gahetNA in het Nationaal Archief

Staatssecretarie

Door een storing is het op dit moment niet mogelijk om archiefstukken te reserveren. In de studiezaal van het Nationaal Archief kunnen archiefstukken via de balie worden gereserveerd.

2.02.01
H. Bonder
Nationaal Archief, Den Haag
1938
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.02.01
Auteur: H. Bonder
Nationaal Archief, Den Haag
1938
CC0

Periode:

1813-1840

Omvang:

924,00 meter; 6918 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands en in het Frans

Soort archiefmateriaal:

Normale 19e eeuwse geschreven en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften. Het archief bevat een aantal kaarten.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Onder de regering van koning Willem I vormde de Staatssecretarie het belangrijkste coördinerende orgaan in het landsbestuur: hier kwam alle bestuurlijke informatie samen en werden de besluiten voorbereid waarmee de Koning het land bestuurde. De kabinetssecretarie, het Kabinet des Konings, vormde een onderdeel van de Staatssecretarie. Omdat de hoofdtaken in principe alle beleidsterreinen van de rijksoverheid betroffen, komen in het archief stukken voor over de meest uiteenlopende onderwerpen. Het hoofdarchief (van de Staatssecretarie zelf) bestaat voor het overgrote deel uit een chronologisch geordende en per dag genummerde serie minuut-besluiten met bijlagen (ingekomen stukken). De toegangen op dit verbaal bestaan uit uitgebreide jaarlijkse indices met hoofdenlijsten en klappers. Op de vele ingekomen verzoekschriften (rekesten) zijn er aparte rekestenklappers: de rekesten zelf werden niet opgelegd in het archief, maar ter afhandeling doorgezonden naar de departementen. Naast het hoofdarchief maken deel uit van het archief Staatssecretarie:
het Geheim archief, met een chronologisch verbaal, indices en klappers;
het archief van de Secretaris van Staat;
het archief van het Kabinet des Konings, dat onder meer stukken bevat over de afscheiding van België, depêches van gezanten, staatsbegrotingen en militaire zaken. Bij het archief zijn gedeponeerd de notulen van de Kabinetsraad en stukken van commissies voor de grondwetten.

Archiefvormers:

  • Staatssecretarie en Kabinet des Konings
  • Commissie belast met de Herziening van het bestaande stelsel der In- en Uitgaande Rechten en Accijnsen
  • Commissie ter opheffing van het Sequester op enige Patrimoniële Goederen en Domeinen in België
  • Commissie tot Herziening der Grondwet
  • Commissie voor de Samenstelling der Constitutionele Wetten
  • Kabinet des Konings
  • Kabinetsraad
  • Lynden van Blitterswijk, jhr W.H.C. van
  • Oranje-Nassau, W.F., Prins van (Willem I)
  • Oranje-Nassau, W.F.G.L., Prins van (Willem II)
  • Staatscommissie betrekkelijk de Verhoging der In en Uitgaande Rechten
  • Staatscommissie tot Reorganisatie der Departementen van Algemeen Bestuur
  • Staatssecretarie

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

De belangrijkste taken waren:

  • het opmaken van ontwerpen van wetten en besluiten en het vervaardigen en verzenden van afschriften daarvan;
  • het voeren van de correspondentie van de Koning met de ministers, de hoge colleges van staat en de gouverneurs in de provincie.
Daarnaast waren er nog bijkomende taken als de uitgave van het Staatsblad, de Staatsalmanak (gestaakt na 1830) en het toezicht op de Algemene Landsdrukkerij (tot 1818). Het kabinet behandelde de talrijke aan de Koning gerichte verzoekschriften en de zaken van het Koninklijk Huis.

Een wat uitvoeriger informatie kan men vinden in het artikel van J. Steur over de 'Staatssecretarie en Kabinet des Konings onder Willem I' (BMGN 84, 1969, 88-138). Daarvan behoeven de bladzijden 99 en 100 enige correcties, die niet onbelangrijk zijn:

  • hoewel de tekst van de instructie voor de secretarie van het Kabinet des Konings (Bonder p. 211-212) niet overal even helder is bestonden de werkzaamheden onder a) niet uit 'het samenstellen van uittreksels op agenda's van rapporten, voordrachten, memories en rekesten aan de Koning', maar uit het maken van agenda's, waarop in het kort de inhoud moet staan van de stukken waarover de koning zich een oordeel moest vormen en besluiten moest nemen.
  • belangrijker is dat die uittreksels niet zomaar vergezeld moesten gaan van ontwerp-beschikkingen in het algemeen, maar van besluitvoorstellen van de secretarissen van het Kabinet des Konings zelf. Dit is van groot belang voor een juiste schatting van hun rol. Hun voorstel werd gevraagd naast dat wat eventueel reeds bij de rapporten enz. gevoegd was en waarvan ze eveneens een korte samenvatting moesten maken voor de agenda.
  • De secretarissen moesten - de instructie is op dit punt niet helemaal duidelijk - waarschijnlijk bij alle op de agenda geplaatste stukken adviseren. Ze moesten het volgens art. 2a en 5 echter in het bijzonder doen in alle gevallen waarin volgens de (Grond)wet het oordeel gevraagd moest worden van de Raad van State óf enige ander rechterlijk of administratief college. In art. 5 volgt hierop een specificatie van zaken die zeker aan de Raad van State moeten worden voorgelegd. Steur heeft deze bepalingen ten onrechte bekort tot de opdracht aan de secretarissen er op toe te zien dat bepaalde voorstellen en rapporten moesten worden voorgelegd aan de Raad van State.
  • Tot slot wekt Steurs lezing van de brief van de secretaris van Staat d.d. 30 september 1827 aan de ministers de indruk dat ze, anders dan voorheen, hun stukken uitsluitend via het Kabinet des Konings aan de koning moesten toesturen. De wellicht niet bedoelde maar wel gewekte suggestie dat hier een bepaalde taak van de Staatssecretarie werd overgenomen door het Kabinet des Konings is mijns inziens niet in overeenstemming te brengen met de uitspraak van De Mey van Streefkerk in 1819 dat 'de bezigheden ter Staatssecretarie een aanvang (namen) met den ontvangst uit 's Konings Kabinet der stukken welke Z.M. zijn gedaan toekomen of aangeboden'. (Steur 120). Afgezien echter van de juistheid van mijn interpretatie staat in de bovengenoemde brief in feite iets heel anders. De Mey draagt de ministers niet op om voortaan alle stukken via het Kabinet des Konings aan de koning te doen toekomen, maar om vanaf 1 november 1827 een onderscheid te maken in hun voor de koning bestemde stukken. Geheime stukken of zaken waarop een onmiddellijk besluit vereist was moesten samen met de nieuwsberichten direct aan de koning geadresseerd worden. De rest kon worden gestuurd naar de Secretarie van het Kabinet van de Koning! (Bonder p. 209).
Organisatie van de Staatssecretarie 1813 - 1840

In de hierna beschreven archieven treedt de persoon van koning Willem I zeer sterk naar voren. 'De Koning was het centrum van de Regeering; bij Hem, den constitutioneelen Monarch behoorden naar het staatsrechterlijk systeem de draden van het bewind samen te komen; Hij alleen was in staat het geheel te overzien en Hij alleen droeg de verantwoordelijkheid in hoogeren zin voor wat geschiedde.(

Dr. W.Ph. Coolhaas, Het Regeringsreglement van 1827, blz. 11.

)

Naast de koning stond aan het hoofd der Staatssecretarie de algemene secretaris van Staat, die in alles werd gekend en wiens inzichten ter kennis van de vorst moesten komen. Zowel in de buitenlandse als in de binnenlandse politiek moest hij meer dan iemand anders invloed uitoefenen. Hij was voor een groot deel de schakel tussen de vorst en zijn ministers; hij was het, die bij het overbrengen van de konings wil de pen voerde.

De leider der Staatssecretarie behandelde met de koning alle mogelijke regeringsaangelegenheden, zowel die van veel als van weinig gewicht.

Terwijl reeds van 21 november 1813 af door de voorlopige regering en de soevereine vorst zeer belangrijke besluiten waren genomen en veel correspondentie was gevoerd, werd eerst bij Soeverein Besluit d.d. 31 december 1813, nr. 38 bepaald, hoe de algemene Staatssecretarie zou worden beheerd en de administratie ingericht. Mr. Anton Reinard Falck werd bij dat besluit benoemd tot secretaris van Staat, S. Dassevael tot griffier-archivist en L.H. Elias Schovel tot eerste commies.

Een nadere instructie als bedoeld in art. 6 van dit besluit is blijkbaar nooit uitgevaardigd, zodat het wel de basis vormt, waarop de werkzaamheden aan de Staatssecretarie zijn verricht. Het verdere personeel werd aangesteld bij Koninklijk Besluit d.d. 26 april 1814, nr. 3 en wel A.L.C. d'Hamecourt en S. Boas tot tweede commies en J.A. Keuchenius, wiens taak het was, de rekesten op de Kabinetssecretarie te behandelen, alsmede een aantal klerken.

Het ambt van secretaris van Staat werd met ingang van 1 april 1818 (Koninklijk Besluit 19 maart, nr. 78) ingetrokken en gesupprimeerd, en van dat tijdstip af moesten de besluiten en de resoluties worden opgemaakt, gecontrasigneerd en uitgevaardigd door de staatsraad J.G. de Mey van Streefkerk, die belast werd met de directie der Staatssecretarie en met al de werkzaamheden op dezelve te verrichten.

Op 1 januari 1823 (Koninklijk Besluit 28 december 1822, nr. 161) ontving De Mey weer de titel van secretaris van Staat, die hij heeft gehouden tot zijn aftreden op 12 november 1835 (Koninklijk Besluit d.d. 4 november, nr. 64). Zijn opvolger G. Graaf Schimmelpenninck trad reeds 1 december 1836 (Koninklijk Besluit nr. 2) weer af en werd opgevolgd door mr. H.J. Baron van Doorn van Westkapelle, die tot de reorganisatie in 1840, secretaris van Staat is gebleven.

De staatsraad, belast met de directie der Staatssecretarie, onderscheidde volgens zijn brief d.d. 29 september 1821, nr. 234, (bijlage bij 4 september 1823, nr. 7), de volgende uitgaande stukken:

  • 'Besluiten. Worden gewoonlijk door Z.M. genomen in zaken die eene meer algemeene uitvoering ten gevolge hebben'.
  • 'Rescriptiën, door den Koning onderteekend zonder contrasignature voor onderwerpen, waarmede slechts een Departement gemoeid is'.
  • 'Missives, door den Secretaris van Staat geschreven, strekkende gewoonlijk om inlichtingen nopens aan Zijne Majesteit aangeboden voordrachten van de Hoofden van Departementen te verlangen, of om van hem rapporten te vragen ten aanzien van deze of gene onderwerpen'.
  • 'Kennisgevingen van Koninklijke dispositiën gevallen op requesten. Deze kennisgevingen worden opgemaakt wegens Koninklijke dispositiën waarvoor geen eigentlijk gezegd besluit in forma wordt vereischt. Deze dispositiën worden door 's Konings Kabinets Secretarissen onderteekend. Van deze dispositiën wordt ook eene afzonderlijke mededeeling aan de Departementen welke op die requesten hebben gerapporteerd gedaan'.
  • 'De zaken worden op den index nauwkeurig met vermelding van dag en nummer op behoorlijke respecten gebracht. De klapper is alphabetisch'.
  • Moge hier verder nog omtrent die werkzaamheden volgen het rapport van de secretaris van Staat d.d. 16 december 1840, La. A.61. Dat rapport geeft een 'zoo beknopt mogelijke schets van de werkzaamheden van de Staatssecretarie en van het Kabinet des Konings, zooals die vroeger waren en thans nog voor een gedeelte zijn'.

'De eerstgemeldeinstelling, de bestemming hebbende, om 's Konings beschikkingen en bevelen aan de Departementen en Collegiën van Algemeen Bestuur over te brengen en die beschikkingen en bevelen alsmede de voordrachten en de stukken door de Departementen en Collegiën aan Hoogstdezelve aangeboden, te verzamelen en in orde te bewaren, zoo dat zij ten allen tijde tot 's Konings gebruik dienstbaar konden zijn, verdeelden zich derzelver werkzaamheden eigenaardig en hoofdzakelijk, in werkzaamheden van redactie, van registratie en van expeditie en bewaring der stukken en archieven'.

'De redactie bestond hoofdzakelijk in het opmaken van besluiten, rescripten, boodschappen en brieven, alsmede in het opmaken van Nota's en zoogenaamde beredeneerde agenda's, in welke aan den Koning een verslag werd voorgelegd omtrent den loop, welke de overwegingen van omslagtige zaken had genomen, en derzelver stand op een gegeven tijdstip. De Departementen slechts zeldzaam een ontwerp van besluit bij hunne voordracht voegende, veroorzaakte het opmaken daarvan ter Staatssecretarie veel werk'.

'De aanschrijvingen waren niet zelden mede van eenigen omvang een gevolg, deels van het raadplegen van onderscheidene Departementen en Collegiën, deels van den vorm welke daarvoor was aangenomen'.

'De besluiten, brieven enz. werden vervolgens op een daartoe bestemd register of agenda geregistreerd van dagteekening en nummer of letter voorzien, welke agenda gesplitst was in een openbare en in een geheimde agenda naar den aard der stukken dit vorderde'.

'Na te zijn geregistreerd, werden de af te schrijven en te verzenden openbare stukken aan den eigenlijken Secretaris overgegeven. Behalve de hierboven genoemde registratie had er echter nog een andere van alle inkomende en uitgaande stukken plaats, vervat in een zeer uitvoerig beredeneerd register of dus genaamden index, waarop alle voorkomende zaken onder bepaalde hoofden en rubrieken werden aangeteekend, met aanwijzing van datum en nummer en waardoor het met behulp van de hierbij behoorende klappers ten uiterste gemakkelijk werd gemaakt de retroacta over eenig gegeven onderwerp op het spoor te komen: een werk alzoo dat als de sleutel van de archieven moet worden aangemerkt'.

'Voor de geheime zaken bestond er een dergelijk afzonderlijke index, gelijk ook deze in een afzonderlijk archief werden weggelegd en bewaard'.

'Ten slotte had plaats het behoorlijk rangschikken, wegleggen en bewaren in het archief, alsook het opzoeken en afgeven (onder behoorlijke aantekening)'.

'Om een behoorlijke controle te houden op de vanwege den Koning aan de Departementen en Collegiën commissoriaal gestelde stukken, en om die Departementen en Collegiën aan de afdoening daarvan te kunnen herinneren was ook daarvoor een register aangelegd onder den naam van commissoriaal register'.

'Tot dusverre sprak ik nog niet van de Requesten. De talrijkheid en de bijzondere aard derzelve heeft waarschijnlijk aanleiding gegeven, dat zij min of meer afgescheiden van het overige werk zijn behandeld geworden. Het is hierbij, dat de Staatssecretarie met het Kabinet in de nauwste aanraking kwam. Bij het Kabinet namelijk werden in den regel de requesten op een agenda gebracht, werd door den Secretaris van het Kabinet de behandeling voorgedragen en werden vervolgens de requesten van apostillen voorzien naar de Staatssecretarie gezonden om daar een nummer te ontvangen wanneer zij opnieuw naar het Kabinet werden overgebracht, opdat de apostillen door den Secretaris werden onderteekend, vanwien zij naar de Staatssecretarie terug gingen om vandaar te worden geëxpedieerd'.

'Requesten dezelfde of gelijke strekking hebbende als vroegere, of requesten van personen, die zich reeds vroeger hadden aangemeld, met één woord de zoogenaamde herhaalde verzoeken werden bij het Kabinet op een afzonderlijke lijst geamendeerd en op deze agenda ter Staatssecretarie ingevuld, wat met de vroegere verzoeken was gedaan of wat omtrent de adressanten bekend was, en werd vervolgens met deze requesten als met de overige gehandeld'.

'Bij het afzonderlijk bureau der requesten aan de Staatssecretarie werden tevens de vereischte klappers en aanteekening gehouden om ten allen tijde te kunnen weten, in welken stand zich de behandeling der requesten bevond'.

'Ook was het daar, dat volgens een reeds ten tijde van het Staatsbewind ingevoerde gewoonte aan de belanghebbenden op daartoe gedane aanvragen op gezette dagen en uren, inlichtingen omtrent hunne verzoeken werden gegeven'.

'Ik ben, van de requesten en hare behandeling sprekende als vanzelf gevorderd tot de vermelding der werkzaamheden van het Kabinet des Konings'.

'Behalve hetgeen bij die instelling ten opzichte der requesten door den Secretaris van het Kabinet en door twee beambten werd verricht bestonden de werkzaamheden, door welke die instelling met de Secretarie van Staat in aanraking kwam nog daarin, dat van vele stukken een meer of min uittreksel of agenda werd vervaardigd, waarmede de rapporten onder het oog des Konings werden gebracht, en welke uittreksels later een integrerend deel van de agenda der Staatssecretarie uitmaakten, terwijl die uittreksels voor zoodanige zaken, van welke dit noodig was gevonden ter zijde werden aangevuld met een opgaaf van hetgeen omtrent die onderwerpen uit vroegeren tijd bekend was. Deze aanvulling geschiedde weder ter Staatssecretarie'.

'Overigens werden bij het Kabinet des Konings, vroeger onder een Directeur als Hoofd geplaatst en wiens werkzaamheden thans aan den Secretaris zijn opgedragen, behandeld de zaken en aangelegenheden van Hoogstdeszelfs huis, van de Hofhouding en de Thesaurie, en in het algemeen alle met 's Konings geldmiddelen in verband staande onderwerpen, om niet te spreken van het maken van uittreksels en afschriften, het lezen en aanteekenen van dagbladen en dergelijke bezigheden'.

Vereenvoudigen en opheffing van de Staatssecretarie

De Staatssecretarie heeft meermalen aanvallen te verdragen gehad, die op haar bestaan gericht waren, doch tot 1840 is zij in werking gebleven.

Reeds in de notulen van de Bezuinigingscommissie benoemd bij Koninklijk Besluit d.d. 1 augustus 1818 La. T.T. wordt op 12 januari 1819 haar bestaan als volgt verdedigd:

'De aard en werkzaamheden aan de Staatssecretarie opgedragen, welke zich voornamelijk bepalen tot de expeditie van alle dispositiën, door Z.M. op verzoekschriften van bijzondere personen genomen, alsmede tot die van alle beveelen, wetten en besluiten aan de daarbij geconcerneerde en met de uitvoering belaste Departementen van Algemeene Administratie, veroorloofd niet, dat deze werkzaamheden aan het Ministerieel hoofd van een andere Departement opgedragen worden, terwijl de menigvuldigheid der bezigheden van den Staatsraad belast met de Directie der Staatssecretarie alsmede de aard zijner functiën, het als evenzeer ongepast moeten doen beschouwen, dat aan hem het bestuur van eenig bijzonder vak van administratie worde opgedragen, anders dan die, welke uit derzelver aard en instelling klaarblijkelijk tot zijn Departement behooren en minder voegelijk bij een ander zouden kunnen gevoegd worden'.

'Weshalve men unaniem van oordeel is geweest dat de Staatssecretarie afzonderlijk zoude behooren te blijven bestaan'.

Evenzo staat in haar rapport aan de koning (Exh. 20 Juni 1819 La. Q4) blz. 114 vlg. te lezen:

'De Staatssecretarie is als het groote middelpunt aan te merken ter verzameling van alle stukken en bescheiden, die tot de algemeene regeering des lands in eenige betrekking staan, die bij het aangewezen Departement allen moeten worden behandeld en onder welke niet alleen goede orde maar ook onderlinge samenhang in acht genomen en gehandhaaft moet worden, uit welk Departement de expeditie afkomstig moet zijn van alle besluiten door Uwe Majesteit genomen en van alle bevelen door Hoogstdezelve gegeven tot regeling en bestuur van alle de Departementen der publieke administratie en ter verzekering eener getrouwe nakoming der algemeene en bijzondere wetgeving van het Koninkrijk der Nederlanden'.

Bij Koninklijk Besluit d.d. 2 december 1820, nr. 63 werden enige provisionele bepalingen vastgesteld om de menigvuldige werkzaamheden der Staatssecretarie te vereenvoudigen.

De Staatscommissie, benoemd bij Koninklijk Besluit d.d. 23 okt. 1830, nr. 92 om middelen te beramen tot vereenvoudiging en besparing op het algemeen bestuur, bracht reeds op 9 november daaraanvolgend haar eerste rapport uit, dat begint met een aanval op het bestaan van de Staatssecretarie te doen in de volgende bewoordingen: 'Door den loop van derzelver denkbeelden als van zelven geleid geworden tot het punt waar alle Staatsaangelegenheden zich vereenigen, de werkplaats waarin alle Staatsaangelegenheden bekleed worden met die vormen waarin Z.M. dezelve doet openbaar maken en aan Hoogstdeszelfs onderdanen of dienaren als mededeelingen, regelen of voorschriften doet kennen.

Zij gevoelt het teedere van die beschouwingen, omdat dit punt in een zeer nauwe betrekking staat tot die onvermoeide zorgen waarmede het bekend is, dat Z.M. voor de belangen van het Rijk en van Hoogstdeszelfs onderdanen, steeds werkzaam is'.

'Doch de pligt waartoe Z.M. haar geroepen heeft, het vertrouwen waarmee Hoogstdezelve haar vereerd heeft, verbieden haar iederen anderen indruk te volgen, dan dien van het belang van Z.M. dienst van het welzijn des Lands en van het hoofddoel van derzelver instelling, bezuiniging door vereenvoudiging'.

'De Secretarie van Staat is die werkplaats en bij de Staatscommissie is opgekomen de vraag of dit op zich zelf staand Departement noodig is ten bedoelden einde en vooral of hetzelve daartoe noodig is bij de vermindering der werkzaamheden welke moet voortspruiten uit de afscheiding der Zuidelijke provinciën. En wanneer men die vraag zou beantwoorden uit het eenige gezigtspunt waaruit dit Departement vroeger is voorgesteld, dat namelijk, van te wezen de werkplaats waarin alle Staats besluiten als de uitdrukking van Z.M. 's wil, bekleed worden met de uiterlijke vormen die dezelve naar buiten kunnen doen werken en daartoe ter uitvoering afgaan tot dien het aangaat en met de executie daarvan is belast dan zeker zou men het er voor kunnen houden, dat het geven van dien uiterlijken vorm ook zou kunnen waargenomen worden door den Minister, Hoofd des Departements, die met de executie daarvan zal belast worden, niet alleen om dat dit mogelijk is, niet alleen om dat het eigenaardiger schijnt dat de Minister, Hoofd des Departements dien de zaak betreft die kan verondersteld worden Z.M. op de zaak te hebben voorgelicht, die kan verondersteld worden Z.M.'s bedoeling daaromtrent te kennen, die met de uitvoering daarvan belast zal worden, ook belast worden met de finale redactie van het besluit of stuk daarvan de rede is maar ook omdat (en dit brengt de Staatscommissie meer bepaaldelijk terug tot het hoofddoel harer instelling) daardoor het werktuig der huishouding van Staat met een raderwerk schijnt te zullen verminderd worden, hetwelk de kosten daarvan vermeerdert, de wrijvingen vergroot, zonder dat deze bezwaren door stellige en erkende voordeelen worden opgewogen'.

'Uit dit oogpunt dan bezien is de Staatscommissie eenstemmig geweest van gevoelen, dat de Secretarie van Staat vatbaar zou kunnen geacht worden voor suppressie en deszelfs attributen voor verdeeling en overdragt op den Minister, Hoofd van het Departement dien de zaak ten principale betreft, of met de executie der besluiten zal belast worden'.

'Uit den loop der overwegingen op dit stuk is evenwel ook de mogelijkheid ontstaan voor eene beschouwing van het Departement uit een ander oogpunt, waarbij hetzelve kan voorgesteld als een spiegel in welks brandpunt zich verzamelen al de stralen lichts welke men over zekere zaak daarin heeft kunnen betrekken, ten einde Z.M. in de gelegenheid te stellen van dat verzamelde licht gebruik te maken, tot het vestigen van Hoogstdeszelfs meening en wil, en het welligt Hoogstdeszelfs verlangen zou kunnen wezen, om bij het vestigen daarvan behalve dien van het Departement dien het aangaat zoodanige voorlichting te kunnen inroepen als welke de zaak, ontdaan van alle specialiteiten of bekleedsels, alleen kan doen beschouwen in derzelver verhouding tot de door Z.M. aangenomen regeerings beginselen, aan den eenen kant, en tot alle andere takken van bestuur aan den anderen kant'.

'En uit dit oogpunt beschouwt meent de Staatscommissie, dat zij het nuttig doel daarvan zou kunnen erkennen, zonder de noodzakelijkheid om daartoe dit middel te bezigen, omdat zij meent dat dit doel welligt nog beter zou kunnen verkregen worden, door een gemeenschappelijke overweging van alle zaken de algemeene belangen des Rijks betreffende te vorderen van en op te leggen aan Zijner Majesteits Ministers, daartoe in Rade vergaderd, ten einde in die overweging te kunnen vinden den grond waarop Zijner Majesteits meening en wil zich zou kunnen vestigen, en waarvan alsdan de uitdrukking zou kunnen worden bevat in een besluit, waarvan de Minister Hoofd des Departements dien het aangaat zou wezen de uiteindelijke steller, verdediger, medeteekenaar en uitvoerder'.

'De voordeelen welke de Staatscomissie daarin ziet voor de inachtneming en overeenstemming van alle de belangen der onderscheidene takken van 's Rijks bestuur, waarvan de Ministers hoofden der Departementen kunnen geacht worden de vertegenwoordigers te zijn, voor de eenheid van bestuur en de daaruit voortspruitende moreele kracht van hetzelve komen aan de Staatscommissie zoo groot voor, dat bij het gemis van vrijheid om ex professo dit punt aan Zijner Majesteits overwegingen aan te bevelen, zij zich met eerbied verheugt eene aanleiding te hebben gevonden om blijvende binnen den kring van hare bevoegdheid, daarvan de voordragt te kunnen doen als van een middel om op eene onkostbare en naar haar eerbiedig inzien, meer doelmatige wijze te doen vervangen een Departement tot welks suppressie veler wenschen zich vereenigen, en daar door uit den weg te ruimen de eenigste zwarigheid van belang welke er tegen de opheffing van dat Departement bij Zijne Majesteit zoude kunnen bestaan'.

'De Staatscommissie heeft de toepassing van dit haar gevoelen opgenomen in een hiernevens gevoegd concept besluit, hetwelk Zijne Majesteit zou kunnen bekrachtigen in dien Hoogstdezelve zich met hetzelve mogt kunnen vereenigen'.

Dit rapport der commissie met het rapport d.d. 4 december 1830, waarbij de reorganisatie der overige departementen werd bepleit, brachten volgens schrijven d.d. 22 december 1830 La. D. 50 geheim de koning tot het denkbeeld om de hoofden der ministeriële departementen met de Raad van State te verenigen, en de Staatssecretarie daarbij ook geheel in te smelten. De ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken antwoordden de koning 19/20 februari 1831:

'Of wijders bij het verwezenlijken van Zijner Majesteits denkbeeld het Departement van de Staatssecretarie bij den Raad van State zoude kunnen ingesmolten worden, blijft den eerstondergetekende steeds zeer bedenkelijk op de gronden, die hij tot betoog der noodzakelijkheid van dat Departement heeft aangevoerd, toen dat onderwerp voor eenigen tijd in den Raad van Ministers is behandeld geworden'.

'De Staatsinrigting van dien aard welke de algeheele verzamelen expeditie plaats is van alle inkomende en uitgaande stukken, een middelpunt der Staats archieven voor de loopende zaken, is vooral naar des eersten ondergeteekenden oordeel, onmisbaar, en het moet Zijne Majesteit ten allen tijde geheel vrij staan om aan den ambtenaar aan het hoofd dier inrichting geplaatst, zoodanige attributen te geven, als Z.M. ten oirbaar van den Lande en ter vergemakkelijking van Hoogstderzelver werkzaamheden gepast acht, hetwelk niet wel plaats vinden kan, indien die inrichting bij den Raad van State is ingesmolten, welker Secretaris niet wel anders kan en behoort te zijn, dan Secretaris van dat College'.

'De tweede ondergeteekende verschilt echter te dezen opzigte in zoo verre van den eerst ondergeteekende, dat het behoud der Staatssecretarie hem bij een veranderde inrigting niet zoo onmisbaar voorkomt en is eerbiedig van gevoelen, dat die suppressie niet afhankelijk is van het al of niet verwezenlijken van Z.M.'s hiervoren behandelde wijze van beschouwing maar veel eer van de vraag of Hoogstdezelve zoude kunnen goedvinden om het contraseigne der wetten en besluiten aan Hoogstdeszelfs Ministers op te dragen en zich in meer rechtstreeksche aanraking met deze te stellen'.

Deze ministers adviseerden aan het slot van hun uitvoerig rapport over de plannen van de Staatscommissie aan de verwezenlijking dier denkbeelden geen gevolg te geven, maar integendeel het gehele plan aan te houden tot tijd en wijle hetzelve met de te maken wijzigingen in de Grondwet in verband gebracht en beoordeeld zal kunnen worden.

Ook het lid van de Raad van State Van Pabst tot Bingerden, wiens advies was gevraagd op 22 februari 1831 'kon zich volgens zijn rapport d.d. 8 maart d.a.v.(

Exh. 12 juli 1831, nr. 31.

) , niet voorstellen, dat de ineensmelting van de Staatssecretarie met die van den Raad van State een wezenlijke vereenvoudiging en bezuiniging zou te weeg brengen. De Staatssecretarie zou mogelijk door het afleiden van werkzaamheden naar de provinciën en door het contraseign der Ministers, wanneer dit mogt ingevoerd worden, eenige verandering en vermindering kunnen ondergaan: of echter ooit de Staatssecretarie zal kunnen gemist worden meent de ondergeteekende op gronden door den Minister van Justitie bijgebracht te mogen betwijfelen'.Het daarbij aanwezige concept besluit is na zoveel tegenkanting dan ook niet vastgesteld, doch de Staatssecretarie heeft nog ongehinderd voortbestaan totdat de secretaris van Staat op 10 september 1840 (nr. C. 47) aan de minister van Justitie, Buiten- en Binnenlandse Zaken de volgende vragen stelde:

'Zoude in verband met het conterseign de Staatssecretarie niet te worden opgeheven, hetgeen tevens tot bezuiniging zoude strekken of kan de Staatssecretarie daarbij geheel of gedeeltelijk blijven bestaan, behoort er, in geval van suppressie der Staatssecretarie toch niet eenig centraal punt te zijn tot bewaring'.

De ministers antwoordden daar op 24 september 1840 (nr. 2, geheim) als volgt:

'Naar de overtuiging van de ondergeteekenden is het behoud van de Staatssecretarie, althans van eenig centraal punt, onder welken naam dan ook, onvermijdelijk, en zij kunnen zich geen denkbeeld maken van den gang van zaken bij zoodanige suppressie'.

'Niet alleen toch als centraal punt ter bewaring van 's Konings besluiten en andere voorschriften wordt een centraal punt vereischt, maar wel voornamelijk als punt van eenheid tusschen de verschillende Departementen, zonder welk men gevaar loopt, dat bij het eene Departement dikwijls geheel andere beginselen, zouden gevolgd worden, dan bij het andere, waaruit noodwendig de grootste verwarring zoude ontstaan'.

'Zij kunnen ook niet inzien, dat de invoering van het contreseign (zoo als zij althans dat onderwerp beschouwen) in eenig verband zoude staan met eene daaruit moetende of kunnen voortvloeiende suppresie der Staatssecretarie, maar gelooven veel eer, dat desniettegenstaande (en behoudens de toezending der door den Koning onderteekende stukken ter mede onderteekening van een Minister) de zaken haren tegenwoordigen loop volkomen zullen kunnen behouden'.

'Zij weten wel dat onder een vorige regeering de Staatssecretarie heeft opgehouden te bestaan, maar zij weten tevens dat de suppressie alleen in naam, niet in wezenlijkheid heeft plaats gehad, dewijl toen de werkzaamheden van den Secretaris van Staat zijn overgegaan op eenen Raad Secretaris en op het Kabinet van Koning Lodewijk'.

'De suppressie der Staatssecretarie en hare vervanging door een andere inrigting van een in allen gevalle onvermijdelijk centraal punt, thans in te voeren, zoude dan ook naar het inzien van de ondergetekenden nergens toe dienen, en althans tot geene bezuinigingen kunnen leiden, en bijaldien het al immer mogelijk mogt zijn, om in de tegenwoordige inrichting der Staatssecretarie eenige vereenvoudiging te brengen (waaromtrent de ondergeteekenden geheel buiten staat zijn eenig oordeel te vellen) dan zoude zulks voorzeker niet behoeven te leiden tot derzelver afschaffing; terwijl de ondergeteekenden het wagen ten slotte nog hierbij te voegen, dat het groot gewigt en de waardigheid der ambtsverrigtingen van het hoofd dier instelling wel vorderen, dat een Rijksambtenaar daarmede bekleed zij'.

'Of en in hoeverre een door Zijne Majesteit te geven last van de Ministers om, bij hunne rapporten en voordragten, ontwerpen van besluiten over te leggen (welke thans meestal ter Staatssecretarie vervaardigd worden) voor het vervolg eenige aanmerking zoude kunnen verdienen, durven de ondergeteekenden niet bepalen, maar ook daaraan kunnen zij bezwaarlijk gelooven, dat bezuiniging te wachten zal zijn, dewijl dit wederom vermeerdering van werkzaamheden bij de Ministerieele Departementen zal opleveren'.

Desondanks besloot de koning bij besluit d.d. 20 oktober 1840, nr. 8 de 'Secretarie van Staat' op te heffen, en op 22 december 1840, nr. 44 werd een onherroepelijk einde gemaakt aan het bestaan der Staatssecretarie.

Aanwijzingen voor archiefonderzoek in het Staatssecretarie

Het grootste gedeelte van het archief van de Staatssecretarie wordt gevormd door de Koninklijke Besluiten (KB's).

Is de datum en het nummer van het KB al bekend, dan kunt u meteen het besluit aanvragen uit de serie inv.nrs. 1-4656.

Als het jaar (ongeveer) bekend is, maar niet de maand en de dag, dan begint u met de alfabetische klapper van het desbetreffende jaar te raadplegen (inv.nrs. 5156-5192). Deze klapper levert het folio (= bladzijde)nummer van de index op.

Vervolgens raadpleegt u de index van dat jaar waarin dit folionummer voorkomt (inv.nrs. 5063-5153). In de index treft u aan datum en nummer van het Koninklijk Besluit.

Het archief van het Kabinet des Konings 1813-1840

Voor de oude inventaris zie VROA 1913 blz. 146 e.v.

Organisatie van het archief van het Kabinet des Konings 1813 - 1840

Hoewel in art. 3 van het Soeverein Besluit d.d. 31 december 1813, nr. 38 (

Zie de inleiding bij het archief der Staatssecretarie.

) gesproken wordt van 'Ons Kabinet', is een besluit tot instelling daarvan niet aangetroffen. Volgens het Soeverein Besluit d.d. 11 februari 1814, nr. 34 moeten daarbij reeds van december 1813 af ambtenaren werkzaam zijn geweest; althans dat besluit machtigde de commissaris-generaal van Financiën om de op een daarbij geannexeerde staat vermelde traktementen over de maanden december 1813 en januari 1814 uit te betalen. Op die staat worden genoemd als secretarissen van het Kabinet des Konings jhr. van Tuijll van Serooskerken, jhr. W.G. van de Poll en baron Rengers, alsmede de commies J.A. Keuchenius. Op 23 maart 1815 (nr. 140) werd bovendien nog tot eerste secretaris aangesteld J.G de Meij van Streefkerk.

Ook een instructie voor die ambtenaren is niet gevonden, zodat omtrent de aard der werkzaamheden in het begin niets naders kan worden medegedeeld. Volgens de notulen van de vergadering d.d. 12 januari 1819, nr. 1 van de commissie, benoemd bij Koninklijk Besluit d.d. 1 augustus 1818 La. T.T., moest men het Kabinet des Konings 'meerder als een gedeelte der secretarie van Staat beschouwen en wel als een inrichting geschikt en bestemd tot de afdoening en behandeling van de personele en bijzondere aangelegenheden van Zijne Majesteit en van hoogstdeszelfs huis'.

Eerst in het Koninklijk Besluit d.d. 2 december 1820, nr. 63 treft men enige provisionele bepalingen aan, die de taak der kabinetssecretarissen enigszins nader omschrijven, welk besluit is opgenomen in de inleiding tot het archief der Staatssecretarie.Eindelijk werd bij geheim Koninklijk Besluit d.d. 30 september 1827, La. H 26 een instructie voor de Kabinetssecretarie des Konings vastgesteld, voorafgegaan van de navolgende mededeling van de secretaris van Staat aan de secretarissen van het Kabinet des Konings:

'De aanmerkelijk vermeerderde omvang der zaken, welke dagelijks aan 's konings beschikking worden onderworpen, heeft hoogstdenzelve bedacht doen zijn op het daarstellen van middelen, waardoor de nauwkeurige behandeling der zaken, welke Zijner Majesteits kennisneming vorderen, voorzien, doch tevens gezorgd worden, dat die onderwerpen alleen in zoverre de koning worden voorgelegd, als vereist wordt ten einde hoogstdeszelfs kostbare tijd niet geheel daaraan behoeve te worden toegewijd.

Een nadere regeling van de Koninklijke Kabinetssecretarie in verband met de staatssecretarie is aan Zijne Majesteit voorgekomen aan het doel, hetwelk hoogstdezelve zich voorstelt bijzonder bevorderlijk te kunnen zijn.

Ten gevolge daarvan heeft Zijne Majesteit op heden een instructie voor hoogstdeszelfs Kabinetssecretarie goedgekeurd, welke ik mij gelast vinde hiernevens aan de heren secretarissen van 's Konings Kabinet te doen toekomen, en waarin, met aanduiding der werkzaamheden, welke voortaan ter Kabinetssecretarie zullen plaats hebben, tevens de regelen aangetroffen worden, die daarbij zullen moeten worden in acht genomen'.

Deze instructie volgt hierna als bijlage I.

Bovendien werd aan de hoofden der departementen door de secretaris van Staat op 30 september 1827, nr. 115 het volgend schrijven gezonden:

'Ten gevolge eener nadere regeling der werkzaamheden van het Kabinet des Konings, in verband met de Staatsecretarie vinde ik mij door Zijne Majesteit gelast de Hoofden der Departementen en Administratiën van Algemeen Bestuur en Kollegiën uit te noodigen, zooals ik de eer heb te doen bij dezen, om te beginnen met 1 November aanstaande de aan Zijne Majesteit aan te bieden voordragten en rapporten bij de verzending te doen schiften, te dien effecte, dat bij het opschrift onmiddellijk aan Hoogstdenzelven zullen moeten worden gericht alle zaken, welke uit haren aard geheim moeten blijven en alle diewelke eene dadelijke beslissing vorderen, terwijl alle andere stukken, bij het opschrift zullen moeten worden gerigt aan de Secretarie van het Kabinet des Konings.

Zijne Majesteit verlangt overigens, dat in de eerste der aangegevene cathegoriën worden begrepen de nieuwstijdingen en daarmede gelijk staande berigten, waarvan ofschoon niet altijd, aanleiding tot overwegingen gevende of een beschikking aan de zijde des Konings vereischende, het echter voor Hoogstdenzelven van belang is of zijn kan, spoedig en beknopt en zakelijk overzigt te bekomen'.

Voorlopig bleven echter de secretarissen van het kabinet en verdere ambtenaren ondergeschikt aan de secretaris van Staat De Meij van Streefkerk, doch het Koninklijk Besluit d.d. 1 april 1829, nr. 121 bracht daarin verandering door 'aan den heer E.W. Hoffmann, tot hiertoe geheim regeeringsraad bij Onze Duitsche Kanselarij onder den titel van directeur, op te dragen het geheele bestuur van Ons Kabinet en de leiding der werkzaamheden, die bij het zelve door de Kabinets Secretarissen en verdere ambtenaren en geëmployeerden worden verrigt, volgens de mondelinge voorschriften, hem, deswege door Ons te geven'.

De referendarissen jhr. J.M.L. Gobart en mr. G.G. Groen van Prinsterer werden daarbij benoemd tot secretarissen van het Kabinet, terwijl verder nog enige referendarissen en commiezen enz. werden aangesteld.

Aldus bleef het Kabinet des Konings beheerd tot de reorganisatie daarvan in 1840 kwam, zoals in de inleiding bij de Staatssecretarie is beschreven.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

  • De secretaris van Staat had van april 1818 tot en met december 1822 de titel van: Staatsraad, belast met de directie der Staatssecretarie.

  • In 1963 werd van het Koninklijk Huisarchief een aantal pakken archivalia in bruikleen ontvangen, met stukken afkomstig uit het archief van het Kabinet des Konings (

    Zie archief van de Algemene Rijksarchivaris, correspondentie 1963 nrs. A 276 en B 282.

    ). Het Koninklijk Huisarchief heeft deze archivalia ná 1945 verworven (

    Zie mr. L. Roppe, Over de geschiedenis der Lage Landen.... Een weinig bekende archiefbewaarplaats in 'Wetenschappelijke Tijdingen, Orgaan van de Vereeniging voor wetenschap' te Gent, 22e jaargang, 1962 kolom 1-6, en ook J. Steur, archief van koning Willem I te Neuwied, in 'Bijdragen voor de Geschiedenis der Nederlanden' te Den Haag/Antwerpen, 17e deel, 1963, p. 221-222.

    )
    . Vele stukken dragen sporen van schimmels en vocht. De schade is echter niet aanzienlijk. Tegen verdere beschadiging zijn conserverende maatregelen genomen.

    Oorspronkelijk (

    Zie archief van de Tweede Afdeling van het Algemeen Rijksarchief, correspondentie, 1961, nr. 111.

    ) waren deze stukken samengevoegd - los of in omslagen - tot een vijftal pakken met de volgende inhoud:

    - brieven van verschillende personen aan koning Willem I, 1816-1843;

    - twintigtal omslagen met stukken van uiteenlopende aard;

    - stukken betreffende kerkelijke zaken, 1816-1830;

    - omslagen en losse stukken van uiteenlopende aard;

    - stukken betreffende de Citadel van Antwerpen, 1831.

    De inventariseringswerkzaamheden zijn in eerste instantie verricht door J. Steur. Toen later enige herzieningen wenselijk geacht werden, hebben H. van Schie en Th. Clemens daaraan hun medewerking gegeven. Laatstgenoemde heeft, in het kader van zijn onderzoek naar de bronnen voor de bestudering van de verhouding kerken en overige samenleving in Nederland tussen 1795 en ca. 1850, de stukken betreffende kerkelijke zaken voor zijn rekening genomen, terwijl Van Schie de overige stukken heeft bewerkt. Bij deze latere inventarisatie zijn de stukken ingedeeld volgens het schema van de inventaris van het hoofdbestanddeel van het archief van het Kabinet des Konings (

    H. Bonder, De archieven van de algemene Staatssecretarie en van het Kabinet des Konings met de daarbij gedeponeerde archieven over 1813-1840, 's-Gravenhage 1938.

    ).

    Tevens is de nummering aangepast (1-123 volgens Steur wordt 6810-6913 volgens Clemens/Van Schie) (

    Zie inventarisatiedossier, nr. D 8. 60/1977.

    ).

    In dit archiefbestanddeel bevinden zich een groot aantal ongedateerde stukken, waarvan het onmogelijk was ze alle met 100% zekerheid te determineren. Men houde hiermee bij het gebruik van deze stukken rekening.

    Tenslotte zij nog vermeld dat van een aantal stukken de tekst of varianten ervan, zoals die uit andere bronnen zijn overgekomen, geheel of gedeeltelijk zijn afgedrukt, met name in H.T. Colenbrander, Gedenkstukken der algemene geschiedenis van Nederland, deel IX, 2.

    Th. Clemens

    H.A.J. van Schie

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in