gahetNA in het Nationaal Archief

Enquetecie. Regeringsbeleid

2.02.27
J.u.D.Y. Khan
Nationaal Archief, Den Haag
1984
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.02.27
Auteur: J.u.D.Y. Khan
Nationaal Archief, Den Haag
1984
CC0

Periode:

1947-1981
merendeel 1947-1956

Omvang:

18,70 meter; 1557 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

In 1947 werd er een parlementaire enquête ingesteld naar het regeringsbeleid in de periode 1940-1945. Aanleiding was het feit dat er in deze jaren geen Nederlandse volksvertegenwoordiging was geweest die controle had uitgeoefend over de regering. De enquête zou in die lacune kunnen voorzien. Het voorstel werd in november 1947 aangenomen en nog in datzelfde jaar zou de commissie worden samengesteld en aan het werk gaan. De commissie onderzocht een breed scala van onderwerpen: het militaire beleid, de neutraliteitspolitiek, vertrek van de regering en de eerste maanden in Londen (waaronder de problemen met D.J. de Geer), het financieel-economisch beleid, de geheime diensten, contacten met bezet Nederland (waaronder de leiding en voorlichting van ambtenaren in bezette gebieden en de contacten met het verzet), kabinetscrises, de voorbereiding van de terugkeer (de Staten-Generaal, het Militair Gezag en de Vertrouwensmannen), het beleid t.a.v. Nederlanders in het buitenland die hulp nodig hadden en Nederlands-Indië. De commissie heeft zeer bewust de relatie tussen koningin Wilhelmina en de regering buiten haar onderzoek gelaten, met als motief dat de koning(in) volgens de grondwet onschendbaar is en de ministers verantwoordelijk. Het werk van de commissie is gepubliceerd: Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 ('s Gravenhage, SDU, 1949-1956), 8 delen in 19 banden. Het archief bevat veel van de originele stukken waarop deze publicatie is gebaseerd zoals de documentatie en de originele verslagen van de verhoren. Daarnaast is er veel materiaal waaruit men de werkwijze kan de commissie kan reconstrueren, zoals de notulen van vergaderingen, de ingekomen en uitgaande stukken, de regelmatige verslagen aan de Tweede Kamer, financiële stukken en stukken over de organisatie van de commissie.

Archiefvormers:

  • Tweede Kamer der Staten Generaal, Parlementaire Enquete-Commissie Regeringsbeleid 1940-1945

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Voorgeschiedenis
Het recht van enquête
(

Zie Wet van 7 september 1977, Staatsblad nr. 549, houdende wijziging van de Wet van 5 augustus 1850, Staatsblad nr. 45 tot regeling van het recht van onderzoek (enquête).

)

Tot de meest wezenlijke rechten van het Parlement behoort het recht op informatie. In de Grondwet is het recht van interpellatie, het vragenrecht en het recht van enquête vastgelegd. Van het recht om de Ministers vragen te stellen en hen te interpelleren wordt met name door de Tweede Kamer der Staten-Generaal veelvuldig gebruik gemaakt. Van het recht van enquête kan dit bepaald niet worden gezegd. Het enquêterecht werd bij de Grondwet van 1848 toegekend aan de Tweede Kamer en bij de grondwetsherziening van 1887 ook aan de Eerste Kamer en aan de Verenigde Vergadering. Krachtens de Grondwet bezitten dus beide Kamers der Staten-Generaal, zowel ieder afzonderlijk als in verenigde vergadering, het recht van onderzoek of enquête. Alleen de Tweede Kamer heeft het recht werkelijk uitgeoefend.

Voorstel tot het instellen van een onderzoek

Naast een of meer Kamerleden kunnen ook Kamercommissie voorstellen een onderzoek in te stellen. Als besloten wordt tot een enquête kan de uitvoering worden opgedragen aan een reeds bestaande Kamercommissie of een aparte daartoe in te stellen commissie van Kamerleden. In de Tweede Kamer is in totaal negentien maal een voorstel tot het houden van een parlementaire enquête aan de orde geweest. Negen maal werd het voorstel verworpen, verviel het of werd het ingetrokken. Tien maal werd het aangenomen. Van die tien enquêtes werden er acht ghouden in de periode tussen 1852 en 1887. De meest markante van deze acht enquêtes vond plaats in de jaren 1886 - 1887, naar de toestand van Vrouwen- en Kinderarbeid, alsmede naar de toestand van fabrieken en werkplaatsen. De enquêtes zijin van groot belang geweest voor de ontwikkeling op sociaal gebied in Nederland.

De negende en meest omvattende enquête heeft betrekking op het beleid van de nederlandse Regering tijdens haar verblijf te Londen in de jaren 1940 - 1945 en de periode, die daaraan voorafging en die erop volgde. Het betreft de Enquête-Commissie Regeringsbeleid 1940 - 1945.

Geschiedenis van de Enquête-Commissie Regeringsbeleid 1940-1945

In de vorige eeuw zijn verscheidene enquêtes door de Staten-Generaal gehouden, toen echter het Tweede Kamerlid, Jhr.Mr. M. van der Goes van Naters in juni 1947 voorstelde een onderzoek in te stellen naar het regeringsbeleid van de Kabinetten-De Geer, -Gerbrandy en -Schermerhorn-Drees in de jaren 1940 - 1945, had het enquêterecht al in ruim 60 jaar geen toepassing gevonden. Het voorstel van de heer Van der Goes van Naters werd op 6 november 1947, na op enkele punten gewijzigd te zijn, door de Tweede Kamer zonder hoofdelijke stemming aangenomen. De Kamer was unaniem van mening, dat een dergelijk onderzoek zeer gewenst was, daar de Kabinetten, die tijdens de Duitse (en in geval van Nederlands-Indië, de Japanse) bezetting in ballingschap regeerden, in al die jaren niet in de gelegenheid waren geweest verantwoording af te leggen voor de volksvertegenwoordiging.

Door het houden van een parlementaire enquête zou alsnog deze verantwoordingsplicht voor het beleid gedurende de oorlogsperiode, waarin het Parlement niet kon werken, worden vastgesteld. Het voorstel van de heer Van der Goes van Naters, zoals het door de Kamer werd aangenomen, luidde als volgt: De ondergetekende stelt voor, een enquête in te stellen naar het Regeringsbeleid der Kabinetten-De Geer, -Gerbrandy en -Schermerhorn-Drees sedert de Duitse inval van 10 mei 1940 en de oorlog met Japan tot aan de opening van de zitting der voorlopige Staten-Generaal op 20 november 1945, alsmede naar het daaraan voorafgaande beleid, voor zover dit onmiddellijk verband houdt met de gebeurtenissen in de vorenbedoelde tijdvakken, in het bijzonder naar:

  1. Het militaire beleid gedurende de meidagen van 1940 en, voor zover daarmee in onmiddellijk verband staande, vóórdien;
  2. De wijze, waarop in de Ministerraad het besluit tot het overbrengen van de zetel der Regering naar het buitenland is tot stand gekomen en de daaraan gegeven uitvoering;
  3. De opvattingen, waardoor deze Kabinetten en hun leden zich hebben laten leiden ten aanzien van de voortzetting van de oorlog en de Nederlandse deelneming daaraan;
  4. Het aftreden van Jhr.Mr. D.J. de Geer als Minister van Algemene Zaken en van Financiën en als Voorzitter van de Raad van Ministers;
  5. De aan Jhr. De Geer verstrekte opdracht voor een reis naar Nederlandsch-Indië en het falen daarin, alsmede de wijze waarop hij naar Nederland heeft kunnen terugkeren;
  6. De verbindingen met het bezette Nederlandse gebied, in het bijzonder de militaire en civiele inlichtingendiensten;
  7. Het geven van leiding en voorlichting aan ambtenaren en burgers in de bezette gebieden;
  8. Het contact met en de politiek ten aanzien van de verzetsbeweging in Nederland;
  9. Het beleid ten aanzien van de organisatie der Nederlandse en binnenlandse strijdkrachten;
  10. De voorbereiding van de organisatie van het bestuur na de bevrijding, onder andere het militair gezag en de uitvoering daarvan;
  11. Het financiële beleid, daaronder begrepen het aankoopbeleid;
  12. De vertegenwoordiging van Nederland in het buitenland en de behartiging der Nederlandse belangen aldaar;
  13. De mate waarin en de wijze waarop de hulpverlening aan Nederlandse krijgsgevangenen en civiele gedetineerden heeft plaats gevonden;
  14. Het beleid betreffende de overzeese gebiedsdelen, daaronder begrepen het beleid der Nederlandsch-Indische Regering;
  15. De moeilijkheden, welke zich in deze Kabinetten hebben voorgedaan, voor zover van invloed op de Regeringspolitiek, in het bijzonder de aan de leden van die Kabinetten verleende ontslagen.

Als getuigen of deskundigen, zullen onder meer kunnen worden gehoord:

  • De leden van opgemelde Kabinetten;
  • De Secretarissen-Generaal en andere hoge ambtenaren;
  • De leden van de buitengewone Raad van advies;
  • Generaal I.H. Reynders;
  • Generaal H.G. Winkelman;
  • Generaal-majoor G.J. Sas, destijds militair attaché te Berlijn;
  • Dr. M. van Blankenstein;
  • De president van het Bijzondere Gerechtshof te Amsterdam;
  • De procureur-fiscaal bij het Bijzondere Gerechtshof te Amsterdam;
  • Jhr.Mr. L.H.N. Bosch Ridder van Rosenthal;
  • Prof.Mr. R.P. Cleveringa;
  • W. Drees;
  • Mr. J. Cramer;
  • Mr. W.G.A. van Sonsbeek;
  • Dr. J.G. Stokman;
  • L. Neher;
  • Mr. J. le Poole;
  • Ir. W. den Boer;
  • De voorzitter en leden van de Algemene Rekenkamer, alsmede de voorzitter van de Buitengewone Algemene Rekenkamer te Londen.

Naderhand werden door de Enquête-Commissie de volgende vraagpunten toegevoegd:

  • p. Het militaire beleid na de meidagen van 1940;
  • q. Het buitenlandse beleid in het algemeen, voor zover dit niet valt onder een der andere punten.

Verschillende van de in het Enquête-besluit genoemde punten werden gezamenlijk behandeld. Dit geldt in het bijzonder voor de punten b, c, d en e, welke onderling sterk samenhangen, en voorts voor de punten g en h, j en o, alsmede de punten l en m, waarmee dit eveneens het geval is.

Instelling van de enquête-commissie
(

Zie Nederlandse Staatscourant van 17 november 1947, nr. 222.

)

Ter uitvoering van het Enquêtebesluit der Kamer, benoemde de Voorzitter van de Tweede Kamer, in de vergadering van 12 november 1947, een commissie van onderzoek van negen leden en negen plaatsvervangende leden, welke als volgt was samengesteld:

  1. Jkvr.Mr. C.W.I. Wttewaal van Stoetwegen
  2. Mr. J. Algera
  3. Ir. C.N. van Dis
  4. Mr. L.A. Donker
  5. Th.D.J.M. Koersen
  6. H.A. Korthals
  7. Jhr.Mr. G.A.D.J. Ruys de Beerenbrouck
  8. J. Schilthuis
  9. Mr.Dr. B.J. Stokvis

  1. Mr.Dr. J.J.R. Schmal
  2. Dr. J.A.H.J.S. Bruins Slot
  3. Mr. A.B. Roosjen
  4. Mr. N. Stufkens
  5. Dr. W.L.P.M. de Kort
  6. Dr.Ir. A.H.W. Hacke
  7. B. Roolvink
  8. Mr. G.E. van Walsum
  9. J. Hoogcarspel

Ten gevolge van mutaties in de samenstelling hadden naderhand ook de leden Jhr. J.J. Fens, A.H.J.L. Fiévez, J. Fokkema en Mr. Th.J.A.M. van Lier - respectievelijk plaatsvervangende leden - Ir. S.A. Posthumus, H.M.J. Dassen en Mr. G. Vonk - voor korter of langer tijd deel van de Enquête-Commissie uitgemaakt.

In de vergadering van de Kamer van 14 november 1947 deelde de Voorzitter mede, dat de Commissie tot haar voorzitter had benoemd Mr. L.A. Donker. In een later stadium van het onderzoek werd het voorzitterschap opgedragen aan de heer J. Schilthuis en ten slotte aan de heer Th.D.J.M. Koersen.

Termijn van werkzaamheden

Bij de instelling van de Enquête-Commissie op 12 november 1947 werd de termijn, waarbinnen zij het onderzoek moest hebben voltooid, gesteld op één jaar na de datum waarop de leden van de Commissie waren benoemd. Men ging er in het begin van uit, dat het onderzoek moest zijn afgerond uiterlijk in november 1948. De Commissie kwam echter al spoedig tot de ontdekking, dat de haar toegemeten termijn van één jaar te kort was om met een verantwoord eindresultaat te kunnen komen. Zij verzocht de Kamer meerdere malen de onderzoekstermijn te verlengen, welke laatstelijk werd verlengd tot 1 januari 1957.

Aard en omvang van het onderzoek

De Commissie stelde geen onderzoek in naar de strafrechtelijke, maar alleen naar de politieke verantwoordelijkheid van de Kabinetten en van hun leden, die in de jaren 1940 - 1945 regeerden. Het feit, dat het onderzoek alleen gericht was op de politieke verantwoordelijkheid hield ook nog andere beperkingen in.

De eerste beperking hield het navolgende in: In de Grondwet is vastgelegd, dat de Koning onschendbaar is en de Ministers verantwoordelijk zijn. De handelingen van het Staatshoofd kon en mocht de Commissie niet onderzoeken; het Staatshoofd kon nooit worden betrokken bij de beoordeling van het regeringsbeleid. De Ministers droegen de verantwoordelijkheid voor het beleid, aangezien het over het algemeen besluiten betrof, die door een Minister gecontrasigneerd waren. Weliswaar was de verhouding tussen het Staatshoofd en de Ministers in de Londense periode anders dan in normale tijden: de Staten-Generaal ontbraken, waardoor er geen overleg tussen Kabinet en Staten-Generaal kon plaatshebben. Dit kwam tot uiting door het zwaartepunt te verleggen naar het Staatshoofd in het overleg tussen het Staatshoofd en de Ministers. De Ministeriële verantwoordelijkheid was evenwel niet opgeheven, waardoor de Ministers verantwoordelijk bleven voor het beleid. Daarom ook werden naderhand door de Commissie de passages uit de stenogrammen geschrapt, waar getuigen de persoon van de Koningin in hun beschouwingen betrokken.

De tweede beperking was vastgelegd in de Enquêtewet van 5 augustus 1850, Staatsblad nr. 45: aan Ministers en oud-Ministers mochten geen vragen gesteld worden over de beraadslagingen, die binnen de Ministerraad hadden plaatsgevonden. Omdat de Commissie deze beperking te bezwaarlijk vond voor een juiste uitvoering van de aan haar opgedragen taak, drong zij er bij de Regering op aan de Wet te wijzigen. Bij wijzigingswet van 18 maart 1948, Staatsblad nr. I 106, werd toen bepaald, dat over besluiten genomen in de Ministerraad en de gronden waarop die besluiten berusten wel vragen mochten worden gesteld; over de beraadslagingen binnen de Ministerraad mochten echter nog steeds geen vragen gesteld worden. De Kabinetsleden waren evenwel vrij uit eigen beweging inlichtingen te geven uit de Ministerraad.

Korte naam der Commissie

De Commissie besloot zich kortheidshalve te noemen 'Enquête-Commissie Regeringsbeleid 1940 - 1945'. Hoewel deze naam niet volkomen juist is, aangezien het door de Commissie te onderzoeken beleid zich mede uitstrekt tot de gebeurtenissen, die aan de Duitse inval van 10 mei 1940 voorafgingen, en het nodig bleek ook bepaalde feiten uit het najaar van 1939 te onderzoeken, geeft hij toch voldoende aan waarover het onderzoek heeft gelopen.

Taak van de Commissie

De hoofdzaak van de Commissie was uiteraard het uitvoeren van het door de Tweede Kamer aan haar opgedragen onderzoek. De Commissie diende vast te stellen, welk beleid gevoerd was, of dit een juist of onjuist beleid was en wie daarvoor de verantwoordelijkheid droeg. De Commissie was verder belast met twee andere taken:

  • Het periodiek verslag uitbrengen over de vordering van haar werkzaamheden. Bij de meeste periodieke verslagen was gevoegd een lijst waarop in chronologische volgorde staan vermeld de namen van de verhoorde personen, hun functie en het onderwerp van het verhoor.
  • Het uitbrengen van een verslag over de resultaten van het verrichte onderzoek. Telkens wanneer zij het onderzoek betreffende een bepaald onderwerp had afgerond publiceerde de Commissie de resultaten daarvan in een verslag. Het totale onderzoek werd gepubliceerd in acht verslagen.

Een verslag was als volgt ingedeeld:

  • het eigenlijk verslag, houdende de weergave van de feitelijke gang van zaken alsmede de uiteenzetting van de verschillende opvattingen over beleidsvragen met tenslotte een conclusie van de Commissie;
  • de bijlagen, bevattende alle stukken, die voor een goed begrip van het verslag en de verhoren nodig zijn;
  • de verhoren, houdende de volledige tekst van alle aangaande een bepaald onderzoekspunt afgenomen verhoren.

Het eigenlijk verslag, de bijlagen en de verhoren zijn respectievelijk aangeduid met de letters a, b en c. Het eerste deel van de verslagen verscheen in 1949, het laatste, achtste deel in 1956. Aangezien de Commissie in vrijwel alle gevallen eenstemmig tot haar oordeel kwam, bevat haar verslag geen minderheidsrapporten.

Bevoegdheden van de Commissie
  1. Tot de belangrijkste bevoegdheden van een Enquête-Commissie behoort het oproepen van getuigen en deskundigen, die verplicht zijn aan deze oproep gehoor te geven en onder ede (resp. belofte) gehoord kunnen worden. Van deze bevoegdheid heeft de Commissie in ruime mate gebruik gemaakt. De Commissie heeft getracht allen, die in het gevoerde beleid een rol van betekenis hebben gespeeld of door hun bijzondere belevenissen inlichtingen over dit beleid konden verschaffen, voor haar te doen verschijnen. Zij is daarin ook geslaagd, met dien verstande, dat enerzijds een aantal van de voornaamste figuren helaas reeds overleden was en dat anderzijds sommige personen door verblijf buiten Nederland niet gedagvaard konden worden.
  2. Talrijke buitenlandse personen en instanties zijn de Commissie met schriftelijke inlichtingen van dienst geweest.
  3. Alle leden van de Commissie waren bevoegd alle verhoren bij te wonen. Zij mochten echter slechts vragen stellen in de sub-commissie waarvan zij lid waren. De plaatsvervangende leden werden alleen opgeroepen bij afwezigheid van het lid dat zij vervingen. Zij hadden geen recht om alle verhoren bij te wonen. De verhoren vingen aan op 17 februari 1948 en werden beëindigd op 17 juli 1956.
  4. Elk lid was vrij om zijn dossier aan zijn plaatsvervanger ter lezing te geven. Voorts konden laatstgenoemden ter griffie inzage krijgen van alle stukken, die zij nodig mochten hebben voor een door hen bij te wonen verhoor. Op grond van het recht tot inzage van stukken, welke in de Enquêtewet is vastgelegd, werd aan de Minister van Justitie toezending gevraagd van het gehele dossier-De Geer.
Vorming van de Sub-commissies

Vanwege de omvangrijkheid van het onderzoek besloot de Enquête-Commissie uit haar midden drie sub-commissies te vormen, die uitsluitend werden belast met het verhoren van getuigen en deskundigen en het onderzoek van stukken. Beslissingsbevoegdheid werd aan geen van de sub-commissies toegekend. Elke sub-commissie bestond uit drie kern-leden. De drie sub-commissies bestonden aanvankelijk uit:

  1. De heer Donker, Jkvr. Wttewaal van Stoetwegen en de heer Koersen;
  2. De heren Ruys de Beerenbrouck, Algera en Korthals;
  3. De heren Schilthuis, Van Dis en Stokvis.

Tot voorzitters der subcommissies werden resp. aangewezen: de heren Donker, Ruys de Beerenbrouck (na zijn aftreden Algera) en Schilthuis.

Sub-commissie I werd belast met het afnemen van de verhoren omtrent politieke onderwerpen (vraagpunten B, C, D, E, G, H, J en O).

Sub-commissie II werd belast met het afnemen van de verhoren omtrent militaire onderwerpen (vraagpunten A, N en P).

Sub-commissie III werd belast met het afnemen van de verhoren omtrent financiële en economische onderwerpen en de hulpverlening aan gevangenen (vraagpunten K, L en M).

De plenaire Commissie behield echter vanaf het begin het recht om getuigen, ongeacht het onderwerp, te horen.

Zo nam de Commissie in pleno verhoren af, die betrekking hadden op de vraagpunten A, B, C, D, E, F, G, H, J, O en Q.

Ook het bepalen van de algemene lijn van het onderzoek bleef een aangelegenheid van de Commissie in haar geheel.

Het bureau der Commissie

Voordat de getuigen gehoord konden worden, moest een grote hoeveelheid voorbereidend werk worden verzet. Er was betreffende de gebeurtenissen, waarover het onderzoek liep, reeds een enorme hoeveelheid materiaal beschikbaar: boeken, artikelen in couranten, tijdschriften en vooral archiefstukken, veelal afkomstig uit de archieven van de verschillende departementen. Stukken werden overgelegd door het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie en de Krijgsgeschiedkundige Sectie van de Generale Staf. Voorts bereikten stukken uit privé-archieven van diverse oud-Ministers en documenten van particulieren de Commissie.

Al dit materiaal moest bijeengebracht, gerangschikt, onderzocht en onderling vergeleken worden, voordat een vruchtbaar verhoor kon plaatsvinden. Na elk verhoor moesten bovendien de verkregen gegevens weer worden verwerkt, gerangschikt en met het reeds aanwezige materiaal vergeleken. Voor al deze voorbereidingen en verwerkingen had de Commissie personeel nodig.

Wetenschappelijke medewerkers

De Commissie nam allereerst in dienst een drietal wetenschappelijke medewerkers, nl. de heren Mr.Dr. G. Duisterwinkel, Mr. W.J. Gerretsen en Dr. W.J. Schuijt.

Aan elke sub-commissie werd een van deze vaste medewerkers toegevoegd:

  1. De heer Schuijt aan sub-commissie I;
  2. De heer Duisterwinkel aan sub-commissie II;
  3. De heer Gerretsen aan Sub-commissie III.

Nadien werden nog verscheidene andere wetenschappelijke medewerkers in dienst genomen, nl. de dames Mr. D.D. Vollgraff, Dr. I. Boon, Mr. G. Hoogenboom en de heren Dr. R.F. Wery, Mr. H.F. Oosterhuis en Mr. G.M.A.M. Huijgens (slechts gedurende enkele maanden, vanwege vertrek naar Indonesië). Deze tweede groep van medewerkers was speciaal belast met archiefonderzoek.

Administratieve werkzaamheden

Met de leiding van de administratie van het bureau der Commissie was belast de heer P. Goossen, ter griffie der Kamer. Als ondersteuning van de administratieve werkzaamheden van het bureau werden onder zijn leiding nog een aantal personeelsleden aangetrokken. De algemene leiding van het bureau van de Commissie berustte bij de griffier der Kamer, Mr. A.F. Schepel, die ook alle vergaderingen van de Commissie (wel te onderscheiden van de zittingen voor het verhoor van getuigen) bijwoonde.

Opheffing van de Enquête-Commissie

Op 11 december 1956 stelde de Commissie unaniem aan de Tweede Kamer voor haar werkzaamheden te beëindigen en haar te ontheffen van de nog resterende opdracht, vervat in punt N (Het beleid betreffende de overzeese gebiedsdelen, daaronder begrepen het beleid der Nederlandsch-Indische Regering) van het Enquêtebesluit, voor zover deze nog niet is uitgevoerd. De overwegingen van de Commissie waren, dat het welhaast niet langer aanvaardbaar was getuigen voor zich te laten verschijnen en onder ede te horen over gebeurtenissen, die ten dele vijftien jaar geleden hadden plaatsgevonden. Bovendien was een groot aantal van de bij dit beleid betrokken personen reeds overleden. Ten slotte achtte de Commissie het welhaast uitgesloten Indonesische staatsburgers te horen. Zonder dat laatste zou een objectief onderzoek echter niet wel mogelijk zijn.

Op 21 december 1956 aanvaardde de Tweede Kamer der Staten-Generaal dit voorstel met 72 tegen 24 stemmen en daarmee kwam aan het werk van de Enquête-Commissie Regeringsbeleid 1940 - 1945 een einde.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in