gahetNA in the National Archives

Nassause Domeinraad tot 1580

1.08.01
S.W.A. Drossaers
Nationaal Archief, Den Haag
1948
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

1.08.01
Auteur: S.W.A. Drossaers
Nationaal Archief, Den Haag
1948
CC0

Periode:

1170-1582
merendeel 1170-1580

Omvang:

13,05 meter; 3669 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands. Een klein gedeelte is gesteld in het Frans, een nog kleiner vermoedelijk in het Latijn.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven en gedrukte teksten. De Nederlandstalige stukken van vóór ca. 1700 zijn geschreven in het gotische cursiefschrift, met name in de oud-Hollandse klerkencursief.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Dit eerste deel van den Inventaris van het archief van het permanente administratieve college de Nassause Domeinraad en voorgangers behandelt de archiefstukken van het huis Oranje-Nassau en eerdere landsheren (voornamelijk Van Duvenvoorde en Van Polanen). De stukken in dit archief gaan terug tot eind dertiende eeuw en lopen tot 1581. Het omvangrijke geheel van akten, oorkonden, administratie en correspondentie heeft betrekking op testamentaire beschikkingen, de rechten op en het beheer van alle mogelijke gronden, wateren en goederen, dorpen, heerlijkheden en steden, die later grotendeels in handen waren van de Oranje-Nassaus. Opgenomen zijn behalve deze stukken over het grondgebied van de latere Republiek ook die van het huis Oranje-Chalon, gelegen in vooral Frankrijk en Bourgondië. Verder zijn er stukken met rechterlijke beslissingen over geschillen met betrekking tot grenzen, waterstaataangelegenheden en verpachting van visoorden. Sommige documenten behelzen bevelen en informatieverzoeken van diverse heren inzake de zuiverheid van het geloof van hun onderdanen.

Archiefvormers:

  • Nassause Domeinraad

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

    • De oudste beleeningsakte van de Hollandsche leenen, waarin zij gespecificeerd voorkomen, is die van 1456 (Inv. no. 22). Daarin wordt genoemd de hofstad Polanen met de heemwerf en het Oude Hof binnen de uiterste gracht. Vermoedelijk had men hier hetzelfde als te Heemskerk en te Kapelle-Nieuwerkerk, waar de bezitter de hooge rechtspraak had over het huis met de naaste omgeving binnen de gracht (zie Inv. nos. 51 en 731). Daarna volgen in de akte o.m. de ambachtsheerlijkheden Monster en Naaldwijk met de groote en smalle tienden en de Loosduinredijksche tienden in Monsterambacht benevens de molens te Monster en te Voswijk. Van de Loosduinredijksche tienden schijnt de helft vervreemd te zijn geweest, waarna zij in 1557 werd teruggekocht

    • Jan I van Polanen werd in 1327 beleend met het huis te Heemskerk met hoog en laag gerecht en met de ambachtsheerlijkheid van Heemskerk (

      Leenkamer Holland, Repertorium op de Leenregisters, Kennemerland

      )en Castricum. Met het huis te Heemskerk is bedoeld het huis Haarlem, dat ten zuidoosten dichtbij het dorp Heemskerk lag. Het leen in deze combinatie was bezit geweest van het geslacht Haarlem, totdat dit met Jan, die zich noemde vanBergen, c. 1320 in de mannelijke linie uitstierf. Na vervallen. te zijn aan de grafelijkheid, werd het in 1327 aan Jan van Polanen gegeven. Bij de verdeeling van de nalatenschap van Jan II kwam het aan een jongeren broeder Dirk, van wien het van lieverlede bij gebrek aan mannelijke nakomelingen op het geslacht van Assendelft vererfde.(

      J. Craandijk, Proeve eener geschiedenis van het geslacht van Haarlem, in Nijhoff's Bijdragen IV, 1, en Mr. H. J. Koenen, Het ridderlijk geslacht van Heemskerk in de middeleeuwen, in De Wapenheraut VII

      )

    • A. S. de Blécourt, De vischrechten op de Lek en het vischrecht in de binnenwateren van Lekkerkerk alsmede over non-usus van dit laatste, 1926.

      In het jaar 1326 kreeg Jan I van Polanen een aantal ambachten aan de Lek in pacht van Peter van de Lek (

      Waarschijnlijk doordat in deze akte Jan van Polanen door Peter van de Lek "zwager" wordt genoemd, laten de genealogen Peter van de Lek gehuwd zijn met een NN. van Polanen. De relatie van oom tot behuwdneef, die tusschen hen bestond, was evenwel voldoende om die uitdrukking te rechtvaardigen

      ). Nadat Peters zoon Hendrik in 1342 kinderloos was gestorven, vervielen deze ambachten aan de grafelijkheid, van wie Jan II van Polanen ze, vermeerderd met enkele andere, in hetzelfde jaar kocht (

      Over de aanspraken, die de Culemborchs en Arkels op de heerlijkheid maakten en die zij baseerden op de wederrechtelijkheid van deze verkoop, zie men Mr. H. J. Koenen: Teylingen, Brederode en de Lek, in de Wapenherfaut VI, VII en IX

      )
      . Sinds dien werden tot de heerlijkheid van de Lek gerekend de ambachtsheerlijkheden Ridderkerk, Lekkerkerk, Zuidbroek, Krimpen op de IJssel, Krimpen op de Merwede (= Lek), Ouderkerk, Berkenwoude, Streveland (=Streefkerk), Brandwijk, Gijbeland en Bleskensgraaf. In 1413 werd graaf Engelbrecht van Nassau bovendien beleend met de hooge heerlijkheid van Lekkerkerk tot eenzelfde leen als dat van de Lek

      Behalve deze goederen kreeg de heer van de Lek regelmatig, met één uitzondering van korten duur, twee visscherijen met heerlijke rechten op de Lek in erfpacht resp. van de kapittels van Oudmunster en van den Dom te Utrecht. De eerste bevond zich tusschen Schoonhoven en Nieuwlekkerland, de tweede bij den mond van de Lek. De heerlijkheid werd door prins Maurits vermaakt aan zijn bastaardzoon Willem, van wien zij op Willems broeder Lodewijk, heer van Beverweert en Odijk, en diens nakomelingen vererfde. Behoudens de enkele stukken in dezen inventaris beschreven, ging het archief mede over. De heerlijkheid werd in het jaar 1723, in vieren gesplitst, aan verschillende personen verkocht door de familie Nassau-La Lecq, die alleen de visscherijen van de beide Utrechtsche kapittels behield. Deze zijn thans met een deel van het archief eigendom van de Maatschappij Nassau- La Lecq. Een exemplaar van een gedrukt cartularium, in de jaren 1893 en 1894 vervaardigd op last van deze maatschappij, berust thans, evenals het archief zelf, op het Algemeen Rijksarchief. Het bevat akten over de jaren 1293-1810

    • Zie Th. E. van Goor, Beschrijving der stadt en lande van Breda, 1744; Mr. A. G. Kleyn, Geschiedenis van het land en de heeren van Breda tot het tijdstip der afscheiding van Bergen op Zoom, 1861; Prof. mr. H. van der Hoeven, Bijdragen tot de kennis van de geschiedenis van Zundert en Wernhout 1920, waarin op blz. 74 een rapport van mr. C. C. D. Ebell over den oorsprong van Breda; G. C. A. Juten, De oudste heeren van Breda, Taxandria xii en verder Tax. passim; G. C. A. Juten, De Parochiën in het bisdom Breda, 1935. Jhr. dr. Th. van Rheineck Leyssius, De oudste heeren van Stryen, in De Nederlandsche Leeuw 1931, een antwoord hierop van G. C. A. Juten in Taxandria XXXVIII, repliek in De Ned. Leeuw van 1932 en dupliek in Tax. XXXIX

      Van de talrijke goederen, die Jan II van Polanen kreeg door toedoen van Willem van Duvenvoorde (

      Een uitvoerige beschrijving van de politieke en financieele manipulaties van W. van Duvenvoorde vindt men in J. Cuvelier, Les origines de la fortune de la maison d'Orange-Nassau, 1921

      ), was het land van Breda het voornaamste. Omtrent het ontstaan is weinig bekend. Van het land van Strijen, dat begrensd werd door de Striene, de Maas, de Donge en het graafschap Rijen, kwam het noordelijke deel, dat den naam Strijen behield, aan Holland; in het zuidelijke, dat aan Brabant bleef, trad in 1125 een heer van Breda op. De grens tusschen beide deelen liep over Oosterhout, dat Brabantsch, en Zevenbergen, dat Hollandsch was, naar Steenbergen en Bergen op Zoom. Omstreeks 1190 droeg Godfried van Schoten de burcht van Breda met zijn daar omheen liggende allodia op aan den hertog van Brabant, die er Godfried mede beleende onder uitbreiding van het gebied met de vennen aan de noordwestzijde tot aan het land van Strijen. Dit land van Breda werd in 1287 tusschen twee zusterszoons gesplitst in het land van Breda en dat van Bergen op Zoom; een gedeelte waarin Steenbergen, Gastel, Oudenbosch, Standaardbuiten, Fijnaart en Heiningen lagen, bleef gemeenschappelijk eigendom van beiden tot 1458. Een omschrijving van hetgeen tot het land van Breda behoorde, geeft de deelingsakte van 1287 evenmin als de akte van 1350, waarbij de hertog van Brabant de heerlijkheid aan Jan II van Polanen verkocht. Eerst van het jaar 1474 is een denombrement bekend (

      Nass. Dom. Inv. Hingman no. 1010, fol. 38

      )
      , waarin wordt opgesomd wat het land omvatte, n.l. de stad Breda met het slot, de stad Steenbergen (d.w.z. sinds 1458, in welk jaar Breda van het gemeenschappelijk gebleven land, Steenbergen met het Kruisland kreeg), voorts Rozendaal, Nispen, Etten, de Haghe (= Princenhage), Terheiden, Zonzeel (het tegenwoordige Langeweg), Oosterhout met het slot (het zoogenaamde huis te Strijen), Gilze, Ginneken, Alfen, Baarle, Rijsbergen, Groot en Klein Zundert en Dongen, Hier bezat de heer de hooge heerlijkheid. Verder had hij, zooals het denombrement zegt, een smalheerlijkheid in Groot Zundert, de smalheerlijkheid van het goed Gageldonk benevens een andere smalheerlijkheid met "wat cijnzen en renten in de parochies Rosendaal, Nispen, Woude en de Haghe gelegen". Met het laatste zijn onderdeelen bedoeld van het gecompliceerde goed van Gageldonk-Hambroek, waartoe ook goederen te Sprundel behoorden (

      Zie over Gageldonk mr. F. F. X. Cerutti in Jaarboek van den Oudheidkundigen kring "De Ghulden Roos" te Roosendaal, V (1945)

      )

      Dat de heerlijkheid Gageldonk-Hambroek en een deel van Zundert in een andere verhouding tot den heer stonden, vindt zijn reden in de omstandigheid, dat zij niet tezamen met het overige land van Breda door den hertog in leen zijn uitgegeven (

      Zie Kleyn a.w. blz. 67

      ). Deze had bij de uitgifte een uitzondering gemaakt voor de goederen, die reeds door ministerialen van hem in leen werden gehouden en waarvan de hooge heerlijkheid aan den hertog was verbleven. In Princenhage (

      Zie over Princenhage G. C. A. Juten, De parochiën in het bisdom Breda

      )
      had Gageldonk-Hambroek een eigen leenhof en laathof. Het ressort van genoemde hoven vormde dat gedeelte van Hage, dat later Hage onder den Hertog werd genoemd in tegenstelling met Hage-Nassau of Princenhage

      Ook van Zundert (

      Zie prof. mr. van der Hoeven a.w. en G. C. A. Juten als boven. Een denombrement van Zundert-hertog van 1440 is te vinden in Nass. Dom. Inv. Hingman, no. 1010 blz. 112

      ). was een deel aan den hertog verbleven. Dit was als lage heerlijkheid aan het geslacht Montenaken en vervolgens aan dat van Schoonhoven als leen gegeven. De hooge heerlijkheid van dit leen werd met die van Hage-Hertog, Sprundel-Hertog en het gedeelte van Nispen onder den Hertog in 1388 door Johanna, hertogin van Brabant aan Jan van Polanen verpand en niet meer afgelost. Wat de heerlijkheden zelve met de lage rechtspraak betreft, Gageldonk-Hambroek werd in 1458 door Willem de Bye, Zundert-Hertog in 1464 door Johanna van Schoonhoven aan den heer van Breda verkocht

      Buiten den laathof van Gageldonk-Hambroek waren er te Princenhage nog twee andere laathoven, nl. van het goed Ten Houte, dat reeds in de 14de eeuw door den heer van Breda in leen werd uitgegeven, en van het goed Burgst, een al omstreeks 1312 vermeld Brabantsch leen. De vrije rijksabdij Thorn bezat laathoven in Gilze en Baarle, terwijl aan de abdij van St. Bavo te Gent een hof te Sombeke behoorde, dat eenige rechten en inkomsten te Rijsbergen en Zundert genoot (

      Zie G. C. A. Juten, Het hof Sombeke, in Taxandria XXXV, blz. 284

      ). Thorn behield zijn rechten tot de opheffing van de abdij in 1797, de rechten van St. Bavo werden in 1523 aan den heer van Breda verkocht

      Dongen, Wagenberg en het huis te Strijen maakten aanvankelijk geen deel uit van het land van Breda al werden zij gaandeweg beschouwd als ertoe te behooren. Met Dongen werd Willem van Duvenvoorde, heer van Oosterhout, in 1329 door Willem van Horne en Altena als met een Brabantsch leen beleend. In 1350 verkocht hij het, met veel terrein vergroot, als leen van Oosterhout aan zijn dochter BEATRIJS, vrouw van Roelof van Dalem. Haar zoon werd er in 1357 door Jan van Polanen mede beleend, nadat Willem van Oosterhout, zoon van Willem van Duvenvoorde, afstand had gedaan van door hem gepretendeerde leenheersrechten. De nakomelingen van Roelof en Beatrijs van Dalem bleven in het bezit van Dongen, totdat het in 1500 door de hoofdbank van Breda verbeurdverklaard werd wegens wangedrag bedreven door Joost van Dongen (

      Ook het archief van de familie van Dalem kwam in het bezit van den heer van Breda, hetgeen de aanwezigheid verklaart van een aantal personalia en stukken betreffende goederen in het land van Altena en elders, die met de verbeurdverklaring niets uitstaande hadden. Dit archief is, als een geheel beschreven, als aanhangsel geplaatst achter de beschrijving van de stukken, aangaande het land van Breda en Steenbergen

      ). Daarna werd het niet meer in leen uitgegeven

      In 1324 verwierf Willem van Duvenvoorde het bij Oosterhout op de Brabantsch-Hollandsche grens gelegen huis te Strijen, terwijl hij in 1349 beleend werd met de hooge heerlijkheid Wagenberg. Wagenberg evenals Zundert en Gageldonk (

      Hoewel dit op verzoek van graaf Jan van Nassau in 1460 door den hertog met Breda werd vereenigd tot een "onverscheyden leen" (Regentenlijst no. 1817)

      ). worden bij de latere beleeningen met stad en land van Breda als afzonderlijke leenen ontvangen

      De heerlijkheid Breda was souverein behoudens leenhulde aan Brabant en bezat de gebruikelijke regalia. In het geheele land gold het recht van Breda, uitgezonderd binnen de "Palen van de Hoeven van Etten". Deze palen begrensden een gebied, dat oorspronkelijk uit moeren had bestaan en waar recht gesproken werd volgens het Hoevensche charter, door Hendrik van Breda in 1267 bij de uitgifte dier moeren verleend. Breda had de crimineele rechtspraak over de dorpen in het land behalve over Oosterhout en Roozendaal, die vrije heerlijkheden waren. Van vonnissen, gewezen te Breda, bestond reformatie bij den Raad van Brabant. De pretensie van de bank van Santhoven als zou Breda als deel van het land van Rijen onder haar ressort vallen, werd met goed gevolg afgewezen; wel gold dit voor de bovengenoemde gerechten van Zundert-, Hage-, en Sprundel-Hertog en Nispen (

      Zie Recueil des anciennes coutumes de la Belgique, Brabant, Santhoven blz. 204, 494

      )

      Steenbergen (

      Zie W. Bezemer. Oude rechten van Steenbergen, Werken der Ver. tot uitgave der bronnen van het O. Vad. Recht 1e reeks no 20)

      ), dat vóór de verdeeling in 1287 deel had uitgemaakt van het land van Breda en daarna bijna twee eeuwen lang gemeenschappelijk bezit van Breda en Bergen op Zoom bleef, werd, ook nadat het in 1458 aan Breda was toegewezen, als een afzonderlijke heerlijkheid beschouwd. Het werd niet gerekend tot hetgeen later (eind 16e, begin 17e eeuw) de baronie van Breda werd genoemd, hoewel het met Breda tot één leen werd ontvangen en het in het denombrement dier heerlijkheid van 1474 als deel daarvan voorkomt. Van vonnissen in civiele zaken was evenals dat bij de dorpen in de baronie het geval was appèl op de Hoofdbank te Breda en halszaken werden door den drossaard van Breda berecht. De benaming baronie voor het land van Breda komt in de middeleeuwen niet voor; de titel luidt voor prins Willem I evenmin baron doch heer al worden in de 15e eeuw de graven van Nassau door den hertog van Brabant baanrotsen genoemd. Prins Willem evenwel wordt door den keizer baanderheer van Breda geheeten en betitelt zichzelf heer en baron van Breda

      Breda werd door de Nassaus als hun voornaamste bezitting beschouwd (

      In zijn Apologie (uitgave 1858, blz. 58) zegt de prins, sprekende van de erfenis van René van Chalon: "Quant á la succession de Nassau qu'on appelle communément de Breda pour estre le lieu principal de mes seigneuries et où moi et mes prédecesseurs avons tenu nos chambres de comptes, conceil et principauls enseignemens" etc

      ). Wellicht mede door zijn gunstige ligging tusschen noord en zuid, was het hun geliefkoosde verblijfplaats, het middelpunt van de administratie en de centrale bewaarplaats van de archieven hunner verspreide bezittingen

    • De stukken, onder dit hoofd bijeengebracht, vormen tot 1558 het archief van den kastelein en eerst daarna een heerlijkheidsarchief. Het kasteleinschap, waaraan de lage en de middelbare rechtspraak was verbonden, alsmede de benoeming van den schout, werd door graaf Willem III in 1323 aan Willem van Duvenvoorde gegeven als een recht leen en door dezen als een onversterfelijk leen aan Jan van Polanen. Bij het verdrag, in 1421 gesloten tusschen Jacoba van Beieren als vrouwe, haar zwager Philips als ruwaard van Brabant en het land van Brabant zelf eener-, en Jan van Beieren voor Holland anderzijds, werd aan graaf Engelbrecht van Nassau opgedragen de stad van wege Holland, en het slot van wege Brabant te bewaren, waarvoor hij van de Staten van Brabant een jaargeld ontving. Toen Philips de Goede het bestuur over Brabant en Holland in één hand vereenigde, ontsloeg hij, op aandringen van zijn Raad in Holland en eenige steden, die zoowel het slot als de stad voor Holland wilden hebben, graaf Engelbrecht van zijn verplichtingen jegens Brabant, liet hem in 1444 slot en stad beide ontruimen en stelde Bauduin n'Oignies, gouverneur van Rijsel, aan als kastelein. Na diens vrijwilligen afstand en op diens verzoek werd in 1452 met graaf Jan wederom een Nassau aangesteld, maar slechts voor het leven, terwijl bij de verzoening tusschen hertog Philips en graaf Jan in 1456, uitdrukkelijk werd bepaald, dat het burggraafschap aan den hertog bleef. Weliswaar werden ook daarna geregeld de Nassaus met het kasteleinschap bekleed, doch de bevoegdheden waren evenmin als de erfelijkheid meer onaantastbaar. Engelbrecht II kreeg van de "appendances" "tant qu' il nous plaira", hetgeen zeggen wilde, dat Karel de Stoute zich bij Engelbrechts aanstelling in 1475 de voornaamste, n.l. de beschikking over het schoutambt, voorbehield. Dit alles veranderde, toen 5 Mei 1558 de prins van Oranje het pandheerschap kocht van Splinter van Hargen, heer van Oosterwijk, aan wien Philips II het in Januari van hetzelfde jaar verkocht had. Een proces over de aflosbaarheid van de pandschap, in 1668 ontstaan tusschen Willem III en de Staten van Holland, eindigde in 1672 met de beleening van Willem III

    • Deze heerlijkheden werden alle verworven door Willem van Duvenvoorde. Op het bezit daarvan alsmede op dat van Drimmelen, dat graaf Engelbrecht I van Nassau in 1411 verkreeg, werd na den St. Elizabethsvloed het recht op de visscherij in de Verdronken Waard gebaseerd, over welker begrenzing en exploitatie herhaaldelijk processen met de grafelijkheid ontstonden.

    • De grafelijkheid van Holland verkocht in 1316 het ambacht van Kapelle-Nieuwerkerk op den IJsel aan Jan van de Werve en kocht het in 1331 of 1332 terug van Peter van de Lek. Aernout, voogd van Stralen, die tusschen deze beiden de bezitter geweest moet zijn, wordt in de repertoria op de leenregisters van Holland niet genoemd. Voor den koop leende de grafelijkheid geld van Beatrix van der Dussen, nicht van Jan van Polanen, tegen een rente, die na kinderloos overlijden van haar zou vererven op Jan van Polanen en Willem van Duvenvoorde. Deze werden later bezitters van de ambachtsheerlijkheid. Willem van Duvenvoorde kreeg in 1346 bovendien het hoog gerecht over het huis met de naaste omgeving

    • openVIII Uitwijk.
    • Willem van Duvenvoorde kocht deze heerlijkheid van heer Ghijsbrecht van Sterkenborch

    • In 1345 werd Willem van Duvenvoorde met Strevelshoek beleend, te vererven op zijn zoon DIRK. Het is evenals andere goederen van Dirk van Oosterhout na diens overlijden aan Jan van Polanen gekomen.

    • Zie J.C. Ramaer, Geographische geschiedenis van Holland bezuiden de Lek en Nieuwe Maas in de M.E., 1899, blz. 197 en vlgg.; Dr.A.A. Beekman, Geschiedk. atlas van Nederl.: N. en Z. Nederl. in 1300, 1932, bl. 46, en mr. F. F. X. Cerutti, De heerlijkheid en het dorp Niervaart en de stad Klundert in het verleden, 1939.

      Deze heerlijkheid lag in dat gedeelte van het land van Strijen, dat bij de splitsing in de 11e eeuw aan Holland kwam en den naam Strijen behield. Het dorp ontleende zijn naam aan een watergang, die op het einde van de 13e eeuw, waarschijnlijk ter vervanging van de verzande rivier de Overdraghe, gegraven werd en de Mark met de Donk verbond. In 1290 wordt er gesproken van het land ter Nyervaert, in 1297 komen schepenen voor. Zijn ontwikkeling had het dorp te danken aan de zoutnering. Na den dood van Willem van Strijen in 1274 erfde zijn dochter Aleid, die gehuwd was met Nicolaas van Putten, Strijen. De kleinzoons van hun dochter Oda, gehuwd met Willem van Hoorne, Altena en Gaasbeek, nl. Zweder van Abcoude en Jan van Polanen, verdeelden de nalatenschap van hun respectieve moeders aldus, dat Zweder Putten en Strijen kreeg en Jan van Polanen het van Strijen afgescheiden Niervaart. Niervaart werd eenige jaren na den St.-Elizabethsvloed overstroomd, maar herstelde zich eenigermate. Bij de herbedijking van het omliggende en aangeslibde land komt in de 16e eeuw naast den naam Niervaart die van Klundert op, die gaandeweg de oude benaming heeft verdrongen

    • Zie C. R. Hermans, Verzameling van charters en geschiedkundige bescheiden betrekkelijk het land van Ravestein I, blz. 176 en Supplement, blz. 581 en vlgg. passim.

      Elisabeth van Kleef, gehuwd, eerst met Reinoud van Valkenburg, heer van Ravestein, en daarna met Stephan, paltsgraaf bij den Rijn, hertog van Beieren, verpandde Ravestein in 1421 aan Engelbrecht van Nassau en Ruprecht van Virneburg. Het recht hiertoe werd haar betwist door haar broeder Adolf van Kleef, omdat zij Ravestein slechts in vruchtgebruik had gekregen en hem de heerlijkheid was beloofd als onderpand, wanneer bij kinderloos overlijden van Elizabeth haar bruidschat terugbetaald zou moeten worden. Tegenover Adolf van Kleef liet bovendien Odilia van Salm, schoonmoeder van graaf Engelbrecht, erfaanspraken gelden, waarvan een beleening van deze in 1422 het gevolg was. Hoewel deze beleening "tocht ende erve versament" betrof, werd Adolf van Kleef in 1428 beleend met de erfelijkheid der heerlijkheid

      Aan de twist werd in 1444 door arbitrage van Philips van Bourgondië een einde gemaakt, waarbij het land van Ravestein aan Kleef werd toegewezen tegen een vergoeding van 2200 rijnsche guldens aan de andere partij

    • In het jaar 1460 kocht graaf Jan van Nassau het pandheerschap van Engelen en Vlijmen van Willem van Alkemade. In 1551 werd het door de grafelijkheid tegelijk met het pandheerschap van Heusden afgelost

    • Het kasteleinschap en drostambt van Heusden werd, nu eens wel, dan weer niet gecombineerd met het rentmeesterschap, van 1448-1505 bekleed door de graven van Nassau (

      Grafelijkheidsrekeningen Heusden

      ). In 1505 kreeg graaf Hendrik III van Nassau de heerlijkheid Heusden van de grafelijkheid in pandschap. In 1551 werd zij tegelijk met Engelen en Vlijmen afgelost

      In een lade met het opschrift 's-Hertogenbosch werd oudtijds een kleine verzameling charters en papieren bewaard, welke klaarblijkelijk voor een deel heeft behoord tot het archief van heer Dirk van de Merwede, die van 1431-1447 rentmeester, en sinds 1441 tevens kastelein van Heusden was, en voor het overige tot dat van zijn ondergeschikte, Aert van den Camp. Van den laatste zijn eenige familiepapieren tusschen de dienststukken gekomen, terwijl de aanwezigheid van enkele notities aangaande inkoopen voor de keuken te Meeuwen te verklaren zijn door de omstandigheid, dat Dirk van de Merwede heer van Eten en Meeuwen was. Deze stukken worden hier als aanhangsel van de enkele, die van Heusden bewaard zijn, beschreven

    • openXVIII Zwaluwe.

      Willem van Duvenvoordes dochter Beatrijs, gehuwd met Roelof van Dalem, werd in 1346 door Margaretha van Beieren beleend met het ambacht van de Zwaluwe in ruil voor 250 pond zwarte tournooizen jaarlijks uit den tol te Ammers, die Willem van Duvenvoorde had gekocht van Dirc van Matenesse. Wel stond Beatrijs in 1376 de heerlijkheid voor 55 pond jaarlijks af aan Jan van Polanen ten behoeve van diens derde vrouw Margaretha van Lippe, maar in 1404 gaf Margaretha's zoon Otto van de Lek het terug aan Willem, kleinzoon van Beatrijs (

      Van Mieris, III, blz. 788

      ). Het ambacht, waarin zoowel Hooge als het later ontstane Lage Zwaluwe lag, vererfde op dezelfde wijze als Dongen in de familie van dien naam (

      Zie voor het gebruik van den familienaam Van Dalem of Van Dongen de noot op blz. 85

      )
      . en werd in 1513 door de grafelijkheid verbeurd verklaard wegens doodslag, begaan door Jan van Dalem. De weduwe van den veroordeelde verkreeg gratie, en den len Juni 1517 werd haar het geconfisqueerde goed teruggegeven door Karel V, doch de Rekenkamer van Holland weigerde de vereischte registratie der akte. Wellicht hierom, in ieder geval daarna, n.l. in 1518, schonk Karel V de Zwaluwe aan graaf Hendrik van Nassau. Deze kreeg weliswaar moeilijkheden met den Geheimen Raad en den Raad van Financiën, doch mocht zich in het langdurige proces, dat nu volgde tusschen hem en de familie Van Dalem, in den steun van den keizer verheugen, o.a. omdat deze graaf Hendrik bij verlies van het proces schadevergoeding zou moeten betalen. De schadevergoeding kwam nu ten laste van den prins van Oranje, ten wiens behoeve n.l. de dochter van Jan van Dalem in 1582 afstand deed van haar rechten tegen 300 car. gld. jaarlijks. Met Lage Zwaluwe wordt in de beleeningsakte van 1611 voor Frederik Hendrik de Strijensche Zwaluwe vereenzelvigd. Dit was evenwel een afzonderlijk gebied ten zuiden en ten westen van het ambacht der Van Dalems. Met de Strijensche Zwaluwe werd, waarschijnlijk slechts voor een deel, Jan van Polanen in 1358 beleend door Alijd van Putten en Strijen (

      Reg. no. 567

      )

    • Zie J. Arnoldi, Gesch. der Or. Nass. Länder und ihrer Regenten, IIer band, 1800; P.H. Witkamp, Gesch. der Zeventien Nederlanden, 1880; H. Reiners, Die Kunstdenkmäler von Eupen-Malmedy, 1935.

      Het graafschap Vianden was een allodiaal goed, totdat in 1269, bij een twist tusschen graaf Hendrik en zijn oom Philips, de laatste voor de hulp, hem verleend door den hertog van Luxemburg, diens leenheerschap erkende. Uit het huwelijk van Maria, erfdochter van Vianden, met Simon van Sponheim werd een dochter Elisabeth geboren. Deze was achtereenvolgens gehuwd met Ruprecht van Beieren en Dirk van der Mark, doch stierf kinderloos in 1417. Van haar vererfde Vianden op de kleinzoons van haar zuster Adelheid, die gehuwd was met Otto van Nassau-Dillenburg. Hun zoon Jan, gehuwd met Margaretha van Kleef, had vier zoons, Adolf, Jan, Engelbrecht en Jan, die Vianden gezamenlijk bezaten

      Bij de verdeeling van de goederen van graaf Engelbrecht I van Nassau tusschen zijn zoons Jan IV en Hendrik II in 1447, kreeg Hendrik 3/4 van Vianden benevens het vruchtgebruik van het overblijvende 1/4. Dit duurde slechts tot 1450, in welk jaar graaf Jan door den dood van Hendrik de eenige bezitter van alle vaderlijke goederen werd

      In 1489 moest graaf Engelbrecht II Vianden verpanden aan zijn broeder Jan V, die zich borg had gesteld voor een deel van den losprijs, door graaf Engelbrecht te betalen aan den koning van Frankrijk na zijn gevangenneming bij Béthune. In 1497 loste hij het af

      Zijn erfgenaam, graaf Hendrik III stond Vianden c.a. af aan zijn jongeren broeder Willem gedurende diens leven (

      Dit alles maakt het verklaarbaar, dat de Rekenkamer in een brief aan prins Willem van Mei 1567 erover klaagt, dat zooveel archiefstukken aangaande Vianden zich in Dillenburg bevinden en erop aandringt, dat deze naar Breda gezonden worden (Kon. Huisarchief Inv. Prins Willem I no. 2245 I)

      )

      St. Vith en Bütgenbach behoorden achtereenvolgens aan de geslachten Luxemburg, Limburg en Valkenburg. Na kinderloos overlijden van Johan van Valkenburg in 1352, werden beide heerlijkheden successievelijk aan verschillende personen verkocht, ongeacht de aanspraken van verwanten. Van deze slaagde tenslotte Simon van Sponheim er in 1380 in de beide heerlijkheden als Luxemburgsche leenen te verkrijgen van Wenceslas van Luxemburg. Daar de Sponheims ook Dasburg bezaten, kwamen, door Simons huwelijk met Maria van Vianden, de drie heerlijkheden met Vianden in één hand

      Hun dochter Elisabeth verpandde St. Vith en Bütgenbach aan graaf Engelbrecht van Nassau en graaf Ruprecht van Virneburg, bij niet-aflossing te vererven op een zoon van Nassau, die een dochter van Virneburg zou huwen. Uit dit huwelijk, dat tot stand kwam tusschen Hendrik II en Genoveva van Virneburg, bleef alleen een dochter in leven, waarvan het gevolg was, dat de heerlijkheden onverdeeld aan Hendriks broeder, graaf Jan IV, vervielen. Met Vianden bleven zij in het bezit der Nassaus tot 1795

    • De helft van Grimbergen kwam met Corroy, Frasnes en Londerzeel door het huwelijk van Maria, erfdochter van half Grimbergen, met Philips, graaf van Vianden, in het geslacht van Vianden, waaruit het op dezelfde wijze als dit graafschap op de Nassaus vererfde. De tweede helft ging met een andere erfdochter over in het geslacht Van Aa en vervolgens in dat van Boutershem, waaruit de heeren van Bergen op Zoom voortkwamen. In 1757 werd Grimbergen in zijn geheel verkocht aan Ferdinand, hertog van Croy. Corroy veranderde nog eenige malen van eigenaar (

      Zie Reg. no. 2976

      )., voordat het werd teruggekocht door René Van Chalon, die het met Frasnes afstond aan zijn bastaardbroeder Alexius

    • J. Arnoldi, Gesch. der Oraniën-Nassauschen länder und ihre Regenten, IIer bd. 1800; Chr. J. Kremer, Akad. Beiträge zur Gülch. und Bergischen Geschichte, 1769; M. J. Wolters, Notice historique sur les anciens seigneurs de Steyn, 1854.

      Millen, Gangelt en Vucht (= Waldfeucht) waren door Jan van Loon, heer van Heinsberg, als apanage toebedeeld aan zijn jongsten zoon JAN, den lateren bisschop van Luik, na wiens dood zij aan twee oudere zoons zouden komen. Nadat deze verdeeling gemaakt was, werden uit een tweede huwelijk van Jan van Loon Maria en een zuster Jacoba, later abdis van Thorn, geboren, aan wie een erfdeel in geld werd toegezegd. Toen deze bedragen bij den dood van Jan van Loon, den bisschop, nog niet geheel betaald waren, nam Jan IV van Nassau als echtgenoot van Maria Millen, Gangelt en Vucht in beslag voor de beide zusters, van welke Jacoba zich door hem liet uitkoopen. Tegen Jan van Nassau verzetten zich de nakomelingen van de twee oudste zoons van Jan van Loon nl. Johanna van Loon, gehuwd met Jan Van Nassau-Sarbrücken, en Gerhard van Blankenheim. Bij arbitrage van Philips van Bourgondië werd Jan van Nassau in het bezit gelaten en aan ieder der beide anderen de helft van het erfrecht toegewezen. Voor een van hen is dit niet doorgegaan of heeft afkoop plaats gehad, want in 1499 ruilde graaf Engelbrecht II van Nassau de helft van Millen, Gangelt en Vucht met Willem van Gulik, schoonzoon van bovengenoemde Johanna van Nassausarbrücken tegen de heerlijkheid Diest c.a. (zie het volgende hoofdstuk). Eveneens van Jan van Loon kwamen de heerlijkheden Stein en Lummen; Stein was afkomstig van Willem van Brederode, Lummen van Jan van der Marck, heer van Aremberg. De aanspraken van de familie van Maria van Loon kocht graaf Jan IV van Nassau af. Lummen ruilde hij in 1464 tegen Zundert-Hertog, Stein verkocht hij in 1464 aan Herman van Bronkhorst. Bij de stukken aangaande Stein waren oudtijds opgeborgen eenige papieren, in den ouden Inventaris de Brederodepapieren genoemd, die o.a. betrekking hebben op de heerlijkheden van de Merwede en Gennep, evenals Stein eerder eigendom van deze familie. Deze stukken zijn bijeengelaten en in ditzelfde hoofdstuk als Aanhangsel beschreven

    • Zie Chronicon Diestense, uitgegeven door M. Raymakers in Bulletin de la Commission royale d'histoire de Belgique, 3e serie, tome II, (1861); F. J. E. Raymakers, Het kerkelijk en liefdadig Diest, 1870; M. Ch. Stallaert, Inventaire analytique des chartes concernant les seigneurs et la ville de Diest, in Compte rendu de la Commission royale enz., 4e serie, tome III, (1876); J. de Sturler, Un fief de l'Archevêché de Cologne en Brabant: La eigneurie de Diest, in Bulletin de la Commissien royale enz. tome CI, (1936), blz. 137-186; Instructive memorie op de domeinen van Z.H. door F. E. Fijen, van 1768 (Inv. Nass. Dom. fol. 794 no. 78); P. J. Goetschalckx, Eenige aanteekeningen rakende de geschiedenis van Sichem in Bijdr. tot de gesch. van het hertogdom Brabant, I, (1902), blz. 523

      In de inleiding tot het vorige hoofdstuk (blz. 151) is reeds vermeld, hoe graaf Engelbrecht II de helft van Millen, Gangelt en Vucht ruilde tegen Diest c.a. Onder de annexa zijn te verstaan: "tol en doorgang" van Diest, het burggraafschap van Antwerpen, benevens Zelhem, Sichem, Meerhout, Vorst, Holede en 9 bunder land te Wommerssom, welke goederen in 1447 reeds aan Jan IV van Nassau verpand waren. Het waren Brabantsche leenen behalve Diest zelve, dat oorspronkelijk allodiaal, door Arnold II aan Philips van Heinsberg als aartsbisschop van Keulen (1168-1191) werd opgedragen. De heeren van Diest herinnerden zich het bestaan dezer vazaliteit slechts bij hooge uitzondering, zooals in 1308, toen Gerard van Diest zich op de leenroerigheid aan Keulen beriep om voor Diest uitzondering te verkrijgen van den ban, die Brabant getroffen had

      De annexe bezittingen werden langzamerhand en langs verschillende wegen verworven. Wanneer Zelhem en het burggraafschap van Antwerpen aan de heeren van Diest zijn gekomen, is mij niet gebleken; Arnold V (†1296) is, voor zoover bekend, de eerste, die zich burggraaf van Antwerpen (

      Volgens Witkamp, Gesch. der zeventien Nederlanden, II, blz. 360, komt reeds in 1268 een Arnold van Diest voor als burggraaf

      )., Thomas (†1349) de eerste, die zich heer van Zelhem noemt. De genealogen voegen daarom tusschen Arnold IV en V nog een Arnold in, die met een erfdochter van het burggraafschap gehuwd zou zijn geweest. Het ligt meer voor de hand, dat de hertog van Brabant, die als hertog van Neder-Lotharingen markgraaf van Antwerpen was, den titel van burggraaf erfelijk aan een der heeren van Diest heeft geschonken. Sichem kocht Thomas II in 1413 van Reinald, heer van Schoonvorst en Montjoie

      Van Meerhout bezaten de heeren van Diest als zoodanig de helft met hooge rechtspraak; door het huwelijk van Thomas II met Catherina van den Wiere kregen zij er de andere helft bij benevens de dorpen Vorst en Holede, alle met uitzondering van de hooge rechtspraak, en de 9 bunder land te Wommerssom

      Diest, dat aanvankelijk met een aantal omliggende gehuchten één heerlijkheid vormde, werd daarvan in 1229 door verkrijging van stadsrecht geëximeerd. De onderhoorigheden, die evenals het bestuur van de stad Sichem onder den drossaard van de landen van Diest en Sichem stonden, behielden hun meier en 7 schepenen, die op den burcht te Schaffen vergaderden en een zegel gebruikten, waarop het wapen van Diest met het randschrift "Sigillum scabinorum forensium de Dyste". Sinds 1566 waren zij verplicht te Diest in het korenhuis te vergaderen

      De beide helften van Meerhout hadden evenals Vorst ieder een bank, welke drie banken door eenzelfden meier van den heer van Diest werden bediend. In die helft van Meerhout, welke deel uitmaakte van de heerlijkheid Wier, stelde het kapittel van St. Gomarus te Lier de schepenen aan, die den eed aflegden aan den hertog, het kapittel en den heer van Diest. In de andere helft lag de hof te Lare, die de heer in cijns had van het kapittel te Lier

      Graaf Hendrik III van Nassau liet ook te Diest in 1514 of 1516 een burcht bouwen na slooping van twee oude kasteelen, waarvan er een, gebouwd vòòr 1200, op de Warande lag temidden van wijngaarden, en de andere, die uit het midden van de 14e eeuw dateert, op het St. Jansveld. Graaf Hendriks gemalin, Claude de Chalon, te Diest gestorven in 1521, is er, evenals prins Philips Willem begraven; de eerste in de St. Jans-, de laatste in de St.- Sulpiciuskerk. Diest heeft tot 1795 aan de Nassaus behoord

    • openXXIII Assche.
    • Zie ook no. 877

    • Zie J. de la Pise, Tableau de l'histoire des Princes et principeauté d'Orange, 1639. A. de Pontbriant, Histoire de la principeauté d'Orange, 1891

      In 1530 erfde René, graaf van Nassau, toen elf jaar oud, alle goederen van zijn moeders broeder Philibert van Chalon, wiens naam hij toen tevens aannam. Deze nalatenschap bevatte behalve het prinsdom Oranje een groot aantal heerlijkheden en goederen in het vrijgraafschap Bourgondië of Franche Comté, de Dauphiné en Bre tagne. In Bourgondië waren de voornaamste Arlay, Noseroy, Chatelbelin met Orgelet, Arbois e.a., Chateauguion, St. Anne (= St. Agnès), Arguel, Bletterans met Beaurepaire en Salières; voorts Lons le Saunier, Cuiseaux, Varennes, 1/3 (de portie Chalon) en 1/6 (de portie Auxerre) van de zoutziederijen te Salins, die door de vrijgraven van Bourgondië en de Chalons werden geëxploiteerd. Verder waren de Chalons erfelijk gouverneur van het graafschap Bourgondië en burggraaf van Besancon. In de Dauphiné bezaten zij, uit hoofde van hun aanspra ken op het graafschap Genève, Theys, Peire, Domène en Falaviel en verder nog Orpierre, Trescléoux, Montbrison en een deel van Novesan (

      Dit wordt steeds genoemd: la Pareirie de Novesan. In den ouden inventaris van het prinsdom Oranje vond ik eenmaal in een ander verband: partie ou pairerie

      )

      Voor hulp, bewezen aan den hertog van Bretagne, kreeg Jean II van Chalon in dat hertogdom het graafschap Penthièvre met Lamballe, Montcontour, de havens tusschen Cresnoy en Arguenon, Touffou en Succynio, benevens twee huizen te Nantes en het huis genaamd d'Etampes te Parijs. Touffou en Succynio werden in 1510 door Anne de Bretagne teruggenomen voor den bij de schenking overeengekomen losprijs. Een vordering, groot 50000 schilden, die nooit betaald is, was al wat er voor de Nassaus van overbleef. Van zijn moeder Catherina van Bretagne erfde Jean II daar nog eenige andere heerlijkheden. Voorts konden de Chalons zich graven van Neuchâtel, Tonnerre, Charny en Armagnac noemen

      Met de goederen in Bourgondië erfde René van Chalon de precaire positie der Chalons, die als Bourgondische leenmannen de zijde van den keizer moesten kiezen, en als prinsen van Oranje, vooral terwille van de erkenning hunner souvereiniteit, met den koning van Frankrijk op goeden voet moesten blijven. In de oorlogen tusschen Karel V en Frans I werd het grootste deel der goederen herhaaldelijk bezet en toegewezen eerst aan Philiberte van Luxemburg, moeder van Philibert van Chalon, die de Fransche zijde hield en haar douarie opeischte, en later aan de vele pretendenten, afstammelingen deels in de vrouwelijke, deels in een jongere lijn, die René de erfenis betwistten. Dank zij de nauwe relaties, die er tusschen Karel V en de Nassaus sedert Hendrik III bestonden, werden zij bij de opeenvolgende vredesverdragen telkens weer in het bezit van Oranje met de souvereiniteit en andere goederen gereïntegreerd, doch de uitvoering liet veel te wenschen over en had een sleep van eindelooze processen tenge volge. De souvereiniteit van Oranje was voor de koningen van Frankrijk het middel om de prinsen te straffen of voor zich te winnen

      Lodewijk XI verklaarde in 1475 het prinsdom leenroerig aan de Dauphiné, waarvan het gevolg was, dat er appèl van het Parlement van Oranje op dat te Grenoble moge lijk was. Het verzet van de bevolking tegen de vreemde heerschers, dat gedurende de godsdiensttwisten zijn hoogtepunt bereikte, uitte zich o.a. daarin, dat verschil lende personen, met negatie van de souvereiniteit, in appèl gingen te Grenoble, waar zij met open armen ontvangen werden, evenals de Fransche pretendenten, die er met succes procedeerden over de hun eenmaal toegewezen goederen

      Ook Provence maakte nu en dan nog aanspraak op het leenheerschap, hetgeen terugging op een transactie van het jaar 1307, waarbij Bertrand de Baux leenman werd van Karel van Anjou, koning van Sicilië, graaf van Provence, om daardoor een deel van Oranje, dat door zijn voorgangers was vervreemd, terug te krijgen. Gebruik makende evenwel van den geldnood van René van Anjou, had Louis van Chalon de leenhulde afgekocht, waarmede ook appèl op het parlement te Aix vervallen was

      Wat het beheer aangaat, vinden we een superintendent van het huis Chalon vermeld, die het oppertoezicht over alles gehad schijnt te hebben. In Oranje zetelden raden voor het prinsdom, te Dôle raden voor de goederen in Bourgondië; voor elk der beide complexen was er een baljuw-, of procureur-generaal en een tresorier-generaal; voorts waren er rentmeesters voor de verschillende rentambten. Willem I stelde in 1552 of 1553 voor Bourgondië een Rekenkamer in, welke te Chateauguion gevestigd was en daar de rekeningen afhoorde. Een vertrouwensman ried den prins tevergeefs aan de Rekenkamer af te schaffen, omdat zij niet populair was, vooral niet bij de gegoeden, die liever met den procureur-generaal alleen te maken hadden, en omdat de inkomsten te gering waren dan dat zij niet gemist zou kunnen worden

      De charters en papieren aangaande Oranje werden op het kasteel bewaard, de Bourgondische stukken eerst te Noseroy, vanwaar zij op bevel van graaf Hendrik van Nassau veiligheidshalve (Noseroy was de verblijfplaats van Philiberte van Luxemburg) werden overgebracht naar het kasteel St. Agnès (St. Asne, St. Anne) sur Salins. Sedert de vestiging van de Rekenkamer voor de Bourgondische goederen te Chateauguion werden ook daar archivalia, wellicht het geheele archief bewaard

      Zooals reeds in de Inleiding gezegd is, werden herhaalde lijk gedeelten van de archieven naar Breda overgebracht, wanneer de raad het noodig achtte, hetzij voor het beheer, hetzij om de veiligheid. Voor de beheerders in Oranje bracht dit groote bezwaren mede, doch wij hebben daaraan het bestaan te danken van den eenigen ouden inventaris aangaande de nalatenschap Chalon, die bewaard is gebleven. De griffier Sauzin n.l., die in 1648 in den Haag verbleef, beklaagt er zich bij den Domeinraad over, dat "messrs. du Bureau de S.A. à Orange" zich niet kunnen voorbereiden voor de komende conferentie met gedeputeerden van den paus ter vaststelling van de grens tusschen Oranje en Avignon, bij gebrek aan de belangrijkste stukken uit het archief, die in de jaren 1569, 1607, 1614, 1618, 1622 en 1630 zijn overgebracht naar Holland (ook vòòr 1569 was dit gebeurd). Hij verzoekt van die stukken een inventaris te mogen maken ter aanvulling van dengene, dien hij in 1642 van de archieven in Oranje heeft vervaardigd. Deze inventaris, die is bijgehouden tot c. 1670, is bewaard gebleven. Voorin staat ter aanvulling een inhoudsopgave van den grooten inventaris, die te Oranje berustte

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in