Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Suriname / Gemeentebestuur

1.05.11.09
E. Hoogendijk
Nationaal Archief, Den Haag
1933
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

1.05.11.09
Auteur: E. Hoogendijk
Nationaal Archief, Den Haag
1933
CC0

Periode:

1827-1832
merendeel 1828-1832

Omvang:

4.1 meter; 69 inventarisnummers

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften..

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Het archief bevat de notulen, resoluties en overige correspondentie over de periode 1828-1832 van het gemeentebestuur dat was belast met het administratieve beheer van het plaatselijke bestuur te Suriname. Tevens bevat het de archieven van de Gemeenteontvanger, de Waagmeester en de Stadsrooier en meter van dranken met betrekking tot de inning van diverse belastingen. Het omvat verder gegevens over plantages en slaven; grondrecht en erfpachten, huizen en erven (inclusief wijkregisters van Paramaribo).

Archiefvormers:

  • Gemeentebestuur van Suriname
  • Gemeentebestuur van Suriname/Gemeente-ontvanger
  • Gemeentebestuur van Suriname/Waagmeester
  • Gemeentebestuur van Suriname/Stadsrooier en meter van dranken

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

1. De instelling van het Gemeentebestuur in 1828

Krachtens artikel 91 van het Reglement op het beleid van de Regering van de Nederlandse West-Indische bezittingen van 21 juli 1828, dat 1 augustus daaropvolgend in werking trad, zou er in iedere kolonie een gemeentebestuur bestaan, belast met het administratieve beheer van de plaatselijke aangelegenheden. Het Regeringsreglement voor Suriname, van dezelfde dagtekening en ook 1 augustus 1828 in werking getreden, spreekt verder over het gemeentebestuur en zegt in artikel 5 onder andere dat de huishoudelijke aangelegenheden van de ingezetenen opgedragen zijn aan een plaatselijk of gemeentebestuur. Artikel 22 zegt dan dat het gemeentebestuur bestaat uit een president, twee wethouders en acht raden, geassisteerd door een secretaris. Enige daarop volgende artikelen spreken nu verder over hetgeen aan zijn zorg is toevertrouwd. Dit alles wordt nader uitgewerkt in de 'Instructie voor het Gemeentebestuur der Kolonie Suriname', vastgesteld bij besluit van de commissaris-generaal van de West-Indische bezittingen van 21 juli 1828, nummer 222, en in werking getreden 1 augustus daaropvolgend. Bij besluit van de gouverneur-generaal van de West-Indische bezittingen van 13 oktober 1828, nummer 235, kwam er een 'Reglement van orde op het houden der vergaderingen van het Gemeentebestuur van Suriname en de wijze van delibereren in dezelve'. Door dezelfde autoriteit werden ook instructies vastgesteld voor de secretaris van het gemeentebestuur en de gemeente-ontvanger, onderscheidenlijk bij besluiten van 20 december 1828 en 22 november 1828. Artikel 9 van de instructie van de secretaris droeg hem de zorg voor de archieven van het gemeentebestuur op en het voorhanden hebben op de secretarie van een generale inventaris van de archieven, die jaarlijks bijgehouden moest worden.

2. De opheffing van het Gemeentebestuur in 1833

Toen op 1 januari 1833 het 'Reglement op het beleid der Regering in de Kolonie Suriname', vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 9 augustus 1832, nummer 89, in werking trad, had dit voor de kolonie deze grote bestuurswijziging meegebracht, dat er van een gemeentebestuur geen sprake meer was; het had opgehouden te bestaan. Een besluit van de gouverneur-generaal van 6 december 1832, afgekondigd 8 december daaropvolgend, stelde de regels vast voor de geregelde overgang van de oude naar de nieuwe wijze van het bestuur van de kolonie.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

  • In de Instructie voor het Gemeentebestuur van de Kolonie Suriname, vastgesteld door de commissaris-generaal bij besluit van 21 juli 1828, wordt in art. 40 gezegd dat de ontvanger belast is met de invordering van de belastingen, die ten behoeve van de gemeente worden geheven, en met de betalingen te haren laste. Hij zou zich verder regelen naar de instructie die voor hem zou gearresteerd worden. Deze instructie voor de gemeente-ontvanger werd vastgesteld door de gouverneur-generaal, bij zijn besluit van 22 november 1828. Hierbij werd hij belast met de invordering en ontvangst van beschreven en onbeschreven middelen, die ten behoeve van het gemeentebestuur werden geheven. Uit deze ontvangsten deed hij de betalingen ten laste van het gemeentebestuur, zoals in art. 2 werd omschreven. Van de vaste inkomsten die bij aanslag of omschrijving werden geheven en bepaaldelijk voor de belastingen van de z.g. Gemene Weide, de Landtaksen, de Quota van de suikerplantages en houtgronden moesten jaarlijks afzonderlijke registers worden aangelegd (art. 3). Krachtens art. moest hij voor de ontvangsten aan de belanghebbenden een van de dubbele kwitanties geven van ingebonden registers, voor elk onderwerp van ontvangst afzonderlijk; de duplicaat-kwitantie in het register zou door hem getekend worden, ter verificatie van de maandstaten. De afgegeven kwitanties werden in een registratieboek geregistreerd (art. 7). Van de dagelijkse ontvangsten werd een kasboek gehouden (art. 8). Elke maand deed hij verantwoording aan het gemeentebestuur op de wijze in art. 9 omschreven. De niet ingevorderde posten van de beschreven middelen moesten na afloop van elk jaar in een afzonderlijk restantboek worden geschreven. Art. 25 verklaarde de gemeente-ontvanger onmiddellijk ondergeschikt aan de president van het gemeentebestuur.

    In verband met de taak van de gemeente-ontvanger mag er hier op gewezen worden dat door de regeringsreglementen die op 1 augustus 1828 in werking waren getreden grote wijziging was gekomen in de financiële administratie en in het belastingstelsel van de kolonie Suriname. Een nieuwe regeling houdende bepalingen betreffende de middelen, ingevoerd bij Gouvernementsblad van Suriname, publicatie van 18 november 1828 (Gouvernementsblad van Suriname, nr. 16), trad op 1 januari 1829 in werking. Art. 2 bepaalde dat het belastingstelsel van de kolonie, zoals dit met het jaar 1829 in werking zou komen, werd gesplitst in afzonderlijke baten, die deels door het hoofdbestuur en deels door het gemeentebestuur zouden worden geheven. Art. 3 gaf aan welke belastingen, betaalbaar bij de algemene ontvanger, onder de inkomsten van het hoofdbestuur begrepen waren. Art. 4 bepaalde dat onder de inkomsten van het gemeentebestuur begrepen waren de volgende belastingen, betaalbaar bij de gemeente-ontvanger:

    de accijns van dranken;

    de kerkgerechtigheden;

    de belastingen van de Gemene Weide;

    het baak-, los- en steigergeld;

    de quota van suikerplantages en houtgronden;

    de vrijdomsgerechtigheden en landtaksen.

    Toen het nieuwe Regeringsreglement voor de Kolonie Suriname van 9 augustus 1832 op 1 januari 1833 in werking trad en daardoor het gemeentebestuur had opgehouden te bestaan, had het ook meegebracht dat ingevolge art. 58 de ontvangst van alle belastingen, zonder onderscheid, en de uitbetaling van 's Lands penningen opgedragen werd aan de koloniale ontvanger en betaalmeester. Een besluit van de gouverneur-generaal van 6 december 1832 bepaalde in art. 2 onder andere dat vanaf 1 januari 1833 in alle betrokken wetten of resoluties voor gemeente-ontvanger moest gelezen worden koloniale ontvanger en betaalmeester.

  • Bij besluit van de gouverneur-generaal in Rade van 19 november 1828 (gepubliceerd 25 november 1828, Gouvernementsblad van Suriname, nummer 18), is gearresteerd een reglement voor de waag met instructie voor de waagmeester te Paramaribo. Hieruit blijkt dat de waagmeester stond onder de tweede wethouder. De baten, door hem ontvangen, stortte hij bij de gemeente-ontvanger.

  • Een instructie voor de stadsrooier en meter in de kolonie Suriname is vastgesteld door de gouverneur-generaal bij zijn besluit van 22 november 1828. Krachtens artikel 1 werden deze functies waargenomen door een ambtenaar, aangesteld door het gemeentebestuur. Zijn werk gold bijzonder ten aanzien van de ingevoerd wordende dranken, die aan het accijnsrecht en van de uitgevoerd wordende melassie die aan uitgaande rechten was onderworpen. De gelden, door hem geïnd, aan de gemeente toekomende, moest hij storten bij de gemeente-ontvanger.

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Verversen Geef de karakters in die u in de afbeelding ziet. Neem de tekens uit het bovenstaande figuur over. Wanneer de tekens niet duidelijk zijn, kunt u het formulier verzenden om een nieuw figuur weer te geven. De tekens zijn niet hoofdlettergevoelig.  Schakel over naar audio verificatie.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in