gahetNA in het Nationaal Archief

Voorcompagnieën

1.04.01
R. Bijlsma
Nationaal Archief, Den Haag
1926
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

1.04.01
Auteur: R. Bijlsma
Nationaal Archief, Den Haag
1926
CC0

Periode:

1594-1603
1594-1603

Omvang:

1,30 meter; 177 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven en gedrukte teksten. De Nederlandstalige stukken van vóór ca. 1700 zijn geschreven in het gotische cursiefschrift, met name in de oud-Hollandse klerkencursief.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

Bevat resoluties, brieven, stukken betreffende schepen en expedities.

Archiefvormers:

  • Compagnie van Verre (Amsterdam), 1594; Oude Oost-Indische Compagnie en Eerste Verenigde Compagnie op Oost-Indië (Amsterdam), 1598-1601; Nieuwe Brabantse Compagnie (Amsterdam), 1599-1601; Compagnie op Oost-Indië (Middelburg), 1601-1602; Compagnie op Oost-Indië (Delft).

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

  • De compagnie op Oost-Indië, gevestigd te Middelburg, die in het jaar 1600 haar werkzaamheid aanving, was gevormd door de samenwerking van deelnemers in de beide Compagnieën, die reeds in het jaar 1598 van uit Zeelandnaar Oost-Indië hadden uitgereed. Onder den naam van "Vereenigde Zeeuwsche Compagnie" staat deze maatschap van 1600 in de nieuwe historische literatuur bekend. In de bescheiden uit de beginjaren der 17de eeuw wordt zij verschillend aangeduid; blijkens de verslagen van de reis, door de Bewindhebberen aan de Staten-Generaal uitgebracht, is nu eens sprake van de "Compagnie van Zeeland handelend op Oost-Indiën" dan weder van de "Compagnie op oost-Indiën in Middelburgh". (

    Zie de verbalen, gedrukt bij: De Jonge, Opkomst II, p. 484, p. 491.

    )

    Bij De Jonge, Opkomst I, p. 119, is eene opgave te vinden van de 16 Bewindhebbers der Compagnie; deze opgave is overgenomen van eene lijst voor in het Resolutieregister; blijkens het handschrift van deze lijst zijn de laatste twee namen later bijgevoegd. (

    In de opgave, gedrukt bij: De Jonge, Opkomst I, p. 119, moet de naam Everard van Schoonhoven gewijzigd worden in Gherart van S.

    ) Deze toevoeging moet geschied zijn na begin April 1601, daar eene opgave van Bewindhebbers op een stuk van 9 April 1601 (hierna nog te vermelden) de namen der 14 oorspronkelijk op de lijst voorkomend Bewindhebbers bevat.

    Het bewaarde register vangt aan met de resolutiën van einde Maart 1601; de vier door de Compagnie uitgereede schepen Zeeland, Middelburg, Langhebercque en het jacht de Zon waren toen reeds enkele weken in zee. Betreffende deze voyage zijn geen losse stukken, behoorend tot het archief der Compagnie te Middelburg, bewaard gebleven. Wel berusten in het archief ter Kamer Amsterdam van de Vereenigde O.I. Compagnie enkele stukken, die op de voyage betrekking hebben en die hier ter plaatse vermeld mogen worden, daar zij buiten het kader van dezen inventaris vallen, namelijk: Copie-missive van de facteurs der Compagnie van Zeeland te Atchin aan Bewindhebberen te Middelburg 1602 November 18, met als bijlagen: Copie-missive van de facteurs te Guseratte aan de facteurs te Atchin 1602 April 20, een tweede afschrift dezer missive, en copie-missive van de facteurs te Atchin aan admiraal Jacob van Neck te Patani 1602 September 3. (

    De copie-missieve uit Guseratte van 20 April 1602 is gedrukt bij: De Jonge, Opkomst II, p. 495.

    )

    Nog bezit het Algemeen Rijksarchief een document aangaande deze voyage, dat hoogstwaarschijnlijk eveneens met de overbrenging van het zoogenaamd Koloniaal archief van Amsterdam naar 's-Gravenhage in 1856 op het Rijksarchief is terecht gekomen. Dit document is de brief, door Prins Maurits geschreven aan den koning van Atchin d.d. 11 December 1600 en medegegeven aan de vier schepen. (

    De brief, in Spaanschen text geschreven, is in fac-simile uitgegeven bij: J.E. Banck, Atchin's Verheffing en Val (1873), alwaar ook eene vertaling gegeven wordt. Deze vertaling is overgenomen uit: J.J.F. Wap, Het Gezantschap van den Sultan van Achin 1602 aan Prins Maurits (1862). De op den brief aangebrachte tjap van den koning van Atchin is in fac-simile gepubliceerd bij G.P. Rouffaer, De Hindostansche Oorsprong van het "Negenvoudig" Sultanszegel van Atjeh (Bijdragen Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederl.-Indië, deel 59 (1906)).

    Het Algemeen Rijksarchief bezit bovendien een afzonderlijk fac-simile van den brief, in 1873 aan die instelling aangeboden door de firma Smulders en opgenomen in de verzameling Koloniale Aanwinsten onder n°. 138 B.

    ) Het bescheid is naar Nederland terug gekomen, doordat het medegenomen is door de gezanten van den koning van Atchin, die met de terugkeerende schepen Zeeland en Langhebercque naar Prins Maurits zijn afgevaardigd geworden. Zulks vinden wij geconstateerd door Emanuel van Meteren in diens Nederlandsche Historieën, die mededeelt, dat de hoofdgezant aan Prins Maurits wederom leverde de eigen brieven, welke de Prins aan zijn Koning met de vier Zeeuwsche schepen gezonden had en die met 's Konings tjap of zegel waren geteekend.

    Het document draagt geen merkteeken eener administratie en is op geen inventaris ten Rijksarchieve vermeld. Aannemelijk is het nu, dat de brief is komen te berusten ter Stadhouderlijke Secretarie. Aan het Koloniaal archief te Amsterdam zal het stuk zijn overgedragen zijn, nadat de stukken der Stadhouderlijke Secretarie betreffende koloniale zaken door den Koning in 1828 aan dit archief waren toegewezen. Met het Koloniaal archief moet het dan vervolgens in 1856 naar het Rijksarchief zijn gekomen: blijkens aantekeeningen in dr. Wap's Gezantschap (1862) en De Jonge's Opkomst (1864) is het op die instelling kort daarna geraadpleegd.

    Vervolgens maken wij hier medling van een uit particulier bezit door het Rijksarchief verkregen document betreffende de voyage, dat buiten deze inventarisatie valt, namelijk den commissiebrief, gegeven door Prins Maurits aan Nicolaes Anthonisz. als kapitein van het schip Langhebercque, door Bewindhebberen van de Compagnie op Oost-Indië, kooplieden en burgers te Middelburg, te equipeeren naar Oost-Indië, 1600 December 13 (met uithangend zegel van den Prins). (

    Dit stuk is als Aanwinst 1888, n°. 13b, verworven door schenking van mr. C.P. Pahud de Mortanges. In de lijst van aanwinsten, opgenomen in het gedrukte Jaarverslag van het Rijksarchief te 's-Gravenhage, is foutief Hendrick Anthonisz. als kapitein vermeld.

    )

    In het jaar 1862 is het Rijksarchief door aankoop uit de verzameling Van Maanen (veiling Martinus Nijhoff) in het bezit gekomen van het volgende stuk: Copie der voorwaarden van inbreng in de Compagnie van Adriaen Tenhaeff c.s. tot eene derde reis op Oost-Indië. 1600 April 9, met aanteekening van den inbreng van Frans van Limborch Schinck te Amsterdam. 1601 September 29. (

    Opgenomen in de verzameling Koloniale Aanwinsten onder 212*.

    )

    Tegelijk met dit stuk werd aangekocht een concept van den artikelbrief van Prins Maurits voor de twee schepen varend onder Laurens Bicker naar Rio de la Plata (1598 Augustus). De herkomst dezer stukken wordt verduidelijkt door een document, hetwelk voor het Rijksarchief in 1893 verworven werd (door aankoop van de firma Martinus Nijhoff), namelijk de klad-artikelbrief voor de twee schepen naar Rio de la Plata, die opgesteld was door gebruik te maken van een afschrift-artikelbrief voor acht schepen, varend onder admiraal Jacob van Neck naar oost-Indië voor de Oude Compagnie op oost-Indië te Amsterdam. 1598 Maart 7. Aannemelijk schijnt het nu, dat al deze stukken behoord hebben tot ééne verzameling, hoogstwaarschijnlijk van een Amsterdamschen bewindhebber, die zoowel bij de Oude Compagnie op Oost-Indië te Amsterdam als bij de uitreeding der schepen onder Laurens Bicker betrokken was: het zou dan diens broeder Gerrit Bicker kunnen zijn, aan wien de in 1862 en 1893 verkregen stukken eertijds behoord hebben. (

    Zie betreffende Gerrit Bicker en de uitreeding naar Rio de la Plata: J.W. IJzerman, Journaal van de Reis naar Zuid-Amerika 1598-1601 door Hendrik Ottsen (Werken uitgegeven door de Linschoten Vereeniging XVI).

    )

    Het resolutieregister van Bewindhebberen der Compagnie op Oost-Indië te Middelburg, waarvan de beschrijving thans volgt in den Inventaris, is na Maart 1602 voortgezet, nadat deze functionarissen Bewindhebber van de Kamer Zeeland der vereenigde O.I. Compagnie waren geworden. Het archief dezer kamer is in het jaar 1851 overgebracht van Middelburg naar het Koloniaal Archief te Amsterdam en vandaar later mede overgegaan aan het Rijksarchief te 's-Gravenhage. (

    Betreffende de overbrenging uit Middelburg komt eene aanteekening voor, die bijgevoegd is in het exemplaar van den Inventaris van het Koloniaal archief te Amsterdam door P.L. de Munnick, dat in 1829 aan den Minister van Koloniën is toegezonden en behoort bij diens verbaal van 24 December 1829, n°. 104.

    )

  • Blijkens het resolutieregister van Bewindhebberen werd de Compagnie, te Delft in 1601 opgericht, aangeduid als "De oost-Indische Compagnie te Delft". De het eerst ingeschreven resolutie (van 10 October 1601) maakt melding van het equipeeren van het schip de Haey; het is evenwel niet tot eene zelfstandige uitreeding gekomen, daar het Delftsche schip onder den naam van "de Eendracht" (schipper Adriaen Cornelisz. Haey) opgenomen werd in de voyage der 14 schepen voor rekening der Vereenigde O.I. Compagnie.

    Het bewaard gebleven resolutieregister staat vermeld op den Inventaris der stukken van het kantoor der voormalige O.I. Compagnie te Delft, in 1807 overgenomen door het kantoor Rotterdam p. 37.

    Het register is geraadpleegd door mr. J.A. van der Chijs voor de samenstelling van zijn in 1856 verschenen Geschiedenis der stichting van de Vereenigde O.I. Compagnie; blijkens eene aanteekening op p. 83 berustte het deel destijds op het Indische archief, d.w.z. het Koloniaal archief te Amsterdam (waarheen de archieven van de Kamers Rotterdam en Delft der vereenigde O.I. Compagnie niet zijn overgebracht geweest).

    Uit de mededeelingen bij De Jonge, Opkomst I, p. 129, blijkt, dat het Delftsche register met het Koloniaal archief van Amsterdam naar het Rijksarchief te 's-Gravenhage moet zijn gekomen.

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in