Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Nederlandse bezittingen India: Digitale duplicaten Chennai

1.11.06.11
L. Bes
Nationaal Archief, Den Haag
2014
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

1.11.06.11
Auteur: L. Bes
Nationaal Archief, Den Haag
2014

CC0

Periode:

1664-1852
merendeel 1664-1825
merendeel 1664-1852

Omvang:

1 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

De archieven bestaan uit de overblijfselen van de administratie van de VOC-factorijen in Cochin, Nagapatnam/Pulicat, Surat en Chinsura/Hooghly, hoofdvestigingen van achtereenvolgens de kantoren Malabar, Coromandel, Surat en Bengal, en hun rechtsopvolgers. Ze beslaan de periode 1643 - 1852. De archieven van Cochin zijn relatief compleet en bevatten ook de administratie van de weeskamer. Met betrekking tot Surat en Chinsura/Hooghly zijn slechts fragmenten van de archieven bewaard gebleven. Van de administratie van Nagapatnam/Pulicat is vrijwel niets over.

Archiefvormers:

  • VOC-kantoor Malabar en rechtsopvolgers;
  • VOC-kantoor Coromandel en rechtsopvolgers;
  • VOC-kantoor Surat en rechtsopvolgers;
  • VOC-kantoor Bengalen en rechtsopvolgers

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

De VOC in India

De VOC (Verenigde Oostindische Compagnie) werd opgericht in 1602 toen verschillende concurrerende handelscompagnieën fuseerden. De onderneming omvatte zes kamers (vestigingen) in de Republiek (ook aangeduid als patria, "vaderland"): Amsterdam, Zeeland (zetelend te Middelburg), Delft, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen. De directie van de Compagnie werd aangeduid als de Heeren XVII en bestond uit afgevaardigden van de zes kamers. Het hoofdkwartier van de VOC in Azië was gevestigd te Batavia (het tegenwoordige Jakarta) op het eiland Java, waar de Gouverneur - Generaal en Raden (ook wel de Hoge Regering genoemd) het hoogste gezag vormden. De Compagnie was actief in India gedurende haar gehele bestaan (dat duurde tot 1795) en importeerde er onder meer Japans koper, hetgeen Indiase stoffen opleverde die in de Indonesische archipel konden worden verkocht. De VOC richtte talloze handelsstations op aan de kusten en ook enkele binnenlands gelegen posten. Met tijdelijke uitzondering van Vengurla (direct ten noorden van Goa gelegen) vormden de Indiase vestigingen in bestuurlijk opzicht onderdeel van vijf kantoren (administratieve regio's): Surat, Malabar, Ceylon, Coromandel en Bengalen. Deze waren alle ondergeschikt aan het bestuur in Batavia (dat op zijn beurt verantwoording verschuldigd was aan de Heeren XVII). Na de opheffing van de VOC bestuurden verschillende opeenvolgende overheidsinstanties in Nederland de enkele overgebleven vestigingen in India totdat deze aan de Britten werden overgedragen in 1825. De rechtsopvolgers van de VOC waren: Comité tot de Zaken van de Oost - Indische Handel en Bezittingen, 1796 - 1800; Raad der Aziatische Bezittingen en Etablissementen, 1800 - 1806; Ministerie van Koophandel en Koloniën / Marine en Koloniën, 1806 - 1810; Hollandse Divisie bij het Ministerie van Marine en Koloniën te Parijs, 1810 - 1814 (tijdens deze periode was Nederland door Frankrijk geannexeerd); Ministerie van Koloniën, vanaf 1814.

Malabar

Het kantoor Malabar (grofweg de huidige deelstaat Kerala) werd bestuurd door een Commandeur (een soort Gouverneur, maar met minder territoriale macht) en Raden, gevestigd in Cochin. Peper was het belangrijkste handelsproduct van Malabar. De Nederlanders verschenen in 1603 voor het eerst in het gebied en kleine posten werden opgezet te Vengurla en Kayankulam, respectievelijk in 1637 en 1647. In de jaren '60 van de zeventiende eeuw nam de aanwezigheid van de VOC in de regio serieuze vormen aan toen de Compagnie de Portugezen verdreef en Quilon en Cranganur veroverde in 1661 en Cochin en Cannanore in 1663. Een groot aantal andere posten strekte zich uit van Barcelore (Kanara kust) in het noorden tot Tengapattanam in het zuiden. Onder de belangrijkere posten waren Purakkad, Chetwai en Azzhikodu. Vanaf 1676 behoorde ook Vengurla tot Malabar, nadat het eerst direct bestuurd was vanuit Batavia (tot 1673) en vervolgens vanuit Surat (1673 - 1676). Tot aan 1669 vielen alle posten in Malabar onder het kantoor Ceylon. The VOC onderhield nauwe contacten met vele heersers in Malabar, waarvan die van Cochin, Travancore, Calicut en Mysore de prominentsten waren. Na de verloren oorlog tegen Travancore in de vroege jaren '40 van de achttiende eeuw nam de Compagnies macht geleidelijk af. Tussen 1770 en 1790 werden de forten te Cannanore en Cranganur verkocht aan de lokale heersers. Cochin en Quilon werden tenslotte overgedragen aan de Britten in 1795.

Coromandel / Visserijkust

Het kantoor Coromandel (grofweg de huidige deelstaten Tamil Nadu en Andhra Pradesh) werd bestuurd door een Gouverneur en Raden. Tot aan 1690 zetelden zij in Pulicat. Vervolgens was het hoofdkwartier gevestigd te Nagapatnam, totdat het in 1784 werd terugverplaatst naar Pulicat. Stoffen waren het belangrijkste handelsproduct. Twee jaar nadat de Nederlanders voor het eerst Coromandel aandeden, werd in 1605 de vroegste factorij gevestigd te Masulipatam na toestemming van de Sultan van Golkonda. Een groot aantal handelsposten volgden, waaronder Petapoli, Teganapatam, Thiruppapuliyar, Pulicat, Golkonda, Draksharama, Sadras, Jagannathapuram en Bimlipatam. Nagapatnam werd op de Portugezen veroverd in 1658. Naast Golkonda onderhield de VOC contacten met bijvoorbeeld Thanjavur, Gingee, Arcot, de Mughals en de Maratha's. De Fransen namen Masulipatam over in 1750 en de Britten Nagapatnam in 1784. In de jaren '90 van de achttiende eeuw werden alle overgebleven vestigingen ingelijfd door de Britten. Een deel daarvan werd teruggegeven in 1818, met als hoofdkwartier in Sadras, om definitief overgedragen te worden in 1825.

De VOC - vestigingen aan de Visserijkust (die zich wat de Compagnie betrof uitstrekte van Cape Comorin to Point Calimere) werden beheerd vanuit het kantoor Ceylon (het huidige Sri Lanka), bestuurd door een Gouverneur en Raden zetelend te Colombo en Commandeurs (een soort Gouverneurs, maar met minder territoriale macht) in Galle en Jaffna. De hoogste VOC autoriteiten op de Visserijkust waren een Opperhoofd en Raden, gevestigd in Tuticorin. Tot de andere posten aan deze kust behoorden bijvoorbeeld Cape Comorin, Manapadu, Punneikayal and Kilakkarai. Stoffen vormden de belangrijkste handelswaar. De eerste factorij, in Kayalpatnam, werd gevestigd in 1645. In 1758 en 1759 sloot de VOC verdragen met de heersers van achtereenvolgens Ramnad en Madurai. In 1796 werd Ceylon overgegeven aan de Britten, maar in 1818 werden de posten aan de Visserijkust teruggegeven aan de Nederlanders en tot aan 1825 bestuurd vanuit Sadras, in die periode het hoofdkwartier van het kantoor Coromandel.

Surat

Het kantoor Surat (min of meer de huidige deelstaat Gujarat) werd bestuurd door een Directeur (een soort Gouverneur, maar zonder territoriale macht) en Raden, zetelend in de stad Surat. Stoffen vormden het belangrijkste handelsproduct van de regio. De eerste Nederlandse contacten met het gebied dateren uit 1602, maar pas in 1617, nadat toestemming was verleend door de Mughals, vestigde de VOC een permanente post in Surat. Andere handelsvestigingen werden opgezet te Bharuch, Ahmadabad, Vadodara, Cambay, Burhanpur en Agra (Hindustan). Tussen 1673 en 1676 behoorde Vengurla ook tot Surat. Gedurende de perioden 1781 - 1784 en 1795 - 1818 werden de posten bestuurd door de Britten om definitief aan hen overgedragen te worden in 1825.

Bengalen

Het kantoor Bengalen werd bestuurd door een Directeur (een soort Gouverneur, maar zonder territoriale macht) en Raden, gezeteld in Chinsura bij Hooghly. De belangrijkste handelsproducten van Bengalen waren zijde en andere stoffen, opium en salpeter. De VOC verkende het gebied voor het eerst in 1607, maar vestigde zich pas echt aan het eind van de jaren '20 van de zeventiende eeuw te Pipli (Orissa). In 1635 werd een factorij gesticht te Hooghly nadat toestemming was verkregen van de Mughals. Andere handelsposten werden gevestigd in bijvoorbeeld Patna (Bihar), Balasore (Orissa), Cossimbazar, Rajmahal en Dhaka (in het huidige Bangladesh). Tot aan 1655 werden de Bengaalse factorijen bestuurd door het kantoor Coromandel. Gedurende de jaren 1781 - 1784 en 1795 - 1817 en vanaf 1825 werden de vestigingen overgenomen door de Britten.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in