gahetNA in het Nationaal Archief

Sociëteit van Berbice

1.05.05
J. van der Vlis-Ruseler
Nationaal Archief, Den Haag
1971
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

1.05.05
Auteur: J. van der Vlis-Ruseler
Nationaal Archief, Den Haag
1971
CC0

Periode:

1681-1800
merendeel 1720-1795

Omvang:

31,90 meter; 377 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven en gedrukte documenten.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Stukken van Organisatorische, financiële, bestuurlijke en militaire aard met betrekking tot de woelige geschiedenis van een over het algemeen weinige succesvolle kolonisatie. Stukken over het slavenoproer van 1763, de militaire verwikkelingen met Engeland, waaraan de kolonie in 1803 ten derde male, voorgoed, verloren raakte. Bevat eigentijdse toegangen

Archiefvormers:

  • Directie van de Sociëteit van Berbice

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Geschiedenis van het archiefbeheer

Toen de kolonie Berbice in 1793 onder toezicht van het Comité werd gesteld, is het archief van de Sociëteit vermoedelijk gevolgd. In elk geval werd de herleefde Directie weer in bezit van het archief gesteld, toen zij 4 sociëteitsplantages, met negerslaven en verder toebehoren, terugkreeg, krachtens artikel 11 van de Conventie, die 12 aug. 1815 met betrekking tot de kolonie tussen Engeland en Nederland gesloten werd.

Waarschijnlijk is, na de opheffing der Sociëteit in 1848, het archief overgebracht naar het West-Indisch Slachthuis in Amsterdam.

Bij Koninklijk Besluit van 28 februari 1856 werd besloten de koloniale archieven, die tot dat tijdstip onder toezicht en beheer van het Dep. van Koloniën stonden, naar het Rijksarchief te doen overbrengen. Door deze overbrenging was de openbaarheid en toegankelijkheid van deze archieven gewaarborgd. De inventarisatie werd daarop ter hand genomen en één der ambtenaren van het Algemeen Rijksarchief Jhr. Mr. J.K. de Jonge werd speciaal met het beheer der koloniale afdeling van het Rijksarchief belast. Het lijkt waarschijnlijk dat hij die vooral in de Oost Indische archieven werkzaam is geweest, de ordening van de West Indische archieven aan een andere ambtenaar heeft overgelaten. Hiertoe zou echter uitgebreider onderzoek nodig zijn. De 19e eeuwse handgeschreven inventaris is hoogstwaarschijnlijk dezelfde die toen gemaakt werd of een afschrift daarvan.

Hoewel noch in de overeenkomst met Engeland van 13 aug. 1814, noch in de additionele artikelen die de afstand van de Nederlandse koloniën aan Engeland regelden, een bepaling omtrent de archieven voorkwam, eiste de Britse regering deze in 1817 op. De Britten, die de organisatie van de WIC niet kenden en bovendien niet wisten dat Berbice door een van de WIC onafhandelijke Directie werd bestuurd, beperkten hun eis aanvankelijk tot de archieven die zich in Zeeland bevonden; nl. afkomstig van de Kamer Zeeland van de WIC. De Nederlandse hoge ambtenaren hadden nog geen begrip van het "respect des fonds", volgens welk de archieven die in Nederland gevormd waren, daar behoorden te blijven; hetgeen het geval was voor de archieven van de besturen in Nederland over de West Indische kolonies. Voor alles wilde men echter moeilijkheden met Engeland vermijden en men besloot de Britse eis in te willigen. Dank zij een klein aantal ambtenaren dat het belang der oude archieven wèl inzag, werden enige zeer oude stukken, de notulen en de loonadministratie behorende tot de naar Engeland overgezonden archieven van Essequebo en Demerary achter gehouden. Deze stukken bevinden zich in de 19e eeuwse handgeschreven inventaris in het Algemeen Rijksarchief.

De Britse regering was echter nog niet voldaan en bleef aandringen op de afstand van de stukken over Berbice. Zij werd verwezen naar de nu herleefde Directie. Op aansporen van het Dep. van Onderwijs, Nijverheid en Koloniën stond de Directie 71 banden aan Engeland af, zich bij haar keuze hoofdzakelijk beperkend tot de documenten die het inwendig bestuur van de kolonie betroffen.

Zowel de reeds eerder overgedragen stukken betreffende Essequebo en Demerary als deze archivalia van Berbice zijn tot een collectie verenigd en in het Public Record Office te Londen opgenomen onder C.A.116-68/136. Berbice.

De stukken betreffende Berbice, in de Collectie Verspreide West Indische stukken, zijn reeds in déze inventaris verwerkt. De stukken in het Public Record Office, voor zover zij Berbice betreffen, zijn januari-februari 1970 aldaar beschreven en deze beschrijvingen zijn op grond van het herkomstbeginsel in deze inventaris ingevoegd. Het inventarisnummer geldend op het P.R.O., CO 116 - ... is steeds in de marge vermeld. Hopenlijk komt het eens zover dat van de te Londen berustende stukken foto- of xeroxkopieën zullen worden vervaardigd, hetgeen de reeds gespendeerde kosten alleszins zal billijken. In het geval van xeroxkopieën dienen deze op de plaats van de originelen in het archief te worden geplaatst.

Bij Koninklijk Besluit van 28 februari 1856 werd besloten de koloniale archieven, die tot dat tijdstip onder toezicht en beheer van het Dep. van Koloniën stonden, naar het Rijksarchief te doen overbrengen.

Het archief is bij Koninklijk Besluit of ministeriële beschikking overgebracht.

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in