Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Nassause Domeinraad tot 1580

1.08.01
S.W.A. Drossaers
Nationaal Archief, Den Haag
1948
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

1.08.01
Auteur: S.W.A. Drossaers
Nationaal Archief, Den Haag
1948

CC0

Periode:

1170-1582
merendeel 1170-1580

Omvang:

13.05 meter; 3672 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands. Een klein gedeelte is gesteld in het Frans, een nog kleiner vermoedelijk in het Latijn.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven en gedrukte teksten. De Nederlandstalige stukken van vóór ca. 1700 zijn geschreven in het gotische cursiefschrift, met name in de oud-Hollandse klerkencursief.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Dit eerste deel van den Inventaris van het archief van het permanente administratieve college de Nassause Domeinraad en voorgangers behandelt de archiefstukken van het huis Oranje-Nassau en eerdere landsheren (voornamelijk Van Duvenvoorde en Van Polanen). De stukken in dit archief gaan terug tot eind dertiende eeuw en lopen tot 1581. Het omvangrijke geheel van akten, oorkonden, administratie en correspondentie heeft betrekking op testamentaire beschikkingen, de rechten op en het beheer van alle mogelijke gronden, wateren en goederen, dorpen, heerlijkheden en steden, die later grotendeels in handen waren van de Oranje-Nassaus. Opgenomen zijn behalve deze stukken over het grondgebied van de latere Republiek ook die van het huis Oranje-Chalon, gelegen in vooral Frankrijk en Bourgondië. Verder zijn er stukken met rechterlijke beslissingen over geschillen met betrekking tot grenzen, waterstaataangelegenheden en verpachting van visoorden. Sommige documenten behelzen bevelen en informatieverzoeken van diverse heren inzake de zuiverheid van het geloof van hun onderdanen.

Archiefvormers:

  • Nassause Domeinraad
  • Nassause Domeinraad

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

    • Willem van Duvenvoorde werd c. 1290 geboren als bastaard van Philips van Duvenvoorde en aanvankelijk Willem Snickerieme genoemd. Door protectie van Philips' zwager Dirc van den Wale aan het grafelijke hof gekomen, steeg hij snel in aanzien en invloed en werd raad, kamerling en zegelbewaarder. In 1329 werd hij door Lodewijk van Beieren gelegitimeerd na in 1328 tot ridder te zijn geslagen. Hij was een van de voornaamste leiders der Hoekschen en werd door zijn groote gaven als financier een aanzienlijk zoo niet de aanzienlijkste groot-grondbezitter in deze gewesten. In 1323 werd hij burggraaf van Geertruidenberg; in 1325 heer van Oosterhout, in 1335 van Dongen; in 1339 kreeg hij het vruchtgebruik van Breda, voorts verwierf hij zich nog de heerlijkheden Almonde, Dubbelmonde, Twintig hoeven, Standhazen, Kapelle-Nieuwerkerk, Berkel, Uitwijk, Strevelshoek, Lievershil, Zonzeel, Vlasselt en Wagenberg buitendien nog een groote hoeveelheid grondbezit, voornamelijk in Brabant, en inkomsten aan renten e.a
      Daar zijn huwelijk met Heilwig van Vianen kinderloos bleef, vermaakte hij, behoudens enkele kleine uitzonde ringen, zijn geheele bezit aan Jan van Polanen, zoon van zijn halfbroeder Jan, dien hij in 1350 reeds in staat had gesteld de heerlijkheid Breda te koopen, waarbij hij het vruchtgebruik aan zich hield. Aan zijn positie van raads man en bemiddelaar, die hij achtereenvolgens bij graaf Willem IV, hertog Jan III van Brabant en Margaretha van Beieren innam, is de aanwezigheid van de stukken, vermeld onder de nos. 1441-1445 en 1450, te danken. Hij stierf in 1353

      Zie Cuvelier, A. W.

    • Willem van Oosterhout was de jongste bastaardzoon van Willem van Duvenvoorde; zijn moeder was Geertruyt van den Poele. Van zijn vader erfde hij de heerlijkheid Oosterhout gedurende zijn leven. Zijn beide huwelijken, het eerste met Heilwich van Wassenaar (gest. 1398 ?) ( Een obituarium van Breda, afgedrukt in C. P. Hoynck van Papendrecht, Analecta Belgica III, 1e stuk, geeft als sterfdatum van Heilwich van Vianen, vrouw van Willem van Duvenvoorde, 9 Juni 1398. Waarschijnlijk is deze hier verward met Heilwich van Wassenaar, te waarschijnlijker daar Willem van Duvenvoorde en Willem van Oosterhout herhaaldelijk met elkaar verwisseld worden ) ., het tweede met Catherina van Ghistel, die hem overleefde, bleven kinderloos. Zelf stierf hij waarschijnlijk kort voor, of in 1403 ( Ook de oudste bastaardzoon van Willem van Duvenvoorde heette Willem. Deze was heer van Dongen en sinds 1344 ook van Oosterhout. Hij sneuvelde bij Stavoren in 1345 )

    • Jan van Polanen was een zoon van Philips van Duvenvoorde, van wien hij de heerlijkheid Polanen erfde. In 1326 pachtte hij een aantal ambachten aan de Lek, in 1327 werd hij beleend met Heemskerk en Castricum, in 1339 kreeg hij met zijn zoon Jan de heerlijkheid Breda, waarvan Willem van Duvenvoorde het vruchtgebruik had, in pandschap. Hij was ridder en werd baljuw van Kennemerland en Friesland, Rijnland en Woerden. Hij was gehuwd met Catherina van Brederode en stierf in 1342

    • Jan II was een zoon van Jan I en Catherina van Brederode. Hij werd door koop in 1342 heer van de Lek en in 1350 heer van Breda, waarvan hij in 1339 reeds tezamen met zijn vader pandheer was geworden. In 1353 erfde hij de goederen van Willem van Duvenvoorde en in 1362 werd hij beleend met de heerlijkheid Niervaart. Hij behoorde tot de hofhouding van Willem den Verbeider, koos later met Willem van Duvenvoorde de partij van Margaretha van Beieren en verzoende zich nog later met graaf Willem. In 1375 werd hij met Daniël van de Merwede stadhouder van de Groote Waard in Zuid Holland. Hij huwde 1e Oda van Horne († April 1353), 2e Machteld van Rotselaer († 12 Augustus 1366), 3e Margaretha van Lippe. Hij stierf 3 November 1378

    • Zoon van Jan II en Oda van Horne. Werd geestelijke na gehuwd geweest te zijn met Maria van Diest

    • Beiden zoons van Gerard, zoon van Jan I van Polanen en Lutgaert van Wulvenhorst

    • Zoon van Jan II en Oda van Horne, raad van hertog Albrecht van Beieren; was gehuwd 1e met Marie, bastaarddochter van Jan III van Brabant, 2e met Odilia van Salm; hij stierf 11 Augustus 1393, zijn vrouw in 1428. In 1388 werden hem Zundert Princenhage, Sprundel en Nispen, voor zoover die bij de uitgifte in leen van het land van Breda aan den hertog waren verbleven, verpand

    • Graaf Engelbrecht van Nassau werd c. 1380 geboren als derde zoon van Johan van Nassau-Dillenburg en Margaretha, gravin van der Marck, en stierf 3 Mei 1442 te Breda
      Aanvankelijk bestemd voor den geestelijken stand, keerde hij evenwel tot voortzetting van het geslacht terug tot de wereld en huwde in 1403 Johanna, erfdochter van Jan van Polanen (geb. 1392, gest. 1445). Hij werd één van de invloedrijkste edelen in Brabant en was ten nauwste betrokken bij den strijd, dien Jacoba van Beieren, Jan en Philips van Brabant tegen hun tegenstanders hadden te voeren; hij was raad en kamerling van hertog Jan en in 1433 opperbevelhebber van Philips van Bourgondië; in 1417 was hij drost en kastelein van Daelhem en Limburg geworden
      Het goederenbezit vermeerderde hij in 1411 met Drimmelen door koop. Voorts verwierf hij Vianden met St. Vith, Bütgenbach en Dasburg, Grimbergen c.a. en het land van Ravestein, met Herpen en Uden, dat evenwel in 1444 reeds weder voor de Nassaus verloren ging

    • Jan, graaf van Nassau, Dietz en Vianden, heer van Breda en de Lek, zoon van Engelbrecht en Johanna van Polanen, geb. 1410, gestorven 3 Februari 1475, trouwde in 1440 met Maria van Loon-Heinsberg, geb. 1424, gest. 20 April 1502. Hij was raad en kamerling van Philips van Bourgondië, drossaard van Brabant, kastelein van Turnhout, maarschalk van Westfalen (tot 1455), kastelein van Heusden, proost van Diekirch
      Door zijn huwelijk kwam hij in het bezit van Millen, Gangelt, Waldfeucht, Lummen, Stein en de advocatie van Meerssen; in 1460 werd hij pandheer van Engelen en Vlijmen
      Na de nalatenschap van zijn vader gemeenschappelijk met zijn broeder Hendrik te hebben bezeten, kreeg hij bij de verdeeling der goederen in 1447 de Hollandsche toegewezen, en werd hij, na den dood van Hendrik in 1450, de eenige bezitter van de Duitsche zoowel als van de Hollandsche bezittingen

    • Jan van Loon was een zoon van Jan van Loon, heer van Gulik, Heinsberg en Leeuwenberg, en Margaretha van Gennep. Hij was dus een stiefbroeder van Maria, gemalin van Jan IV van Nassau, dochter van Jan van Loon en Anna van Solms. Als bisschop van Luik werd hij door Philips den Goede gedwongen afstand te doen ten behoeve van Louis de Bourbon. Het is niet met zekerheid te zeggen, hoe de stukken, vermeld onder de nos. 1484-1487, in dit archief gekomen zijn. Een aanwijzing kan gelegen zijn in de omstandigheid, dat Jan van Loon, toen hij afstand deed, te Breda verbleef. ( Zie J. Daris, Histoire du diocèse de Liège, pag. 312 )

    • Engelbrecht II, zoon van graaf Jan IV en Maria van Loon-Heinsberg, werd den 17en Mei 1451 te Breda geboren en stierf 30 Mei 1504. In 1469 huwde hij Cimburg van Baden, geb. 1450, gest. 1500, welk huwelijk kinderloos bleef. In 1460 werd graaf Engelbrecht ridder, in 1473 ridder van het Gulden Vlies, waarbij hij "Ce sera moi Nassau" als devies aannam. Hij was de vertrouwensman achtereenvolgens van Karel den Stoute, Maximiliaan en Philips van Oostenrijk; driemaal werd hij stadhouder van de Nederlanden (1473, 1480, 1485), in 1501 stadhouder-generaal voor PHILIPS tot zijn dood; voorts was hij drossaard van Brabant en Limburg, stadhouder van Luxemburg, en van Lille, Orchies en Thérouanne; in 1494 was hij voorzitter van den Grooten Raad

      Bij het verdeelingsverdrag van 1472, kreeg hij de Nederlandsche en andere bezittingen links van den Rijn, zijn broeder Johan de Duitsche. Hij verwierf Diest c.a. in ruil voor Millen Gangelt en Waldfeucht. Te Brussel liet hij het huis, gezet door Willem van Duvenvoorde, vervangen door het aanzienlijke "Hotel de Nassau". Ook te Mechelen, waar dankzij hem de Groote Raad zetelde, had hij een huis. Als zijn erfgenaam wees hij Hendrik, oudsten zoon van zijn broeder Johan, aan

    • Hendrik van Nassau, oudste zoon van Johan en Elizabeth van Hessen, erfdochter van Katzenelnbogen, werd geboren te Siegen 12 Januari 1483, en stierf te Breda 14 September 1538; hij huwde in 1503 Francisca van Savoye († 1511), 2e in 1515 Claudia van Chalon († 1521), 3e in 1524 Mencia de Mendoça, markiezin van Zenette († 1554). In 1504 werd hij erfgenaam van zijn oom, graaf Engelbrecht II. In 1499 kwam hij aan het hof van Philips den Schoone, werd in 1505 ridder van het Gulden Vlies, was drossaard van Brabant, in 1511 gouverneur van aartshertog Karel, kapitein-generaal tegen Gelre in 1511, tegen Frankrijk in 1513, werd in 1515 stadhouder-generaal van Holland, Zeeland en Friesland, in 1521, na den dood van W. Van Croy, opperste kamerling. Van 1522-1530 was hij met Karel V in Spanje; in 1536 kreeg hij nogmaals het opperbevel tegen Frankrijk. In 1505 werd hij pandheer van Heusden, in 1518 verwierf hij de Zwaluwe. Vianden c.a. stond hij af aan zijn broeder Willem gedurende diens leven

    • René, zoon van graaf Hendrik van Nassau en Claudia van Chalon, werd in 1518 geboren en stierf bij het beleg van St. Dizier in 1544 kinderloos. In 1540 huwde hij Anna van Lotharingen (geb. 1522, gest. 1568). Hij werd opgevoed aan het Hof van Karel V en was ridder van het Gulden Vlies. In 1539 werd hij drossaard van Brabant, in 1540 stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht, in 1543 van Gelderland. In 1530 erfde hij van zijn oom Philibert van Chalon het prinsdom Oranje benevens een aantal goederen in het graafschap Bourgondië alsmede de stadhouderlijke waardigheid aldaar. Bij die gelegenheid nam hij den naam Chalon aan en het devies "Je maintiendrai Chalon", door Willem I ver anderd in "Je maintiendrai Nassau", waarvan nog later Nassau werd weggelaten. Hij maakte Willem, zoon van zijns vaders broeder Willem tot zijn erfgenaam

    • 1533-1584

    • openXVII Varia.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in