gahetNA in het Nationaal Archief

Meerman van der Goes

1.10.57
Soemartini
Nationaal Archief, Den Haag
1968
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

1.10.57
Auteur: Soemartini
Nationaal Archief, Den Haag
1968
CC0

Periode:

1755-1795
merendeel 1769-1795

Omvang:

1,71 meter; 263 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven en gedrukte teksten. De Nederlandstalige stukken van vóór ca. 1700 zijn geschreven in het gotische cursiefschrift, met name in de oud-Hollandse klerkencursief.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

D.A. Meerman van der Goes: advocaat der VOC. Bevat ambtelijke stukken.

Archiefvormers:

  • Verenigde Oostindische Compagnie, Tweede Advocaat Meerman van der Goes, Daniël Adriaan (1748-1805)

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Daniel Adriaan Meerman van der Goes werd de 5de februari 1748 te Leiden geboren uit een Delfts regentengeslacht, waarvan leden reeds sinds het midden van de 15de eeuw functies uitoefenden. Hij was een zoon van mr. Adriaan van der Goes (1719-1759) en van Magdalena Hester van Eys (1717-1759), dochter van Daniel van Eys en Sara Dozy. (

Zie de bibliografie

) Zijn vader was aanvankelijk lid van de Veertigraad (1747) en Schepen (1754) te Leiden en na het overlijden van diens vader, mr. Willem Adriaan van der Goes (1696-1751), ontvanger van Gemene Landsmiddelen over Leiden en Rijnland. Vermoedelijk werd Daniel genoemd naar zijn grootvader van moederszijde: Daniel van Eys, Adriaan naar zijn vader en Meerman naar de familienaam van zijn grootmoeder van vaderskant, Maria Allegonda Meerman (1689-1744), echtgenote van mr. Willem Adriaan van der Goes.

Behalve de familienaam Van der Goes werd de naam Meerman door hem en zijn nakomelingen als familienaam gebruikt. Dit blijkt ook uit het wapen dat de tak Meerman van der Goes voerde: Gevierendeeld: I en IV: in zwart 3 zilveren bokkenkoppen met gouden hoorns, zijnde van der Goes; II en III: in zwart een zilveren meerman met de staart, waarin een slag, horizontaal naar links gericht, met zilveren stormhoed op het hoofd en in de opgerichte rechterhand een naar links gerichte zilveren gebogen Turkse sabel met gouden gevest en aan de linkerarm een ovaal zilveren schild met smalle gouden rand waarop een gouden kruis stond, zijnde Meerman. Helmteken en schildhouders waren als bij het wapen Van der Goes, d.i. helmteken: 3 zilveren bokkenkoppen tussen 2 zilveren fazantenveren, en schildhouders: 2 omkijkende bokken met gouden hoorns.

Blijkens het "Album Studiosorum Academiae Lugduno Bataviae" (blz. 1066) werd Daniel Adrianus Meerman van der Goes, "Leidensis" en 12 jaar oud., de 17e maart 1760 als "honoris ergo" en de 3e juli 1765 (blz. 1085) als "juris studiosus" ingeschreven. Hij promoveerde te Leiden 18 september 1769 op het proefschrift "De Pactis Successoriis".

Zijn dienst in de Oost-Indische Compagnie begon in 1776. Bij resolutie van de Heren Zeventien genomen binnen Middelburg in Zeeland op vrijdag 29 maart 1776, werd mr. Daniel Adriaan Meerman van der Goes benoemd tot adjunct-advocaat van de Compagnie op een jaarlijks tractement van fl. 1000,- ingaande de 1e april 1776, mits hij participeerde met fl. 3000,- kapitaal. Tegelijk met de benoeming van mr. F. W. Boers, tweede advocaat van de Compagnie tot eerste advocaat, volgde bij de resolutie van Heren XVII d.d. 7 april 1777 de benoeming van mr. D.A. Meerman van der Goes tot tweed advocaat op een tractement van fl. 2000,-, dat een jaar daarna bij resolutie van Heren XVII d.d. 9 oktober 1778 tot fl. 3000,- werd verhoogd.

Na de benoeming tot tweede advocaat werd mr. D.A. Meerman van der Goes bij resolutie van Heren XVII d.d. 1 oktober 1777 tot de secrete zaken gecommitteerd. Tijdens zijn ambtstermijn bij de Compagnie werd hem op verzoek van de kamer Amsterdam en bij resolutie van Heren XVII d.d. 21 oktober 1779 opgedragen de post van chartermeester bij genoemde kamer te nemen, tegen een jaarlijkse douceur van fl. 800,-.

Het ambt van advocaat bij de Compagnie (ook wel "Minister" genoemd) werd in 1614 ingesteld. Oorspronkelijk had de Compagnie slechts één advocaat, doch de toenemende omvang van de werkzaamheden dwong spoedig tot de aanstelling van een tweede advocaat en later ook van een adjuct-advocaat. De eerste advocaat genoot een jaarlijks tractement van fl. 3100,-, een huishuur van fl. 1000,- en fl. 250,- voor briefporti, de tweede advocaat fl. 2000,- en de adjunct-advocaat fl. 1000,-. Om hun inkomsten te vermeerderen genoten ze verder nog velerlei voordelen, zoals bv. 1000 zilveren dukatons als verering, etc.

De aanstelling van de advocaten van de Compagnie geschiedde op de voorwaarden genoemd bij de "Instructie voor de Advocaten van de Generale Nederlandsche Geoctroyeerde Oost Indische Compagnie". (

Zie bijlage

)

Uit de Instructie van 1755 blijkt dat de functie van de advocaat voor het grootste deel bestond uit het secretariaat van de vergaderingen van Heren XVII en die van de kamer Amsterdam en zeker niet de thans gangbare betekenis van het woord advocaat dekt. Tot de werkzaamheden van de advocaat behoorden het bijwonen van de vergaderingen van de Heren XVII, de Haagse Besognes en Commissies, het aan de orde stellen van zaken in de vergadering, het lezen van missiven, requesten, remonstrantiën etc., het optekenen van de resoluties en het registreren in "Secreete boeken of notulen", die evenals andere geheime stukken en papieren door de advocaat werden bewaard. Hij moest de generale missiven van de Gouverneur-Generaal en Raden van Indië extraheren, doorlezen en zich een mening vormen over alle verbalen, dagregisters, resolutieboeken en brieven van de opperhoofden van de verschillende comptoiren. Aan de hand hiervan werden door hem voorts alle minuten voor de antwoorden van Heren XVII opgesteld. Hij nummerde alle ingekomen- en uitgaande stukken en schreef ze in registers en copieboeken.

In de meeste en belangrijkste commissies had de advocaat zitting en een raadgevende stem. Vaak werden hem vertrouwelijke zendingen opgedragen, of vergezelde hij de gecommitteerde(n) naar de Staten Generaal of naar Engeland. Kwam de beurt van het voorzitterschap van Heren XVII aan de kamer Zeeland,dan werd hem door de Generale Compagnie verzocht bij de terugkeer van retourschepen aldaar aanwezig te zijn en de zaken van de Generale oostindische Compagnie waar te nemen.

De plaats van de uitoefening van zijn functie was de kamer Amsterdam en hij was bovendien verplicht zijn diensten te verlenen aan deze kamer en aan de respectieven departementen van de kamer. Het voorbereiden van de particuliere vergaderingen van in-en in de kamer Amsterdam en de daarbij behorende werkzaamheden behoorde tot zijn taak. Want feitelijk was de advocaat van de Compagnie ook tevens de advocaat van de kamer Amsterdam. Volgens één van de voorwaarden voor zijn aanstelling moest hij minstens fl. 3000,- in de V.O.C. participeren, wat meestal neerkwam op deelname voor dit bedrag in de kamer Amsterdam. Bij aanvaarding van hun ambt moesten de advocaten de eed afleggen, dat zij gedurende hun diensttijd geen andere functies dan bij de Compagnie zouden vervullen. Voorts werd hun verboden giften, gaven of geschenken van Compagniesdienaren of van personen die bij de vergadering van Heren XVII of bij de respectieve kamers belang hadden, aan te nemen. Aangezien de werkkring waarin de advocaten zich bewogen zeer belangrijk was, konden zij, en dan vooral de eerste advocaat, veel invloed uitoefenen.

De eerste en tweede advocaat van de Compagnie hadden de beschikking over enige klerken. Zo was Pieter van Duin als klerk aan de tweede advocaat, mr. D.A. Meerman van der Goes, toegevoegd; toen Pieter van Duin in 1780 tezamen met mr. Pieter Jacobus Guepin tot klerk van de eerste advocaat werd aangesteld, volgde Roelof Jacobus Dozy hem op als klerk van de tweede advocaat.

De slechte toestand van de Oostindische Compagnie was in 1780 in een kritiek stadium gekomen. Op het einde van dat jaar verklaarde Engeland de oorlog aan de Republiek. Deze oorlog had voor de Oostindische Compagnie loodnottige gevolgen.

In Azië gingen tal van forten en factorijen met de daar aanwezige voorraden en goederen verloren. Vele schepen, vaak met rijke ladingen, vielen in handen van de Engelsen. Anderen moesten naar neutralere havens uitwijken en/of een anderen route nemen dan gebruikelijk was. Zij bereikten daardoor pas na een jaar de Nederlandse havens. Uit vrees dat de Engelsen de schepen zouden veroveren, had gedurende de jaren 1781, 1782 en 1783 geen vervoer naar Nederland plaats. De goederen lagen daardoor te Batavia opgehoopt en in Amsterdam kwam een tekort aan contanten.

Bij het uitbreken van de oorlog en vooral toen het gerucht in omloop kwam, dat er geen gelden voor aflossing van de anticipatiepenningen in voorraad waren, werd de druk op het opvragen van de anticipatiepenningen met de dag groter, vooral in Amsterdam, waar zich meer dan 2/3 van de anticipatiepenningen bevond. Gedwongen door de steigende nood, wendden de Bewindhebbers zich reeds in het begin van het jaar 1781 tot de Staten van Holland teneinde surseance van betaling te verkrijgen. Bij de Staten-Generaal werd aangedrongen tot versterking van convooi voor de Indië bestemde schepen. Dit liep tenslotte uit op een subsidie van de Generaliteit, ofschoon later bleek, dat alleen Holland zijn quota betaalde.

Dit was het begin van een reeks subsidies en gegarandeerde negociaties door Holland verleend, doch ook het begin van een sterke controle op de Oostindische Compagnie, die langzamerhand tot een directe inmenging uitgroeide. Doordat de bewindhebbers hun toevlucht hadden genomen tot de Staten was het onmogelijk om de invloed van de Staat te weren.

Bij de pogingen tot verbetering en hervorming van de Oostindische Compagnie konden de bewindhebbers zich niet onttrekken aan de politieke strijd die na de oorlog met Engeland steeds heviger werd. Het Vijfde Departement (

Bij de reeds bestaande vier departementen, d.i. van de ontvangst, de equipagie of scheepsuitrusting, de rekenkamer en de handel, werd in 1786 op voorstel van de Staten van Holland (en niettegenstaande de protesten van de kamer Zeeland een nieuwe commissie toegevoegd, belast met het verzorgen van de correspondentie van -en naar Indië. Deze commissie, het z.g. "Preparatoir Besogne" of het Vijfde Departement werd later het Departement tot de Indische Zaken genoemd.

) dat door de bemoeiingen van de Staten van Holland werd opgericht, bleef een doorn in het oog van de bewindhebbers.

Mr. D.A. Meerman van der Goes heeft tot 1785 bij de Compagnie gediend. Bij resolutie van de Heren XVII d.d. 7 december 1781 werd hem dispensatie van de eed op het 11e artikel van de Instructie (

Zie bijlage

)verleend, zodat hij na oktober 1781 tot en met november 1784, behalve advocaat van de Compagnietevens pensionaris van de stad Amsterdam was, welk ambt hij tot 1795 bekleedde.

Hoewel hij na 1784 zijn advocaatschap bij de Compagnie had neergelegd, betekende dit niet dat zijn bemoeiingen zich niet meer tot de zaken van de Compagnie uitstrekten. Uit zijn collectie blijkt, dat hij stukken betreffende de Oostindische compagnie -lopende over de jaren 1785-1791- in zijn bezit had en de gang van zaken bijhield.

Opmerkelijk is het nauwe verband tussen de regering van Amsterdam en het bewind van de Oostindische Compagnie, doordat veelal dezelfde personen zowel functies in de Amsterdamse magistraat bezetten, als zitting hadden in het bestuur van de V.O.C. Het overwicht van Amsterdam ten opzichte van de overige steden van Holland en van de Generaliteit in zijn algemeen was ook duidelijk te merken in de verhouding van de kamer Amsterdam tot de andere kamers (gevolg van overheersende financiële aandeel van de kamer Amsterdam in de Compagnie).

Bij resolutie d.d. 17 november 1784 had de Presidiale Kamer ingestemd met het eervol ontslag verleend aan mr. D.A. Meerman van der Goes en als blijk voor zijn goede en trouwe diensten, werd hij met 1000 zilveren ducatons vereerd, ook ontving hij zijn leven lang een bewindhebbersportie specerijen en had hij het gebruik van de binnen -en buitenjachten van de Compagnie.

Als tweede advocaat van de Compagnie werd mr. D.A. Meerman van der Goes bij resolutie van Herem XVII d.d. 28 april 1785 vervangen door de adjunct-advocaat, mr. Pieter Graafland Jansz.

Na het aftreden van mr. F.W. Boers als eerste advocaat hadden Heren XVII op voorstel van kamer Amsterdam, bij resolutie d.d. 12 juli 1787, mr. D.A. Meerman van der Goes als eerste kandidaat en mr. S.C. Nederburgh (de tweede advocaat) als tweede, voor de opvolging voorgedragen. De Erfstadhouder/ Opperbewindhebber benoemde echter, bij zijn brief d.d. 14 juli 1787 mr. S.C. Nederburgh tot eerste advocaat. Na de afzetting van de pensionaris mr. E.F. Berckel, fungeerde mr. D.A. Meerman van der Goes als eerste pensionaris van de stad Amsterdam. Bij resolutie d.d. 27 januari 1792, in aanmerking genomen hebbende "de ijver en de affectie waarmede de pensionaris Van der Goes die post nu seedert den jaare 1781 waargenomen en vele goede diensten aan de stad bewezen heeft", hadden Vroedschap en Burgemeesters van Amsterdam goed gevonden om zijn jaarlijkse tractement met een bedrag van fl. 1000,- te vermeerderen, ingaande primo augustus 1791. Tot en met 17 januari 1795 werden de notulen van de vergadering van de vroedschap en burgemeesters van Amsterdam door mr. D.A. Meerman van der Goes opgemaakt.

Genealogie

Daniel Adriaan Meerman van der Goes werd de 5de februari 1748 te Leiden geboren uit een Delfts regentengeslacht, waarvan leden reeds sinds het midden van de 15de eeuw functies uitoefenden. Hij was een zoon van mr. Adriaan van der Goes (1719-1759) en van Magdalena Hester van Eys (1717-1759), dochter van Daniel van Eys en Sara Dozy. (

Zie de bibliografie

) Zijn vader was aanvankelijk lid van de Veertigraad (1747) en Schepen (1754) te Leiden en na het overlijden van diens vader, mr. Willem Adriaan van der Goes (1696-1751), ontvanger van Gemene Landsmiddelen over Leiden en Rijnland. Vermoedelijk werd Daniel genoemd naar zijn grootvader van moederszijde: Daniel van Eys, Adriaan naar zijn vader en Meerman naar de familienaam van zijn grootmoeder van vaderskant, Maria Allegonda Meerman (1689-1744), echtgenote van mr. Willem Adriaan van der Goes.

Behalve de familienaam Van der Goes werd de naam Meerman door hem en zijn nakomelingen als familienaam gebruikt. Dit blijkt ook uit het wapen dat de tak Meerman van der Goes voerde: Gevierendeeld: I en IV: in zwart 3 zilveren bokkenkoppen met gouden hoorns, zijnde van der Goes; II en III: in zwart een zilveren meerman met de staart, waarin een slag, horizontaal naar links gericht, met zilveren stormhoed op het hoofd en in de opgerichte rechterhand een naar links gerichte zilveren gebogen Turkse sabel met gouden gevest en aan de linkerarm een ovaal zilveren schild met smalle gouden rand waarop een gouden kruis stond, zijnde Meerman. Helmteken en schildhouders waren als bij het wapen Van der Goes, d.i. helmteken: 3 zilveren bokkenkoppen tussen 2 zilveren fazantenveren, en schildhouders: 2 omkijkende bokken met gouden hoorns.

Blijkens het "Album Studiosorum Academiae Lugduno Bataviae" (blz. 1066) werd Daniel Adrianus Meerman van der Goes, "Leidensis" en 12 jaar oud., de 17e maart 1760 als "honoris ergo" en de 3e juli 1765 (blz. 1085) als "juris studiosus" ingeschreven. Hij promoveerde te Leiden 18 september 1769 op het proefschrift "De Pactis Successoriis".

Zijn dienst in de Oost-Indische Compagnie begon in 1776. Bij resolutie van de Heren Zeventien genomen binnen Middelburg in Zeeland op vrijdag 29 maart 1776, werd mr. Daniel Adriaan Meerman van der Goes benoemd tot adjunct-advocaat van de Compagnie op een jaarlijks tractement van fl. 1000,- ingaande de 1e april 1776, mits hij participeerde met fl. 3000,- kapitaal. Tegelijk met de benoeming van mr. F. W. Boers, tweede advocaat van de Compagnie tot eerste advocaat, volgde bij de resolutie van Heren XVII d.d. 7 april 1777 de benoeming van mr. D.A. Meerman van der Goes tot tweed advocaat op een tractement van fl. 2000,-, dat een jaar daarna bij resolutie van Heren XVII d.d. 9 oktober 1778 tot fl. 3000,- werd verhoogd.

Na de benoeming tot tweede advocaat werd mr. D.A. Meerman van der Goes bij resolutie van Heren XVII d.d. 1 oktober 1777 tot de secrete zaken gecommitteerd. Tijdens zijn ambtstermijn bij de Compagnie werd hem op verzoek van de kamer Amsterdam en bij resolutie van Heren XVII d.d. 21 oktober 1779 opgedragen de post van chartermeester bij genoemde kamer te nemen, tegen een jaarlijkse douceur van fl. 800,-.

Het ambt van advocaat bij de Compagnie (ook wel "Minister" genoemd) werd in 1614 ingesteld. Oorspronkelijk had de Compagnie slechts één advocaat, doch de toenemende omvang van de werkzaamheden dwong spoedig tot de aanstelling van een tweede advocaat en later ook van een adjuct-advocaat. De eerste advocaat genoot een jaarlijks tractement van fl. 3100,-, een huishuur van fl. 1000,- en fl. 250,- voor briefporti, de tweede advocaat fl. 2000,- en de adjunct-advocaat fl. 1000,-. Om hun inkomsten te vermeerderen genoten ze verder nog velerlei voordelen, zoals bv. 1000 zilveren dukatons als verering, etc.

De aanstelling van de advocaten van de Compagnie geschiedde op de voorwaarden genoemd bij de "Instructie voor de Advocaten van de Generale Nederlandsche Geoctroyeerde Oost Indische Compagnie". (

Zie bijlage

)

Uit de Instructie van 1755 blijkt dat de functie van de advocaat voor het grootste deel bestond uit het secretariaat van de vergaderingen van Heren XVII en die van de kamer Amsterdam en zeker niet de thans gangbare betekenis van het woord advocaat dekt. Tot de werkzaamheden van de advocaat behoorden het bijwonen van de vergaderingen van de Heren XVII, de Haagse Besognes en Commissies, het aan de orde stellen van zaken in de vergadering, het lezen van missiven, requesten, remonstrantiën etc., het optekenen van de resoluties en het registreren in "Secreete boeken of notulen", die evenals andere geheime stukken en papieren door de advocaat werden bewaard. Hij moest de generale missiven van de Gouverneur-Generaal en Raden van Indië extraheren, doorlezen en zich een mening vormen over alle verbalen, dagregisters, resolutieboeken en brieven van de opperhoofden van de verschillende comptoiren. Aan de hand hiervan werden door hem voorts alle minuten voor de antwoorden van Heren XVII opgesteld. Hij nummerde alle ingekomen- en uitgaande stukken en schreef ze in registers en copieboeken.

In de meeste en belangrijkste commissies had de advocaat zitting en een raadgevende stem. Vaak werden hem vertrouwelijke zendingen opgedragen, of vergezelde hij de gecommitteerde(n) naar de Staten Generaal of naar Engeland. Kwam de beurt van het voorzitterschap van Heren XVII aan de kamer Zeeland,dan werd hem door de Generale Compagnie verzocht bij de terugkeer van retourschepen aldaar aanwezig te zijn en de zaken van de Generale oostindische Compagnie waar te nemen.

De plaats van de uitoefening van zijn functie was de kamer Amsterdam en hij was bovendien verplicht zijn diensten te verlenen aan deze kamer en aan de respectieven departementen van de kamer. Het voorbereiden van de particuliere vergaderingen van in-en in de kamer Amsterdam en de daarbij behorende werkzaamheden behoorde tot zijn taak. Want feitelijk was de advocaat van de Compagnie ook tevens de advocaat van de kamer Amsterdam. Volgens één van de voorwaarden voor zijn aanstelling moest hij minstens fl. 3000,- in de V.O.C. participeren, wat meestal neerkwam op deelname voor dit bedrag in de kamer Amsterdam. Bij aanvaarding van hun ambt moesten de advocaten de eed afleggen, dat zij gedurende hun diensttijd geen andere functies dan bij de Compagnie zouden vervullen. Voorts werd hun verboden giften, gaven of geschenken van Compagniesdienaren of van personen die bij de vergadering van Heren XVII of bij de respectieve kamers belang hadden, aan te nemen. Aangezien de werkkring waarin de advocaten zich bewogen zeer belangrijk was, konden zij, en dan vooral de eerste advocaat, veel invloed uitoefenen.

De eerste en tweede advocaat van de Compagnie hadden de beschikking over enige klerken. Zo was Pieter van Duin als klerk aan de tweede advocaat, mr. D.A. Meerman van der Goes, toegevoegd; toen Pieter van Duin in 1780 tezamen met mr. Pieter Jacobus Guepin tot klerk van de eerste advocaat werd aangesteld, volgde Roelof Jacobus Dozy hem op als klerk van de tweede advocaat.

De slechte toestand van de Oostindische Compagnie was in 1780 in een kritiek stadium gekomen. Op het einde van dat jaar verklaarde Engeland de oorlog aan de Republiek. Deze oorlog had voor de Oostindische Compagnie loodnottige gevolgen.

In Azië gingen tal van forten en factorijen met de daar aanwezige voorraden en goederen verloren. Vele schepen, vaak met rijke ladingen, vielen in handen van de Engelsen. Anderen moesten naar neutralere havens uitwijken en/of een anderen route nemen dan gebruikelijk was. Zij bereikten daardoor pas na een jaar de Nederlandse havens. Uit vrees dat de Engelsen de schepen zouden veroveren, had gedurende de jaren 1781, 1782 en 1783 geen vervoer naar Nederland plaats. De goederen lagen daardoor te Batavia opgehoopt en in Amsterdam kwam een tekort aan contanten.

Bij het uitbreken van de oorlog en vooral toen het gerucht in omloop kwam, dat er geen gelden voor aflossing van de anticipatiepenningen in voorraad waren, werd de druk op het opvragen van de anticipatiepenningen met de dag groter, vooral in Amsterdam, waar zich meer dan 2/3 van de anticipatiepenningen bevond. Gedwongen door de steigende nood, wendden de Bewindhebbers zich reeds in het begin van het jaar 1781 tot de Staten van Holland teneinde surseance van betaling te verkrijgen. Bij de Staten-Generaal werd aangedrongen tot versterking van convooi voor de Indië bestemde schepen. Dit liep tenslotte uit op een subsidie van de Generaliteit, ofschoon later bleek, dat alleen Holland zijn quota betaalde.

Dit was het begin van een reeks subsidies en gegarandeerde negociaties door Holland verleend, doch ook het begin van een sterke controle op de Oostindische Compagnie, die langzamerhand tot een directe inmenging uitgroeide. Doordat de bewindhebbers hun toevlucht hadden genomen tot de Staten was het onmogelijk om de invloed van de Staat te weren.

Bij de pogingen tot verbetering en hervorming van de Oostindische Compagnie konden de bewindhebbers zich niet onttrekken aan de politieke strijd die na de oorlog met Engeland steeds heviger werd. Het Vijfde Departement (

Bij de reeds bestaande vier departementen, d.i. van de ontvangst, de equipagie of scheepsuitrusting, de rekenkamer en de handel, werd in 1786 op voorstel van de Staten van Holland (en niettegenstaande de protesten van de kamer Zeeland een nieuwe commissie toegevoegd, belast met het verzorgen van de correspondentie van -en naar Indië. Deze commissie, het z.g. "Preparatoir Besogne" of het Vijfde Departement werd later het Departement tot de Indische Zaken genoemd.

) dat door de bemoeiingen van de Staten van Holland werd opgericht, bleef een doorn in het oog van de bewindhebbers.

Mr. D.A. Meerman van der Goes heeft tot 1785 bij de Compagnie gediend. Bij resolutie van de Heren XVII d.d. 7 december 1781 werd hem dispensatie van de eed op het 11e artikel van de Instructie (

Zie bijlage

)verleend, zodat hij na oktober 1781 tot en met november 1784, behalve advocaat van de Compagnietevens pensionaris van de stad Amsterdam was, welk ambt hij tot 1795 bekleedde.

Hoewel hij na 1784 zijn advocaatschap bij de Compagnie had neergelegd, betekende dit niet dat zijn bemoeiingen zich niet meer tot de zaken van de Compagnie uitstrekten. Uit zijn collectie blijkt, dat hij stukken betreffende de Oostindische compagnie -lopende over de jaren 1785-1791- in zijn bezit had en de gang van zaken bijhield.

Opmerkelijk is het nauwe verband tussen de regering van Amsterdam en het bewind van de Oostindische Compagnie, doordat veelal dezelfde personen zowel functies in de Amsterdamse magistraat bezetten, als zitting hadden in het bestuur van de V.O.C. Het overwicht van Amsterdam ten opzichte van de overige steden van Holland en van de Generaliteit in zijn algemeen was ook duidelijk te merken in de verhouding van de kamer Amsterdam tot de andere kamers (gevolg van overheersende financiële aandeel van de kamer Amsterdam in de Compagnie).

Bij resolutie d.d. 17 november 1784 had de Presidiale Kamer ingestemd met het eervol ontslag verleend aan mr. D.A. Meerman van der Goes en als blijk voor zijn goede en trouwe diensten, werd hij met 1000 zilveren ducatons vereerd, ook ontving hij zijn leven lang een bewindhebbersportie specerijen en had hij het gebruik van de binnen -en buitenjachten van de Compagnie.

Als tweede advocaat van de Compagnie werd mr. D.A. Meerman van der Goes bij resolutie van Herem XVII d.d. 28 april 1785 vervangen door de adjunct-advocaat, mr. Pieter Graafland Jansz.

Na het aftreden van mr. F.W. Boers als eerste advocaat hadden Heren XVII op voorstel van kamer Amsterdam, bij resolutie d.d. 12 juli 1787, mr. D.A. Meerman van der Goes als eerste kandidaat en mr. S.C. Nederburgh (de tweede advocaat) als tweede, voor de opvolging voorgedragen. De Erfstadhouder/ Opperbewindhebber benoemde echter, bij zijn brief d.d. 14 juli 1787 mr. S.C. Nederburgh tot eerste advocaat. Na de afzetting van de pensionaris mr. E.F. Berckel, fungeerde mr. D.A. Meerman van der Goes als eerste pensionaris van de stad Amsterdam. Bij resolutie d.d. 27 januari 1792, in aanmerking genomen hebbende "de ijver en de affectie waarmede de pensionaris Van der Goes die post nu seedert den jaare 1781 waargenomen en vele goede diensten aan de stad bewezen heeft", hadden Vroedschap en Burgemeesters van Amsterdam goed gevonden om zijn jaarlijkse tractement met een bedrag van fl. 1000,- te vermeerderen, ingaande primo augustus 1791. Tot en met 17 januari 1795 werden de notulen van de vergadering van de vroedschap en burgemeesters van Amsterdam door mr. D.A. Meerman van der Goes opgemaakt.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
CAPTCHA
Deze vraag is om te testen of u een menselijke bezoeker bent en om geautomatiseerde spam te voorkomen.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in