h '81 -
Nicaragua Managua C h '45 '60
Managua CG h '60 -
Nieuwzeeland Auckland C h '45 -
Christchurch VC h '45 '62
Christchurch C h '62 -
Dunedin VC h '45 '61
Dunedin C h '61 '83
Wellington CG - '45 '48
Wellington C - '48 -
Niger Niamey C h '69 -
Nigeria Kano VC h '60 '68
Lagos C h '45 '60
Lagos C - '60 -
Port Harcourt VCh '60 '68
Noorwegen Bergen C h '45-
Bodø VC h '68 -
Drammen VC h '45 -
Egersund VC h '45 '48
Frederikstad VC h '45 -
Halden VC h'45 -
Hammerfest VC h '45 -
Haugesund VC h '45 '47
Kragerö VC h '45 -
Kristiansand-S VC h '45 -
Kristiansund-N VC h '45 -
Larvik VC h '45 -
Mandal VC h '45 '47
Moss / Soon VC h '45 '76
Narvik VC h '45 '82
Oslo CG h '45 '46
Oslo CG - '46 -
Skien VC h '45 -
Stavanger VC h '45 '48
Stavanger C h '48 -
Tønsberg VC h '45 -
Tromsø VC h '45-
Trondheim C h '45 -
Oman Muscat C h '71 '86
Muscat C - '86 -
Oostenrijk Bludenz C h '68 -
Graz C h '47 '50
Graz C h '64-
Innsbruck C h '47 -
KlagenfurtC h '75 -
Linz C h '77 -
Salzburg C h '47 '50
Salzburg C h '55 -
Wenen CG h '46'53
Wenen CG - '53 -
Pakistan Chittagong C h '51 '67
Dhaka (Dacca) C h '67 '71(

Vanaf 1971: Bangladesh

)
Islamabad C - '70 -
Karachi C h '45 '50
Karachi C - '50 -
Panama Colón C h '45 -
Panama CG h '45 '74
Panama C - '74 '79
Panama CG h '79 -
Papua-Nieuwguinea Port Moresby C h '75 -
Konedobu CA h '63 '70
Paraguay Asunción C h '45 '52
Asunción CG h '52 -
Peru ArequipaVC h '45 '64
ArequipaC h '64 -
Chiclayo VC h '58 '89
Lima CG h '45'71
Lima CG - '71 -
Mollendo VC h '45 -
Paita VC h '45 '69
Pimentel VC h '45 '46
Piura VC h '45 '46
Salaverry VCh '45 '46
Polen Warschau C h '45 '47
Warschau C - '47 -
Portugal Angra de Heroismo VC h '45 '49
FaroVC h'45 -
Figueira da Foz VC h '45 '49
Funchal C h '45 -
Horta VC h '45 '74
Lissabon CG h '45 '47
Lissabon CG - '47 -
Ponta Delgada C h '45 -
Porto C h '45 -
Setubal VC h '45 '71
Vianna-do-Castello VC h '45 '49
Vila Real de Santo António CA h '45 '52
Santo António VC h '52 -
Portugees gebiedsdeel in Afrika San Thomé VC h '45 '46
Portugees gebiedsdeel in Azië Macao C h '45 '67
Roemenië Boekarest CG - '45 -
Galati C h'45 '47
Timisoara C h '45 '47
Rwanda Kigali C h '69 -
San Marino San Marino C h'45 '50
São Tomé en Principe São Tomé C h '78 '88
Saudiarabië Djedda C - '45 '50
Djedda C h '50 '74
Djedda C - '74 '86
Djedda CG - '86 -
Riyadh CG - '86 -
Senegal DakarC h '45 '60
DakarCG - '60 -
Seychellen Mahé C h '45 -
Sierra Leone Freetown C h '45 -
Singapore Singapore CG - '45 -
Sint Christopher en Nevis Basseterre C h '45 -
Sint Lucia Port Castries VC h '45 -
Sint Vincent en de Grenadinen Kingstown C h
Somalia Mogadiscio C h '62 -
Sovjetunie Moskou C - '68 -
Spanje Algericas C h '73 -
Alicante C h '45 -
Almeria VC h '45 -
Barcelona C h '45 '50
Barcelona C - '50 '53
Barcelona CG h '53 '70
Barcelona CG - '70 -
Benicarlo VC h '45 '46
Benidorm VC h '79 '81
Benidorm C h '81 -
Bilbao C h '45 -
Cadiz C h '45 -
Cartagena VC h '45 '77
Castro Urdiales VC h '45 '47
La Coruña C h '45 '83
Denia VC h '45 '54
El Ferrol VC h '45 '82
El Ferrol C h '82 -
Gandia VC h '62 '83
Gerona VC h '65 '82
Gijón VC h '45 -
Granada VC h '45 '75
Granada C h '75 '80
Huelva VC h '45 '74
Huelva C h '74 -
Ibiza VC h '45 -
Jerez de la Frontera VC h '60 '83
Madrid CG - '45 -
Port Mahón C h '45 '49
Port Mahón VC h '49 -
Málaga C h '45 -
Palma de Mallorca VC h '45 '49
Palma de Mallorca C h '49 -
San Sebastian C h '45-
Santander C h '45 -
Sevilla C h'45 '46
Sevilla C h '47 '74
Sevilla C h '80 -
Tarragona VC h '45 '86
Tarragona C h '86 -
Valencia C h '45 -
Vigo C h '45 -
Zumaya VC h '45 '46
Spaanse gebiedsdelen in Afrika:Ceuta C h '65 -
Las Palmas Ch '45 -
Santa Cruz de Tenerife C h '45 -
Sri Lanka Colombo C h '45 '53
Colombo C - '53 '72
Colombo CG h '72 '89
Colombo CG - '89 -
Sudan Khartoem C- '56 -
Port Sudan VC h '67 -
Suriname Paramaribo C - '76 -
Swaziland Mbabane C h '83 -
Syrië Aleppo C h '45 -
Damascus C h '45 '46
Damascus C h'51 '60
Damascus CG - '60 -
Lattakia C h '52 -
Tanzania Dar es Salaam VC h '45 '61
Dar es Salaam C - '61 -
Thailand Bangkok CG h '45 '49
Bangkok CG - '49 -
Togo Lomé C h '61 -
Trinidad en Tobago Port of Spain C h '45 '63
Port of Spain CG - '63 -
Tsjaad N'Djamena (Fort Lamy) C h '61 -
Tsjecho-Slowakije Bratislava C h '47 '50
Brno C h '46 '48
Praag CG - '48 -
Tunesië Bizerta VC h '45 '61
Sfax VC h '45 '84
Sfax C h '84 -
Tunis C h '45 '58
Tunis CG h '58'62
Tunis CG -'62 -
Turkije Ankara C-'71-
Canak-Kalesi VC h '45'46
Iskenderun (Alexandrette) VC h '45 '86
Iskenderun (Alexandrette) C h '86 -
Istanboel C h '45 '49
Istanboel CG - '49 -
Izmir C h '45 -
Trabzon C h '45 '59
Uganda Kampala VC h '45 '60
Kampala C h '60 '71
Kampala CG h '71 -
Uruguay Montevideo C h '45 '52
Montevideo C -'52 -
Venezuela Barcelona C h '45 '48
Barquisimeto CA h '45 '47
Caracas C h '45 '61
Caracas C - '61 '64
Caracas C h '64 '70
Caracas C- '70 -
Carupano VC h '45 '55
Ciudad-Bolivar VC h '45 '51
Ciudad-Bolivar C h '51 -
Coro VC h '45 '60
Cumana C h '45 '61
El Cardon C h '48 '83
La Guayra C h '45 '61
Lagunillas C h '67 '73
Maracaïbo C - '45 '48
Maracaïbo C h '48 -
Pampatar VC h '45 '60
Puerto Cabello C h '45 -
Puerto la Cruz C h '47 -
Punta Cardón C h '83 -
Tovar VC h '45 '52
Tucacas CA h '45 '53
Valencia VC h '45 '46
Valencia C h '67 -
Verenigd Koninkrijk Aberdeen VC h '45 '75
Aberdeen C h '75 -
Barrow-in-Furness VC h '45 '72
Belfast C h '45 -
Birmingham C h'45 -
Blyth VC h '45 '74
Borrowstounness VC h '45 '57
Boston VC h '48 -
Bradford VC h '45 '67
Bristol VC h '45 -
Burntisland CA h '45 '46
Cardiff C h '45 -
Carlisle VC h '45 '77
Cowes VC h '45 '55
Dartmouth VC h '45 '55
Dover VC h '45 -
Dundee C h '45 -
Edinburgh C h '45 '46
Edinburgh CG h '46 '61
Edinburgh C h '61 -
Falmouth VC h '45 -
Fleetwood VC h '45 '46
Fowey VC h '45 -
Glasgow C h '45 -
Gloucester VC h '45 '73
Goole VC h '45 -
Gourouck VC h '45 '46
Grangemouth VC h '45 '73
Great Yarmouth VC h '45 -
Grimsby VC h '45 -
Hartlepool VC h '45 '71
Harwich VC h '45 '70
Harwich C h '70 -
Helier, St. C h '45 -
Hull C h '45 -
Immingham VC h '89 -
Inverness VC h '45 '73
King's Lynn VC h '45 -
Kirkwall VC h '45 -
Leeds VC h '45 -
Lerwick VC h '45 -
Liverpool C h '45 -
Londen C - '45 '56
Londen CG - '56 -
Londonderry VC h '45 '62
Lowestoft VC h '45 -
Manchester C h '45 -
Methil VC h '45 '61
Middlesbrough VC h '45 -
Newcastle upon Tyne C h '45 -
Newport VC h '46 '81
Penzance VC h '45 -
Peter Port, St. VC h '45 '86
Peterborough VC h '45 '60
Plymouth C h '45 '55
Plymouth VCh '55 -
Portsmouth C h '45 '79
Rochester VC h '45 '79
Sampsons, St. VC h '86 -
Sheffield VC h '45 -
Southampton C h '45 -
Stockton-on-Tees VC h '45 '48
Stornoway VC h '45 '60
Sunderland C h '45 '71
Swansea VC h '45 '62
Swansea VC h '64 '81
Weymouth VC h '45 '61
Whitehaven VC h '45 -
Britse gebiedsdelen in Europa Gibraltar C h '45 -
Britse gebiedsdelen in Azië HongkongCG - '45 -
Verenigde Arabische Emiraten Abu Dhabi C - '77 -
Dubai C h '77 '88
Dubai C - '88 -
Verenigde Staten van Amerika Anchorage C h '78 -
Atlanta C h '76 -
Baltimore C h '45 -
Boston C h '45 -
Buffalo C h '51 -
Charleston C h '45 '51
ChicagoCG - '45 -
Christiansted C h
Cleveland Ch '45 -
Corpus Christi VC h '45 '50
Denver VC h '45 '67
Denver C h '75 -
Detroit C h '45 -
Galveston VC h '46 '51
Galveston VC h '55 '70
Grand Rapids C h '45 -
Holland NIB - '50 '74
Honoloeloe C h '45 -
Houston C h '45'60
Houston CG - '60 -
Jacksonville VC h '45 '79
Jacksonville C h '79 -
Kansas City C h '45 -
Los Angeles Ch45'61
Los Angeles CG - '61 -
St. Louis C h '45 -
Mayaguez P.R. VC h '45 -
Miami C h '45-
Minneapolis C h '45 '51
Minneapolis C h '83 -
Mobile VC h '45 '74
New Orleans C h '45 '46
New Orleans CG - '46 '48
New Orleans CG h '48 '53
New Orleans CG - '53 '60
New Orleans CG h '60 '77
New Orleans C h '77 -
Newport News VC h '45 '51
New York CG - '45 -
New York NIB'45 '75
Norfolk C h '45 '75
Norfolk Ch '77 -
Orange City VC h '45 '77
Paterson VC h '45 '77
St. Paul C h '51 '83
Pensacola VC h '45 '46
Philadelphia C h '45 -
Pittsburgh VC h '45 '49
Pittsburgh C h '49 '89
Ponce P.R. VC h '45 onbekend
Port-Arthur C h '45 '51
Portland VC h '45 '63
Portland C h '63 -
Salt Lake City VC h '45 -
San Diego VC h '45 -
San Francisco CG - '45 '89
San Francisco NIB- '50 '74
San Francisco C h '89 -
San Juan P.R. C h '45 onbekend
Savannah VC h '45 '47
Savannah VCh '53 '74
Seattle C h '45 -
St. Thomas C h '45 '60
Tampa VC h '45 '74
Tampa C h '79 -
Washington VC - '45'55
Washington C - '55 '82
Washington CG - '82 -
Vietnam Hanoi C h '45 '50
Saigon VC h '45 '47
Saigon CG - '47 '56
Saigon C h '56 '58
Saigon C - '58 '75
Westsamoa Apia C h '82 -
IJsland Akureyri VC h '45 '46
Reykjavik CG h '45 -
Westmann-eilanden VC h '45 '46
Zaïre Jadotstad C h '45 '55
Kinshasa (Leopoldstad) Ch '45 '50
Kinshasa (Leopoldstad) CG - '50 -
Lubumbashi (Elisabethstad) VC - '55 '57
Lubumbashi (Elisabethstad) C - '57 '60
Lubumbashi (Elisabethstad) C h '60 '76
Matadi VC h '55 '74
Matadi C h '86 -
Zambia Lusaka C - '65 -
Ndola VC h '64 '67
Zimbabwe Bulawayo C h '45 '52
Harare (Salisbury) CG - '52 -
Zuidafrika Bloemfontein C h '45 '85
Durban C h '45 -
Johannesburg C - '45 '52
Johannesburg CG - '52 '88
Kaapstad C - '45 '46
Kaapstad CG - '47 -
Kimberley VC h '47 '62
Oost-Londen VC h '45 -
Port Elizabeth VC h '45 '62
Port Elizabeth C h '62 -
Potchefstroom C h '45 '46
Pretoria C h '45 '47
Pretoria C - '47 -
Zweden Gävle VC h '45 -
Göteborg C h '45 '56
Göteborg CG h '56 -
Halmstad VC h '45 '69
Halmstad VC h '73 '88
Hälsingborg VC h '45 -
Härnösand VC h '45 '70
Jönköping VC h '58 -
Kalmar VC h '45 '69
Kalmar VC h '73 -
Karlshamn VC h '45 -
Karlskrona VC h '45 '87
Landskrona VC h '45 '87
Luleå VC h '45 '87
Lysekil VC h '45 '55
Malmö C h '45 -
Norrköping VC h '45 -
Oxelösund VC h '45 '51
Skellefteå VC h '49 -
Söderhamn VC h '45 '84
Stockholm CG h '45 '48
Stockholm CG - '48 -
Sundsvall VC h '45 -
Uddevalla VC h '45 -
Umeå VC h '45 -
Varberg VC h '45 '79
Visby VC h '45 '56
Zwitserland Bazel C h '45 -
Bern C h '45 '58
Bern C - '58 -
Davos-Platz C h '45 -
Genève C h '45 '61
Genève C - '61 '65
Genève CG - '65 '77
Genève CG h '77 --
Lausanne VC h '45 '50
Lugano C h '45 -
Luzern VC h '45 '50
Zürich C h '45 '54
Zürich C - '54 '65
Zürich CG - '65 '71
Zürich CG h '71 -
Hoofdstuk 6 Stafafdelingen en adviseurs ('s-sector') 1950-

In dit hoofdstuk wordt de taak- en organisatieontwikkeling over de periode 1950-1990 beschreven van de stafafdelingen en adviseurs die rechtstreeks onder de secretaris-generaal ressorteren. Organisatie-ondersteunende afdelingen, zoals die voor personele en financiële aangelegenheden blijven, zoals eerder opgemerkt, buiten het onderzoek. Dientengevolge komen in dit hoofdstuk achtereenvolgens aan de orde: Directie Kabinet en Protocol, Directie Verdragen, Directie Algemene Zaken en de diverse adviseurs.

6.1 Organisatie-ontwikkeling 1950-

Na de reorganisatie van 1950 laat de departementale, 'Haagse' organisatie zich verdelen in directoraten-generaal (uiteindelijk drie) en de zgn. 'S-sector' (rechtstreeks ressorterend onder de secretarisgeneraal) met onder andere beleidsadviseurs en ondersteunende eenheden.

De reorganisatie van 1950 had de structuur van de Directie Kabinet en Protocol (DKP) niet aangetast. DKP bestond op dat moment uit het Kabinet (DKP/KA), de afdeling Decoraties (DKP/DE) en de afdeling Verdragen (DKP/VE). Deze laatste afdeling groeide in 1956 uit tot een zelfstandige directie.

Bij deze directie werd ook het in 1953 ingestelde Vertaalbureau van DKP ondergebracht. In 1960 werd bij het Kabinet een sectie Registratie Personeel Buitenlandse Vertegenwoordigingen ingesteld, die vanaf einde 1962 verder ging als bureau Administratie Buitenlandse Missies (DKP/BM). Tot slot werd bij DKP in 1989 het bureau Voorrechten en Immuniteiten (DKP/VI) ingesteld.

Bij de reorganisatie van 1950 was de Directie Algemene Zaken (DAZ) de opvolger van de Directie Juridische en Administratieve Zaken. Onder DAZ kwamen de volgende, deels nieuwe bureaus te ressorteren: bureau Vreemdelingenzaken (DAZ/VZ), bureau Juridische Zaken (DAZ/JZ), bureau Paspoorten (DAZ/PP), bureau Reiswezen (DAZ/RW) en bureau Algemene Zaken (DAZ/AZ). Het laatste bureau werd in 1952 reeds gesplitst in een bureau Sociaal-economische Zaken (DAZ/SZ) en een bureau Nederlanders in het Buitenland (DAZ/NB, 1952-1963). In hetzelfde jaar werd het bureau Paspoorten omgedoopt tot bureau Paspoorten en Policiaire Zaken (DAZ/PP).

In de loop van de periode 1950-1990 werden met wisselende benamingen ('adviseur', 'assistent', 'ambassadeur') een aanzienlijk aantal adviseursfuncties ingesteld voor kortere of langere tijd. De meesten ressorteren rechtstreeks onder de secretaris-generaal. Een aantal verleent of verleende uit hoofde van zijn functie ondersteuning in de DGPZ-sector. Zie voor deze adviseurs hoofdstuk 4 Directoraat-Generaal Politieke Zaken.

In aanvulling op de regionale opzet van het organisatiemodel (1949-1950) werden in de secretarisgeneraal-sector ook op een aantal algemene beleidsterreinen adviseursfuncties ingesteld. Uit de Directie Verkeer en Grote Rivieren kwam de Verkeersadviseur (VADV) voort. Hoewel aangeduid alsof het één functionaris betreft, groeide VADV snel uit tot een afdeling, bestaande uit de Verkeersadviseur, diens plaatsvervanger en enkele medewerkers. De Raadadviseurs werden opgevolgd door twee Juridisch Adviseurs (JAFR en ALAD). Vanaf 1953 werd de nieuwe Juridisch Adviseur aangeduid met de afkorting JURA. Ook hier was al snel sprake van één Juridisch Adviseur, een plaatsvervanger en medewerkers. Ook werd in 1950 de functie van Financieel-Economisch Adviseur (FEAD) ingesteld. Deze functie werd overigens alleen in de jaren 1954-1957 daadwerkelijk vervuld.

6.2 Directie Kabinet en Protocol 1950-

Kabinet

DKP/KA behandelt buitenlandse aangelegenheden betreffende het Koninklijk Huis en onderhoudt hiertoe de contacten met het Kabinet der Koningin en de posten in het buitenland. Tot 1988 behandelde DKP/KA ook de briefwisseling tussen Koningin en vreemde vorsten en staatshoofden.

Verder is het DKP/KA belast met de voorbereiding van staats- en (niet) officiële bezoeken en van buitengewone diplomatieke zendingen (van Nederland aan het buitenland en v.v). DKP/KA behandelt voorts zaken ten aanzien van leden van het buitenlandse Corps Diplomatique en het personeel werkzaam bij buitenlandse missies en de internationale organisaties in Nederland. Het gaat hierbij om agrémentverlening (formele toestemming van de ontvangende staat om als diplomaat werkzaam te zijn), diplomatieke voorrechten en immuniteiten, visa en legitimatiebewijzen, beveiligingsmaatregelen (

'Beveiliging ... van het Corps Diplomatique en het personeel werkzaam bij buitenlandse missies en de internationale organisaties in Nederland', wordt sinds 1988 in de Gids vermeld, maar werd in 1970 al als taak omschreven. 'Functiemap DKP, januari 1970'. O & I archief, 4e blok, inv.nr. 0178.

), alsmede de voorlichting over deze zaken (deze werkzaamheden werden einde 1962 gedeeltelijk overgedragen aan het nieuwe bureau Administratie buitenlandse missies, zie daar).

Behandeling van zaken van de minister (korte tijd: ministers) persoonlijk behoorde tot 1988 tot de taak van DKP/KA. Ministeriële correspondentie van protocollaire en ceremonile aard wordt ook door DKP/KA verzorgd. De ceremoniële aangelegenheden die door DKP/KA verricht worden, bestaan uit de voorbereiding en begeleiding van de organisatie van officiële buitenlandse bezoeken aan Nederland en v.v. Ook vervult het Kabinet een adviserende functie ten aanzien van deze aangelegenheden ten opzichte van andere overheidsinstanties en bedrijfsleven. DKP/KA documenteert buitenlandse protocollaire en ceremonile regelgeving.

Bureau Decoraties

Deze organisatie-eenheid werd in de jaren vijftig achtereenvolgens aangeduid als 'Afdeling Decoraties', 'Decoraties' en 'Bureau Decoraties' Gids Ministerie van Buitenlandse Zaken ('s-Gravenhage 1950-1960).

Vanaf 1950 verzorgde DKP/DE voordrachten voor Nederlandse decoraties aan buitenlanders en agrementsaanvragen van buitenlandse decoraties aan Nederlanders. Tevens voorzag het in het secretariaat van de Interdepartementale Decoratiecommissie en de Decoratie Commissie uit de Raad van Ministers. In 1966 werd de taak verruimd tot 'voordrachten en zaken betreffende Nederlandse onderscheidingen aan Nederlanders in het buitenland en vreemdelingen, alsmede buitenlandse onderscheidingen aan Nederlanders; restitutie van versierselen na overlijden of bij bevordering.' In 1969 verdwenen de voordrachten uit de taakomschrijving. (

Organisatie en reorganisatie, 62. Gids van het Ministerie van Buitenlandse Zaken ('s-Gravenhage 1988).

)

Afdeling Verdragen

De werkzaamheden van DKP/VE omvatten de formele procedure van door Nederland te sluiten verdragen en andere overeenkomsten met vreemde mogendheden. Inhoudelijke bemoeienis betreft de (juridische) controle van de ontwerpteksten en vertalingen. Vanaf 1951 redigeert de afdeling het Tractatenblad van het Koninkrijk der Nederlanden. (

'De zorg voor de uitgifte van het Tractatenblad wordt opgedragen aan de Minister van Buitenlandse Zaken.' KB van 29 december 1950 art. 3 (Stb. no. K 667). Ingetrokken bij Rijkswet van 22 juni 1961, Stb. 207, houdende bekendmaking van internationale overeenkomsten en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, art. 8. de zorg voor het Tractatenblad bleef evenwel bij de Minister van Buitenlandse Zaken (art. 4).

) Vanaf 1953 beheert de afdeling het Archief der Nederlandse Verdragen. De afdeling had ook bemoeienis met de departementale Commissie voor de Verdragen. Vanaf 1953 ressorteerde een Vertaalbureau onder de afdeling. (

Organisatie en reorganisatie, 62-63. Jaarboek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken 1950-1951, 313-316. Gids van het Ministerie van Buitenlandse Zaken ('s-Gravenhage 1953).

)

6.3 Directie Algemene Zaken 1950-

DAZ is belast met de zaken die betrekking hebben op Nederlanders en vreemdelingen (

Met uitzondering van: 1. de belangenbehartiging van Nederlands diplomatiek personeel in het buitenland, hetgeen geschiedt door de Directie Buitenlandse Dienst en 2. zaken met betrekking tot hier te lande geaccrediteerde buitenlandse diplomaten, door Directie Kabinet en Protocol.

) die in Nederland verblijven of zich naar het buitenland begeven; de zaken betreffende de rechten en plichten en persoonlijke belangen van Nederlanders in het buitenland - waar nodig in overleg met de regionale directies; alle consulaire en aanverwante aangelegenheden Nederlanders en vreemdelingen betreffende en alle zaken betreffende het contentieux. (

Werkzaamheden die betrekking hebben op de algemene belangen van in Indonesië verblijvende en uit Indonesië gerepatrieerde Nederlanders (waaronder toepassing garantiewetten, pensioenregelingen, wachtgelden, tegemoetkomingen oorlogsslachtoffers) werden in de jaren vijftig door het Directoraat-Generaal Indonesië (DGIN) uitgevoerd. Zie ook Bureau Schadeclaims Indonesië (DAZ/SI).

)
In 1986 werd de coördinatie van de internationale aspecten van het minderhedenbeleid toegevoegd aan het takenpakket van DAZ, in 1987 gevolgd door coördinatie met betrekking tot terrorisme en drugsbestrijding, in 1988 met betrekking tot de aidsproblematiek.

Chef DAZ had van 1953 tot 1967 (als plv. lid) zitting in de Raad voor de Emigratie, een adviescollege ten behoeve van de Minister van Sociale zaken en Volksgezondheid. Hij had vanaf de instelling in 1955 het voorzitterschap van de interdepartementale commissie voor Vluchtelingenzaken (ICV, later: Vluchtelingenbeleid) en was lid van de Permanente vreemdelingen adviescommissie, welke van voor 1950 dateert. (

Ingesteld door de Minister van Buitenlandse Zaken 13 april 1955. Het secretariaat berust bij de Directie Internationale Organisaties (DIO).

) De ICV wordt in 1980 vervangen door de interdepartementale coördinatiecommissie Minderhedenbeleid (ICM), waarin chef DAZ Buitenlandse Zaken vertegenwoordigt en de subcommissie Vluchtelingenbeleid, waarvan hij het voorzitterschap heeft. (

ICM is ingesteld door de Minister van Binnenlandse Zaken bij beschikking van CM 80/U698 van 6 oktober 1980 en is ambtelijk voorportaal van de Welzijnsraad. Voorzitterschap en secretariaat besrusten bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

)
Het laatste geldt ook voor de interdepartementale commissie ad hoc voor Hongaarse vluchtelingenzaken (1956). Chef DAZ was lid van de in 1955 ingestelde externe adviescommissie Nationaliteitsaangelegenheden. (

Ingesteld door de minister van Justitie bij ministeriële beschikking van 26 februari 1955, nr. 131/155, 1ste Afdeling A.

)
Hij was adviseur in de interdepartementale commissie Nederlands-Indonesische Unie en Nieuw-Guinea (1952). (

Commissie onder voorzitterschap van de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken. Ingesteld door de minister-president bij ministeriële beschikking van 11 januari 1952.

)

Bureau Algemene Zaken

In DAZ/AZ werden onder andere een aantal taken van de in 1950 opgeheven directie Verkeer en Grote Rivieren ondergebracht. Tot 1952 hield het zich bezig met de volgende onderwerpen: nalatenschappen, belastingen, hulpacties, repatriëring, vlootbezoek, scheepvaart, zeelieden, visserij, verkeer en waterstaatkwesties, dienstplichtaangelegenheden, oorlogsschaden, onderstand, overneming van behoeftigen, inlichtingen omtrent personen.

DAZ/AZ verzorgde tussen 1950 en 1962 het secretariaat van de Nederlandse afvaardiging in het Havencomite Straatsburg/Rotterdam/Amsterdam.

Bureau Paspoorten/Bureau Paspoorten en Policiaire Zaken/Bureau Paspoortaangelegenheden/Beleidsgroep Reisdocumenten

DAZ/PP verzorgde (in 1950) de afgifte van paspoorten aan personen, die niet in het bevolkingsregister van enige Nederlandse gemeente zijn ingeschreven, alsmede van dienst-, consulaire en diplomatieke paspoorten en legalisaties. Daar kwam bij in 1952 naar aanleiding van de Paspoortinstructie (

Paspoortinstructie Nederland 1952, vastgesteld bij beschikking van de Minister van Buitenlandse Zaken van 26 mei 1952, DAZ/PP 48810, Ned. Stcrt. 1952, 132.

) de vaststelling van voorschriften ten aanzien van de afgifte en het gebruik van de paspoorten in Nederland en in het buitenland en het toezicht op de uitvoering van die voorschriften. (

Vanaf 1955 is in Rotterdam een dependance gevestigd van het bureau, dat voorziet in afgifte, verlenging of wijziging van paspoorten t.b.v. Rijnschippers en hun gezinsleden. Vanaf 1979 is te Schiphol een bureau gevestigd, ressorterend onder het Bureau Paspoorten en Policiaire Zaken, voor afgifte, verlenging of wijziging van paspoorten ten behoeve van het vliegend personeel van de KLM.

)

Verder heeft het bureau bemoeienis met het reizigersverkeer van Nederlanders naar het buitenland.

Ook werden in 1952 politiaire zaken toegevoegd aan het takenpakket van het bureau. Hieronder zijn te verstaan werkzaamheden met betrekking tot antecedentenonderzoek, signaleringen, opsporing en uitlevering van misdadigers.

DAZ/PP vertegenwoordigde vanaf 1953 het Ministerie van Buitenlandse Zaken in de Commissie voor intrekking van bij deviezenfraude ingenomen paspoorten. Eerder had DAZ/JZ zitting in de commissie.

Bureau Reiswezen

DAZ/RW heeft als hoofdtaken de verzorging van reizen naar het buitenland voor ambtenaren van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en verzorgen van visering van alle diplomatieke, dienst- en gewone paspoorten voor ambtenaren van alle ministeries. In bijzondere gevallen wordt deze dienst ook voor particulieren verricht (waarvoor vanaf 1978 een uitzondering voor toeristen geldt). Tot 1964 vroeg het bureau ook de voor die reizen benodigde deviezen aan. Tussen 1964 en 1978 verleende DAZ/RW bemiddeling aan Nederlanders bij visa-aanvragen voor landen niet in Nederland vertegenwoordigd.

DAZ/RW was tot 1953 vertegenwoordigd in de interdepartementale deviezencommissie ambtenarenreizen.

Bureau Juridische Zaken

Bepaalde taken van DAZ/JZ werden tussen 1950 en 1984 afgestoten en andere juist toegevoegd. Dat geldt voor behandeling van kwesties van extraterritorialiteit en emigratie (taak tot 1952), naturalisatie (tot 1952 en vanaf 1984), inlichtingen omtrent Nederlandse en vreemde wetgeving (tot 1963), beheerszaken, auteursrechten, effectenregistratie, rechtsherstel, gerechtelijke stukken (1952 tot 1982), burgerlijke stand, grensverdragen (1952 tot 1984), belastingwetgeving en -verdragen, conciliatieverdragen (1963 tot 1982) en de afwikkeling van nalatenschappen (1963 tot 1984).

DAZ/JZ is sinds 1950 vertegenwoordigd in de Commissie rechtsherstel buitenlandse effecten.

Bureau Sociaal-Economische Zaken

Bij de instelling in 1952 kreeg DAZ/SZ taken toebedeeld op de volgende terreinen: emigratie, sociale zekerheid, arbeid, vestigingsverdragen, onderstanden, alimentatie, overneming van behoeftigen en krankzinnigen, voogdij, nalatenschappen, oorlogsschade. In 1953 werd repatriëring daar aan toegevoegd, in 1957 adoptie en curatele. In 1957 kwam oorlogsschade, in 1960 vestigingsverdragen te vervallen. In 1963 werd het takenpakket uitgebreid met kostwinnersvergoedingen en pensioenen, recuperatie en oorlogsgraven. In 1981 werden de taken opnieuw gedefinieerd: bijstand aan in het buitenland in financiële moeilijkheden geraakte Nederlanders en bemiddeling bij repatriëring; recuperatie; (consulaire bijstand aan) Nederlandse gedetineerden in het buitenland; opsporing van vermiste Nederlanders in het buitenland en nagaan van welstand; adresopsporing en bemiddeling bij inning van vorderingen; informatieverstrekking met betrekking tot vestiging in het buitenland, sociale zekerheid en pensioenen; sociale uitkeringen, bijstand, e.d.; oorlogsgraven; evacuatie-aangelegenheden; alimentatie-, voogdij-, adoptie- en curatele aangelegenheden; studieschulden. In 1982 kwamen alimentatie-, voogdij-, adoptie en curatele aangelegenheden en studieschulden te vervallen. Toegevoegd werden geneesmiddelenvoorziening aan de posten en bemiddeling bij examens in het buitenland.

DAZ/SZ had zitting in de Centrale coördinatiecommissie sociale voorzieningen (1950-1968), de interdepartementale commissie buitenlandse arbeidskrachten (1965-1968). DAZ/SZ heeft zitting in de Permanente Commissie voor zaken van de Burgerlijke Stand en Nationaliteitsaangelegenheden en de Commissie Nederlandse gedetineerden in het Buitenland. Verder is er extern overleg met particuliere hulpverleningsorganisaties en reisorganisaties. (

Gids van het Ministerie van Buitenlandse Zaken ('s-Gravenhage 1984), Jaarboek Buitenlandse Zaken 1988-1989 ('s-Gravenhage 1989) 159-164. De BZ-organisatie in kaart, ongepubliceerd rapport, O & I, Ministerie van Buitenlandse Zaken (1992).

)

Bureau Nederlanders in het buitenland

DAZ/NB hield zich tussen 1952 en 1963 bezig met opsporing en repatriëring van vermisten, recuperatie, oorlogsgraven, defensieaangelegenheden (waaronder dienstplichtzaken), verkeersaangelegenheden (waaronder vlootbezoek) en belastingen. In 1957 kwamen nalatenschappen en oorlogsschade daarbij.

Bureau Vreemdelingenzaken

DAZ/VZ is in de jaren vijftig en zestig belast met de toelating en uitwijzing van vreemdelingen, door middel van de verlening van visa, toelating als vluchteling, uitlevering, naturalisatie, verlenging van paspoorten voor vreemdelingen en vluchtelingen in het buitenland. Het bureauhoofd was tot 1958 tevens adviseur van de Visadienst.

DAZ/VZ vertegenwoordigt het Ministerie van Buitenlandse Zaken vanaf 1950 in de Facilitaire Commissie Burgerluchtvaart (

Ingesteld in 1949 door de Rijksluchtvaartdienst (zie PIVOT-rapport 'Grenzen aan het vliegen' Institutioneel onderzoek op het terrein van de burgerluchtvaart, 1945-1992 (1994).

), de Coördinatiecommissie ICAO-voorschriften en de Commissie tot vergemakkelijking van het internationale luchtverkeer.

Bureau Asielzaken

DAZ/BA levert een bijdrage aan het Nederlandse vluchtelingenbeleid.

DAZ/BA heeft zitting in de Interdepartementale Stuurgroep Immigratie (ISI), voert het secretariaat van de Interdepartementale Commissie Vluchtelingenbeleid (ICV) en vertegenwoordigt Buitenlandse Zaken in de zgn. 'asielzittingen' van de Adviescommissie Vreemdelingenzaken (AVV) en van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State (ARRS). Het vluchtelingenbeleid wordt in internationaal verband onder andere uitgedragen in de Intergovernmental Committee for Migration. Bij de uitvoering van het vluchtelingenbeleid had het bureau een stem in de statusbepaling van asielzoekers (tot en met 1991).

Stafeenheid Bijzondere Onderwerpen

DAZ/EB omvat een aantal staffunctionarissen met diverse taken op het terrein van vreemdelingenbeleid. DAZ/EB informeert de vertegenwoordiger van Buitenlandse Zaken in de Interdepartementale Coördinatiecommissie Minderhedenbeleid over de standpunten van de onderscheiden dienstonderdelen; adviseert de leiding van DAZ over ontwikkelingen in het minderhedenbeleid; ontwerpt mede instructies ten aanzien van het minderhedenbeleid; draagt bij aan de behandeling van Kamervragen; pleegt departementaal en interdepartementaal overleg. (

'Staffunctionaris DAZ', notitie 23-11-1983, O & I-archief, 4e blok, inv.nr. 0235.

)

6.4 Adviseurs 1950-

Verkeersadviseur (VADV)

De taak van VADV is sinds 1950 onveranderd: de behandeling van alle luchtvaartaangelegenheden voor het departement en het adviseren van de departementsleiding over scheepvaart en andere verkeersaangelegenheden in de ruimste zin van het woord. Bij de reorganisatie van 1950 zijn de uitvoerende taken van de Directie Verkeer en Grote Rivieren overgedragen aan DAZ. VADV verricht de volgende werkzaamheden: het bestuderen van ontwikkelingen op het terrein van internationaal vervoer; bijdragen aan de voorbereiding van wetgeving op verkeersgebied; het adviseren van en overleggen met departementsleiding, directies, andere ministeries (in het bijzonder Verkeer en Waterstaat (DGSM, DGV, HDTP), vervoersorganisaties (w.o. Stichting Nederlandse Internationale Wegvervoerorganisatie (NIWO), Kamers van Koophandel en het bedrijfsleven (w.o. KLM); het instrueren van posten en permanente vertegenwoordigingen; behandeling van zaken betreffende de ICAO, ECAC, CEMT, IMCO en CRC en vertegenwoordiging van Buitenlandse Zaken in afvaardigingen naar deze organisaties; secretariaat van de Nederlandse afvaardiging naar de Centrale Rijnvaartcommissie (CRC, Straatsburg); deelname aan de departementale crisisstaf; het voeren van overleg met de Antilliaanse autoriteiten en directie van de ALM; behandeling in overleg met het Ministerie van Defensie van overvlieg- of landingsvergunningen buitenlandse militaire vliegtuigen; verzorging aanvragen Nederlandse militaire vliegtuigen; verzorging diplomatieke toestemming bezoeken Nederlandse Marineschepen aan buitenlandse havens; overleg met Ministerie van Defensie over toekomstige vlootbezoeken; overleg met Ministerie van Financiën over belastingaangelegenheden; vertegenwoordiging van Nederland in bilaterale onderhandelingen over vervoerskwesties; bijdragen aan werkdossiers bewindslieden. VADV was voorzitter van de Nederlandse delegatie van de Nederlands-Belgische studiecommissie voor het Scheldevraagstuk (1956-1961) (

Ingesteld n.a.v. de op 14 juli 1951 te Goes gehouden Ministersconferentie. Voorzitterschap 1951-1956 bij JAFR, echter: eerste bijeenkomst 5 maart 1956. Secretariaat Nederlandse delegatie bij DEU/BE.

), van de Nederlands-Belgische onderhandelingscommissie voor de kwestie van het Kanaal Gent-Terneuzen (1959-1960) (

De onderhandelingen resulteerden in het verdrag van 20 juni 1960 (Trb. 1960, 105). Secretariaat: DEU/WE.

)
en voorzitter van Nederlandse afvaardigingen in diverse commissies uit de (Benelux) Raad voor de Economische Unie. (

De Raad kent een uitgebreide commissiestructuur met commissies en subcommissies waarin weg- en watervervoerskwesties besproken worden tussen de Beneluxpartners. Zie ook Tractatenblad 1953, 55.

)

VADV en diens plaatsvevanger waren vertegenwoordigd in de raad van toezicht van het NIWO (1955-1957), de Commissie vervoer gevaarlijke stoffen (vanaf 1961), het Havencomité Straatsburg/Rotterdam/Amsterdam (1950-1962).

VADV vertegenwoordigt Buitenlandse Zaken in de volgende interdepartementale commissies: Interdepartementale Commissie voor Burgerluchtvaartaangelegenheden (voorzitterschap en secretariaat) (

Ingesteld bij verslag eerste vergadering 29 oktober 1945 op initiatief van chef Directie Verkeer en Grote Rivieren.

), Interdepartementale Commissie Burgerluchtvaart in Oorlogstijd (vanaf 1965), Interdepartementale Veiligheidscommissie Burgerluchtvaart, Interdepartementale Commissie betreffende herziening van het Luchtvaartverdrag van Chicago, Commissie Warschaupact Handelsscheepvaart, Werkgroep zeepiraterij, Commissie begeleiding vlootbezoeken (voorzitterschap), de Verkeerscommissie Schumanplan (1953-1957), Verkeerscommissie Benelux (en subcommissies, 1950-1960), de Rijkscommissie voor Luchtfotografie (1955-1960).

Tot 1981 vertegenwoordigt VADV het Ministerie van Buitenlandse Zaken in de Centrale commissie voor de statistiek (CCS). (

Vanaf 1981 wordt deze taak door chef DES overgenomen. Ingesteld bij KB van 9 januari 1899 (Stb. 1899, 43). De commissie, waarvan voorzitterschap en secretariaat bij Economische Zaken berusten, verstrekt bindende adviezen aan het Centraal Bureau voor de Statistiek.

)

Juridisch Adviseur (JAFR/JURA)

Het is de taak van JURA (

De afkorting JAFR werd tot 1953 gebezigd ter aanduiding van Juridisch Adviseur prof. mr. dr. J.P.A. Francois. Sindsdien wordt de afkorting JURA gebruikt.

) de departementsleiding en directies bij te staan bij de beantwoording van vraagstukken van volkenrechtelijke aard en te voorzien van andere juridische adviezen. Het doel hierbij is de eenheid der volkenrechtelijke opvattingen van het ministerie te verzekeren. JURA is verantwoordelijk voor de eenheid van de uitleg van het internationale en Europese recht, alsmede voor advies over de inhoud bij de totstandbrenging daarvan. JURA bevordert de ontwikkeling en codificatie van de internationale rechtsorde en de procedures voor vreedzame geschillenbeslechting. JURA adviseert andere departementen over de inhoud en uitleg van de op het Koninkrijk berustende internationale rechten en verplichtingen.

JAFR had het voorzitterschap van de interdepartementale commissie inzake rechtsverkeer Oostenrijk (1950) en vertegenwoordigde het ministerie in de Grondwetscommissie (1950-1953), de commissie voor de vertaling van de Rode Kruis verdragen van 12 augustus 1949 (1950). JAFR had zitting in de Nederlandse delegatie van de (trilaterale) Commissie tot voorbereiding van een verdrag voor een economische unie tussen Nederland, België en Luxemburg (1949). JAFR en JURA vertegenwoordigen Buitenlandse Zaken in de (externe) Staatscommissie tot voorbereiding van de te nemen maatregelen ter bevordering der codificatie van het internationaal privaatrecht (1897).

De plv. Juridisch Adviseur verzorgde in 1954 het secretariaat van de Commissie wenselijkheid nadere wijziging der vigerende grondwettelijke bepalingen betreffende het bestuur der buitenlandse betrekkingen ('Commissie Kranenburg'). (

Externe commissie, ingesteld bij ministeriële beschikking van 1 september 1954, DKP 100622. De voorzitter was lid van de Raad van State, voorts hadden leden van de Staten-Generaal, hoogleraren en enkele hoge ambtenaren zitting in de commissie.

)

De assistent van de Juridisch Adviseur had in 1953 het voorzitterschap van de juridische subcommissie van de Commissie voor aangelegenheden van Indonesië (CAVI) (

De CAVI verzorgde de ambtelijke voorbereiding van de Raad voor Aangelegenheden van Indonesië (RAVI), 1950-1953 en 1957-1958. Organisatie en reorganisatie, 130. Van der Togt, 44.

), het secretariaat van de Commissie nopens de samenwerking tussen Regering en Staten-Generaal inzake het buitenlands beleid (de zgn. 'Commissie Eysinga', 1950-1951). Hij vertegenwoordigde het ministerie in de interdepartementale commissie ter behartiging van Nederlandse nationalisatie en oorlogsschadeclaims (1950) en de commissie ter voorbereiding van een ontwerpverdrag inzake rechtspositie van strijdkrachten der Westelijke Unie in oorlogstijd (1953).

JURA treedt op namens het Koninkrijk in procedures voor internationale gerechtelijke instanties, zoals het Internationaal Gerechtshof, de Europese Commissie, het Hof van Justitie voor de pen en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. JURA verzorgt het secretariaat van de (externe) Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (1954-) en heeft het voorzitterschap en secretariaat van de (interdepartementale) Commissie voor Uniforme Interpretatie van het EEG-verdrag. (

Ingesteld bij brief van DGES 24 oktober 1960. De commissie heeft tot taak een uniforme Nederlandse interpretatie van daarvoor in aanmerking komende belangrijke verdragsartikelen voor te bereiden. Naast een aantal vast vertegenwoordigde departementen, kunnen departementen naar gelang het te behandelen onderwerp worden uitgenodigd.

)

JURA vervulde het voorzitterschap van de Nederlandse delegatie naar de conferentie van de Verenigde Naties over het diplomatieke verkeer (Wenen 1961, resulterend in het Verdrag van Wenen inzake het diplomatiek verkeer), was lid van de Nederlandse delegatie naar de (Benelux) Raad voor de Handelsakkoorden (1953-1955) en vervulde korte tijd de functie van Rijnvaartcommissaris (1962-1966, zie ook VADV).

Financieel-Economisch Adviseur (FEAD)

FEAD was in 1950 pro memorie in de nieuwe organisatie opgenomen. De functie zou niet ingevuld worden zolang van de diensten van regeringscommissaris Hirschfeld (zie hfdst. 6 DGEM en voorgangers) gebruik kon worden gemaakt. Met ingang van 15 juli 1954 werd E.H. van der Beugel Directeur-Generaal voor Economische en Militaire Aangelegenheden) tot FEAD benoemd. Toen deze in 1957 staatssecretaris van Buitenlandse Zaken werd, bleef de functie vacant. Het was de taak van FEAD adviezen uit te brengen de departementleiding (twee ministers en een secretaris-generaal) en de directies van het departement over vragen van financieel-economische aard. (

Organisatie en reorganisatie, 206-207. Beschikking van 15 juli 1954, ASAZ no. 88417.

)

Adviseur voor Onderhandelingen met Buurlanden (BUAD)

Adviseert de departementsleiding over Nederlands-Belgische kwesties (Schelde, Benelux, etc.). Maakt deel uit van onderhandelingsdelegaties.

Adviseur voor Protocollaire Aangelegenheden (ADKP)

Adviseert de departementsleiding en de Directie Kabinet en Protocol (DKP) over zaken die het in acht te nemen protocol in officiële buitenlandse contacten aangaan.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in