gahetNA in het Nationaal Archief

VOC

1.04.02
M.A.P. Meilink-Roelofsz, R. Raben, H. Spijkerman
Nationaal Archief, Den Haag
1992
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

1.04.02
Auteur: M.A.P. Meilink-Roelofsz, R. Raben, H. Spijkerman
Nationaal Archief, Den Haag
1992
CC0

Periode:

1602-1811
merendeel 1602-1795

Omvang:

1269,60 meter; 15013 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands, sommige stukken zijn in andere talen, o.a. Maleis, Chinees, Japans, Perzisch, Armeens, Portugees, Frans, Engels.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven en gedrukte teksten. De Nederlandstalige stukken van vóór ca. 1700 zijn geschreven in het gotische cursiefschrift, met name in de oud-Hollandse klerkencursief.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Bevat archieven van de Heren XVII en de kamer Amsterdam (onderling sterk vermengd), de kamers Zeeland, Delft, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen. Het archief van de Heren XVII en de kamer Amsterdam bestaat voornamelijk uit resoluties, verbalen van het Haags Besogne, brieven naar en overgekomen stukken uit de koloniën (aparte series voor de Kaap en China), en na 1700 boekhoudkundige stukken en monsterrollen en na 1700 scheepssoldijboeken. De briefwisseling binnen Europa, scheepsjournalen, financiële stukken vóór 1700, monsterrollen en scheepssoldijboeken vóór 1700, en de stukken van de departementen in Amsterdam zijn geheel of voor een groot gedeelte verloren gegaan. Van het archief van de kamer Zeeland zijn ongeveer dezelfde bestanden bewaard gebleven, hierin echter nog enige Europese briefwisseling, doch minder boekhoudkundige stukken. Van de archieven van de overige kamers zijn slechts fragmentarische resoluties, scheepssoldijboeken na 1700 (alle kamers), en boekhouding (vooral Hoorn en Enkhuizen) bewaard. Een deel van de briefwisseling met de koloniën zou te reconstrueren zijn m.b.v. de in het Arsip National in Jakarta bewaarde stukken.
Introduction in English.

Archiefvormers:

  • Verenigde Oost-Indische Compagnie

Archiefvorming

Inhoud en structuur van het archief

Inhoud

B.J. Slot, M.C.J.C. van Hoof en F. Lequin

Introduction in English.

De structuur van de VOC-archieven volgt in grote lijnen die van de organisatie van de Compagnie in de Republiek. De archivalia van de zes VOC-kamers vormen de zes hoofdarchieven. De archieven van de kamer Amsterdam en de kamer Zeeland zijn, qua inhoud en omvang, ontegenzeggelijk de belangrijkste. In die twee kamerarchieven is het meest van de interne organisatie terug te vinden. Dat is veel minder het geval bij de archieven van de vier andere kamers, waarvan slechts enkele grotere en kleinere fragmenten aan vernietiging zijn ontkomen.

De indeling van de archieven verschilt enigszins per kamer. Oorzaken hiervan zijn de verschillen in interne organisatie van de kamers of een afwijkende wijze van archiefbeheer tijdens de VOC-periode. Daarnaast was het - met name voor de kleinere kamers - onmogelijk om aan de hand van de fragmentarische overblijfselen de oorspronkelijke structuur te reconstrueren. Het meest in het oog springende verschil is uiteraard het voorkomen van de bescheiden van de Heren Zeventien in het archief van de kamer Amsterdam.

Ruwweg volgen de hoofdbestanddelen van een kamerarchief een lijn van algemeen naar specifiek, van beleidsvoorbereiding naar implementatie. Het duidelijkst is dat te zien in de indeling van de archieven van de kamer Amsterdam en de kamer Zeeland: na de octrooien, die de grondslag van de Compagnie vormen, volgen in beide kamers de resoluties, de uitgaande stukken, de ingekomen stukken, de stukken van commissies, en de zogenoemde afzonderlijk gehouden stukken, oorspronkelijk losse stukken van de kamers; daarna komen de stukken van de uitvoerende departementen van de kamers.

Een belangrijke uitzondering op de indeling volgens de lijn beleidsvoorbereiding- implementatie is de plaats van de commissiearchieven. De commissies hadden een bij uitstek beleidsvoorbereidende taak, maar hun stukken hebben in het archief een plaats gekregen ná de resoluties en uitgaande en ingekomen stukken. De inhoudsopgave van de inventaris biedt een nuttig overzicht van de inhoud van het archief.

In de hier volgende aanwijzingen worden de nu nog bestaande hoofdbestanddelen van de archieven beschreven. Alleen bestanddelen van grote omvang of van bijzonder belang passeren hierbij de revue. De beschrijvingen behandelen in zeer kort bestek de structuur en de inhoud van de hoofdbestanddelen, geven instructies over het gebruik en signaleren nadere toegangen en hulpmiddelen. Het archief van de kamer Amsterdam is als uitgangspunt genomen voor de volgorde waarin de categorieën worden behandeld.

De eerste categorie wordt gevormd door de resoluties van de Heren Zeventien en van de kamers, die vooral van belang zijn voor onderzoek naar het beleid zoals dat in de Republiek werd gevormd. Het volgende onderdeel beslaat de uitgaande brievenboeken van de Heren Zeventien en de kamers: instructies naar het octrooigebied en correspondentie binnen de Republiek over het reilen en zeilen in het octrooigebied.

Daarna komt het omvangrijkste bestanddeel van het archief aan de orde: de verschillende groepen van uit het octrooigebied naar de Republiek gezonden bescheiden. Het gaat daarbij om de kopie-resoluties van gouverneur-generaal en raden, om uit verscheidene hoofdvestigingen in het octrooigebied rechtstreeks naar de Republiek gezonden missivenen bijlagen, en om de kopie-missiven aan de gouverneur-generaal en raden uit ondergeschikte vestigingen, met bijlagen (het zogenoemde Batavia's ingekomen brievenboek). Dit gedeelte is van belang voor de kennis van het beleid, de scheepvaart en de handel in het octrooigebied, en bevat kostbare gegevens over lokale toestanden en gebeurtenissen in Azië.

Vervolgens komen, voor zover bewaard, de vaak zeer fragmentarische archieven van commissies van de Heren Zeventien aan de orde. Het daaropvolgende gedeelte bevat enkele korte opmerkingen over de categorie afzonderlijk gehouden stukken van de administratie van de kamers betreffende diverse onderwerpen. Dit besluit het centrale gedeelte van de archieven van de Heren Zeventien en van de kamers Amsterdam en Zeeland. Tenslotte worden de belangrijkste bestanden van de archieven van de departementen (bureaus met speciale taken) en beambten behandeld. Hieronder vallen onder meer de voor prosopografisch onderzoek zo belangrijke stukken van het soldijkantoor, en de boekhoudkundige stukken van de kamers, die gegevens bevatten over de economische activiteit van de Compagnie in de Republiek.

1. Resoluties
Heren Zeventien

Zaken die het algemeen beheer van de Compagnie betroffen, werden besproken en afgehandeld in de vergaderingen van de Heren Zeventien. Behalve een serie minuut-resoluties over de jaren 1654-1796 (inv. nrs. 24-98) zijn er drie series van in deze vergaderingen genomen resoluties bewaard gebleven: twee series in het archief van de kamer Amsterdam en de Heren Zeventien (inv. nrs. 99-145 en 146-210) en een serie in het archief van de kamer Zeeland (inv. nrs. 7343-7416). In het archief van de kamer Zeeland zijn de resoluties van de Heren Zeventien in het hoofdstuk 'ingekomen stukken uit Europa' te vinden. Het hoofdstuk 'resoluties' bevat alleen de resoluties van de kamer zelf. Deze indeling gaat voorbij aan het feit dat de Heren Zeventien gedurende twee van de acht jaren in Middelburg vergaderden en hun resoluties ter plaatse werden genoteerd en gekopieerd.

De resoluties werden opgemaakt in zes net-exemplaren, één voor elke kamer. De serie die beschreven wordt onder inv. nrs. 146-210 betreft dergelijke net-exemplaren, gezien het opschrift 'originele resoluties' op de rugzijde van de banden, en het voorkomen van de handtekeningen van de gecommitteerden achter iedere laatste vergaderdag. In de beginperiode is de inhoud van verzonden of ontvangen brieven en andere stukken vaak in de tekst opgenomen. Later vindt men zulke stukken steeds meer als bijlagen bijgebonden. Vanaf 1673 staat in de marge van de resoluties een korte samenvatting van de inhoud, hetgeen onderzoek zeer vergemakkelijkt. De resoluties behelzen overigens alleen de resultaten van het overleg van de Heren Zeventien en de daaruit voortvloeiende besluiten. Van het verloop van de besprekingen, de discussies en meningsverschillen is weinig of niets in de resoluties terug te vinden.

De serie die in de inventaris aan de serie net-exemplaren voorafgaat (inv. nrs. 99-145), is hiernaar gekopieerd. Een voordeel van deze serie kopie-resoluties is dat al vanaf het begin korte samenvattingen van de resoluties in de marge staan. De in de net-exemplaren geïnsereerde stukken zijn ook in de kopie-resoluties overgenomen, maar dat is helaas niet altijd het geval met de meegebonden bijlagen.

In de resolutieboeken staan bovenaan iedere vergadering de namen van de zeventien gecommitteerden vermeld en tot welke kamer zij behoorden. Dan worden de agendapunten voor de bijeenkomst opgesomd, 'pointen van beschryvinge' genoemd. In de marge van ieder punt wordt verwezen naar de datum van de desbetreffende resolutie. Ook indien het slechts om het lezen van een rapport gaat, wordt de datum vermeld waarop dat is gebeurd. Omgekeerd wordt in de resoluties of in de marge vermeld om welk agendapunt het gaat.

De agendapunten moesten geruime tijd van te voren aan de kamers worden toegezonden, zodat die eventueel met aanvullingen konden komen en gelegenheid hadden een standpunt te bepalen. Belangrijke onderwerpen die niet tijdig op de agenda waren gezet en die tijdens of vlak voor de vergadering opkwamen, konden niet zomaar worden behandeld. Alleen indien zij geen uitstel duldden, mochten ze 'extraordinaris' worden behandeld. Het laatste agendapunt voorzag in het afhandelen van niet-geagendeerde 'gewone' zaken.

Het kon gebeuren dat een kamer advies over een bepaalde zaak aan de andere kamers vroeg. Waren de adviezen eensluidend dan werden die beschouwd als een door de Heren Zeventien genomen beslissing. Had een van de kamers een afwijkende mening, dan moest de zaak op de agenda van de Heren Zeventien worden opgenomen en in hun vergadering worden afgehandeld.

In de resolutieboeken kunnen zich ook resoluties van de kleine, halve Zeventien bevinden. De samenstelling varieerde van acht tot elf gecommitteerden. Beslissingen hadden dezelfde kracht als die van de volledige Heren Zeventien. Vanaf 10 augustus 1660 worden de vergaderingen van de kleine, halve Zeventien in de resolutieboeken aangeduid als vergaderingen van de Heren Zeventien. Telling van het aantal gecommitteerden geeft uitsluitsel of het al dan niet een vergadering van de kleine, halve Zeventien betreft.

In het archief van de kamer Amsterdam is een uit vier delen bestaande zakenindex op de resoluties aanwezig (inv. nrs. 221-224). Volgens een aantekening in het begin van de index zijn hierin allereerst de staande (= vaste, onveranderlijke) orders, instructies en reglementen van de Heren Zeventien opgenomen. Daarnaast verwijst de index naar veel resoluties die geen staande orders zijn maar die dienen 'eensdeels om aan te wyzen hoedanig verschyde zaaken en voorvallen zyn begrepen, behandelt en afgedaan en ten anderen om te konnen weeten en (des nodig) met gemak te vinden deeze en geene zaaken en gevallen die van opmerking zyn'. De trefwoorden lopen van Aannemen tot en met Zijde. Onder ieder trefwoord worden chronologisch alle desbetreffende resoluties opgenoemd, met een korte beschrijving van de inhoud.In het archief van de kamer Zeeland is een uit zes delen bestaand alfabetisch repertorium op de resoluties aanwezig (inv. nrs. 7417-7422). Op 22 januari 1743 werden de eerste twee delen, toen lopende tot 1742, per brief aan de bewindhebbers van de kamer aangeboden door de liquidatieboekhouder Thomas Cunningham 't Hooft. Hij had deze grotendeels eigenhandig samengesteld, niet in opdracht van de bewindhebbers maar waarschijnlijk voor eigen gebruik. Wellicht hing dit samen met zijn nevenfunctie van chartermeester. In het repertorium zijn de resoluties alfabetisch geordend naar beginletter van het onderwerp. Binnen één letter zijn de resoluties chronologisch opgenomen. Onderwerpen die met dezelfde letter beginnen staan dus door elkaar.

Naast deze grote series resoluties zijn er kleinere reeksen en losse stukken bewaard gebleven. Een paar voorbeelden zijn: in het archief van de kamer Amsterdam extract-resoluties betreffende kerkelijke zaken 1603-1671 (inv. nr. 212), minuut-secrete resoluties 1738-1794 (inv. nrs. 216-218) en secrete resoluties 1777-1794 (inv. nrs. 219-220); in het archief van de kamer Zeeland kopie-resoluties 1618-1623, 1657-1663 (inv. nrs. 7425-7427), kopie-secrete resoluties 1779-1795 (inv. nr. 7429) en extract-resoluties betreffende zaken van belang voor verschillende departementen van de kamer Zeeland 1699-1728 (inv. nrs. 7432-7433); in de kamer Hoorn kopie-secrete resoluties 1790-1795 (inv. nr. 14327).

Kamer Amsterdam en kamer Zeeland

Van de zes kamers van de VOC zijn alleen de resoluties van de kamers Amsterdam en Zeeland bewaard gebleven. Die van Amsterdam beginnen met vijf delen over de periode 1602-1629 (inv. nrs. 225-229). Daarna komt een serie over 1623-1796 (inv. nrs. 230-304). Hoewel de eerste vier delen als opschrift hebben 'Cladde vande dagelijcxse resolutien', maken zij wel deel uit van de serie. Vanaf 1707 staat in de marge van iedere resolutie een korte samenvatting van de inhoud. De resoluties van de kamer Zeeland bestrijken de periode 1601-1796 (inv. nrs. 7241-7278). Hier staan pas vanaf 1745 samenvattingen in de marge geschreven.

Naast de bovengenoemde series zijn enkele kleinere reeksen en losse stukken bewaard. Zij betreffen in het archief van de kamer Amsterdam bijvoorbeeld minuut-secrete resoluties over de jaren 1738-1794 (inv. nrs. 216-218) en secrete resoluties 1777-1794 (inv. nrs. 219-220); van de kamer Zeeland secrete resoluties 1642-1787 (inv. nr. 7279) en minuut-resoluties 1770-1776 (inv. nr. 7240); en van de kamer Hoorn secrete resoluties 1691-1794 (inv. nr. 14318).

Bladzijde uit de resoluties van de Heren XVII, 1695 (ARA Eerste Afdeling, VOC, inv.nr. 111):

Bladzijde uit de inhoudsopgave van een band Overgekomen brieven en papieren, 1698 (ARA Eerste Afdeling, VOC, inv.nr. 1589):

De werkwijze van de kamers blijkt duidelijk uit de resoluties. De kamers kunnen worden beschouwd als de uitvoerders van de besluiten van de Heren Zeventien. Daarnaast hadden zij ook een belangrijke beleidsvoorbereidende taak. Bij de uitvoerende werkzaamheden van de kamers werd de in het octrooi vastgelegde verdeelsleutel gehanteerd. Dit gold in principe voor alle activiteiten, zoals het bouwen en uitrusten van schepen, het versturen van goederen en contanten, en het ontvangen en veilen van handelsgoederen. De kamers moesten de besluiten van de Heren Zeventien over bijvoorbeeld de equipage en de verkopingen precies opvolgen en mochten hier op geen enkel punt van afwijken.

De bewindhebbers van de kamers vergaderden zo vaak als nodig was. Naast ordinaris vergaderingen waren er ook extraordinaris vergaderingen. Op hun bijeenkomsten bespraken de bewindhebbers de verschillende 'punten van beschrijving' voor de vergaderingen van de Heren Zeventien. De vaste commissies of departementen van de kamer werden samen met speciaal daarvoor ingestelde commissies aangewezen om de verschillende punten te onderzoeken en daarover in de voltallige vergadering te rapporteren.

Uit de resoluties blijkt een groot aantal andere werkzaamheden en verantwoordelijkheden van de bewindhebbers. Enkele voorbeelden tonen de verscheidenheid van hun activiteiten: zij lazen uit Indië overgekomen brieven; zij benoemden het personeel dat in dienst kwam van de kamer en stelden instructies voor de verschillende functies op; zij selecteerden en benoemden predikanten die naar Indië werden gezonden (de heren van het pakhuis beluisterden hiertoe een preek van de beoogde kandidaat en brachten vervolgens advies uit aan de vergadering); zij benoemden gecommitteerden naar het Haags Besogne; zij behandelden aanvragen van dienaren die naar Indië vertrokken om iemand mee te nemen; en tenslotte besloten zij over subsidieaanvragen van andere kamers.

In het archief van de kamer Amsterdam is een uit vier delen bestaande zakenindex op de resoluties aanwezig (inv. nrs. 307-310). Evenals de index op de resoluties van de Heren Zeventien bevat deze index allereerst de staande orders, instructies en reglementen van de kamer Amsterdam en daarnaast veel resoluties die eigenlijk geen staande orders zijn maar die dienen 'eensdeels om aan te wijsen hoedanig verschijde zaken en voorvallen zijn begreepen, behandelt en afgedaan en ten anderen om te konnen weten en (des nodig) met gemak te vinden deze en gene zaken en gevallen die van opmerking zijn'. Voorts zijn de namen van aangenomen personeel in de index opgenomen, met vermelding van hun traktementen, emolumenten, andere vormen van inkomsten, en huishuur. Het eerste deel, de index over 1602-1743, begint met een verwijzing naar instructies en eden voor VOC-dienaren als apothekers, boekbinders, klerken, smeden en zeilmakers. De trefwoorden in de vier delen lopen van Aalmoezenier tot en met Zijdewormen. Onder ieder trefwoord worden chronologisch alle desbetreffende resoluties opgenoemd. In het archief van de kamer Zeeland zijn vanaf 1736 alfabetische indices in de resolutieboeken aanwezig. Over de periode 1783 tot 1796 is er een aparte alfabetische index op de resoluties (zeven delen; inv. nrs. 7280-7286). Ieder deel heeft betrekking op één deel resoluties. Binnen de letters A tot en met Z zijn de resoluties waarnaar wordt verwezen niet chronologisch ingedeeld, maar in volgorde van en met verwijzing naar de pagina's waar de desbetreffende resolutie te vinden is.

2. Uitgaande stukken

Het archief van de kamer Amsterdam en de Heren Zeventien bevat een serie kopieboeken van uitgaande missiven aan de kantoren in Indië (inv. nrs. 312-344). Over het algemeen werden opdrachten aan de ondergeschikte vestigingen alleen via gouverneur-generaal en raden in Batavia verstrekt. De missiven aan de hoofden van ondergeschikte vestigingen die direct met de Republiek correspondeerden (Kaap de Goede Hoop, Perzië, Malabar, Ceylon, Coromandel, Bengalen en in sommige perioden ook China en Surat) zijn in de serie uitgaande missiven dus van minder belang. De missiven aan gouverneur-generaal en raden bevatten opdrachten en reflecties op ontvangen berichten over alle afzonderlijke vestigingen. De missiven zijn naar vestiging in hoofdstukken ingedeeld, hetgeen in de marge is aangegeven. Daarnaast zijn er ook hoofdstukken over het algemene beleid in Indië. De brievenboeken bevatten de besluiten in de Republiek betreffende de zaken in het octrooigebied, die men in de resoluties vergeefs zal zoeken. Uit deze missiven spreekt vaak een sterk verschil aan opvattingen tussen de Heren Zeventien en het bestuur in Indië. Gezien het grote gewicht van deze missiven in de administratie van de VOC zijn op deze missiven zowel in de Republiek (inv. nrs. 345-349) als in Batavia alfabetische zakenindices gemaakt.

De missiven van de kamer Amsterdam aan de vestigingen in het octrooigebied zijn tot 1642 opgenomen in de serie kopieboeken van uitgaande missiven van de Heren Zeventien. Na 1642 bestaat er een aparte serie kopieboeken van uitgaande missiven van de kamer (inv. nrs. 350-354).

In het archief van de kamer Zeeland is slechts een enkel register van missiven van de kamer naar het octrooigebied bewaard gebleven (inv. nr. 7313, over de jaren 1773-1794). Daarnaast bevat het archief van de kamer Zeeland een serie kopieboeken van uitgaande missiven aan de Heren Zeventien en aan de andere kamers. Deze serie is van groot belang voor de kennis van de onderlinge betrekkingen tussen de kamers (inv. nrs. 7290-7311).

3. Ingekomen stukken uit Indië

De uit Indië overgekomen bescheiden zijn de belangrijkste bron voor de geschiedenis van de Nederlandse activiteiten in het octrooigebied. Voorts bevatten zij een schat aan gegevens betreffende de Aziatische geschiedenis.

Twee grote series van dergelijke bescheiden zijn nog aanwezig: een in het archief van de kamer Amsterdam en een tweede in het archief van de kamer Zeeland. Het verdient aanbeveling een onderzoek te beginnen in het archief van de kamer Amsterdam. Indien daar documenten ontbreken, of indien men op zoek is naar meer gegevens, dan kan het nuttig zijn om ook de serie in het archief van de Kamer Zeeland te bezien. Van vóór 1680 zijn in het archief van de kamer Zeeland geen stukken uit Azië aanwezig.

I. Kamer Amsterdam

In de beginperiode van haar activiteiten in Azië bezat de Compagnie nog geen vaste vestigingen. De in die jaren uit Azië afkomstige bescheiden vormen een tamelijk toevallige verzameling van door terugkerende schepen meegenomen stukken. Dit zijn de zogenoemde 'stukken betreffende de vroegste scheepstochten', tot omstreeks 1614 (inv. nrs. 437-655). Voor de jaren 1607-1613 bestaan er daarnaast aan het begin van de hieronder genoemde serie overgekomen brieven en papieren drie bundels stukken afkomstig van de eerste vaste vestigingen (inv. nrs. 1053-1055). Vanaf 1614 bestaat er een vaste reeks van jaarlijkse verzamelingen van rapporten met bijlagen.

De structuur van de sinds 1614 uit de vestigingen overgestuurde bescheiden is tamelijk gecompliceerd. Er schijnen vijf belangrijke categorieën geweest te zijn, maar twee daarvan zijn bijna geheel verloren gegaan. Dit zijn de dagregisters van de verschillende vestigingen en de registers van de boekhouders in Indië. Dit verlies kan gedeeltelijk worden gecompenseerd uit andere bestanden: het archief van de boekhouder-generaal dat in 1863 uit Batavia naar Nederland werd overgebracht, en de gedeeltelijk gepubliceerde dagregisters van Batavia in het Indonesische staatsarchief (

J.A. van der Chijs e.a. ed., Dagh-register gehouden int Casteel Batavia vant passerende daer ter plaetse als over geheel Nederlandts-India (31 delen; Batavia en 's-Gravenhage 1887-1931). Bestreken wordt de periode 1624-1682, zij het met veel lacunes.

). De overige drie blokken zijn de series kopie-resoluties van gouverneur-generaal en raden in Batavia, de serie kopie-uitgaande stukken van gouverneur-generaal en raden, en de zogenoemde serie overgekomen brieven en papieren uit de vestigingen, die weer in verschillende onderdelen kan worden gesplitst.

Kopie-resoluties van gouverneur-generaal en raden

De kopie-resoluties van gouverneur-generaal en raden vormen de neerslag van de bestuursactiviteiten van het hoogste VOC-college buiten de Republiek, waarvan de bevoegdheden zich over het gehele octrooigebied uitstrekten. Evenals de resoluties van de Heren Zeventien en van de kamers geven zij voornamelijk informatie over de lopende administratieve zaken van de handel, benoemingen, regelgeving en het bestuur, en weinig over beleidsachtergronden. Slechts een enkele keer kan men er gegevens over de koloniale politiek in vinden. Voor de typisch politieke beslissingen moet de onderzoeker in de eerste plaats de hieronder genoemde uitgaande brievenboeken gebruiken.

Qua vorm zijn de Bataviase resoluties - in tegenstelling tot de resoluties van de Heren Zeventien en van de kamers - soms meer notulen: in geval van fundamentele bestuurlijke geschillen worden de standpunten van diverse facties en personen vermeld. De gewone resoluties zijn vrijwel volledig aanwezig (inv. nrs. 656-827). Tot 1636 zijn zij niet altijd in aparte series opgenomen, maar zijn zij gedeeltelijk bijgebonden in de banden van de serie overgekomen brieven en papieren. De inventaris vermeldt deze gevallen.

De enige volledige toegang op de serie kopie-resoluties zijn de chronologische inhoudsopgaven in ieder deel. Daarnaast is er een alfabetisch repertorium op 'personalia' (benoemingen en dergelijke) (inv. nrs. 828-834), en een summier en dus onvolledig alfabetisch repertorium op onderwerpen ('realia'; inv. nrs. 835-839). Dit laatste repertorium is ook in druk verschenen. (

Realia. Register op de generale resolutiën van het kasteel Batavia (3 delen; Batavia en 's-Gravenhage 1882-1886).

) Het gebrek aan een goede alfabetische index op onderwerpen maakt de serie minder toegankelijk.

De aparte serie kopie-secrete resoluties beslaat alleen de jaren 1756-1791 (inv. nrs. 840-847). Vele secrete resoluties zijn in de serie gewone resoluties bijgebonden, met name in de jaren 1704-1727. Dit is in de inventaris aangetekend. Voorts zijn dikwijls secrete resoluties in de overgekomen brieven en papieren opgenomen. Hiervoor moet men de in typoscript aanwezige inhoudsopgaven van deze serie raadplegen. (De inventaris vermeldt niet de vindplaats van de in de serie overgekomen brieven en papieren verspreid voorkomende secrete resoluties.)

Kopie-uitgaande stukken van gouverneur-generaal en raden

Deze categorie betreft de uitgaande missiven van gouverneur-generaal en raden in Batavia aan de kantoren in Indië en aan Aziatische autoriteiten. Het 'Batavia's uitgaande brievenboek' (kopieboeken van uitgaande missiven) is vrijwel volledig in het archief van de kamer Amsterdam aanwezig (inv. nrs. 849-1052). De enkele gedeelten die elders gevonden kunnen worden, zijn in de inventaris vermeld. Dit betreft de uitgaande stukken uit de periode 1614-1634, die in de serie overgekomen brieven en papieren kunnen worden gevonden.

De serie kopieboeken van uitgaande missiven vormt, meer dan de kopie-resoluties van gouverneur-generaal en raden, een directe bron van informatie over het bestuurshandelen van de gouverneur-generaal en raden betreffende het gebied buiten Batavia en directe omgeving. Hierin vindt men de politieke aanwijzingen, die men vaak in de resoluties niet vindt. Het verdient aanbeveling om deze serie te gebruiken in combinatie met de uitgaande brievenboeken van de Heren Zeventien, die de politieke instructies van het bestuur in de Republiek aan de Hoge Regering bevatten.

Een nadere toegang bieden de inhoudsopgaven van geadresseerden, die zich in ieder deel bevinden.

Overgekomen brieven en papieren

Voor de periode tot 1614 zijn de stukken in detail in de inventaris beschreven in de series 'stukken betreffende de vroegste scheepstochten' (zie hierboven). In de periode vanaf 1614 zijn de stukken eerst zonder veel orde in een aantal jaarlijkse bundels bijeengebracht, doch vanaf 1660 zijn de stukken op een duidelijk gestructureerde manier ingebonden, zoals hieronder is aangegeven.

Algemene serie: overgekomen brieven en papieren uit Indië aan de Heren XVII en de kamer Amsterdam, 1607-1794 (inv. nrs. 1053-3987)

Deze serie is in feite een conglomeraat van missiven van de gouverneur-generaal en raden aan de Heren Zeventien en de kamer Amsterdam, met bijlagen, te zamen met de stukken die uit vestigingen die rechtstreeks met patria correspondeerden, werden overgezonden. Deze serie bestaat uit jaarlijkse reeksen die uit de volgende bestanddelen zijn opgebouwd:

  1. Generale missiven met bijlagen.
  2. Stukken betreffende de bedrijfsvoering in Indië en vooral in Batavia, afkomstig van departementen van de Hoge Regering.
  3. Stukken afkomstig van de Raad van Justitie.
  4. Stukken, voornamelijk van kantoren in Perzië en enkele andere vestigingen in de Westerkwartieren, die via de 'landweg' over Basra en Aleppo naar de Republiek werden gestuurd. Zij zijn niet altijd aanwezig, doch meestal wel voor de periode tot ca. 1730.
  5. Stukken van een aantal grote vestigingen die buiten Batavia om rechtstreeks met de Republiek correspondeerden (Bengalen, Coromandel, Ceylon en Malabar, soms ook van Surat): missiven, vaak vergezeld van dagregisters, resoluties en stukken betreffende de administratie van deze vestigingen. Dikwijls zijn deze verzamelingen van bescheiden zo omvangrijk dat in feite een duplicaat-archief van de vestiging is ontstaan.
  6. Het 'Batavia's ingekomen brievenboek', afschriften van alle in Batavia van de vestigingen in Indië ingekomen missiven, vaak met uitvoerige bijlagen (resoluties, dagregisters, afschriften van briefwisseling en administratieve bescheiden), die soms evenals in serie e zo omvangrijk zijn dat zij een soort duplicaat-archief van de vestiging vormen. Deze afschriften zijn gebundeld naar vestiging. De serie wordt in de achttiendeeeuw gevolgd door een of meer bundels secrete brieven.

Tekening van een tak van de kruidnagelboom (ARA Eerste Afdeling, Aanwinsten, inv.nr. 1872 A XVIII, K.A. 93-1):

Brieven geschreven in Arabische en Indiase karakters (ARA Eerste Afdeling, Hoge Regering Batavia, inv.nr. 41):

Serie overgekomen brieven en papieren uit Kaap de Goede Hoop aan de Heren XVII en de kamer Amsterdam, 1651-1794 (inv. nrs. 3988-4373)

Deze serie is vergelijkbaar met de serie b hierboven, met dien vestande dat zich hiertussen ook banden met gerechtelijke stukken bevinden. De serie bevat soms ook papieren van onderhorige vestigingen (Mauritius), van expedities (naar Madagaskar en Rio Delagoa) en van andere vestigingen (Perzië en Surat) die via Kaap de Goede Hoop naar de Republiek werden gestuurd.

Serie overgekomen brieven en papieren uit China aan de Heren XVII en de kamer Amsterdam, 1729-1794 (inv. nrs. 4374-4447)

Aangezien deze stukken door een aparte commissie werden behandeld, vormen zij ook een aparte serie. In enkele jaren bevinden zij zich vermengd met de algemene serie overgekomen brieven en papieren uit Indië.

In de generale missiven, die vaak erg lang zijn, worden de onderwerpen meestal in een bepaalde volgorde behandeld. Zij bevatten eerst een algemeen rapport over scheepsbewegingen en handel, gevolgd door een bespreking van de verschillende vestigingen, in een vaste volgorde. Aan het slot van de missiven worden financiële en personele aangelegenheden behandeld. Bij de missiven van vestigingen aan Batavia komen achtereenvolgens de scheepsbeweging, handel in het algemeen (eerst over de hoofdvestiging, daarna over eventuele ondergeschikte kantoren), handel per artikel, politiek nieuws over inheemse autoriteiten, nieuws over andere Europese mogendheden in de regio, en personeels- en juridische zaken aan de orde. Vaak zijn de missiven bovendien van uitvoerige postscripta betreffende bepaalde onderwerpen voorzien.

Van belangrijke vestigingen, met name in de Westerkwartieren, zijn zowel missiven aan de Heren Zeventien als missiven aan de gouverneur-generaal en raden in Batavia aanwezig. Zo kunnen bijvoorbeeld van Coromandel tussen de papieren die rechtstreeks naar patria zijn gezonden (serie e) naast de missiven aan de Heren Zeventien ook afschriften van missiven aan Batavia aanwezig zijn, terwijl in het Batavia's ingekomen brievenboek zich zowel afschriften van missiven van Coromandel aan Batavia als afschriften van missiven aan de Heren Zeventien kunnen bevinden. Er is een zeker verschil tussen de missiven van vestigingen aan Batavia en die aan de Heren Zeventien. Batavia was voor de vestigingen de directe superieur. Het was daar dat belangrijke beslissingen werden genomen of lokale besluiten werden goedgekeurd. De missiven aan Batavia zijn daarom meestal uitvoeriger, maar het komt zeker voor dat in missiven aan de Heren Zeventien informatie te vinden is die niet in de missiven aan Batavia staat.

Vermeldenswaard zijn tenslotte de verdragen en correspondentie met Aziatische vorsten, die verspreid in de overgekomen brieven en papieren voorkomen. Er is overigens ook een aparte serie contracten aanwezig in de categorie afzonderlijk gehouden stukken (inv. nrs. 4777-4787). Aangezien verdragen en correspondentie met Oosterse vorsten alleen in Nederlandse vertaling voor het bestuur van de VOC van belang waren, worden hiervan meestal alleen vertalingen in de VOC-archieven aangetroffen. Slechts een enkele maal zijn exemplaren in de originele taal in de banden van de overgekomen brieven en papieren bijgebonden. (

In het Indonesische staatsarchief is nog een aantal van dergelijke stukken als afzonderlijke serie bewaard. Voorts is een verzameling losse brieven in het archief van de Hoge Regering in het Algemeen Rijksarchief terechtgekomen, vermoedelijk afkomstig uit de archieven van Nederlandse vestigingen in India. Enkele stukken zijn aanwezig in het archief van de factorijen Japan en Kanton. Verscheidene van dergelijke stukken werden ook door VOC-dienaren als curiosa bewaard, en raakten verspreid in musea en handschriftenverzamelingen. Enkele losse stukken bevinden zich in de collectie Aanwinsten van de Eerste Afdeling en in enkele particuliere archieven. Vermeldenswaard is de verzameling brieven van vorsten uit het gebied van Riau en Malakka in het archief van de marineofficier Van Braam (Algemeen Rijksarchief).

)

Er is een aantal toegangen. De voornaamste toegang zijn de inhoudslijsten van de series overgekomen brieven en papieren uit Indië, Kaap de Goede Hoop en China. De inhoudsopgaven zijn in typoscript raadpleegbaar op het Algemeen Rijksarchief in series van respectievelijk 31, 3 en 1 d(e)el(en). De meeste zijn samengesteld uit de oorspronkelijke inhoudslijsten. De inhoudsopgaven vermelden ieder document afzonderlijk, maar zijn niet consistent en geven meestal slechts een vage indicatie van de inhoud. Indien men vrij nauwkeurig weet wat men zoekt (wat betreft plaats en datering) en de omvang van het te onderzoeken materiaal beperkt blijft, vormen deze inhoudsopgaven een goede hulp om snel het materiaal te selecteren. Indien het doel van het onderzoek chronologisch minder scherp gedefinieerd is, kan men als oriëntatiemiddel de publikatie van extracten uit de generale missiven gebruiken, uitgegeven door W.Ph. Coolhaas en J. van Goor. (

W.Ph. Coolhaas en J. van Goor ed., Generale missiven van gouverneur-generaal en raden aan Heren XVII der Verenigde Oostindische Compagnie. Rijks geschiedkundige publicatiën, grote serie 102, 112, 125, 134, 150, 159, 164, 193 en 205 (9 delen; 's-Gravenhage 1960-1988). Op het moment van samenstellen van deze inleiding beslaat de uitgave de periode tot 1737.

)Deze serie is voorzien van goede indices op persoonsnamen, geografische namen, scheepsnamen en zaken. Daarnaast kunnen ook de repertoria op realia en personalia in de Bataviase resoluties een indicatie geven van de periode waarin bepaalde zaken gespeeld hebben.

Indien men een breed onderzoek wil opzetten, kan het van belang zijn om te beginnen met het doorlezen van globale, samenvattende documenten en daarna pas, al dan niet op basis van hierin gevonden aanwijzingen, via de inhoudsopgaven gedetailleerder documenten op te zoeken. Er zijn verscheidene van dergelijke globale series die in aanmerking komen. Summier, maar uiterst nuttig zijn de samenvattingen van de uit Indië gekomen stukken die door een commissie uit de Heren Zeventien in Den Haag werden opgemaakt en die dienden voor het opstellen van de missiven van de Zeventien naar Indië. Dit jaarlijkse extract is te vinden in de verbalen van het Haags Besogne (inv. nrs. 4455-4506). Het kopieboek van uitgaande missiven van de Heren Zeventien vormt de uiteindelijke neerslag van de werkzaamheden van het Haags Besogne en is vooral van belang voor de periode waarvoor geen Haagse verbalen bestaan (inv. nrs. 312-344). Meer details geeft het 'Batavia's uitgaande brievenboek' (inv. nrs. 849-1052), waarin vaak zeer uitvoerig lokale gebeurtenissen besproken worden in missiven en instructies aan de ondergeschikte vestigingen. Een andere methode die een nuttige basis kan geven voor een breed opgezet onderzoek is het doornemen van de chronologische inhoudsopgaven van de kopie-resoluties van de gouverneur-generaal en raden in Batavia (inv. nrs. 656-827).

II. Kamer Zeeland

De uit het octrooigebied overgekomen bescheiden in het archief van de kamer Zeeland bestaan globaal uit dezelfde bestanden als de genoemde bestanden in het archief van de kamer Amsterdam. De ordening is echter op andere basis aangebracht: in de eerste plaats naar aard van de stukken (missiven, resoluties, dagregisters enz.), vervolgens geografisch en tenslotte chronologisch. (In het archief van de kamer Amsterdam zijn de stukken allereerst chronologisch, vervolgens naar aard, en tenslotte geografisch gerangschikt.) De geografische indeling in het archief van de kamer Zeeland is tamelijk slordig; stukken van een bepaalde vestiging kunnen in een bundel van een andere vestiging zijn geborgen. Dit is in de inventaris aangegeven.

De volgende onderdelen worden onderscheiden:

  1. Een zeer onvolledige serie missiven van gouverneur-generaal en raden aan de Heren Zeventien en de kamer Zeeland, 1658-1792 (inv. nrs. 7527-7599), dus gedeeltelijk overeenkomend met de serie a van de overgekomen brieven en papieren uit Indië in het archief van de kamer Amsterdam.
  2. Kopie-resoluties van gouverneur-generaal en raden (inv. nrs. 7600-7609). Het betreft hier slechts enkele resoluties, secrete resoluties en notulen uit enkele jaren in de achttiende eeuw.
  3. Kopie-dagregisters van Batavia. In tegenstelling tot het archief van de kamer Amsterdam, bezit de kamer Zeeland een weliswaar kleine en fragmentarische serie kopie-dagregisters van het kasteel Batavia uit enkele verspreide jaren in de periode 1647-1766 (inv. nrs. 7610-7617).
  4. Kopie-uitgaande stukken van gouverneur-generaal en raden (inv. nrs. 7618-7657), overeenkomend met de serie kopie-uitgaande stukken van gouverneur-generaal en raden van de kamer Amsterdam. Ook in deze serie zitten veel lacunes. De kopie-boeken van uitgaande missiven beslaan de jaren 1683-1787, de secrete missiven de jaren 1755-1789.
  5. Een serie kopie-ingekomen stukken bij gouverneur-generaal en raden uit de vestigingen in Indië, die overeenkomt met het 'Batavia's ingekomen brievenboek' (serie f) en met de serie b van de overgekomen brieven en papieren uit Indië in het archief van de kamer Amsterdam, maar hier gesplitst in geografische series, vanaf ca. 1682 (inv. nrs. 7658-9179). Dit bestand vormt geen aaneengesloten reeks; er zijn vele hiaten. Het wordt gekenmerkt door een zeer slordige en inconsequente rubricering. Per vestiging wordt over het algemeen eerst de reeks missiven met bijlagen opgenomen, gevolgd door de reeks secrete missiven met bijlagen. Daarachter kunnen reeksen stukken zijn opgenomen, die oorspronkelijk bijlagen waren bij de missiven maar daarvan zijn afgesplitst, zoals resoluties, dagregisters, ingekomen en uitgaande brievenboeken en een enkel boekhoudkundig stuk. Vooral in deze reeks is de geografische opzet zeer onnauwkeurig gevolgd: vele stukken betreffende een bepaalde vestiging zijn bij de stukken van een andere vestiging opgenomen. Bij de inventarisatie van de stukken is een band die missiven uit twee of meer kantoren bevat, vermeld bij het kantoor, waarvan de stukken het grootste gedeelte van de band innemen. Bij de andere vestigingen is dan altijd een verwijzing opgenomen.
  6. Een serie stukken betreffende de boekhouding van de VOC-kantoren in Indië. Het betreft met name rapporten van de visitateur-generaal uit de jaren 1771-1786 (inv. nrs. 9180-9191).
  7. Een serie stukken van de Raad van Justitie in Batavia, die overeenkomt met de stukken die bij het archief van de kamer Amsterdam genoemd zijn onder c. De reeks in het archief van de kamer Zeeland is echter veel omvangrijker (inv. nrs. 9192-9540). Hierin bevinden zich onder andere missiven aan de bewindhebbers in patria, civiele en criminele rollen, en processtukken, grotendeels uit de achttiende eeuw.
  8. Series stukken afkomstig van de kantoren in Bengalen, Coromandel, Ceylon, Malabar, Surat, en een bundel stukken uit Perzië, die over de landweg naar patria zijn verzonden (inv. nrs. 9541-11024). Deze series zijn tot op zekere hoogte vergelijkbaar met series d en e van de overgekomen brieven en papieren uit Indië in het archief van de kamer Amsterdam.

De banden bevatten, evenals die van de kamer Amsterdam, oude inhoudslijsten, maar hiervan is geen aparte uitgetypte versie beschikbaar.

4. Commissiearchieven

Er bestonden verscheidene commissies en 'besognes' van bewindhebbers, die als kleine werkgroepen taken uitvoerden die niet in de korte zittingsperioden van de Heren Zeventien konden worden afgewikkeld. De belangrijkste daarvan zijn het Haags Besogne en de commissie voor de vaart op China. Het Haags Besogne moest de concept-missive opstellen als antwoord op de generale missive uit Batavia. Hiertoe werd een uitvoerige beredeneerde samenvatting vervaardigd van de overgekomen papieren. De samenvatting is systematisch ingedeeld naar vestiging. Deze taak werd in 1787 overgenomen door het zogenoemde Vijfde Departement (of Preparatoir Besogne). De verbalen van het Haags Besogne en van het Vijfde Departement c.q. Preparatoir Besogne zijn in het archief van de kamer Amsterdam aanwezig (inv. nrs. 4455-4506 en 4516-4529).

Het in het archief van de kamer Amsterdam opgenomen bestand van de commissie voor de vaart naar China bestaat uit verbalen (inv. nr. 4542) en minuut- en kopie-uitgaande stukken naar China (inv. nrs. 4543-4553). Tevens bevindt zich hier een nuttig alfabetisch repertorium op de overgekomen brieven uit China over de jaren 1757-1779 (inv. nr. 4556).

Een derde commissie is die voor het opmaken van de jaarlijkse 'generale staat'. De Compagnie had geen centrale boekhouding. De zes kamers maakten ieder jaar hun balans afzonderlijk op. De zes balansen werden door de commissie uit de Heren Zeventien samengevoegd tot de 'generale staat'. De boekhouders van de kamers kwamen daartoe jaarlijks met de journalen en grootboeken naar deze commissie. Door de manier van boekhouden is het moeilijk om inzicht te krijgen in de werkelijke financiële positie van de kamers en in de rentabiliteit van het Compagniesbedrijf in zijn geheel. Van de commissie voor het opmaken van de jaarlijkse 'generale staat' zijn de samenvattende staten, getrokken uit de boekhoudingen van de verschillende kamers vanaf 1662 bewaard gebleven (inv. nrs. 4584-4597). Van de kamer Amsterdam zijn ook de samenvattende staten vanaf 1642 aanwezig (inv. nr. 4583).

Van de andere commissies uit de Heren Zeventien zijn weinig bescheiden bewaard gebleven.

5. Afzonderlijk gehouden stukken, gedeeltelijk oorspronkelijk losse stukken

In de rubriek afzonderlijk gehouden stukken in de inventaris - alleen in de archieven van de kamers Amsterdam en Zeeland - zijn stukken van diverse herkomst samengebracht, die niet tot de administatie of het archief van een bepaald kantoor van de kamer konden worden herleid. Het eerste gedeelte, de stukken betreffende het beheer in Europa, is geordend op onderwerp: zij betreffen onder andere de rechtspositie van de Compagnie, personeel, kerkelijke zaken in Indië, de verhouding met Europese mogendheden, stukken betreffende het verval en voorstellen tot verbeteringen. In het tweede gedeelte, de stukken betreffende het beheer in Azië, zijn de stukken ook in naar onderwerp onderscheiden categorieën ingedeeld, zoals registers van tractaten gesloten met Aziatische vorsten, en stukken betreffende handel en personeel in Indië. Daaronder valt ook een serie geografisch geordende stukken, ingedeeld naar factorij (inv. nrs. 4833-4926 en 11229-11335). Zij vormen een aanvulling op de overgekomen brieven en papieren.

6. Departementsarchieven

De nogal fragmentarische departementsarchieven bevatten gegevens betreffende de details van de bedrijfsvoering van de verschillende kamers. Het zijn resten van de administratie van het departement van de equipage (uitrusting van schepen en navigatie), het soldijkantoor (personeelsadministratie betreffende de VOC-dienaren in het octrooigebied en op de schepen), het departement van de commercie (verkoop van de koopwaar en inkoop van goederen voor Indië; in de kamer Zeeland heette dit het departement van de koopmanschappen), het departement van de ontvang (betalingsverkeer, beheer van de onroerende goederen; in Zeeland heette dit het departement van de thesaurie), en de opperboekhouder (aandelenkapitaal, leningen, betalingen in de Republiek).

Van de meeste kamers zijn grote fragmenten van het archief van de opperboekhouder en van het soldijkantoor bewaard gebleven. Alleen van de kamers Amsterdam en Zeeland en dan nog slechts zeer uitgedund zijn bescheiden van de andere departementen aanwezig. Wel kunnen persoonlijke archieven en verzamelingen van bewindhebbers en personeel in de Republiek soms lacunes opvullen of een indruk geven van de opbouw van de verdwenen archieven.

Van de departementen van de equipage van de kamers Amsterdam en Zeeland is materiaal van enige omvang bewaard gebleven. Hierin vindt men een onvolledige verzameling van voorschriften en andere stukken betreffende uitrusting, personeel en navigatie van de schepen. Ook is er van de kamers Amsterdam en Zeeland in het archief van dit departement een zeer onvolledige verzameling van scheepsjournalen aanwezig (inv. nrs. 5049-5142 en 11417-11439). De zogenoemde 'uitloopboekjes', registers van uitgelopen schepen (inv. nrs. 4932-4943) geven informatie over de voor de verschillende kamers uitgevaren schepen, met vermelding van de namen van de kapiteins, het aantal bemanningsleden, de data van vertrek en aankomst, het tonnage enzovoort. De publikatie van al deze gegevens in de twee delen van Dutch-Asiatic shipping heeft het raadplegen van de uitloopboekjes zo goed als overbodig gemaakt. (

J.R. Bruijn, F.S. Gaastra en I. Schöffer, Dutch-Asiatic shipping in the 17th and 18th centuries. Rijks geschiedkundige publicatiën, grote serie 165-167 (3 delen; Den Haag 1979 en 1987). De delen 2 en 3 bevatten de gegevens van uitgelopen VOC-schepen.

).

De archieven van de departementen van de ontvang/thesaurie en van de commercie/koopmanschappen zijn zo onvolledig dat zij slechts in beperkte mate nuttig zijn voor onderzoek.

I. Soldijkantoor

Het soldijkantoor was belast met de administratie van het voltallige personeel in de verschillende vestigingen en kantoren van de VOC tussen Kaap de Goede Hoop en de Baai van Nagasaki, alsmede aan boord van de VOC-schepen die voeren op de intra-Aziatische routes. Deze administratie is voor de periode 1700-1791 vrijwel volledig bewaard gebleven. Het personeel in de Republiek valt buiten het bestek van deze beschouwing.

De achttiende-eeuwse personeelsadministratie bestaat uit: 1) de generale land- en zeemonsterrollen, 2) de scheepssoldijboeken en 3) de rollen van de gekwalificeerde civiele en militaire dienaren (

De volgende aanwijzingen en uiteenzettingen zijn gebaseerd op systematische bestudering van dit volumineuze archiefbestand; zie: F. Lequin, Het personeel van de Verenigde Oost-Indische Compagnie in Azië in de achttiende eeuw, meer in het bijzonder in de vestiging Bengalen (2 delen; Leiden 1982); hoofdstuk I en pp. 580-592 geven details over archivalia die op het personeel betrekking hebben.

).Het geheel bevat persoonsgegevens van zo'n 620.000 mensen en beslaat ruim 1,2 miljoen pagina's. De banden bestrijken in totaal ongeveer 245 meter en nemen één vijfde van alle VOC-archieven in beslag. De hoeveelheid werk die de peroneels- en soldijadministratie met zich meebracht, mag blijken uit de volgende rekensom. Gaan we uit van één origineel exemplaar plus zes kopieën generale land- en zeemonsterrollen, twee reeksen rollen van de gekwalificeerde civiele en militaire dienaren en één reeks scheepssoldijboeken, dan omvat dat ruim 2.275.000 pagina's die op het algemeen soldijkantoor in Batavia zijn geschreven. Uit de generale landmonsterrollen voor Batavia 1700-1791 blijkt dat er gemiddeld 137 man werkzaam waren op de vier 'schrijfafdelingen' in Batavia: de generale secretarie, het algemeen soldijkantoor, het soldij-visitekantoor en de monsterrolschrijvers. In dezelfde periode waren er gemiddeld zes dienaren werkzaam 'aan de generale monsterrol'. Gaat men van de bekende gegevens uit, dan diende de totale produktie van deze mensen 1.225.000 pagina's te zijn. Dat betekent tien bladzijden per dag per dienaar, wanneer men uitgaat van de toen gebruikelijke zesdaagse werkweek en zevenurige werkdag.

Behalve de monsterrollen en soldijboeken bevat het archief van het soldijkantoor nog andere stukken betreffende de afwikkeling van salarisaanspraken, met name een serie testamenten van in Indië overleden VOC-personeel (inv. nrs. 6847-6927) en andere stukken betreffende nalatenschappen. In het navolgende zal alleen aandacht worden geschonken aan de personeelsadministratie.

Ofschoon zij als aparte reeksen in de inventaris zijn opgenomen, vormen de generale land- en zeemonsterrollen, de scheepssoldijboeken en de rollen van de gekwalificeerde civiele en militaire dienaren een onderling samenhangend geheel. Het is een belangrijke bron zowel voor onderzoek naar een individuele Compagniesdienaar als voor serieel onderzoek (zoals, om een voorbeeld te noemen, naar de mortaliteit van de Europeanen in de Oost).

De leesbaarheid van de generale land- en zeemonsterrollen en de rollen der gekwalificeerde civiele en militaire dienaren is goed; de scheepssoldijboeken daarentegen zijn nogal eens moeilijk te ontcijferen.

Mechanisme van de personeelsadministratie.

Alle zes VOC-kamers in de Republiek hadden niet alleen eigen schepen, maar ook hun eigen personeel en personeelsadministratie. De personeelsadministratie in de Republiek was gedecentraliseerd. In Indië was zij gecentraliseerd in het zogenoemde algemeen soldijkantoor in Batavia, dat geleid werd door de algemeen soldijboekhouder.

Vertrok er een schip van bijvoorbeeld de kamer Amsterdam uit Amsterdam met bestemming Batavia, dan werden direct na vertrek alle opvarende VOC-dienaren van dat schip in twee identieke scheepssoldijboeken geregistreerd. Bij aankomst in Batavia werden de soldijrekeningen van deze dienaren in het scheepssoldijboek afgesloten en werd de door de Compagnie verschuldigde gage over de duur van de reis op het tegoed van iedere individuele dienaar bijgeschreven. Een uittreksel uit het scheepssoldijboek met de stand van het saldo (de soldijrekening) werd aan iedere dienaar afzonderlijk verstrekt. Het ene exemplaar van het in Batavia terechtgekomen scheepssoldijboek werd naar de kamer Amsterdam teruggezonden. Het andere bleef berusten in het algemeen soldijkantoor in Batavia.

Volgen we nu één dienaar op de voet die zijn Indische loopbaan doorliep in bijvoorbeeld Batavia en Bengalen. Bleef hij enige jaren in Batavia, dan werd ieder jaar per 31 augustus op het algemeen soldijkantoor de verdiende gage bijgeschreven op de betreffende bladzijde van het scheepssoldijboek waarin de rekening van deze dienaar werd bijgehouden. Hij was verplicht jaarlijks op 30 juni persoonlijk te verschijnen op het algemeen soldijkantoor ten behoeve van de registratie in de generale monsterrol. Jaarlijks ontving hij tevens een uittreksel uit het scheepssoldijboek met het nieuwe saldo van zijn rekening. Gedurende zijn loopbaan kon de dienaar een hele collectie van soortgelijke uittreksels verzamelen, die hij moest bewaren. Op het moment van vertrek naar Bengalen werd zijn soldijrekening in Batavia gesloten. Een uittreksel werd hem meegegeven met het nieuwe saldo inclusief de over het gedeelte van het lopende jaar (tot de vertrekdatum uit Batavia) verschuldigde gage. Dit nieuwe uittreksel vertoonde de dienaar na aankomst in Bengalen, waarna inschrijving in de personeelsboekhouding op het hoofdkantoor van de vestiging Bengalen in Chinsura plaatsvond.

Gedurende zijn verblijf in Bengalen verscheen de dienaar op 30 juni op de jaarlijkse monstering op het soldijkantoor in Chinsura, dan wel op de administratie van één van de aan het hoofdkantoor ondergeschikte kantoren. In het laatste geval zonden deze kantoren de opgave naar Chinsura door. Ook in Bengalen werd jaarlijks per 31 augustus de gage op de rekening bijgeschreven en een uittreksel aan de dienaar gegeven. Zowel van beide jaarlijkse registraties als van eventueel overlijden of vertrek uit Bengalen hield het hoofdkantoor Chinsura het algemeen soldijkantoor in Batavia op de hoogte. Alle kantoren en vestigingen van de VOC tussen Kaap de Goede Hoop en Japan informeerden het algemeen soldijkantoor in Batavia over aan te brengen mutaties in de scheepssoldijboeken door middel van de zogenoemde 'comptoirboeken', die niet meer beschikbaar zijn. Mutaties in de soldijrekeningen van dienaren aan boord van de schepen op de intra-Aziatische routes werden aan het algemeen soldijkantoor bericht via de zogenoemde 'binnenlandsche scheepsboeken', die evenmin bewaard zijn gebleven. Het soldijkantoor in Batavia schreef deze mutaties bij in de zogenoemde 'slapers': de 'originele' exemplaren van het scheepssoldijboek en van de land- en zeemonsterrol.

Van de tenminste éénjaarlijkse bijschrijving in de 'slaper' van het scheepssoldijboek bracht het algemeen soldijkantoor de personeelsadministratie van de kamer Amsterdam op de hoogte met behulp van een zogenoemde 'quohier', een uittreksel uit het scheepssoldijboek. Zo was de kamer Amsterdam in staat het andere exemplaar van het scheepssoldijboek bij te houden. Het algemeen soldijkantoor moest ook jaarlijks kopieën in zesvoud van de generale land- en zeemonsterrol verzorgen ter verzending naar de zes kamers in de Republiek.

Kreeg de dienaar ontslag van de Hoge Regering in Batavia, dan ontving hij persoonlijk op het algemeen soldijkantoor tegen inlevering van de in de loop van zijn loopbaan verzamelde soldijrekeningen een laatste soldijrekening met het definitieve tegoed. In ruil voor deze laatste rekening ontving de dienaar zelf, of een gemachtigde, na terugkeer in de Republiek van het soldijkantoor van de kamer waarbij hij in dienst was geweest het op die rekening vermelde bedrag. In geval van overlijden buiten de Republiek werd het tegoed aan een familielid of een gemachtigde uitbetaald.

Dienaren die in Indië, en dus niet in de Republiek, bij de Compagnie in dienst waren getreden, stonden in de monsterrollen vermeld als 'in dienst' en ressorteerden onder de kamer Amsterdam. Daar deze categorie mensen niet per schip naar de Oost ging, bestaan voor hen geen scheepssoldijboeken. Wel werd voor deze categorie de soldijadministratie in Batavia en de Republiek op analoge wijze als voor de andere dienaren gevoerd.

Generale land- en zeemonsterrollen

De monsterrollen geven jaarlijks een volledige opgave van het land- en zeepersoneel in Indië met als peildatum 30 juni. Het ging in de achttiende eeuw om gemiddeld 18.500 man landpersoneel en 3200 man zeepersoneel. Er waren jaarlijks dus gemiddeld bijna 22.000 dienaren in het handelsgebied van de VOC werkzaam.

Op 11 oktober 1686 besloten de Heren Zeventien tot het instellen van een jaarlijkse registratie van het volledige personeel te land en ter zee in het octrooigebied. Voor 1686 werd blijkbaar geen algemene registratie van personeel gedaan.

In het algemeen soldijkantoor in Batavia werden jaarlijks via de 'comptoirboeken' en de 'binnenlandsche scheepsboeken' de overzichten met de personeelsbezetting van alle vestigingen en kantoren van de VOC en van alle op de intra-Aziatische routes varende schepen verzameld. Deze opgaven werden ieder jaar herschreven tot één geheel, de generale land- en zeemonsterrol. Dit exemplaar werd als 'slaper' op het algemeen soldijkantoor bewaard en diende als basis voor de zes afschriften bestemd voor de zes kamers.

Door de weersomstandigheden was het onmogelijk dat de afzonderlijke rollen alle op hetzelfde tijdstip in Batavia beschikbaar waren. Een vaste door het weer gedecreteerde routine ontstond. Allereerst werden de opgaven van Batavia en van een vast aantal vestigingen die op tijd voorhanden waren, tot één geheel herschreven en gedateerd op de 15e januari volgend op de 30e juni waarop de opgave betrekking had. Dit was de zogenoemde eerste rol (a-rol genoemd in de op de generale land- en zeemonsterrollen gemaakte toegang). De later binnengekomen opgaven werden samengevoegd tot een eerste restantrol (b-rol) en eventueel een tweede restantrol (c-rol), over het algemeen gedateerd ten minste één jaar na de eerste rol. Soms werd een 'aparte rol' van één vestiging direct, dus niet via Batavia, naar de Republiek gezonden en alsnog ter completering bij de betreffende monsterrol gevoegd.

Van de zes series generale land- en zeemonsterrollen van de zes kamers zijn nog twee reeksen bewaard gebleven. De reeks van de kamer Zeeland begint in 1691, waarschijnlijk het eerste jaar dat er een generale land- en zeemonsterrol is gemaakt, en loopt door tot en met 1791 (inv. nrs. 11534-11820). De land- en zeemonsterrollen zijn in het archief van de kamer Zeeland in twee aparte series gesplitst. Alleen in de jaren na 1780 is de zeemonsterrol tussen de landmonsterrol opgenomen. De reeks van de kamer Amsterdam begint in 1720 en loopt ook door tot en met 1791 (inv. nrs. 5168-5239). De reeks van Zeeland vertoont meer lacunes dan die van Amsterdam. Af en toe kan de reeks van Zeeland voorzien in leemten in de reeks van Amsterdam. Beschouwt men de periode 1691-1791, dan heeft men de beschikking over een op één jaar na (1707) continue reeks van jaarlijkse opgaven die in totaal 126 banden omvat. De jaren 1790 en 1791 zijn zeer lacuneus; voor de jaren 1792 tot en met 1795 zijn geen generale land- en zeemonsterrollen in de VOC-archieven te vinden.

De wijze van registratie ging in een landmonsterrol als volgt. Binnen één bepaalde vestiging kwam eerst de opgave van het hoofdkantoor aan de orde, waarna de eventuele aan dat hoofdkantoor onderhorige kantoren volgden. De registratie van het personeel binnen één kantoor werd gepresenteerd per beroepscategorie; binnen één der op een kantoor aanwezige beroepscategorieën verliep de registratie van alle personeelsleden in strict hiërarchische orde. (Zie bijlage 9 voor de bladzijdeïndeling van de generale land- en zeemonsterrollen.)

Voor in de banden van de generale land- en zeemonsterrollen bevinden zich diverse overzichten uit de tijd zelf die enig inzicht in het omvangrijke materiaal bieden. Voor wat betreft de landmonsterrollen zijn dat opgaven van: 1) de namen van de in de monsterrol geregistreerde vestigingen (met folioverwijzing); 2) het totaal aantal dienaren van iedere vestiging apart; 3) het totaal aantal dienaren dat in de betreffende band is geregistreerd. De zeemonsterrollen zijn voorzien van opgaven van de namen van de opgenomen schepen met het aantal opvarenden (met folioverwijzing) en van het totaal aantal opvarenden van alle schepen te zamen.

Over het algemeen bevinden zich aan het einde van een landmonsterrol een zogenoemde 'korte sterkte' en een 'korte samentrekking'. Een 'korte sterkte' geeft een recapitulatie van de personeelssterkte van iedere in de monsterrol opgenomen vestiging afzonderlijk, geclassificeerd per vestiging en naar de binnen die vestiging voorkomende beroepscategorieën. De 'korte samentrekking' biedt een samenvatting van de totale omvang van ieder van de zeven beroepscategorieën, die te zamen het landpersoneel vormen, en die te vinden zijn in de betreffende monsterrol. In tegenstelling tot de 'korte sterkte' komt in laatstgenoemd overzicht geen specificatie voor van de namen van de verschillende vestigingen. In de loop van de achttiende eeuw werd de 'korte samentrekking' niet steeds consistent ingedeeld. Voor de jaren 1700 t/m 1755 en 1782 t/m 1791 zijn afzonderlijke recapitulaties te vinden betreffende de 'inlandsche dienaren' wier namen slechts nu en dan werden genoteerd; deze overzichten bevinden zich of in een aparte rol direct volgend op de 'korte sterkte', of aan het einde van de 'korte samentrekking' zelf.

Aan het einde van een zeemonsterrol is alleen een 'korte samentrekking' te vinden die een overzicht biedt van de omvang van de onder de opvarenden aanwezige beroepscategorieën aan boord van de geregistreerde schepen.

Op de monsterrollen is een gedetailleerde toegang gemaakt die aangeeft waar de opgaven van de diverse vestigingen en kantoren met personeelsterkten te vinden zijn, en die inzicht geeft in de aanwezigheid van de diverse registers en overzichten uit die tijd (

F. Lequin, Toegang op, en systematisch overzicht van de getalsmatig ontlede en in kaart gebrachte gegevens uit de 126 banden generale land- en zeemonsterrollen van de VOC 1700-1791 (typoscript; Leiden 1978).

). Bijlage 10 biedt een schematisch overzicht welke vestigingen voor welke jaren in de landmonsterrollen zijn te vinden.

Scheepssoldijboeken

Uit de monsterrollen valt het gegeven te halen met welk schip het personeel dat in de Republiek bij de VOC in dienst trad, in Indië arriveerde. Dit gegeven geeft toegang tot de scheepssoldijboeken. Een kleine complicatie treedt op indien men te maken heeft met een dienaar die onderweg aan Kaap de Goede Hoop voor langere of kortere tijd verbleef. In zo'n geval zijn de carrièregegevens te vinden in het scheepssoldijboek van het schip waarmee deze dienaar uit de Republiek vertrok.

Eerste bladzijde uit de generale landmonsterrol met de registratie van de Gouverneur-Generaal Willem Arnold Alting, 1781 (ARA Eerste Afdeling, VOC, inv.nr. 5229):

Bladzijde uit het scheepssoldijboek van het schip Middelburg met de registratie van de onderkoopman Willem Arnold Alting, 1750 (ARA Eerste Afdeling, VOC, inv.nr. 13047):

In principe had ieder uit de Republiek vertrokken schip een eigen scheepssoldijboek dat ook de naam van het betreffende schip droeg. Een scheepssoldijboek heette ook wel 'principaal grootboek'. Tot het moment van aankomst in Batavia had een scheepssoldijboek het karakter van een scheepsmonsterrol, in de zin van een overzicht van opvarenden. Na aankomst in Batavia werden in de exemplaren van de scheepssoldijboeken in Batavia en in de Republiek de mutaties in de carrière van de dienaren bijgehouden. Van ruim 90% van alle in de achttiende eeuw uit de Republiek naar Indië uitgevaren schepen zijn de scheepssoldijboeken bewaard gebleven. Dit is niet zo verbazingwekkend als het lijkt. Ook tot lang na de opheffing van de VOC moest de personeelsadministratie beschikbaar blijven ter verificatie van financiële aanspraken van nabestaanden van oud-VOC-dienaren (

Archief van het ministerie van Koloniën, inv. nrs. 2990-3010; Archief van de Comptabiliteit Oost-Indische Bezittingen, inv. nrs. 149-165, 167, 190 (zie Lequin, Personeel, 230, noot 64).

). Tot ver na 1795 werden mutaties in de scheepssoldijboeken aangebracht. In 1813 werd bijvoorbeeld ten behoeve van deze materie de Algemeene Commissie tot Liquidatie der Pretentiën in 's-Gravenhage opgericht.

De collectie scheepssoldijboeken van alle zes kamers telt 2996 banden. De zogenoemde 'nieuwe serie', verreweg het grootste gedeelte, betreft de achttiende eeuw. De 'oude serie' beslaat slechts 203 banden: 22 banden betreffende de periode 1633-1670, de overige 181 banden bestrijken de jaren 1672-1699. De 'nieuwe serie' (2793 banden) begint in 1699/1700 en loopt tot en met 1794/1795. Daar de kamer Amsterdam het meeste personeel had, is bijna de helft (1374 banden, inv. nrs. 5269-6842) afkomstig uit het archief van deze kamer. In de archieven van de andere kamers zijn respectievelijk 636 (Zeeland, inv. nrs. 12672-13307), 210 (Enkhuizen, inv. nrs. 14637A-E, 14638-14842), 205 (Delft, inv. nrs. 13876-14080), 195 (Rotterdam, inv. nrs. 14102-14296) en 181 (Hoorn, inv. nrs. 14348-14527I) banden scheepssoldijboeken bewaard gebleven. De thans beschikbare scheepssoldijboeken zijn de exemplaren die na aankomst van de schepen in Batavia naar de Republiek werden teruggezonden.

Een scheepssoldijboek bestaat uit een reeks 'rekeningen courant'; voor iedere dienaar is tenminste twee bladzijden ingeruimd. De linker- en rechterbladzijde zien er oppervlakkig gezien uit als een debet- en een creditzijde van een wat groot uitgevallen huishoudboekje. Bij nader inzien is het ingewikkelder. (Zie bijlage 11 voor de bladzijdeïndeling van de scheepssoldijboeken.)

De linkerbladzijde. Van boven naar beneden komen de volgende posten voor: 1) twee maanden gage handgeld aan de dienaar; 2) de door de dienaar zelf te bekostigen uitrusting met eventueel van de VOC geleend geld; 3) eventueel een ander schuldbedrag van de dienaar (de 'vaderlandse schuld'); 4) één of meer bedragen van uitbetalingen door de VOC in de Republiek uit de te goed staande gage van de dienaar aan familieleden of gemachtigden, tijdens het verblijf van de dienaar in Indië; 5) de laatste uitbetaling van de VOC in de Republiek na afsluiting van de loopbaan in Indië, hetzij na overlijden, hetzij na repatriëring.

De rechterbladzijde. Van boven naar beneden komen de volgende posten voor: 1) de uitbetaling, dan wel gehele of gedeeltelijke creditering door de VOC, van de over de reis naar Batavia verschuldigde gage; 2) hiervan afgetrokken werd een eventuele schuld van de linkerbladzijde; 3) bedragen die op het tegoed van de dienaar door de VOC werden bijgeschreven betreffende de gehele dan wel gedeeltelijke gage over een geheel of een gedeeltelijk soldijboekjaar (1 september tot en met 31 augustus). De hoogte van die bedragen hing af van de mate waarin de dienaar zijn officiële gage gebruikte voor zijn levensonderhoud en van de mate waarin hij beschikte over inkomsten uit bijvoorbeeld particuliere handel. Deze bijschrijvingen hadden steeds betrekking op in het afgelopen boekjaar verrichte werkzaamheden. Bleef een dienaar vele jaren in één vestiging, dan werd jaarlijks per 31 augustus gage bijgeschreven. Bij iedere creditering werd de plaats van werkzaamheid vermeld. Bijschrijving vond ook plaats bij iedere mutatie in de plaats van werkzaamheid. Eén uitzondering is er op de regel dat uit de vermelding van de plaats van werkzaamheid de geografische loopbaan van een dienaar valt af te leiden. De dienaren werkzaam op het eiland Deshima in de baai van Nagasaki staan geregistreerd als in dienst in Batavia.

Met nadruk dient te worden gesteld dat de posten op de rechterbladzijde van het scheepssoldijboek geen uitbetalingen aan de dienaar in Indië zijn. Uit de soldijrekeningen van die dienaren die tijdens hun Indisch verblijf in het geheel geen uitbetalingen door de VOC in de Republiek lieten doen (posten linkerbladzijde) blijkt dit duidelijk. Bij die rekeningen verschijnt de som van de op de rechterbladzijde gecrediteerde bedragen als enig door de VOC in de Republiek uitgekeerd bedrag (de laatste uitkering) op de linkerzijde.

De op de rechterbladzijde vermelde posten betreffen alleen de officiële VOC-gages, dus exclusief eventuele emolumenten en legale aandelen in de winst. Een uitzondering hierop geldt voor de dienaren in Kanton. Voor hen staat hun legale en soms aanzienlijke aandeel in de winst in de scheepssoldijboeken vermeld.

De reeks posten eindigt in verreweg de meeste gevallen met hetzij de datum en plaats van overlijden, hetzij de datum waarop een dienaar Batavia heeft verlaten of in de Republiek is aangekomen. In sommige gevallen is het laatst gecrediteerde bedrag op de rechterbladzijde het laatste gegeven over een loopbaan van een dienaar; er ontbreekt dan de vermelding van zijn overlijden, of van zijn vertrek of terugkeer in de Republiek. Zelden zijn zowel de vertrekdatum uit Indië als de aankomstdatum in de Republiek op de rechterbladzijde van een scheepssoldijboek vermeld. Wellicht was het zo geregeld dat de vertrekdatum uit de Oost werd genoteerd indien een dienaar op de terugreis geen betaalde functie aan boord had en dat in het geval van vermelding van de aankomstdatum in de Republiek dit wel zo was.

Aan het begin van een scheepssoldijboek is een zogenoemd 'alphabet' of 'register' op voornamen van de geregistreerde dienaren te vinden. Binnen één bepaalde letter is de volgorde niet alfabetisch. Deze indices zijn niet altijd betrouwbaar. Daarnaast kunnen soms in een scheepssoldijboek bepaalde stukken die op een dienaar betrekking hebben, zijn meegebonden: een testament van een onderweg overleden opvarende of een testament en/of een boedelbeschrijving van een in Indië overleden dienaar.

Er bestaat een klapper die toegang geeft tot de nummers van de 'oude serie' en de 'nieuwe serie' scheepssoldijboeken, onderverdeeld in de zes kamers (

Klapper op de scheepssoldijboeken van de VOC, Algemeen Rijksarchief (typoscript; z.p. z.d.).

).

Rollen van de gekwalificeerde civiele en militaire dienaren

Uit de scheepssoldijboeken is bekend op welke plaatsen een dienaar gedetacheerd was (plaats van werkzaamheid). Dit gegeven verschaft met behulp van een klapper op geografische namen toegang tot de rollen van de gekwalificeerde civiele en militaire Deze klapper is aanwezig in de leeszaal van het Algemeen Rijksarchief, code 1.04.24.]. Deze rollen betreffen het hogere ('gequalificeerde') landpersoneel, dat wil zeggen alle hogere civiele rangen te beginnen bij jong assistent, en alle hogere militaire rangen te beginnen bij sergeant.

De rollen van de gekwalificeerde civiele en militaire dienaren geven onder meer het in de scheepssoldijboeken ontbrekende gegeven in welke rang en functie een dienaar op de betreffende plaats van werkzaamheid zijn leven sleet. Tevens verschaft deze bron inzicht in het bevorderingssysteem van de VOC.

De rollen bevatten jaarlijks de personalia voor alle gekwalificeerden in alle VOC-vestigingen over de jaren 1701 tot en met 1787, inclusief het voor de generale land- en zeemonsterrollen ontbrekende jaar 1707. Zowel voor de kamer Amsterdam als voor de kamer Zeeland is een complete reeks bewaard gebleven (inv. nrs. 5240-5261 en 11821-11928). Het soldijkantoor in Amsterdam bond de civiele rollen met de militaire rollen samen, in Zeeland werden ze soms gescheiden gehouden. Per band is telkens een ongelijk aantal jaren samengebonden.

Eerste bladzijde uit de rol van de gekwalificeerde civiele dienaren met de registratie van de Gouverneur-Generaal Willem Arnold Alting, 1783 (ARA Eerste Afdeling, VOC, inv.nr. 5260):

Generale staat van de zes kamers der VOC, 1771 (ARA Eerste Afdeling, VOC, inv.nr. 13764):

Jaarlijks zonden alle vestigingen hun opgaven met als peildatum in het algemeen 30 juni naar Batavia, met uitzondering van Kaap de Goede Hoop, waarvan de opgave rechtstreeks naar de Republiek werd gezonden. Deze individuele opgaven, de civiele en militaire dienaren in één overzicht, werden herschreven tot twee aparte opgaven, gedateerd Batavia ultimo februari van het jaar dat volgde op de datum waarop de registratie betrekking had. Er onstond dus één aparte rol, ingedeeld per vestiging, voor alle gekwalificeerde civiele dienaren in alle vestigingen en één aparte rol voor alle dienaren (

F. Lequin, Klapper op de plaatsnamen die voorkomen in de rollen van de gekwalificeerden van de kamer Amsterdam, 1701-1787 (typoscript; Leiden 1976).

) gekwalificeerde militaire dienaren in alle vestigingen. De Kaap zond haar opgave in één algemene opgave direct naar de kamer Amsterdam, die aldaar met de andere opgaven werd meegebonden. Arriveerde een opgave van een vestiging met vertraging in Batavia, dan werd die rol (civiele en militaire dienaren in één opgave) afzonderlijk naar de kamer Amsterdam gezonden.

De rollen zijn ingedeeld per vestiging en de opgave van de individuele dienaren geschiedt binnen de vestiging in hiërarchische volgorde van hoog naar laag. (Zie bijlage 12 voor de bladzijdeïndeling van de rollen van de gekwalificeerde dienaren.)

Met uitzondering van de afzonderlijke (nagezonden) rollen, zijn de rollen van de gekwalificeerden voorzien van verschillende indices. Indices op in de rol voorkomende namen van VOC-vestigingen komen onregelmatig voor; zij zijn bovendien verre van volledig en weinig gedetailleerd. De reeds genoemde klapper van alle in de rollen van de gekwalificeerde civiele en militaire dienaren voorkomende geografische plaatsnamen alsmede een plaatsnamenregister met alle in de rollen voorkomende spellingsvarianten biedt hier uitkomst.

Regelmatig komen er indices op de voornamen van de opgenomen dienaren voor, in de tachtiger jaren zijn deze echter meestal op familienaam. Bij de registers voor de civiele dienaren voor de jaren 1737 t/m 1787, en bij de registers voor de militaire dienaren voor de jaren 1765 t/m 1768, 1770, 1772 t/m 1775, 1777, 1779 t/m 1781, en 1785 t/m 1787 gaat het slechts om in Batavia gedetacheerde dienaren.

Uit het voorgaande blijkt op welke wijze de afzonderlijk besproken bronnenreeksen als één geheel beschouwd kunnen worden. Bijlage 13 geeft dit schematisch weer.

II. Opperboekhouder

De VOC had geen centrale boekhouding. Tot het einde toe is de boekhouding onoverzichtelijk en versnipperd gebleven, ingericht alsof het een serie gelegenheidsondernemingen zonder onderling verband betrof in plaats van één handelscorporatie. Wel maakten de kamers ieder jaar hun balans op, aan de hand van de grootboeken en journalen. De balansen lijken in onze ogen tamelijk gebrekkig, mede doordat de rekeningen van de activiteiten in Europa en Azië geheel gescheiden werden gehouden. De zes resulterende balansen werden door een commissie uit de Heren Zeventien samengevoegd tot een 'generale staat'.

Iedere kamer van de Compagnie had een eigen opperboekhouder. In de kamers Amsterdam en Zeeland werd hij geassisteerd door enige klerken. De boekhouders hielden de journalen en grootboeken, en de inschrijfregisters en transporten van de aandelen bij. Naast de boekhouders had iedere kamer haar kassiers, die het beheer hadden over het in kas zijnde contante geld. Alle uitgaven moesten worden genoteerd in een specieboek of kasboek.

Kapitaalinschrijvingen en uitdelingen

Bij de oprichting van de VOC in 1602 werd bepaald dat iedere ingezetene van de Republiek financieel in de onderneming kon deelnemen. Het bedrag werd vrijgelaten en de inschrijvers konden hun kapitaal in meerdere termijnen storten. Men kon inschrijven bij een kamer naar keuze. Het aandeel, dat ook wel actie werd genoemd, had geen uniforme nominale waarde en was steeds verhandelbaar: het kon worden verkocht, geruild of beleend. Transporten van de aandelen moesten geschieden voor de boekhouder ten overstaan van een of twee bewindhebbers die de transportakte medeondertekenden.

Iedere kamer deelde dividend uit op basis van het bij die kamer ingeschreven kapitaal. De uitdelingen geschiedden over het bedrag waarmee een participant deelnam. Het percentage werd door de Heren Zeventien ieder jaar of om de paar jaar vastgesteld. Het uitkeren gebeurde soms in de vorm van specerijen. In 1679 moest de Compagnie voor het eerst noodgedwongen dividend uitkeren in de vorm van obligaties. Deze obligaties waren onopeisbaar en de Compagnie kon ze altijd aflossen.

De oudste inschrijvingsregisters van de kamers Amsterdam en Zeeland zijn bewaard gebleven en gepubliceerd (inv. nrs. 7064 en 13794) (

J.G. van Dillen, Het oudste aandeelhoudersregister van de Kamer Amsterdam der Oost-Indische Compagnie. Werken uitgegeven door de vereniging Het Nederlands Economisch-Historisch Archief 14 ('s-Gravenhage 1958); W.S. Unger, 'Het inschrijvingsregister van de kamer Zeeland der Verenigde Oost-Indische Compagnie', Economisch-Historisch Jaarboek 24 ('s-Gravenhage 1950) 1-33.

). Ook aanwezig zijn de grootboeken met kapitaalrekeningen van de aandeelhouders (inv. nrs. 7067, 13795-13797 en 13799). De grootboeken van de kamer Zeeland lopen door tot 1710. Iedere aandeelhouder heeft hierin een aparte rekening-courant, met vermelding van de schulden en vorderingen, die het gevolg waren van wijzigingen in het aandelenbezit van een participant.

Van alle kamers zijn transporten van de acties, vaak met bijlagen, bewaard gebleven (Amsterdam, inv. nrs. 7083-7118; Zeeland, inv. nrs. 13802-13805 en 13807-13812; Delft,inv. nrs. 14089-14092; Rotterdam, inv. nrs. 14298-14301; Hoorn, inv. nrs. 14549-14551; en Enkhuizen, inv. nrs. 14849-14852). De registers beginnen omstreeks 1750 en lopen meestal door tot de liquidatie van de Compagnie. Alleen in het archief van de kamer Hoorn bevinden zich nog zeventiende-eeuwse transporten. De transporten zijn te vinden op voorgedrukte formulieren. De bijlagen kunnen interessante gegevens bevatten over verkoper en koper zoals functie, beroep en woonplaats. Indien een transport in verband met een erfenis plaatsvond, zijn vaak extracten van testamenten aanwezig.

Aangezien er geen aanwijzingen zijn dat de koper een afschrift van het transport kreeg, kan het bezit van acties door een persoon, en de omvang van dat bezit, alleen worden aangetoond uit de transportregisters en de grootboeken met kapitaalrekeningen.

Het archief van de kamer Amsterdam bezit een serie grootboeken van de uitdelingen (afgiften) op acties over de periode 1628-1796 (inv. nrs. 7068-7081). De kamer Zeeland heeft deze grootboeken over 1710-1747 en 1760-1800 (inv. nrs. 13800 en 13806) en Enkhuizen over de jaren 1720-1802 (inv. nr. 14853). Ook in deze grootboeken is voor iedere participant een aparte post ingericht. Op de linkerbladzijde wordt vermeld hoeveel acties iemand bezit, op de rechter hoeveel ieder jaar of soms iedere twee jaar wordt uitgekeerd. De archieven van de kamers Amsterdam, Zeeland en Hoorn bezitten voorts enkele losse achttiende-eeuwse stukken over uitdelingen (inv. nrs. 7123-7125, 13801 en 14547).

De hierboven vermelde stukken betreffende kapitaalinschrijvingen, transporten en uitdelingen zijn niet alleen nuttig voor bedrijfseconomisch onderzoek. Zij kunnen gegevens verschaffen over zeer uiteenlopende onderwerpen, zoals individuele personen, de spreiding van het aandelenbezit van de Compagnie in de Republiek en de kapitaalkracht van verschillende bevolkingsgroepen. Zo is ook de rol van immigranten in de financiering van de Oostindische activiteiten in deze stukken te traceren.

Bladzijde uit het journaal van de opperboekhouder der kamer Amsterdam, 1706 (ARA Eerste Afdeling, VOC, inv.nr. 7144):

Uit Canton afkomstig porcelein uit het verongelukte schip Geldermalsen, ca.1750 (Privécollectie):

Geldleningen

Een tweede categorie stukken in de archieven van de opperboekhouders betreffen door de Compagnie geleend geld, verkregen uit de uitgifte van obligaties en 'anticipatiepenningen'. De obligaties hadden een lange looptijd. Bij het uitschrijven van de lening kregen de aandeelhouders voorrang. De obligaties werden aanvankelijk door twee, vanaf 1670 door vier bewindhebbers getekend.

Naast structurele geldtekorten had de VOC vaak te kampen met liquiditeitsproblemen na aankomst van de schepen uit Indië, voordat de veilingen hadden plaatsgevonden. De tegoeden van de gerepatrieerde VOC-dienaren en de door de schepen meegebrachte wissels moesten dan worden uitbetaald. In het voorjaar moest bovendien geld aan de participanten worden uitgedeeld. De Compagnie was genoodzaakt geld te lenen om deze betalingen te kunnen voldoen. Zij deed dit 'bij anticipatie', vooruitlopend op de opbrengsten van de verkoop van de handelswaar. De lening gold soms maar voor enkele weken en ten hoogste voor zes maanden.

Het archief van de kamer Amsterdam bevat nog een journaal en een grootboek van de renten op obligaties en een memoriaal van opgenomen anticipatiepenningen uit de achttiende eeuw (inv. nrs. 7128-7130). Van de kamer Zeeland zijn een journaal en grootboek van anticipatiepenningen uit 1680 aanwezig (inv. nr. 13832). Verder zijn, voornamelijk in de bescheiden van de kamers Amsterdam en Zeeland, nog wat losse stukken bewaard gebleven, zoals lijsten van obligatiehouders en van houders van anticipatiepenningen (inv. nrs. 7131-7133), rekeningen van de betaling van de 100e en 200e penning (inv. nrs. 7139-7140, 13831 en 13835 en 14304) en kwitanties (inv. nr. 14303). Deze stukken dateren van zeer uiteenlopende jaren gedurende het hele tijdperk van de Compagnie.

Boekhouding

De VOC paste een eigen vorm van dubbel of Italiaans boekhouden toe. Men hield zowel een journaal als een grootboek bij. Dagelijks terugkerende financiële handelingen werden eerst in een memoriaal opgetekend, zoals ontvangsten, betalingen, subsidies aan of van andere kamers, bij anticipatie opgenomen geld, aflossingen, inkomsten uit de verkoop van de handelsgoederen, uitdelingen aan de participanten, en betalingen van traktementen. In de kamers Amsterdam en Zeeland heette dit memoriaal het 'boek van de ontvangers' of 'boek van de thesauriers'. Vervolgens werden de gegevens in het journaal en het grootboek ingeschreven en uitgewerkt. Toegevoegd werden de hoeveelheid en prijs van de ingekochte en verkochte goederen. Het journaal was chronologisch ingedeeld, het grootboek rangschikte de gegevens per zakenrelatie, per produkt of per bestedingsdoel.

In het grootboek werden de bedragen die verband hielden met het bouwen en uitrusten van de schepen onder equipagekosten verantwoord, zoals de lonen van werklieden, materialen voor de scheepsbouw, de bevoorrading van de schepen voor de reis, en de meegegeven contanten, handelsgoederen en benodigdheden voor Indië. Ieder onderdeel had een aparte rekening, zoals bier, boter, brood, koopmanschappen en behoeften voor Indië, zeildoek, stuurmansgereedschap, en kajuitbehoeften. Sommige onderdelen werden op hun beurt weer nader gespecificeerd. Ook alle depositarissen, debiteuren en crediteuren werden opgetekend. Er werd in de grootboeken geen rekening van de retouren opgenomen. De autoriteiten in Indië gaven de inkoopwaarde van de retourgoederen op; die werd genoteerd in de resoluties van de Heren Zeventien. Een verlies- en winstrekening werd niet opgemaakt. Aan het eind van het boekjaar werden de saldi van de inkomsten en uitgaven overgebracht naar de post 'retouren generaal' in het grootboek.

In het chronologisch ingerichte journaal begint iedere post met het trefwoord dat ook in het grootboek wordt gebruikt. In de marge wordt verwezen naar de desbetreffende bladzijde van het grootboek. Ook in het grootboek begint iedere post met een verwijzing naar de desbetreffende bladzijde in het journaal. De aantekening in het journaal is het meest uitgebreid. Bijvoorbeeld bij een betaling aan een bakker voor geleverd brood wordt ook vermeld hoeveel brood deze heeft geleverd en wat de broden per stuk kosten. Het grootboek vermeldt alleen dat aan die bewuste bakker een bepaald bedrag is betaald voor geleverd brood. Het gemak van het grootboek voor onderzoek is dat alle uitgaven voor geleverd brood ten behoeve van een bepaalde uitreding bij elkaar staan.

Een journaal begint met een opsomming van degenen die na afsluiting van de vorige rekening nog vorderingen hadden en in dit boek om te continueren een credit krijgen. Dan volgen degenen die nog schulden hadden en nu een debet krijgen. De journalen zijn ingedeeld per kalendermaand. Eerst wordt bijvoorbeeld het totale bedrag genoemd dat in een maand aan derden is uitbetaald, welk bedrag vervolgens wordt gespecificeerd: arbeidslonen, barbiersbehoeften, behoeften voor het scheepsvolk, courtages van verkochte retouren, huishuur enzovoort. De vermeldingen zijn tamelijk uitgebreid. Een post arbeidslonen kan weer onderverdeeld zijn in verschillende betalingen. Iedere vermelding van betaling bevat de naam van de ontvanger.

Elke post begint met een verwijzing naar de bladzijde in het bijbehorende grootboek. Onder arbeidslonen staat in het grootboek vervolgens alleen de datum, vervolgens dat betaald is aan de ontvangers voor arbeidsloon op het pakhuis enzovoort, en het totale bedrag. Net als bij de grootboeken van de equipage staan ook hier weer alle bedragen bij elkaar, die gedurende de looptijd van het grootboek aan arbeidslonen zijn uitbetaald. Een nadeel voor de onderzoeker is dat de boekingen per equipage geschiedden en dus niet per individueel schip.

Uit de zeventiende eeuw zijn alleen de oudste journalen en grootboeken van de kamers Amsterdam en Zeeland bewaard gebleven (inv. nrs. 7142, 7169 en 13782-13785), alsmede een journaal van de kamer Enkhuizen (inv. nr. 14854). Het archief van de kamer Zeeland bezit nog enkele aparte journalen en grootboeken van de equipage over de jaren 1614-1628 (inv. nrs. 13786-13793). Vanaf 1700 zijn de journalen en grootboeken van de kamers Amsterdam, Hoorn en Enkhuizen (deze laatste kamer incompleet) bewaard gebleven (Amsterdam inv. nrs. 7143-7168 en 7170-7194, Hoorn inv. nrs. 14554-14623 en Enkhuizen inv. nrs. 14855-14909). De meeste grootboeken hebben bijgebonden of aparte indices. Het archief van de kamer Delft bezit een enkel journaal over 1768-1772(inv. nr. 14084) en de kamer Rotterdam een serie ongedateerde indices (inv. nrs. 14305-14315).

Het archief van de kamer Zeeland bevat enkele losse stukken betreffende de boekhouders en het boekhoudersambt, met name correspondentie (inv. nrs. 13770-13781); de kamer Hoorn bezit nog wat stukken afkomstig van de kassier (inv. nrs. 14541-14542). De kamer Amsterdam heeft uit de achttiende eeuw nog een serie balansen getrokken uit de grootboeken (inv. nrs. 7195-7204) en een serie notities ter boeking in de journalen (inv. nrs. 7206-7212). Verder zijn er enkele losse financiële stukken van de kamers Amsterdam, Zeeland, Delft en Hoorn bewaard gebleven (Amsterdam inv. nrs. 7214-7226; Zeeland inv. nrs. 13758-13769; Delft inv. nrs. 14082-14083 en 14085-14086; en Hoorn inv. nrs. 14543-14544).

7. VOC kaarten en tekeningen

C.J. Zandvliet

De in het Algemeen Rijksarchief bewaard gebleven kaarten en tekeningen van de VOC hebben voor een groot deel tot de archieven van de Heren Zeventien en de kamer Amsterdam behoord. Kleinere maar niet onbelangrijke delen zijn afkomstig van de andere kamers, met name die van Zeeland. De kamer Amsterdam had het grootste aandeel in de VOC-activiteiten. Daar concentreerde zich ook de administratie met betrekking tot de navigatie en de kennis van topografie en onroerende goederen overzee. Vanuit en via Batavia en soms rechtstreeks uit onderhorige vestigingen ontvingen de bewindhebbers kaarten en tekeningen van plaatsen en gebieden in het octrooigebied. Deze overgezonden kaarten en tekeningen maken het hoofdbestanddeel uit van het kaarten- en tekeningenarchief van de VOC. Daarnaast kwamen ook veel kaarten uit de Republiek zelf, met name zeekaarten die in Amsterdam en elders voor de uitvarende schepen werden geproduceerd.

1. Vervaardiging van kaarten en tekeningen

Leveranciers van zeekaarten

Vanaf de oprichting van de VOC in 1602 was er voor de vaart naar en de handel in Azië behoefte aan betrouwbare cartografische informatie. Al aan het einde van de zestiende eeuw beschikte men in de Republiek over zeevaartkundige inlichtingen uit Portugese bronnen. Deze werden openbaar gemaakt door de publikaties van enkele Nederlandse reizigers en wetenschappers als Dirck Gerritsz. Pomp, alias Dirck China, en Jan Huygen van Linschoten. Met name in het werk van Van Linschoten zijn kaarten en andere afbeeldingen, in combinatie met route- en kustbeschrijvingen, opgenomen. Voorts bewerkte Petrus Plancius de getekende zeekaarten van de Portugees Bartolomeo de Lasso, schreef enkele memories met zeilaanwijzingen en leidde stuurlieden op voor de grote vaart.

Bij de uitrusting - de equipage - van VOC-schepen in de Republiek werden stuurlieden en schippers voorzien van 'stuurmansgereedschappen', zoals kompassen, seinvlaggen, kwadranten en zeekaarten. In elke kamer van de Compagnie was een equipagemeester verantwoordelijk voor de uitrusting van de naar Indië vertrekkende schepen. Onder zijn leiding werden zeekaarten getekend of aangekocht. Net als de andere equipagegoederen werden de kaarten van een beperkt aantal leveranciers betrokken. In de havensteden van de Republiek hadden enkele kaartenmakers zich gespecialiseerd in het vervaardigen van perkamenten zeekaarten. Bij hen werden door particuliere reders en schippers, en vanaf 1602 ook door de VOC, zeekaarten besteld. In Amsterdam werd Augustijn Robaert een vooraanstaand leverancier van getekende zeekaarten, onder meer aan de VOC. (

Robaert (overleden voor of in 1617) leverde in 1600 paskaarten bij de equipage van de vloot van Van Neck: J.K.J. de Jonge, De opkomst van het Nederlandsch gezag in Oost-Indië I ('s-Gravenhage 1862) 183.

). Van de zeekaarten die in de eerste jaren op de VOC-schepen werden gebruikt, is weinig bewaard gebleven.

In 1617 kwam verandering in deze manier van betrekken van cartografische informatie. De Heren Zeventien benoemden Hessel Gerritsz. tot hun exclusieve kaartenmaker. Het was zijn taak om alle schepen van de VOC die uit de Republiek vertrokken - dus ook die van de kamers buiten Amsterdam - van zeekaarten te voorzien. Tot 1795 heeft de functie van kaartleverancier voor de VOC, beëdigd en voorzien van een instructie, bestaan. Achtereenvolgens waren als kaartenmakers actief:

1617 - 1632 1617 - 1632
1633 - 1705 1633 - 1705 (

C.A. Davids, Zeewezen en wetenschap. De wetenschap en de ontwikkeling van de navigatietechniek in Nederland tussen 1585 en 1815 (Amsterdam en Dieren 1985) 398.

)
1705 - 1743 1705 - 1743
1743 - 1795 1743 - 1795 (

Voor De Graaff en Van Keulen: M. Kok, Ontwikkelingen in de Nederlandse maritieme kartografie in de achttiende eeuw (1730-1815) (typoscript; Utrecht 1980) 48 en 51. De instructie van De Graaff in 1705 is vrijwel identiek aan die van Willem Jansz. Blaeu in 1633.

)

Portret van Arent Roggeveen, kaartmaker van de VOC, 1675 (Uit de facsimile van The Fifth Part of the Burning Fen described by Arent Roggeveen):

Gezicht op Batavia door J. Nessel, 1650 (ARA Afdeling Kaarten en Tekeningen, VEL, inv.nr. 1180):

Het dienstverband van de kaartenmakers in de periode 1617-1795 had een tweeslachtig karakter. De kaartenmakers hadden een andere positie dan de meeste VOC-functionarissen. Zij werkten thuis en ontvingen geen salaris, maar werden stuksgewijs voor geleverde zeekaarten betaald (

Dit is althans in de achttiende eeuw de praktijk. Willem Jansz. Blaeu kreeg bij zijn aanstelling in 1633 een vast jaarsalaris toegezegd van 300 gulden, boven zijn stukloon: Pieter van Dam, Beschryvinge van de Oostindische Compagnie eerste boek, deel I. F.W. Stapel ed. Rijks geschiedkundige publicatiën, grote serie 63 ('s-Gravenhage 1927) 404.

). De aangestelde kaartenmakers konden bovendien het tekenen van de zeekaarten uitbesteden bij andere, zelfstandig gevestigde kaarttekenaars (

Ibidem, 415.

)
. De VOC was overigens niet de enige bron van inkomsten voor de kaartenmakers. Met uitzondering wellicht van De Graaff produceerden zij behalve getekende zeekaarten voor de VOC ook gegraveerde en getekende kaarten voor de vrije markt. Dit laatste is het belangrijkste verschil ten opzichte van bijvoorbeeld de scheepstimmerman en de examinator van de stuurlieden, wie het in de achttiende eeuw verboden werd inkomsten buiten VOC-verband te hebben (

De scheepstimmerman Brouwer werd 1 juli 1723 verzocht zijn scheepswerf te verhuren of te verkopen; VOC, inv. nr. 251, resoluties van de kamer Amsterdam. De examinator van de stuurlieden Mattheus Soetens mocht na zijn aanstelling geen school meer houden in de stuurmanskunst; VOC, inv. nr. 360, instructies van de kamer Amsterdam voor haar ambtenaren. Zie ook K. Zandvliet, 'Joan Blaeu's Boeck vol kaerten en beschrijvingen van de Oostindische Compagnie [...]' in: J.E. Huisken en F. Lammertse ed., Het kunstbedrijf van de familie Vingboons. Schilders, architecten en kaartmakers in de gouden eeuw (Maarssen etc. 1989) 59-95.

)
. De positie van de VOC-kaartenmaker hield het midden tussen die van zijn Spaanse en Portugese collega's (gesalarieerde kaartenmakers/ambtenaren) en Engelse collega's (onafhankelijke leveranciers) (

J. Publido-Rubio, El piloto mayor de la Casa de Contracion de Sevilla... (z.p. 1950); A. Cortesao en A. Teixeira de Mota, Monumenta Portugaliae Cartographica I (Lisboa 1960) 19-21 en III, 41-49 en 87-89, en IV, 4 en 79; N.J.W. Thrower ed., The compleat Plattmaker. Essays on chart, map and globe making in England in the seventeenth and eighteenth centuries (Berkeley etc. 1978) 45-100.

)
.

De VOC verplichtte zich van de diensten van de aangestelde kaartenmaker gebruik te maken tegen betaling van min of meer vaste prijzen. De kaartenmaker werd bij de produktie en het beheer van zeekaarten onderworpen aan het toezicht van bewindhebbers of hun gedelegeerden. Bovendien werd hij net als de andere Compagniesfunctionarissen tot geheimhouding verplicht. In de praktijk echter voerde de kaartenmaker van de VOC de produktie en correctie van de zeekaarten vrij zelfstandig uit. De verplichting tot geheimhouding stond op gespannen voet met de produktie voor de vrije markt (

Zandvliet, 'Joan Blaeu's Boeck', 75. Vergelijk G. Schilder, 'Organization and evolution of the Dutch East India Company's Hydrographic Office in the seventeenth century', Imago Mundi 28 (1976) 61-78, en G. Schilder, 'Het cartografisch bedrijf van de VOC' in: Patrick van Mil en Mieke Scharloo ed., De VOC in de kaart gekeken. Cartografie en navigatie van de Verenigde Oostindische Compagnie 1602-1799 ('s-Gravenhage 1988) 17-45.

).

Schippers en stuurlieden waren volgens hun instructie verplicht kaarten van deCompagnie te gebruiken. Het werd hun eveneens voorgeschreven van onbekende kusten, riffen en dergelijke, aantekeningen en schetsen te maken (

Zie onder meer de artikelbrief van 2 maart 1634, 12e titel, art. 110, in: J.A. van der Chijs ed., Nederlandsch-Indisch Plakaatboek I (Batavia en 's-Gravenhage 1885) 339. Het voorschrift werd in de latere artikelbrieven herhaald.

). De kaartenmaker ontving van de terugkerende schippers en stuurlieden de gebruikte en gecorrigeerde zeekaarten en de door hen bijgehouden journalen om aan de hand daarvan de kaarten en zeilinstructies bij te werken. Dit werk deed de kaartenmaker in Amsterdam in overleg met de examinator van de stuurlieden. In de loop van de achttiende eeuw kreeg de examinator meer en meer supervisie over de kaartenmakerswerkzaamheden. (

In de achttiende-eeuwse instructies voor de examinators van de stuurlieden is de supervisie vastgelegd; VOC, inv. nr. 255, resolutie van de kamer Amsterdam, 11 december 1731, instructie Cornelis Stuurman. Dit was een vervolg op een verzoek van de Heren Zeventien van 28 maart 1731. Kenmerkend is dat de samenstelling van de zeemansgids voor de Oost, het zesde deel van de Zee-fakkel, verzorgd werd door de examinator Jan de Marre.

)

Om een lange levensduur van de zeekaarten te verzekeren, liet de VOC ze op perkament tekenen. De produktiewijze van de zeekaarten was eenvoudig: een model, legger genaamd, werd telkens gebruikt bij de vervaardiging van een nieuwe kaart (

Naast legger worden ook de termen origineele en slaper gebruikt; Van der Chijs ed., Plakaatboek VI, 15 januari 1753.

). Op de leggerkaart waren de kustlijnen op regelmatige afstand met een naald doorgeprikt. Bij het maken van een nieuwe kaart werd de leggerkaart op een blanco vel perkament gelegd, waarna de kustlijnen van de leggerkaart werden bestreken met een met roet gevuld zakje. Door het roet uit de gaatjes in de legger ontstond op het blanco vel perkament een patroon van stippen. Nadat de leggerkaart voorzichtig van het perkament was genomen, konden de kustlijnen getekend worden door de roetstippen na te trekken. Hierna was de nieuwe kaart in hoofdlijnen gereed. (

J.W. Heydt, Allerneuester Geographisch- und Topographischer Schau-Platz von Africa und Ost-Indien... (Wilhermsdorff 1744) 44.

)

Hoewel al omstreeks 1665 werd gesproken over het drukken van een zeemansgids en in 1684 over het drukken van losse zeekaarten, duurde het tot respectievelijk 1753 en ca. 1775 voor het daartoe kwam. Overigens is in zekere zin de zeemansgids English Pilot Third Book van John Thornton, uit 1703, te beschouwen als een VOC-zeemansgids avant-la-lettre; deze gids voor de Aziatische vaart met 35 kaarten is gemaakt met behulp van VOC-kaarten (

Facsimile-uitgave met een inleiding van C. Verner en R.A. Skelton (London 1970).

).

De kaartenmaker was niet alleen verantwoordelijk voor de produktie en het beheer van de zeekaarten. Vanwege zijn geografische kennis werd hij bij de uitrusting van expedities waarschijnlijk om advies gevraagd. In de loop van de achttiende eeuw werd de rol van de examinator van de stuurlieden op het gebied van beheer en advies steeds groter.

De firma Van Keulen

In 1743 werd Johannes van Keulen aangesteld tot kaartenmaker van de VOC. De firma behield de positie van kaartenmaker tot de opheffing van de Compagnie. Al vóór 1743 trad de firma Van Keulen op als leverancier van stuurmansgereedschappen en kaarten aan de VOC: vanaf 1728 werden daar geregeld zeemansgidsen aangekocht ten behoeve van de equipage (

VOC, inv. nr. 164, resolutie Heren XVII, 14 maart 1729.

). Vanaf het begin van de achttiende eeuw beschikte de firma Van Keulen over getekende, grootschalige kaarten van het VOC-gebied waarvan getekende kopieën geleverd werden (

Kok, 'Cartografie van de firma Van Keulen', 34.

)
. Er zijn geen aanwijzingen voor dat in opdracht en voor rekening van de VOC kopieën van deze leggers werden gemaakt. Wellicht deden schippers en stuurlieden van de VOC dit op eigen kosten.

Van de kaartenmakers vóór Van Keulen is geen bedrijfsarchief bewaard gebleven. Het is mogelijk dat een deel van het archief van de voorgangers opging in het archief van Van Keulen. Bij de liquidatie van de firma Van Keulen in 1885 is het bedrijfsarchief geveild. Delen ervan zijn te traceren (zie paragraaf 5).

Kaartboeken

Op verzoek van de Heren Zeventien of de kamer Amsterdam, en soms op eigen initiatief, hebben de kaartenmakers in Amsterdam van tijd tot tijd kaartboeken of -series van het octrooigebied samengesteld. Zij verdienen aparte vermelding omdat veel kaarten en tekeningen alleen nog als kopieën in deze kaartboeken en -series te vinden zijn. Aangenomen mag worden dat het kopiëren als zodanig een belangrijke reden was voor het verloren gaan van originelen; men had immers na kopiëring de informatie in een handzame en geüniformeerde uitvoering voorhanden. Hieronder worden slechts de werken vermeld die het gehele octrooigebied betreffen.

1622 1622
1660-1670 1660-1670
ca. 1670 ca. 1670 (

Voor de atlassen van Vingboons en Van der Hem, zie F.C. Wieder ed., Monumenta Cartographica. Reproductions of unique and rare maps, plans, and views ... (6 delen; 's-Gravenhage 1925-1933); Schilder, 'Organization and evolution'; J. Th. W. van Bracht ed., Atlas van kaarten en aanzichten van de VOC en WIC, genoemd Vingboonsatlas in het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage (Haarlem 1982) en Zandvliet, 'Joan Blaeu's Boeck'.

)
ca. 1695 ca. 1695 (

Inhoudsopgaven daterend van toen het kaartboek nog niet uiteengenomen was: Archief van de Raad der Aziatische bezittingen en etablissementen (hierna: Archief Aziatische Raad), inv. nr. 21, bijlage 112 bij resolutie 27 juni 1806; Archief van het ministerie van Koloniën supplement 1850-1952, inv. nr. 49.

)
[1703 [1703
1715-1726 1715-1726 (

M. Kok, 'Cartografie van de firma Van Keulen' in: E.O. van Keulen e.a. ed., 'In de Gekroonde Lootsman'. Het kaarten-, boekuitgevers en instrumentmakershuis Van Keulen te Amsterdam 1680-1885 (Utrecht 1989).

)
1753 1753 (

Voor de kaartseries van Gerard van Keulen en de zeemansgids van Van Keulen en De Marre: Ibidem, 34 en 36. Facsimile-uitgave: C. Koeman ed., De Nieuwe Groote Ligtende Zee-fakkel (Amsterdam 1969).

)

De status van de bovengenoemde produkties is verschillend. De werken van Gerritsz., De Graaff en Van Keulen werden vervaardigd in opdracht van de VOC. De atlassen van Vingboons/Blaeu en Van der Hem/Blaeu staan weliswaar in relatie tot de VOC - in de jaren zestig van de zeventiende eeuw werd in de VOC gesproken over de samenstelling van een gedrukte zeemansgids - maar zij staan als het ware met één been in het VOC-bedrijf en met het andere in de vrije markt. De serie manuscriptkaarten van Gerard van Keulen staat nog losser van de VOC, maar waarschijnlijk heeft bij een aantal van diens kaarten een opname door een VOC-schipper of -stuurman als voorbeeld gediend. Het werk van Hessel Gerritsz. is helaas verloren gegaan. De uitgave van Van Keulen en de examinator van de stuurlieden De Marre was bestemd voor gebruik op de schepen van de Compagnie, en was dus beperkter van opzet.

Het kaartboek van Isaac de Graaff, aan het eind van de zeventiende eeuw samengesteld, neemt een aparte positie in omdat het een grote variatie aan cartografisch materiaal biedt: klein- en grootschalige landkaarten, zeekaarten, plattegronden en aanzichten uit het gehele octrooigebied. De kopie-kaarten in dit werk gaan terug tot 1602. Deze zogenaamde Atlas Amsterdam is in de negentiende eeuw uiteengenomen en verspreid over de verzameling buitenlandse kaarten (VEL) in het Algemeen Rijksarchief. De Graaffs kaartboek kan beschouwd worden als de cartografische pendant van Pieter van Dams 'Beschryvinge van de Oostindische Compagnie'. Het kaartboek vormde gedurende de gehele achttiende eeuw een voorname cartografische informatiebron voor de bewindhebbers.

Beheer van gebouwen en terreinen in de Republiek

De VOC-kamers waren eigenaar van terreinen in de Republiek, met opstallen zoals pakhuizen, scheepswerven, kantoorgebouwen en lijnbanen. Het aantal tekeningen daarvan dat in het Algemeen Rijksarchief aanwezig is, is echter zeer klein. Veel tekeningen zijn waarschijnlijk door slijtage verloren gegaan en zijn na gebruik weggegooid. Andere zijn uit het archief genomen en zijn in particuliere verzamelingen terechtgekomen. Bovendien is voor de vervaardiging van de tekeningen geregeld gebruik gemaakt van de diensten van de stadsfabriek (bouwmeester). Ook het verzamelbeleid in de negentiende en twintigste eeuw is er de oorzaak van dat de weinige bewaard gebleven kaarten en tekeningen van de VOC-bezittingen in de Republiek voornamelijk te vinden zijn bij gemeentelijke archiefdiensten en in musea.

Terreinen en gebouwen van de VOC zijn na haar liquidatie in handen van de staat overgegaan. Daarom zijn hiervan in het Algemeen Rijksarchief wel kaarten en tekeningen van na 1799 aanwezig in de (tekeningen)archieven van diverse overheidsadministraties.

Scheepstekeningen en -modellen

Delen van het Compagniesarchief zijn vrijwel integraal verloren gegaan. Dit geldt ook voor het tekeningen- en modellenarchief van de scheepstimmerwerf. De scheepstekeningen waren een hulpmiddel bij de ontwikkeling en bouw van VOC-schepen. In 1742 werd bijvoorbeeld bij het ontwerpen van een nieuw scheepstype voor de VOC de besluitvorming op tekeningen en modellen gebaseerd. (

Hans H. van Rooij en Jerzy Gawronski, VOC-schip Amsterdam (Haarlem 1989). In 1727 werd bij de admiraliteit expliciet geïnstrueerd tekeningen en modellen te archiveren: ARA, Collectie Fagel, inv. nr. 1099. Met dank aan B. Kist.

).

Er zijn slechts enkele tekeningen tot onze beschikking, die verspreid zijn geraakt over diverse verzamelingen in Nederland. Het verlies en de verspreiding kunnen verklaard worden door de wijziging van scheepstypen en de overgang naar particuliere vaart na 1795. Tekeningen en modellen van VOC-schepen werden daardoor overbodig: zij belandden in de afvalbak of in een gunstig geval in een museum. Voor onderzoek betreffende de scheepsbouw is men behalve op materiële bronnen en enkele tekeningen vooral aangewezen op het geschreven archief.

Kleinere kamers

Bij de kamers van de VOC buiten Amsterdam werden in het begin van de zeventiende eeuw zeekaarten gekocht van diverse leveranciers (

Kamer Zeeland: VOC, inv. nr. 14336, rekening van de uitrusting van de schepen Amsterdam en Zon, 1606, f. 12, Barend Langenes.

). De in Amsterdam gevestigde Augustijn Robaert slaagde erin een belangrijk aandeel te verwerven in de leverantie van zeekaarten zowel aan de kamer Amsterdam als aan de andere kamers (

Voor de equipage van vijf schepen die in 1616 uitvoeren betaalde de kamer Amsterdam meer dan 1447 pond voor paskaarten aan Robaert. Een deel van de geleverde kaarten werd gezonden aan en in rekening gebracht bij de kamers Middelburg, Delft, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen; VOC, inv. nr. 14338, rekening van de negende uiitrusting van de kamer Amsterdam, 1616, f. 19v.

)
. De aanstelling van Hessel Gerritsz. bracht een structurele verandering. In principe dienden op alle schepen slechts zeekaarten gebruikt te worden die geleverd waren door de kaartenmaker van de kamer Amsterdam. Deze bepaling werd in de loop der jaren herhaald (

'Kaarten sullen voor alle de cameren werden gemaakt bij Hessel Gerrits', 11 september 1628: VOC, inv. nr. 13790, grootboek van de equipage; Van Dam, Beschryvinge eerste boek, deel I, 403 (citeert resolutie Heren XVII 11 juli 1628). Een bevestiging van het voorschrift: 6 juni 1669, VOC, inv. nr. 4456, verbaal van het Haags Besogne.

)
.

Desondanks bleven enkele kamers soms zeekaarten kopen van lokale leveranciers. In 1669 werd in het Haags Besogne gemeld dat de kamer Hoorn en de kamer Zeeland hun zeekaarten ter plaatse lieten maken (

VOC, inv. nrs. 4456, verbaal van het Haags Besogne, en 4601, verbaal van de besognes van de commissie uit de Heren XVII voor de visitatie van de boeken, 4 juni 1669. Aanleiding voor bespreking ervan is de excessieve rekening die door de kaartenmaker Joan Blaeu voor het jaar 1668 is ingediend: 21.135 gulden, 9 gulden per perkamenten kaart.

). Ofschoon er in 1669 op gewezen werd dat het maken van zeekaarten voorbehouden was aan de kaartenmaker in Amsterdam, bleef de kamer Zeeland gebruik maken van de lokale kaartenmakers Joost van Breen en Arent Roggeveen. Men berustte tenslotte in die situatie. Toen in 1684 een discussie ontstond over de kwaliteit van de zeekaarten, werd de kamer Zeeland er niet eens op gewezen dat zij gebruik diende te maken van de Amsterdamse kaartenmaker (

P.A. Leupe, Inventaris der verzameling kaarten berustende in het Rijks archief. Ie gedeelte ('s-Gravenhage 1867) v-vi, resoluties Heren XVII, 23 oktober 1666 en 19 en 21 oktober 1684.

)
. Ook in de achttiende eeuw bleef het de praktijk dat lokale kaartenmakers werden ingeschakeld (

Misschien betrokken Hoorn en Enkhuizen vanaf 1747, opnieuw, kaarten van lokale leveranciers: Kok, 'Cartografie van de firma Van Keulen', 38. Betreffende de Kamer Zeeland: Schilder, 'Cartografisch bedrijf', 34.

)
.

Batavia en de buitenkantoren

Veel van de kaarten die nu in het Algemeen Rijksarchief berusten, zijn indertijd vanuit de vestigingen in Indië naar de Republiek overgezonden. De Haagse verzamelingen zijn mede daarom zo belangrijk omdat in de vestigingsarchieven zeer veel kaarten en tekeningen van lokale administraties verloren zijn geraakt.

De Hoge Regering in Batavia was een verzamelpunt van informatie van de buitenkantoren. Kaarten en tekeningen maakten daar deel van uit. Op de buitenkantoren werkten permanent (zoals aan de Kaap de Goede Hoop en op Ceylon) of incidenteel ingenieurs, bouwmeesters (fabrieken), landmeters en zeekaartenmakers, die werkzaam waren ten behoeve van de grondadministratie, weg- en waterbouw, architectuur en vestingbouw.

De opmerkingen hieronder betreffen de organisatie en administratie in Batavia. Zij zijn deels van toepassing voor de buitenkantoren.

De VOC beschikte op Java aanvankelijk slechts over een zeer klein grondgebied; dit beperkte zich vrijwel tot de stad Batavia. Men had in die situatie voldoende aan een technicus die optrad als landmeter en als bouwmeester, in die laatste functie zowel van civiele werken (dan veelal fabriek genoemd) als van vestingwerken (dan veelal ingenieur genoemd). In 1627 stelde men onder het gezag van de schepenen in Batavia een landmeter en rooimeester aan. De rooimeester zag toe op de naleving van bouwvoorschriften in de stad. De uitbreiding van het grondgebied had tot gevolg dat in 1664 een college van heemraden werd ingesteld (vergelijkbaar met een polderbestuur in de Republiek), dat belast werd met het beheer van buiten de stad gelegen gronden en met toezicht op landscheidingen. Bij de reorganisatie van dit college in 1679-1680 werd besloten een perceelsgewijze kaart te vervaardigen. (

De nrs. VEL 1184 t/m 1187 zijn als een versie te beschouwen van deze pre-kadastrale kaart (bijgewerkt tot 1706).

) Het college kreeg toestemming landmeters in dienst te nemen.

In de zeventiende en achttiende eeuw werkten er dus landmeters onder het gezag zowel van de schepenen als van het college van heemraden. Het gescheiden beheer van de goederen binnen en buiten de stad werd in 1778, wat de registratie betreft, beëindigd. Vanaf dat jaar belastte men een 'landmeters comptoir' met het beheer en het bijhouden van alle kaarten.

De stadslandmeter, ressorterend onder de schepenen, had de fabriek als zijn directe baas. De fabriek stond aan het hoofd van het ambachtskwartier. Hij was verantwoordelijk voor het beheer van de Compagniesgebouwen en de inventaris ervan; dit in principe met uitsluiting van de in relatie met de vloot staande goederen, die onder de verantwoordelijkheid van de equipagemeester vielen. Verscheidene landmeters maakten carrière door op te klimmen tot fabriek. De fabriek was tevens betrokken bij het beheer, de aanleg en de bouw van militaire werken.

Vanaf het begin van de zeventiende eeuw wordt melding gemaakt van militaire ingenieurs die in dienst van de VOC in de Oost waren. Zij werden vooral ingezet bij belegeringen en bij de nieuwbouw van forten. Hun aanwezigheid was, met name in de zeventiende eeuw, echter minder permanent dan die van de landmeters en fabrieken. De laatsten bleven bij uitstek belast met het onderhoud en beheer van de forten en gebouwen. Artilleristen, of een aan de artilleristen toegevoegde ingenieur, traden in voorkomende gevallen naast de fabriek op als bouwmeester voor de militaire werken (

Zie voor de instructies van de militaire ingenieurs: Van der Chijs ed., Plakaatboek.

).

Deze situatie veranderde in 1717, toen de Heren Zeventien een directeur der fortificatiën met twee assistent-ingenieurs naar Indië stuurden. Het was echter nog maar een tijdelijke maatregel. In de tweede helft van de achttiende eeuw werd de positie van de fabriek zwakker. Net als in de Republiek werden de ambachtslieden en landmeters gedeeltelijk verdrongen of opgevolgd door de ingenieurs der fortificatiën. Deze ontwikkeling werd in Batavia in 1793 bekrachtigd door de aanstelling van een militair ingenieur in de functie van directeur der fortificatiën, gebouwen en waterwerken. In Kaap de Goede Hoop was al in 1778 een directeur der fortificatiën en artillerie benoemd. Aan de nieuwe directeur in Batavia werd de zorg voor het complete kaarten- en tekeningenarchief toevertrouwd. Alle ingenieurs en landmeters van de Compagnie in de Oost kwamen onder zijn gezag te staan.

Niet alleen landkaarten, maar ook zeekaarten werden in Batavia vervaardigd. Hoewel de kaartenmaker in Amsterdam als taak had alle schepen van zeekaarten te voorzien, bleek er al in de eerste helft van de zeventiende eeuw behoefte te zijn aan een kaartenmaker in Batavia voor de scheepvaart in de Aziatische wateren. In tegenstelling tot in Amsterdam was de kaartenmakerij in Batavia vanaf het begin volledig onderdeel van de VOC; de kaartenmakers waren in exclusieve dienst van de Compagnie. Op de werf in Batavia was de zeekaartenwinkel. De 'baaskaartenmaker' werkte daar onder het gezag van de equipagemeester. Behalve met de fabricage van zeekaarten had de kaartenmaker, net als zijn collega in Amsterdam, bemoeienis met het opstellen en bijhouden van zeilinstructies, in overleg met de equipagemeester en diens assistenten (oud-schippers of -stuurlieden).

Onder de baaskaartenmaker werkte tot halverwege de achttiende eeuw een toenemend aantal knechten die de aan de hand van informatie van schippers en stuurlieden telkens verbeterde leggerkaarten kopieerden. We moeten ons geen overdreven voorstelling maken van deze 'cartografen'. Het produceren van de kaarten hield, althans wat de knechten betrof, niet meer in dan overtekenen en overschrijven.

Nadat het steeds meer gebruik werd zeekaarten te graveren in plaats van te tekenen, werd het 'hydrografisch bureau' in Batavia van minder belang en werd besloten het in te krimpen. Net als de hiervoor genoemde fabriek werd bovendien de ambachtelijke baaskaartenmaker verdrongen, in zijn geval door marineofficieren. De opdracht aan de examinator van de stuurlieden en leraar P.H. Ohdem in 1753 om toezicht te houden op de baaskaartenmaker en de kwaliteit van de zeekaarten, is een eerste teken van veranderende opvattingen over de kaartenmakerswinkel (

Ibidem VI, 15 januari 1753, aanstelling Pieter Hermannus Ohdem, en 6 maart 1753. Bij het laatste besluit werd ook het salaris van de examinator verhoogd.

). De inkrimping van het bureau in Batavia werd enkele decennia later bevorderd door de hydrografische activiteiten aan de marineschool in Semarang (1782-1812). Vanaf 1782 werden hydrografische karteringen in Indië uitgevoerd door docenten en leerlingen van de marineschool.

2. Beheer van het kaarten- en tekeningenarchief

Ten tijde van het Compagniesbewind (1602-1795)

In de Republiek bestond geen centraal kaarten- en tekeningenarchief van de VOC. Elke kamer beschikte over een eigen bestand. Aangezien de kamer Amsterdam het grootste aandeel had in de Compagniesactiviteiten, en meestentijds de administratieve zetel was van de Heren Zeventien, werden in Amsterdam de voornaamste kaarten- en tekeningenbestanden gevormd.

Ten behoeve van de besluitvorming en de administratie waren kaarten en tekeningen in de kamer Amsterdam in of dichtbij de vergaderruimten beschikbaar. In het Oostindisch Huis aan de Hoogstraat hingen ingelijste kaarten aan de wand van de vergaderruimte (

Een aantal van deze geschilderde gezichten en kaarten van Compagniesvestigingen is bewaard gebleven in het Rijksmuseum: P.J.J. van Thiel e.a., Alle schilderijen van het Rijksmuseum te Amsterdam (Amsterdam en Haarlem 1976) 105 (A19), 509-510 (A4481 en A4482) en 664 (A4471 t/m 4476).

). Naast de wandkaarten beschikte men vanaf 1622 over het kaartboek van Hessel Gerritsz. en vanaf ca. 1695 over het kaartboek van de klerk en kaartenmaker Isaac de Graaff, en over enkele atlassen en andere gedrukte geografische werken.

Uit een uittreksel van de Compagniesadvocaat E. Scott blijkt dat de bewindhebbers beschikten over enkele specifieke toegangen op kaarten en tekeningen. Een eerste toegang gaf verwijzingen naar kaarten en tekeningen die ingebonden waren bij de series overgekomen brieven en papieren. Een tweede toegang beschreef de 'kaarten die niet ingebonden sijn' (

VOC, inv. nr. 4639, lijsten van kaarten die uit Indië zijn ontvangen. In de inventaris van 1814 van de charters wordt eveneens een register vermeld van kaarten die zijn bijgebonden in boeken of bundels.

). Beide series kaarten en tekeningen berustten waarschijnlijk in de charterkamer van het Oostindisch Huis, onder het beheer van de bibliothecaris.

In de zeventiende eeuw werden ook de scheepsjournalen in het Oostindisch Huis geborgen (

Van Dam, Beschryvinge eerste boek, deel I, 403.

). De leggerkaarten lagen bij de kaartenmaker; hij werkte immers thuis. Het is wel aannemelijk dat van elk type zeekaart tenminste één exemplaar als model werd bewaard in het Oostindisch Huis, en in de achttiende eeuw in de stuurmanskamer op de werf. (

Ibidem, 415 (1633) en in de instructie van Van Keulen (1786). Bij Van Keulen worden weliswaar de 'leggers bij de Compagnie berustende' vermeld, maar misschien moeten we hier eerder bovengenoemde modellen onder verstaan. In dat geval zijn bij de Compagnie in de stuurmanskamer geautoriseerde exemplaren van elke kaart en elk zeevaartkundig instrument bewaard.

)
Daar berustten aan het einde van de achttiende eeuw ook de door terugkerende schepen ingeleverde journalen en gecorrigeerde zeekaarten. Waarschijnlijk is tegelijk met de inrichting van de werf op Oostenburg, in ca. 1665, besloten daar een stuurmanskamer in te richten. Het toezicht was toevertrouwd aan een boekhouder. Deze boekhouder was op zijn beurt verantwoording schuldig aan de examinator van de stuurlieden. De kaartenmaker had toegang tot de stuurmanskamer en kon kaarten en journalen lenen en deze, na het tekenen van een ontvangstbewijs, enige tijd thuis gebruiken ter correctie van leggerkaarten en zeilaanwijzingen.

Er waren dus twee plaatsen waar zeekaarten als archivalia te vinden waren: ten eerste bij de kaartenmaker thuis, met name de leggerkaarten en door schippers en stuurlieden vervaardigd kaartmateriaal, en ten tweede in een kamer van het Oostindisch Huis, vanaf ca. 1665 in de stuurmanskamer op de werf: journalen en kaartmateriaal van terugkerende schepen, en prototypen van de diverse zeekaarten.

Voor de equipage van de uitvarende schepen werden allerlei goederen in voorraad gehouden in het Oostindisch Huis, in de pakhuizen en op de werf. Dat waren onder andere kaarten en stuurmansgereedschappen. De equipage van de schepen gebeurde op basis van geregeld bijgestelde controlelijsten met opgave van per schip mee te geven aantallen en typen van zeekaarten en instrumenten, onder vermelding van hun boekwaarde (

Deze lijsten zijn voor een groot deel gepubliceerd: Schilder, 'Organization and evolution', 64-68 en Kok, Ontwikkelingen, bijlage I.1 t/m I.6.

). Deze zeekaarten zijn niet te beschouwen als cartografische archivalia van de Compagnie. Zij worden hier slechts vermeld omdat de administratie ervan gedeeltelijk parallel liep met de bovengenoemde bestanden en omdat restanten van de voorraad waarschijnlijk in de huidige verzamelingen bewaard zijn gebleven (de zogenaamde dubbelen).

De zeekaartenvoorraad werd aangemaakt door de kaartenmaker. Niet duidelijk is of hij zijn kaarten in de zeventiende eeuw direct aan de schepen of de equipagemeester leverde, of de kaarten altijd eerst naar het Oostindisch Huis bracht. Uit de aanstelling van Joan Blaeu in 1638 blijkt dat in het Oostindisch Huis een ruimte was voor de voorraad zeekaarten (

VOC, inv. nr. 232, resolutie kamer Amsterdam, 22 november 1638.

). De kaartenmaker diende hiervan geregeld een 'inventaris' (lees: een opgave van de voorraad) in te leveren. (

Van Dam, Beschryvinge eerste boek, deel I, 414. De kaartenmaker had dus niet de opdracht het kaarten- en tekeningenbezit (het archief) te beheren.

)
.

In de achttiende eeuw lag de voorraad voor een deel in de stuurmanskamer en misschien ook in een pakhuis, en waarschijnlijk voor een ander deel in de werkplaats of winkel van de kaartenmaker (

VOC, inv. nr. 4597, generale staat van 1781. In de staat van koopmanschappen en behoeften, aanwezig in het pakhuis van de kamer Amsterdam, worden 300 zeekaarten en 150 blanco kaarten met gedrukte kompaslijnen vermeld. In de instructie van Van Keulen (1786) staat dat bij dienstverlating of overlijden de kaarten tegen de prijzen in de vastgestelde lijst zullen worden overgenomen. Deze zinsnede wijst op het bestaan van een voorraad zeekaarten in de winkel van Van Keulen.

). Waarschijnlijk werden de gebruikte zeekaarten die door schippers en stuurlieden bij terugkeer werden ingeleverd, bij de Compagnie in voorraad gehouden ten behoeve van een volgende equipage. De nieuw geproduceerde zeekaarten bleven vermoedelijk bij de kaartenmaker thuis opgeslagen; zij werden vervolgens per equipage op min of meer vaste data aan de Compagnie geleverd (

In de stuurmanskamer van de VOC was een buffervoorraad van stellen zeekaarten beschikbaar. Op een equipagelijst van 1788 staat aangegeven welke personen de leverantie van goederen, voedsel enzovoort moeten verzorgen: 'moet worden ingevuld door den equipagemeester, opzigter van de stuurmanskamer, opzigter van het slagthuis, opzigter van de wapenkamer'; VOC, inv. nr. 4964. Uit de boekhouding van de VOC krijgt men de indruk dat telkens grote partijen kaarten werden geleverd en afgerekend: Isaac de Graaff ontving op 31 oktober 1721 1381 gulden (VOC, inv. nr. 7148, journaal van de opperboekhouder van de kamer Amsterdam, f. 276), de weduwe van Johannes van Keulen ontving 31 oktober 1772 2985 gulden (VOC, inv. nr. 7163, journaal van de opperboekhouder van de kamer Amsterdam, f. 54).

)
.

In grote lijnen geldt voor de andere kamers hetzelfde als voor de kamer Amsterdam. Ten behoeve van bestuur en representatie waren de vergaderruimten voorzien van ingelijste kaarten en prenten (

In de bewindhebbersvergaderkamer in Hoorn bevonden zich in 1796 dertien oude kaarten en prenten in lijsten; Archief van het Comité tot de Oost-Indische handel en bezittingen (hierna: Archief Oostindisch Comité), inv. nr. 159.

). Ook had men er de beschikking over geografische werken en atlassen. De kamer Zeeland hield aan het einde van de achttiende eeuw een aparte registratie bij van overgekomen kaarten en tekeningen van vestigingen in Indië (

VOC, inv. nr. 13866.

)
. De kamers vormden een eigen voorraad van zeekaarten die waren gemaakt door eigen leveranciers en kaartenmakers, of door schippers en stuurlieden na thuiskomst waren ingeleverd. Deze zeekaarten uit de voorraad werden weer aangewend tot de equipage van uitvarende schepen.

Bataafs-Franse tijd (1796-1813)

In 1796 berustte in de stuurmanskamer in Amsterdam een voorraad van nog in gebruik zijnde zeekaarten en een archief van getekende en gedrukte kaarten en zeemansgidsen. Het was tot dan toe beheerd door de examinator van de stuurlieden. Toen deze in 1796 zijn ontslag nam, werd zijn opvolger vanwege het feit 'dat de boeken, kaarten en instrumenten, behorende tot de stuurmanskamer zeer volumineus zijn' door het Oostindisch Comité gemachtigd alleen de waardevolle over te nemen. Het restant werd aan de tweede examinator Engelberts in beheer gegeven (

Archief Oostindisch Comité, inv. nr. 154, notulen departement van equipage, 30 september en 7 oktober 1796.

). Met de waardevolle kaarten bedoelde het Comité waarschijnlijk de zeekaarten die bij de equipage nog van nut konden zijn: recente zeekaarten.

Een tweede bestand - van kaarten, plattegronden en kaartboeken - maakte deel uit van de charterkamer in het Oostindisch Huis. De chartermeester daar werd in 1800 opdracht gegeven de '... atlassen, losse kaarten en tekeningen thans reeds voorhanden of die den raad bij vervolg van tijd tot tijd mogt acquireren ... in eene afzonderlijke kast...' te bewaren, met uitzondering van de zeekaarten, die immers 'bewaard worden in de zogenaamde stuurmanskamer' (

Archief Aziatische Raad, inv. nr. 28, instructie van 28 september 1800. De lijst is voor zover kon worden nagegaan niet bewaard gebleven.

). In de periode 1800-1806 werd deze aparte verzameling inderdaad in de charterkamer bijeengebracht en beschreven (

Bij besluit van 27 juni 1806 no 112 werd Kraijenhoff een kopie van de 'inventaris van kaarten, plannen en memorien betreffende Oost-Indiën en de Kaap de Goede Hoop' gezonden; Archief Aziatische Raad, inv. nr. 37. Het is waarschijnlijk dezelfde inventaris als in augustus 1806 werd gebruikt voor de afgifte van de kaarten aan Ampt.

)
.

De landelijke bestuurswijzigingen die vanaf 1806 plaatsvonden, hadden gevolgen voor de interne structuur van de kaarten- en tekeningenbestanden van de VOC. Bij alle inventarisaties die sindsdien werden ondernomen, werden de kaarten en tekeningen slechts bij uitzondering in directe samenhang met de geschreven archivalia geordend. Wel werden in de meeste gevallen de kaarten en tekeningen tegelijk met de geschreven archivalia herordend of overgedragen. (

Zie de inventarissen van geschreven archivalia: VOC, inv. nrs. 13862-13865 en 14924-14926, 'generaal register van alle de Compagnie's boeken welke uit Indien naar Patria werden gezonden', 1612-1794; februari 1807 (kamer Delft), f. 40; Inventaris van marine en koloniën, 1814, f. 91 no. 128, f. 98 no. 191, f. 109 kist 8, f. 118 kist 13 no. 64; 28 augustus 1816; VOC, inv. nr. 14931, inventaris van de Oostindische archieven berustende in het Westindisch Magazijn in Amsterdam opgemaakt door De Munnick, 1828.

)

Het bestuur over de koloniën werd in 1806 gecentraliseerd. Bij Koninklijk Besluit van 18 juli 1806 werd door koning Lodewijk Napoleon naar Frans model een depot-generaal van oorlog opgericht, dat als taak had de kaarten en tekeningen van het rijk te beheren, kaarten te vervaardigen en voor beleid en geschiedschrijving relevante rapporten op te stellen. De krijgsgeschiedenis en de statistiek moesten veel aandacht krijgen. Aan dit depot-generaal werd een depot van marine en een depot van koloniën verbonden, 'alwaar bewaard zullen worden alle de kaarten, plans en memoriën tot de koloniën betrekkelijk. Dit Bureau zal een gedeelte uitmaken van het Ministerie van Koophandel en Koloniën, doch zal niettemin staan onder de bevelen van de directeur van het Dépôt van Oorlog.' (

Archief van het ministerie van Koophandel en Koloniën (hierna: Archief min. K. & K.), inv. nr. 2, bijlagen verbaal alg. dir., juli-december 1806 no. 27, art. 7 van het Koninklijk Besluit.

) Net als bij het depot-generaal van oorlog werd de taak van de depots van marine en koloniën (statistische) beschrijving en geschiedschrijving (

Zie de instructie voor de directeur (art. 3 en 4), Archief depot-generaal van Oorlog 1806-1811 (hierna: Archief dep.-gen. Oorlog), inv. nr. 21. Het is de vraag of van de geschiedschrijving in die jaren veel terecht kwam. In Parijs deed men dit wel. Archief min. K. & K., inv. nr. 79 (index Oost), 31 wijnmaand 1810 (oktober) no. 21.

)
. Directeur van het depot was C.R.Th. Kraijenhoff; zijn neef M.J. de Man werd als onderdirecteur met de dagelijkse leiding belast (

M.D. Lammerts, 'Het depot-generaal van Oorlog', Ons Leger 26 (1940) 321-325. Zie ook H.A.J. van Schie, Inventaris van de archieven van het Comité tot de algemene zaken van het bondgenootschap te Lande ... ('s-Gravenhage 1979) inleiding.

)
.

In augustus 1806 nam het depot de VOC-kaarten en -plans die in de charterkamer in Amsterdam lagen van de Aziatische Raad over. Een lijst van het bestand in de charterkamer in juni 1806 is bewaard gebleven (

De 'staat en inventaris van Koophandel en Koloniën' van 1814, f. 6, noemt de inventaris van de boeken en papieren van de charterkamer van de voormalige VOC 'waarbij de lijst der kaarten en plans', afgifte op 15 augustus 1806. De lijst die bewaard is gebleven is gedateerd op 27 juni 1806: Archief Aziatische Raad, inv. nr. 21, bijlage 112 bij resolutie van 27 juni 1806.

). Er staan honderd nummers in beschreven. Aan de lijst is een inhoudsopgave toegevoegd van het kaartboek van Isaac de Graaff. De lijst is niet uitputtend. Het bestand van de stuurmanskamer valt er buiten. We mogen aannemen dat de aandacht voor actuele problemen betekende dat een deel van de oudere kaarten en tekeningen niet werd beschreven.In 1806 werd de grondslag gelegd voor een centrale verzameling van kaarten en tekeningen betreffende de koloniën. Gedurende de jaren 1806 tot 1810 zijn kaarten en tekeningen door A. Ampt Cz. en na hem door de directeur der koloniale kaarten Brunsveld van Hulten beheerd en geïnventariseerd (

Archief van het ministerie van Marine en Koloniën 1795-1813 (hierna: Archief min. M. & K.), exh. 17 dec. 1808 no. 5.

)
. De inventaris uit die periode is niet integraal bewaard gebleven, maar uit excerpten ontstaat een indruk: archiefkaarten en verzamelde, grotendeels gedrukte, kaarten werden door elkaar beschreven in één geografische ordening (

Archief van het ministerie van Buitenlandse Zaken (hierna: Archief min. BZ, Legatie Frankrijk, inv. nr. 80.

)
.

In 1808 stelde Ampt voor het koloniale gedeelte bij het depot-generaal uit te breiden met de collectie Romswinckel (door Lodewijk Napoleon aangekocht) en met datgene wat bij'oorlog' voorhanden was (

Archief dep.-gen. Oorlog, inv. nr. 9, missiven van Ampt, 26 maart 1808 en 5 april 1808: 'uit welke splitsing ik eene zeer schoone aquisitie voor het vak der colonien tegemoet zie ...'.

). In 1809 schetste hij de geschiedenis van de verzameling 'tot het geographische, topographische en hydrographische vak der colonien' aldus: 'Het aanvanklijk fonds van deeze verzameling bestond uit eene aanzienlijke collectie welke van wegens den voormaligen Americaanschen Raad ... den ondergetekende waaren toevertrouwd; de verdere tot suppletie gecollecteerde stukken, alsmede die van den Aziatischen Raad zijn door mij ... daar bijgevoegt'. Complementair aan de verzameling achtte Ampt 'de memorien en verdere papieren concernerende de defensie der colonien en uitbreiding der cultuur, tot explicatie dienende van de plans en tekeningen' (

Archief van het departement van Marine 1798-1810, inv. nr. 212, ingekomen stukken, 6 februari 1810.

)
. De nadruk op defensie en cultures weerspiegelt de beleidsaandacht van die jaren.

Deze opzet van een verzameling van kaarten en memoriën is bewaard gebleven in het Algemeen Rijksarchief. Het is een indeling van Franse oorsprong, onder meer vastgelegd in de 'Instruction pour le Directeur du Dépôt des Colonies' (

Instructie is opgesteld volgens het Koninklijk Besluit van 1 maart 1807, art. 8253. De tekst van de instructie is te vinden in: Archief dep.-gen. Oorlog, inv. nr. 21.

). Het uitgangspunt daarin is series te vormen naar type document: zeekaarten, scheepsbouwtekeningen, plattegronden van vestingen, topografische kaarten enzovoort. Deze series hebben elk een eigen register waarin de individuele kaarten chronologisch met behulp van op alfabet geordende geografische rubrieken zijn beschreven (

Zie: J.A.M.Y Bos-Rops e.a. ed., De archieven in het Algemeen Rijksarchief. Overzichten van de archieven en verzamelingen in de openbare archiefbewaarplaatsen in Nederland IX (Alphen aan den Rijn 1982) 471-473. Ampt heeft in een memorandum van 31 december 1807 de wijze van inventariseren toegelicht; Archief dep.-gen., inv. nr. 29. Ampts memo is een nadere uitwerking van de vastgestelde wijze van ordening in de instructie (zie noot 53). De werkwijze van het depot-generaal van Oorlog werd nog in het midden van de negentiende eeuw zeer geroemd en zal misschien mede van invloed zijn geweest op Leupe: J.J.F. Noordziek, Archiefwezen 1826-1852. Met eene korte opgave van den inhoud van eenige boekerijen ('s-Gravenhage 1853) 62-64.

)
.

De sporen van Ampts werk zijn achtergebleven op een deel van de in Den Haag bewaarde kaarten en tekeningen. Veelal zijn zij aan de rugzijde voorzien van een blauw etiket. Op dit etiket staat beschreven in welk register, in welk deel van het register en op welk folionummer de betreffende kaart is beschreven. Ampt, zelf kaarttekenaar, beschreef de kaarten en tekeningen van het gehele ministerie, dus ook van de Westindische gebieden en wateren. Blijkens de stempels en andere ordeningskenmerken en het opgeplakte blauwe papier, werden ook actuele zeekaarten die beschikbaar waren in Amsterdam, afkomstig van de stuurmanskamer, na 1806 opgenomen in de inventaris van Ampt.

Het depot-generaal verhuisde in de herfst van 1808 van Den Haag naar Amsterdam. In het nieuw ingerichte pand aan de Oude Turfmarkt in Amsterdam was men in staat de verschillende bestanden te bergen. De beoogde centralisatie werd hiermee ook in materiële zin voltooid. Door de samenvoeging van de kaartbestanden van de ministeries van marine en koloniën in 1806 ging een deel van het zeekaartenbestand van de voormalige VOC, met name de zeekaarten van de achttiende eeuw die men van belang achtte voor de produktie van nieuwe kaarten, naar het depot van marine (

In een bijlage van De Mans missive van 15 november 1815 aan de minister van Marine waarin hij de overzending van kaarten enzovoort aan diens departement specificeert, worden VOC-zeekaarten genoemd: o.a. 4 kaarten van de kust van Coromandel, 6 kaarten van het eiland Ceylon, 4 kaarten van Ceylon en de Maldiven, 4 kaarten van de kust van Malabar.

).

Het koloniale kaartenbestand stond in 1810 beschreven in 27 registers: 12 registers daarvan bevatten een beschrijving van kaarten die geheel of gedeeltelijk van de VOC afkomstig kunnen zijn. Niet beschreven in de registers, maar apart vermeld in een paklijst, is het kaartboek van Isaac de Graaff (

Betrekking tot de VOC hebben de volgende registers: nr. 1 Azië, nrs. 2 en 3 Java, nrs. 4 en 5 Ceylon, nr. 6 Oost-Indië, nr. 7 Afrika, nr. 8 Kust van Guinee, nrs. 9 tot en met 11 Kaap de Goede Hoop en nr. 27 ingelijste kaarten (waarschijnlijk afkomstig uit een vergaderruimte). 'Extraits des catalogues des cartes, plans ...', 16 augustus 1810, en paklijst van 1815; Archief min. BZ, Legatie Frankrijk, inv. nr. 80. Ook in het Archief van oorlog en Topografisch bureau, inv. nr. 15.

).

Helaas zijn de registers niet integraal bewaard gebleven; het is dan ook moeilijk om een schatting te maken van het aantal bladen dat uit het VOC-bestand afkomstig was. Minder dan 400 bladen, exclusief de 188 bladen in het kaartboek De Graaff, zullen het er niet geweest zijn (

Van het register nr. 12 Amerika werd in 1810 als hoogste nummer van overgave uitgezonderd nr. 85. De tekening van de kruidmolen in Colombo (VEL 982) stond blijkens het opschrift beschreven in het 5e register, dl. 1, folio 25. Het register bestond dus misschien uit twee delen met elk tenminste 25 bladzijden. Elk register kon naar ik aanneem (register 12, Amerika telde minstens 85 nrs.) ca. 100 beschrijvingen bevatten. Aangezien de verdeling in aantallen registers mede gebaseerd zal zijn geweest op het beschikbare kaart- en tekeningenmateriaal, lijkt mij de schatting van 400 bladen VOC eerder te laag dan te hoog.

).

De plannen tot inlijving van het Koninkrijk Holland bij het Keizerrijk leidden in de zomer van 1810 tot maatregelen van Franse zijde om een selectie uit de kaarten en tekeningen van marine en koloniën zo snel mogelijk naar het Franse Dépôt de la Marine over te brengen. Napoleon stuurde in juli 1810 zijn kamerheer Auguste-Dieudonné-Emmanuel Comte de Las Cases naar Amsterdam om de overdracht voor te bereiden (

E.A.D. Comte de Las Casas, Mémoires [...] communiqués par lui-même [...] (Bruxelles 1818) 31-32.

). Hoewel overwegingen van strategisch belang voor Napoleon ongetwijfeld op de voorgrond stonden en recent materiaal betreffende de koloniën en de marine dus de grootste prioriteit kreeg, speelde historische interesse ook een rol. Er bestaat geen twijfel over hoe ruim de keizer de selectie opvatte. 'L'Empereur veut que le Dépôt Impérial de la Marine à Paris recueille de cette mission tous les avantages qu'elle pourra lui procurer', aldus de minister van marine Decrès in een brief aan de directeur van het Franse Dépôt (

Parijs, Archives Nationales, Marine (hierna: Arch. Nat. Marine), BB2, inv. nr. 122, brief van de minister van marine en koloniën aan het Franse Dépôt-General/Imperial, 12 juli 1810.

)
.

Detail van een anonieme kaart van Zuid-Celebes dat het fort Rotterdam bij Makassar weergeeft, 1693 (ARA Afdeling Kaarten en Tekeningen, VEL, inv.nr. 1293):

Gedrukte paskaart van de firma Hulst van Keulen voor de vaart in de wateren van Malabar en Ceylon, ca.1770 (ARA Afdeling Kaarten en Tekeningen, MCAL, inv.nr. 4260):

De directeur van het Franse Dépôt, De Rosily-Mesros, lichtte ten overvloede in een rapport van 13 juli 1810 toe hoe belangrijk de kaarten in Nederland waren: 'non seulement des cartes et plans hydrographiques mais encore des cartes géographiques et topographiques de toutes les côtes et îles où les Hollandais ont eu des établissements. Outre les cartes des colonies Hollandaises qui sont en général les meilleurs qu'il y a ainsi faites, il doit y avoir dans les Dépôts de Hollande des plans des ports et rades des différentes parties du monde qui étaient fréquentées par les vaisseaux Hollandais et la collection de ces plans serait une acquisition très importante pour le Dépôt Général [...] Monsieur le Baron [De Las Cases] jugera sans doute qu'il vaut mieux conserver plus que moins: c'est le moyen le plus sûr de ne pas perdre des connaissances précieuses.' (

Arch. Nat. Marine, BB3, inv. nr. 350, brief van De Rosily aan de minister van marine en koloniën Decrès.

)

Decrès introduceerde de missie van De Las Cases bij de kort tevoren aangestelde prins stedehouder Lebrun: 'L'objet de sa mission est de s'occuper autant qu'il aura bien, du recueillement des cartes et plans du possessions d'outre mer de la Hollande, et de l'état des objets de cette nature dont doit s'enrichir le Dépôt Impérial' (

Archief van de Prins Stedehouder, inv. nr. 10, brief van de Franse minister van marine Decrès aan de Prins Stedehouder, 10 juli 1810.

). In Amsterdam werden de inventarissen van de depots van marine en koloniën ter beschikking gesteld (

Archief dep.-gen. Oorlog, inv. nr. 5, opdracht van ministers van oorlog en marine, 15 juli 1810.

)
. De Las Cases stuurde de catalogi voor advies naar Parijs. Op basis van de catalogi werd een zeer beperkt aantal kaarten en tekeningen uitgezonderd van overname: alleen dubbelen van kaarten die men in het Franse Dépôt reeds bezat (

Dit wordt gespecificeerd in de extract-catalogus van 17 augustus 1810. Zowel de extract-catalogus als de integrale catalogi van de bestanden van marine en koloniën werden op 21 augustus 1810 door de Franse minister van marine en koloniën Decrès gezonden aan de prins stedehouder in Amsterdam: Archief Prins Stedehouder, inv. nr. 10. De leiding van de operatie in Amsterdam bleef in handen van de Las Cases. Zie ook: Archief dep.-gen. Oorlog, inv. nr. 9, 16 juli 1810.

)
. Van de kaarten en tekeningen in de genoemde 'VOC-registers' ging het om een schamele acht bladen die niet naar Parijs zouden overgaan (

Afschrift Keizerlijk Besluit van 18 augustus 1810, met opgave van de uitgezonderde nummers, beschreven in de extract-catalogus van 16 augustus 1810: Archief min. BZ, Legatie Frankrijk, inv. nr. 80. Ook in: Archief Prins Stedehouder, inv. nr. 8.

)
. De experts van het Franse Dépôt hadden tevens een oog op kaartenmateriaal dat elders lag of dat niet gecatalogiseerd was: 'Les deux inventaires qui ont été envoyés à Son Excellence[Decrès] indiquent qu'une petite partie des cartes que la Hollande devait posséder. On n'y trouve aucune des reconnaissances que les Hollandais ont faites des Mers de l'Archipel Indien, de la Nouvelle Guinée et de la Nouvelle Hollande, on ne trouve rien sur les Molucques, sur Bornéo et sur Malaca et Sumatra. Il n'y a que très peu de chose sur la géographie de la colonie du Cap de Bonne Espérance et celle de la Côte de Guinée. Il est probable qu'il y a encore d'autres Dépôts en Hollande dont on recevra sans doute les inventaires. La Compagnie des Indes doit en avoir un qui peut-être fort précieux.' (

Arch. Nat. Marine, BB3, inv. nr. 350, brief van Buache (gezien door Rosily) aan de minister van marine en koloniën, 7 augustus 1810.

)
. Het is duidelijk waarop de Franse experts het oog hadden: op het oude, volumineuze bestand van de stuurmanskamer, dat in 1796 aan de tweede examinator Engelberts was toevertrouwd.

Met een besluit van Napoleon van 18 augustus 1810 werd formeel tot overbrenging van het Nederlandse depot-generaal opdracht gegeven. Dezelfde dag werd het Koninklijk Huis van Lodewijk Napoleon en het Koninkrijk Holland opgeheven. Minister Decrès wees Lebrun er in een brief van 21 augustus 1810 nog eens fijntjes op dat in Nederland slechts datgene zou achterblijven wat expliciet was omschreven in het Keizerlijk Besluit 'et l'apport à Paris de tout ce qui n'est pas designé à l'état précité' (

Arch. Nat. Marine, 1JJ, inv. nr. 51, kopie-brief van de minister van marine en koloniën aan Lebrun, 21 augustus 1810.

).

Op 27 augustus 1810 gaf de Nederlandse minister van marine Paulus van der Heim opdracht aan de begeleidende Nederlandse officieren alles naar Parijs over te brengen. Het transport van vijf kisten en een pak ging per schip via Rotterdam naar Antwerpen. Vanuit Antwerpen ging het transport over de weg. De bescheiden werden in Parijs op 13 september van Brunsveld van Hulten in beheer overgenomen door Jean-Nicolas Buache de Neuville en Charles-François Beautemps Beaupré. Alles werd gedeponeerd in het Dépôt de la Marine, gevestigd in Maison d'Egmont-Pignatelli aan de rue Louis-le-Grand no. 11, niet ver van de Place Vendôme (

Archief dep.-gen. Oorlog, inv. nr. 9, opdracht van Van der Heim.

).

In tegenstelling tot het geschreven VOC-archief werd dus het kaarten- en tekeningenarchief vrijwel integraal - althans, de gecombineerde bestanden van de charterkamer en de stuurmanskamer in Amsterdam - naar Parijs overgebracht, inclusief kaarten en tekeningen die niet of nog niet waren geïnventariseerd bij het depot-generaal. Bij besluit van 28 december 1810 werd het Nederlandse depot van marine en koloniën opgeheven (

Archief min. M. & K., inv. nr. 79, exh. 28 december 1810.

). Tevens werd besloten de in Amsterdam nog achtergebleven kaarten naar Parijs te laten overbrengen. In mei 1811 stuurde de maritieme prefect van Antwerpen dertien kisten en een ijzeren doos met archieven en kaarten door naar Parijs (

Archief van de Hollandse divisie bij het ministerie van Marine en Koloniën te Parijs, 1810-1814, inv. nr. 6, brief van de maritieme prefect aan minister van marine en koloniën Decrès in Parijs, 22 mei 1811.

)
. Niet duidelijk is of dit transport Parijs inderdaad bereikte. In een reçu van november 1815 staat met zoveel woorden dat de door Napoleon van overdracht uitgezonderde kaarten bij zijn besluit van 18 augustus 1810 nimmer in Parijs werden gedeponeerd (

Reçu De Man d.d. 22 november 1815: Arch. Nat. Marine, 1JJ, inv. nr. 52.

)
. Wat de VOC-kaarten betreft, ging het slechts om acht bladen.

De uit het Dépôt de la Marine in het Algemeen Rijksarchief teruggekeerde kaarten dragen behalve een stempel geen Franse ordeningskenmerken. Men is er in Parijs tussen 1810 en 1814 niet aan toegekomen ze in de Franse bestanden in te voegen. Geheel onbegrijpelijk is dat niet: van de drie archivarissen was de jongste 72 en de oudste 80 jaar oud. (

G.A. Covillault, Histoire des archives et de la bibliothèque du Service Hydrographique de la Marine (Parijs 1979) 18-19.

)

Na 1813

Direct na de herwonnen onafhankelijkheid in 1813 zette men zich in om weggevoerde archieven, schilderijen en andere voorwerpen uit Parijs terug te halen. De teruggave van archieven was vastgelegd in het vredestractaat dat op 30 mei 1814 in Parijs werd gesloten (artikel 31). De zorg voor de kaarten en tekeningen waarop Nederland aanspraak maakte, werd in juli 1815 opgedragen aan de voormalige onderdirecteur van het depot-generaal van oorlog, M.J. de Man (

Koninklijk Besluit 13 juli 1815 no. 21, op voordracht van Goldberg, staatsraad Koophandel en Koloniën exh. 10 juli 1815 no. 644. Vervolg op Koophandel en Koloniën, 16 november 1814 no. 419 en 17 december 1814 no. 26. Expliciet werd in het betreffende Koninklijk Besluit gewag gemaakt van het kaartboek van Isaac de Graaff.

).

Eind november 1815 rapporteerde De Man dat hij in de opsporing van de koloniale kaarten 'niettegenstaande alle tegenkanting bijzonder geslaagd' was (

Archief min. BZ, Legatie Frankrijk, brief van De Man aan Fagel, 24 oktober 1815 en van De Man aan de minster van oorlog, 15 november 1815 no. 59 (citaat).

). Behalve met tegenwerking had hij in Parijs met praktische problemen te kampen gehad. De Man moest zijn weg zoeken in een bezette stad. Veel tijd ging op aan visites aan geallieerde bevelhebbers en Franse autoriteiten. De Fransen vertraagden het werk van De Man waarschijnlijk mede om inderhaast kopieën te maken van de terug te geven kaarten. De plattegrond van Batavia en omgeving door Tency, waarvan het origineel nu in het Algemeen Rijksarchief is, bleef in de collectie van het Dépôt de la Marine als calque bewaard. Zelfs gedrukte kaarten werden overgetrokken, zoals de kaart van de kust van Malabar van Van Keulen. Dat het aan Franse zijde haastwerk was, bewijst dezelfde kaart van Malabar. De gedrukte kaart vond men terug in een hoek van het Dépôt de la Marine (

Kaart van Batavia: Parijs, Bibliothèque Nationale, Collection Service Hydrographique 193/5/6; ARA, VEL 1192 (met de kenmerken van Ampts inventarisatie: Reg. 2, dl. 1 f. 5). Kaart van Malabar: Parijs, Bibl. Nat., Coll. Serv. Hydr. 206/2/23; ARA, MCAL nr. 4198.

)
.

Op 26 oktober 1815 kreeg De Man de Franse minister van marine zover dat instructie tot teruggave werd gegeven aan De Rosily-Mesros van het Dépôt de la Marine. De Rosily-Mesros diende de kaarten af te geven aan de hand van de indertijd bij het Nederlandse depot gemaakte catalogi 'qui pourra servir à leur vérification' (

Arch. Nat. Marine, 1JJ, inv. nr. 52.

). Dit is een interessante zinsnede. In 1810 mocht men in Amsterdam van het VOC-bestand acht bladen behouden, die expliciet in het Keizerlijk Besluit aan de hand van de catalogus van transport waren uitgezonderd. Al het overige, dus ook datgene dat niet in catalogi was beschreven, moest naar Parijs worden overgebracht. In 1815 gaf men aan de hand van de catalogus de kaarten terug. Dit betekende dat het oude bestand van de stuurmanskamer en andere niet gecatalogiseerde kaarten uit het zicht van De Man bleven. Enkele kaarten die wel gecatalogiseerd waren, kon men in november 1815 niet vinden. Veel waren het er niet, volgens een lijstje dat De Man ervan maakte (

Lijsten van 22 november 1815 in: Arch. Nat. Marine, 1JJ, inv. nr. 52. Hierin zit ook een opgave van De Man waarin hij verklaart welke kaarten, tekeningen en modellen die in 1810 op catalogus waren afgegeven niet meer te vinden waren.

)
.

Dank zij het werk van De Man werden in de winter van 1815/1816 twee kisten met kaarten en tekeningen betreffende de koloniën naar Nederland teruggebracht en bij de charterkamer van het ministerie van koloniën in Den Haag gedeponeerd. (

De 1e commies Zimmerman werd op 16 februari 1816 (exh. minister van koloniën no. 966) gemachtigd de stukken over te nemen en onder te brengen bij de charterkamer van het ministerie; Archief van het ministerie van Koloniën, 1814-1848 (hierna: Archief min. Kol.), inv. nr. 117, bijlage bij verbaal 8 december 1815 no. 3767 en Archief van oorlog en Topografisch bureau, inv. nr. 15. Ondertekend ontvangstbewijs: Idem, inv. nr. 15.

)De Man berichtte 15 november 1815, toen hij de kaarten en tekeningen opstuurde: 'ik voege hierbij, voor zoo verre het Departement der Koloniën betreft de originele catalogus der kaarten en plans welke uit Holland herwaards vervoerd en waarin met roode streepen aangeduid zijn alle de door mij overgenomen stukken, moeten die geene die met een o geteekend zijn (volgens K.B. Napoleon 18 aug. 1810) in Holland teruggebleven zijn en zich bij het Departement van Koloniën bevinden.' (

Archief min. BZ, Legatie Frankrijk, inv. nr. 80. De staatsraad van Koophandel en Koloniën Goldberg bevestigde 21 november 1815 no. 3324 de ontvangst van de originele catalogus, ARA, particulier archief De Man.

)
. Een exemplaar van deze geannoteerde catalogus van Ampt/Brunsveld van Hulten is niet bekend. Het bestand werd in de paklijst als volgt omschreven: 26 pakketten die elk de kaarten van één register bevatte (Azië enzovoort), het kaartboek van De Graaff in twee delen, 7 pakketten memoriën en brieven, 13 kaarten op linnen of opgerold, beschreven in register 27, 8 opgerolde niet in de catalogus beschreven kaarten (apart gespecificeerd: kaarten van de West) en 14 cartons (papieren van H.W. Daendels). De kisten kwamen op 8 december 1815 in Nederland aan. Niet lang daarvoor waren de gereclameerde schilderijen van het Oranjehuis teruggekeerd. Ook daarbij had De Man een rol gespeeld: geassisteerd door Pruisische militairen had hijzelf de Stier van Potter van de muur in het Louvre genomen en deze met andere schilderijen in veiligheid gebracht met een door hem met getrokken sabel geleid escorte (

Th.L. Lunsingh Scheurleer, 'De Stadhouderlijke verzamelingen' in: 150 jaar Koninklijk Kabinet van Schilderijen, Koninklijke Bibliotheek, Koninklijk Penningkabinet ('s-Gravenhage 1967) 9-50, met name 38-39.

)
.

In Nederland was in 1815 het uit Parijs teruggekeerde deel van de VOC-kaarten en -tekeningen ondergebracht in de charterkamer van het ministerie aan het Binnenhof in Den Haag. Andere delen bevonden zich nog bij de geschreven archieven opgeslagen in pakhuizen: een deel in Amsterdam en voor het overige in Middelburg en andere plaatsen van VOC-kamers. Het ministerie van koloniën bracht na 1815 de diverse archieven uit de VOC-periode in Amsterdam bij elkaar. Ook het kaarten- en tekeningenbestand uit de charterkamer in Den Haag werd overgebracht naar het Westindisch Slachthuis in Amsterdam.

Het archiefbeheer onder het ministerie van koloniën is in het algemeen gesproken weinig bevorderlijk geweest voor het behoud van de stukken. In het Westindisch Slachthuis werd nogal wat vernietigd. De minister gaf in 1821 toestemming om uit het in Amsterdam aanwezige archief de dubbelen en datgene wat bijvoorbeeld door water onherstelbaar beschadigd was geraakt voor oud papier te verkopen. Bij deze opruiming bevond zich onder meer een 'kist oude zeekaarten onbruikbaar' (

Aldus de klerk C. Bras op een briefje van 2 oktober 1821 over spullen door hem aangetroffen op de 'oude werf'. Dit briefje zal samenhangen met de besluiten van het ministerie van koloniën van 26 januari 1821 en 27 november 1821 no. 26/1.

). De beheerders hanteerden als criterium bij hun opruimingen het principe: wat voor de huidige administratie niet meer van belang is, kan het eerste weg. Dit heeft in een aantal gevallen geleid tot het vernietigen van historisch belangrijke stukken. Eén van degenen die zich hieraan later zeer hebben geërgerd, was de rijksarchivaris R.C. Bakhuizen van den Brink. Zo schreef hij in 1856 over de gewoonte om perkamenten kaarten te gebruiken om er paperassen mee in te binden (

R. Fruin, De gestie van dr. R.C. Bakhuizen van den Brink als archivaris des rijks 1854-1865 [...] ('s-Gravenhage 1926) 74.

)
. Dit was een oude gewoonte: verouderde perkamenten kaarten behielden hun materiaalwaarde en werden al in de zeventiende eeuw gebruikt voor het inbinden van brieven en papieren. Ook Victor de Stuers, bekend voorvechter voor het behoud van het Nederlandse erfgoed, was verontwaardigd over de misstanden in het archiefbeheer. Over de Oostindische gezichten uit de vergaderkamer van de Heren Zeventien (nu in het Rijksmuseum in Amsterdam) schreef hij: 'Deze stukken, gedeeltelijk aan flarden gescheurd, zijn onlangs op den turfzolder gevonden.' (

V. de Stuers, Holland op zijn smalst [...] (Bussum 1975) 69; verscheen oorspronkelijk als artikel in De Gids (1873).

)

Het koloniale kaarten- en tekeningenbestand in Amsterdam werd in de eerste helft van de negentiende eeuw aangevuld met wat elders te voorschijn kwam. Omstreeks 1850 werden de archieven van de voormalige VOC in Amsterdam geïnspecteerd. In het verslag wordt slechts globaal de aanwezigheid van 'kaarten, plannen, afbeeldingen van forten' gemeld (

Noordziek, Archiefwezen, 68.

). (Zie bijlage 14 voor een schematisch overzicht van de VOC-kaartenbestanden.)

3. Overdracht aan en ordening in het Algemeen Rijksarchief

De verhuizing van het rijksarchief van het Binnenhof naar het Plein (in Den Haag) in 1854 werd benut om bij het ministerie van koloniën aan te dringen op de overdracht van de koloniale archieven daterend van voor 1813. Deze overdracht kreeg zijn beslag in de zomer van 1856. Volgens het proces-verbaal werden bij die gelegenheid vier kisten en een pak met kaarten en tekeningen uit Amsterdam overgedragen (

Archief min. Kol., inv. nr. 541, exh. 15 september 1856 A19.

).

Naast de bestanden uit de opslagplaatsen van het ministerie van koloniën waren omstreeks 1860 in het Algemeen Rijksarchief (een klein aantal) kaarten en tekeningen van de Oost aanwezig die behoord hadden tot de archieven van de Staten-Generaal en de Staten van Holland en tot een enkel particulier archief. Al deze bestanden werden bijeengebracht in een verzameling 'buitenlandse kaarten'. In 1863 belastte Bakhuizen van den Brink de oud-marineofficier P.A. Leupe met de inventarisatie ervan (

Fruin, Gestie, 193.

). Leupe voegde aan het verzamelde bestand losse aanwinsten en schenkingen van zeekaarten en kaarten van de koloniën toe, zodat de jongste kaarten in zijn catalogus uit het midden van de negentiende eeuw dateren. Tussen 1863 en 1866 werden kaarten en tekeningen die ingebonden waren bij de 'overgekomen brieven en papieren' van de VOC- en WIC-archieven uit hun banden verwijderd en aan de collectie buitenlandse kaarten toegevoegd. Het verwijderen geschiedde helaas met nogal summiere verwijzing naar de plaats van herkomst.

In 1866 gaf de minister van binnenlandse zaken toestemming om Leupes catalogus te drukken (

P.A. Leupe, Inventaris der verzameling kaarten berustende in het Rijksarchief. Eerste gedeelte ('s-Gravenhage 1867). Code: VEL.

). Het was de eerste gedrukte toegang tot een bestand in beheer bij het Algemeen Rijksarchief. Bijna vijftig jaar later verscheen een supplement op de catalogus van Leupe (

S.P. l'Honoré Naber, Inventaris der verzameling kaarten berustende in het Algemeen Rijksarchief. Eerste supplement ('s-Gravenhage 1914). Code: VELH.

)
. Door de samenvoeging van de kaartbestanden van de ministeries van marine en koloniën in de Bataafs-Franse tijd kwam een deel van de kaarten van de VOC in de negentiende eeuw terecht bij het ministerie van marine. Het aldaar gedeponeerde en gevormde bestand werd eveneens door Leupe beschreven (

P.A. Leupe, Catalogus der verzameling van kaarten van het Ministerie van Marine ('s-Gravenhage 1872). Code: MCAL.

)
. Ook dit bestand is nu raadpleegbaar in het Algemeen Rijksarchief.

4. Elders gedeponeerde en afgedwaalde kaarten en tekeningen

In sommige gevallen zijn kaarten en tekeningen betreffende terreinen en gebouwen van de VOC in patria afgedwaald naar plaatselijke archieven en musea. Een deel van de kaarten en tekeningen in het Algemeen Rijksarchief betreffende de bezittingen in en de vaart naar Azië zijn eveneens uit het oorspronkelijke archiefverband verdwenen. Een gedeelte is al tijdens de VOC-periode van zijn plaats gehaald, onder meer voor de vervaardiging van kopieën in kaartboeken en -series. Vervolgens was de verwaarlozing van het archiefbeheer in de eerste helft van de negentiende eeuw oorzaak van het afdwalen van kaarten. Ook kan antiquarische interesse een rol gespeeld hebben. De antiquaar Frederik Muller haalde in Middelburg uit het bestand van de Westindische Compagnie een portefeuille kaarten die hij later bij het Algemeen Rijksarchief deponeerde. Men kan zich minder brave voorbeelden voorstellen: kaarten en tekeningen die uit het archief genomen en verkocht werden. Op deze wijze zijn kaarten met een omweg alsnog in het Algemeen Rijksarchief, maar ook elders terechtgekomen (

Zie voor kaarten en tekeningen die elders berusten: M.P.H. Roessingh, Sources to the history of Asia and Oceania in the Netherlands I. Sources up to 1796 (München 1982) en Wieder, Monumenta Cartographica.

).

Een grote hoeveelheid VOC-kaarten berust nu in Parijs. De verwarde toestand aldaar in 1814-1815 droeg ertoe bij dat niet het gehele Nederlandse bestand uit het Dépôt de la Marine werd teruggehaald. Naast losse VOC-kaarten en -tekeningen die op drift raakten, is het oude bestand van de stuurmanskamer in Amsterdam van belang. Dit bestand van grotendeels getekende zeekaarten, ruw te schatten op 400 bladen (misschien enkele honderden meer), ging op in de verzameling van het Dépôt de la Marine. Vrijwel de complete verzameling oude kaarten en plans van dit Dépôt, waarvan de naam werd gewijzigd in Service Hydrographique de la Marine, werd in drie fasen overgedragen aan het Departement des Cartes et Plans van de Bibliothèque Nationale in Parijs. Andere delen van het oude bestand werden, in een opmerkelijke omgang met het respect des fonds, in de Archives Nationales en de Bibliothèque Historique de la Marine in Parijs en de Service Hydrographique in Brest gedeponeerd (

Zie voor een overzicht: Sources de l'Histoire de l'Asie et de l'Océanie dans les Archives et Bibliothèques françaises II. Bibliothèque Nationale (München etc. 1981) 249-261. Een deel van de VOC-kaarten in de Bibliothèque Nationale, de getekende zeekaarten op perkament van voor 1700, is in een bibliografie behandeld: M. Dèstombes, Catalogue des cartes nautiques manuscrites sur parchemin 1300-1700. Cartes hollandaises. La cartographie de la Compagnie des Indes Orientales 1593-1743 (Saigon 1941). Recenter, maar met dezelfde beperkte opzet, is: M. Foncin, M. Dèstombes en M. de la Roncière, Catalogue des cartes nautiques sur vélin conservées au Département des Cartes et Plans (Paris 1963).

).

Behalve kaarten uit het VOC-archief zijn in het bestand van de Service Hydrographique kaarten van het VOC-octrooigebied opgenomen die afkomstig zijn uit de in 1796 geconfisqueerde archieven en verzamelingen van Stadhouder Willem V (

M. Pastoureau, 'Histoire de la Bibliothèque Nationale. Géographie et cartographie à la BN pendant la Révolution: un rendez-vous manqué', Revue de la Bibliothèque Nationale 32 (1989) 65 en 67.

). Er zijn geen gedrukte toegangen op het kaarten- en tekeningenbestand van de Service Hydrographique, dat meer dan alleen zeekaarten bevat. Een fotokopie van de inventaris van de bestanden van de Service Hydrographique is beschikbaar in de studiezaal kaarten en tekeningen van het Algemeen Rijksarchief (

Inventaire sommaires des portefeuilles du Service Hydrographique de la Marine (typoscript).

)
.

Een ander belangrijk bestand is dat van de modellen van VOC-schepen. Zij zijn bij het ministerie van marine samengevoegd met de modellen van admiraliteits- en marineschepen. Dit bestand is in het midden van de negentiende eeuw beschreven (

J.M. Obreen, Catalogus der verzameling van modellen van het Departement van Marine ('s-Gravenhage 1858).

). Door toedoen van Victor de Stuers werd het bestand integraal aan het Rijksmuseum in Amsterdam overgedragen (

De Stuers, Holland op zijn smalst, 70.

)
. De scheepstekeningen die bij het modellenbestand in het Rijksmuseum horen, worden weliswaar in het Algemeen Rijksarchief bewaard (code MTSH), maar hierin bevinden zich voor zover bekend geen tekeningen van VOC-schepen.

5. Archieven van Hulst van Keulen en van vestigingen in Indië

Hulst van Keulen

Het archief van Hulst van Keulen is te beschouwen als semi-particulier voor zover het de kaarten van het VOC-octrooigebied betreft. De firma Van Keulen was in de negentiende eeuw aan de marine verbonden (

Verhandelingen en Berigten betrekkelijk het Zeewezen 5 (Amsterdam 1845). Zie ook: W.C. Crama en A.C.J. Vermeulen, 'Van zeevaartkundig etablissement tot koffiehuis' in: Van Keulen e.a. ed., 'In de Gekroonde Lootsman', 72-83. Zij schrijven dat met de opheffing van de zaak in 1885 de zeekaarten en masse werden verkocht aan Seijffardts boekhandel. Het lijkt me dat het hier de stock betrof.

). Een groot deel van het archief is nog vóór de liquidatie in 1885 vernietigd. Frederik Muller spreekt over de grootscheepse opruiming van 'eene overweldigende menigte geteekende en gedrukte land- en zeekaarten' door de nieuwe baas (

G.D. Bom HGz., Bijdragen tot eene geschiedenis van het geslacht 'Van Keulen' (Amsterdam 1885) 23-25.

)
. Waarschijnlijk doelde hij op J. Staats Boonen, die in 1823 aan het hoofd van de zaak kwam te staan. Na de ontmanteling van het bedrijf werd het kaartenbestand geveild. Een restant van de kaarten werd waarschijnlijk opgenomen bij de kaarten van het ministerie van marine, dat nu in het Algemeen Rijksarchief berust en dat door Leupe is beschreven (

Verzameling van kaarten van het Ministerie van Marine (code MCAL).

)
.

Vestigingen in Azië en Kaap de Goede Hoop

Kaarten geproduceerd of beheerd in voormalige vestigingen van de VOC in het octrooigebied zijn in principe ter plaatse bewaard gebleven. Veel is echter verloren gegaan. De grootste kaartenverzamelingen zijn die van de VOC-administraties in Kaap de Goede Hoop en Ceylon (

Voor Zuid-Afrika: List of archivalia in South African Archives Depots (4e druk; Pretoria 1987) 66.

). In Colombo is bijvoorbeeld een belangrijk deel van de grondadministratie in geschreven en cartografische vorm bewaard gebleven (

J. van Kan, Compagniesbescheiden en aanverwante archivalia in Britsch-Indië en op Ceylon (Batavia 1931) 211 en 214; J.L. Brohier en J.H.O. Paulusz, Land, maps and surveys: descriptive catalogue of historical maps in the Surveyor General's Office II (Colombo 1951); S.A.W. Mottau, 'Archival collections for studies of the Dutch in Ceylon', Journal of the Dutch Burgher Union of Ceylon 60 (1982) 67-80.

)
.

Het belangrijkste bestand werd uiteraard in Batavia gevormd. In 1811 benoemde Th.S. Raffles een commisie die belast werd met een 'generale opname en collecte van alle archieven, officiële documenten, kaarten en plannen, behoord hebbende tot de verschillende departementen en kantoren onder het voormalige Fransche bestuur'. Deze commissie produceerde onder meer 'registers van kaarten en plans, behoord hebbende tot het Departement der Genie, onder het voormalige Fransche gouvernement' (c. 1812) (

J.A. van der Chijs, Inventaris van 's Lands Archief te Batavia, 1602-1816 (Batavia 1882) vi en 325.

). Waarschijnlijk werden in de genoemde registers vrijwel alle voorhanden kaarten en tekeningen in Batavia beschreven: Daendels had naar het voorbeeld van het Bataafse depot-generaal alle kaarten en tekeningen bij de genie bijeen doen brengen. Dezelfde Daendels gaf echter opdracht oude papieren zonder waarde te vernietigen. Dit heeft ongetwijfeld grote gevolgen voor de kaarten en tekeningen gehad.

Wat niet werd vernietigd, is door de landsarchivaris F. de Haan beschreven. In zijn catalogus, waarin ruim 1100 kaarten en tekeningen van het midden van de zeventiende tot het midden van de negentiende eeuw zijn beschreven (het aantal bladen uit de VOC-periode is veel minder dan 1100), komen geen bladen voor die gebieden buiten Indonesië betreffen (

De catalogus is gepubliceerd: Inventory of Cartographic manuscripts of the Seventeenth to the Nineteenth Century (Jakarta 1986). Zie ook: Guides to the sources of Asian History IV. Indonesia (Jakarta 1989) 49.

). Dit bestand is nu in beheer bij het Arsip Nasional in Jakarta. Een klein deel van de VOC-kaarten en -tekeningen in het Arsip Nasional is gefotografeerd en raadpleegbaar in het Algemeen Rijksarchief.

6. Aanwijzingen voor gebruik van kaarten en tekeningen in het Algemeen Rijksarchief

Kaarten en tekeningen van de VOC zijn opgenomen in collecties met de volgende lettercodes: MCAL, VEL en VELH. De catalogi van deze collecties hebben een hoofdindeling in enerzijds zeekaarten en anderzijds landkaarten en plattegronden. Deze twee hoofdrubrieken zijn geografisch onderverdeeld. In veel gevallen zal men beide rubrieken moeten raadplegen vanwege de nogal arbitraire scheiding tussen zee- en landkaarten. De catalogi zijn voorzien van indices op persoonsnamen en geografische namen. Men dient er op bedacht te zijn dat men met behulp van de index veelal minder materiaal vindt dan met de geografische indeling.

De kaarten en tekeningen in de collecties VEL en VELH zijn beschikbaar op micro-vensterkaarten. Het verdient aanbeveling eerst met behulp van vensterkaarten materiaal te raadplegen. Dit werkt sneller; men kan dan een selectie maken van datgene wat men vervolgens in origineel wil zien. Het kaartboek van Isaac de Graaff - gedurende de gehele achttiende eeuw het standaardwerk op cartografisch gebied van de Heren Zeventien - en enkele andere VOC-kaartwerken zijn in de studiezaal kaarten en tekeningen beschikbaar in de vorm van foto-atlassen of facsimile-uitgaven.

Vooral in de collectie VEL zijn veel kaarten en tekeningen beschreven, die in de negentiende eeuw verwijderd zijn uit de serie overgekomen brieven en papieren. Soms is dit in de kolom 'Aanmerkingen' van de catalogus vermeld met bijvoorbeeld 'Overgekomen, 1655'. Als men weet of aanneemt dat een tekening bij een brief of een rapport in de serie overgekomen brieven en papieren hoort, raadplege men de achterzijde van de tekening. Daarop staat vaak met de pen een herkomstverwijzing, bijvoorbeeld'Ceylon, 1722, 3e deel'. Met zo'n verwijzing kan men gemakkelijk de chronologische inhoudsopgaven van de overgekomen brieven en papieren raadplegen, en de kaart of tekening en het geschreven stuk aan elkaar koppelen.

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Bijlagen

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in