gahetNA in het Nationaal Archief

Sociëteit van Berbice [TOT APRIL 2016 NIET RAADPLEEGBAAR WEGENS DIGITALISERING]

1.05.05
J. van der Vlis-Ruseler
Nationaal Archief, Den Haag
1971
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

1.05.05
Auteur: J. van der Vlis-Ruseler
Nationaal Archief, Den Haag
1971
CC0

Periode:

1681-1800
merendeel 1720-1795

Omvang:

31,90 meter; 377 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven en gedrukte documenten.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Stukken van Organisatorische, financiële, bestuurlijke en militaire aard met betrekking tot de woelige geschiedenis van een over het algemeen weinige succesvolle kolonisatie. Stukken over het slavenoproer van 1763, de militaire verwikkelingen met Engeland, waaraan de kolonie in 1803 ten derde male, voorgoed, verloren raakte. Bevat eigentijdse toegangen.
[TOT APRIL 2016 NIET RAADPLEEGBAAR WEGENS DIGITALISERING]

Archiefvormers:

  • Directie van de Sociëteit van Berbice

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

De Nederlandse vaart, handel en kolonisatie in Berbice (eind 16e eeuw-1814)
De vroegste betrekkingen

Reeds anderhalve eeuw voor de oprichting van de Societeit van Berbice heeft de handel van de Nederlanders op Berbice een aanvang genomen, oorspronkelijk alleen in de vorm van particuliere ondernemingen zonder onderling verband, die blijkens de verleende vrijdom van convooien en licenten, zoals in 1602 aan Jan van Pere en enige andere Zeeuwse kooplieden, de landsregering niet onwelgevallig waren.

Het door deze Zeeuwen bezochte deel van de Wilde kust viel binnen het octrooigebied van de in 1621 opgerichte West Indische Compagnie. Het octrooi der WIC was echter niet absoluut; iedere particulier kon daar met toestemming der Compagnie en tegen betaling van "recognitiën" (in- en uitvoerrechten) varen en handel drijven.

Van een vestiging van blijvende aard in Berbice was pas sprake, toen in 1627 de kamer Zeeland, na overleg met de vergadering der Negentien, de Bewindhebbers die het leidend college der WIC vormden, een accoord sloot met Abraham van Pere waarbij deze van de Compagnie vergunning verkreeg het minimum vereiste aantal van de kolonisten daarheen over te brengen en te vestigen. De kolonie werd een patroonschap d.w.z. dat de stichter van de kolonie, de patroon, overeenkomstig feodale rechtsopvattingen de heerlijkheid daarover in leen kreeg van de WIC. De onderlinge rechtsbetrekking was er dus een van leenheer(WIC) en leenman (patroon).

Het bestuur over de kolonie werd in naam van de patroon waargenomen door elkaar nu en dan afwisselende koopvaardijkapiteins als commandeurs, bijgestaan door een uit de voornaamste planters gekozen Raad van 2 à 3 personen. (Na 1678 vaste commandeurs.)

Na de opheffing der eerste WIC ontstond tussen de in 1674 geoctrooieerde nieuwe WIC en de patroons van Berbice een conflict over de continuatie van de sinds 1627 met de oude Compagnie over eengekomen accoorden. Het leidend college der bewindhebbers der Tweede WIC, Vergadering der Tien, beschouwde alle oude verbintenissen als vervallen en Berbice als een eigendom en directe kolonie der Compagnie. Dit conflict werd ten slotte bijgelegd. De Heren van Pere kregen de kolonie opnieuw in onsterflijke leen. Slechts het monopolie der slavenhandel bleef voor de Compagnie gereserveerd. Van de oude patroonskolonies in West Indië bleef Berbice als enige over.

De kolonie kon zich in een gestadige vooruitgang verheugen; naast de plantages in eigendom van de van Pere's hadden zich ook een aantal particulieren als kolonisten-planters gevestigd.

De kolonie bleef echter niet buiten de controverses in Europa. Door een ernstige aanval van de Fransen in 1712 ging de kolonie voor de van Pere's verloren. Zij weigerden n.l. de losprijs te betalen voor het zich uit Berbice terugtrekken van een Franse vloot, die slechts voor een deel uit Koninklijke oorlogsschepen bestond en grotendeels was uitgerust door kaper-kooplui uit Marseille. Om de kolonie niet aan de Fransen over te laten, voldeden enige Amsterdamse kooplieden de op de van Pere's getrokken wissel en kregen voor f.108.000 de kolonie in eigendom. Een nieuw accoord met de WIC werd gesloten tot het leveren van slaven door de Compagnie en het betalen door de Directie van recognitiegeld voor ieder naar Berbice varend schip.

De oprichting van de Sociëteit van Berbice en de verhouding tot de West-Indische Compagnie

De taak om de kolonie Berbice tot bloei te brengen ging de draagkracht van de Amsterdamse eigenaars ver te boven; daarom besloten zij een maatschappij op aandelen op te richten (1000 aandelen à f.2000). De oude bezitters zouden tesamen 400 aandelen behouden en een vergoeding van f.800.000 krijgen. De regeling dat de intekenaars slechts de helft van het verschuldigde bedrag in 8 termijnen (de laatste termijn zou 1 april 1724) vervallen zouden betalen, fnuikte de maatschappij al vanaf het begin. De storting op de aandelen verliep moeizaam; in 1732 was nog slechts 42% betaald.

Kort na de oprichting van de Sociëteit deelde de Vergadering der Tien de Directie mede dat ze de kolonie Berbice nog steeds leenroerig aan de WIC beschouwde en ze eiste o.a. recognitie (f.300 per schip). Aanvanklijk weigerden de Directeuren dit, op grond van het feit dat de kolonie iure belli in Franse handen was overgegaan, en daarna als vrij en eigen goed door hen was gekocht, maar tenslotte werd overeengekomen dat de Directeuren de recognitie toch zouden betalen en dat de WIC de nodige slaven zou blijven leveren.

Kort daarop maakten de Directeuren deze overeenkomst weer ongedaan. Zij vroegen bij de Staten Generaal octrooi aan voor alle ingezetenen de handel en vaart op de kolonie te mogen open stellen en aan een ieder land ter bebouwing te mogen toewijzen. De in hun belangen benadeelde WIC protesteerde hier fel tegen, maar sloot, dankzij bemiddeling van de Amsterdamse burgemeesters opnieuw een verdrag met de Directie, dat de slaveninvoer voor de WIC reserveerde (27 sept. 1732). Daarbij werd verder o.m. bepaald dat de Directie in plaats van de recognitiegelden jaarlijks een vast bedrag van f.600 aan de WIC zou betalen. Voorts moesten de schippers die naar en van de kolonie voeren ten behoeve van de WIC cautie stellen ten bedrage van f.6000, en beloven niet dan in uiterste nood andere plaatsen, hetzij in Afrika, hetzij in Amerika te zullen aandoen. Naast de commissies die door de Directie van de Sociëteit aan de schepen werden verleend, verstrekte de WIC daarop nog visa, alsmede paspoorten voor de goederen en paspoorten voor de schepen, die een ongehinderde doortocht garandeerden.

Dit verdrag ging tevens ter grondslag dienen voor het nieuwe octrooi dat de Staten Generaal de Directie voor de kolonie Berbice verleende (6 dec. 1732) De Sociëteit werd daardoor als octrooihouder wederom organisatorisch onafhankelijk van de WIC.

De belangrijkste punten uit de 30 artikelen van het octrooi zijn: De Directeuren-mogen behoudens de souvereiniteit van de Staten Generaal land ter bebouwing uitgeven; hoofdgeld (50 pond suiker of f.2.50 per ingezetene), waaggeld (21/2% van de waarde van alle producten) en lastgeld (f.3 per last op alle in- en uitgaande schepen) heffen, zij moeten naast het bestaande fort bij de monding van de rivier nog een fort bouwen en de kolonisten van een predikant voorzien.

De kolonisten zijn verplicht op alle 15 negers één blanke voor het toezicht in dienst te hebben; al hun producten vóór de verzending aan de waag te laten wegen en merken door daartoe aangestelde keurmeesters en mogen geen andere slaven halen of kopen dan van de WIC en door tussenkomst van de Directie van Berbice.

De slaven dienen publiekelijk te worden verkocht. Producten mogen alleen naar Nederland worden vervoerd, kortom alle vaart en handel mag alleen van èn naar Nederland geschieden, zonder dat tussenstations worden aangedaan.

De schippers die naar Berbice zullen varen, moeten bij de Directie een commissie halen en bovendien een borgsom storten dat zij met hun schip en retourlading naar Nederland zullen terugkeren. Deze schippers zijn verplicht 12 personen als passagier mee te nemen, waarbij twee kinderen jonger dan 12 jaar gelden voor één persoon. Voor de in- en uitgaande schepen en goederen behoeven geen belastingen aan de staat te worden betaald. Ook werden bestuur en rechtspraak in de kolonie geregeld. (zie II B)

Berbice als kolonie

Berbice was uitsluitend een plantagekolonie. De cultures waren suiker, cacao, katoen en koffie. De plantages werden bewerkt door negerslaven, die door de WIC uit Afrika werden aangevoerd. Het aantal aangevoerde slaven was in verhouding tot andere Nederlandse koloniën in Amerika groot. De planters in Berbice gaven er de voorkeur aan een man zo hard te laten werken dat hij na 7 à 8 jaar bezweek, dan dat ze negerinnen moesten onderhouden, die geen werk konden verrichten door zwangerschap, bevalling en zorg voor zuigelingen.

De producten uit de kolonie mochten volgens het octrooi alleen naar Nederland gevoerd worden. Het vervoer geschiedde op schepen in bezit van of gehuurd door de Directie. Ook de vrijluiden mochten retourvrachten in de schepen van de Directie verzenden, tegen de gebruikelijke vrachtprijs, mits de goederen op de vrachtceel werden geplaatst. Deze voorwaarde hield verband met het te betalen waaggeld.

Buiten de Directie om mochten geen producten naar de kolonie worden gebracht en in het stadje Nieuw Amsterdam mochten geen winkels van particulieren gevestigd worden. Zo was de hele voorziening van de kolonie in handen van kooplieden in Nederland, voor wie dit een bijzonder winstgevend bedrijfwas. Alles nl. wat in de kolonie voor de Sociëteitsdienaren en -plantages nodig was, aan goederen en levensmiddelen moest bij de Directie in Nederland worden besteld en door deze worden overgezonden. Ook de vrijluiden konden uit deze zgn. cargazoensladingen hun inkopen doen; later gingen zij er meer en meer toe over zelf hun benodigdheden in Nederland te bestellen.

De opzichters van de Sociëteitsplantages, directeuren genaamd, zonden de Directie geregeld financiele verantwoordingen, productiecijfers en soms journalen van het verrichte werk en de aantallen der daarbij ingezette slaven. De opzichter-generaal was belast met het toezicht op de Sociëteitsplantages; na de inspectie van een plantage stelde hij voor de Directie in Nederland een verslag op, inventaris genaamd.

Het was Directiedienaren verboden plantages te bezitten. Bij gebrek aan personeel kon de Directie aan deze bepaling niet strict de hand houden.

De ontplooiing der kolonie heeft nooit aan de verwachtingen beantwoord en zeker in vergelijking met de andere Nederlandse kolonies op de Wilde kust bleef de kolonie maar een matig succes.

Voor een niet gering deel is dat te wijten aan de onverstandige financiele politiek van de Directie: in Nederland o.a. door slechts de helft van het aandelen te laten storten en reeds in 1735 tot een dividend-uitkering van 4% over te gaan en ten aanzien van de kolonie door op verkeerde wijze te bezuinigen op defensiewerken en personeel, ondanks het feit dat het octrooi verplichtte tot de bouw daarvan en gebood dat op 15 negers een blanke in de kolonie aanwezig moest zijn.

Voor 't overige zal het weinig dynamische karakter der kolonie wel een gevolg geweest zijn van de uiterst matige kwaliteit der doorsnee ambtenaren, in d.e eerste plaats der gouverneurs. Drankmisbruik en handgemeen kwamen menigvuldig voor. Het animo der Nederlanders om in dienst van de Sociëteit naar de kleine ongezonde kolonie te vertrekken blijkt niet groot te zijn geweest.

De slavenopstand

Van grote invloed op de toestand in de kolonie was de slavenopstand van 1763. De voornaamste oorzaak hiervan was, zoals enige negerleiders de gouverneur later schreven, de slechte behandeling der negers door verscheidene planters, die zij met name noemden. Het klimaat was gunstig voor het uitbreken van moeilijkheden: incidenten in het vorige jaar op plantages in Berbice en in hetzelfde jaar in het naburige Demerary, dreiging van vijandelijke Indianen en een algehele apathie onder de blanken tengevolge van een reeds sinds 1757 woedende epidemie. De aanleiding werd de moord op een directeur en diens timmerman van de plantage Magdelenenburg, van waar de muiterij snel op andere plantages oversloeg.

Hele blanke gezinnen werden uitgemoord en zeker de helft van de plantages werd verwoest. Het verwaarloosde fort Nassau werd onverdedigbaar geacht en verlaten. De vluchtende kolonisten stonden reeds op het punt de kolonie te verlaten, toen hulp op kwam dagen uit Suriname en St. Eustatius.

Bovendien werd vanuit Nederland een expeditiecorps onder commando van de luitenant-kolonel Jan Marius de Salve, vergezeld van de majoor-ingenieur François Samuel de Veye, gezonden dat de negeropstand wist te bedwingen.

De gouverneur en een twaalftal anderen hadden geweigerd de kolonie te verlaten. Verder hadden noch de ambtenaren noch de kolonisten enige moed getoond, terwijl de aanwezige koopvaardijkapiteins en slavenhandelaar, wier schepen van geschut waren voorzien, geweigerd hadden actief hulp te bieden.

Zeer tegen de zin van de humanere gouverneur werden door het op wraak beluste Hof van Politie in drie zittingen 119 negers ter dood veroordeeld en op gruwelijke wijze geëxecuteerd. In december 1764 werd een "Generaal Pardon" voor de overige rebellen afgekondigd.

Van de 11 Sociëteitsplantages waren er nog slechts 6 bruikbaar. Zowel de Directie als de particuliere planters misten de middelen tot herstel. Voormalige winstgevende particuliere plantages bleken onverkoopbaar. Geldtoewijzing door de Staten-Generaal en goedkope leningen door de Staten van Holland en West-Friesland mochten niet baten. Van de kant van de particuliere planters werd in geen enkel opzicht tot het algemeen belang van de kolonie meegewerkt, getuige hun verzet tegen de invoering van hogere en nieuwe belastingen, waarbij ze zich beriepen op het octrooi. Dat de planters in het algemeen evenmin een les uit de gruwelen van de opstand hadden getrokken, blijkt uit het opnieuw herhaaldelijk voorkomen van mishandeling der negers.

Oorlog met Engeland. 1780-1784

De kolonie die reeds in zulk een slechte economische toestand was geraakt, werd in het laatste kwart der 18e eeuw diverse malen door vijandelijke troepen bezet. In december 1780 werd zij veroverd door de Engelsen, onder leiding van Admiraal Rodney. Samen met het reeds veroverde Essequebo en Demerary werd Berbice verenigd onder één opperbewind, dat Rodney, daartoe vanuit Engeland gemachtigd, opdroeg aan luitenant Robert Kingston.

Alle inwoners moesten de eed van trouw aan de Engelse koning afleggen, doch alle oude wetten en bepalingen bleven gehandhaafd en ieder mocht zijn particulier eigendom behouden. Ook de beide Hoven bleven onveranderd in werking, met de vroegere Nederlandse gouverneur als voorzitter.

In januari 1782 wisten de Fransen, onder leiding van graaf de Kersaint, op hun beurt de drie kolonies aan de Engelsen te ontrukken. Ook zij stelden de drie verenigde kolonies onder één gouverneur - resp. de Kersaint, de Lusignan en La Perrière. De Nederlandse ambtenaren werden, op de gouverneur na, in functie gelaten. Bij de vrede van Parijs in 1783 keerden alle oorspronkelijke Nederlandse kolonies in West-Indië aan Nederland terug.

De opheffing van de Sociëteit.

Gezien de zeer slechte financiele toestand van de West-Indische Compagnie aan het einde der 18e eeuw, besloten de Staten-Generaal in 1791 het octrooi niet langer te verlengen. Vier jaar later bepaalde zij tevens dat de Sociëteit van Suriname en de Directie van Berbice zouden ophouden te bestaan en dat het bestuur over deze kolonies aan de Staat zou overgaan. Alle West Indische kolonies werden onder toezicht gesteld van het daatoe opgerichte "Comité tot de zaken van de koloniën en bezittingen op de kust van Guinea en in Amerika". De gouverneurs en bevelhebbers bleven in functie, maar nu in dienst van de Staat.

Bij de koloniale gezagsdragers ontstond spoedig daarop grote verwarring, toen de in Nederland uitgeroepen en met Frankrijk geallieerde Bataafse Republiek officieel de Fransen als vrienden en de naar Engeland uitgeweken in Nederland van zijn rechten vervallen verklaarde Stadhouder de Engelsen als vrienden van Nederland en zijn koloniën bestempelde. Achteraf is moeilijk na te gaan wat de drie kolonies tegenover een nieuwe aanval der Engelsen deed capituleren: militaire onmacht, Oranje-gezindheid of het eigenbelang der planters. De gouverneurs werd in elk geval, terecht of ten onrechte het laatste verweten.

Na de capitulatie (3 mei 1796) wist de gouverneur van Berbice wederom als bij vorige vreemde bezettingen was geschied, te bewerken dat in de kolonie alles op de oude voet bleef voortgaan. Uitdrukkelijk werd bepaald dat de capitulatie uitsluitend de overgave van de souvereiniteit inhield.

Bij de vrede van Amiens in 1802 keerden de kolonies weer aan Nederland terug, om in 1803, wanneer opnieuw een oorlog tussen Engeland en Frankrijk uitbreekt, ten derde male en nu voorgoed in Engelse handen over te gaan. Definitieve regeling hiervan vond plaats op de Conventie te Londen van 13 aug. 1814.

Krachtens artikel 11 van de Conventie die 12 aug. 1815 met betrekking tot de kolonie tussen Engeland en Nederland gesloten werd, kreeg de herleefde Directie 4 sociëteitsplantages, met negerslaven en verder toebehoren, terug. Van meet af aan hebben de Directeuren geprobeerd hun plantages te verkopen, hetgeen in 1821 gelukte. De 840 participanten van de Sociëteit kregen in 3 termijnen f.750 uitbetaald voor hun aandelen, waarbij inbegrepen het dividend van de opbrengst van de tussen 1815 en 1821 verkochte producten der plantages. Het kantoor in Amsterdam werd opgeheven en het personeel ontslagen.De Directie bleef echter in functie. Pas op 17 april 1848, toen alle geldelijke eisen waren verjaard, werd de vennootschap opgeheven.

II. De organisatie van de Sociëteit in Nederland en in Berbice
A. De Directie in Nederland

Volgens de statuten van 1714 werd de maatschappij bestuurd door 7 Directeuren, residerende in Amsterdam; daarvan waren er 2 voormalige eigenaars, de 5 overigen werden door de hoofdparticipanten uit hun midden gekozen. Hoofdparticipant was ieder die tenminste 10 aandelen bezat. De Directeuren werden voor hun leven aangesteld. De eerste vier jaar zouden ze geen salaris ontvangen, alleen een jaarlijkse recognitie van f.200. Eventueel zou aan hen later gezamenlijk 5% van de uit te betalen dividenden worden uitgekeerd.

Het huishoudelijke reglement van de Directie van de Sociëteit, vastgelegd in de eerste vergadering van 4 oktober 1720, bepaalde o.a. dat het voorzitterschap door de Directeuren beurtelings om de 2 maanden zou worden waargenomen en dat ook het notuleren bij toerbeurt zou geschieden. Later werden een secretaris en boekhouders toegevoegd, van wie de salarissen door de Directie werd bepaald.

Kort na de oprichting van de Sociëteit werd een huis op de Singel tegenover de Lutherse kerk betrokken. Ook de publieke veilingen van de koloniale producten vonden daar plaats.

B. Het bestuur en de rechtspraak in de kolonie

De kolonie Berbice werd bestuurd door een gouverneur en een Raad van Regering. De gouverneur werd aangesteld door de Directie maar ontving zijn commissie van de Staten Generaal, in wiens handen hij ook de eed aflegde. Uiteraard was de gouverneur ondergeschikt aan de orders van de Directie. In de kolonie had hij in alle zaken, zowel politieke als militaire het hoogste gezag; doch was verplicht voor al deze zaken de Raad van Regering bijeen te roepen. De Raad van Regering, later Raad of Hof van Politie genaamd, bestond bij provisie, behalve uit de gouverneur, uit personen die door de gouverneur werden gekozen uit een dubbeltal. Deze dubbeltallen werden de eerste maal door de gezamenlijke kolonisten, daarna door de overige raadsleden opgesteld. De Raad diende de gouverneur van advies en besliste mèt hem bij meerderheid van stemmen. Het was de gouverneur en de Raad verboden iets te ondernemen dat tegen het octrooi of zijn artikelen inging. De criminele justitie berustte bij deze Raad van Regering, later Raad of Hof van Politie genaamd. De civiele justitie berustte bij de Raad of het Hof van (Civiele) Justitie, onder voorzitterschap van de gouverneur. Het Hof van Politie bestond uit 6 personen, waarvan er om de 2 jaar 3 aftraden. De leden werden door de gouverneur gekozen uit een dubbeltal, dat werd opgesteld door de gouverneur en de Raad van Regering. Het dubbeltal kon bestaan zowel uit leden van de Raad van Regering als uit overige kolonisten. De besluiten kwamen tot stand bij meerderheid van stemmen; bij staking der stemmen besliste de gouverneur. Van de vonnissen door het Hof van Justitie gewezen was revisie door de Staten Generaal mogelijk.

De functie van fiscaal blijkt in beide Hoven aanvankelijk ook door de gouverneur te zijn waargenomen, later door de secretaris.

De leden der Hoven werden gekozen uit de kolonisten. In de praktijk werden de directeuren en eigenaren van plantages gekozen. Het lidmaatschap mocht een gekozene niet weigeren; hij ontving echter geen salaris en pas later werden verblijfkosten vergoed. De rechtspraak, in handen van juridisch ongeschoolden, bleef uiterst gebrekkig. Herhaalde malen werden de Raden door de Directie voor onrechtvaardigheden terecht gewezen. In 't bijzonder tegenover de negers werd vaak onbillijk opgetreden. Na de gouverneur waren de belangrijkste ambtenaren de boekhouderopzichter generaal, de secretaris en de landmeter-ingenieur. De opzichter generaal, die belast was met het toezicht op de opzichters der Sociëteitsplantages, had tevens als tweede man zitting in het Hof van Politie. De zetel van het bestuur was het fort Nassau. In het stenen gebouw in het fort woonde de gouverneur, de secretaris en de officieren van de bezetting. Hier vergaderden ook de beide Hoven. De instelling dat de gouverneur 2x daags "open tafel" moest houden op kosten van de Sociëteit, werd ca. 1760 afgeschaft.

C. De heersende godsdienst en de houding tegenover andere godsdiensten

De heersende religie in de kolonie Berbice, was de Gereformeerde of Nederlandsch Hervormde; bovendien benoemden de Directeuren bij voorkeur contra-remonstranten tot hun dienaren. Volgens het octrooi moesten de Directeuren de kolonisten voorzien van een predikant; de onkosten hiervan werden op de kolonisten verhaald, waarvoor het zgn. kerkegeld geheven werd. Het gedrag van predikanten en gemeente bleef echter ver beneden de maat. Enige malen per jaar ging de predikant naar de Canje en de bovenloop van de Berbice om te dopen en te prediken. Evenals in de andere West-Indische kolonies was van zending onder de negers nooit sprake. Roomskatholieken konden in geen der Nederlandse kolonies regeringsfuncties bekleden of soldaat worden, omdat gevreesd werd dat zij bij een Franse of Spaanse invasie zouden overlopen naar de vijand. De in de kolonie wonende Lutheranen kregen in 1752 na veel moeite toestemming van de Directie op eigen kosten een predikant over te laten komen en een kerk te bouwen. Evenals in Essequebo, doch in tegenstelling tot Suriname werden Joden uit Berbice geweerd, behoudens een bijzondere machtiging der Directeuren. Omstreeks 1749 vestigden Hernhutters zich in de kolonie om zendingswerk onder de Indianen en negers te verrichten, zeer tegen de zin van de Directie en kolonisten. Deze verzetten zich tegen elke vorm van ontwikkeling der negers uit vrees dat dit hen opstandig zou maken. Verder waren zij er ten zeerste op gespitst de goede verstandhouding met de naburige Indianen te behouden en wilde men elke vreemde inmenging vermijden die tot verkoeling daarvan zou kunnen leiden. Onder leiding van de Hernhutters ontstond de eerste Christengemeente van Indianen in de buurt van de Wironjekreek. Deze plaats noemden zij Pilgerhuth. Tijdens het negeroproer in 1763 werden de Hernhutters verdreven en kwam een einde aan de Christengemeente der Indianen.

Ad. II

Wanneer de stukken in Londen, hetzij op microfilm, hetzij door middel van xeroxkopiëring, binnen het bereik van de raadpleger van het archief van de Sociëteit zullen zijn gebracht, zal gemakkelijker dieper ingegaan kunnen worden op het bestuur en de administratie zowel in Nederland als in Eerbice. Daar literatuur over deze onderwerpen, zowel als over de organisatie van het financieel beheer, vrijwel geheel ontbreekt, is daarvoor tevens een uitgebreid onderzoek der stukken zelf noodzakelijk.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Inhoud en structuur van het archief

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in