gahetNA in het Nationaal Archief

Raad der Amerikaanse Bezittingen

2.01.28.02
A. Telting
Nationaal Archief, Den Haag
1899
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.01.28.02
Auteur: A. Telting
Nationaal Archief, Den Haag
1899
CC0

Periode:

1795-1806

Omvang:

35,00 meter; 463 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands. Enkele srukken zijn gesteld in het Frans en in het Engels.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven en gedrukte documenten. Geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

De archieven van de raad der Amerikaansche Coloniën 1801-1806 bevatten resoluties met toegangen en bijlagen uit zowel het gewoon archief als het geheim archief, afkomstig van het hoogste bestuur, de departementen van Politie en Justitie, Commercie en Finantie, Defensie en Militie en de ambtenaren.
In de subrubrieken waaronder de koloniën zijn gerangschikt zijn stukken te vinden van zeer diverse aard zoals, brieven, kopieboeken, kasboeken en rekeningen, maar ook stukken betreffende criminele processen, dagboeken van de gouverneurs-generaal, logboeken en bijvoorbeeld monsterrollen van burgelijke ambtenaren, militairen en slaven in dienst van het gouvernement van de Kust van Guinea.

Archiefvormers:

  • Comité tot de Zaken Koloniën en Bezittingen op de Kust Guinea en in Amerika, Boekhouder- en Ontvanger-Generaal
  • Raad der Amerikaanse Bezittingen en Etablissementen
  • Raad der Amerikaanse Bezittingen en Etablissementen, Boekhouder-Generaal en Ontvanger-Generaal
  • Raad der Amerikaanse Bezittingen en Etablissementen, Commissaris en Commies van Militaire Zaken
  • Raad der Amerikaanse Bezittingen en Etablissementen, Departement Amsterdam
  • Raad der Amerikaanse Bezittingen en Etablissementen, Departement Rotterdam
  • Raad der Amerikaanse Bezittingen en Etablissementen, Departement Zeeland

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Sinds november 1795 werden de Nederlandse overzeese gebiedsdelen ten westen van Kaap de Goede Hoop bestuurd door het Comité tot de Zaken van de Koloniën en de Bezittingen op de Kust van Guinea en in America, ook wel het West-Indisch Comité genoemd. Dit Comité functioneerde echter niet naar tevredenheid en in het voorjaar van 1798 besloot de Constituerende Vergadering van de Bataafse Republiek tot opheffing ervan. Het West-Indisch Comité zou zijn werkzaamheden voortzetten totdat een nieuw bestuursorgaan voor de koloniën was gevormd. Hoewel reeds in de Staatsregeling van 1798 een uitgebreide paragraaf werd gewijd aan een op te richten Raad der Amerikaansche Coloniën en Bezittingen en aan de wijze waarop deze Raad moest worden ingericht, duurde het tot december 1800 voordat de voornemens van 1798 werden gerealiseerd. Het West-Indisch Comité werd ontbonden en op 29 december 1800 werd de Raad der Amerikaansche Coloniën en Bezittingen opgericht bij besluit van het Uitvoerend Bewind. (

Volgens de Voorlopige inventaris van de archieven betreffende de West-Indische Bezittingen en de Kust van Guinea 1795 - 1810 (toegang 2.01.28) (Den Haag ca. 1890) i, betreft het het besluit van het Uitvoerend Bewind van 29 december 1800 nr. 56. In het archief van het Uitvoerend Bewind is dit besluit onvindbaar. Een copie ervan bevindt zich echter in het ARA, Collectie Dassevael, inv.nr. 46 (oud inv.nr. 292). Deze bestaat uit (1) een kopie van de instellingsbeschikking van het West-Indisch Comité van de Staten-Generaal van 9 oktober 1795 en (2) een kopie van het dagverhaal van de zitting van de Eerste Kamer van het Vertegenwoordigend Lichaam van 28 oktober 1800. Zie tevens de inleiding van de Inventaris van de archieven van het Comité tot de Zaken van de Koloniën en de Bezittingen op de Kust van Guinea en in America (1791) 1795 - 1800 (1801) (nummer toegang 2.01.28.01) (Den Haag 1998).

) De Raad der Amerikaansche Coloniën en Bezittingen (hierna Amerikaanse Raad (

De Amerikaanse Raad is ook bekend onder de volgende namen: Raad der Amerikaanse Bezittingen en Etablissementen, Raad voor het Bestuur van de West-Indische Bezittingen en Coloniën in America en op de Kust van Guinea, Raad der Amerikaansche Coloniën en Bezittingen op de Kust van Guinea.

)
te noemen) moest een einde maken aan de bestuurlijke wanorde die het West-Indisch Comité had veroorzaakt en het bestuur van de koloniën tot een minder kostbare aangelegenheid maken.

De Staatsregelingen van 1801 en 1805 en de Constitutie van 1806 hebben grote gevolgen gehad voor de bestuurlijke inrichting van Nederland. Ze lijken echter van weinig invloed te zijn geweest op het functioneren van de Amerikaanse Raad. Er zijn geen aanwijzingen dat de organisatie van de Amerikaanse Raad gedurende de periode van zijn bestaan is gewijzigd.

De Amerikaanse Raad werd op 1 augustus 1806 opgeheven bij decreet van koning Lodewijk Napoleon in het kader van het afschaffen van de collegiale (meerhoofdige) bestuursvorm over de overzeese gebiedsdelen. (

ARA, Archief van het Kabinet des Konings, inv.nr. 3, decreet van 29 juli 1806 nr. 47.

) De taken en bevoegdheden van de Amerikaanse Raad gingen over op de minister van Koophandel en Koloniën. De West-Indische koloniën werden voortaan bestuurd door de Divisie voor de Zaken van de West van het Ministerie. Het personeel van de Divisie bestond deels uit oud-leden van de Amerikaanse Raad en voerde een zelfstandige administratie. (

Voorlopige inventaris, ii. Het archief van het Ministerie van Koophandel en Koloniën staat beschreven in nummer toegang 2.01.28.03 van het Algemeen Rijksarchief.

)

Organisatie, taken en bevoegdheden

Het Vertegenwoordigend Lichaam van de Bataafse Republiek moest ingevolge artikel 236 van de Staatsregeling van 1798 een definitieve instructie voor de Amerikaanse Raad opstellen. Het is echter niet met zekerheid te zeggen of die instructie tot stand gekomen is, want noch in het archief van de Amerikaanse Raad, noch in dat van het Uitvoerend Bewind, het Vertegenwoordigend Lichaam of hun respectievelijke rechtsopvolgers is een instructie te vinden. Wanneer de Amerikaanse Raad begonnen is als zelfstandig orgaan te functioneren is derhalve onduidelijk.

Waarom het formuleren van een definitieve instructie problemen opleverde, blijkt uit de dagverhalen (notulen) van de zittingen van het Vertegenwoordigend Lichaam. De Eerste Kamercommissie die belast was met die taak was van mening dat ze haar opdracht niet kon vervullen zolang de in de Staatsregeling aangekondigde 'constitutionele charters voor de koloniën' nog niet waren opgesteld. Dat bezwaar werd echter door de Tweede Kamer terzijde geschoven omdat die het voortbestaan van het West-Indisch Comité bezwaarlijker achtte dan het ontbreken van de constitutionele charters. Men besloot tot het oprichten van een provisionele Raad der Amerikaansche Coloniën en Bezittingen; zodra het Vertegenwoordigend Lichaam een instructie zou hebben geformuleerd, zou het bestaan van de Amerikaanse Raad officieel zijn. (

Gedrukte dagverhalen van het Vertegenwoordigend Lichaam des Bataafschen Volks, vol. X, nr. 1083 (28-10-1800, p. 244 e.v.), nr. 1137 (06-12-1800, p. 677). De dagverhalen bevinden zich in de bibliotheek van het Algemeen Rijksarchief.

)

Het hoogste bestuur van de Amerikaanse Raad bestond uit vijf leden die in Den Haag resideerden. Hun benoeming geschiedde door het Uitvoerend Bewind, later diens rechtsopvolgers. De eerste vijf raadsleden werden op 2 januari 1801 benoemd en op 5 januari daaropvolgend beëdigd.

In zijn provisionele vorm was de Amerikaanse Raad belast met het uitvoeren van de werkzaamheden die indertijd waren opgedragen aan het West-Indisch Comité, voor zover de Staatsregeling van 1798 daar geen verandering in had gebracht. (

ARA, Archief van de Staten-Generaal 1464-1796, inv.nr. 3863, resolutie van 9 oktober 1795. Staatsregeling 1798, art. 231-255.

) De Amerikaanse Raad voerde het algemene bewind over de koloniën en droeg zorg voor het behoud en het welzijn van de koloniën. De leden van de Raad kwamen dagelijks in vergadering bijeen. Zij vervulden bij toerbeurt het voorzitterschap, dat telkens een maand duurde. Desgevraagd adviseerde de Amerikaanse Raad het Uitvoerend Bewind, later diens rechtsopvolgers, in alle zaken die de koloniën betroffen.

Evenals de raadsleden werden ook de hoge ambtenaren van de Amerikaanse Raad door het Uitvoerend Bewind, later diens rechtsopvolgers, aangesteld. Aan het hoofd van de administratie stond een secretaris. De advocaat-fiscaal trad voor het Hoog Nationaal Gerechtshof op als aanklager namens de overheid in geval van ambtsmisdrijven door militair of burgerlijk personeel. De ontvanger-generaal was verantwoordelijk voor het administreren van alle financiën van de Raad. Hij stelde jaarlijks een begroting en een financieel eindrapport op en legde die ter goedkeuring voor aan het Uitvoerend Bewind en het Vertegenwoordigend Lichaam van de Bataafse Republiek, later hun respectievelijke rechtsopvolgers. De overige ambtenaren van de Amerikaanse Raad, onder wie de boekhouder-generaal, de commissaris van huishoudelijke zaken en de klerken, werden door de raadsleden zelf aangesteld.

De raadsleden werden in het uitvoeren van hun taken ondersteund door drie departementen, die eveneens in Den Haag waren gevestigd. Deze bereidden de besluiten van de raadsleden voor. Hun taakgebieden omvatten achtereenvolgens politie en justitie (huishoudelijke bestiering van de koloniën, slaven, personeelszaken), commercie en financiën (handel, financiële administratie, koloniale schatkist) en defensie en militie (militaire bevoorrading en bemanning van de koloniën, betaling van soldij). Aan het hoofd van elk departement stond een commissaris. Doorgaans werden de commissarissen uitgenodigd om de raadsleden tijdens een vergadering mondeling van advies te dienen.

In Amsterdam, Rotterdam en Middelburg waren stedelijke departementen of comptoiren van de Amerikaanse Raad gevestigd, die het beleid uitvoerden dat door het hoogste bestuur van de Raad in Den Haag werd uitgestippeld. Vanuit de stedelijke departementen vond de vaart op, de bevoorrading van en de handel met de koloniën plaats. Aan het hoofd van elk stedelijk departement stond een commissaris. De stedelijke commissaris was verantwoordelijk voor het innen en administreren van de last- en recognitiegelden en voor het registreren van de goederenstroom van en naar de koloniën. Onder de stedelijke commissaris werkten een boekhouder, een kassier en een tiental lagere functionarissen die de administratie van de departementale activiteiten verzorgden. Door de stedelijke departementen werd maandelijks financiële verantwoording afgelegd aan het hoogste bestuur van de Amerikaanse Raad in Den Haag. (

Instructies en conceptinstructies voor een groot aantal hoge en lagere functionarissen van de Amerikaanse Raad zijn te vinden in de archieven van de Amerikaanse Raad, inv.nrs. 122, 128, 129, 131, 134, 135, 140, 240 en 410. In inventarisnummer 23, fol. 20, bevindt zich een conceptreglement van orde voor de secretarie van de Raad.

)

Hoe de Amerikaanse Raad na de provisionele fase zou worden ingericht is te lezen in de dagverhalen van de zittingen van het Vertegenwoordigend Lichaam van de Bataafse Republiek, waarin een interpretatie wordt gegeven van de Staatsregeling van 1798 op het punt van de organisatie van het koloniaal bestuur, en in een conceptinstructie voor de Amerikaanse Raad die van januari 1800 dateert. (

Gedrukte dagverhalen der Handelingen van het Vertegenwoordigend Lichaam des Bataafschen Volks, vol. X, nr. 1083 (28-10-1800, p. 244 e.v.), nr. 1095 (31-10-1800, p. 340), nr. 1131 (02-12-1800 en 03-12-1800, p. 627 e.v.), nr. 1137 (06-12-1800, p. 677), nr. 1138 (06-12-1800 en 08-12-1800, p. 681 e.v.). ARA, Collectie Dassevael, inv.nr. 46 (oud inv.nr. 292).

) In tegenstelling tot eerdere plannen werd niet de gehele organisatievorm van het West-Indisch Comité tenietgedaan. Om het kind niet met het badwater weg te gooien besloot men enkele elementen van het oude bestuur en zijn infrastructuur te behouden. Wel werd de organisatie kleiner en zouden er helderder taakomschrijvingen worden geformuleerd om tot een efficiënte en niet al te kostbare organisatievorm te komen. De belangrijkste taken van de Amerikaanse Raad waren het voeren van het algemene bestuur over de koloniën in West-Indië en op de Kust van Guinea en het houden van toezicht op de landbouw in, de handel met en de vaart op de koloniën. Hierin was de Amerikaanse Raad ondergeschikt en verantwoordelijk aan het Uitvoerend Bewind, later diens rechtsopvolgers. (

Staatsregeling 1798, art. 234. Vanaf oktober 1801 was de Amerikaanse Raad verantwoordelijk en ondergeschikt aan het Staatsbewind (Staatsregeling 1801, art. 47). De Staatsregeling van 1805 noch de Constitutie van 1806 spreekt over het bestuur van de overzeese bezittingen; de Raad was vanaf april 1805 ondergeschikt en verantwoordelijk aan de Raadpensionaris en vanaf juni 1806 aan de Koning.

)
De hoge ambtenaren en de drie Haagse departementen bleven gehandhaafd; hun takenpakket werd nauwelijks veranderd, hooguit enigszins aangescherpt. De departementen stonden voortaan onder leiding van één commissaris. (

In tegenstelling tot wat de samensteller van de Voorlopige inventaris op pag. ii van zijn inleiding schrijft, verdwenen de drie departementen niet. Vermoedelijk heeft hij zich in verwarring laten brengen door wat er in het dagverhaal van de Eerste Kamer van de zitting van het Vertegenwoordigende Lichaam van 28 oktober 1800 staat.

)
Het aantal stedelijke departementen werd definitief teruggebracht naar drie, hun zelfstandigheid werd beperkt en hun activiteiten werden versmald tot het financieel afhandelen van enkele zaken. (

De stedelijke departementen te Hoorn/Enkhuizen en Groningen werden opgeheven. De andere drie bleven bestaan.

)
In een aantal steden, waaronder Enkhuizen en Naarden, bleven magazijnen der koloniale troepen bestaan. Aan de belangenverstrengeling die gedurende het bewind van het West-Indisch Comité tot wanbestuur had geleid werd een einde gemaakt. Ten slotte moest er vaart gezet worden achter het opstellen van de constitutionele charters voor de koloniën, maar ondanks een aansporing hiertoe in de Staatsregeling van 1801 zijn de charters nooit tot stand gekomen. (

Staatsregeling 1801, art. 48. Benjamins, H.D., en J.F. Snelleman, Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië (Den Haag/Leiden 1914-1917), lemma 'bestuursregeling'.

)

Rechtsgebied van de Amerikaanse Raad

Tot het rechtsgebied van de Amerikaanse Raad behoorden alle Nederlandse overzeese gebiedsdelen ten westen van Kaap de Goede Hoop. (

Voor een uitgebreide toelichting op de koloniën zie Hullu, J. de, 'De algemeene toestand onzer West-Indische bezittingen in 1806', in: De West-Indische Gids 2 (1920-1921) 407-421. Idem, 'Memorie van den Amerikaanschen Raad over de Hollandsche bezittingen in West-Indië in juli 1806', in: De West-Indische Gids 4 (1922-1923) 387-400.

)

In West-Afrika vormde de Kust van Guinea een kolonie. Deze bestond uit het hoofdfort St. George d'Elmina, gelegen in het huidige Ghana, een aantal zogeheten buitenforten en het land daaromheen. De kolonie werd bestuurd door een gouverneur-generaal en werd voornamelijk gebruikt voor het verkrijgen van negerslaven.

In Zuid-Amerika lagen drie koloniën, waar voornamelijk landbouw werd bedreven. Demerary en Essequibo, gelegen in het huidige Brits Guyana aan de rivieren Demerara en Essequibo, vormden sinds 1787 één kolonie. In Demerary zetelde een gouverneur-generaal. Essequibo was onderhorig aan Demerary en werd door een commandeur bestuurd. De meeste zaken betreffende Essequibo werden echter door het gouvernement in Demerary afgehandeld. Eveneens in het huidige Brits Guyana lag de kolonie Berbice aan de gelijknamige rivier. In Nieuw-Amsterdam, een nederzetting bij Fort Nassau, resideerde de gouverneur-generaal. Suriname was de grootste van de Zuid-Amerikaanse koloniën. Ook Suriname werd bestuurd door een gouverneur-generaal, die in Paramaribo resideerde.

Bij de oprichting van de Amerikaanse Raad waren alle Zuid-Amerikaanse koloniën in handen van de Engelsen. Desondanks bleven de Nederlandse bestuurders in functie. Met de Vrede van Amiens in maart 1802 kreeg de Bataafse Republiek deze gebieden weer terug. In 1803 vielen Demerary en Essequibo en Berbice echter weer in handen van de Engelsen, een jaar later gevolgd door Suriname.

In het Caribische gebied bezat de Bataafse Republiek twee koloniën, die beide een handelsfunctie hadden. De benedenwindse eilanden Curaçao, Bonaire en Aruba vormden samen één kolonie. Aan het hoofd van het gouvernement, dat gevestigd was op Curaçao, stond een directeur-generaal. Bonaire en Aruba waren volledig onderhorig aan het gouvernement op Curaçao. De tweede kolonie in het Caribisch gebied bestond uit de bovenwindse eilanden St. Eustatius, St. Maarten en Saba. Aan het hoofd van het gouvernement, dat gevestigd was op St. Eustatius, stond een gouverneur-generaal. Het onderhorige St. Maarten werd bestuurd door een commandeur, die zelfstandig een deel van de zaken afhandelde die St. Maarten betroffen. Saba was volledig onderhorig aan het gouvernement op St. Eustatius.

In bijlage 2 van de inventaris zijn kaarten opgenomen van het rechtsgebied van de Amerikaanse Raad.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in