Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

BiZa / Kunsten en Wetenschappen

2.04.13
J.A.A. Bervoets
Nationaal Archief, Den Haag
1985
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.04.13
Auteur: J.A.A. Bervoets
Nationaal Archief, Den Haag
1985
CC0

Periode:

1875-1918

Omvang:

89,10 meter; 3563 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief bevat stukken over: zorg voor monumenten, musea, archieven en bibliotheken, beeldende en uitvoerende kunsten, letterkunde, wetenschap (wetenschappelijke congressen, bemiddeling bij onderzoek en stimulering van publicaties). Ook is er een rubriek 'Zorg voor gebouwen', waaronder zowel museum- en archiefgebouwen als gebouwen van onderwijsinstellingen of provinciale besturen kunnen vallen.
Bij het onderwerp monumentenzorg vormen de dossiers van de afzonderlijke gebouwen een zeer omvangrijke serie, die alfabetisch op gemeente is geordend. Bij de musea zijn stukken aanwezig betreffende: organisatie, gebouw en inrichting, beheer, acquisitie, conservering, inventarisatie en beschrijving van kunstobjecten, en dienstverlening.
Het beleid bij de musea betrof met name het Rijksmuseum (nieuwbouw geopend in 1885), het Mauritshuis en de Leidse rijksmusea. Na 1901 was er ook bemoeienis met niet-rijksmusea. Bij de zorg voor archieven lag de nadruk op de omvorming van de provinciale archiefdiensten in rijksarchieven en op nieuwe huisvesting voor het Algemeen Rijksarchief. Het wetenschapsbeleid richtte zich op de Koninklijke Academie van Wetenschappen, de Koninklijke Bibliotheek en andere wetenschappelijke genootschappen (de universiteiten en hogescholen bleven onder de Afdeling Onderwijs van het Ministerie van Binnenlandse Zaken).
Het archief bevat ook een tekening met het ontwerp van het ambtskostuum van de algemeen rijksarchivaris.

Archiefvormers:

  • Ministerie van Binnenlandse Zaken / Afdeling Kunsten en Wetenschappen

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

1 Geschiedenis van de afdeling en wat daaraan vooraf ging

Bij Koninklijk Besluit van 22 juni 1875, nr. 11, vond de instelling plaats van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Als motivering werd door de minister J. Heemskerk Az. aangegeven dat er begrotingsgelden waren vrijgekomen, nu met ingang van 1 januari 1875 de afdeling belast met het beheer van de gestichten Ommerschans en Veenhuizen was overgegaan naar het Ministerie van Justitie. Als chef van de nieuw gevormde afdeling werd jhr. mr. Victor Eduard Louis de Stuers (1843- 1916) ( Over Victor de Stuers zijn verscheidene korte levensbeschrijvingen verschenen. Bibliografieën van zijn werk en over zijn persoon zijn verschenen in De Maasgouw, 69 (1950), p. 116-117. De belangrijkste gegevens over zijn leven vindt men in Het levenswerk van Jhr. Mr. Victor de Stuers herdacht door zijne vrienden (Utrecht, 1913) en P. Albers, Victor de Stuers in Studiën, Tijdschrift voor godsdienst, wetenschap en letteren, jaargang 50 (1918), deel 89, p. 20-32, 125-152, 533-562; jaargang 50 (1918), deel 90, p. 1-27; jaargang 51 (1919), deel 91, p. 228- 260; jaargang 51 (1919), deel 92, p. 330-360; jaargang 52 (1920), deel 94, p. 337-369. ) benoemd in de rang van referendaris.

Met de instelling van deze afdeling erkende de minister dat een actief cultuurbeleid onder de zorg van de regering viel. Tot op dat moment viel het cultuurbeleid onder de competentie van de vijfde afdeling van het departement: Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. In werkelijkheid werd er sedert 1830 geen regeringsbeleid gevoerd, omdat dit een prerogatief scheen te zijn van het persoonlijke monarchale stimuleringsbeleid van koning Willem I en zijn opvolgers. De vijfde afdeling handelde alleen de lopende zaken af, beheerde de instellingen die door koning Lodewijk Napoleon of koning Willem I werden opgericht of voerde door koning Willem I ingestelde subsidieregelingen passief uit. De gevleugeld geworden uitspraak van minister Thorbecke in 1862 dat kunst 'geene zaak van regeering' was ( Handelingen der Tweede Kamer der Staten-Generaal, 15 september 1862, pag. 36. Voor commentaar op deze uitspraak, zie Emanuel Boekman, Overheid en kunst in Nederland, (Amsterdam, 1939), p. 41 vlgg. ), omdat deze geen oordelaar van wetenschap en kunst mocht zijn - het ging om het ontbreken van passages dienaangaande in de Troonrede - was zowel in de regeringskringen als in het parlement een voorwendsel tot nalatigheid op het gebied van kunstverzameling en monumentenbehoud.

Oppositie hiertegen kwam vooral van letterkundigen en organisaties van kunstenaars en wel vanuit verscheidene stromingen die door een beroep op het roemrijke nationale verleden de ingeslapen volksgeest wilden opweken. In tijdschriften als De Gids, De Spektator van tooneel, concerten en tentoonstellingen, De Dietsche Warande, De Kunstkronyk en De Nederlandse Spectator ijverden estheten vanuit verschillende richtingen voor het behoud van het nationaal cultureel erfgoed. Op de vermaarde beschrijving van de Historische Zaal in Het Rijksmuseum door E.J. Potgieter in De Gids van 1844 volgden tal van argumenten voor verandering van het kunstbeleid in recensies en tijdschriftartikelen van persoonlijkheden als Jozef Alberdingk Thijm, Jan Kneppelhout en Alexander Ver Huell. Reeds in 1854 verschenen brochures, waarin werd gepleit voor de aanstelling van een aparte ambtenaar bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken, die men 'een referendaris, directeur enz. voor de zaken der Beeldende (of ook wel, algemeener, der Schoone) Kunsten (zou) kunnen noemen'. Deze functionaris moest enerzijds het stimuleringsbeleid van koning Willem I op het gebied van eigentijdse kunst voortzetten, anderzijds zou hij zorg moeten dragen voor het oude vaderlandse kunstbezit ( T. van Westrheene Wz., Een woord over kunstbescherming in Nederland (Den Haag, 1854) p. 30. ).

De herdenking van 50 jaar Nederlands onafhankelijkheid in 1863 gaf aanleiding tot tal van particuliere initiatieven, maar bij de uitwerking van deze voorstellen kwamen op pijnlijke wijze de tegenstellingen tussen de voorstanders van een stimulerend kunstbeleid aan het licht. De romantische visies over cultuur hadden ook maatschappelijke consequenties. Al eerder, in 1827, verscheen postuum een geschrift van de eerste directeur van het Leidse Prentenkabinet, D.P.G. Humbert de Superville. Daarin werd uiteengezet, dat de meest volmaakte kunstuitingen 'onvoorwaardelijke tekenen' bevatten die verwezen naar een hoger ideaal en dat het uitoefenen van kunst tevens de ordening van een samenleving impliceerde ( D.P.G. H(umbert) d(e) S(uperville), Essai uur les signet inconditionnels dans l'art, (Leyde, 1827). ). De schrijver stelde dan ook een eigen, esthetische staatsordening voor naar Saint-Simonistisch model. Er bestond in de negentiende-eeuwse opvattingen dus een nauw verband tussen de uiterlijke vormgeving van openbare gebouwen, gedenktekens en kunst werken enerzijds en de geestesgesteldheid die ze dienden op te roepen: zij werden verondersteld een 'waarheidsgehalte' te bezitten, dat moest verwijzen naar het platonische staatsideaal. Beeldende kunst was 'niet alleen voedsel voor de oogen, maar ook voor de ziel ( Aldus Alexander Ver Huell in een polemiek over zijn voorstel tot de oprichting van een nationale galerij van moderne historieschilderingen onder de titel Volk en Kunst. Het citaat is uit een inzonden stuk in de Arnhemse Courant van 5 oktober 1862, opgenomen in Schetsen met de Pen door A.V.H. (derde bundel, Arnhem, 1876), p. 81. Zie over deze aangelegenheid ook J.A.A. Bervoets, Een utopisch museumproject: de actie 'Volk en Kunst' van Alexander Ver Huell in De Negentiende Eeuw, documentatieblad werkgroep 19e eeuw, jaagang 2, nr. 3 (september 1978), p. 205-215. ).' Toen er dus discussies werden gevoerd over blijvende gedenktekens die in 1863 moesten worden opgericht, werden de organisatoren geconfronteerd met de vraag hoe de essentie van 'onze nationale historie' aanschouwelijk diende te worden gemaakt. Met name de katholieke Alberdingk Thijm protesteerde tegen de traditionele beeldvorming van Neerlands heldendaden in het verleden (bijvoorbeeld in de 80-jarige Oorlog!) omdat de waarheid die daarmee werd verkondigd niet de zijne was. Dergelijke problemen kwamen aan de orde, toen de Commissie tot Voorbereiding van een stichting van een Kunstmuseum in Amsterdam in het voorjaar van 1863 ertoe over ging dit museum te integreren in een monument voor de vaderlandse geschiedenis ( Notulen van de vergaderingen van de commissie tot voorbereiding van de stichting van het Museum 'Koning Willem I', 1862-1863. Algemeen Rijksarchief, verzameling losse aanwinsten van de Tweede Afdeling vanaf 1980, 1982, nr. 9. ). Bij de totstandkoming van een nationaal gedenkteken in Den Haag kwam het tot een openlijke architectonische richtingenstrijd tussen de katholieke, neogotisch georiënteerde prijswinnaar Pierre Cuypers en de 'protestantse', klassicistisch georiënteerde publieke opinie.

Hervatting van een stimuleringsbeleid van eigentijdse kunst door de overheid, zoals onder koning Willem II, zou dus tot te grote controverses leiden. Vandaar dat de liberalen met hun opvattingen over de rol die de regering op esthetisch terrein diende te spelen niet alleen stonden. Ook Victor de Stuers had in zijn beroemde artikel Holland op zijn smalst geen kritiek op het ontbreken van een dergelijk beleid; wat hij aanviel was de onverschilligheid voor reeds bestaande kunstvoorwerpen, het gebrek aan esthetische vorming van het publiek en van vakbekwaamheid van kunstenaars.

Holland op zijn smalst verscheen in 1873 in het novembernummer van De Gids ( De Gids, jaargang 1873, nr. IV, p. 320-404. ). Hoofdonderwerp was de zorg voor monumenten en voor de musea, die aan het Rijk waren toevertrouwd. De publicatie viel samen met een veranderend inzicht bij de regering, die voor de begroting van het dienstjaar 1874 een post had opgevoerd voor 'bewaring van en toezigt op gedenkteekenen van Nederlandse Geschiedenis en Kunst reis- en verblijfkosten, enz. ( Art. 186. ) ' Toen deze post door het parlement was aangenomen, werd bij Koninklijk Besluit van 8 maart 1874, nr. 14, het College van Rijksadviseurs voor de Monumenten van Geschiedenis en Kunst ingesteld. Victor de Stuers werd secretaris. Omdat de Afdeling Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen van het ministerie de verwerking van de overstelpende hoeveelheid adviezen van dit college niet meer aankon, moest men tot nadere maatregelen overgaan. De oprichting van een nieuwe afdeling met speciale bevoegdheden op dat gebied werd noodzakelijk geacht.

De Stuers werd in juni 1875 voor de keuze gesteld tussen het secretariaat van zijn college of de leiding over de nieuwe afdeling. Wij weten reeds dat hij het laatste koos, en zullen verderop zien, hoe hij de afdeling uitbouwde tot een instrument, dat tot doelmatig cultuurbeleid in staat was. Maar het beeld van zijn werkzaamheden is onvolledig, wanneer wij slechts afgaan op de papieren neerslag van zijn departementaal bureau. Hij begeleidde zijn werkzaamheden met publikaties in tal van tijdschriften en wist ook door nevenactiviteiten in particuliere organisaties zijn denkbeelden en verlangens te verwezenlijken. Het beleid van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen kan daarom niet los worden gezien van organisaties als de vereniging 'Rembrandt' of de Nederlandse Vereniging voor Tekenonderwijs.

2 De werkzaamheden van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen in het algemeen

Ter uitvoering van het Koninklijk Besluit van 22 juni 1875, nr. 11, werd bij besluit van de minister van Binnenlandse Zaken van 25 juni 1875, 1a.M van de Afdeling Algemene Zaken en Comptabiliteit ( Archief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, Afdeling Algemene Zaken en Comptabiliteit, inventarisnummer 250. ) bepaald: '... 30. Bij zijn Departement wordt ingesteld een nieuwe afdeling, die genaamd zal zijn: Zesde afdeeling (Kunsten en Wetenschappen)' De Stuers had inmiddels als een vervolg op Holland op zijn smalst zijn bedoelingen uiteengezet in een artikel Iteretur Decoctum, dat in het novembernummer van De Gids van 1874 ( De Gids, jaargang 1874, nr. IV, p. 314-352. Hij riep de lezers een 'tot ziens' toe. Blijkbaar koesterde hij toen het verlangen om in 1875 met een vervolgartikel te komen. ) was verschenen. Het gold de volgende concrete voorstellen:

  • algemene invoering en verbetering van het tekenonderwijs en kunstzinnige vorming in het onderwijs,
  • uitbreiding en aanvulling van de openbare kunstverzamelingen, volgens de auteur 'de laboratoria, de bibliotheken en arsenalen voor de kunstenaars en de kunstindustriëlen', alsmede reorganisatie van hun beheer,
  • staatszorg voor een kunstzinnige en esthetisch verantwoorde bouw en inrichting van de regeringsgebouwen,
  • in verband hiermee: een georganiseerde monumentenzorg,
  • een bond van allen die op kunstgebied de beschaving willen en naar vooruitgang streven, teneinde de regering te steunen in zijn kunstbeleid. Met uitzondering van het laatste, dat uiteraard een zaak was van het particuliere initiatief, vormden deze punten het 'regeringsprogram' van de referendaris.

De taak van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen diende derhalve te worden uitgebreid. Met het argument, dat de zogenaamde 'Leidse musea' (het Museum van Oudheden, het Ethnografisch Museum en kabinetten) en de tekenscholen vóór 1875 onder de begrotingspost 'Kunsten en Wetenschappen' vielen, wist De Stuers gedaan te krijgen, dat bij ministeriële beschikking van 17 juli 1876, la.N, Algemene Zaken en Comptabiliteit, ook deze onderwerpen onder zijn taakstelling kwamen ( Archief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, afdeling Algemene Zaken en Comptabiliteit, inventarisnummer 251. ). Kort tevoren, bij ministeriële beschikking van 27 juni 1876, la.I, Algemene Zaken en Comptabiliteit, werd hem ook de zorg voor de landsgebouwen in de Residentie en de gebouwen van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen toegewezen ( Ibid. Afschrift in het archief van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen, inventarisnummer 135. ).

Deze taak werd onttrokken aan de Afdeling Waterstaat en Publieke Werken van het ministerie. Op deze manier kon De Stuers tot de verwezenlijking van zijn idealen overgaan. De algemene bemoeienis met de landsgebouwen in de residentie werd hem bij ministeriële beschikking van 11 januari 1878, 1a.C, Algemene Zaken en Comptabiliteit, ontnomen ( Een afschrift bevindt zich in het archief van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen, inventarisnummer 135. ), maar dit belette hem niet om op dit terrein blijvend werkzaam te zijn.

Met de uitoefening van deze bevoegdheden heeft Victor de Stuers gedurende zijn ambtsuitoefening tot 1901 het volgende gerealiseerd:

  • Op het gebied van de overheidsbouw: de recrutering van een eigen team architecten met specialisatie op het gebied van utiliteitsgebouwen. Dit moest in de plaats komen van de ingenieurs van waterstaat of van de genie die thans de overheidsgebouwen ontwierpen. Het bureau bewerkstelligde de totstandkoming van een specifieke bouwstijl, geïnspireerd op de neogothiek en neorenaissance. In de opvattingen van de voorstanders van deze richting werd de constructie van een gebouw zowel door zijn utilitaire als ideologische functie bepaald.
  • Op het gebied van monumentenzorg: De totstandkoming van een instituut van monumentenzorg; de spectaculaire restauratie van tal van monumenten na aankoop door het Rijk en minimum garantie van blijvend onderhoud; toezicht op het beheer van roerende en onroerende monumenten door gemeenten; het tegengaan van vervreemding van gemeentelijke, kerkelijke en corporele roerende monumenten.
  • Op het gebied van musea: de oprichting van het Rijksmuseum als nationaal museum (deels de verwezenlijking van een romantisch ideaal!); de aanstelling van competente directies over alle andere rijksmusea en de verheffing van museumbeheer tot een wetenschappelijke specialiteit; de oplegging van de verplichting tot inventarisatie, catalogisering en kosteloos toegankelijk stellen van de aanwezige kunstschatten voor het publiek; de formulering van een acquisitiebeleid.
  • Op het gebied van het archiefwezen: de reorganisatie van het archiefwezen in de provincies door de oprichting van rijksarchieven aldaar; de overbrenging van alle oude rechterlijke en notariële archieven naar deze instellingen; de vorming van een team van rijksarchivarissen, dat in staat zou zijn om vaste richtlijnen voor ordening en beschrijving van archieven op te stellen.
  • Op het gebied van kunstzinnige vorming: de oprichting van een normaalschool voor tekenonderwijs en een modelschool voor kunstnijverheid; de opzet van een subsidiebeleid voor tekenscholen met verplichte inspectie als voorwaarde; algehele onderwijshervorming op dit gebied. Indirect leidde zijn streven tot invoering van het tekenonderwijs in het lager, het middelbaar en uiteindelijk ook in het voorbereidend hoger onderwijs. Op internationaal terrein kwam het tot uitwisseling van kunstreproducties, die vooral voor onderwijsdoeleinden konden worden aangewend.

Op het gebied van wetenschapsbeleid werden geen innovaties ingevoerd, maar de steun aan bestaande instellingen werd aanzienlijk uitgebreid, terwijl ook scherp toezicht werd uitgeoefend op de prestaties.

Aanvankelijk leek het erop dat De Stuers overgeleverd was aan de willekeur van het beleid van zijn superieuren. De secretaris-generaal, mr. P.F. Hubrecht, was een man van regels en had nog wel eens moeite met het persoonlijk optreden en de improvisatie van zijn subaltern, hetgeen niet zelden tot interne discussies leidde. Ernstiger werd het, wanneer de minister het belang van De Stuers' werkzaamheden niet wenste in te zien. Zo wilde het doctrinair-liberale kabinet Kappeyne van de Coppello de gehele monumentenzorg van de rijksbegroting laten afvloeien. De Stuers' wist zich echter met grote vindingrijkheid te handhaven.

De afdeling had in 1879 voor lange tijd haar maximale omvang bereikt. Werden er in 1875 naast de referendaris een commies en een hoofdcommies aangesteld, in 1879 was zij uitgebreid met drie adjunct-commiezen ( Gegevens ontleend aan de jaarlijks verschenen Staatsalmanakken. ). Wellicht heeft het optreden van het kabinet Kappeyne van de Coppello ook tot personeelsinkrimping geleid. Tot het aftreden van De Stuers was de afdeling met hooguit vijf man bezet, waarvan er één speciaal belast was met het beheer van de archieven van het gehele Ministerie van Binnenlandse Zaken. Dit duurde tot 1897, toen het beheer van het archief overging naar de Afdeling Secretarie en Expeditie ( In de Staatsalmanak van 1878 is de adjunct-commies C. Bouwhuisen, die het jaar tevoren nog onder Kunsten en Wetenschappen was vermeld, bij de Afdeling Secretarie en Expeditie ondergedeeld. ). Onder de afdeling kwamen drie diensten te ressorteren, wier bemoeienis nauw met elkaar was verweven. Bij Koninklijk Besluit van 12 juli 1876 nr. 58, werd de bekende maar omstreden bouwmeester ( Met name koning Willem III had bedenkingen. Niet alleen om zijn bekende esthetische bezwaren tegen 'ce monastère', maar ook omdat hij reeds voor 1862 zijn hofarchitect Lucas Hermannus Eberson, die eveneens de functie van rijksmuseumarchitect ambieerde, had gepousseerd. ) dr. P.H.J. Cuypers benoemd tot architect van 's Rijks museumgebouwen. Zijn bemoeienis reikte echter veel verder, want zoals wij verderop zullen zien, diende hij ook op andere terreinen De Stuers van advies. Wellicht was hij ook betrokken bij de besluitvorming van de reglementering van het toezicht op de gebouwen, die onder zorg van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen kwamen te vallen. Een eerste reglement werd bij ministeriële beschikking van 20 januari 1878, nr. 29 K.W., vastgesteld ( Archief van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen, inventarisnummer 206. ).

Het bureau, dat hiervoor werd opgericht, trad met ingang van 1 april in werking, toen J. van Lokhorst, bij ministeriële beschikking van 25 maart 1878, nr. 47 Kabinet, benoemd, in functie trad. Een van de opzichtertekenaars, A.J.M. Mulder, die daar bij ministeriële beschikking van 1 maart 1879,la.D, KW, een tijdelijke aanstelling kreeg, verkreeg bij ministeriële beschikking van 1 maart 1881, nr. 629 KW een vaste aanstelling als 'opzichter-teekenaar voor de gedenkteekenen voor geschiedenis en kunst ( Personeelsstukken van de rijksbouwkundige voor gebouwen van onderwijs, kunsten en wetenschappen, archief van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen, inventarisnummer 209. ).' Vanaf het begin van zijn indiensttreding heeft hij zich echter met het onderhoud van monumenten bezig gehouden, omdat hem dit op 1 oktober 1878 door het College van Rijksadviseurs was opgedragen.

Terwijl het ambtelijke apparaat zich aldus uitbreidde, moest De Stuers gedogen hoe het door hem gestuwde begeleidingscollege van Rijksadviseurs kwam weg te vallen. Interne conflicten over het 'ultramontaanse' karakter van de door De Stuers en Cuypers voorgestane opvattingen over bouwkunst ( Over dit conflict zie J.A.C. Tillema, Schetsen uit de geschiedenis van de monumentenzorg in Nederland, (Den Haag, 1975), p. 281-299. Over het vermeende 'papisme' van De Stuers en reacties daarop, zie behalve de biografie van P. Albers geciteerd in noot 1 (in een katholiek tijdschrift!) ook Frans Netscher, Victor de Stuers, in: Karakters, (Haarlem, 1899), p. 85-112. ) leidden tot het aftreden van voorzitter Fock en het lid Carel Vosmaer. Daarnaast ontstond er onenigheid tussen de leden De Stuers en C. Leemans, directeur van het Rijksmuseum voor Oudheden, over De Stuers' plannen om dit museum van Leiden naar Den Haag te verplaatsen. Minister Kappeyne van de Coppello maakte van de verwarring gebruik om dit college op te heffen, hetgeen geschiedde bij Koninklijk Besluit van 21 februari 1879, nr. 9.

Door het wegvallen van dit college was de referendaris genoodzaakt om zelf het toezicht op al 'zijn' instellingen te regelen. Hiervoor trachtte hij hiërarchische systemen in het leven te roepen, zoals een gecoördineerde rijksarchiefdienst, waarin de algemene rijksarchivaris inspectiebevoegdheid - dus ook inspectieverplichting - kreeg over de andere rijksarchieven. Ook oefende hij persoonlijk controle uit, zoals in het museumwezen. Aangezien hij bij de vaststelling van richtlijnen van deze instellingen persoonlijk nauw betrokken was en de leiding weinig ruimte liet, verliep de uitvoering van zijn beleid niet zonder wrijvingen.

In 1901 stelde De Stuers zich namens de christelijke coalitie kandidaat voor de Tweede Kamer als afgevaardigde van het district Weert. Nadat hij gekozen werd, nam hij als referendaris ontslag. Als zijn opvolger werd op 15 oktober 1901 zijn medewerker ir. J.A. Roijer benoemd ( De hierna volgende gegevens zijn ontleend aan er. F.J. Duparc, Een eeuw strijd om Nederlands cultureel erfgoed, (Den Haag, 1975), waar nodig aangevuld met gegevens uit de Staatsalmanakken. De archieven van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, Afdeling Algemene Zaken en Comptabiliteit vanaf 1899 en het Kabinetsarchief van dit ministerie vanaf 1897 waren tijdens de samenstelling van deze inventaris wegens herinventarisatie niet voor onderzoek toegankelijk. ). Vanaf 8 februari 1892 was deze werkzaam bij de afdeling. Hierdoor kon hij zich een eigen oordeel vormen over de gang van zaken aldaar. Hij wijzigde het karakter van zijn bureau door minder op de voorgrond te treden en de beleidsplanning over te laten aan de directies van de instellingen en aan de adviescommissies die door hem in het leven geroepen waren. Op 1 januari 1907 werd hij bevorderd tot administrateur.

De eerste zes jaar van zijn bewind kenmerkten zich door een spontane uitbouw van het museum- en monumentenbeleid. Museumbeheer en monumentenrestauratie kwamen ter discussie te staan, waarbij generatietegenstellingen tussen De Stuers en Pierre Cuypers enerzijds en Jan Kalf en Jos Cuypers anderzijds aan het licht kwamen; de afdeling nam geen stelling en greep niet in. In 1907 verloor Rijer door een ongeval een van zijn beide zoons: de slag brak zijn veerkracht en zijn onzijdigheid verwerd in de loop der jaren tot inactiviteit. Voorzover het tot beleidsbeslissingen van het departement kwam, geschiedde dit vooral op instigatie van zijn medewerker M.I. Duparc, die met het archiefwezen en het wetenschapsbeleid belast was. De afdeling verleende steun aan het opkomende openbare leeszaalwezen en begon na lange aarzeling orkesten te subsidiëren. Roijer moest gedogen dat bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog op de middelen van de afdeling meer werd bezuinigd dan bij de andere afdelingen van het departement. Hij had toen zes ambtenaren onder zich.

Roijer ging op 1 juni 1916 met pensioen. Zijn opvolger was er M.I. Duparc ( Een afschrift van de beschikking bevindt zich in het archief van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen, inventarisnummer 167. ). Hij werd bij beschikking van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van 14 mei 1916, nr. 3393 A.S.C. benoemd. Al beschouwde ook hij de directieve politiek van Victor de Stuers als uit de tijd, hij wilde dat de afdeling een minder passieve rol speelde dan onder zijn voorganger Roijer. Zijn eerste belangrijke succes was de totstandkoming van de Archiefwet 1918, die op 27 juni in het Staatsblad verscheen ( Stbl. 378. ).

Kort daarna, op 5 september 1918, werd door het Ministerie- Ruijs de Beerenbrouck het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen ingesteld. De Afdeling Kunsten en Wetenschappen werd in dit ministerie ondergebracht met het behoud van al zijn taken. Ook het archief van de afdeling werd voortaan door het nieuwe ministerie geadministreerd.

3 Gebouwen en monumenten

Indien men De Stuers moet geloven ( Aldus P. Albers in Victor de Stuers (1343-1916) Voorbereiding II, in Studiën..., jaargang 50 (1918), deel 89, p. 140. ), zou de directe aanleiding tot de instelling van het College van Rijksadviseurs juist een vraagstuk van eigentijdse bouwkunst zijn geweest. De president-curator van de Leidse universiteit legde twee bouwtekeningen ter keuze voor aan de minister die op zijn beurt in verlegenheid geraakte. Het gevolg hiervan was, dat het college niet alleen een adviserende taak kreeg op het gebied van het gebied van het behoud van oudheden, gedenktekens en kunstvoorwerpen, maar ook van architectonische esthetiek. Het lid Pierre Cuypers speelde hierin een hoofdrol. Deze leerling van de Franse architect van monumenten Eugène Viollet-le-Duc oefende met Joseph Alberdingk Thijm kritiek uit op de heersende bouwstijlen ( Als grondslag voor deze kritiek kan het essai De Kompositie in de Hollandsche Bouwkunst van Alberdingk Thijm gelden, dat in de Kunstkronyk verscheen en dat tezamen met De Heilige Linie is heruitgegeven door J.F.M. Sterck, J.A. Alberdingk Thijm, De Heilige Linie en Over Kompositie in de Kunst, ( Den Haag, 1909). ). Vooral hekelde men het onvermogen om ornament in de constructie van een gebouw te integreren en om deugdelijke constructietechnieken, zoals die reeds vanaf de middeleeuwen bekend waren, functioneel toe te passen in moderne overheidsgebouwen. Victor de Stuers, die in het College van Rijksadviseurs met Cuypers bevriend was geraakt, nam deze kritiek over. In het reeds genoemde artikel Iteretur Decoctum pleitte hij voor een afzonderlijke scholing van architecten voor de rijksgebouwen; tot dan toe liet men de overheidsbouw over aan ingenieurs van de waterstaat of van de genie.

Monumentenzorg en bouwkunst waren in de opvattingen van Cuypers en De Stuers nauw met elkaar verweven. Het monument was niet alleen een gedenkteken van de geschiedenis, maar ook een navolgenswaardig studie-object voor de hedendaagse bouwkunst. Toen De Stuers dan ook tijdens de instelling van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen de zorg voor de gedenktekens kreeg toegewezen, streefde hij er naar, de zorg van de gebouwen van instellingen, ressorterend onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken en de landsgebouwen in de residentie onder zijn hoede te krijgen. Als rechtvaardiging kon dienen dat het voornaamste pand, de uit de tijd van Floris V stammende Ridderzaal, als historisch monument kon worden beschouwd. De voornaamste beweegreden van De Stuers was het doorvoeren van een stijlvernieuwing in de overheidsbouw. Vanaf 17 juni 1876 had de Afdeling Kunsten en Wetenschappen de zorg voor de gebouwen van onderwijs (d.w.z. de universiteiten en hogescholen, de rijkshogereburgerscholen, de rijkskweekscholen, de rijkslandbouwscholen en enkele lagere scholen), van kunsten en wetenschappen (de archiefgebouwen, de Koninklijke Bibliotheek en de Koninklijke Akademie van Wetenschappen), de gebouwen van provinciale besturen en de woonhuizen van de Commissarissen des Konings, de rijkskrankzinnigengestichten en de rijkskweekschool voor vroedvrouwen onder zich. Tot 1879 had De Stuers ook de zorg voor landsgebouwen in de residentie, daarna bleef zijn bemoeienis met de bouw echter voortduren. Hij kon echter niet meer voorkomen dat in 1876 het Huygenshuis aan het Plein in Den Haag voor de nieuwbouw van het Ministerie van Justitie moest wijken.

Nadat in 1878 het toezicht op de 'gebouwen van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen' was geregeld en J. van Lokhorst als bouwkundige was aangesteld, dijde het bureau sterk uit. De Rijksbouwmeester kreeg geschoolde ingenieurs onder zich, die als opzichter en tekenaar hun architectenloopbaan aanvingen. Onder hem werd, zoals bekend, in 1879 de opzichter-tekenaar van de monumenten van het College van Rijksadviseurs ingeschaald. De Stuers wilde namelijk proberen historische monumenten te behouden door ze als openbaar overheidskantoor in te richten. Daarnaast trad ook Cuypers op: feitelijk fungeerde hij als supervisors. Zelf schreef De Stuers over hem: 'ik heb... den gedienstigen (!) man jaren lang officieel en officieus duchtig geëxploiteerd, zoo werd er vanwege het Departement van Binnenlandse Zaken niets meer gebouwd noch gerestaureerd, zonder dat Cuypers deswege gehoord en geraadpleegd was.' ( Jhr. mr. Victor de stuers, Dr. P.H.J. Cuylgers, in Mannen en vrouwen van betekenis 28 (1897), p. 187- 228. ) Cuypers adviseerde met name over de subsidieverlening van het rijk aan gemeenten voor het onderhoud van monumenten en bij de huisvesting van overheidsinstellingen in monumentale panden ( P. Albers, Victor de Stuers... De referendaris III, de monumenten, in Studiën..., jaargang 51 (1919) deel 99, p. 228-260. ). Ook tekende hijzelf soms als architect van aan het bureau-Van Lokhorst opgedragen bouwprojecten ( Als voorbeeld dient het hoofdgebouw van de universiteit van Utrecht, waarvan originele door Cuypers gesigneerde bouwtekeningen bewaard zijn. Archief van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen, inventarisnummer 458. Wanneer hij zelf restaureerde, diende hij zijn declaraties in als 'Architect der Rijksmuseumgebouwen', bijvoorbeeld voor de Dom van Utrecht. Archief van de Afdeling Algemene Zaken en Comptabiliteit 1876-1918. ).

Zelfs De Stuers trad actief op als tekenaar van monumenten of als adviseur in bouwkundige aangelegenheden, met name op het gebied van decoratieve uitvoering. Zo zijn de ontwerpen van de oorspronkelijke muurschilderingen in het Rijksmuseum door De Stuers naar geschiedkundige authenticiteit beoordeeld ( Mededeling van P.H.J. Cuypers, geciteerd door A.J. Der Kinderen, De Stuers en de monumentale schilderkunst, in Het levenswerk van Jhr. MW Victor de Stuers..., p. 54-55. ). Wellicht heeft De Stuers ook persoonlijk de hand gehad in de nog bestaande decoratie van het provinciehuis van Drenthe in Assen, dat thans als museum is ingericht. Ter verdediging van de bouwstijl van zijn bureau publiceerde hij een artikel in het novembernummer van De Gids van 1878 onder de titel Een bouwkunstig spook ( De Gids, 1877, nr. 12, deel IV, p. 521-549. ). Zijn beleid luidde een keerpunt in de geschiedenis van de Nederlandse bouwkunst in: de 'moderne' architect en planoloog K.F.C. de Bazel eerde later De Stuers als grondlegger van een 'rationele' bouwkunst ( K.F.C. de Bazel, Victor de Stuers en de moderne bouwkunst, in Het levenswerk van Jhr. Mr. Victor de Stuers..., p. 61-67. ).

De verstrengeling van monumentenzorg en creatieve bouwkunst had niet alleen zijn weerslag in de bouwstijl van de rijksarchitect en zijn team, maar ook in de ethiek der monumentenrestauratie. De restauratie was gebaseerd op een veronderstelde 'oorspronkelijke' conceptie van een gebouw, waarnaar diende te worden gereconstrueerd. Het meest extreme voorbeeld van een dergelijke opvatting is de herbouw van het kasteel 'De Haar' in Haarzuilens: dit is inderdaad een monument, niet omdat het is gerestaureerd, maar omdat het een meesterwerk is van Cuypers eigen romantische verbeelding ( Een beschrijving van het kasteel 'De Haar' bevindt zich in J.A.C. Tillema, Schetsen uit de geschiedenis van de monumentenzorg in Nederland, p. (110-114). ). Het aftreden van De Stuers als referendaris in 1901 betekende, dat de verstrengeling tussen monumentenzorg en overheidsbouw werd opgeheven.

De rijksbouwkundige Van Lokhorst zette zijn activiteiten in dezelfde stijl voort. Toen hij in 1906 overleed, werd in zijn plaats J.A. Vrijman benoemd ( Archief van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen, inventarisnummer 210. ). Het bureau, waar in 1902 veertien man werkzaam waren, dijde uit tot een instituut met een personeelsbezetting van vijfenveertig man in 1914 en vijfenvijftig man in 1918, met functies van adjunctbouwkundige, districtsbouwkundige, hoofdopzichter, opzichter 1e en 2e klasse, administrateur of bureelambtenaar. Door veranderingen van inzicht in de architectuur en de toepassing van nieuwe technieken als betonconstructie, verdwenen de specifieke stijlkenmerken uit de periode De Stuers in de nieuwbouw. Het bureau zou in 1922 samen met de Bureaus van de Rijksarchitecten voor de Landsgebouwen van het Ministerie van Waterstaat en voor de gebouwen van Justitie in één Rijksgebouwendienst opgaan ( Zie hiervoor (A.G. van Mil), De Rijksgebouwendienst en zijn voorgangers, (Den Haag, 1972). ).

De monumentenzorg kreeg een nieuwe impuls door de instelling van de Rijkscommissie voor de Monumentenbeschrijving bij Koninklijk Besluit van 7 juli 1903, nr. 44 ( Zie naast het in noot 19 beschreven werk van Tillema ook L.J.M. van der Maarel, Inventaris van het archief van de Rijkscommissie voor de Monumentenbeschrijving, (Den Haag, 1975). ). De commissie was gevormd op instigatie van er J.C. Overvoorde, gemeentearchivaris van Dordrecht en voorzitter van de in 1898 opgerichte Nederlandse Oudheidkundige Bond. Hij werd hierin gesteund door Victor de Stuers, die grote invloed had op de samenstelling van de commissie. Secretaris was de assistent van het Nederlands Museum voor Geschiedenis en Kunst in Amsterdam, Jan Kalf, voorzitter aanvankelijk Pierre Cuypers. De commissie hield zich niet alleen met inventariseren bezig, maar was daadwerkelijk betrokken bij het monumentenbehoud. Haar grote betekenis lag in haar pogingen om gemeentelijke en kerkelijke instellingen tot monumentenbehoud te stimuleren; ze pleitte bij de regering om aan monumentensubsidie voorschriften te verbinden.

Ook poogde ze de totstandkoming van een monumentenwet te bevorderen. Intern kwam het tot een discussie over de restauratie-ethiek: de reconstructie-opvattingen van de school van Cuypers werden bestreden door de nieuwe generatie, waarvan Jan Kalf de belangrijkste protagonist was: restauratie kon volgens haar slechts geschieden met aanvullingen in eigentijdse stijl. De nieuwe ethiek werd vastgelegd in een brochure Grondbeginselen en voorschriften voor het behoud, de herstelling en de uitbreiding van oude gebouwen, uitgegeven door de Nederlandse Oudheidkundige Bond in 1917 ( De tekst van deze brochure bevindt zich in het dossier inzake de instelling van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, archief van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen, inventarisnummer 721. ). In dit geschrift werd gepleit voor een commissie van professionele deskundigen inzake monumentenzorg, die naast de inventarisatie ook de restauratie van monumenten regelde. De oude rijkscommissie diende te worden ontbonden, omdat de leden hun als nevenactiviteiten verrichte werkzaamheden onmogelijk aankonden: zo leidde het trage vorderen van het inventarisatiewerk tot klachten.

Op grond van deze argumenten werd bij Koninklijk Besluit van 10 mei 1918, nr. 66. de nieuwe Rijkscommissie voor de Monumentenzorg opgericht doe op 25 mei 1918 voor de eerste maal bijeen kwam. In datzelfde jaar werd ook het Rijksbureau voor de Monumentenzorg opgericht, hetgeen een officiële institutionalisering van het werk van A. Mulder inhield. Directeur werd Jan Kalf, die tot ver in de Tweede Wereldoorlog zijn sporen op dit terrein zou verdienen.

4 Het museumbeheer

De Afdeling Kunsten en Wetenschappen had op het tijdstip van zijn instelling in 1875 de zorg over de volgende musea:

  • Het Rijksmuseum voor Schilderijen en het Rijksprentenkabinet in Amsterdam, beide opgericht door koning Lodewijk Napoleon en gevestigd in het Trippenhuis.
  • Het Koninklijk Kabinet voor Schilderijen en het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden, beide gevestigd in het Mauritshuis in Den Haag, alsmede het Koninklijk Kabinet voor Penningen, Munten en Gesneden Stenen, alle instituten opgericht door koning Willem I.
  • De door koning Willem I opgerichte Rijksverzameling voor Moderne Kunst in het paviljoen Welgelegen in Haarlem.
  • Het Muiderslot.

Bij beschikking van de minister van Binnenlandse Zaken van 22 mei 1876, 1a.P, Algemene Zaken en Comptabiliteit, werd ook de zorg voor de Gevangenpoort aan de Afdeling Kunsten en Wetenschappen toegewezen ( Archief van de Afdeling kunsten en Wetenschappen, inventarisnummer 721. ).

Zoals bekend kreeg De Stuers op 17 juli 1876 enige Leidse musea onder zich, die tot dan door Heemskerk als onderdeel van de Leidse universiteit werden beschouwd, te weten: het Rijksmuseum van Oudheden, het Rijks-Ethnographisch Museum, het Leidse Kabinet voor Prenten en Pleisterbeelden en het Leidse Munt- en Penningkabinet. Toen dit was gerealiseerd, kon De Stuers tot uitvoering overgaan van zijn museumprogram en de wenselijkheden, geuit in Holland op zijn smalst, realiseren. In zijn magnum opus over de geschiedenis van het museumbeleid der Nederlandse regering vat mr. F.J. Duparc dit program als volgt samen ( Mr F.J. Duparc, Een eeuw strijd om Nederlands cultureel erfgoed, p. 78-79. ):

  • Voor alle musea een goed geoutilleerd en speciaal daarvoor gesticht gebouw; beheer door voldoende en voor zijn taak berekend personeel met adequate bezoldiging; éénhoofdige leiding door een bezoldigd directeur (dus niet, zoals gebruikelijk was, door commissies of verenigingen met leden, die hieraan een neventaak hadden), die verantwoordelijk, ja aansprakelijk was voor de catalogisering en de inventarisatie van de inhoud; adequate reglementering en vaststelling van de instructies om naleving te garanderen.
  • De stichting van een groot en goed museumgebouw in Amsterdam, waarin zouden worden gebracht de verzamelingen van het Trippenhuis - en van het Amsterdamse gemeentebezit - van het paviljoen Welgelegen in Haarlem, alsmede een collectie van geschiedenis en kunstnijverheid, die voorlopig zou worden ondergebracht in een Nederlands Museum voor Geschiedenis en Kunst in Den Haag.
  • Zuivering van het museumwezen door de opheffing van het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden, dat uit de tijd was; verdeling van deze historische, oudheidkundige en etnografische rariteitenverzameling over de daarvoor bestemde musea.
  • Verbetering van huisvesting van de musea, ondergebracht in de gebouwen van de Rijksuniversiteit van Leiden, zonodig door verplaatsing naar Den Haag of Amsterdam of door samensmelting met andere rijksmusea.
  • Verwerving voor de afdeling van enkele belangrijke aan de geschiedenis herinnerde gebouwen, die dan tot monumentale musea kunnen worden ingericht, in het bijzonder het Muiderslot, de Gevangenpoort en het Prinsenhof in Delft (toen nog militair gebouw).

Van dit program is slechts één punt, het vierde niet gerealiseerd. Het Leidse penningkabinet moest voortbestaan op grond van testamentaire beschikkingen van legatarissen, die dat kabinet hadden gesticht. Een zeer groot deel van de inhoud ging echter over naar het Koninklijk Kabinet in Den Haag. De voorstellen tot overplaatsing van de overige musea, breekpunt reeds in het College van Rijksadviseurs, bleven na herhaald verzet in de ijskast, zonder dat er op het gebied van gebouwenvoorziening in Leiden bruikbare alternatieven werden gevonden. De inhoud van het ethnographisch Museum was uiteindelijk in drie verspreid staande panden opgeslagen, terwijl ook voor het Rijksmuseum van Oudheden geen soelaas kwam.

Teneinde het museumwezen te verbeteren voerde Victor de Stuers een centraal geleid museumbeleid. Hij zette in 1874 en 1875 de benoeming van de graveurs en kunsthistorici J.W. Kaiser en L.Ph. van der Kellen door als directeuren van respectievelijk het Rijksmuseum voor Schilderijen en het Rijksprentenkabinet onder voor hen aanvaardbare honoraria. Het tot dan functionerende meerhoofdige college van bestuur werd opgeheven en tot een commissie van toezicht omgevormd. Als directeur van het Koninklijk Kabinet van Schilderijen werd de adjunct- archivaris des Rijks er J.K.J. de Jonge aangesteld. De Leidse musea stonden reeds onder eenhoofdige leiding. Alle museumdirecteuren waren verplicht om op korte termijn inventarissen samen te stellen van hun collecties. Zij mochten geen aankopen doen of restauraties verrichten zonder machtiging van de referendaris. Uitlening van stukken was verboden. Niet zelden kwam het voor, dat de referendaris zelf aanbevelingen voor aankopen deed die op ambtelijke dictaten leken. Het College van Rijksadviseurs kocht aanvankelijk ook zelf kunstvoorwerpen aan en verdeelde ze dan over de musea.

Een deel van De Stuers stimuleringsbeleid ten aanzien van de acquisitie van museale voorwerpen staat buiten de taak van de Afdeling. In overleg met het bestuur van de Amsterdamse kunstvereniging Arti et Amicitiae bewerkstelligde De Stuers de oprichting van de vereniging 'Rembrandt' (1883). Deze vereniging zamelde niet alleen gelden in, maar verstrekte en stimuleerde ook de verlening van renteloze voorschotten aan de Staat voor belangrijke kunstaankopen, waardoor het museumwezen een grotere financiële armslag kreeg. Op deze wijze wist De Stuers zijn steeds te krap begrotingsartikel voor de acquisitie maximaal uit te buiten. Wel moest dit beleid berusten op het vertrouwen van particulieren die bereid waren om hun geld voor artistieke doeleinden ter beschikking te stellen.

Wilde Victor de Stuers goed met museumdirecties samenwerken, dan moest hij vertrouwen hebben in de kunsthistorische deskundigheid van de directeur. De in 1889 op aanbeveling van De Stuers benoemde directeur van het Mauritshuis, de vermaarde kunsthistoricus en verzamelaar dr. E. Bredius, geraakte voortdurend in conflict met zijn buurman op het Binnenhof wanneer hij zonder machtiging aankopen deed. Fenomenen als Van der Keilen op het Rijksprentenkabinet en de numismaat H.J. de Dompierre de Chaufepié als directeur van het Koninklijk Penningkabinet kregen meer de vrije hand. Wellicht speelde hierbij verschil in opvatting of artistieke smaak een rol. Nog duidelijker bleek dit, toen De Stuers genoodzaakt was om bij interne conflicten binnen het Rijks Ethnographisch Museum in Leiden partij te kiezen tussen de directeur L. Serrurier en zijn conservator J.D.E. Schmeltz ( Archief van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen, inventarisnummers 2126-2134. ).

Onder Roijer kregen de museumdirecteuren de vrije hand met betrekking tot het aankoopbeleid en de inrichting der musea. Deze vrijheid strekte zich ook uit tot de toepassing van door De Stuers opgestelde voorschriften inzake uitlening, zodat Roijer interpellaties van zijn ambtelijke voorganger vanuit de Tweede Kamer te beantwoorden kreeg. De musea kregen meer eigen krediet voor aankopen, zulks ten koste van de post aankopen voor het rijk.

De meest ingrijpende verandering in het museumwezen is uiteraard de oprichting en bouw van het Rijksmuseum ( Voor de ontstaansgeschiedenis van het Rijksmuseum zie: Peter Janzen, Het Rijksmuseum aan de StadhoUderskade te Amsterdam, een wordingsgeschiedenis, in De Negentiende Eeuw..., jaargang 2, nr. 3 (september 1978), p. 149-177, en de daarin voorkomende verwijzingen. ). Nog voor de publicatie van Holland op zijn smalst en wel bij Koninklijk Besluit van 1 april 1873 nr. 13, had minister Heemskerk een Commissie van Voorlichting bij de vestiging van een Rijks-Museum doen instellen. Het was rijkelijk laat. Reeds in 1863 voerde een particuliere Commissie tot voorbereiding van de stichting van het Museum 'Koning Willem I' campagne voor een nationaal museum, waarin overigens naast de Amsterdamse schilderijenverzamelingen ook eigentijdse historische monumenten dienden te worden opgenomen als reminiscentie aan vijftig jaar nationale onafhankelijkheid. Eerst moest echter De Stuers tot referendaris worden benoemd, voor er geld voor de bouw op de begroting kwam. Voor het dienstjaar-1876 werd f 800.000 uitgetrokken. Aan het College van Rijksadviseurs werd gevraagd, architecten bij de minister aan te bevelen, wier ontwerp door het college in samenwerking met de Amsterdamse voorlichtingscommissie zou worden beoordeeld. Zoals bekend werd het ontwerp van Cuypers het meest doelmatig bevonden, zodat hij - en niet de door koning Willem III gepousseerde architect L.H. Eberson - werd gekozen.

Het voorzag in een 'eeregalerij' en in zalen, waarin oude meesters werden tentoongesteld, geheel naar de eisen van die tijd om het Rijksmuseum een afspiegeling te doen zijn van 's lands glorie. Ook de oorspronkelijke decoratie van de tentoonstellingszalen, vooral die van het Nederlands Museum voor Geschiedenis en Kunst diende tot lering en opwekking.

De totstandkoming van het Rijksmuseum had ook elders consequenties. Zij viel samen met de sanering van het Haagse museumwezen. Reeds in 1875 werd het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden in afwachting van definitieve opdeling uit het Mauritshuis verwijderd. Het Koninklijk Kabinet van Schilderijen verkreeg daardoor de ruimte om meer werken te exposeren. Tot een geheel bevredigende restauratie van het sombere interieur is het nimmer gekomen. De inhoud van het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden werd in de jaren 1882-1886 verdeeld over het Nederlands Museum, het Rijksmuseum voor Oudheden en het Rijks Ethnographisch Museum.

Bij Koninklijk Besluit van 4 maart 1883 nr. 33, werd het reglement van het Rijksmuseum vastgesteld. Toen werden vanuit de verschillende op te heffen musea in Den Haag, Haarlem en Amsterdam de stukken naar het nieuwe gebouw overgebracht, die werden aangevuld met alles wat aan roerende monumenten in rijksbezit kwam. De hoofddirecteur werd belast met het algemeen beheer, de zorg voor de verzameling gipsafgietsels en bouwfragmenten (die gedeeltelijk in de buitenmuren werden verwerkt) en met het bibliotheekbeheer. Onder hem stonden de directeuren der verschillende afdelingen: het Rijksmuseum voor Schilderijen, het Rijksprentenkabinet en het Nederlands Museum, maar 'in alle zaken van zuiver wetenschappelijken, artistieken of pedagogischen aard handelen de Directeuren zelfstandig'. Het Rijksmuseum werd op 13 juli 1885 geopend. Cuypers bleef als rijksarchitect voor de museumgebouwen toezicht op de verbouwingen van het Rijksmuseum uitoefenen. Voor de andere musea heeft hij geen ander uitvoerend werk verricht dan toezicht op de onderhoudswerkzaamheden; de noodvoorzieningen voor de 'Leidse kabinetten' vielen toe aan de rijksbouwkundige voor de gebouwen van onderwijs, die de universiteitsbouw regelde. Als rijksarchitect heeft Cuypers dan ook moeten meemaken, hoe een jongere generatie museumbeheerders de door hem voorgestande inrichting van het Rijksmuseum als ondoelmatig verwierp. In 1904 ging de directeur van het Nederlands Museum ertoe over de ornamenten in zijn lokalen, die door Cuypers en De Stuers waren ontworpen, ter verwijderen om een geprononceerdere opstelling van de voorwerpen als zodanig te verkrijgen. Protesten van De Stuers bij zijn opvolger Roijer hadden geen resultaat, omdat deze een dergelijke ingreep in het interieur rekende onder handelingen van 'zuiver wetenschappelijke, artistieke of pedagogische aard.' Wijzigingen waarbij Cuypers wel was betrokken waren de uitbouw voor een nieuwe zaal voor de Nachtwacht van Rembrandt (die in de bestaande opstelling onvoldoende licht ontving) en de afdeling voor een bruikleen van moderne schilderijen door de in Londen wonende zakenman C.J.C. Drucker.

Betekende de bouw van het Rijksmuseum de liquidatie van twee musea, in de periode 1875-1918 werden vijf rijksmusea aan het bestand toegevoegd. Victor de Stuers liet drie monumentale gebouwen tot museum omvormen. Het Rijksmuseum de Gevangenpoort, dat in 1877 nog dreigde te worden gesloopt, werd in 1882 tot een tentoonstellingsruimte voor oude strafwerktuigen ingericht. Het voormalig St. Agathaklooster in Delft, de verblijfplaats van prins Willem van Oranje tot zijn gewelddadige dood in 1584, maar tot 1883 artilleriekazerne, kende in 1887 reeds een historische zaal voor bezoekers en in 1906 werd een deel van het stedelijk museum van Delft daarin gevestigd. Het Muiderslot, dat in 1875 al voor het publiek toegankelijk was, werd in 1895 eerst definitief gerestaureerd en de conciërge van het slot werd in 1906 met de titel slotvoogd begiftigd. Aan Roijer werden twee museale gebouwen ten geschenke aangeboden. Het huis van de schilder Hendrik Willem Mesdag op de Laan van Meerdervoort nr. 7, Den Haag, werd op 14 mei 1903 met een daarin aanwezige verzameling schilderijen van Barbizonners en schilders van de Haagse School aan het Rijk geschonken. Het huis Lambert van Meerten, een monumentaal pand in Delft, werd op 28 mei 1907 door een particuliere vereniging aan het Rijk geschonken onder voorwaarde dat het als museum voor kunst en kunstnijverheid zou worden gebruikt.

5 Het archiefwezen

Het heeft het Nederlandse archiefwezen in de negentiende eeuw, hoe gebrekkig dit in onze ogen ook georganiseerd lijkt, niet werkelijk aan overheidsbelangstelling ontbroken. Weliswaar was V.M. Gachard, die onder koning Willem I als archiefinspecteur opereerde, rijksarchivaris in België geworden, zijn arbeid inspireerde de gidsredacteur en historicus dr. R.C. Bakhuizen van den Brink (1810-1865), die sedert 1852 archivaris des Rijks was, tot aanzetten voor een landelijk archiefbeleid. Hij stelde een overzicht van het Algemeen Rijksarchief samen, ontwierp een archiefwet en deed voorstellen over de samenwerking met provinciale archiefbewaarplaatsen.

De Stuers zette dit beleid voort, zij het met enige nuances. Min of meer langs Bakhuizens opvolger de rijksarchivaris L.Ph.C. van den Bergh om, regelde hij de overdracht van de provinciale archiefdiensten aan het Rijk. Hierdoor kreeg het Rijk dat reeds de bezoldiging van provinciale archivarissen voor een deel te zijnen laste had, nu ook de verantwoordelijkheid voor de archieven zelf. De operatie van omvorming van provinciaal archief tot rijksarchief in de provincie, die soms samenviel met de aanstelling van bekwaam geachte archivarissen, liep van 1877 met de benoeming van er. Th.H.F. van Riemsdijk als rijksarchivaris in Gelderland tot 1890, toen Zeeland overging ( Een gedetailleerde beschrijving van deze ontwikkeling vindt men in mr. F.J. Duparc, a.w., p. 401-423 ). Bijzondere verwikkelingen ontstonden, toen het oude archief van Opper-Gelre, dat in Roermond berustte, moest worden overgebracht naar Maastricht. De conflicten, die zelfs leidden tot gerechtelijke inbeslagneming van de reeds in koetsen geladen archiefbescheiden, werden eerst in 1901 bijgelegd ( Zie C. Bloemen, De Roermondse archiefkwestie, Maastricht, 1966. Omvangrijke dossiers in het archief van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen, inventarisnummers 2480-2490. ). De Stuers had inmiddels zorg gedragen voor de bouw van elf nieuwe archiefbewaarplaatsen, waarheen ook de verwaarloosde archieven van de rechtbanken en notariskantoren konden worden overgebracht. In 1915 werd het laatste rechterlijke archief in een rijksarchief in de provincie geplaatst. Er werden ook plannen gekoesterd voor een centrale archiefbewaarplaats voor de Departementen van Algemeen Bestuur ( Archief van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen, inventarisnummer 580. ). Dit limbo kwam niet tot stand, maar de plannen lagen ten grondslag aan de nieuwbouw van het Algemeen Rijksarchief aan het Bleyenburg.

In 1887 werd rijksarchivaris Van den Bergh tot het nemen van ontslag bewogen en werd in zijn plaats er Th.M.F. van Riemsdijk tot algemene rijksarchivaris benoemd. Hij kreeg met die titel de bevoegdheid tot inspectie van de rijksarchieven in de provincie, maar ambieerde zelf het directoraat over zijn collegae. Dit paste echter niet in de beleidsvisie van De Stuers, die wederom voor de organisatie van het archiefwezen de beslissingen buiten hem om nam. Dit gebeurde ook bij de bouw van het nieuwe Algemeen Rijksarchief aan het Bleyenburg, waarbij De Stuers ook de tegenwerking van Hubrecht moest trotseren. Ook de vorming van een Convent van Rijksarchivarissen (1890), de totstandkoming van een Vereniging van Archivarissen in Nederland (1891) ( Voor nadere gegevens over de Vereniging van Archivarissen in Nederland zie: A.M.W. Koolen, Inventaris van de archieven van de Vereniging van Archivarissen in Nederland, 1891-1960..., (Den Haag, 1978). ) en de werkzaamheden van een commissie, die een Handleiding voor het Ordenen en Beschrijven van Archieven tot stand bracht (1896- 1898) ( S. Muller Fz., J.A. Feith en R. Kruin, Handleiding voor het ordenen en beschrijven van archieven, (Groningen, 1898) ) gingen buiten de algemene rijksarchivaris om. Mislukte dus de opzet van een inspectie van de rijksarchieven via de algemene rijksarchivaris, het teamwork van de rijksarchivarissen in de provincie vergoedde deze leemte. De Stuers droeg zelf hiertoe bij door in 1897 de Regelen voor de indeling, ordening en inventarisatie voor 's Rijks Archieven opgesteld het licht te doen zien.

Het was dan ook aan het convent van rijksarchivarissen, waaraan minister Kuyper in 1901 adviezen vroeg over de opleidingseisen voor archiefambtenaren. Vanuit dit convent werden ook initiatieven genomen tot de opstelling van een archiefwet. De algemene rijksarchivaris, die zich hiertegen verzette, raakte geïsoleerd en trok in 1910 de consequenties door ontslag aan te vragen. Bij Koninklijk Besluit van 15 februari 1912, nr. 13 werd als zijn opvolger er R. Fruin benoemd. Onder zijn leiding werden binnen het Algemeen Rijksarchief afdelingen gevormd, elk geleid door een rijksarchivaris, en kwam de Archiefwet 1918 tot stand.

Vanuit het rijksarchiefwezen werd ook de opzet van een doelmatig beheer van gemeente-archieven gestimuleerd. Reeds voor 1875 bemoeiden provinciale archivarissen zich ook met de ontsluiting van gemeentearchieven in hun provincie, maar thans werd met goedkeuring van het departement menig functionaris van een rijksarchief in de provincie uitbesteed voor de ordening en beschrijving van een gemeentearchief. Zo was de commieschartermeester van het Algemeen Rijksarchief J.H. Hingman een tijdlang ook gemeentearchivaris van Breda ( F. J.A. Brekelmans en F.F.X. Cerutti , Honderd jaar stadsarchief Breda, (Breda, 1962). ). Eerst in 1918 werd door de Archiefwet het toezicht op de zorg van gemeentearchieven geregeld.

6 De beeldende kunsten

Het in 1854 opgestelde pamflet van de liberaal T. van Westrheene over kunst en kunstbescherming in Nederland, dat hierboven al is aangehaald ( Zie noot 3. ), beoogde voornamelijk de bevordering en ondersteuning van eigentijdse kunst in Nederland, en aanmoediging door de regering. Hij kon hierbij verwijzen naar buitenlandse voorbeelden: republikeinse bewindslieden verstrekten in het Frankrijk van na 1848 regeringsopdrachten om de wanden van het Palais du Luxembourg te vullen ( Tot de uitgenodigde schilders behoorde de Nederlander Ary Scheffer, die hiervoor een schilderij De bekoring van Christus in de Woestijn ontwierp. Zie hiervoor (Leo Ewalds), Ary Scheffer, tekeningen, aquarellen, olieverfschilderingen, catalogus van het Dordrechts Museum, (Dordrecht 1979), p. 84. ); een Belgisch liberaal ministerie verstrekte in 1850 op staatskosten zelfs een atelier aan de romantische extravagant Antoine Wiertz ( Het atelier is na zijn dood in stand gehouden als Musée Wiertz, Rue Vautier Brussel, nabij het Leopoldstation. )! Voor Nederland bleef echter het standpunt van Thorbecke dat de regering zich diende te onthouden van een oordeel over wetenschap en kunst richtinggevend, ook voor De Stuers. Zou het in Nederland tot een aanmoedigingspolitiek van beeldende kunsten komen tot vermeerdering van nationale glorie, dan zou de godsdienststrijd, die al bij de beoordeling van De Stuers' bouwbeleid een rol speelde, nog heviger losbranden. Zo verklaarde Thijm reeds namens het katholieke volksdeel - of sprak hij als verhoorder van de grootnederlandse gedachte? -: 'Het is waarschijnlijk, dat het gouvernement, indien het zijn aandacht aan de schoone kunsten wilde wijden, rigtingen zoude begunstigen, die in onze oogen de zegepraal der waarheid op dit gebied zonde schaden.' ( J.A. Alberdingk Thijm en C. Leemans, De kunst in Nederland, (Nijmegen, 1855), p. 26. Zie over een concreet conflictpunt Jacques Schiferli, 'Een nationaal gedenkteeken voor November 1813', (Den Haag, 1863-1869) in: Monumentale beeldhouwwerken in Nederland, Kunsthistorisch Jaarboek 1984, (Weesp, 1984), p. 73-131. ) Eerst na 1918 komt er een regeringsbeleid tot ondersteuning van individuele kunstenaars tot stand in de vorm van sociale bijstand. Blijkbaar had men toen een objectief criterium weten te vinden ( Emanuel Boekman, Overheid en Kunst, p. 153. ).

Wanneer De Stuers zich met de bevordering van beeldende kunst gaat bemoeien doet hij dat langs andere weg. In zijn artikel Iteretur Decoctum, maar vooral in het artikel Unitis Viribus, dat in het novembernummer van De Gids van 1876 verscheen ( De Gids, 1875, nr. IV, p. 239-266. ), pleitte hij voor een reeks van maatregelen die het algemeen verval van de kunst in Nederland diende tegen te gaan. Die beoogden verbetering van het kunst- en tekenonderwijs, waardoor zowel de kunstzin van het publiek als de vakbekwaamheid van de kunstenaar (en hiermee werd ook bedoeld: de beoefenaar van kunstnijverheid in de breedste zin des woords) werden bevorderd.

Het Kunst- en tekenonderwijs was in de negentiende eeuw nagenoeg uitsluitend voorbehouden aan de Akademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam en aan de plaatselijke tekenscholen, welke laatste voornamelijk opleidden tot technische bekwaamheden ( Gegevens ontleend aan P. Albers, Victor de Stuers... De referendaris IV: het teekenonderwijs, in Studiën... jaargang 51, (1919) deel 92, p. 330-360. ). De leerplannen van deze scholen waren gebaseerd op voorschriften van koning Willem I uit 1817 en 1829: toen waren de grondregels voor compositie en bouwkunst nog gebaseerd op uit de oudheid stammende concepties van Vitruvius en Vignola. Zij waren nadien niet aan de eisen des tijds aangepast. Tot ergernis van Victor de Stuers waren de alumni van de meeste tekenscholen niet in staat om ruimtelijke voorwerpen op een plat vlak te projecteren ( In het najaar van 1863 loofde Alexander Ver Huell een premie uit voor de leerlingen van de tekenschool van het Arnhemse genootschap Kunstoefening voor de beste tekening naar het naakt model. Door het bestuur werd hem meegedeeld dat de wedstrijd onuitvoerbaar was omdat niemand van de leerlingen tot het tekenen naar levend model in staat was! Dagboek van Alexander Ver Huell deel I, p. 111-122 (origineel in Gemeente-archief Arnhem, een bewerking is ter perse). ).

Hij greep persoonlijk in om de inhoud van dit onderwijs te veranderen. Hij begon met de opleiding van de leraren tekenen aan de Hogere Burgerscholen, waarvoor krachtens de Wet op het Middelbaar Onderwijs van 1864 een akte van bekwaamheid was vereist. In 1878 verzocht hij de voorzitter van de examencommissie voor de akte M.O.-tekenen in Delft om in de commissie zitting te mogen hebben. De voorzitter, de inspecteur van het Middelbaar Onderwijs W. Salverda, die zelf een scheiding tussen het toezicht op het tekenonderwijs en het middelbaar onderwijs voorstond, overhandigde hem hierop de voorzittershamer. De Stuers' bevindingen als examinator gaven aanleiding tot een onderzoek naar de situatie van het tekenonderwijs in Nederland en vergelijkend onderzoek in het buitenland. Hij kon steunen op een Rijkscommissie tot het instellen van een onderzoek naar den toestand der Nederlandse Kunstnijverheid die eveneens voorstellen deed ter verbetering van het vakonderwijs en tekenonderwijs. In dit op 21 mei 1878 uitgebrachte rapport werd de oprichting van een opleidingsschool voor tekenleraren en van een aparte school voor kunstnijverheid aanbevolen ( De tekst van dit rapport bevindt zich in het archief van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen, inventarisnummer 2571. ).

In 1880 werden de tekenleraren W.B.G. Molkenboer en J. Striening naar België uitgezonden om materiaal te verzamelen voor nieuwe methodieken in het tekenonderwijs. Aan de hand van hun onderzoeksresultaten werd in hetzelfde jaar een bijscholingscursus georganiseerd voor leraren aan tekenscholen; hierin nam Molkenboer een centrale positie in. Tijdens de cursus werd de Nederlandse Vereniging voor Tekenonderwijs opgericht, waarvan Molkenboer voorzitter was en De Stuers erevoorzitter ( Voor de geschiedenis van deze vereniging zie Geen dag zonder lijn, honderd jaar tekenonderwijs in Nederland 1880-1980 (Amsterdam, 1980), het archief van de vereniging bevindt zich in het Algemeen Rijksarchief. ). Bij ministeriële beschikking van 8 juli 1881, nr. 645 KW, werd intussen het tweetal reglementen vastgesteld voor een nieuw opgericht Rijksnormaalschool voor Tekenonderwijs en een Rijksschool voor Kunstnijverheid, die beide in het Rijksmuseum werden gevestigd. Molkenboer werd directeur.

Nu moest de inspectie op het onderwijs in de tekenscholen nog worden geregeld. Dit geschiedde via de subsidiepot. In 1875 ontvingen slechts de Koninklijke Akademie voor Beeldende Kunsten in Den Haag, de Koninklijke School voor Nuttige en Beeldende Kunsten in 's Hertogenbosch en de afdeling Beeldende Kunsten van de Akademie Minerva in Groningen regeringssteun op grond van uit de tijd van koning Willem I daterende verplichtingen. Aan de overige scholen werden door het Rijk medailles uitgeloofd aan eindexaminandi. De Stuers kreeg, ditmaal met steun van minister Kappeyne van de Coppello, aanzienlijke subsidieverhogingen erdoor. Hiermee ondersteunde hij onder meer de 'model-'teken- en kunst-nijverheidsschool van de Vereniging 'Quellinus' in Amsterdam, die Cuypers in de bouwketen van het Rijksmuseum had opgezet. Weldra breidde het aantal door het Rijk gesubsidieerde tekenscholen zich uit tot een landelijk netwerk en kon De Stuers voorwaarden stellen. Als regel gold dat een subsidie reikte tot 50% der kosten, met als voorwaarden 's Rijks goedkeuring van het reglement, het leerplan, de benoeming van het onderwijzend personeel, de begroting en rekening, en de bevoegdheid van inspectie door het Rijk. Voor de uitoefening van deze bevoegdheid tekende opnieuw W.B.G. Molkenboer, die vanaf 1888 herhaaldelijk inspectierapporten uitbracht. Toen bij Koninklijk Besluit van 27 december 1900, nr. 67, de subsidiebevoegdheid van vaktekenscholen door minister Goeman Borgesius werd overgebracht naar de Afdeling Onderwijs ( Over de competentiegeschillen die er tussen de onderwijsinspectie en het door de Afdeling Kunsten en Wetenschappen georganiseerde toezicht op de tekenakademies en latere kunstakademies bestonden, zie het archief van de afdeling Kunsten en Wetenschappen, inventarisnummer 2584, concept- rapport van M.I. Duparc. ), behield de Afdeling Kunsten en Wetenschappen nog de zorg voor de opleidingsinstituten, die naast vakopleiding ook een specifieke kunstzinnige vorming nastreefden. Een dertigtal gereorganiseerde en verbeterde instellingen kon De Stuers echter aan zijn ambtgenoot overdragen.

Geleidelijk aan werd het tekenen als zodanig een onderwijsvak. In 1889 werd het op de lagere scholen verplicht gesteld. In 1910 moesten voor de bevoegdheid tot het lesgeven in verschillende onderwijsinstellingen een grotere diversiteit aan akten worden ingevoerd dan tot dusver voorhanden was. Het gevolg was, dat er aan het eind van het bewind van administrateur Roijer stemmen opgingen om alle tekenscholen en kunstakademies, ook de Rijksnormaalschool, onder de zorg van de Afdeling Onderwijs en onder de onderwijsinspectie te brengen. De Rijksnormaalschool diende zich immers op de vakopleiding te richten. In 1916 werden de vakschool voor zilversmeden in Schoonhoven en de tekenscholen van Roermond en Maastricht alsnog naar de Afdeling Onderwijs overgebracht. Tegen de overbrenging van andere instellingen tekende Roijers opvolger Duparc met succes verzet aan ( Ibid. ): hij was van oordeel dat de door de onderwijsinspectie beoogde vakbekwaamheidseisen niet overeenstemden met de door deze instituten nagestreefde esthetische vorming.

Voor het 'hoger onderwijs' in de kunst bestond er sedert de wet van 26 mei 1870, Stbl. 78, de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam, die kunstschilders, beeldhouwers en leraren aan kunstacademies opleidde. De Stuers ideeën van vormgeving waren dezelfde als die van de leiding van de school. Hij heeft er daarom naar gestreefd, dat er ook een leerstoel bouwkunde in de akademie werd opgenomen. Veel waarde werd gehecht aan de 'prix de Rome', een uit 1817 daterende premie ( Zie hiervoor Boekman, a.w., p. 159-161. ), uitgereikt aan eindexaminandi in de schilder- en beeldhouwkunst die het best een tevoren gestelde opdracht wisten uit te voeren. Zij mochten zich op kosten van het Rijk in het buitenland nader bekwamen in hun kunst; als controle werden er nieuwe opdrachten door de regering gegeven. Sedert 1900 was er ook een 'prix de Rome' voor architectuur. Artistiek gezien was de leermethode van de akademie 'ten tijde van de opbloei der Haagse school eigenlijk al een anachronisme' ( Aldus Th. van Tijn, De schone kunsten in algemene geschiedenis der Nederlanden, deel 12, (Haarlem, 1977), p. 264. Illustratief is het dossier inzake de uitzending van de prix-de Rome-winnaar Jan Sluijters, (een vermaarde affaire in de Nederlandse kunstgeschiedenis!), archief van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen, inventarisnummer 2638. ). De afdeling subsidieerde naast de school ook leerlingen die zelf geen middelen hadden om in hun onderhoud te voorzien en ondersteunde de opleiding van begaafde kunstenaars die zich in het buitenland wilden bekwamen.

Op het gebied van immateriële steun trad de afdeling terughoudend op. Verzoeken om decoraties van eigentijdse kunstenaars werden veelal afgewezen. Wel verspreidde de afdeling berichten over internationale tentoonstellingen aan de belangrijke kunstverenigingen en publiceerde zij nieuwsberichten over Nederlandse exposanten in het buitenland in de Staatscourant. Wanneer belangrijke Nederlandse inzendingen naar internationale tentoonstellingen plaatsvonden, organiseerde de afdeling een begeleidingscommissie namens de Nederlandse regering, die officieel rapport uitbracht.

7 De uitvoerende kunsten en de letterkunde

Het beleid van de afdeling ten aanzien van uitvoerende kunsten liep aanvankelijk parallel met die van de beeldende kunsten: centraal stond de opleiding. In 1846 werd door koning Willem II de Koninklijke School voor Muziek en Dans opgericht ( Zie voor de geschiedenis van de muziekschool J. Kasander, 150 jaar Koninklijk Conservatorium, grepen uit de geschiedenis, ('s Gravenhage, 1975). ), die als leerschool voor belangrijke musici en componisten gold. Zij werd door het Rijk bekostigd. De financiële administratie van de school, die onder de verantwoordelijkheid van een Commissie van Toezicht viel, en de artistieke directie van W.R.G. Nicolaï waren gescheiden. Dit leidde ten tijde van het aantreden van De Stuers als referendaris tot conflicten tussen beide instanties over het te voeren onderricht. De Stuers schreef deze strubbelingen toe aan de schaarste van financiële middelen en hij bood in de jaren 1877-1880 soelaas door verhoging van de rijksbijdrage. De departementscontrole op de school beperkte zich hierna hoofdzakelijk tot het financiële beheer. In 1898 werd Nicolaï opgevolgd door J.J. Viotta, die bekend stond om zijn bekwaamheden als organisator van het muziekleven.

Bij de inhoud van het onderwijs werd de afdeling eerst betrokken, toen onder het directoraat Viotta, klachten werden gehoord over de kwaliteit. De muziekschool, die in 1900 werd omgedoopt tot Koninklijk Conservatorium voor Muziek, Zang en Dans, leed aan chronisch ruimtegebrek, maar noch De Stuers noch Roijer wisten hierin voorzieningen te treffen.

De Stuers en Roijer verleenden ook subsidie aan de Maatschappij tot Bevordering van Toonkunst ( Archief van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen, inventarisnummer 2936. ), voorzover het muziekopleiding betrof en ondersteunden individuen, die zich bij internationaal bekende meesters als solist wensten te bekwamen ( Ibid., inventarisnummers 2925-2934. ). Een aanzet tot een gelijkaardig toneelbeleid leek de subsidieverlening, die in 1880 en 1881 aan de toneelschool van het Nederlands Toneelverbond werd toegekend, maar in 1882 werd ingetrokken. Met instemming van De Stuers liet het ministerie de bevestiging van het toneel vooralsnog aan het particulier initiatief en de gemeenten over ( Ibid., inventarisnummer 2498. ). Eerst in 1914 werd de subsidie aan het Toneelverbond hervat.

Verzoeken om ondersteuning van toneel-, muziek- en operagezelschappen werden door De Stuers principieel afgewezen: staatssubsidie zou ze tot instrumenten van politieke partijen kunnen maken ( Handelingen der Tweede Kamer voor het jaar 1914- 1915, p. 60. ). Ook Roijer volgde dit beleid, zelfs toen in 1908 sterke aandrang op hem werd uitgeoefend om het intussen vermaard geworden Amsterdamse Concertgebouworkest te ondersteunen: hij vreesde ongelijkheid van bedeling. In 1914 moest hij overstag gaan; het in 1903 door Viotta opgerichte Haagse Residentieorkest betrok zijn musici uit door het Rijk bekostigd personeel van het Conservatorium, hetgeen door het Concertgebouworkest als verkapte subsidie werd aangemerkt ( Archief van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen, inventarisnummer 2943. ). Zijn opvolger Duparc zou later de grondslag leggen voor een geregelde financiële steun aan orkestgezelschappen.

De bemoeienis van het Rijk met de eigentijdse letterkunde beperkte zich hoofdzakelijk tot de wetgeving inzake het auteursrecht ( Zie H.L. de Beaufort, Auteursrecht, (Zwolle, 1912). Hierin is de geschiedenis van de auteurswetgeving opgenomen. ). Het ging hier om de wijziging van een uit 18171 daterende wet, waartoe bij herhaling vanuit verenigingen en vergaderingen op het gebied van boekhandel en letterkunde werd aangedrongen. In 1875 drong De Stuers bij het Ministerie van Justitie aan op de totstandkoming van een ontwerpauteurswet. Zijn activiteit werd bekroond door de Auteurswet van 1881 (Stbl. 124), maar doorkruist door de conventies inzake het auteursrecht in Bern van 1885 en 1886, waaraan de Nederlandse wetgever zich schoorvoetend aanpaste. Het gebrek aan bescherming van Nederlandse auteurs op de internationale markt leidde in 1905 tot een openlijk protest van de toneelschrijver Herman Heijermans na buitenlandse opvoeringen van zijn flop hoop van zegen. In 1912 werd uiteindelijk een auteurswet aangenomen, die met de bepalingen van de Berner Conventie overeenstemde.

8 Het wetenschapsbeleid

Werd bij de instelling van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen een gestructureerd beleidsplan geformuleerd voor de kunsten, een dergelijk innovatiebeleid ontbrak op het gebied van de wetenschap. Dit kon ook niet anders, omdat de afdeling slechts de 'aanmoediging van ondernemingen van wetenschap' tot taak had. Daarom greep De Stuers slechts in wanneer in de particuliere sector een organisatorisch vacuüm bestond, of wanneer particuliere initiatieven hadden gefaald. Naast de universiteiten en hogescholen die uiteraard onder de zorg van de Afdeling Onderwijs vielen, bestonden er tal van particuliere genootschappen op plaatselijk, provinciaal of landelijk gebied die op het gebied van onderzoek en kennisuitwisseling een voortrekkerspositie nastreefden. Landelijke verenigingen als de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, het Koninklijk Instituut van Ingenieurs, de Maatschappijen tot bevordering der Geneeskunst, der Dierengeneeskunde en der Pharmacie, de Nederlandse Juristen- Vereniging en in zekere zin ook de Maatschappij van Letterkunde en de Maatschappij tot Bevordering van Nijverheid waren instellingen, die door hun positie eerder zelf invloed uitoefenden op het regeringsbeleid dan dat zij de zorg van de regering behoefden ( Tijdens de totstandkoming van deze inventaris waren de volgende archieven in openbare archiefbewaarplaatsen bekend: Koninklijke Akademie van Wetenschappen in het Rijksarchief in Noord- Holland; Koninklijk Instituut van Ingenieurs in het Algemeen Rijksarchief; Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst in Algemeen Rijksarchief; Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Pharmacie in Algemeen Rijksarchief; Maatschappij van Nederlandse Letterkunde in Universiteitsbibliotheek Leiden, afdeling Westerse Handschriften; Maatschappij tot bevordering van Nijverheid in Gemeentearchief Haarlem. ).

Van de afdeling ging dus geen initiatief uit. Het was dan ook haar taak om nadere voorzieningen te treffen indien elders steun ontbrak of wanneer de bemoeienis van de Nederlandse regering (wegens mogelijke diplomatieke consequenties) noodzakelijk was. De afdeling bemiddelde bij de uitwisseling van wetenschappelijke gegevens met het buitenland, de uitzending van Nederlandse delegaties en commissies naar internationale wetenschappelijke conferenties en tentoonstellingen en de uitvoering van bilaterale en internationale wetenschappelijke verdragen.

De afdeling was dus vooral belast met de zorg voor Nederlandse organisaties die op grond van deze verdragen tot stand waren gekomen. Ook bekostigde zij studies van Nederlanders in het buitenland. Zij was betrokken bij de verzending van boeken en periodiek verschijnende publicaties naar buitenlandse wetenschappelijke instellingen, deels voortvloeiend uit bilaterale overeenkomsten deels als gevolg van conventies, vastgesteld in officiële wetenschappelijke congressen. Zo bestond er een internationaal net voor de verspreiding van sociaal-geografische en statistische gegevens op grond van het besluit van het internationaal geografisch congres van 1875. In 1883 vond een internationale conferentie plaats inzake ruil van officiële, letterkundige en wetenschappelijke documenten. Nederland nam hieraan niet deel en ondertekende ook niet de conventie, die voorzag in de oprichting van een afzonderlijk ruilbureau. De Stuers achtte het ministerie blijkbaar voldoende berekend voor deze taak ( Zie L. Brussel, Nederland en de internationale uitwisseling van geschriften, ('s-Gravenhage, 1930). ).

De zwaarste verplichting was wel de uitvoering van een verdrag, dat in 1861 op instigatie van Pruissen was gesloten en dat de nauwkeurigheidsgraadmeting en waterpassing van geheel Midden-Europa inhield. De werkzaamheden werden vanaf 1874 door twee ingenieurs uitgevoerd. Toen die hun activiteiten staakten, werd bij Koninklijk Besluit van 20 februari 1879, nr. 3, de Rijkscommissie voor Graadmeting en Waterpassing benoemd.

In 1885 voltooide deze de nauwkeurigheidswaterpassing: voortaan hield zij zich met de triangulatie bezig ( Zie Voorbericht van de uitkomsten van de Eerste Nauwkeurigheidswaterpassing 1875-1876, ('s- Gravenhage, 1876), archief van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen, inventarisnummer 3134, en Voorbericht voor de zesde uitgave der N.A.P.- registers, ('s-Gravenhage, 1940). ). Zij bleef permanent in functie en werd in 1937 gereorganiseerd. Op dezelfde wijze was de afdeling betrokken bij de totstandkoming van een internationale geologische atlas en een wereldkaart.

De afdeling garandeerde verder vaste studieplaatsen voor onderzoekers in het buitenland. In dit verband kunnen de contracten worden vermeld, die zij sloot of verlengde met internationaal bekende onderzoeksinstituten. Zo had zij een laboratoriumtafel in huur van het zoölogisch station in Napels, waar Nederlandse aankomende geleerden voorzien van een rijksstipendum onderzoek mochten verrichten ( Dossier in archief van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen, inventarisnummers 3337-3343. ). Gelijkaardige afspraken waren er met het fysiologisch laboratorium in Col d'Olen (Monte Rosé, Italië) ( Ibid., inventarisnummer 3353. ). Binnen Nederland bemiddelde de afdeling op dezelfde manier voor studie in het biologisch station van de Nederlandse Dierkundige Vereniging in Den Helder (voor de bestudering van zeevis) ( Ibid., inventarisnummers 3350-3351. ) en in is Rijks Plantentuin in Buitenzorg, waarvoor ook van regeringswege stipendia werden uitgekeerd ( Ibid., inventarisnummer 3348-3349. ). Om de bestaande stipendia en stichtingen voor letterkundige en historische studies in Rome te coördineren werd aldaar in 1905 het Nederlands Instituut voor Geschiedkundig, Kunsthistorisch en Archeologisch Onderzoek opgericht ( Ibid., inventarisnummer 3150-3154. ). Onder leiding van dr. Gisb. Brom werd het een pied-à-terre voor wie permanent archiefonderzoek over de Nederlandse geschiedenis wilde doen dan wel gegevens over Nederlandse geleerden en kunstenaars in Italië wilde opsporen. Zeer sterk werd ook het archiefonderzoek elders in het buitenland gestimuleerd, wanneer hierdoor afschriften van bronnen betreffende de Nederlandse geschiedenis konden worden verkregen.

Voor het binnenland beperkte de afdeling zich voornamelijk tot subsidies. Zowel verenigingen als particulieren ontvingen soms voor incidentele publicaties, dan weer voor permanente activiteiten enige rijkssteun. Tot de permanent gesubsidieerde instellingen behoorden de Koninklijke Akademie van Wetenschappen en het Nederlands Aardrijkskundig Genootschap. Het is kenmerkend voor De Stuers dat de letterkunde en de archeologie goed werden bedeeld. Zo verweerde De Stuers zich tegen het dichtdraaien van de subsidiekraan voor het Woordenboek der Nederlandse Taal; in 1851 werd dit als een tienjarig project opgezet, maar het werd uiteindelijk een permanente en slepende aangelegenheid ( Subsidiedossier in ibid., inventarisnummers -3369- 3373. ). Tot de oprichting van rijksinstellingen besliste de afdeling slechts één keer positief: op aandringen van de algemene rijksarchivaris Van Riemsdijk werd bij Koninklijk Besluit van 26 maart 1902, nr. 5, de Commissie voor 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën ingesteld ( Ibid., inventarisnummer 3155. ). Hierdoor werd de rijksarchiefdienst ontlast van de taak om bronnen te publiceren. Er ontstond een eigen bureau onder directoraat van de vermaarde Leidse historicus H.T. Colenbrander. Een ander belangrijk voorstel, dat van de Nederlandse Dierkundige Vereniging om haar verplaatsbaar zoölogisch station in Den Helder om te zetten tot een permanent vast zeevisstation van het Rijk, werd door de afdeling als te weinig onderbouwt afgewezen ( Ibid., inventarisnummers 3197-3198. ).

Sedert 1915 subsidieerde de afdeling ook volksuniversiteiten ( Subsidiedossier in ibid., inventarisnummer 3171. ).

9 Het bibliotheekwezen

Een apart onderdeel van het wetenschapsbeleid was de zorg voor de Koninklijke Bibliotheek, een instelling die in het najaar van 1799 als nationale bibliotheek werd opgericht en van koning Lodewijk het predikaat 'Koninklijke' kreeg. Toen in 1875 de bibliotheek onder de Afdeling Kunsten en Wetenschappen kwam te ressorteren, kampte deze instelling met een acquisitie-achterstand op het gebied van letteren en geschiedenis. Sedert het eerste ministerschap van Thorbecke was zij eenzijdig gericht op de staatswetenschap, de rechtsgeschiedenis en de staathuishoudkunde. In 1872 werden de instructies gewijzigd, maar het budget was ontoereikend om het boekenbestand op andere vakgebieden alsnog aan te vullen. Eerst door toedoen van De Stuers werd de begroting aangepast: in 1877 werd zij ruim verviervoudigd. Als gevolg hiervan, maar ook door particuliere schenkingen, werd de bibliotheek in de periode 1875-1880 met aanwinsten overstelpt. Het personeel bleek hierop niet berekend te zijn.

Hoe zegenrijk het werk van de afdeling voor de Koninklijke Bibliotheek ook was, het optreden van De Stuers werd door de toenmalige bibliothecaris, M.F.A.G. Campbell, niet in dank afgenomen. Met zijn maatregelen om de organisatie van de bibliotheek in goede banen te leiden: zijn instructies, zijn aandrang tot verbetering van de studiezalen en zijn toezicht op de inrichting, trok De Stuers een deel van het management naar zich toe, hetgeen tot competentiegeschillen leidde. Pijnlijke conflictstof leverde in 1884 een door De Stuers ontworpen, maar door Hubrecht gewijzigd reglement voor de bibliotheek op, dat aan Campbell werd opgedrongen, maar dat niet altijd even praktische voorschriften bevatte; met name de nogal bureaucratische regels voor uitlening naar het buitenland lagen noch op de lijn van Campbell, noch op die van De Stuers ( Vergelijk hierbij Dr L. Brummel, De Koninklijke Bibliotheek, ('s-Gravenhage, 1939), p. 170-173, met de correspondentie over de toepassing van het reglement tussen De Stuers en Hubrecht, archief van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen, inventarisnummer 3036. )!

Campbell overleed op 2 april 1890. Na een kort intermezzo werd hij in 1895 opgevolgd door W.G. Byvanck, wiens plannen tot uitbouw van de bibliotheek tot een museum en documentatiecentrum tot 1921 het bibliotheekbeleid beheersten. In 1903 vond de lang verwachte uitbreiding van de bibliotheek plaats en werd de ingang van het gebouw van het Lange Voorhout naar de Kazernestraat verplaatst. Byvanck streefde ernaar om series documentatie uit te geven, zoals een repertorium op de Nederlandse tijdschriften en een serie 'Documenten voor de economische crisis van Nederland in oorlogsgevaar' (1914- 1916) ( De door de Koninklijke Bibliotheek verzamelde documenten bevinden zich nu in het Algemeen Rijksarchief. ), hetgeen ten koste van de catalogisering van het boekenbestand ging. De regering steunde voorshands zijn oriëntatie op het gebied van de documentatie en bibliofiele methodiek.

Het optreden van de vrijzinnig-democraat Byvanck viel samen met de oprichting van instellingen voor bredere kennisverbreiding onder de bevolking. Daarnaar richtte zich in eerste instantie het openbare leeszaalwezen. In 1907 werd op initiatief van zijn geestverwanten dr D. Bos en jhr. er E.A. van Beresteyn het werk van de volksbibliotheken gecoördineerd in een Centrale Vereniging van Openbare Leeszalen en Bibliotheken, hetgeen leidde tot een gezamenlijke subsidie- aanvraag ( Zie naast het archief van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen, inventarisnummers 3081-3088 ook het archief van de leden van het geslacht Van Beresteyn, inventarisnummer 796. Het archief van de Centrale Vereniging is integraal bewaard in het kantoor van de vereniging. ). Minister De Meester reageerde hierop positief en de afdeling kende vanaf dat moment een jaarlijkse bijdrage toe. Sedertdien berustte bij de afdeling voor een deel de zorg voor het voortbestaan van de openbare leeszalen die zich, toen het liberale kabinet De Meester door een coalitie-kabinet werd afgelost, ook tot confessionele organisaties zou uitbreiden ( Zie dienaangaande het archief van de Afdeling Kunsten en Wetenschappen, inventarisnummer 3090. ).

10 Lijst van de voornaamste functionarissen
1. De Afdeling Kunsten en Wetenschappen

a. Afdelingshoofden: referendaris en administrateur

Jhr. mr. V.E.L. de Stuers1875-1901
ir. J.A. Roijer1901-1916
mr. M.I. Duparc1916-1925

b. Overige ambtenaren

G.J. van Oordt1874-1912
J. Tideman1875-1882
C. Telders1875-1881
C. Bouwhuisen ( Gaat over naar de afdeling Secretarie en Expeditie met als opdracht archiefbeheer van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. ) 1879-1897
Jhr. B.W.F. van Riemsdijk ( Neemt tevens de directie van verschillende musea waar. Wordt later directeur van het Rijksmuseum in Amsterdam. ) 1880-1889
J.H.G. van de Poll1883-1912
Jhr. J.C. van de Poll1888-1893
ir. J.A. Roijer ( Wordt daarna chef van de afdeling. ) 1892-1901
A. Pit ( Wordt daarna directeur van het Nederlands Museum in het Rijksmuseum. ) 1893-1896
mr. M.I. Duparc ( Wordt daarna chef van de afdeling. ) 1898-1916
mr. A.J.L. van Beeck Calkoen1902-1908
P. Visser1911-(1918)
E.A. Kuijpers1914- (1918)
C. van Keekem1916- (1918)

Rijksbouwkundige voor de gebouwen van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen

ir. J. van Lokhorst1878-1906
ir. J.A. Vrijman1906- (1918)

Rijksarchitect voor de museumgebouwen

dr. P.H.J. Cuypers1876- (1918)

Inspecteur op de gedenktekenen van geschiedenis en kunst

A.J. Mulder1876-1918
2. Commissies

Commissie tot vervaardiging en ruiling van reproducties van kunstvoorwerpen

Voorzitter: Jhr. mr. V.E.L. de Stuers1886-1916
Secretaris: de directeur van het Rijksmuseum

Commissie tot het opmaken en uitgeven van een inventaris voor eene beschrijving van de Nederlandsche monumenten voor geschiedenis en kunst

Voorzitter: dr. P.H.J. Cuypers1903-1918
Secretaris: J. Kalf1903-1918

Commissie van advies voor 's rijks geschiedkundige publicatiën

Voorzitter: jhr. mr. Th.H.F. van Riemsdijk1902-(1918)
Secretaris: dr. H.T. Colenbrander1902-(1918)
Directeur van het bureau der commissie: dr. H.T. Colenbrander1910-918
Daarna: dr. N. Japikse
3. Rijksmusea: directeuren

Amsterdam, Rijksmuseum voor Schilderijen

J.W. Kaiser1875-1883
Fr.D.O. Obreen1883-1885

Amsterdam, Rijksprentenkabinet

J.W. Kaiser1875-1876
J.Th. van der Kellen1876-1885

Amsterdam, Rijksmuseum

Algemene directie:
Fr.D.O. Obreen1885-1896
jhr. B.W.F. van Riemsdijk1896- (1918)
 
Rijksmuseum voor Schilderijen:
jhr. W. Hora Siccama1884-1895
jhr. B.W.F. van Riemsdijk1896- (1918)
 
Rijksprentenkabinet:
J.Ph. van der Kellen1885-1896; 1897-1903
C. Hofstede de Groot1896-1897
E.W. Moes1903-1913
jhr. H. Teding van Berkhout1914- (1918?)
 
Nederlands Museum voor Geschiedenis en Kunst:
D. van der Kellen Dz1885-1895
jhr. B.W.F. van Riemsdijk1895-1896
A. Pit1896-1917
M. van Notten1917- (1918)

Delft, Rijksmuseum Prinsenhof

Jhr. B.W.F. van Riemsdijk1887- (1918)

Delft, Rijksmuseum Lambert van Meerten

A. le Comte1908- (1918)

Den Haag, Koninklijk Kabinet van Schilderijen (Mauritshuis)

J.K.J. de Jonge1875-1880
S. van den Berg1880-1889
A. Bredius1889-1909
W. Martin1909- (1918)

Den Haag, Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden

A.A. van de Kasteele1840-1876
D. van der Kellen Dz1876-1885

Den Haag, Nederlandsch Museum voor Geschiedenis en Kunst

D. van der Kellen Dz1875-1885

Den Haag, Koninklijke Bibliotheek en Museum Meermanno-Westreenianum

dr. M.F.A.G. Campbell1868-1890
Th.C.L. Wijmalen1890-1895
W.A. Byvanck1895-1918

Den Haag, Koninklijk Kabinet van Penningen, Munten en Gesneden Stenen

J.F.G. Meijer1853-1889
A.A. Looijen1889-1893
H.J. de Dompierre de Chaufepié1893-1911
A.O. van Kerkwijk1911- (1918)

Den Haag, Rijksmuseum Gevangenpoort

Jhr. mr. V.E.L. de Stuers1883-1916
J.A. Frederiks1916- (1918)

Den Haag, Rijksmuseum Mesdag

H.W. Mesdag1903-1915
Willy Martens1915- (1918)

Haarlem, Rijksverzameling voor moderne kunst

E. Koster1857-1880
C.G. Gonnet1880-1885

Leiden, Rijksmuseum van Oudheden

dr. C. Leemans1839-1891
dr. W. Pleyte1891-1903
dr. A.E.J. Holwerda1903- (1918)

Leiden, Rijks Ethnografisch Museum

dr. C. Leemans1839-1882
mr. L. Serrurier1882-1897
J.D.E. Schmelz1897-1909
dr. H.H. Juynboll1909- (1918)

Leiden, Rijksmuseum voor Natuurhistorie

Prof. dr. H. Schlegel1858-1884
F.A. Jentink1884-1915
dr. E.D. van Oort1915- (1918)

Muiderslot

L.D. Taunay1875-1903
K.Th. Engelbert van Bevervoorde1903-1909
J.L. de Raadt1909- (1918)
4. Rijksarchivarissen

Algemeen Rijksarchief, tevens Rijksarchief in Zuid-Holland

mr. L.Ph.C. van den Berg1865-1887
mr. Th.H.F. van Riemsdijk1887-1910
mr. R. Fruin1912- (1918)

Rijksarchief in Noord-Brabant

mr. C.C.N. Krom1880-1886
mr. A.C. Bondam1886-1905
C.C.D. Ebell1905-1914
mr. J.P.W.A. Smit1914- (1918)

Rijksarchief in Gelderland

Jhr. mr. Th.H.F. van Riemsdijk1878-1882
mr. J.F. Bijleveld1882- (1918)

Rijksarchief in Noord-Holland

C.J. Gonnet1886- (1918)

Rijksarchief in Zeeland

mr. J.P.N. Ermerins1890-1894
mr. R. Fruin1894-1910
dr. K. Heeringa1911- (1918)

Rijksarchief in Utrecht

mr. S. Muller Fz1878- (1918)

Rijksarchief in Friesland

J.L. Berns1886- (1918)

Rijksarchief in Overijssel

J.I. van Doorninck(1869) 1880-1890
mr. L. van Hasselt1890-1900
mr. C.P.L. Rutgers1900-1908
dr. M. Schoengen1908- (1918)

Rijksarchief in Groningen

H.O. Feith1882-1892
mr. J.A. Feith1892- (1918)

Rijksarchief in Drenthe

G.R.W. Kijmmell(1866) 1878-1887
mr. S. Gratama1887-1896
mr. J.G.C. Joosting1896-1913
Jhr. mr. B.M. de Jonge van Ellemeet1913- (1918)

Rijksarchief in Limburg

J.J. Habets(1878) 1881-1893
A.J. Flament1893- (1918)
5. Overige instellingen

Nederlands historisch instituut in Rome

Dr. Gisb. Brom1905-1915
Mgr. prof. dr. A.H.L. Hensen1915- (1918)

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in