gahetNA in het Nationaal Archief

Curaçao, Bonaire en Aruba tot 1828

1.05.12.01
R. Bijlsma, T. van der Lee
Nationaal Archief, Den Haag
1989
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

1.05.12.01
Auteur: R. Bijlsma, T. van der Lee
Nationaal Archief, Den Haag
1989
CC0

Periode:

1707-1859
merendeel 1707-1828

Omvang:

126,50 meter; 1717 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

De oud-archieven van Curaçao, Bonaire en Aruba bevatten stukken van een groot aantal instellingen op bestuurlijk terrein (politiek, juridisch, militair, religie) van deze eilanden
Tot de stukken behoren reeksen resoluties, notulen, rekesten met daarop genomen beslissingen en ook gerechtsrollen (met sententies). Verder zijn er journalen van gouverneurs en commandeurs, reglementen en instructies en aanstellingen van ambtenaren. Ook is er veel correspondentie, met name in de vorm van uitgaande brieven. Voor financiële instellingen als de weeskamer zijn er onder meer grootboeken, kasboeken, venduboeken en boedels.Van religieuze instellingen zijn er gegevens over dopen-, trouwen- en begraven. Er zijn protocollen van secretariële en notariële akten en akten van hypotheek. Het archief bevat ook vrijbrieven (manumissies) betreffende het officieel vrijkopen of vrijgeven van slaven. Tevens zijn er de nodige gegevens over de lokale scheepvaart (inclusief de kaapvaart): handel, stranding, passagiers, desertie e.d.
Er zijn diverse eigentijdse toegangen als registers en repertoria.

Archiefvormers:

  • College van Commercie en Zeezaken van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • College van de Wees-, Onbeheerde- en Desolate Boedelkamer van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • College voor Commercie en Zeevaart van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Commandeur van Aruba
  • Commandeur van Bonaire
  • Commissarissen en Raden van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Commissarissen van Mindere Questiën en Verschillen van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Directeur ad interim van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Directeur en Raden van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Engelse Civiel Gouverneur van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Engelse Gouverneur en Commandant van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Engelse Governor and Commander in Chief van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Engelse Luitenant-Gouverneur van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Engelse Ontvanger van de Zegelrechten van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Evangelisch-Lutherse Gemeente te Curaçao
  • Gouverneur van Curaçao, Bonaire en Aruba, 1804-1807
  • Gouverneur-Generaal van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Grote Raad van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Hervormde Gemeente te Curaçao
  • Hof van Civiele en Criminele Justitie van Demerary
  • Hoofdontvanger van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Kleine Raad van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Magazijnmeester van alle Magazijnen op Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Militaire Commandant van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Nederlands-Portugees-Israëlitische Gemeente te Curaçao
  • Ontvanger-Generaal van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Portugees-Joodse Gemeente te Curaçao
  • Raad Boekhouder-Generaal van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Raad Contrarolleur-Generaal van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Raad Controleur-Generaal van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Raad van Civiele en Criminele Justitie van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Raad van Politie van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Raad van Politie van Curaçao, Bonaire en Aruba, Secretaris fungerend als Notaris
  • Raad voor Administratie van het Pensioenfonds voor Ambtenaren in de Nederlandse Westindische Koloniën te Curaçao
  • Receiver of Stamp-duties of Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Rooms-Katholieke Kerk te Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Schutterij van Curaçao
  • Vendumeester en Ontvanger der Recognities van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Vendumeester van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Weeskamer van Curaçao, Bonaire en Aruba
  • Bennebroek Gravenhorst, J.
  • Teylingen, P.Th. Van
  • Jutting, J.N.C.
  • Lourentszoon, Hendrik Pletsz
  • Schagen, Jan van
  • Gruijs, Gerrit

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

    • De regeling van het bestuur over Curaçao en de onderhorige eilanden Bonaire en Aruba was vastgelegde in de instructie voor de directeur. De directeur ontving zijn commissie en instructie tot 1674 van de vergadering van de Heren XIX en daarna van de Heren X van de West-Indische Compagnie, na bekrachtiging door de Staten-Generaal. De oudste nog aanwezige instructie voor de tweede directeur Jacob Pietersz. Tolck, opvolger van directeur Van Walbeeck, dateert van 1638. (

      WIP I nr. 1 (art. 3) blz. 3

      ) Tijdens zijn bestuursperiode (1639 - 1641) bestond de Raad uit de directeur, de luitenant van de militie, de commissaris van de koopmanschappen van enige aanwezige schippers van de WIC. De Raad mocht niet meer dan 7 personen bevatten. De directeur zat de Raad voor, bracht voorstellen ter tafel en had een dubbele stem bij het staken der stemmen. De Raad wisselde met de jaren van samenstelling. Met het aantreden van Matthias Beck in juni 1655 als vice-directeur hadden naast hem zitting in de Raad de luitenant van de militie, de commies en de vaandrig van de militie (resp. voor Compagnies- dan wel militaire zaken), terwijl hij voor kwesties tussen de "vrije luyden" onderling een beroep kon doen op twee vrije burgers; "vrij", in die zin dat zij als koopman of planter niet aan Compagnie of militaire hiërarchie gebonden zijn. (

      WIP I nr. 39 (art. 3) blz. 53.

      )

      De taken en de bevoegdheden van de directeur zijn veelal tot in detail in de instructie geformuleerd. Het aantal artikelen van de instructies varieerde van zevenentwintig in 1638 tot meer dan vijftig in 1764. De aard van de onderwerpen hing vaak samen met de tijdsomstandigheden, waarin de instucties tot stand kwamen.

      De instructie van 24 augustus 1679 voor directeur Nicolaes van Liebergen bepaalde o.a. dat de directeur in alle zaken, zo van "policie als van oorlog", het hoogste gezag had. In zaken van belang zou hij de Raad bijeenroepen. De Raad nam echter niet alleen besluiten over de door de directeur naar voren gebrachte zaken i.v.m. bestuur en wetgeving, maar zij besliste eveneens over civiele en criminele zaken. (

      WIP I nr. 43 (art. 3) blz. 66.

      )

      Tijdens het roerige bewind van Van Liebergen werd de Raad gevormd door de directeur, de commissaris van de pakhuizen en magazijnen, de kapitein-luitenant van de burgerij, de vaandrig van de militie en door de twee oudst in rang aanwezige schippers van de WIC of bij afwezigheid door twee deskundige en aanzienlijke burgers van gereformeerde huize. (

      WIP I nr. 43 (art. 6) blz. 67.

      )

      De beslissingsmacht van de directeur was in die tijd minder groot dan algemeen wordt aangenomen. In feite moest hij de Raad voor alles inschakelen en haar bij zijn beleid betrekken. De samenstelling van de Raad onder directeur Du Fay (1721 - 1730) week in zoverre van de vorige af, dat de Raad werd uitgebreid met de kapitein-luitenant van de militie, de commissaris van de slavenhandel en een derde burger. (

      WIC 473 (1721 okt. 28) fo. 41.

      )

      Soms kon het optreden van een directeur aanleiding geven tot het aanbrengen van wijzigingen in de instructie. Machtsmisbruik van directeur Juan Pedro van Collen tegenover zijn Raad en vooral in justitiële zaken, leidde zo tot een vrij belangrijke verandering in de instructie van zijn opvolger directeur Isaac Faesch. (

      WIP I nr 139 (artt. 5 - 7) blz. 188 - 189.

      )

      Deze verloor zijn dubbele stem bij het staken der stemmen, wanneer het rechtszaken betrof. Bovendien werd aan het vijfde artikel van zijn instructie toegevoegd dat hij de Raad ook zou bijeenroepen voor het maken van nieuwe wetten, reglementen en keuren, naast andere belangrijke zaken. Verder diende men - in verband met een snellere afwikkeling van jusitiële zaken - om de veertien dagen te vergaderen. Aan zijn Raad werd de kapitein van de militie toegevoegd.

      In de instructie van 14 mei 1764 voor directeur Jean Rodier was de samenstelling van de Raad practisch onveranderd gehandhaafd. (

      Nederlandse Jaarboeken dl. 18 (1764) blz. 468 - 487.

      )

      De kapitein-luitenant van de militie verdween en de luitenant kwam in zijn plaats. Het zou trouwens nog tot in de negentiger jaren van de 18e eeuw duren voordat het militaire element geheel en al uit de Raad was verdwenen. Johannes de Veer Abrahamsz. (1782 - 1796) was de laatste directeur onder het bewind van de WIC en de eerste directeur die namens de Staten-Generaal het bestuur uitoefende. Zijn bestuursperiode werd gekenmerkt door talrijke twisten tussen hem, de Raad en de burgerij. Bovendien botsten het garnizoen en de burgers en braken er rellen uit tussen Frans- en Prinsgezinde burgers op het eiland. Het vervullen van vakatures in de Raad na het aftreden van de drie militairen in 1792 stelde de directeur voor grote problemen. Het was uitermate moeilijk gebleken om burger-opvolgers voor de militairen te vinden. De Veer zag zich genoodzaakt een beroep te doen op de Directie van de Raad der Coloniën in Den Haag, met het verzoek om nieuwe orders, omdat zijn instructies van 12 april 1782 in deze geen uitsluitsel gaf.(

      WIC 19 fo. 267vo - 280.

      ) Dit verzoek resulteerde in de partikuliere memorie van 9 oktober 1793 die een provisionele instructie voor de directeur inhield. (

      Archief Raad der Coloniën 13 blz. 182 - 205.

      )

      De directeur kreeg het opperbestuur over de militie; in geval van oorlog of dreiging van binnenuit zou een Grote Krijgsraad worden bijeengeroepen, samengesteld uit een gelijk aantal politieke raden en militairen. De Raad zou worden gevormd door de directeur, de fiscaal, de kapitein van de burgerij, de boekhouder-generaal en drie burgers van Protestantse huize. In de periode sep. 1796 tot 1800 werd het bestuur door twee directeuren ad interim waargenomen. De boekhouder-generaal Jan Jacob Beaujon vervulde het ambt tot dec. 1796 en werd toen wegens vermeende Engelse sympathieën uit zijn functie ontheven. Zijn opvolger Johan Rudolph Lauffer, die in dec. 1796 de functie ging waarnemen, bleef ook tijdens het Engelse bewind van 1800 tot 1803 naast de militaire gouverneur als civiel gouverneur aan het bestuur deelnemen.

      Na het vertrek van de Engelsen en tot de komst van gouverneur Changuion werd het bestuur in 1804 tijdelijk opgedragen aan de commissarissen Berch en De Veer. (

      WIP II nr. 521 (1803 jan. 13) blz. 603.

      )

    • Het staatsbewind van de Bataafse Republiek stelde bij Besluit van 12 juni 1804 een "Provisioneele instructie voor de Politicque Regeeringe op het eiland Curaçao en onderhorige eilanden vast".(

      WIP II nr. 650, blz. 640 - 647 (artt. 1 - 51).

      ) Onder dezelfde dagtekening werd een instructie voor de nieuwbenoemde gouverneur gearresteerd.(

      WIP II nr. 559, blz. 630 - 640 (artt. 1 - 46).

      )
      Volgens deze provisionele instructie zou de politieke regering berusten bij de gouverneur en zes raden van Politie. De fiscaal en de boekhouder-generaal namen uit hoofde van hun functies met een adviserende stem deel aan de Raad; de overige vier raden werden uit de ingezetenen gekozen.

      Op 10 september 1804 werd de nieuwe gouverneur door de leden van het waarnemend bestuur (de commissarissen Berch en De Veer) geïnstalleerd en op 18 september benoemde de gouverneur als president van het college de nieuwe raadsleden.(

      Inv. nr. 452, blz. 217 - 219.

      ) Tevens wees de gouverneur voorlopig de nieuwe Raad aan als college voor de Civiele en Criminele Justitie. Een afzonderlijke Raad van Civiele en Criminele Justitie zou in werking treden na de aankomst van een in Nederland te benoemen vice-president. Uit de archiefstukken blijkt dat deze Raad van Justitie een eigen administratie voerde en zich als een afzonderlijke college beschouwde.

      In de vergadering van de Raad van Politie van 1 mei 1806 bracht de gouverneur de secrete resolutie van de Raad der Amerikaanse Coloniën en Bezittingen van 19 september 1805 nr. 1 in de Raad, waarbij de instelling van een afzonderlijke college voor Justitie gelast werd, bestaande uit de gouverneur als president zonder stem; een vice-president en zeven rechters gekozen uit de ingezetenen. Het duurde echter tot 18 december 1806, voordat de gouverneur tot de installatie van een Raad van Civiele en Criminele Justitie kon overgaan.(

      Inv. nr. 558, blz. 108.

      )

      Na de verovering van Curaçao door de Engelsen op 1 januari 1807 bleven de Raad van Politie en de Raad van Civiele en Criminele Justitie aanvankelijk bestaan; tot leden van de Raad van Civiele en Criminele Justitie werden door de Engelse luitenant-gouverneur benoemd de commissarissen van het college van "Mindere Questiën en Verschillen".(

      Inv. nr. 455, nr. 2.

      )

      Op 27 februari 1807 werd de tijdelijk waarnemend luitenant-gouverneur opgevolgd door een "Governor and Commander in chief".(

      Inv. nr. 522, nr. 9.

      ) Onder diens bestuur werden op 2 juni 1807 de Raad van Politie en de Raad van Civiele en Criminele Justitie weer tot één college samengevoegd met de gouverneur als president, en de fiscaal, de boekhouder-generaal en vier burgers als leden van de Raad.(

      Inv. nr. 522, nr. 35.

      )
      Ook sindsdien bleven echter de Raad van Politie en de Raad van Civiele en Criminele Justitie als afzonderlijke lichamen optreden en hadden deze colleges elk hun eigen administratie.

      Op 4 maart 1816 keerde Curaçao terug onder het Nederlands bestuur en trad het Reglement op het beleid van de regering, het justitiewezen, de handel en scheepvaart op Curaçao en onderhorige eilanden in werking, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 14 september 1815 no. 58.(

      Inv. nr. 245, nr. 1A, blz. (1 - 38). Gedrukt.

      )

      Volgens dit reglement was het hoge uitvoerend gezag gevestigd in de persoon van de gouverneur-generaal, die tevens de functie van opperbevelhebber van de land- en zeemacht vervulde. De instructies voor de gouverneur-generaal en de contrarolleur-generaal zijn bij het reglement opgenomen. In de artt. 1 - 21 van het reglement zijn de bevoegdheden van de gouverneur-generaal nader geformuleerd. In genoemd reglement handelen de artt. 23 - 43 en 44 - 63 respectievelijk over de Raad van Politie en de Raad van Civiele en Criminele Justitie. In de inleidingen bij de genoemde colleges werden de bovenvermelde artikelen nader toegelicht.

    • In 1717 werd door directeur Jonathan van Beuningen een afzonderlijk college ingesteld, dat zich zou bezighouden met de rechtspraak in civiele zaken tot 300 pesos. (

      WIC 603 fo. 1187 (het bedrag werd op 5 mei 1761 verhoogd tot 600 pesos).

      )

      Bij missive van 20 april 1717 deelde directeur Van Beuningen aan de vergadering van Tienen mede dat: "dewijle door de continueele indispositie van de heeren Kerckrinck en Redoch den Raad veeltijts geen sessie kon hebben, ende het egter van grote noodsakelijkcheyt is dat de vreemdelingen en opgeseetenen in hunne regtzaaken niet werden opgehouden, hebben ten dien eynde met communicatie van den Raad goedgedagt een regtbank van commissarissen van "Mindere Questiën en Verschillen" aan te stellen, bestaande in 5 perzoonen".(

      WIC 206 fo. 284vo, fo. 314.

      )

      De vergadering van Tienen verleende bij resolutie van 9 november 1717 haar goedkeuring en sprak in de brief van 30 november 1717 de verwachting uit, dat "die regtbank van vrugt en nutte sal mogen sijn". (

      WIC 4 fo. 210vo, WIC 70 fo. 155vo.

      )

      De rechtbank kreeg in de volksmond de naam van de Kleine Raad. De directeur van Curaçao fungeerde als voorzitter, bijgestaan door 5 commissarissen. De secretaris van de Grote Raad trad ook als secretaris op bij de Kleine Raad.

      In verband met het niet zo goed funktioneren van de Kleine Raad (ongeregelde zittingsdagen; geen geschikte kandidaten voor de funktie van commissaris) alsmede vanwege geschillen met de Grote Raad, werd in een buitengewone vergadering van Directeur en Raden van 9 mei 1746 besloten de rechtbank van commissarissen te ontbinden en te vervangen door 2 extra-ordinaire raden met de fiscaal als president. Dit driemanschap nam gedurende drie jaar de werkzaamheden over en hield zich daarnaast bezig met " 't expedieeren van nogh andere zaken, die tot ontlastinge van den Grooten Raad konde dienen" (

      WIC 593 fo. 194.

      )

      Van de door hen gewezen vonnissen was ook beroep "bij maniere van reauditie" bij de Grote Raad mogelijk.

      Na het vertrek van de fiscaal van Schagen in 1749 keerde men terug tot de oude toestand van vóór mei 1746. Op 5 mei 1749 werden wederom 5 commissarissen van "Mindere Questiën en Verschillen" benoemd, waarbij één van de commissarissen de vergaderingen voorzat (

      Inv. nr. 181 nr. 39.

      )

      Door het benoemen van een afzonderlijke secretaris voor de Kleine Raad, bij resolutie van de Tienen van 20 augustus 1756, werden de administraties van beide colleges gescheiden en ging de Kleine Raad vanaf 1757 een eigen archief vormen. (

      WIC 13 fo. 133. Zie voor 1720 - 1756 inv. nrs. 2 - 22 en 1516 - 1529.

      )

      Tijdens het Engelse tussenbestuur (1807 - 1816) werd op 20 december 1808 door de Grote Raad een reglement voor de Kleine Raad vastgesteld, met het oogmerk de procesgang te vereenvoudigen en te versnellen. In hetzelfde jaar werd de Kleine Raad adviescollege voor de landdrosten, die aan het hoofd stonden van het in drie divisies verdeelde Curaçao. De burgers konden op hun beurt weer in beroep gaan bij de Grote Raad van uitspraken van de landdrosten, die in geschillen over civiele zaken tot 100 pattinjes als rechters mochten optreden. (

      WIP II nrs. 639 en 623 (instructie, 1808 aug. 1, art. 3) en ("verdere instructien ...", 1808 aug. 23, art. 5).

      )

      Bij het Regeringsreglement van 14 september 1815 (art. 64) werd het college van commissarissen van "Mindere Questiën en Verschillen" vervangen door het College van Commercie en Zeezaken. (

      Inv. nr. 245 nr. 1A (gedrukt).

      )

    • Bij art. 64 van het Regeringsreglement van 14 september 1815 werd het College van Commercie en Zeezaken ingesteld. (

      Inv. nr. 245 nr. 1 A (gedrukt, blz. 27 - 28).

      )

      Dit College kwam in de plaats van de rechtbank van Commissarissen van "Mindere Questiën en Verschillen" (de Kleine Raad). Het College van Commercie en Zeezaken was samengesteld uit 2 leden (geaccrediteerde kooplieden en "personen der commercie en zeezaken kundig") en werd voorgezeten door een lid van de Raad van Politie. De leden werden de eerste maal door de gouverneur-generaal benoemd en daarna uit een voordracht van drie personen, opgesteld door de Raad van Politie. De secretaris van de Raad van Politie was belast met de administratie van het Colllege.

      In tegenstelling tot de Raad van Civiele en Criminele Justitie, die zich vooral bezig hield met de gewone voorkomende civiele- en strafprocedures, beperkte het College van Commercie en Zeezaken zich voornamelijk tot zaken betreffende handel en zeevaart. Art. 65 van het Regeringsreglement noemt in dit verband kwesties over vrachten, assuranties, averij, "rafactiën", lossen en laden van schepen, geschillen tussen reders, schippers en zeelieden alsmede tussen kooplieden en makelaars (

      Inv. nr 245 nr. 1 A (blz. 28).

      )

      Practizijns werden niet tot het College toegelaten. Partijen dienden dus in persoon te verschijnen zonder juridische bijstand. Kwesties beneden de 300 gulden of 150 pesos werden de plano afgedaan. Van zaken boven de 300 gulden was beroep mogelijk bij de Raad van Politie. Binnen acht dagen diende men dan door de secretaris van de Raad van Politie appèl te doen aantekenen. Ook kon het College kennisnemen van "kleine zaken" tot een bedrag van 150 gulden of 75 pesos, ook al waren deze niet van commerciële aard. Nadat het College op 5 maart 1816 bij publicatie van gouverneur-generaal en Raden was ingesteld, werd op 17 juni van dat zelfde jaar een Reglement op de manier van procederen voor het College van Commercie en Zeezaken gearresteerd. (

      Inv. nr. 273 nr. 3 en inv. nr. 245 nr. 11.

      )

    • In deze afdeling zijn samengevoegd de secretariële en notariële akten. De secreariële akten zijn de akten van transport van onroerend goed, de akten van hypotheek (deze bevinden zich in een afzonderlijke serie), de akten van ondertrouw en trouw en de beëdigde verklaringen. Deze akten worden vòòr 1740 gepasseerd voor de directeur en in bijzondere gevallen voor twee raden van Politie. Nadien wordt bij reglement voor de Grote Raad van 2 augustus 1740 bepaald, dat twee gecommitteerden uit de Raad (raden-commissarissen) zullen worden belast met " 't verlijden van transporten en hypothecatiën en diergelijken". (

      WIP I nr. 140 art. 23 blz. 203.

      )

      Verder vindt men in de secretariële protocollen ook niet secretariële akten zoals de (half) jaarlijkse inventarissen van eigendommen van de West-Indische Compagnie (slaven, gebouwen en materialen) en lijsten van de familie- en hoofdgelden. Deze door de desbetreffende ambtenaren ingezonden inventarissen en lijsten worden door de secretaris geregistreerd en ondertekend. In het reglement op de heffing van zegelbelasting van 30 september 1808 zijn onder de vierde afdeling alle soorten van "secretariale actens" opgenomen. (

      WIP II nr. 635 blz. 739 - 741.

      )

      Van de notariële akten maken deel uit de akten van attestatie, de boedelbeschrijvingen en boedelscheidingen, de insinuaties, de procuraties, de testamenten, de akten van huwelijkse voorwaarden, de akten van transport van slaven en schepen, de wisselprotesten, etc. (

      WIP II nr 635 blz 741 - 745.

      )

      Deze akten worden tot 1756 opgemaakt door en verleden voor de secretaris als notaris en bij diens afwezigheid door de eerste beëdigd klerk, in de akten aangeduid als secretaris provisioneel. Naast de secretaris van directeur en raden hebben respectievelijk de raad-fiscaal Jan van Schagen en de eerste beëdigd klerk Hendrik Pletsz in de jaren 1738 - 1748 en 1753 - 1755 (inv. nrs. 842 - 869 en inv. nrs. 870 - 872) de bevoegdheid om als notaris op te treden. (

      Inv. nr. 171 nr. 67, WIC 13 fo. 33.

      )

      Na het overlijden van de secretaris van de Grote Raad in 1756 en mede door de opgelopen achterstand in het afhandelen van zaken bij de Kleine Raad wordt, op voorstel van directeur I. Faesch, besloten tot het aanstellen van een secretaris bij de Grote Raad en een secretaris bij de Kleine Raad; beiden "met admissie en qualificatie omme als notaris te fungeeren".(

      WIC 13 fo. 113 0 113vo.

      )

      In de instruktie van 20 augustus 1756 voor deze functionarissen wordt bij art. 6 bepaald, dat de secretaris "goede sorgen sal dragen ende wel letten dat van alle actens en contracten, die voor hem als een publicq persoon sullen werden gepasseert, duydelijk en conform de intentie van de comparante de extentien werden gemaakt ende daaraf behoorlijke registers gehouden werden omme des gerequireert goede copijen daaraf te konnen uytgeven".(

      WIP I nr. 248 blz. 300.

      )

      Bij de door de Raad der Coloniën gearresteerde instruktie voor de secretarissen van 17 april 1792, (

      WIP II nr. 405 blz. 483.

      )) wordt in het 8e art. een aanvulling gegeven op art. 6 van de instruktie van 1756, die als volgt luidt: "Zo noghthans dat hij alle de uiterste wille of actens die voor hun worden gepasseerd zal moeten geheim houden zonder ietwes daarvan aan wie het ook zij te openbaaren, veelmin copien of extracten te geeven dan alleenlijk aan hun die daartoe als erven ab intestato of ex testamento zijn geregtigd; dienvolgens zal hij de voorzeide actens van uiterste wil zorgvuldig moeten bewaaren en in een afzonderlijk register brengen en accuraat register op hetzelve maaken en in een aparte geslootene kas op 't secretarie custodieeren".

      Een register als hier bedoeld ontbreekt in het Oud-archief. In art. 10 van dezelfde instruktie wordt verder bepaald, dat hij ook een afzonderlijk boek zal houden: " 1ste van alle prisatien, 2e van alle hypotheecquen en verbanden en op ieder derzelve een behoorlijk register doen formeeren, teneinde dezelve bij requisitie ten eerste en konnen gevonden worden". Al sedert 1721 vindt met deze zekerheidsrechten afzonderlijk geregistreerd (inv. nrs. 1135 - 1223 en inv. nrs. 1564 - 1568).

      Tijdens het Engelse tussenbestuur op Curaçao van 1800 - 1803 en 1807 - 1816 staat een Engelse secretaris aan de hoofd van de secretarie, bijgestaan door een Nederlands gedeputeerd of assistent gedeputeerd secretaris. (

      Schiltkamp (1964) blz. 98.

      )

      De akten blijven echter in het Nederlands gesteld, met uitzondering van de akten in inv. nr. 1007, die voor het merendeel uit Engelse akten bestaan. In de periode 1801 - 1803 functioneert naast de Nederlandse secretaris ook de Engelse secretaris Ch. Douglas.

      In de daartussen liggende periode van 1803 - 1807, waarin Curaçao weer onder Nederlands gezag komt, worden de gedeputeerd secretarissen in 1806 voor korte tijd door één secretaris vervangen. De in bovengenoemde periode vermelde secretarissen hebben allen de notariële bevoegdheid.

      In de artt. 9 en 8 van de door de gouverneur-generaal en de raden van Politie gearresteerde instrukties van 18 maart 1816 (

      Inv. nr. 245 nrs. 6 en 7.

      )) respectievelijk voor de secretaris van Politie en voor de secretaris van Civiele en Criminele Justitie zijn de notariële werkzaamheden van de beide secretarissen geregeld, bovendien is in het hoofd van hun instrukties de volgende zinsnede toegevoegd: "Waarnemende tevens het ambt van notaris".

      Bij Koninklijk Besluit nr. 70 van 19 juni 1816 (

      Inv. nr. 530 nr. 30.

      ) wordt bepaald, dat de akten van hypotheek en de akten van transport van onroerend goed voor de raden van Politie zullen worden gepasseerd.

    • Naar alle waarschijnlijkheid dateert de Weeskamer op Curaçao uit het begin van het jaar 1696. In een missive van de Bewindhebbers van de tweede West Indische Compagnie van 21 december 1696 aan de directeur B. Bernagie van Curaçao en onderhorige eilanden wordt voldoening uitgesproken over het "opregten van een weeskamer ende het aanstellen van commissarissen tot die directie en administratie ...". (

      WIC 69 fo. 111vo.

      )In genoemde missive wordt verder medegedeeld, dat "tot narigtinge" op "U. Ed. begeren de ordonnantie van de weeskamer ter stede Amsterdam" zal worden toegezonden. Bovendien blijkt uit een voor in het journaal van 1777 Inv. nr. 1237) ingeschreven "notitie van boeken en goederen behoorende aan de weeskamer" dat de financiële administratie op 16 april 1696 met het grootboek (Lª. A) een aanvang heeft genomen. (

      Inv. nr. 1236 (niet gefolieerd).

      )

      Bij resolutie van Gouverneur en Raden van 23 september 1768 wordt besloten tot het ontwerpen van een provisionele instruktie en reglement voor de weesmeesters. De grote toename van het kapitaal van de weeskamer en het "sonder kennissie of authorisatie" van Gouverneur en Raden beleggen van gelden van particulieren tegen rente, het voor rekening van de weeskamer weer uitzetten van het kapitaal en "meer andere ongepermitteerde saeken... in prejudities der wezen" geven daartoe volgens de resolutie aanleiding. (

      Inv. nr. 39 (niet gefolieerd).

      )In art. 1 van de provisionele instruktie (

      WIP I nr. 303 (artt. 1 - 25) blz. 363 - 368.

      )
      wordt het bestuur van de weeskamer opgedragen aan twee weesmeesters. Aan hun zorg worden toevertrouwd "de perzoonen sorteerende onder de directie van de weeskamer, mitsgaders de administratie hunner capitalen, 't sij ex testamento off door disposities van den Edele Achtbare Raad daaraan gesubjecteerd". De artt. 2 - 8 en 13 - 21 regelen de financiële administratie van de weeskamer. Bij art. 9 wordt vastgesteld, dat de weesmeesters naar eigen goedvinden een boekhouder en een klerk kunnen aanstellen. De zittingsdagen van de weesmeesters, tweemaal per week, zijn in art. 11 vermeld. In art. 12 wordt bepaald, dat de weesmeesters in het voorjaar rekening en verantwoording van de door hun gevoerde administratie aan de Raad zullen afleggen.

      Bij art. 13 wordt nadrukkelijk vastgelegd dat het beleggen tegen rente van geld van particulieren en het weer uitzetten daarvan voor rekening van de wezen niet wordt toegestaan. Art. 22 bepaalt: "wijders is door den Edele Achtbare Raad in consideratien genomen dat 't ampt van weesmeesters in niets lucratieff en is, maar integendeel moeyten en arbeyd aanbrengen, soo is bij den Raad geresolveert weesmeesteren (des begerende) toe te voegen alle boedels die ab intestato komen te existeren en ter dispositie van den Raad staan, om over gemelde boedels weesmeesteren aan te stellen en qualificeren als executeurs en daarvan te genieten de ordinarie provisie".

      In de Engelse periode van 1807 tot 1816 wordt op 22 juni 1813 een nieuwe "Instructie voor de heeren weesmeesteren des eilands Curaçao" in het Engels en in het Nederlands uitgevaardigd. Bij art. 1 wordt de administratie van de weesmeesters uitgebreid met de "capitaalen" van personen die ab intestato zijn overleden. Bij art. 9 wordt het beheer van deze boedels, als ook die van vreemdelingen, uitvoerig geregeld (

      WIP II nr. 694 (artt. 1 - 12) blz. 815 - 818.

      )

      In het Regeringsreglement van 14 september 1815 wordt bij art. 67 bepaald, dat er een Wees-, Onbeheerde- en Desolate Boedelkamer zal zijn, bestaande uit de raad-fiscaal, de raad contrarolleur en twee "der kundigste en meest bevoegde personen, zoo mogelijk, geene negotie doende" en bijgestaan door een secretaris. De instruktie voor deze kamer zal door de gouverneur-generaal en de Raad van Politie worden geformuleerd (

      Inv. nr. 245 nr. 1A (gedrukt) blz. 20 - 29.

      )

      De "Instructie voor de Wees-, Onbeheerde en Desolate boedelkamer op het eiland Curaçao" die tot stand komt op 15 april 1817 (

      Inv. nr. 246 nr. 1 (artt. 1 - 24). Zie ook het concept reglement van 21 september 1819, inv. nr. 247 nr. 6.

      )bepaalt in art. 2 dat de raad-fiscaal en de raad contrarolleur-generaal der Financiën "in de dadelijke administratie der gelden en goederen niet dan het oppertoezicht hebben en oeffenen"; de administratie der gelden blijft aan de twee overige leden, die "den titel van weesmeesteren gelijk van ouds zullen blijven voeren". De vier leden van het college worden in art. 4 aangeduid als "opper en onder weesmeesteren". In art. 13 wordt vastgesteld dat "de administreerende weesmeesteren zullen zorge dragen dat de boeken na het eindigen van het jaar onder toezicht van de Raad Fiscaal als President en den Raad Contrarolleur der Financien behoorlijk worden gesloten en de blance daaruit getrokken; en jaarlijks voor den Raad van Policie doen behoorlijk rekening, bewijs en reliqua door alle de leden getekend, met een specifieke aanwijzing waarin voor den tienden dag een behoorlijke maandstaat van ontvangst en uitgaaf door de administreerende weesmeesteren worden geformeerd en na alvorens door den Raad Fiscaal en den Raad Contrarolleur Generaal overhandigd en denzelven in de gewoone raadzitting te brengen".

      Aan deze voorschriften heeft men de hand gehouden, zoals blijkt uit de financiële administratie van de Weeskamer na 1828. (

      Inventaris van Archief van Curaçao en onderhorige eilanden na 1828 blz. 128 - 130 (Toegang 1.05.12.02).

      )

      Tot de jurisdictie van de Weeskamer behoren eveneens de eilanden Bonaire en Aruba; de regeling inzake deze eilanden is vastgelegd in de artt. 15 en 16 van de genoemde instruktie van 1817. Ter voorkoming van een te grote achterstand in het afwikkelen van boedels op deze eilanden wordt bij resolutie van 12 november 1817 (

      Inv. nr. 1226 fo. 69.

      )besloten dat de directeur I. Debrot van Bonaire, de vice-commandeur J. van der Biest en J. H. G. Eman van Aruba als "geauthoriseerden" zullen worden aangesteld, "omme bij het overlijden van eenige ingezetenen of vreemdelingen hun perzonen te representeren". (

      Inv. nr. 1226 fo. 79 en fo. 83.

      )
      De bevoegdheden in deze voor de "geauthoriseerden" zijn bij de instrukties van 23 oktober 1817 geregeld. (

      Inv. nr 1226 fo. 81 en fo. 85.

      )

      Van de Weeskamer voor de Portugees-Joodse Gemeente is slechts het reglement van 23 oktober 1810 in het Portugees en het Engels in het Oud-archief Curaçao teruggevonden (

      WIP II nr. 667 (artt. 1 - 20) blz. 781 - 785.

      )

    • Het regeringsreglement van Curaçao en onderhorige eilanden, goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 14 september 1815 nr. 58 (

      Inv. nr. 245 nr. 1A blz. 1 - 38.

      )bepaalt in de art. 70 en 71 dat de door de koning benoemde raad contrarolleur-generaal zal worden belast met de algemene controle en de zorg over de financiën en de magazijnen en in het bijzonder over de comptabele ambtenaren en hun kantoren.

      In de instruktie van dezelfde datum (

      De instruktie voor de raad contrarolleur-generaal bevindt zich achter de instruktie voor de gouverneur-generaal.

      )worden bij de art. 1 - 25 de taken en werkzaamheden van de raad contrarolleur-generaal geformuleerd.

      Bij zijn aankomst op Curaçao zal hij alle gelden of waardepapieren van alle comptabele ambtenaren, zoals de ontvanger-generaal, de magazijnmeester, de secretaris van de Raad van Politie, de accijnsmeester, de ontvanger van het middel op het kleinzegel, de havenmeester, de loods, de vendumeester, de waagmeester, de commandeur van Bonaire en de ontvanger van Aruba, opnemen en die comptabele ambtenaren voor het onder hen berustende saldo in een door hem op te maken grootboek debiteren; bovendien zal hij nagaan, welke gelden bij hen respectievelijk nog vanwege belastingen of anderszins moeten worden geïnd (art. 2).

      In art. 4 wordt vastgesteld dat de kwitanties van de comptabele ambtenaren door de raad contrarolleur-generaal zullen worden geregistreerd, opdat hun kasboeken met het registratieboek kunnen worden geverifieerd. Alle ordonnanties der betaling zullen in een boek worden geregistreerd en getekend, voordat deze aan de gouverneur kunnen worden afgegeven (art. 5).

      Art. 8 handelt uitvoerig over de reservekas. (

      Zie eveneens art. 22 van het regeringsreglement, inv. nr. 245 nr. 1A blz. 10 - 12.

      )De raad contrarolleur-generaal zal een afzonderlijk boek houden (reservekasboek) van de reservekas. De reservekas krijgt haar inkomsten uit de subsidies van het moederland ter bestrijding van de uitgaven voor militaire traktementen en soldijen en uit de saldi van de diverse comptabele ambtenaren, voor zover die saldi het bedrag van hun respectieve borgtochten overschrijden.

      De reservekas wordt bewaard in het gouvermentshuis in de generale geldkamer in een ijzeren kist met drie sloten, waarvan één sleutel onder de raad contrarolleur-generaal berust. De twee andere sleutels berusten onder de gouverneur en de raad-fiscaal.

      De raad contrarolleur-generaal zal van zijn werkzaamheden een nauwkeurig journaal houden, dat om de drie maanden ter verzending naar het moederland aan de gouverneur zal moeten worden overhandigd (art. 10).

      Bij art. 13 wordt hem de controle en het algemene toezicht over de magazijnen opgedragen. Hij zal de gouverneur assisteren bij het opmaken van een staat en inventaris van alle in de magazijnen aanwezige voorraden en iedere magazijnmeester daarvoor bij een door hem te formeren generaal belastingregister specifiek moeten belasten (art. 14). Hij zal maandelijks aan de gouverneur een door hem getekende specifieke staat van ieder magazijn afzonderlijk inzenden, met aantekening betreffende de op de laatste van de maand aanwezige voorraden en de binnengekomen, uitgegane en onbruikbare materialen en goederen (art.19). Viermaal per jaar zal hij de magazijnen inspekteren (art. 22) en daarvan procesverbaal op maken ten behoeve van gouverneur (art. 24).

      • Een instructie voor de ontvanger-generaal wordt door gouverneur-generaal en raden van politie op 14 juli 1818 vastgesteld. Bij Koninklijk Besluit van 15 oktober 1821 nr. 38 wordt de instructie voor de hoofdontvanger gearresteerd.

      • De Raad van Administratie van het Pensioenfonds voor ambtenaren in de Nederlands West-Indische koloniën is ingesteld bij Koninklijk Besluit van 21 augustus 1818 nr 86. (

        Archief van de Staatssecretarie inv. nr. 673.

        )De Raad bestaat uit de gouverneur en twee leden, benevens een boekhouder en betaalmeester.

      • Bij resolutie der vergadering van de Heren X van 20 september 1762 (

        WIC 14 fo. 67vo.

        )wordt voor het vendumeesterschap een afzonderlijke functionaris aangesteld.

        Voor 1762 was één persoon belast met de funkties van vendumeester en ontvanger van de recognities. Sedert 1762 worden twee personen benoemd, die beiden de funkties van vendumeester en ontvanger van de recognities moeten waarnemen.

        In de instruktie voor de vendumeester van 1 april 1792 (

        WIP II nr. 445 blz. 519 - 521.

        )wordt bij het 3e artikel bepaald, dat de vendumeester een generaal venduboek zal houden, waarin een ieder die om een vendu of verkoping verzoekt zijn naam zal moeten inschrijven. Krachtens art. 4 wordt vastgesteld dat de vendumeester van alle gedane venduen of verkopingen nauwkeurig aantekening zal houden, om daarna in een bijzonder venduboek te worden overgebracht, "teneynde de verkooper nae de voldoening daarin quitantie teekenen".

  • Als aanvulling der stukken, beschreven in de inventaris Oud-Archief Curaçao en onderhorige eilanden Bonaire en Aruba, gepubliceerd als bijlagen bij het verslag van het Algemeen Rijksarchief over 1920, werden in 1924 nog verschillende stukken van Curaçao naar Nederland overbracht. (

    VROA 1924 I, bijlage VIII, blz. 133 - 138.

    )

    Bij deze stukken behoren delen uit de 18de eeuw, die doordat zij zwaar beschadigd waren op Curaçao waren achtergebleven. De nummering van het supplement volgt de nummering van de inventaris Oud-Archief Curaçao.

  • De hierna beschreven en bewerkte stukken werden bij de West-Indische archieven aangetroffen, die voor het merendeel in 1931 naar Nederland uit Curaçao zijn overgebracht. Zij vormen een aanvulling op de archiefbescheiden, die in de gedrukte inventaris en supplement-inventaris van respectievelijk 1920 en 1924 (

    VROA 1920 II, bijlage XII, blz. 475 en 1924 I, bijlage VIII, blz. 133.

    )zijn beschreven. Het supplement van 1934 sluit, wat indeling en nummering betreft, geheel aan bij bovengenoemde gedrukte inventarissen. Aan de "Gedeponeerde Stukken" werd een nieuw nummer 1702 toegevoegd.

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
CAPTCHA
Deze vraag is om te testen of u een menselijke bezoeker bent en om geautomatiseerde spam te voorkomen.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in