gahetNA in the National Archives

West-Indisch Comité

2.01.28.01
A. Telting
Nationaal Archief, Den Haag
1899
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

2.01.28.01
Auteur: A. Telting
Nationaal Archief, Den Haag
1899
CC0

Periode:

1791-1805

Omvang:

31,00 meter; 351 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands. Enkele stukken zijn in het Frans gesteld.

Soort archiefmateriaal:

Normale gescheven en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief van het comité tot de zaken van de koloniën en bezittingen op de kust van Guinea en America (1795-1800) bevat met name resoluties met de toegangen en bijlagen, en stukken uit de geheime archieven van de directie van het West-Indisch comité. Vergelijkbare documenten zijn bewaard gebleven van de afdelingen van het Comité, nl. Politie en Justitie, Militie en Defensie en Commercie en Finantiën.
De rubrieken stedelijke gedeputeerden en ambtenaren van de departementen Amsterdam en Middelburg bevatten eveneens resoluties met de toegangen daarop en bijlagen.
De stukken uit de koloniën (Suriname, Curaçao, St. Maarten, St. Eustatius en de Kust van Guinea) zelf zijn zeer divers, het betreft verzoekschriften, brieven, resoluties, persoonslijsten en financiële documenten en journalen van gouverneurs, waaronder Jurriaan François de Frederici (1751- 1812) die strijd voerde tegen de marrons.

Archiefvormers:

  • Comité tot de Zaken Koloniën en Bezittingen op de Kust Guinea en in Amerika
  • Comité tot de Zaken Koloniën en Bezittingen op de Kust Guinea en in Amerika, Boekhouder- en Ontvanger-Generaal
  • Comité tot de Zaken Koloniën en Bezittingen op de Kust Guinea en in Amerika, Departement Amsterdam
  • Comité tot de Zaken Koloniën en Bezittingen op de Kust Guinea en in Amerika, Departement Commercie en Finantie
  • Comité tot de Zaken Koloniën en Bezittingen op de Kust Guinea en in Amerika, Departement Militie en Defensie
  • Comité tot de Zaken Koloniën en Bezittingen op de Kust Guinea en in Amerika, Departement Politie en Justitie
  • Comité tot de Zaken Koloniën en Bezittingen op de Kust Guinea en in Amerika, Departement Rotterdam
  • Comité tot de Zaken Koloniën en Bezittingen op de Kust Guinea en in Amerika, Departement Zeeland

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Oprichting

In 1791 werd de West-Indische Compagnie ontbonden en werden haar bezittingen en schulden overgenomen door de Staten-Generaal. De Staten-Generaal belastten het College van Gedeputeerden tot de West-Indische Zaken als directie ad interim met het beheer van de West-Indische koloniën. Op 13 november 1792 begon het definitieve bestuur, de Raad der Koloniën, met zijn werkzaamheden. (

Algemeen Rijksarchief (ARA), Den Haag, inventaris van het archief van de Directie ad interim/Raad der Koloniën, nummer toegang 1.05.02.

)

Drie jaar later werd door de gecommitteerden van Holland in de Staten-Generaal voorgesteld bestuurlijke eenheid in het beheer van de koloniën te creëren door de Raad der Koloniën samen te voegen met de colleges die de koloniën Suriname en Berbice beheerden, de Sociëteit van Suriname en de Directie van Berbice. (

ARA, inventaris van het archief van de Staten-Generaal, 1464-1796, nummer toegang 1.01.03, inventarisnummer 3862, resolutie 18 maart 1795. Zie eveneens inv.nr. 3863, resolutie 27 juli 1795, 5 september 1795, 9 oktober 1795, 23 oktober 1795. De archieven van de Sociëteit van Suriname (nummer toegang 1.05.03, 1.05.04.01-1.05.04.06) en de Directie van Berbice (nummer toegang 1.05.05) bevinden zich in het ARA.

) Dit voorstel werd op 9 oktober 1795 aangenomen en op 1 november 1795 begon het Comité tot de Zaken van de Koloniën en Bezittingen op de Kust van Guinea en in America (hierna te noemen het West-Indisch Comité) met zijn werkzaamheden. (

ARA, Staten-Generaal, 1464-1796, 1.01.03, inv.nr. 3863.

)

Organisatie en taken

De bestuurlijke organisatie en de taken van het West-Indisch Comité zijn in grote lijnen vastgelegd in de resolutie van de Staten-Generaal van 9 oktober 1795 waarmee tot de oprichting van het West-Indisch Comité werd besloten en in het generaal reglement dat de directie van het West-Indisch Comité zelf vaststelde op 5 november 1795. (

ARA, Staten-Generaal, 1464-1796, inv.nr. 3863; ARA, inventaris van de archieven van het Comité tot de zaken van de koloniën en de bezittingen op de kust van Nieuw Guinea en in America, (1791) 1795-1800 (1801), nummer toegang 2.01.28.01, inv.nrs. 148, 308.

)

De Staten-Generaal droegen het West-Indisch Comité de volgende werkzaamheden op: "de directie (...) over alle dezelve coloniën en bezittingen, te weeten over de militie, die in dezelve tot defensie zoude mogen worden gebruikt, fortificatien, magazynen, arsenalen, hospitaalen, geldmiddelen, en voorts alles wat daar toe, of tot de directie van den handel der voorsz coloniën met het moederland eenigzints behoord, en derhalven ook over alle expeditien van het nodige, dat tot het formeeren of aanvullen der onderscheidene magazynen eenigzints zou behooren."

In het generaal reglement werden de door de Staten-Generaal opgedragen taken als volgt geconcretiseerd: het adviseren van de Staten-Generaal over de benoeming van gouverneurs, opperhoofden en chefs der militie in de koloniën; het benoemen en aanstellen van alle andere ambtenaren in de koloniën; het adviseren van de Staten-Generaal in gewichtige zaken; het besturen en verdedigen van de koloniën; het verrichten van alle andere taken die het behoud en het welzijn van de koloniën waarborgen.

De directie van het West-Indisch Comité zetelde in Den Haag en telde 21 leden. Twee daarvan werden benoemd door de Staten-Generaal, zes door Amsterdam en drie door de provincie Zeeland. Gelderland, Utrecht, Friesland, Overijssel en Groningen werden elk door twee leden vertegenwoordigd. De directie vergaderde eenmaal per week; het presidium rouleerde elke acht dagen.

In administratieve zaken werd de directie bijgestaan door een secretaris en verschillende klerken. De advocaat-fiscaal trad op als aanklager namens de overheid in geval van ambtsmisdrijven door burgerlijk en militair personeel. De ontvanger-generaal beheerde de inkomsten en uitgaven en stelde de jaarrekening vast die door de Generaliteits Rekenkamer moest worden goedgekeurd. De secretaris, de advocaat-fiscaal en de ontvanger-generaal werden benoemd door de Staten-Generaal. Daarnaast was er een boekhouder-generaal, onder meer belast met het vervaardigen van de generale boeken en de controle op de financiën van de stedelijke departementen en de koloniale besturen.

Zoals gebruikelijk bij een meerhoofdige bestuursvorm werd de directie in de besluitvorming ondersteund en wel door drie departementen (afdelingen). Op verzoek van de directie onderzochten zij ingekomen stukken en gaven hierover advies. Het Departement van Politie en Justitie droeg zorg voor "het huishoudelijk bestier" van de koloniën (de slaven, de ambtenaren, de administratie), het Departement van Commercie en Finantiën hield zich bezig met de handel in en met de koloniën en met de financiën en het Departement van Militie en Defensie was belast met de defensie van de koloniën.

De drie departementen werden gevormd door de 21 leden van de directie. Elk departement telde dus zeven leden. Zij vergaderden dagelijks; het presidium rouleerde elke acht dagen. De administratieve ondersteuning lag in handen van een substituut-secretaris, bijgestaan door klerken.

Een enkele maal formeerde de directie voor het voorbereiden van besluiten (ad-hoc-)commissies, eveneens bestaande uit leden van de directie. Deze commissies bereidden veelal één besluit voor, maar er waren er ook die langer functioneerden, zoals het Groot Besogne en de Geheime Personele Commissie voor de Defensie van de West-Indische Koloniën.

Voorts waren in Amsterdam, Rotterdam, Middelburg, Hoorn en Enkhuizen, en in Groningen stedelijke departementen, ook wel (buiten)comptoiren genaamd. Deze stedelijke departementen waren belast met het uitvoeren van de door de directie genomen besluiten en het in banen leiden van het dagelijks verkeer met de koloniën: de vaart op, de bevoorrading van en de handel met de koloniën. Hiervan moest regelmatig verantwoording worden afgelegd aan de directie, onder meer door het opstellen van een maandelijks overzicht van inkomsten en uitgaven. Daarnaast waren de stedelijke departementen bevoegd besluiten te nemen aangaande hun huishoudelijk bestuur, indien deze niet strijdig waren met het generaal reglement van het West-Indisch Comité. (

ARA, West-Indisch Comité, (1791) 1795-1800 (1801), inv.nr. 148, reglement voor de betrekkingen tussen de directie en de stedelijke departementen.

)

De stedelijke departementen werden bestuurd door een aantal van de 21 directieleden: in Amsterdam bevonden zich vier gedeputeerden en in Rotterdam (het departement Maze), Middelburg, Hoorn en Enkhuizen (het departement Noorderkwartier), en Groningen (het departement Stad en Lande) twee. Zij vergaderden doorgaans tweemaal per week.

De administratie werd verzorgd door een substituut-secretaris, een boekhouder en klerken. De departementen konden ook andere functionarissen tot hun gelederen rekenen, zoals een kassier en een commies van expeditie.

Rechtsgebied

Alle Nederlandse overzeese gebiedsdelen ten westen van Kaap de Goede Hoop behoorden tot het rechtsgebied van het West-Indisch Comité. (

Zie bijlage 2 voor kaarten van het rechtsgebied.

) De grootste kolonie die onder zijn gezag stond was Suriname. Van augustus 1799 tot 1802 werd Suriname door de Engelsen bezet, maar de Nederlandse gouverneur-generaal aldaar bleef in deze periode in functie. In het huidige Brits Guyana lag de kolonie Berbice, met als voornaamste nederzetting Nieuw-Amsterdam, gevormd rondom Fort Nassau. In 1796 verloren de Nederlanders deze kolonie aan de Engelsen. Slechts in 1802-1803 werd het Nederlandse bewind hier voor korte tijd hersteld. Eveneens in Brits Guyana lagen Demerary en Essequibo, die sinds 1787 één kolonie vormden. (

De naam Demerary is afgeleid van de rivier genaamd Demerara en daarom wordt deze kolonie tegenwoordig ook wel met deze naam aangeduid.

)
In het Caribisch gebied konden Curaçao, Bonaire en Aruba tot het bezit worden gerekend. Bonaire en Aruba waren onderhorig aan Curaçao. In 1800 werden deze eilanden door de Fransen bezet. Ook St. Eustatius, St. Maarten en Saba vormden één kolonie, waarbij de laatste onderhorig waren aan St. Eustatius. Deze kolonie werd reeds in april 1795 door de Fransen veroverd, maar bleef onder bestuur van een Nederlandse kapitein-commandant. Ten slotte behoorde de Kust van Guinea, aan de westkust van Afrika, tot het terrein van het West-Indisch Comité. Deze kolonie bestond uit het hoofdfort St. George d'Elmina, gelegen in het huidige Ghana, en een aantal buitenforten en het omringende land.

Opheffing

Reeds in februari 1797 werd gesproken over het oprichten van een nieuw administratief bestuur over de koloniën: de representanten Floh c.s. kregen van de Nationale Vergadering de opdracht voor de nieuwe staatsregeling een "titul" voor de koloniën te ontwerpen. Enkele maanden later presenteerden zij dit ontwerp, waarin over het bestuur van de West-Indische koloniën werd geconcludeerd: "Er zal steeds een afzonderlijk administratief bestuur hier te lande over deze gewigte bezittingen, en den West-Indischen handel plaats hebben, het welk met de directie van alle zaaken dien aangaande belast zal zijn; en zal de volgende Wetgeevende Vergadering dienvolgens gehouden zijn ten opzigte der inrigtingen van het tegenwoordig plaatshebbend administratief bestuur zoodanige verbeteringen en bezuinigingen, zoo ten opzichte van het getal der leden en amtenaaren, als anderzins, daar te stellen, als met het belang der Coloniën en van het moederland meest overeenkomstig geoordeeld zullen worden." (

Decreten der Nationale Vergadering representerende het Volk van Nederland, 3 februari 1797, 11 april 1797, 22 april 1797, 17 mei 1797.

) Het is wellicht niet toevallig dat in de daaropvolgende maanden veel kritiek op het West-Indisch Comité te beluisteren is. Aanleiding hiervoor was het feit dat het West-Indisch Comité niet in staat was enkele wisselbrieven ten behoeve van de militie in St. Eustatius en St. Maarten te voldoen. Daarom stelde de Nationale Vergadering een onderzoek in naar de werkzaamheden van het West-Indisch Comité. De conclusies lieten niets te raden over. Men constateerde een "volstrekt willekeurige en geheel wanordelyke directie van zaken in het huishoudelyk bestuur". Bovendien werd gesproken van een "verderffelyke en onbehoorlyke inrichting": de dubbelrol die enkele leden speelden, namelijk die van directielid en die van stedelijk gedeputeerde, belemmerde de werkzaamheden die het hoogste gezag aan het West-Indisch Comité had opgedragen. Deze leden, veelal kooplieden, lieten in hun besluitvorming als directielid hun persoonlijke financiële belangen als stedelijke gedeputeerde prevaleren. Zodoende lag het werkelijke bewind niet bij de directie, maar bij de stedelijke departementen. Om aan deze situatie een einde te maken besloot men uiteindelijk het "gebrekkig en bedorven bestuur der Coloniën", dat inmiddels evenals alle andere comités der uitvoerende macht door de Constituerende Vergadering was gelast haar werkzaamheden provisioneel voort te zetten (

Decreet van de Constituerende Vergadering, 22 januari 1798.

)
, per 1 april 1798 op te heffen. De directieleden en alle ambtenaren werden ontslagen, maar mochten hun werkzaamheden blijven voortzetten totdat een nieuw bestuur zou worden ingesteld. (

Decreten der Nationale Vergadering representerende het Volk van Nederland, 15 juni 1797, 9 oktober 1797, 26 oktober 1797, 9 november 1797, 24 november 1797, 6 december 1797, 19 december 1797; Decreten van de Constituerende Vergadering, 19 februari 1798, 20 februari 1798, 26 februari 1798, 7 maart 1798, 20 maart 1798.

)
Zo'n vaart liep het echter niet. Het West-Indisch Comité zette zijn werkzaamheden na 1 april 1798 voort. In juli van dat jaar trad weliswaar de Staatsregeling van het Bataafse volk 1798 in werking, waarin nogmaals het einde van het West-Indisch Comité en de oprichting van de Raad der Amerikaansche Coloniën en Bezittingen werd aangekondigd, maar het duurde tot 29 december 1800 voordat het West-Indisch Comité werd opgeheven en vervangen door deze Raad. (

G.W. Bannier, Grondwetten van Nederland. Teksten der achtereenvolgende staatsregelingen en grondwetten sedert 1795, met verschillende andere staatsstukken. historische toelichtingen en eenige tabellen (Zwolle 1936). Hieruit: "E. Staatsregeling voor het Bataafsche Volk", Titul VII, 86-89; ARA, inventaris van de Collectie Dassevael, nummer toegang 2.21.048, inv.nr. 46 (oud inv.nr. 292). De archieven van de Amerikaansche Raad van Coloniën en Bezittingen bevinden zich eveneens in het ARA (nummer toegang 2.01.28.02).

)

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in