gahetNA in het Nationaal Archief

Levantse Handel

1.03.01
A.H.H. van der Burgh
Nationaal Archief, Den Haag
1882
cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok:

1.03.01
Auteur: A.H.H. van der Burgh
Nationaal Archief, Den Haag
1882
CC0

Periode:

1614-1828
merendeel 1625-1826

Omvang:

37,50 meter; 322 inventarisnummers.

Taal van het archiefmateriaal:

Het merendeel der stukken is in het Nederlands.

Soort archiefmateriaal:

Normale geschreven en gedrukte documenten. De stukken van vòòr ca. 1700 zijn geschreven in het gotische cursiefschrift, met name in de oud-Hollandse klerkencursief.

Archiefbewaarplaats:

Nationaal Archief, Den Haag

Samenvatting van de inhoud van het archief:

De "Directie van de Levantse Handel en van de Navigatie op de Middellandse Zee" was een federatie van lokale colleges die gelden inden voor de uitrusting van extra oorlogsschepen ter beveiliging van de Nederlandse scheepvaart op het Middelandse Zeegebied. Daarnaast adviseerde ze de Staten-Generaal over zaken betreffende de handel in deze regio. Het archief bevat correspondentie (resoluties, brieven, nominaties en plakkaten) van de vier kantoren te Amsterdam, Hoorn, Rotterdam en Middelburg tussen 1625-1826. Tevens omvat het brieven van de vertegenwoordigers te Constantinopel, van de consuls en andere ambtenaren in de Levant en langs de Middellandse Zee. Verder zijn er financiële gegevens over de inning van lastgelden en wegens diverse uitgaven.

Archiefvormers:

  • Directie van de Levantse Handel te Hoorn
  • Directie van de Levantse Handel te Middelburg
  • Directie van de Levantse Handel te Rotterdam
  • Directie van de Levantse Handel te Amsterdam

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

1. Aantekeningen over de vestiging en inrichting der Consulaten in de Levant en langs de Middellandse Zee
Constantinopel

Geruime tijd vóór de oprichting van de Directie van de Levantse handel waren er in de Levant en aan de Middellandse Zee consulaten gevestigd.

De eerste stap daartoe deden de Staten-Generaal in 1604 (Res. 16 Oct.) toen zij een missive richtten aan de Sultan van Turkije, waarin zij mededeling deden van de langdurige oorlog tussen deze landen en de Koning van Spanje en het huis van Oostenrijk gevoerd, de vijanden tevens van Zijne Majesteit, dat zij vele Turkse onderdanen door hun overwinningen op de Spanjaarden verlost hadden en naar hun vaderland hadden teruggezonden, dat zij alzo, vermits zij een gemene vijand hadden, van Z.M. verzochten om aan de ingezetenen van deze landen de vrije handel op Syrië en in de andere landen van zijn gehied te willen toestaan, gelijk zij hetzelfde aan de Turkse onderdanen waarborgden.

Deze poging bleef aanvankelijk zonder succes. In het jaar 1610 echter ontving de Prins een gunstig antwoord van de Groot-Vizier, waarbij op enige voorwaarden de vrije handel op Turkije werd toegestaan. (zie R. 25 Oct. en 22 Nov. 1610).

De Staten-Generaal besloten de 24ste December van hetzelfde jaar iemand naar Constantinopel te zenden ten einde zich hierover te informeren, terwijl Doctor Cornelis Haga daartoe werd aangewezen. Na het horen van diens rapport zou men beslissen of men een ambassadeur of een agent zou zenden om aldaar te resideren en een consulaatschap op te richten.

De beweegreden tot het aanbieden van deze vriendschap door de Groot-Vizier wordt door Haga in een missive van 6 Juli 1612 opgegeven deze te zijn, dat de Kapitein Bassa meende daardoor grote afbreuk aan de Koning van Spanje te kunnen doen, die de Sultan als zijn grootste vijand beschouwde.

Na het inwinnen van verschillende adviezen o.a. van de Compagnie op de Levant en van de voornaamste kooplieden te Amsterdam werd bij R. 25 Juli 1611 het besluit van 24 Dec. 1610 in dier voege gewijzigd, dat men iemand met een gevolg van vier personen naar Constontinopel zou zenden, om van de Grote Heer de loslating van de Nederlanders te verkrijgen, die in Algiers, Tunis en andere kwartieren van Turkije gevangen zaten, en dat wel uit erkentelijkheid dat de Staten na de verovering van Sluis in 1604 de Turkse onderzaten bevrijd, op hun kosten gekleed en ondersteund en zonder rantsoen te eisen naar hun land teruggezonden hadden. Tevens zou die gezant moeten nagaan of de onderdanen van deze landen vrije handel in de Levant konden verkrijgen en op dezelfde voet toegelaten worden als eertijds de Fransen, Engelsen en Venetianen, zonder te moeten handel drijven onder andere vlag, dan hun eigen!

In de vergadering van 7 Sept. 1611 nam Haga afscheid van H.H.M. en vertrok daarop in gezelschap o.a. van Cornelis Pauw, later consul te Aleppo en van Lamberto Verhaer, een goudsmid en later consul te Tunis, met zich nemende als geschenk voor de Sultan enige rariteiten van deze landen welke te Amsterdam en te Haarlem voor 3000 gulden waren gekocht (R. 23 Aug. en 3 Sept. 1611), benevens brieven aan de Sultan en aan de Kapitein Bassa, in de Latijnse taal gesteld, Haga was reeds de 12de Oct. te Wenen en de 18de Dec. op het eiland Zante, doch kwam eerst de 17de Maart 1612 te Constantinopel aan. Groot was de tegenwerking, die hij aldaar ondervond, zowel van de zijde van de ambassadeurs als zelfs van enige Hollanders, voornamelijk van de gebroeders Ghisberti, die geen kosten ontzagen om zijn zending te doen mislukken. Desniettegenstaande slaagde hij zeer spoedig. De 1ste Mei kreeg hij audiëntie bij de Sultan waarbij hij, volgens zijn eigen brieven, met groter eer ontvangen werd, dan ooit tevoren aan enig afgezant bewezen was, waarna reeds de 1ste Juli 1612 de capitalatie gesloten werd. Zij hield in: dat de Nederlandse slaven in alle delen van Turkije ook zij die vóór het maken van de vrede genomen waren, zouden vrijgelaten worden; dat de Nederlanders voortaan onder vrije vlag zouden mogen handeldrijven; dat doctor Haga als ambassadeur aan het Keizerlijk Hof zou blijven en in alle provinciën en schalen van het Rijk Consuls zou mogen aanstellen: in het algemeen werden dezelfde gunsten en privilegiën als vroeger toegestaan aan Frankrijk en Engeland. Art. 10 bepaalde: alle rechtszaken en differentiën tussen Nederlanders rijzende zullen door de Ambassadeur en zijn consuls volgens Nederlandse wetten en costumen geoordeeld worden; zonder dat de rechters of gouverneurs van het Turkse Rijk zich daarmede zullen mogen bemoeien. Art. 17 bepaalde nog, dat de kooplieden voor inen uitvoerrechten 3% zullen moeten betalen. (Zie verder deze capitulatie bij Dumont Corps diplom. tome 5 p.208199 en Kluit Hist. Feder. p. 1 p. 332099)

(In 1634, 1681 werd een nieuwe Capitulatie gesloten (Plakaatboek Lev.H. deel I nr. 58).

Ofschoon hiermede de zending van Haga volbracht was, keerde hij nog niet naar het vaderland terug, zo wel op verlangen van de Sultan, als ook uit vrees dat na zijn vertrek de pasgesloten vriendschap door de machinatiën der vijanden zou verbroken worden. Hij bleef er ruim 27 jaren en verliet Constantinopel in Mei 1639.

Aleppo.

Een onmiddellijk gevolg van het sluiten der capitulatie was dat de Nederlandse kooplieden, die sedert 10 à 12 jaren handel dreven op Aleppo, eerst onder Franse, vervolgens onder Engelse en in 1612 gedeeltelijk onder Franse en gedeeltelijk onder Engelse protectie, deze nu verloren en geen protectie genoten. Dientengevolge wendden zij zich de 26 Oct. 1612 bij request tot de Staten-Generaal met verzoek, dat een bekwaam persoon tot consul mocht worden aangesteld, daartoe aanbevelend Cornelis Pauw zoon van de Burgemeester van Amsterdam Reijnier Pauw. Hieraan werd voldaan en Pauw benoemd tot consul te Aleppo en omliggende plaatsen. Bij zijn instructie werd voorgeschreven, dat hij van de goederen uit deze gewesten komende of daarheen gaande niet meer mocht vorderen dan het minste, dat door enige consul aldaar van gelijke goederen gevorderd werd, dat hij daaruit alle onkosten en traktementen moest voldoen, van de ontvangsten rekening en verantwoording afleggen, enz. (Consulaatrechten). Zie verder R. 8 Dec. 1612.

Pauw legde de 1ste Mei 1613 te Constantinopel de eed af in handen van de Orateur en vertrok 28 Aug. naar Aleppo.

Na het sluiten der capitulatie stelde Haga consuls of vice-consuls aan te Cyprus, Smirna en Scio (Chios). Evenwel was onze handel op de Levant aanvankelijk zeer gering en heeft deze zich eerst later sterk uitgebreid. Haga schrijft de 19de December 1613, dat er in dat jaar slechts drie schepen met weinig goederen te Aleppo zijn aangekomen, zo ook de 3de April 1614, dat in dit jaar nog slechts twee kleine schepen met halve lading te Constantinopel gekomen zijn. De handel te Aleppo was grotendeels in handen van de Fransen, die te Constantinopel en omstreken in handen van de Engelsen. De negotie der Fransen op Aleppo was zeer belangrijk en wel 3 à 4 maal zo groot als de onze (zie miss. Haga 2 Sept./4 Nov. 1615).

Over de oorsprong der schaal van Aleppo meldt Haga de 2de Mei 1615 o.a. het volgende: In vroeger tijden, toen de Engelse en Nederlandse naties in de Levant nog onbekend waren, was de voornaamste schaal in Beiroet, terwijl de handel grotendeels in specerijen bestond. Langzamerhand is men begonnen de negotie op Tripoli (Syrië) te voeren, vanwaar de goederen naar Aleppo gebracht werden en omgekeerd. De Franse kooplieden dreven voornamelijk handel in zijde, daarna kwamen de Engelsen, wier handel vooral inwollen lakenen bestond. De Nederlanders volgden eerst later en kwamen onder protectie van de Franse ambassadeurs.

Door de grote zeevaart op Indië werd de handel in specerijen in de Levant tot niets gebracht en namen daarentegen de negotiën in zijde door de toenemende weelde in het Christenrijk zeer in omvang toe, zodat de Fransen hun schepen bijna alleen met dit artikel belastten, en inplaats daarvan geen koopwaren, maar slechts contanten invoerden. Ook de Nederlandse natie dreef gelijke handel en voerde nog geen koopwaren in (zie verder hierover deze en volgende missieven van Haga aan de Staten-Generaal, alsmede de R. van 2 Februari 1626 en het advies van Directeuren van de Levantse Handel).

Bij R. 16 Mei 1614 werden de traktementen voor de Orateur Haga en de consul Pauw geregeld. Aan de eerste werd een jaarlijks traktement van 12000 ponden van 40 groten het stuk toegezegd, die hem uit de inkomsten der Convooien en Licenten zouden worden betaald, daarenboven nog de inkomsten van de Consulaten van Constantinopel, Cyprus, Smirna en Chios en andere plaatsen daaromtrent, onder gehoudendheid daaruit zich zelven zijn substituten, dienaren en huisgezin te onderhouden, de buitengewone en gewone presenten te betalen, in één woord daarmede alle onkosten van de ambassade te bestrijden.

Pauw, de consul te Aleppo (waaronder ook begrepen waren Tripoli, Alexandrette of Scandrona, Damascus en andere plaatsen daaromtrent) ontving het inkomen van die consulaten, waarmede hij zich zelven, zijn substituten, dienaren en huisgezin onderhouden en de ordinaris geschenken en alle andere onkosten ten dienste van het land zou moeten betalen. Verder werd hem een verering voor eens van 1200 Carolus guldens toegezegd. De extraordinaris onkosten zouden over de kooplieden worden omgeslagen, terwijl de consul na vier jaren dienst een nauwkeurige staat van de inkomsten van dat Consulaat zou moeten overleggen.

Smirna.

Te Smirna was door Haga een Venetiaan tot consul aangesteld, na deze een Griek, met name Duca di Giovanni, die ook door de opvolgers van Haga in die betrekking bevestigd werd. In 1653 echter kwamen er bij de Staten-Generaal klachten van de kooplieden in over deze consul en verzochten zij dat een Nederlander met die betrekking bekleed mocht worden. Aan dit verzoek werd voldaan bij Res. van 8 Januari 1657; ingevolge de capitulatie, welke de benoeming van consuls aan de Orateur te Constantinopel opgedragen had, werd de consul te Smirna niet direct door de Staten-Generaal aangesteld, maar werd aan de Resident Warnerus de persoon van Michiel du Mortier aanbevolen, om provisioneel voor 3 jaren tot consul aldaar benoemd te worden. Die resolutie bepaalde verder, dat de consul zich in alles zou hebben te reguleren naar de orders en bevelen van de gemelde Resident, dat hij niet meer mocht heffen dan 1% op de goederen van de Nederlandse kooplieden aldaar handel drijvende, en dat van deze 1% de Resident en de consul zelf ieder zoveel zouden genieten, als vroeger tussen de Resident en Duca di Giovanni overeengekomen was, terwijl Mortier des Residents portie zonder enige aftrek aan deze zou moeten voldoen. Op dezelfde wijze werd naderhand de consul G. Smits aangesteld, Na deze evenwel werd de genoemde bepaling der capitulatie niet meer stipt gevolgd, maar ontvingen de latere consuls hun commissie onmiddellijk van de Staten-Generaal, ofschoon zij steeds ondergeschikt bleven aan de Resident of Ambassadeur te Constantinopel, gelijk zulks ook her geval was met alle andere consuls in de Levant. (Consulaatrechten 1%). Nog eens werd de oude wijze van aanstelling gevolgd in 1759, als wanneer D.J. de Hochepied door de ambassadeur benoemd werd krachtens Resolutie van de Staten-Generaal.

Terwijl in het begin Aleppo de voornaamste schaal in de Levant genoemd kan worden, verminderde dit, althans wat de Nederlandse handel betreft, van lieverlede en vergenoegde men zich reeds in 1680 de belangen der Nederlandse kooplieden aan de Franse consul toe te vertrouwen. Daarna werd weer een Nederlander met die functie bekleed, doch na hem werd wederom het Nederlands consulaat aan drie opvolgende Engelse consuls toevertrouwd, omdat de inkomsten niet voldoende waren om de kosten van een eigen consulaat te bestrijden. Hoewel, sedert 1728 geregeld op één uitzondering na een Nederlander die betrekking vervulde, had de handel toch niet meer die betekenis, welke hij vroeger had.

Daarentegen verhief zich Smirna langzamerhand tot de voornaamste schaal van de gehele Levant, waartoe wat Nederland aangaat, de uitstekende vertegenwoordiging door de vier consuls uit het geslacht De Hochepied van 1688 tot 1824 zeer veel heeft bijgedragen.

Salonica.

In 1684 werd door de Ambassadeur Jacobus Colijer ook een consul te Salonica aangesteld, welke benoeming echter evenmin als die van de volgende consul door de Staten-Generaal geapprobeerd werd. Wel benoemden de Staten-Generaal in 1739 aldaar een consul zo ook in 1746 en 1754, doch het consulaat bleef van zo weinig belang, dat er sinds 1785 slechts een vice-consul door de ambassadeur benoemd, aldaar gevestig was.

Egypte.

In Egypte was de Nederlandse Natie in de 17e eeuw slechts bij tussenpozen door een consul vertegenwoordigd, a.a. 1633-1634 en 1663-1671; toch schrijft de ambassadeur Calkoen in 1733 bij de vermelding van de aanstelling van een consul dat de handel aldaar voor de Hollandse ingezetenen vroeger zeer voordelig was geweest. (Zie de verdere bijzonderheden van dit consulaat in de hierachter volgende lijst van consuls).

Barbarijse Staten.

De geschiedenis der consulaten in Tripoli, Tunis, Algiers en Marocco sedert her begin der 17e eeuw wordt, gelijk bekend is, gevormd door een aaneenschakeling van onderhandelingen, vredestraktaten en oorlogsverklaringen; steeds moesten de traktaten van vrede door machtsvertoon en presenten verkregen en onderhouden worden, steeds werden zij weder geschonden en moest men opnieuw tot het zenden van eskaders zijn toevlucht nemen. De minst trouweloze van deze statuten waren Tripoli en Tunis, die althans sedert 1712 onafgebroken de vrede bewaard hebben, hoewel ten koste van jaarlijkse presenten van onze zijde. Daarentegen waren onze betrekkingen met Marocco die van het jaar 1605 dagtekende, gedurende de 17e eeuw van bevredigende aard, terwijl zij eerst sedert 1715 tegevolge van de vele roverijen werden afgebroken, totdat na het sluiten van de vrede in 1752 de goede verstandhouding weder hersteld werd.

Het doel van de aanknoping dier betrekkingen en het vestigen dier consulaten was niet zo zeer het bevorderen van de handel op die Staten, die van geringe betekenis schijnt gebleven te zijn, als wel de vrijmaking van de door de Barbarijse rovers gevangen genomen Nederlanders en het beschermen der scheepvaart in de Middellandse Zee en naar de Levant. Instructie voor de consuls in Barbarije d.d. 1786 (zie verderop).

Italië en Spanje.

Ook in Italië waren of werden gedurende het twaalfjarig bestand consuls gevestigd n.l. te Genua, Livorno en Venetië, zo ook op het eiland Zante en te Lissabon. In andere steden van Italië evenals in Spanje geschiedde dit eerst na het sluiten van de vrede van Munster, bij R. van 28 Mei 1648 werden consuls benoemd te Napels, Cadix, Sevilla Malaga, Alicante en Messina, doch bepaald dat hun commissie niet zou worden uitgereikt, vóórdat de vrede hier te lande zou zijn gepubliceerd. Kort daarna werden nog consuls aangesteld te St. Sebastiaan en te Cagliari, in 1649 op de Canarische eilanden, in 1653 te Barcelona, in 1656 te Vigos, in 1711 te Gribraltar, in 1775 te Santander, en eindelijk in 1787 ook een chargé des Affaires de Commerce te Madrid.

In 1758 nam men de proef met de vestiging van een consulaat-Generaal te Rome, hetwelk echter niet aan de verwachtingen beantwoordde en na de dood van de titularis in 1766 weder werd opgeheven.

Frankrijk.

In Frankrijk was o.a. een Hollandse consul gevestigd te Toulon, later werd zijn commissie uitgebreid tot geheel de Provence, o.a. ook tot Marseille en Hyèrss. In 1651 werd een consulaat te Nice opgericht, in 1776 een te Cette. Ook elders in steden en havens niet aan de Middellandse zee gelegen waren Hollandse consuls aangesteld. o.a. omstreeks 1624 in Bayonne, in 1653 Havre de Grace en La Rochelle enz. In 1774 kregen deze consuls de naam van Commissarissen der marine; eerst sinds dat jaar stonden zij (behalve die langs de Middellandse zee) in betrekking tot en in correspondentie met de Directeur van de Levantse handel. Na 1813 voeren zij weer de titel van consul.

Reglementen voor de consuls in het Ottomaanse Rijk

Reglement van 24 Juli 1658.

Naar aanleiding van ernstige geschillen die vóór 1658 tussen de consul te Smirna en de Nederlandse natie aldaar ontstaan waren, werd door de Staten-Generaal bij R. 24 Juli 1658 een Reglement vastgesteld van de volgende inhoud.

1. de presenten aan de Turkse ambtenaren zullen door de consul worden bekostigd, zonder daarvan iets ten laste van de natie te mogen brengen, waartegenover hij boven het consulaatrecht van 1% nog 1/8% over alle in- en uitgaande goederen zal mogen heffen. (Ambassade- en Consulaatrechten 1 1/8 %).

2. de schippers zijn verplicht een manifest der in- of uitgaande lading aan de consul over te leggen, op straffe van het drievoud van die te betalen.

3. de consul zal een driemaandelijkse staat van ontvangen consulaatrechten aan de Resident te Constantinopel moeten overzenden met copie der manifesten en hem zijn aandeel daarin voldoen, zonder enige distractie.

4. betreffende de judicature "de consul zal in zaken van gewicht en merkelijke importantie niet vermogen te ordonneren, veel min te sententiëren, dan met kennis en ten overstaan van drie van de notabelste, gequalificeersten en bescheidenste kooplieden van de Nederlandse natiezijnde buiten interesse bij de consul zelf daartoe te kiezen en in kas bevonden mocht worden, dat de gehele Nederlandse natie aldaar in de zake questieus ware geïnteresseerd, zal in zodanig geval de consul gehouden wezen tot hem te assumeren, drie van de gequalificeerste uit de andere Christen-naties aldaar.

Bij R. van 27 Februari 1660 werd bepaald, dat van de 1 1/8 % consulaatrechten die te Smirna van de inkomende en uitgaande koopmanschappen en contanten krachtens R. van 8 Januari 1657 en 24 Juli 1658 geheven werden, de consul 6/8 aan de Resident zou moeten uitkeren en de overige 3/8 voor zich zou mogen behouden.

De consul Smits werd in 1660 op dezelfde condities aangesteld; ingevolge een daartoe ingediend request van kooplieden op de Levant handelend werd bij R. 4 Juni 1661 aan deconsul te Smirna voor consulaatrecht 1½% over in- en uitgaande goederen toegelegd, gelijk bevorens aan de Resident Warnerus toegestaan was. Hieruit moest hij alle onkosten en ook het traktement van de predikant betalen. R. 8 Maart 1668. (Consulaatrechten 1½%).

Krachtens R. 3 November 1662 werd de consuls nog nader aangeschreven zich te onthouden van zich in te dringen tot onverzochte kennisneming van verkopingen of bevrachtingen van schepen buiten 's lands of daartoe te solliciteren of abtineren orders van de gouverneurs ter plaatse hunner residentie, waarover reeds vele klachten waren ingekomen, zich tevreden te stellen met hun ordinaris salaris en voor buitengewone werkzaamheden zich in alle redelijkheid laten contenteren, zonder exactiën te plegen, geconsidereerd zij consuls, buiten dat, meer tot last en bezwaarnisse, als protectie en dienst van de negotie buiten 's lands zouden strekken.

Ten gevolge van de grote avanie ontstonden door het nemen van het Hollandse schip de Keizer Octavianus en welke kosten voorlopig door de gezamenlijke Hollandse kooplieden te Smirna, Aleppo en Tripoli di Soria betaald waren, werden de Directeuren van de Levantse handel bij R. 1 December 1663 gemachtigd een som van 200,000 gulden ter aflossing dier schuld op te nemen en werd hun, tot rentebetaling en aflossing dier lening, toegestaan een recht van 1% voor uitgaande en 1% voor inkomende goederen en waren onder Hollandse vlag (uitgezonderd schepen en contanten) te heffen, die in de Levant onder Nederlandse vlag aankwamen of van daar verzonden werden te innen door de consul en vijf gecommitteerden uit de Nederlandse natie te Smirna en door de consul en drie uit de Nederlandse natie te Aleppo (waaronder mede de schaal van Tripoli di Soria, St. Jean d'Arce, Cyprus en Palestina) en door deze aan de Directie te verantwoorden. Deze heffing zou zo lang duren totdat het kapitaal geheel zou zijn afgelost. Bij R. 1 Februari 1666 werd evenwel deze heffing reeds afgeschaft en vervangen door een inkomend recht van 1% op alle bier te lande inkomende Levantse waren. (Consulaatrechten Tansa van 1% te Smirna en Aleppo). Sedert 1672 waren er geschillen gerezen tussen de consul van Dam en de Nederlandse natie te Smirna, waarover bij de Staten van Holland en de Staten-Generaal verschillende klachten ingekomen waren. Op voorstel van Holland werd daarom bij R. 7 October 1675 een nieuw Reglement vastgesteld voor de Resident te Constantinopel, de consul te Smirna en de Nederlandse natie in de Levant residerende.

Reglement van 7 October 1675

Ten aanzien van de Resident werd bepaald, dat hij van de Staat zou genieten, behalve de f.750 wisselgelden f. 1250 voor de Trucheman, zoals hem altijd toegelegd is, een som van f. 7500, daarenboven uit en tot laste van de commercie zal ontvangen f. 12.500 hiervoor was hij gehouden om alle onkosten te betalen logement en tafel te verschaffen aan de predikant, zoveel Janitsaren en Dragomans te onderhouden als nodig is, aan de predikant f. 600 traktement te betalen, aan de secretaris f. 1000, waarvoor deze tevens het thesauriersambt zou moeten bedienen. Ten laste van de commercie blijven de gewone presenten; omtrent buitengewone presenten zou de Resident zich moeten beraden met de consul en drie leden der Nederlandse natie te Smirna.

De consul te Smirna zal jaarlijks uit de commercie f. 10.000 genieten, daarvoor huisvesting en vrije tafel geven aan de predikant en een geschikte plaats tot godsdienstoefening. Voorts zullen de dragomans, Janitsaren, Thesaurier en kanselier mitsgaders de gage van de predikant en alle presenten gedragen en betaald worden uit te gemene kas van de commercie.

Tevens worden Directeuren van de Levantse handel geautoriseerd om tot de heffing en ontvang van de ambassade-en consulaatrechten te committeren een thesaurier en drie van de gekwalificeerste der natie te Smirna (Assessores), om de manifesten en rekeningen na te zien, de ambassade- en consulaatrechten te ontvangen, de salarissen en presenten te betalen en daarvan ieder half jaar een rekening aan de Directeuren over te zenden. Verder een recht van ¾% op de contanten ingevoerd. In geval van buitengewone voorvallen of presenten zal de consul de gehele natie tot gemeen overleg daarover moeten doen vergaderen. Ampliatie van art. 10 van dit reglement, formulier van eed voor de Nederlandse natie, Res. 30 Juli 1692.

Latere wijzigingen

Een tijdelijke vermindering der consulaatrechten tot 1% werd wegens het verval van de handel o.a. in 1688 toegestaan. (Zie hierover R. St. Gen. 2 Juni 1687 en 22 Januari 1688, R. Dir. Lev. H. 10 Augustus 1689 en missiven van de Directie d.d. 12 en 25 Mei 1690 aan Smirna). (Consulaatrechten 1%).

Bij R. van 30 Juli 1692 werden de consulaatrechten te Constantinopel en te Smirna wederom verhoogd en gebracht op 4% d.i. 2% op de inkomende en 2% op de uitgaande goederen en voorts voor de contanten van ¾% op 1%. Tijdelijk vermindering tot 1% in 1700, doch in 1701 op de oude voet van 2% hersteld. Sedert is dit bedrag van 2% steeds gehandhaafd en zelfs nog bij de wetten van 11 Juli 1814 (Sb.80) en 19 December 1817 (Sb.34).

Die van Aleppo hadden tot 1683 geweigerd om de consulaatrechten volgens het regl. 1675 te voldoen, doch hadden slechts een tantum betaald. (Consulaatrechten 2%).

Voor de schaal van Aleppo werd een speciale regeling tot stand gebracht bij R. van 25 Juni 1695, waarbij bepaald werd, dat de rechten te Aleppo en de kusten van Sirië zodanig en op dezelfde voet zullen worden geheven als te Constantinopel en Smirna, n.1. verhoogd van 1 1/8 % tot 1½% op de inkomende en dito op de uitgaande goederen, en ¾% op de contanten, boven en behalve de ½% op in- en uitgaande goederen en ¼% op contanten, welke reeds waren toegestaan bij R. van 9 Juni 1694. Van deze rechten dus van 2% op de in- en uitgaande goederen en 1% op de contanten werd de helft aan de Directie en de andere helft aan de consul gegeven, waarvoor deze laatste alle gewone kosten en presenten zou moeten dragen.

In het vervolg worden de ambassade- en consulaatrechten te Aleppo op gelijke voet als te Constantinopel en Smirna geheven.

Ter berekening der waarde van de goederen aan de consulaatbelasting onderworpen, werd de Directeuren van de Levantse Handel krachtens autorisatie van H.H.M. d.d. 1675 een formulier vastgesteld "waarnaar de Resident te Constantinopel en de consul te Smirna en de ganse Nederlandse natie, in de Levant residerende, zich zullen hebben te reguleren, omtrent de ontvang en de distributie van de ambassade- en consulaatrechten". (te vinden o.a. in het Placaatboek Dir.Lev.H.I nr. 24) (Tarief).

Dit tarief eiste later een herziening wegens het uitbreiden van de handel en de gewijzigde waarde der koopmanschappen. Directeuren boden daarom in 1762 een nieuw tarief aan, dat bij R. van 27 April 1762 door de Staten-Generaal bekrachtigd werd. Andermaal werd het gewijzigd in 1766 en 1775 goedgekeurd respectievelijk bij R. van 7 Juli 1766 en 21 Februari 1775. Zie nog de instructie van 1791.

Behalve de genoemde consulaatrechten werden er in de schalen van de Levant, althans te Smirna, nog geheven Dragomanage-rechten, of, gelijk het vroeger genoemd werd, Baalrecht. Dit werd door de algemene vergadering der Directie van 14 November 1804 afgeschaft en in 1815 in- plaats daarvan provisioneel een andere vergoeding aan Dragomans en Janitsaren teegekend. Welke de oorsprong van dat recht was, verklaarden de Directeuren zelf niet te weten. (Zie Missiveboek 1815 pg. 228, 277, en 419). Nog zij hier vermeld een besluit van de Algemene Vergadering van Directeuren van 4 September 1805, waarbij, ter opheffing der klachten over vermindering der waarde der muntspeciën of anderszins, alle appointenenten van leeuwendaalders in Hollandse guldens worden herleid.

Reglementen voor de consuls buiten het Turkse gebied

Reglement van 24 Juli 1658.

Evenals voor de consulaten in het Turkse gebied gelegen werd ook bij R. van 24 Juli 1658 een reglement vastgesteld voor de consuls der Nederlandse natie in alle plaatsen van Spanje, Frankrijk, Italië en aan de gehele Middellandse zee (uitgezonderd alleen het Turkse gebied), hetwelk o.a. het volgende voorschreef:

  1. alle consulaatrechten zullen worden geregeld op realen van achten, zijnde deze door de ganse Middellandse zee gangbaar en over de prijs waarvan geen disputen kunnen vallen.
  2. de consuls mogen niet meet heffen dan vier of hoogstens vijf realen van achten naar mate de grootte van ieder schip, dat in hun district aankomt, last, bestel of lading inneemt, zonder dat de schepen allen daarkomende om water te halen of anderszins tot enige betaling zullen gehouden wezen.
  3. de consuls zullen zich geen autoriteit of jurisdictie mogen aanmatigen over de personen der kooplieden of hun goederen.
  4. van buitengewone bemoeiingen ten behoeve der schippers als het bevorderen en beleggen van enige processen, beslissen van kwesties en vermogen de consuls niet meer salaris te eisen dan volgens de arbitrage der aanwezige Nederlandse kooplieden geoordeeld zal worden hun te competeren. (Groot Placaatboek II 1343). Tevens werd besloten dit reglement te doen drukken, opdat een ieder daarvan kennis kan nemen. Vervolgens was ook voor deze consuls de aanschrijving bij R. van 3 November 1662 aan hen gericht, en op p. 9 alhier vermeld. (Consulaatrechten).

Reglement van 19 Augustus 1737.

Een nieuw reglement werd bij R. van 19 Augustus 1737 gearresteerd voor de Nederlandse consuls te Cadix, Sevilla, St. Lucar, St. Maria en Malaga; daarbij werd o.a. het volgende bepaald:

artikel 1. Consulaatrecht te heffen van 5 realen van achten van ieder schip onder Hollandse vlag, dat aankomt om last te breken of goederen te laden, dito van ieder schip dat niet laadt of lost 2½ realen.

artikel 2. Van de bedongen vrachten der goederen aldaar gelost en geladen 1½ real de plata per ducaal vracht van de fijne goederen, en vier van de grove; te Malaga echter respectievelijk 1 en 2 realen.

art. 3-5. Bepaling van het deel in deze rechten, dat aan de consul toekomt, en het deel dat de Natie genieten zal. Administratie van deze laatste gelden door de consul en 2 personen der natie, daartoe jaarlijks te kiezen. Uit de Natiepenningen zullen o.a. de presenten aan de Gouverneurs en Ministers betaald worden, (artikel 6),

art. 7. jaarlijkse rekening te zenden aan de ambassadeur, die haar aan H.H.M. zal overzenden met de nodige opmerkingen,

art. 8. geen andere heffingen van de schippers te doen dan de beide genoemde,

art. 9. verplichting van de schippers tot overlegging van manifesten der lading en bedongen vrachtpenningen. Aan de consul te Gibraltar geen vrachtpenningen toegestaan (art. 13),

art. 14. handhaafde echter her Reglement van 1658 voor de consuls te Alicante, Barcelona, Corunna en andere plaatsen in Spanje.

Instructie van 29 November 1786.

Een instructie voor de consuls van de Ned. Natie in alle plaatsen van Spanje, Frankrijk, Italië en aan de gehele Middellandse Zee werd vastgesteld bij R. van 29 November 1786; uitgezonderd alleen het Turkse gebied. Tegelijkertijd werd een afzonderlijke instructie vastgesteld voor de consuls bij de Barbarijse mogendheden. Aanleiding daartoe gaf het rapport omtrent de slechte gesteldheid waarin de papieren van het consulaat van Algiers zich in 1785 bevonden, als zijnde daar geen registers, geen copieën van brieven tussen de jaren 1733 en 1774, enz. aanwezig. Tevens vond men het wenselijk een instructie ook veer de consuls langs de Middellandse Zee te vervaardigen, ten einde behalve te Algiers ook in alle andere consulaten zodanige abuizen voor het vervolg te voorkomen. Die eerste instructie schreef veer o.a. verplichting van de consuls om kennis te geven zo wel aan H.H.M. als aan Directeuren van de Lev. Handel van alles, wat de handel en navigatie betrof, hulp en assistentie te verlenen aan Nederl. ingezetenen, copiëen te houden van uitgaande brieven in behoorlijk daartoe aangelegde registers, verder registers te houden van alle brieven in officio ontvangen, zo veel mogelijk onderling te corresponderen, zich te gedragen conform het. reglement van 1658, en enige consuls in Spanje conform het reglement van 1737, enz.

De instructie voor de consuls bij de Barbarijse mogendheden bevatten dergelijke voorschriften, except de verplichting om met Directeuren tecorresponderen, en verder nog enige bijzondere bepalingen met het oog op die Staten. Desniettegenstaande word die correspondentie toch voortgezet.

Reglement van 28 October 1791.

Op voorstel van Directeuren werd bij R. van 28 October 1791 een nieuw Reglement ingevoerd voor de consuls en commissarissen in de steden aan de Middellandse Zee, de golf van Venetië, in de Levant en de Archipel, benevens een reglement nopens de plichten der schippers met relatie tot de Levantse lastgelden. Hierdoor worden de vroegere reglementen niet opgeheven, maar slechts enige speciale bepalingen gemaakt omtrent het vertonen door de schippers van de kwitantie der in hot vaderland betaalde lastgelden, de verklaring van de consul dat hem die kwitanties vertoond is enz. louter bepalingen ter bevordering van de inning der lastgelden.

Wijzigingen van bovenstaande reglementen en aparte regelingen

Somstijds werd nog het Reglement van 19 Augustus 1737 voor enkele consuls gewijzigd o.a. voor die te Malaga bij R. van 28 Juli 1749, waarbij hij van de artikels, 1, 2 en 3 gedispenseerd werd, en hem toegestaan werd en hogere consulaatrechten te heffen. Hetzelfde geschiedde voor de consul te Barcelona bij R. van 8 Februari 1765, deze dispensatie word bij R. van 1 Februari 1788 wederom ingetrokken.

Het Reglement van 24 Juli 1658, ook van kracht voor de consuls te Rochelle en andere plaatsen in Frankrijk, welke niet aan de Middellandse Zee gelegen waren, gaf na verloop van tijd aanleiding tot vele klachten. Dit had ten gevolge de invoering van een afzonderlijk "Reglement ende ordre voor de consuls van de Nederlandse natie in de zeesteden van Frankrijk, buiten de Middellandsche zee gelegen, mitsgaders in andere rijken en plaatsen wegens dezen Staat residerende". Het werd gearresteerd bij R. Van 4 Augustus 1670.

Reglement van 15 October 1807.

Bij Koninklijk decreet van 15 October 1807 werd een nieuw reglement ingevoerd, uit 36 artikelen bestaande, en bestemd voor alle consuls in de havens en koopsteden buiten 's lands. Hierbij werd het Reglement of de instructie van 28 October 1791 tot nader order gehandhaafd. Dit decreet was vooraf gegaan door een uitvoerig en belangrijk rapport, dat, op aanschrijving van de Minister van Koophandel door Directeuren der kamer Amsterdam van de Levantse Handel op 25 Maart 1807 was ingediend. Het bevat een overzicht van de oorsprong, de inrichting en werking der Directie van de Levantse Handel, als ook van de Nederlandse vestigingen in de Levant en van de betrekkingen tussen de Directie en het Gouvernement. Zeer zeker zal dit rapport van invloed geweest zijn op de samenstelling van het Reglement dat een half jaar later werd ingevoerd.

Daarna volgde nog een Koninklijk Besluit van 22 November 1808, warbij in artikel 4 bepaald werd, dat alle consuls in Europa, te beginnen met 1 Januari 1809 een tractement uit 's lands kas zullen genieten.

Wetten van 11 Juli 1814 en 19 December 1817.

Na de restauratie werden de oude reglementen en speciaal dat van 28 October 1791 weder van kracht verklaard, gelijk blijkt uit de aanschrijving door Directeuren aan de verschillende consuls in Spanje, Franrrijk, Italië, de Levant en de Barbarijse Staten (zie Missieboek 1815 pg. 208, s.99) en Missive d.d. Cadix 24 Maart 1815.

Spoedig volgden de wetten van 11 Juli 1814 (sbl. 80) houdende bepalingen omtrent de Levantse handel en Navigatie in de Middellandse Zee en van 19 December 1817 (sbl. 34) over de vaart en handel op de Middellandse Zee en de Schalen van de Levant. Beide bevestigden hoofdzakelijk de vroegere staat van zaken.

2. Aantekeningen betreffende de Directie van de Levantse Handel en de Navigatie op de Middellandse Zee
Amsterdam

Niettegenstaande de capitulatiën met de sultan van Turkije en de Barbarijse vorsten gesloten, bleef de zeevaart in de Middellandse Zee nog steeds onveilig en werden voornamelijk door Algiers en Tunis vele van onze schepen en goederen onder allerlei voorwendsels betreffende de vlag, de paspoorten, zeebrieven enz. genomen. Ten einde dit zoveel mogelijk te voorkomen had de orateur Haga aan de Staten-Generaal voorgedragen om enige van de bekwaamste kooplieden te Amsterdam die op Italië en de Levant handel dreven, te autoriseren om toezicht te houden op alle schepen die naar de Straat varen en in het algemeen om voor alles te zorgen, wat dienstig kon zijn tot onderhouding van de vriendschap met Algiers, Tunis en andere Barbarijse staten.(

Zie Remonstrantieboek Lev.Hand. II, p. 401.

)

Dit denkbeeld werd in 1625 opgevat door Amsterdamse kooplieden, die zich ten getale van 38 met een dergelijk verzoek tot burgemeesters en regeerders van Amsterdam wendden, met dit gunstig gevolg dat deze zeven der requestranten tot dat doel committeerden en hen voor de bestrijding der te maken kosten autoriseerden deze te verhalen uit de naar de Straat gaande en herwaarts komende goederen. In de resoluties der Staten-Generaal van 6 en 8 september 1625 wordt vermeldt dat hun door burgemeesters en regeerders der stad Amsterdam vier stuivers per last was toegestaan te heffen op ieder schip dat de Straat passeert. (Lastgeld 4 stuivers.)

De eerste vergadering kwam bijeen op 4 oktober 1627, waarbij o.a. een reglement van orde werd vastgesteld en bepaald werd dat voortaan iedere woensdag een ordinaris collegiale vergadering zou worden gehouden, in 1633 werd deze op vrijdag gezet, in 1737 wederom op woensdag, blijkens een instructie uit dat jaar. Evenwel schijnt men zich aan die dag niet streng gehouden te hebben en bevatten de resolutieboeken de notulen van vergaderingen op alle werkdagen van de week.

Nog in het jaar 1670 en 1728 vergaderde de directie in een kamer op het Stadhuis, waar men twee à drie malen per week bijeenkwam. Ook nog tot 1808, zie Instructie voor de kamerbewaarder.(

Placaatboek Lev.Hand. deel I, nr. 16; Resolutieboek III, p. 43.

)

Ieder jaar traden drie of vier leden der directie af, zodat iedere directeur slechts 2 jaren zitting had. Ter voorziening in de vacaturen werde dubbeltallen voor de directie aan burgemeesters van Amsterdam voorgedragen.

Ofschoon dit college alzo oorspronkelijk een stedelijke instelling was, zo werden daaraan toch reeds spoedig door de Staten-Generaal door resolutiën en placaten de nodige macht en middelen toegekend om het beoogde doel te kunnen bereiken, en kan met voldoende grond de directie van de Levantse Handel als een Generaliteitscollege worden aangemerkt.

De directeuren namen deze betrekking belangloos waar, genoten slechts als emolumenten een almanak, een kaas en negen gulden 's jaars voor kantoorbehoeften; in 1726 drieëndertig gulden.

Aan de directie was ook een secretaris toegevoegd; deze eerste was een zekere Mostaert, mr. Daniel Mostart, tevens secretaris van de stad, aan wie de directeuren bij resolutie van 27 oktober 1627 het opstellen van hun brieven, remonstrantiën en andere geschriften opdroegen. Ook de volgende secretarissen werden door de directeuren zelf gekozen, zodat in 1690 daarop door burgemeesters van Amsterdam aanmerking werd gemaakt, die dat het recht van benoeming voor zich requireerden op grond dat ook de directeuren door hen werden aangesteld. Hiertegen leverden directeuren een uitvoerig vertoog in, waarbij zij zich op de traditionele wijze van aanstelling beriepen als ook op hun particuliere verantwoording tegenover de Generaliteits Rekenkamer.(

Remonstrantieboek III, fol. 47, s. 99.

) Na die tijd werden echter de secretarissen door de burgemeesters aangesteld, althans in 1695, 1710 en 1728.

De secretaris ontving in 1628 een gratificatie van 150 gulden,(

Resolutieboek I, p. 27

) in 1638 een jaarlijks tractement van 350 gulden,(

idem, p. 69

)
in 1660 werd hierbij gevoegd de helft der visitatiegelden der schepen die naar de Middellandse Zee vertrokken. In 1672 werd het tractement op fl. 600 verhoogd; bij resolutie van 24 januari 1689 consenteerden de Staten-Generaal een verhoging van fl. 250 voor het houden van de boeken, terwijl zij in 1699 het tractement op fl. 1000 vaststelden. In 1726 genoot de secretaris fl. 1000 tractement, benevens emolumenten tot een bedrag van fl. 500.(

Missiveboek 1726, p. 295.

)

Zie de Instructie voor de secretaris, en zijn plichten en werkzaamheden vermeld in het register genaamd "Alphabet van de Lev. Handel, voce Ghesel".

Bovendien had de directie nog een dienst een ontvanger, die oorspronkelijk o.a. een tractement van fl. 100 genoot in 1630, doch aan wie in 1717 vijfhonderd gulden 's jaars betaald werd.

Verder stelden directeuren nog Commissarissen op Texel en Vlieland aan, om de uitgaande schepen te inspecteren en zich van de voldoening der lastgelden te overtuigen. Deze genoten o.a. in 1656 fl. 50 salaris, in 1726 fl. 250.

Hoorn

Nadat in 1625 door de Staten-Generaal aan de directie vergund was de twintig stuivers lastgeld op de schepen naar de Levant gaande niet alleen te Amsterdam te heffen, maar ook in alle andere steden en plaatsen van Holland, weigerde de stad Hoorn in 1630 en 1631 (ofschoon zij zowel als Enkhuizen en Medemblik die belasting tot dit jaar toe betaald hadden), deze in het vervolg te voldoen, tenzij men ook haar zitting en stem in het college gaf.(

Zie Remonstrantieboek I, p. 94, 102-103, 125; en Resolutieboek I, p. 52-53, 68.; Res. Staten-Generaal 24 december 1630.

)

De stad Hoorn dreef van het jaar 1627 tot het begin der achttiende eeuw een zeer uitgebreide handel naar de Straat en de Middellandse Zee en had wel 50 à 70 en somtijds nog meer schepen in de vaart. Niet te verwonderen is het dus dat zij, die na Amsterdam het aanzienlijkste aandeel in de Levantse handel had, ook stem in de directie daarvan eiste.(

Miss. d.d. 5 april 1797, Hoorn.

)

Na langdurige onderhandelingen en na het besluit door de Staten-Generaal de 8e september 1633 op verzoek van Hoorn genomen, kwam men in 1634 tot een vergelijk; door burgemeesters van Hoorn werd doorp zekere Albert Groes benoemd om als directeur vanwege die stad in het college der directie te compareren. Aan hem werd door de de directie te Amsterdam de ontvangst van de lastgelden en van de 2% op de Levantse goederen in Hoorn, Enkhuizen, Medemblik en het gehele Noorderkwartier opgedragen. Deze schikking hield stand tot het jaar 1644, toen op 2 september op verzoek van enige kooplieden door burgemeesters van Hoorn insgelijks een college van directeuren van de Levantse Handel te Hoorn werd ingesteld, bestaande uit vier personen, en wel tot bevordering van de Straatse navigatie aldaar.

In 1658 rezen er tussen de directie te Amsterdam en de steden van het Noorderkwartier geschillen over de visitatie der schepen, welke eindigden met een conventie, welke de 26e juni van dat jaar gesloten werd.(

Zie Remonstrantieboek deel II, fol. 127 s. 99 en fol. 160 s. 99.

) Die conventie behelsde o.a. dat het college van directeuren uit twaalf personen zou bestaan: zes te committeren door de heren van Amsterdam, twee door Hoorn, twee door Enkhuizen en twee door Medemblik. Dit college zou ieder half jaar in algemene vergadering bijeenkomen, behalve nog in buitengewone omstandigheden. Aan deze bepaling heeft men zich echter niet gehouden. Zo kwam er bijvoorbeeld tussen augustus 1794 en juli 1797 geen enkele algemene vergadering bijeen.

Desniettegenstaande onstonden er van tijd tot tijd nog tal van disputen over de visitatie der schepen, over het doen van rekening, over ieders rang op de algemene vergadering, enz.(

Zie hierover nader in de Notulen; Enkhuizen en Medemblik.

)

In latere tijd, nadat de handel te Enkhuizen en Medemblik geheel vervallen was, werden door die steden geen directeuren meer aangesteld en bestond de directie te Hoorn uit drie personen, die jaarlijks door burgemeesters uit een voordracht gekozen werden, doch sedert 1795 ad vitam werden aangesteld.

Leiden

Ook burgemeesters van Leiden wendden zich in 1668 tot die van Amsterdam met verzoek om ook deze stad deel te laten nemen aan de directie door één lid daarin te committeren. De directie diende daarop een gunstig advies in, op grond dat de ingezetenen van Leiden voor een groot gedeelte in de handel op de Levant en vooral op Smyrna geïnteresseerd waren. Hierop werd het verzoek door burgemeesters van Amsterdam, hoewel deze zelf het niet wenselijk achtten, toegestaan en één lid uit Leiden op dezelfde voet als de leden uit het Noorderkwartier toegelaten, waarna op 2 januari 1669 door burgemeesters van Leiden een directeur werd aangesteld.

Tot het jaar 1663 zaten de gecommitteerden van Hoorn, die toen nog de enige buitenleden waren, op de achterste plaatsen in de vergadering; volgens overeenkomst echter van 18 mei 1663 zaten zij om en om met die van Amsterdam. Na de toetreding van Leiden ontstond onmiddellijk op de eerste algemene vergadering van 13 februari 1669 dispuut tussen Hoorn en Leiden over de vraag, wie van hen het recht had naast de president te zitten. De kwestie werd geregeld bij besluit van 27 februari 1670 en 7 januari 1671. Op 27 november 1717 volgde wederom een andere regeling.

Rotterdam

Eerst op 20 juli 1674 kwam er tussen de directies te Amsterdam en Rotterdam een vergelijk tot stand, waarbij directeuren van Rotterdam als zodanig erkend werden, en hetwelk verder bepaalde dat Rotterdam niet aan Amsterdam maar aan de Rekenkamer zelf rekening zou doen van de ontvangsten, dat zij de ontvangen gelden op eenvoudige kwitantie aan de directie te Amsterdam zou overmaken, dat directeuren van Amsterdam aan die van Rotterdam mededeling zouden doen van de belangrijke buitenlandse brieven en adviezen, totdat door Hunne Hoog Mogenden daaromtrent anders zou zijn voorzien, enz.

Tussen de beide directies bleef de vrede niet altijd bewaard en ontstonden er over allerlei onderwerpen geschillen als over de rang in de algemene vergadering, over de heffing en de ontvangst van de middelen, enz. Op 26 mei 1745 werd tussen de directies te Amsterdam en Rotterdam een nieuwe conventie gesloten betreffende de heffing der lastgelden, welke Amsterdam in 1772 voorstelde door een andere te vervangen, hetgeen echter door Rotterdam verworpen werd.

Kort vóór de oprichting der directie te Rotterdam boden burgemeesters van Rotterdam aan die van Leiden aan om ook een hunner kooplieden te committeren om in de directie van Rotterdam zitting te nemen, hetgeen door Leiden werd aangenomen, die daartoe Justus Grijs afvaardigden.

Later verkreeg ook Dordrecht het recht om in dit college een afgevaardigde te doen zitting nemen. Voor het eerst wordt hiervan melding gemaakt in Missiboek 1699 deel VIII, p. 10. Op gelijke wijze was dit College op de Maze nog in 1807 samengesteld en bestond dit toen uit vier leden, waarvan twee door de magistraat van Rotterdam gecommitteerd werden, één door Leiden, één door Dordrecht.(

Die samenstelling werd ook nog behouden bij de wet van 11 juli 1814 (art. 7). Zie het meermalen genoemd rapport van 1807

)

Middelburg

Ten slotte moet hier nog vermeld worden de directie te Middelburg, ofschoon deze ten alle tijde geheel afgescheiden gebleven is van die van Amsterdam; zij werd opgericht bij resolutie van burgemeesters, schepenen en raden dier stad d.d. 15 september 1696. De weigering van die betaling der lastgelden gaf ook hier de stoot tot de oprichting van het college. Op een missive van de directie te Amsterdam van juli 1696, waarbij deze op de betaling der lastgelden aandrong, gaf de regering van Middelburg ten antwoord dat zij van mening was dat de resoluties der Staten-Generaal van 1 februari 1660 en 25 juli 1671, alsmede al hetgeen bepaald was omtrent de Levantse handel slechts voor de provincies Holland en niet voor Zeeland verbindend was; dat aangezien deze provincie niet onderhorig was aan Holland, zij dus ook niet aansprakelijk kon zijn voor de schulden particulierlijk door Holland in casu ten behoeve van de Levant aangegaan, en evenmin behoefde bij te dragen in de lasten die daarvoor waren opgelegd. Aan de andere zijde ontkende zij niet dat de directie vele onkosten (zoals voor het onderhoud der consuls, het geven van presenten, enz.) maakte die ten bate van de handel in het algemeen strekten, en was men bereid de 1% Levantrechten te betalen, mits men ook deel mocht nemen in de directie van de Levantse Handel.

Op deze gronden besloot men 15 September 1696 tot de oprichting van een directie te Middelburg, waarvan de vier leden door burgemeesters benoemd werden. Aan dit college werd o.a. opgedragen om zich met de directies van Holland te verstaan en vooral te verkrijgen dat dit college door de anderen als zodanig erkend werd. Men besloot verder de 1% Levantrecht te heffen, doch gesteld worden in handen dezer directie om later aan de Rekenkamer te verrekenen.

De Staten van Zeeland besloten bij resolutie van 30 juli 1697 de licentmeester te gelasten de 1% Levantrechten aan de directie Middelburg uit te keren, terwijl deze daavan aan de Rekenkamer van Zeeland rekening en verantwoording zou moeten doen.

De gewenste erkenning door een overeenkomst met de directie te Amsterdam is echter nooit gevolgd: de vele protesten van de directie te Amsterdam aan de Staten-Generaal over de handelwijze van Zeeland en de drukke correspondentie daarover gevoerd hebben evenmin het beoogde gevolg gehad.

In een missive der directie te Middelburg aan directeuren te Amsterdam, ingevolge een decreet der Nationale Vergadering van 3 januari 1797, verklaart zij zelf dat "hare nuttigheid en werkzaamheden zeer weinig of gering geweest zijn".(

Notulenboek Middelburg p. 531.

)

Werkzaamheden
  1. het toezicht houden op de uitrusting van alle schepen die naar de Middellandse Zee en de Archipel varen, speciaal te letten op hun behoorlijke bewapening, bemanning en uitrusting, opdat zij aan de Barbarijse rovers weerstand zouden kunnen bieden. "De voorschriften voor die bewapening enz. werden gegeven bij plakaat van 27 november 1627 en nog nader uitgebreid bij plakaten d.d. 21 september 1663, 2 december 1667 en 28 september 1717.
  2. het nazien der patenten en cognossement der schepen ten einde het ophouden van deze op reis onder allerlei voorwendsels te voorkomen. Dit tweeledig toezicht werd minder scherp nadat er in de achttiende eeuw allengs een meer duurzame vrede met de Barbarijse Staten tot stand was gekomen.
  3. het voeren van briefwisseling met de orateur op resident te Constantinopel en de consuls in de Levant en in Barbarije. Ook dit was reeds voorgeschreven door burgemeesters van Amsterdam bij de instelling der directie in 1625. Spoedig werd die correspondentie ook uitgebreid tot alle consuls langs de Middellandse Zee gevestigd en werd dit punt nader geregeld bij resolutie van de Staten-Generaal d.d. 29 november 1786. Ook werd later aan de verschillende consuls gelast om behalve met de directie te Amsterdam ook met die op de Maze geregelde correspondentie te onderhouden.
    Ingevolge conventies met de steden Hoorn, Leiden en Rotterdam gesloten, werden door de directie te Amsterdam de door haar ontvangen consulaire brieven aan de directeuren dier steden ter lezing rondgezonden.
  4. het onderhouden van de vriendschap met Algiers, Tunis en andere Barbarijse staten, hetgeen hoofdzakelijk geschiedde door het geven van jaarlijkse en van buitengewone presenten. De onkosten hiervan begonnen aanmerkelijk op de kas der directie te drukken, zodat de Staten-Generaal besloten de bestrijding dier onkosten bij beuren aan de verschillende Admiraliteitscolleges op te leggen. De (aankoop?) en verdeling der presenten bleef de taak der directie.
  5. het geven van advies aan de Algemene Staten omtrent alle aangelegenheden van de handel, de benoeming van consuls en predikanten (te Constantinopel en Smyrna), het vaststellen van reglementen en plakaten, waartoe zij ook zelf de nodige voorstellen indiende.
    Opdat de directie voldoende op de hoogte der handelsbeweging zou kunnen blijven, was reeds voor de regeling van 1786 de gewoonte om aan alle consuls bij hun aanstelling te gelasten om ieder half jaar aan de directie een lijst van in hun residentie aangekomen en vertrokken nationale schepen met de manifesten der ladingen over te zenden.
  6. de benoeming der thesauriers, kanseliers en assessors in de verschillende schalen; de administratie van de financiën dier schalen, enz.

In één woord: alles wat strekken kon tot ondersteuning of bevordering van handel en scheepvaart in de Middellandse Zee en de Levant, was aan de voortdurende zorg der directie opgedragen.

In al deze werkzaamheden had de directie te Amsterdam, de presidentiële Kamer genaamd, steeds het leeuwenaandeel; zij nam in de meeste zaken het initiatief, belegde de algemene vergaderingen met de buitenleden, die te Amsterdam gehouden werden, stelde daarvan de punten van beschrijving vast, presideerde die vergaderingen, correspondeerde met alle consuls, stond in correspondentie met de ontvangers der convooien en licenten betreffende de inning der levantrechten, enz.

Middelen

Opdat de directie de taak, haar opgelegd, naar de eis zou kunnen vervullen en de kosten, daaraan verbonden, zou kunnen bestrijden, werden haar reeds spoedig na de oprichting de nodige middelen door de Algemene Staten toegestaan.

  1. een lastgeld van 20 stuivers per last van ieder nationaal schip gaande naar de Straat van Gibraltar. Gelijk boven medegedeeld is, was de burgemeesters van Amsterdam aan de directie toegestaan 4 stuivers per last te heffen van ieder schip uit de Levant te Amsterdam binnenvallende of uit Amsterdam naar de Levant vertrekkende. Bij plakkaat van haar Hoog Mogenden d.d. 24 juni 1625 was haar daarenboven bevoegdheid gegeven op 16 stuivers te heffen van die schepen zowel te Amsterdam als in andere steden en plaatsen van Holland. Bij resolutie van 8 september 1625 werd die 4 stuivers lastgeld ook toepasselijk verklaard op de andere steden dezer provincie.
    Nadere plakaten hierover d.d. 4 september 1630 en 18 januari 1633 en 27 juli 1645. Bij resolutie van 8 september 1633 werd verder bepaald dat de schepen die met ballast door de Straat voeren, slechts 10 stuivers lastgeld zouden betalen. Bij plakaat van 2 mei 1636 werd het lastgeld van 20 stuivers ook opgelegd aan vreemde schepen uit deze landen naar de Straat en de Middellandse Zee varende.
  2. Om te voorkomen dat die lastgelden ontdoken werden door schippers die naar Cadiz, Sevilla of St. Lucar uitklaarden, ofschoon hun bestemming was naar de Middellandse Zee, werd bij resolutie van 9 april 1676 een speciaal recht van 6 stuivers per last opgelegd aan alle schepen die naar genoemde havens vertrokken, terwijl zij mede onderworpen werden aan de visitatie en aan de betaling van de visitatierechten aan directeuren. Wederom trachtte men dit lastgeld te ontduiken door bij vertrek naar Cadiz, Sevilla of St. Lucar niet deze maar andere plaatsen, buiten de Middellandse Zee gelegen, op te geven. Vandaar dat bij resolutie van 9 februari 1759 de toepassing van de resolutie van 1676 tot alle plaatsen buiten de Middellandse Zee werd uitgebreid. (

    Zie hiervoor nog resolutie 28 oktober 1791 en decreet van het Wetgevend Lichaam van 31 mei 1803.

    )

    De resolutie van 18 januari 1633 machtigde de directie om een lening te sluiten tot aflossing der sommen die de kooplieden der Nederlandse natie in Cyprus en Syrië van tijd tot tijd in het belang van de handel genoodzaakt waren geweest te betalen. Tot betaling der rente en aflossing dier lening mochten directeuren 2% heffen van de goederen rechtstreeks komende uit Smyrna, Cyprus, Syrië en Palestina. (Op het ogenblik der invoering van deze nieuwe belasting sub 3 was deze heffing reeds enige jaren opgehouden.)
  3. 1% van alle goederen uit de Levant binnen deze landen te water of te land ingevoerd.
    De goederen die van deze landen derwaarts vervoerd werden, bleven van belasting vrijgesteld. De resolutie van 1 februari 1666, die deze belasting instelde, bepaalde tegelijk dat zij zou worden ingevorderd door de ontvangers der convooien en licenten in alle provincies, die de ontvangsten jaarlijks aan directeuren zouden verantwoorden.
    Nadere bepalingen over de inning van dit recht werden gegeven bij resolutie van 12 april 1675.
    Bij resolutie van 5 december 1692 werd een plakaat uitgevaardigd, houdende straffen op het niet voldoen aan het bepaalde bij de resoluties van 1 februari 1666 en 15 april 1675.
    Ingevolge resolutie van 2 augustus 1692 werd een plakkaat uitgevaardig, houdende straffen op het niet voldoen aan het bepaalde bij de resoluties van 1 februari 1666 en 12 april 1675.
    Het heffen van dit recht was oorspronkelijk zonder bepaling van tijd toegestaan. In het laatste gedeelte der 17e eeuw begonnen de Perzische en Armenische kooplieden, die vroeger persoonlijk hun goederen uit een der havens van Turkije op Nederlandse schepen naar Holland brachten, deze zelf over Rusland, daar deze weg minder gevaarlijk en kostbaar was, en sommige met Nederlandse schepen hier te lande in te voeren. Hoewel zij tot in 1702 ook van deze goederen het 1% Levantrecht betaald hadden, begonnen enkele hunner dit te weigeren en beweerden zelfs recht te hebben op restitutie van de te veel betaalde belasting. Tengevolge daarvan wendden zich de directeuren van de Levantse Handel tot hunne Hoog Mogenden met verzoek dat de resolutie van 1 februari 1666 mocht worden toepasselijk verklaard op ruwe Persiaanse zijde, Armenische wol, kemelhaar of geitenwol, tapijten enz. die hier te lande over welke rijken en plaatsen en met welke schepen ook werden ingevoerd. Hiertoe besloten de Staten-Generaal bij resolutie van 1 augustus 1703, doch bepaalden tevens dat dit slechts bij provisie geaccordeerd werd voor de tijd van twee jaren. Sedert werd dit recht bij verschillende resoluties van tijd tot tijd gecontinueerd, o.a. 2 oktober 1730 voor zes jaren, evenzo in 1737 enz., totdat eindelijk de 22e maart 1800 door het Vertegenwoordigend Lichaam de continuatie daarvan voor onbepaalde tijd vergund werd.
    Bij resolutie van 2 september 1749 werd dit recht tot 0,5% verlaagd op deze;fde vroeger reeds bepaald aangewezen zijden, wollen en andere goederen uit Perzië, Cyprus, Syrië en Palestina, direct of indirect hier te lande ingevoerd.
  4. 5% van de vrachtpenningen van de schepen die uit Smyrna in deze landen aankwamen, resolutie 25 juli 1671. Deze resolutie werd bij resolutie van 14 december 1679 in die voege geïnterpreteerd dat zij niet alleen verbindend was voor schepen van Smyrna komende, maar ook voor die van Constantinopel, Scandrona of Alexandrette of enige plaatsen in de Levant. (5% der vrachtpenningen.)
  5. De omstandigheid dat te Smyrna vele vreemde schepen naar Holland bevracht werden, hetgeen nadelig was zowel voor de Nederlandse scheepvaart als voor de nationale handelshuizen aldaar en de kas van de directie in de schalen, gaf aanleiding tot de invoering van een nieuwe belasting, ingevolge het verzoek van de directie. De Staten-Generaal bepaalden bij resolutie van 21 mei 1770 dat (boven en behalve de sub 4 genoemde heffing) nog van zodanige goederen die met vreemde schepen uit de Levant werden aangevoerd, 5% van de waarde zou worden betaald volgens tarief vastgesteld bij resolutie van 27 april 1762, en welk tarief nog bij resolutie van 1 april 1776 verhoogd werd.
    In tijden van stilstand van de Hollandse handel werd deze voor de vreemde scheepvaart belemmerde belasting tijdelijk opgeheven, o.a. bij resolutie van 12 en 25 juni 1795.
  6. de ambassade- en consulaatrechten, waaroveer reeds hierboven gesproken is.

1 tot 6 genoemde inkomsten bezat de directie nog in 1807(

zie rapport van dat jaar

) en werden haar ook toegekend bij de wet van 11 juli 1814. Ook de wet van 19 december 1817 bevestigde dit behoudens de volgende veranderingen:

  1. het lastgeld, sub 1 en 2 genoemd, werd verdubbeld ten aanzien van schepen onder de vlag van een vreemde mogendheid, in wier gebied de Nederlandse schepen aan hogere rechten dan de eigen onderdanen onderworpen waren;
  2. een 0,5% Levantrecht van de goederen die in dit rijk ter zeem 5% die te land werden ingevoerd.

Van al deze middelen deden de directeuren jaarlijks rekening en verantwoording aan de Generaliteits Rekenkamer. Zij moesten daarmede betalen: de renten en de aflossing der successief gesloten leningen ten behoeve van de Levant (o.a. 1666 en 1671); de tractementen van de ambassadeur te Constantinopel, de consul en verdere ambtenaren te Smyrna; eveneens de ordinares en extraordinares presenten aan de Turkse ambtenaren(

zie resolutie van 1 augustus 1703

). Vroeger ook nog de presenten in Barbarije.

Evenwel zijn deze middelen niet altijd voldoende geweest om alle onkosten te bestrijden, zodat de Directie, toen in het laatst der achttiende eeuw de handel sterk was afgenomen, onderstand uit de staatskas moest vragen, hetgeen haar sedert 1797 herhaalde malen gegeven is.

Door de inlijving bij Frankrijk was ook de taak der directie geëindigd. Het decreet van 31 oktober 1810 bepaalde dat de directie van de Levantse Handel op 1 januari 1811 ontbonden was. Bij besluit van 14 juli 1810 had ook de minister van Buitenlandse Zaken de last ontvangen om aan de respectievelijke ministers der buitenlandse mogendheden te Amsterdam residerende te kennen te geven dat door de vereniging van Holland met Frankrijk deze missies vervallen zijn en om de ministers en consuls van Holland bij de onderscheiden mogendheden te rappelleren.

Door de chargé d'affaires de Constantinopel en door de consuls werden dientengevolge de archieven der consulaten aan de Franse vertegenwoordigers overgegeven, welke echtger na het herstel onzer onafhankelijkheid teruggegeven zijn.

Met onze onafhankelijkheid herleefde ook de directies. Bij Koninklijk Besluit van 26 januari 1814 werd de Kamer van de Levant voorlopig hersteld, definitief bij Koninklijk Besluit van 20 november 1814 nr. 54, gelijk mede de directie te Rotterdam, Dordrecht en Leiden, die te Middelburg bij Koninklijk Besluit van 19 november 1815 nr. 61.

Bij de wetten van 1814 en 1817 werd de directie van de Levantse Handel met haar rechten en verplichtingen nagenoeg op dezelfde voet geregeld als vóór 1795, terwijl bij Koninklijk Besluit van 8 juli 1818 nr. 31 nog een kamer te Ostende werd opgericht.

Niet lange tijd bleef deze nieuwe regeling stand houden, het belang van de handel vorderde de ontheffing van de lasten, waaraan deze onderworpen was. Dit geschiedde door de wet van 18 maart 1826 (Stb. 9), welke in jaar enig artikel bepaalde dat met 1 juli van dat jaar alle heffing van de rechten bij de wet van 19 december 1817 (Stb. 34) vastgesteld, zou ophouden en zulks zo hier te lande als in de schalen van de Levant, en dat op hetzelfde tijdstip afzonderlijke directie van de Levant zou opgeheven zijn.

3. Lijsten der opvolgende Orateurs, Residenten, Ambassadeurs enz. te Constantinopel en van de Consuls en verdere ambtenaren in de Levant en langs de Middellandse Zee.
3.1 Het Turkse Rijk

3.1.1 Constantinopel

Orateur / resident / ambassadeur en chargé d' affaires

1612-1639Cornelis HagaBrief van Giacomo Ghisberthi Gisbrechti, zie R. 25 Oktober 1610 en Ordonnantieboek III fol. 306 benoemd bij R. 24 en 30 December 1610. Heeringa I 186/8 zegt: eerst 13 Augustus 1611, wat voorafgaat, waren slechts overwegingen. Zie zijn commissie 5 Juni 1614, Commissieboek fol. 302. Was 12 Oktober 1611 te Weenen, 17 Maart 1612 aankomst te Constantinopel.Capitulatie gesloten Juli 1612, vernieuwd 1622 (zie R. 27 Mei 1622). Op verzoek ontslagen bij R. 5 Augustus 1637. Vertrek 28 Mei 1639, en laat zijn neef en secretaris Cops tot nader order als plaatsvervanger achter. Terug in Holland 20 Augustus 1639. Haga verscheen in de Staten-Gen. en deed rapport 3 November 1639. Hij werd in 1645 benoemd tot Resident van de Hoge Raad en stierf 12 Augustus 1654. (Miss. Hoge Raad aan St. van Holland, 26 November 1654).
1639-1647Henrico CopsDeze had niet de titel van Orateur doch was slechts ad interim met de waarneming belast krachtens R. 5 Augustus 1637. Haga noemt hem agent. Hij overleed 1 Febr. 1647.
1647Theodoor CrollNa Cops' dood werd aan Theodoor Croll de protectie der Ned. natie provisioneel opgedragen. R. 18 April 1647. Croll overleed echter kort daarna. 11 Maart 1647
1647-1654Nicolo GhisbrechtiDe protectie der Ned. natie provisioneel aan Ghisbrechti opgedragen bij R. 10 Juni 1647. Hij overleed 10 November 1654 nadat hij te Constantinopel 52 jaren gewoond en handel gedreven had (zijn missie 18 Juni 1654).
1655-1665Levinus WarnerusBij R. 30 Januari 1655 wordt hem de protectie der Nederl. natie provisioneel tot nader order opgedragen. Hij woonde toen reeds te Constantinopel. Reeds bij missive van 6 Mei (rec. 15 Augustus) 1647 verzocht hij om aldaar in dienst van H.H.M. gebruikt te worden. Resident bij R. 8 Januari 1657. Hij overleed 15 Juni 1661.
1665-1668Francesco de BrossesWaarnemend resident. Vertrekt naar Den Haag 29 September 1668, terug in 1669. R. 7 Oktober 1675 tevens thesaurier krachtens art. 3 van het Formulier op de amb. en consols van 1675. Hij overleed 16 Oktober 1682.
1665-1667Mr. Joris CroockBij R. 30 September 1665 werd aan Mr. Joris Croock bij provisie en tot nader order de protectie der Nederlandse natie opgedragen. Hij was vroeger secretaris van de ambassade in Engeland. Op reis naar C. verloor hij het leven bij de aardbeving te Ragusa op 6 april 1667
1668-1682Justinus ColijerBenoemd tot resident R. 21 Juli 1667. Komt te C. aan 25 Mei 1668. Ontvangt titel van ambassadeur R. 10 April 1680. Overleed 28 December 1682, nalatende 6 kinderen w.o. 4 zonen. Zijn weduwe noemt zich Maria Engelbert dit Colijer. Zie ook Daniel de Hochepied op Smirna.
1684-1725Jacobus ColijerBenoemd tot resident bij R. 29 November 1984, ambassadeur R. 11 Augustus 1688. Hij ontvangt de titel van graaf in 1695 (R. 29 Maart 1700) en overleed 6/17 Maart 1725 in de leeftijd van 68 jaren. Vele stukken over zijn nalatenschap in de acten van het gezantschap. 11 Maart 1730 testament van zijn weduwe Catarina de Bourg. Zij was 16 Juli overleden.
1725-1727Bastiaan FagelWas waarnemend resident 1725 tot 30 Mei 1727. Testament 1 April 1730, sterft dezelfde dag.
1727-1744Cornelis CalkoenBenoemd tot ambassadeur R. 24 Juli 1725, aankomst te C. 30 Mei 1727. Bij res. 22 Oktober 1727 krijgt hij de titel van extra-ordinaris ambassadeur. Vertrekt 28 April 1744, na aanstelling tot ambassadeur bij het Hof van Frankrijk.
1744-1747Jan Carel des BordesAgent ad interim volgens R. 18 December 1743, tot de komst van De Hochepied.
1747-1763Elbert baron de HochepiedBenoemd R. 13 Juni 1746, neemt in vergadering van 20 Mei 1747 afscheid van de St. Gen. en komt 8 December 1747 te C. aan. Sterft 11 Februari 1763, 57 jaren oud. Hij was een zusterszoon van wijlen de ambassadeur Colijer (missive Calkoen, Dresden, 29 Juni 1755).
1763-1764Matthias van AstenChargé d’affaires. Sterft 3 April 1764.
1764-1765Conrad Godard Nicolas SchützChargé d’affaires tot de komst van de nieuwe ambassadeur 1765.
1765-1768Willem Gerrit DedelBenoemd tot ambassadeur bij R. 7 Mei 1764, komt te C. 12 Juli 1765. Overleed 26 Januari 1768.
1768-1776Frederik de WeilerChargé d’affaires benoemd tot ambassadeur bij R. 24 Februari 1775. Sterft 8 Mei 1776.
1776-1778Joost Frederik TorChargé d’affaires tot de komst van de nieuwe ambassadeur.
1778-1784Reijnier baron van Haeften, heer van OphemertBenoemd tot ambassadeur bij R. 13 December 1776, komt aan te C. 29 Augustus 1778. Op zijn verzoek teruggeroepen bij R. 27 Oktober 1783, vertrekt 22 April 1784.
1785-1793Frederik Gijsbert baron van Dedem, heer van Gelder en HochmeuleBenoemd tot ambassadeur bij R. 29 Maart 1784. Komt te C. aan 24 Augustus 1785. Vertrekt met verlof 5 September 1793, na tot Chargés d’Affaires te hebben aangesteld J.P. Panchaud en R. Braggiotti.
1793-1796J.P. Panchaud en R. Braggiotti.Chargé d’Affaires gedurende de afwezigheid van de Ambassadeur.
1796-1799Frederik Gijsbert baron van DedemVertrekt uit Holland naar Constantinopel in December 1795 en komt daar 28 April 1796 aan. Door de invloed der Engelsen werden de officiële betrekkingen in 1799 afgebroken en was Van Dedem genoodzaakt Constantinopel te verlaten en naar Boekarest te vertrekken waar hij in November 1799 aankwam. (zie hierover zijn missive 18 Januari 1799).
1802-1803Frederik Gijsbert baron van DedemHij Keerde 20 Januari 1802 te Constantinopel terug, waar hij wederom door de Porte als ambassadeur werd erkend. Bij besluit van het Staatsbewind van 27 December 1802 nr. 17 krijgt hij verlof naar Holland te gaan. Zie verder besluit 16 Mei 1803. Hij vertrekt eerst 12 September 1803 en belast de eerste Dragoman Francois Testa met de waarneming van de zaken.
1803-1807Francois TestaChargé d’Affaires gedurende de afwezigheid van Van Dedem.
1807-1808Frederik Gijsbert baron van DedemKomt te Constantinopel terug 23 Juni 1807, doch vertrekt reeds 26 December 1808.
1825-Hugo Baron van Zuylen van NijeveltWordt in 1824 benoemd tot ambassadeur. Vertrekt in Mei 1825 en komt 5 September te Constantinopel aan.

Secretaris

Andreas Suyderhoeffo.a. in 1614, 15 en 16, 16 Augustus 1617. Overleden 20 Juni 1618, te Constantinopel.
Cornelis van Dalesecretaris sedert Januari 1622, nog April 1624, Mei 1625. Vertrokken naar Holland omstreeks 1 Juni 1625. (miss. Haga R. 26 Mei 1626).
N.N.Een Turk of Drogman diende als secretaris in de Turkse taal. Miss. Haga 3 April / 13 Juni 1624.
Isaac Aboutdienaar van Haga, in de Turkse, Griekse en Italiaanse talen ervaren. Miss. H. 3 April / 13 Juni en bijl. min. 20 Juli 1624. Hij zelf noemt zich secretaris in de Turkse taal.
Dirk Strijkero.a. in 1635 secretaris van Haga (zie R. St. Gen. 13 Augustus 1643).
Carolo Marinoo.a. 1630-1636.
Theodoro Strijckersecretaris o.a. in 1632; in 1637 in Holland. (Bijl. miss. Haga r. 30 Maart 1633). Zijn verzoek om in plaats van secretaris van Haga tot secretaris van ambassade door H.H.M. te worden aangesteld, opgehouden. zie R. 2 December 1637, 15 December 1637, 16 Januari 1638.
Henrico Cops1638. (neef van Haga, zoon van zijn zuster) woonde in het huis van Haga reeds sedert 1629 te Constantinopel (Miss. Haga 7 November 1637, 26 Jan 1638; miss. Cops 15 Augustus 1639).
Alexander Colijer1699-17 Augustus 1713, als hij sterft.
Pietro de la FontaineNeef van Colijers zusters zoon. Sedert 1709, o.a. 1716. Bij acte van de ambassadeur 20 Juli 1718 geautoriseerd tot het waarnemen casu quo van de vacante ambassade, alzo aangesteld tot secretaris van staat. Sterft 30 Maart 1725, testament 29 Maart 1725.
Bastiaan Fagel19 Oktober 1725 op tractement van 12 gulden daags. Sterft 1 April 1730 (R. 15 Mei 1730).
Rigoo.a. 1733 secretaris van Calkoen.
Conrad Godard Schützsinds 1752.
Jean Chevrier: o.a. 1752-1765 (zie zijn missive d.d. 1765).
Matthias van Asten1758-1763, (2e secretaris).
Rigosecretaris van De Hochepied in Mei 1755 volgens missive Calkoen d.d. Dresden 29 Juni 1755.
Frederik de Weilero.a. in 1767-1768.
Chevriermede secretaris van Dedel, o.a. in 1767. Sterft in het paleis te C. 12 Juni 1777, 83 jaar oud.
Joost Frederik Tor1768-1776.
J. F. Tor1778. Vertrekt naar Holland 16 April 1779.
F. Krollo.a. in 1783.

Kanselier / vice-kanselier / secretaris

Theodore / Dirk Kroll of CrollVice-kanselier in 1627, 1628, 1631; secretaris van Haga, maakte met hem in 1639 de reis naar Holland mede. Hem werd bij R. 20 Augustus 1640 een gouden keten van f. 300 vereerd en f. 500 voor zijn terugreis naar Constantinopel, alwaar hij metterwoon gevestigd was.
Joannes SchaickVice-kanselier in 1652
Jan Balth. Coppens Vice-kanselier o.a. november 1657.
Francesco de BrossesKanselier o.a. 1664. Vice-kanselier 1665. Waarnemend resident na de dood van Warnerus.
Gug. TheijlsKanselier o.a. in 1669-1691. Hij was de zoon van de consul in Egypte Jan Theijls
Willem TheijlsEerste drogman o.a. in 1688, 1689 en 1700 en kanselier. In 1700, 60 jaar oud, eerste drogman tot 1717.
Jac. Chunoin 1702 vice-kanselier. In 1704 geapprobeerd als secretaris van Colijer (Not. Dir. 12 Maart)
W. Theijls: Kanselier o.a. in 1714.
Rumoldus RomboutsTweede drogman 1727, kanselier o.a. 1729, 1735.
Jan Carel des BordesTevens secretaris in 1740.
Rumoldus RomboutsKanselier o.a. 1745-1747, 31 Januari 1748.
Jan Coenraad BorellKanselier sedert 1748, wordt 7 Mei 1756 benoemd tot thesaurier te Smirna.
Conrad Godard Nicolas SchützKanselier 1756-1764-1766. Van 1756-58 tevens secretaris. Vertrekt in Februari 1767.
Joost Frederik TorKanselier en secretaris 1767-1776.
Richard DunantKanselier ad interim 1776, 1779, nog in 1784.
J. F. Tor:Kanselier 1778 tot April 1779.
R. DunantKanselier, jeune de langue en drogman honorair o.a. 1783-1786. Op zijn verzoek ontslagen 10 November 1785.
Francois TestaKanselier ad interim December 1786, ook nog in 1792. Kanselier-secretaris o.a. 1796..
Gaspard TestaVice-kanselier o.a. in 1791. In 1793 drogman-honorair. 1798-1807 kanselier benoemd tot secretaris

Thesaurier en secretaries

Jacobus Colijeroudste zoon van de amb., door deze aangesteld bij acte van 26 November 1682, door H.H.M. geapprobeerd 12 April 1683 (zeer capabel en geverseerd in de Turkse en andere talen; Not. Dir. 8 Febr. 1683).
Daniël Jan de HochepiedIn Maart 1685 door C. aangesteld, geapprobeerd door Dir. bij missive 10 Januari 1686. Arriveert 10 Juni 1687 te Amsterdam. Benoemd tot consul te Smirna 14 November 1687, vertrekt 31 Januari 1688. Was gehuwd met dochter van Justinus C.
Constantinus ColijerSterft 10 December 1688.
Alexander Colijer1689-1699, aangesteld door zijn broeder de ambassadeur.
Jan Carel des BordesSecretaris, in 1740 tevens kanselier. 1745-1747 waarnemend agent, daarna weer secretaris. Failleert 18 April 1750. Komt November 1750 te Dresden aan. (Missive Calkoen d.d. Dresden 11/17 November 1750. Zie over zijn klachten over het onrecht en de vervolging, hem door De Hochepied aangedaan, missive Calkoen d.d. Dresden 22/28 Juli 1753.

Thesaurier

Cornelis van Persijnbenoemd door Dir. 30 September 1699 voor 3 jaren. Sterft 17 September 1701.
Pietro Leijtstar12 December 1701, door Dir. Sterft 27 November 1736.
Justinus J. Leijtstar1737-1740. Hij failleert in Juli en vlucht 26 November 1740.
Frans van Kerchemvertrekt 4 Oktober 1741. Ter vergadering van Dir. 21 Februari 1742. Bedankt 9 Mei 1742.
Abraham Belcampbenoemd door Dir. bij acte van 27 Juni 1742, komt te C. aan 1 April 1743, vertrekt naar Smirna December 1744. Ontslag op verzoek R. Dir. 9 November 1744.
Jan Hendrik MeijerCompagnon van de vorige thesaurier, benoemd door de Dir. bij missive van 1 Januari 1745. Hij failleert en vlucht 26 Januari 1754. In 1761 te Rome veroordeeld tot 5 jaren galei-straf. Overleed daar in gevangenis 4 Augustus 1762 (zie onder Rome).
Carolus van der OudermeulenBenoemd door Dir. bij missive 6 September 1754, vertrekt naar Holland 14 Mei 1758.
Leendert van den Bongard1759, vertrekt 28 Augustus 1763.
Jan Pieter PanchaudWaarnemend thesaurier 1763-1765, thesaurier 1766-1770, failleert 12 Juli 1770.
S. B. Bornman en Gerard van der SchroefWaarnemend thesaurier tot 29 Januari 1772.
J. P PanchaudWerd in een vergadering van Augustus 1771 weer tot thesaurier benoemd. Hij aanvaardde die bediening 29 Januari 1772 en bleef dit tot 1802. Failleert 26 Augustus 1801 en wordt 20 Januari 1802 door de ambassadeur als thesaurier ontslagen. Hij overleed in 1809 of 1810.
Francois TestaThesaurier ad interim sedert 20 Januari 1802 de eerste Dragoman.

Thesaurier en kanselier

G. Testathesaurier, kanselier en 2e drogman. Hij liet deze drie functies door Salzani waarnemen, waarvoor hij een derde van het salaris uitkeerde o.a. in 1818, 1821.
Dominique Salzaniin 1818 kanselier ad interim. Bij Koninklijk Besluit van 7 Maart 1824 benoemd tot thesaurier en kanselier, ook nog in 1826. Overleden 1850.
Mathieu Salzani
Gaspard TestaRaad van Ambassade o.a. in 1825.

Dragomans

Paulo Anthonio Bono.a. 1613.
Abraham CormanoReeds enige jaren vóór 1639 was Cormano 1e dragoman v/d Ambassade. Bleef dit ook na het vertrek van Haga, waartoe hem 25 November 1639 door H.H.M.M. een commissie verleend werd.
N.N.In 1640 was er ook nog een 2de dragoman, de broer van Cormano’s vrouw. Cops schrijft 30 December 1642 ontvangen bij de St. Gen. 6 Maart 1643, dat hij op approbatie van H.H.M.M. in plaats van Cormano 17 December 1642 overleden, diens zwager tot 1e dragoman heeft aangesteld.
Efraim AbensarchioBij R. 6 Maart 1643 geapprobeerd. Een jood. Eerste dragoman o.a. April 1615, nog in 1621
Nicolo Grilledrogman o.a. in 1616.
Mosse Abenyacar1e drogman sedert 1643, nog in 1647 (Missive 17 Mei 1647) nog 30 Mei 1654 (Missive Ghisbrechti).
Rodolphe BraggiottiEerste drogmans, overleed te Constantinopel 2 December 1796, na gedurende 50 jaren bij de ambassade gediend te hebben.
Francois TestaDaarna eerste drogman.
Jacques Testa2e drogman o.a. 1791, overleed 22 Oktober 1804.
Francois Braggiotti3e drogman.
Léonard Giustiniani3e drogman in 1814 en 1815, 1e drogman 1820, 1823.
Jeunes de Langue1814
Nicolas Gliochokreeg zijn ontslag in 1817.
Barthelemy Galicci1820.

Predikanten

Anthonicus Piscatorbenoemd bij R. 5 November 1622. Bij R. 2 September 1627 wordt hem toegestaan terug te keren. Zie over de benoeming van zijn opvolger (Italiaans predikant) missive Brederode d.d. 17 September en 1 Oktober 1627, dito 15 Oktober, 19 November, 3 December / 4 Januari 1628 enz. 10 Juni 1628 enz., dito 19 Februaru / 10 Maart 1629.
Antoine Legeraangesteld op een jaalijks tractement van f. 600 (zie R. 4 Januari, 11 December 1628). komt te Constantinopel aan in September 1628. In 1633 dringt hij aan op zijn vervanging. Bij R. 3 Oktober 1633 wordt aan de agent Brederode opgedragen hem te verzoeken te willen blijven tot dat een ander in zijn plaats zal zijn gezonden. Zijn tractement verhoogd tot f. 800. Hieraan voldeed hij en vertrok eerst in het laatst van 1636.
David Sartoriusbenoemd bij R. 5 Juli 1635 komt te Constantinopel aan 16 Juli 1636. Gestorven 30 April 1637 (Missive Brederode 3 / 22 Januari 1637).
Gabriël SartoriusMissive Haga 13 Juni / 11 Augustus 1637. Sedert deze datum heeft zijn Davids broer Gabriël Sartorius met het doen van de gebeden en het lezen der predikaties door de overledene geschreven de dienst waargenomen, tot aan zijn vertrek naar Genève in Maart 1638. (zie missive Haga aan Staten-Generaal d.d. 3 Maart 1638). Opschrift op de marmeren grafzerk door Haga doen opstellen zie Haga’s missive 3 Maart / 10 Juli 1638.
Isacus Schetsermet de resident Croock vertrokken, verloor eveneens het leven te Ragusa op 6 April 1667 (res. Dir. L.H. 7 September 1666; missive van Dam aan H.H.M. uit Venetië 19 April / 13 Mei 1666).
Eduard Dankertz1668-1676. Met de resident Colijer uit Holland vertrokken. In 1676 predikant te Smirna (Res. St. Gen. 29 April 1675). Vertrekt 15 Augustus 1676.
Andrea Forestierbenoemd door Dir. zonder voorkennis van H.H.M. op 8 Augustus 1675 voor 5 jaren, op tractement van 600 gulden, met vrije tafel en huisvesting bij de consul. Aankomst 15 Augustus 1676. Geschorst door resident bij acte van 17 November 1676 wegens voltrekken van huwelijken en dopen buiten voorkennis van de resident.
Hendrik Mierckensgeb. te Wesel, predikant in het leger, benoemd door Dir. R. 3 September 1678, aankomst te C. 18 Juli 1679. Wegens zijn ouderdom (60 jaren) een pensioen van 100 rijksd. toegekend R. 24 December 1669. Sterft te Adrianopel in 1710.
Nicolaas WrightFrans predikant, 33 jaar oud R. Dir. 13 Januari 1700, benoemd R. 25 Januari 1700. Sterft 14 Augustus 1709.
Petrus HarencBenoemd 20 December 1709. Reist over Frankfort, Augsburg, Venetië, aankomst te C. 26 September 1710. Vertrekt 27 Mei 1717.
Jacob David ReuterBenoemd R. 26 November 1716, aankomst te C. 3 December 1717, sterft 28 December 1728.
Martin Hendrik NieuwpoortBenoemd R. 19 Augustus 1726, sterft 31 Januari 1730.
Jean GonnetBenoemd R. 2 Februari 1734, aankomst te C. 1 September 1734. In 1743 met verlof in Holland. Sterft op de terugreis naar C. te Lyon (R. 9 Juni 1744).
Johannes KluppelBenoemd R. 3 Mei 1745, komt te C. aan 5 December 1745 en vertrekt weer Juni 1749. In 1750 consul te Tripoli.
Petrus LollemaBenoemd R. 23 Oktober 1750, komt te C. 24 Oktober 1751, wordt in 1752 krankzinnig.
Jean Francois RibbeBenoemd R. 14 Juli 1760, komt 24 Februari 1761 te C. aan. Hij vertrekt 1 December 1780 met verlof. Bij R. 10 December 1784 wordt hem emeritaat verleend met behoud van zijn jaarlijk appointement van f. 600.- Hij overleed te C. September 1789.
Jean David RivoireBenoemd R. 28 Juni 1790, komt te C. aan in December 1790. Vertrekt met verlof naar Holland 6 Maart 1795.

Assessor

Abram de VivierR. 23 Juni 1677.

Kassier

Joannes Fortuijn(Not. Gen. Verg. Dir. 7 September 1700).

Hofmeester

L. Franchini Barchon(inventaris 30 Oktober 1731)

Belangrijkste gebeurtenissen etc.

1670Relaas van de consul van Dam over zijn reis naar Constantinopel
1673-75Turkse brief.
Resolutie 7 Oktober 1675Reglement voor resident en consul te Smirna.
1676-78Verzameling stukken betreffende de onenigheden tussen de resident en de predikant Forestier.
1677Vredesonderhandelingen tussen de sultan en de koning van Polen.
1678Reglement voor de predikant, de kerkdiensten etc. zie R. 19 September, 23 September 7 en 7 Augustus 1678.
1686Memorie over de publieke intrede en audientien van de resident te C.
1701Copie commandement in het Turks.
1703Relaas van de opstand te C. en het begraven van de onttroonde sultan.
1704Vernieuwen van de capitulatie.
1711Berichten over het verdrinken in de Donau van Ds. Johan v.d. Velde.
1714Oorlogsverklaring van de Sultan aan de Republiek Venetië.
1719Intrede van de keizerlijke ambassadeur Von Virmond.
1726Instructie voor ambassadeur Calkoen.
1732Mei 28, besloten testament van de koopman Abraham Bischop, geopend 11 December 1736.
1732-1733Reglement voor de ambtenaren der ambassade gedurende de afwezigheid van de ambassadeur.
1734-1738Diefstal van juwelen etc. ten nadele van de thesaurier Pietro Leijtstar.
1735Ordonnantie ter observatie van het tarief.
1737Congrégation Genervoise, son origine.
1747Opgave van de presenten van de koning van Frankrijk in 1741 aan de sultan gegeven (missive 6 Februari 1747).
1748Juni 1, verkoopacte van het Hollands paleis te Pera aan de Dir. L. H. te Amsterdam.
1758Documenten betreffende de zaak J. P. Panchaud. Moeilijkheden betreffende het vinden van een predikant die Frans en Hollands machtig is; R. 24 Juni 1755 en 3 Juli 1760. Memorie rakende de verbetering van de commercie in de Levant, gepresenteerd door E. de Hochepied (in port.
1763Correspondentie en bijlagen betreffende de beledigingen aan de consul Heemskerk te Aleppo aangedaan.
1765 en 1767Correspondentie en berichten rakende de schulden van de Hollandse consul Hughes in Alexandrië.
1767Rodolphe Braggiotti eerste en Jacques Pesta tweede drogman.
1768Oorlogsverklaring van Turkije aan Rusland.
1779Maart 10. Conventie tussen Rusland en Turkije ter aanvulling van het vredestractaat van 10 Juli 1774.
1782Plan van Constantinopel na de brand van 21-24 Augustus 1782.
1782(Missive 8 Juni). Rapport over de toestand van Turkije.
1783December 28. Nader tractaat tussen Rusland en Turkije over de Krim.
1783Tractaat tussen Spanje en Turkije, gesloten in 1782.
1785Rapport over de toestand van het Perzische rijk.
1788(28 Februari). Manifest van de sultan aan de Staten-Generaal betreffende de oorlog tussen hem en de Keizer van Duitsland.
1790(Bijlage missive 22 Februari). Of- en defensief verbond tussen Pruisen en de Porte gesloten 31 Januari 1790.
1792(Bijlage missive 8 Februari). Tractaat tussen Rusland en de Porte gesloten 9 Januari 1792.
1792(Bijlage missive 19 April). Toltarief.
1792(Bijlage missive 10 Mei) Beschrijving van het monument in de kerk St. Marie te Pera opgericht ter ere van Keizer Leopold II.
1792(Bijlage missive 25 Augustus) Conventie 10 Mei 1779 tussen Rusland en de Porte opgericht, betreffende de vaart op de Zwarte Zee.
1792(Bijlage missive 25 September) Memorie van de Europese consuls in Egypte ten einde aan hun naties het genot der capitulaties te verzekeren.
1801(Bijlage missive 15 Augustus) Capitulatie tot ontruiming van Groot Caïro door de Franse troepen op 27 Juni 1801. Dito van Alexandrië (Bijlage missive 31 Oktober).
1802(Bijlage missive 24 December) Tableau du commerce annuel d’Alep avec l’Europe.
1803(Bijlage missive 11 Januari en 11 Februari) Memorie over de door de Porte aan de Bataafse Republiek toegestane vaart en handel in de Zwarte Zee op de Russische havens (zie ook bijlage missive 25 Mei).
1803(Bijlage missive 13 April) Reglement de la Congrégation genevoise à Constantinople. Verdere bijzonderheden over deze gemeente in de missive zelf.
1804-1805In Portefeuilles 1804 en 1805 bevinden zich ook de brieven van Van Dedem, betreffende de ambassade en welke hij uit verschillende plaatsen in Holland aan de Directie geschreven heeft.
1807(Bijlage missive 9 September) Nota door Van Dedem aan de Franse gezant ter hand gesteld en betreffende de vrije handel op de Zwarte Zee.
1807(bijlage missive 11 September) Wapenstilstand tussen de Porte en Rusland 24 Augustus 1807 gesloten.
1808(Bijlage missive van de consul te Smirna 17 September 1808) Relaas van de onttroning van sultan Mustapha en de verheffing van Muhamed 28 Juli 1808.
1817(Bijlage missive 10 Juli) Toltarief van Oostenrijk.
1817(Bijlage missive 25 Juli) Toltarief voor de Fransen.
1817(Bijlage missive 24 Augustus) Tarief der Hollandse kanselarij rechten te Constantinopel en te Smirna.
1817(Bijlage missive 24 December) Informaties over de handel met Morea (Patras).
1822(Bijlage missive 25 Februari) Publicatie betreffende de opening van de haven Kertih in de zee van Azof.
1822Verscheiden brieven van de correspondent van Testa te Odessa.
1823(Bijlage missive 10 April) Verhaal van de brand te Constantinopel 1 Maart 1823.

3.1.2 Salonica (= Saloniki)

Consuls

NNDoor de ambassadeur Jacobus Colyer (1684-1725) werd alhier een consul aangesteld, die in 1729 overleed.
Onesto CaldanoKoopman te Saloniki, door de ambassadeur Calkoen in 1729 aangesteld (R. 24 Febr. 1729) op approbatie van H.H.M.; uit de R. van 2 Augustus 1736 blijkt echter dat die approbatie niet heeft plaats gehad. Caldano overleed 23 September 1737. (1729-1737).
Charles de Louvraagt een benoeming als consul. (R. 28 Januari 1738). Sedert 1728 alhier gevestigd.
Frederik Willem van Frijbergenkoopman te Constantinopel wordt bij R. 26 Augustus 1739 tot consul te Saloniki benoemd; hij was de eerst consul aldaar, die door de Staten-Generaal aangesteld werd. De ambassadeur Calkoen had hem tevoren reeds hierheen gezonden als consul pro interim tot regeling van enige geschillen (Miss. 2 Juli 1739) Reglement voor de schaal Saloniki d.d. 28 Januari 1741 en 27 Juni 1741.
1740 en 1741 vele stukken betreffende de geschillen tussen van Frijbergen en Charles Delon en H. Chapelie. Zie over het proces tussen van Frijbergen en de la Fontaine onder Constantinopel 1739 en 1740.
Charles de Louwaarnemend consul o.a. in Mei 1743 gedurende de reis van Frijbergen naar Constantinopel en ook na diens overlijden op 10 Oktober 1745. (1739-1745).
Michiel Ricarddoor de ambassadeur gezonden als consul pro interim 1745 en 1746.
Charles Delonbenoemd tot consul bij de R. 28 Mei 1746, op dezelfde voet als bepaald is bij de R. 26 Augustus 1739, 28 Maart 1740 en 30 Oktober 1741. In 1753 vraagt hij zijn ontslag met verzoek zijn oudste zoon in zijn plaats te stellen (R. 20 Maart 1753), en vertrekt 17 Juli 1753 naar Genua, latende zijn zoon pro interim. (1746-1753).
Marc Antoine Delonbenoemd bij R. 2 December 1754. R. 5 Augustus 1768: “daar het consulaat van S. van geen het minste nut voor de handel en.” wordt Delon gedesigneerd tot consul te Alexandrië in Egypte; hij werd daartoe definitief aangesteld bij R. 18 Maart 1771. Ten gevolge van de politieke toestand in Egypte werd die post door hem nooit aanvaard. (R. 8 September, en 14 Oktober 1771 en 30 April 1784). (1754-1781). Bij R. van 14 Oktober 1771 werd aan Delon toegestaan een keer herwaarts te mogen doen, om met de Directeuren van de Levantse handel over de negotie in Egypte te overleggen. Delon overleed te S. in November 1781, nadat hij kort voor zijn dood de waarneming van zijn drie consulaten (de Republiek, Zweden en Pruisen) aan de Engelse consul Olifer had opgedragen. (R. 2 Januari 1782).
Oliferzie boven
Vincenzo MuzengaVervolgens werden de zaken van het consulaat ad interim waargenomen door Vincenzo Muzenga, die in 1785, door de Koning van Napels tot consul te Nizza benoemd, uit S. vertrekt. (R. 18 Februari en 7 Maart 1785).
Demetrius Coïdandoor de Chargé d’Affaires Kroll met de waarneming van het consulaat ad interim belast. Die opdracht werd later door H.H.M. geapprobeerd. Bij missive van 28 December 1792 vraagt Coïdan aan de Staten-Generaal om hem zijn zoon Eustache als adjunct- met de survivance van het consulaat te willen toevoegen (R. 11 April 1793). Coïdan was nog te S. 28 September 1793 (zijn laatste brief). ( 1785-??).
Pierre ChasseaudSedert 1802 vice consul te S. krachtens patent van de ambassadeur Van Dedem te Constantinopel (zie archief Buitenl. Zaken, brief van Chasseaud 5 September 1806). In 1809 werd Chasseaud door de Chargé d’Affaires te Constantinopel in zijn functies geschorst ( zie diens missive 11 December 1809). Kon. Besluit 13 Maart 1810 houdende approbatie van het gedrag van Testa in deze met last om die suspensie in een finale dimissie te converteren. (1802-1809).
Matthias AbramIn 1817 was het consulaat te S. nog niet hersteld. (zie missive Const. 24 Januari 1817). Matthias Abram was een Oostenrijker, in 1817 door Testa provisioneel tot consul te Saloniki aangesteld.

3.1.3 Smirna

Consuls

o.a. in 1628-1630Nicolo OrlandoVenetiaan, die vóór deze te Smirna het consulaatsambt voor de Nederlanders bediende (Missive Haga aan de Staten-Generaal 1 Mei 1634). Zie ook missive Haga 20 Januari / 1 April 1622 en bijlage / Bijlage Remonstr. Haga zie 2 November 1633.
1635-1656Duca di GiovanniGriek van geboorte, door Haga aangesteld. In 1653 kwamen er bij de Staten-Generaal klachten over hem in van de Hollandse kooplieden te Smirna, die tevens verzochten een Nederlands consul aldaar aan te stellen. Ingevolge advies van de Directie Levantse Handel werd besloten die zaak bij provisie te laten zo als zij was (R. 24 Juli, 23 en 29 Augustus 1653).
1657-1661Michiel du Mortierbij R. 8 Januari 1657 besloten hem bij missive aan L. Warnerus te recommanderen om bij provisie en voor 3 jaren aangesteld te worden tot consul te Smirna in plaats van Giovanni. Aangesteld door Warnerus bij akte d.d. 9 Maart 1657. Op verzoek ontslagen bij R. 20 Februari 1660, terwijl hij bij R. 27 Februari 1660 gelast werd te blijven tot de aankomst van zijn opvolger. Desniettegenstaande gelaste Warnerus hem weg te gaan en stelde Duca di Giovanni weder in zijn plaats aan (zie over deze twist een missive van du Mortier aan de Staten-Generaal 5 Juni / 7 September 1660). Du Mortier vertrok in November 1661.
1662-1668Gerard SmitsAangesteld krachtens R. 27 Maart 1660 door resident Warnerus, komt te Smirna 26 Februari 1662 en vertrekt 12 April 1668. Hij overleed 15 Januari 1669 (zie R. 8 Maart en 22 September 1663, 5 Juli 1664). De regering was zeer ontevreden over zijn handelingen aldaar, hij weigerde zelfs aan de hem gezonden orders te gehoorzamen. Vooral grote moeilijkheden met de predikant Coenen waarover een uitgebreide correspondentie gevoerd werd zowel met H.H.M.M. als met Dir. Levantse Handel. De grootste grief tegen hem was dat hij de R. 1 December 1663 op het tanzarecht niet opvolgde.
1668-1688Jacob van DamSecretaris van Directeuren van de Levantse Handel werd bij R. 1 April 1666 aan Croock als consul aanbevolen en door deze benoemd verloor op reis naar Smirna bij de aardbeving te Ragusa 6 April 1667 al zijn goederen en papieren, waardoor hij naar Holland moest terugkeren. Dientengevolge kwam hij eerst 12 April 1668 te Smirna aan, in gezelschap van de resident Justinus Colijer. Vertrekt 22 Februari 1689, nadat hij vrijwillig afstand van zijn bediening had gedaan.
1688-1723Daniël Jan Baron de Hochepiedgeboren 1657. Benoemd bij R. 14 November 1687, aan de resident Colijer gerecommandeerd en bij provisie voor 3 jaar tot consul te Smirna benoemd. Komt te Smirna aan 22 Juli 1688. Ontvangt van de keizer, Leopold I de titel van baron. (zie missive 6 Augustus 1704). Hij overleed 10 November 1723, oud 66 jaar. (schoonzoon van de ambassadeur Justinus Colijer). Missive Hochepied 28 Augustus 1699 aan Directeuren. Zijn oom Daniël, Directeur van de Levantse Handel 10 Januari 1680 – 7 Januari 1682 en Januari 1683 – Januari 1685, zwager van de ambassadeur Justinus Colijer. R. Directie 27 Mei 1682. Huwelijkse voorwaarden tussen Daniël de Hochepied en Catharina Clara Colijer dochter van Justinus Colijer en vrouwe Maria Engelbert 9 September 1679. (adelboek Constantinopel 1668-1689).
1724-1759Daniël Alexander Baron (Graaf) de Hochepiedbenoemd bij R. 29 Januari 1724. In 1742 ontving hij van de keizerin de titel van graaf, en zond een copie van zijn adelsdiploma over. Overleed 24 Februari 1759.
1759-1796Daniël Jan Graaf de HochepiedDoor de ambassadeur te Constantinopel aangesteld tot consul ingevolge R. 7 Juni 1759. Hij overleed te Smirna 20 Februari 1796 in de ouderdom van 68 jaren. Zijn weduwe overleed 29 November 1801 in de ouderdom van 74 jaren. Testament van de Hochepied zie bijlage College te Smirna 29 Februari 1796.
1797-1810Jacobus de HochepiedBenoemd bij decreet der Nationale Vergadering van 13 December 1797, tot consul op een tractement van f. 6000- per jaar en verdere emolumenten. Zijn diploma en instructie ontving hij 7 Maart 1798 van de ambassadeur, ook legde hij de eed in diens handen af. (zie missive 2 April 1798). Huwt 19 Augustus 1798 met Mejuffrouw van Lennep (missive 17 Augustus). In 1809 verzoekt hij om aangesteld te worden tot ambassadeur bij de verhevene Porte. Er wordt 8 Juli 1809 te kennen gegeven dat die post voor alsnog onvervuld blijft.
1814-1824Jacobus de HochepiedWordt 11 Maart 1814 wederom als consul aangesteld. Overleed 6 Februari 1824.
1824-1825Isaac Slaarswaarnemend consul na het overlijden van de Hochepied.
1825-Jacob van Lennepbenoemd bij Koninklijk Besluit tot consul-generaal 20 December 1825.

Vice-consul

N.N.In 1614 was er een Vice-consul te Chios (missive Haga aan de Staten-Generaal 7 Maart 1614).
Cornelis van Osteijengediend hebbende de orateur Haga en daarna als consul in Chios. R. 13 Januari 1629. In R. 14 Juli 1620 wordt hij genoemd gewezen consul in het Koninkrijk Cyprus en hem f. 300 voor zijn diensten toegezegd.
Coyvice-consul te Smirna Remonstrantieboek I 290.
Mr. Johan Calckoen1677 en 1678 vice-consul aangesteld door van Dam.
Adriaen Groenincxzoon van Marinus, Dir. te Rotterdam. In 1680 door de consul tot vice-consul aangesteld. (Notulen vergadering Directie 9 December 1680). Waarschijnlijk in 1684 Directeur te Rotterdam.
Daniël Cossonuit Leiden geboortig, provisioneel door Colyor aangesteld en door de Staten-Generaal bij R. 27 December 1680 gedurende het verlof van Dam naar Holland.
Martino de Meyerconsul in Tripoli di Soria o.a. in 1674 (missive d.d. 24 Augustus aan Dir. Levantse Handel) Missiveboek fol. 152.
Philip van der Sanden1695 vice-consul. Sedert 1796 was adjunct-consul Justinus Constantinus Baron de Hochepied. Hij overleed te ’s-Gravenhage, 25 Maart 1717. Bij R. Staten-Generaal 5 Mei 1710 geautoriseerd om de zaken van de staat en de handel in presentie en absentie van zijn vader, de consul te Smirna te kunnen waarnemen. Zie ook R. 21 November 1705.
Daniël Alexander de Hochepiedconsul ad interim R. 7 Mei 1720 (3e zoon van de consul), gedurende de reis van zijn vader naar Holland.
Raffaeli Stelliovice-consul te Scio o.a. 1725-1727.
Daniël Jan de Hochepiedbenoemd tot adjunct-consul bij R. 16 Augustus 1753, met belofte later zijn vader te zullen opvolgen. Komt eerst te Smirna aan 5 Juli 1756.
RaffaelliVice-consul te Scio Gio in 1772.
Vassili SardiVice-consul te Milo in 1787.
Jacobus de Hochepiedenig overgebleven zoon van de consul, benoemd tot adjunct-consul met het vooruitzicht zijn vader op te volgen. R. 10 December 1787.

Thesaurier

Jacobus van der Merctaangesteld door Directeuren 27 November 1675 bij provisie voor 3 jaren. Zie ook R. 7 Oktober 1676. Bij R. 3 Mei 1679 voor 3 jaren gecontinueerd. Hij overleed 24 Juni 1697.
Hendrik Scholten jr.benoemd R. Directie 11 September 1697. Wegens zijn jeugdige leeftijd aanvaardde hij met toestemming van Directeuren zijn betrekking nog niet en werd deze waargenomen door de kanselier Haemraeth. Na zijn dood in 1704 door Ph. van der Sanden. Scholten komt 24 September 1705 te Smirna aan. Verlof 2 jaar R. Directeuren 9 en 21 Januari 1709. Vertrekt 15 Mei 1709. Ontslag 29 December 1710.
Andrea van der Sandenvolgens R. 9 Januari 1709 en 21 Januari 1709 en 8 Mei. Vice-thesaurier 1711. Benoemd voor de tijd van 3 jaren. (R. Directeuren 29 December 1710). Hij blijft dit tot aan zijn overlijden op 1 November 1749. Hij is dan ongeveer 73 jaar oud).
Jean Francois Menubenoemd 27 Mei 1750, instructie 24 Juni 1750. Ontslagen bij missive van Directeuren d.d. 17 April 1753. Hij komt 4 November 1753 te Texel aan.
Abraham van den Boogaerdtbenoemd 1753 overleed 10 Juli 1755.
Jan Coenraad Borellsedert Augustus 1756; met verlof 11 Maart 1761, terug in 1762. Vertrekt naar Holland 31 Januari 1765.
D. Fremeaux en W. Ensliewaarnemende thesauriers.
Conrad Godard Nicolas Schützbenoemd 20 Augustus 1766, komt te Smirna 23 Februari 1767. Hij overleed 1 November 1802, 75 jaren oud. Daarna werd het thesaurierschap waargenomen door de assesoren Willem Hoeting en Jean Jacques Dutilh.
Willem Hoeting en Jean Jacques Dutilhz.b.
Gerrit van Brakeldoor Directeuren voorlopig in 1805 benoemd, definitief April 1806, doet zijn eed 16 Mei 1806.
Gerrit van Brakelprovisioneel in 1814 aangesteld, definitief in 1815 (missive 18 Oktober 1815). Overleed tussen 20 November en 1 December 1817 in de ouderdom van 77 jaren.
Isaac Slaars1818, nog in 1826.

Kanselier

Vincenzo Pellicanoo.a. 1618 (missive Haga met bijlage 20 Januari / 1 April 1622).
Francesco Lupazzoli1654-1668 of 1669. Venetiaans consul te Smirna (zie Remonstantieboek b I 192).
Carlo Luppazzoli1669-1673.
Lorenzo Rigovice-kanselier sedert 1674, kanselier sedert 1677 in dienst van Directie 1679. Overleed op het eiland Scio 31 Juli 1694.
Coenraedt Haemraethsedert 1694. Benoemd door Directeuren 27 Oktober 1694. Overleden 26 November 1704.
Mattheo Haagmanvice-kanselier in 1695.
Jean Chapmanaangesteld door Directeuren 27 Mei 1705, gaat in Augustus 1713 met verlof naar Holland. Sterft 18 Augustus 1715.
Georgeo Amiravice-kanselier sedert 1704, overleed 13 Juni 1720.
Georg Philip Haanzoon van wijlen Ds. Benedictus Haan te Amsterdam. Reeds in 1704 te Smirna. Aangesteld door Directeuren bij missive 31 December 1715. Haan overleed 9 December 1751.
Johan Frederik Mannvice-consul in 1751, sedert 1752 kanselier. Overleed 14 Juli 1774.
Gerrit van Brakelkanselier ad interim in 1774 en 1775, tevens opziener van de tol.
Abraham KeunBroer van de predikant. Komt te Smirna 16 Maart 1775. Overleed 14 Maart 1784.
Gerrit van Brakelad interim 22 November 1783.
Gerrit van Brakelaangesteld door Directeuren bij missive 21 September 1784; door het college te Smirna 23 Augustus 1803 in zijn post geschorst, werd op aandrang van Directeuren 23 Februari 1804 daarin hersteld.
Isaac Slaarsadjunct-kanselier 1791-1805. Wordt in 1805 voorlopig tot kanselier aangesteld, definitief in April 1806.
Willem Hoetingadjunct-kanselier voorlopig in 1805, definitief in April 1806, met behoud van zijn post als opziener van de tol en met recht van survivance.
Isaac Slaarsvoorlopig in 1814, definitief om 1815 aangesteld (zie missive 15 Januari 1816).
Willem Hoetingadjunct-kanselier en opziener van de tol sedert 1814. Overleden 7 November 1822.
Isaïa Ferckenin 1818 aangesteld komt 22 Januari 1819 uit Candia te Smirna aan en wordt 26 Januari 1819 geïnstalleerd. Was er nog in 1824, 1826.

Predikanten

Thomas Coenen voor particuliere rekening van de consul Smits met deze naar Smirna vertrokken. Bij R. 5 Juli 1664 werd zijn tractement door de Staten-Generaal vastgesteld (zie verder R. 12 en 24 Juli 1669, 11 Januari 1670). Hij vertrekt 18 Juli 1671.
Hermanus Menslageaangesteld door Directeuren 30 December 1670, komt te Smirna 4 Juli 1671 en overleed aldaar 2 November 1671.
Eduard Danckertzpredikant te Constantinopel. Zijn beroep naar Smirna goedgekeurd bij R. 29 April 1675. Komt te Smirna 29 Augustus 1676. Vertrekt na 20 Maart 1680.
Abraham Weerden28 Juni 1679 door Directeuren aangesteld komt te Smirna 7 Maart 1680. Op verzoek ontslag verleend R. Directeuren 29 December 1683, in 1683 te Borculo beroepen. Vertrek omstreeks Oktober 1684. Verscheen op de vergadering der Directie 5 Februari 1685.
Henricus Francken29 Maart 1684 door Directeuren aangesteld, komt te Smirna 7 Augustus 1684. Vertrok waarschijnlijk Januari 1691. Ontslag verleend op verzoek R. Directeuren 3 November 1688.
Jacob Kunstgeboren te Alkmaar 28 jaar oud, aangesteld door Directeuren 22 December 1688, vertrekt in Juni 1689, komt te Smirna 26 Oktober 1690. Overleed 5 Augustus 1692.
Johannes Hillebrantsgeboren te Harlingen, 22 jaar oud, aangesteld door Directeuren 18 November 1692 voor 5 jaren, komt eerst 1 Oktober 1694 te Smirna aan. Overleed 15 Juni 1698.
Wilhelmus Ravens17 September 1698, aangesteld door Directeuren voor 5 jaren, geapprobeerd door H.H.M.M. R. 19 en 22 September 1698. Met het schip Jarmouth 24 December 1698 vergaan.
Johannes Heijmangeboren te Wesel, 24 jaar oud, door Directeuren beroepen R. Staten-Generaal 8 September 1699, komt 8 Juni 1700 te Smirna aan. Op verzoek ontslagen R. Directeuren 30 September 1705. Vertrekt na 1 Juni 1706, aangekomen in Holland einde 1706.
Justus Oosterdijkgeboren te Amsterdam 1666. predikant te Aleppo, door Directeuren 30 September 1705 naar Smirna geroepen. Komt 1 Juni 1706 aldaar aan en overleed 12 Juli 1710.
Hermanus van der HorstR. 3 December 1717, komt te Smirna 6 April 1718. Vertrekt 13 Maart 1727. Te Jutfaas beroepen.
Tiddo Wolthuysaangesteld door Directeuren in 1729, komt te Smirna 12 Oktober 1729, overleden 19 Juli 1740.
Wilhelmus VonkR. 23 Januari 1741 komt te Smirna 6 September 1741, vertrekt Augustus 1745.
Jacob van der VechtR. 21 April 1746. Komt te Smirna 20 November 1746, vertrekt in stilte in Januari 1755 met achterlating van een tekort in de armenkas. Dienst werd waargenomen door Jan Jacob Cobbe tot aan de komst van
Bernardus KeunR. 30 Juni 1755. Komt te Smirna 14 Januari 1756. Vertrekt met verlof naar Holland 31 Januari 1765, komt terug 15 Februari 1766. Gaat weer met verlof naar Italië en Holland 1e Maart 1778, terug te Smirna in het voorjaar van 1779. Bij R. 15 Juni 1787 wordt hij emeritus verklaard. Hij bleef ook na zijn emeritaat de dienst waarnemen. Overleed 23 Januari 1801, 68 jaren oud. (Authentieke copie van zijn testament bij de missive van 31 Januari 1801).
J. F. UskoLuthers predikant neemt na de dood van Keun de dienst waar. Vertrekt 6 Februari 1807.
Favezo.a. 1817 en 1818.

Dragomans

Cornelis van Brakelopziener van de tol, overleed 11 Oktober 1788.
Ferdinand Hoetingopziener van de tol, aangesteld in 1802.
Marcar Abro1e dragoman o.a. 1807, door het consulair college 22 Mei 1807 uit zijn post ontzet, later weer in ere hersteld. Hierover ontstond verschil van gevoelen met de ambassadeur, Van Dedem.
Jacob Abro2e dragoman o.a. in 1808. Hem werd bij besluit van het college te Smirna toegestaan zijn verblijf te Constantinopel te vestigen voor tijdelijk.
Giorgaki Amira3e dragoman, overleden Juni 1811.
Marcar Abro1e dragoman o.a. 1814-1823.
Athanasio Malcozzi2e dragoman o.a. 1814-1824.
Diodato Abro3e dragoman o.a. 1815-1817.
Daniel Jan Slaarsin 1823 benoemd tot opziener van de tol, sterft 6 September 1824.

Belangrijkste berichten, bijlagen enz.

1657Advies v. Directeuren van de Levantse Handel over een generaal reglement op de consulaatrechten
1658Turkse brief
1661Advies over het verlenen van commissie aan de consul te Smirna, hetzij door de resident te Constantinopel, hetzij door H.H.M. onmiddellijk.
1663Bijlage missive 18 Juni: Contract tussen de consul Smits en de predikant Coenen gesloten te Amsterdam September 1661. Missive van Coenen aan Directie (zie R. 16 Mei 1668) houdende verhaal van het gepasseerde wegens de Joodse Messias Sabatha Seri.
1668R. 6 Juni en 29 Augustus 1668: Missiveboek fol. 236. 2 ½ jaar tractement ten achter in 1667 R. 25 Augustus. Geschillen tussen Coenen en Smits ontstaan.
1670Verbaal van de reis van van Dam naar Constantinopel.
1675Rapport (met bijlagen) door H.H. Directeuren uitgebracht omtrent de sedert 1672 bestaande geschillen tussen consul en natie.
1675Reglement voor de Resident Colijer en de consul van Dam (vast tractement toegezegd).( R. 7 Oktober 1675)
1678Reglement voor de predikant, dienst, enz. (R. 19 en 23 September, 4 en 7 Oktober)
1686Geschillen tussen de consul en 13 kooplieden der natie
1687Rapport over de zaken in Smirna.
1688Aardbeving; brand gedurende 3 dagen (10 Juni 1688)
1690Processtukken en sententiën inzake van Laer ca. van Wijk.
1691Geschillen tussen de consul en Gio Ermen.
1695Reis van de consul naar Adrianopel.
1709Johannes Heijman in 1709 professor in de Oosterse talen te Leiden.
1711Berichten over het verdrinken van de voor Smirna bestemde predikant Johan van der Velde ( R. 17 November 1710).
1719Verhaal en programma van de intrede van de ambassadeur des Keizers van Virmond te Constantinopel 5 Augustus 1719.
1720Missive 8 en 23 Maart 1720: voorstel dat het tractement van de ambassadeur te Constantinopel ad 500 rijksdl. voortaan door H.M. worden betaald.
1729Verzameling extracten uit de Classicale handelingen te Amsterdam betreffende het beroep der predikanten te Smirna van 1660-1727.
1747Epitaphe van een Pasha.
1756Kaart van het eiland Mytilene.
1766Brief van Pieter van Sanen d.d. 20 Februari over de oprichting van een Pruisische Levanse Compagnie. Zie ook missive Constantinopel 16 September 1765.
1770Nederlaag van de Turkse vloot. Relaas van het oproer en de moord op de Grieken te Smirna uit vrees voor de komst der Russen.
1776Mededeling van de Hochepied dat hij sedert verscheidene jaren gehonoreerd met het Imperiaalse Toscaanse en Deense consulaat thans ook met het Zweedse begiftigd was doch zonder honorarium. (missive 26 Februari)
1778Tarief eed van de kanselier. Concept instructiel.
1784Daniël Fremeaux gedurende 40 jaren assessor vraagt zijn ontslag. Overleed 9 November 1795. Fremeaux werd 82 jaar.
1792Copie tarief en ampliatie door de ambassadeur Van Dedem met de oppertollenaar op 26 Februari gesloten omtrent de in- en uitvoer der Hollandse natie in het Turkse Rijk. (missive 2 April).
1792Memorie over het succes der proeven met olijfolie gedaan, tot genezing van de pestziekte. (missive 17 Oktober)
1795De assessor David van Lennep neemt zijn ontslag en sterft 13 April 1797. (85 jaar oud).
1797Relaas van de op 15 Maart 1797 te Smirna gepleegde gruwelen. (bijlage missive 2 April)
1797Geldelijke vergoeding van de Turkse regering in 1800. (zie missive Van Dedem Constantinopel 26 Februari 1800).
1800Capitulatie van Caïro. (bijlage missive 17 April)
18031. opgave van de lakens en wollen stoffen en hun waarde in Smirna aangebracht van 1784-1793. 2. vergelijkende staat van de appointementen der vreemde consuls te Smirna 1797-1803. (bijlagen der missiven van 16 April)
1803Vice-consul op het eiland Mitylene Isaac Pevachi Scuffi.
1806Instructies voor de kanselier en adjunct-kanselier. (missive coll. 2 Juni)
1807Decreet d.d. 21 November 1806 Potsdam, door Napoleon tegen Engeland uitgevaardigd. (bijlage Missive van Brakel 31 Januari)
1810Inventaris der registers, minuten en effecten van de Thesaurie van het Hollands consulaat te Smirna, op de 1e Oktober 1810 aan het Franse consulaar overgegeven.
1817Staat der koopwaren uit Smirna uitgevoerd van 1 Januari – 30 Juni 1817. (bijlage missive 17 Juli)

3.1.4 Aleppo

Consul

1613-1622Cornelis Reijniersz. PauwBenoemd R. 26 Oktober 1612. Legt eed af bij Haga 1 Mei 1613, met wie hij naar Constantinopel was vertrokken. Pauw was consul over Aleppo, omliggende kwartieren en landen. (R. 14 Januari 1611 en 13 Augustus 1611). Zijn instructie R. 8 December 1612 en 30 Mei 1614. Vertrekt uit Constantinopel naar Allepo 28 Augustus 1613. Zijn tractement vastgesteld bij R. 16 Mei 1614 en 6 Juni 1615. Bij R. 3 Mei 1618 wordt hem toegestaan een reis naar Damascus te maken, eveneens naar Aleayro en omliggende plaatsen, ter onderhouding der gesloten capitulaties. Daarna naar Holland om verslag uit te brengen over de negotie, na een vice-consul te hebben aangesteld. Hij kwam waarschijnlijk in 1619 in Holland en vertrekt weer naar Aleppo in November 1620 (R. 14 November 1620). Pauw neemt definitief ontslag, zie R. 6 Maart 1625. Zijn tijd was om 18 Oktober 1625.
o.m. 1619, 1624onder protectie van consuls van andere natiesGedurende de afwezigheid van Pauw o.a. in 1619 had deze de natie gesteld onder protectie van de Franse consul (R. 27 Januari 1619), later nog onder dienst opvolger Viguier. Daarna in 1624 door Haga gesteld onder protectie van de Engelse consul Eduardo Chircham of Kircham.
1625- ?Cornelio WitsenBenoemd R. 9 September 1625. Hoofdconsul ? 1626-1638 ? Is in April 1626 te Aleppo. Komt in het volgende jaar terug. Compareert in de vergadering der Staten-Generaal van 13 December 1627. Zie zijn commissie in het Commissieboek 19 Juli 1625 fol. 410 en 411.
1627-1629Jan van PeenenWaarnemend consul gedurende afwezigheid van Witsen Mei 1627 – Oktober 1629.
1631-1634onder protectie van consuls van andere natiesIn 1631 stond de Nederlandse natie onder protectie van de Engelsen, in 1632 onder de Franse consul. De Franse vice-consul Barthelemy Delestrade o.a. in 1633 en Januari 1634 waarnemend consul.
1654-1661onder protectie van de consul van de Franse natieSedert 1654 bleef onze natie onder protectie van de Franse consul tot 1661. (zie missive L. Warnerus Constantinopel 29 Oktober 1661).
1661-1662?Frederico WarnerusDoor zijn broer L. Warnerus aangesteld. (missive Levantse Handel aan Directeuren 29 Oktober 1661, R. 24 Januari 1662). Hij had ruim vier jaren bij hem te Constantinopel gewoond. Komt te Aleppo 23 Januari 1661. Zie R. 29 November 1661, missive Levantse Handel 25 Oktober 1662.
?WarnerusWarnerus o.a. in 1666 in Holland, hij diende n.l . 21 December 1666 een request in bij H.H.M.M. inzake de nalatenschap van zijn broer Levinus, wiens erfgenaam hij was.
1663-1666Egidio MesteeckerBenoemd bij R. 25 Januari 1662, komt te Aleppo 21 September 1663. Bij R. 16 Februari 1662 werd zijn commissie uitgebreid tot Tripoli di Soria, Cyprus en St. Jean d’Acre. Vertrekt in 1666 naar Holland om mondeling rapport te doen. Draagt de waarneming van het consulaat aan de Franse consul op. Grote onenigheid tussen Mesteecker en de natie, die aandringt op zijn ontslag (R. Directeuren 13 Augustus 1666). Bij R. 7 Oktober 1666 gelast zich voorlopig niet met het consulaat te bemoeien.
1680-1685Laurens d’ArvieuxFrans consul.
1685-1688Francois JullienFrans consul. Commissie Staten-Generaal 12 Juni 1685. Op grond van klachten uit Aleppo werd de provisionele commissie aan Jullien ingetrokken, bij R. 4 November 1687.
1689-1694Coenraet CalckbernerBenoemd bij R. 4 November 1687. Vertrekt nog niet en belast zijn compagnon Jan Bobart met de waarneming als vice-consul van het consulaat. Vertrekt naar Aleppo einde 1689. Overleed aldaar 15 Oktober 1694.
1695-1703Gio GoscheWaarnemend consul na Calckberner, benoemd na diens overlijden bij R. 24 Juni 1695, over Aleppo, Tripoli di Soria, St. Gio D’Acri en Cyprus. Vraagt zijn ontslag en vertrekt 3 Juli 1703. Gosche was in dienst van Abraham Heldewier, naar Aleppo vertrokken einde 1686 om zich als koopman te vestigen. R. Directeuren 18 December 1686.
1703-1706Georg BrandonEngels consul, neemt op daartoe gedaan verzoek de Hollandse natie onder zijn bescherming. Geapprobeerd door de ambassadeur te Constantinopel. Bij R. 10 Juli 1706 geautoriseerd om het consulaat provisioneel waar te nemen, totdat een Hollandse consul zal zijn aangesteld. Overleed 22 November 1706.
1707-1717William PilkingtonEngels consul aangesteld, om bij provisie het Hollands consulaat waar te nemen. R. 5 December 1707. Komt te Aleppo 27 November 1707 aan. 1707- Vertrekt 15 Februari 1717.
1722-1727John PurnellEngels consul sedert 15 Februari 1717 bij R. 19 Maart 1722 geautoriseerd om het Hollands consulaat bij provisie waar te nemen. Purnell wordt in 1727 vervangen.
1728-1733Daniël BoumeesterProvisioneel door de ambassadeur benoemd tot consul goedgekeurd bij R. van 5 Juli 1728. Op verzoek ontslagen bij R. 15 Januari 1733.
1733-1740Jan Jacob van LiebergenBenoemd bij R. 15 Januari 1733. Vertrekt 7 April 1740. Op verzoek ontslagen R. 25 Januari 1741.
1746-1747Hendrik Abram HeirmansWaarnemend consul 1740-1745. Benoemd tot consul bij R. 26 Februari 1746. overleed 7 Oktober 1747.
1748-1751Arthur PollardEngels consul aldaar, nam de Hollandse natie onder zijn bescherming. Vertrekt in 1751.
1752-1755Hendrik HaanwinckelBij R. 21 Juli 1752 aangesteld tot consul pro interim voor drie jaren, met een tractement van 1000 Leeuwendaalders en de helft van de ambassade en consulaatrechten, onder voorwaarde alle onkosten zelf te dragen. Vlucht 9 Oktober 1755.
1755-1756Matthias van AstenDoor de ambassadeur gezonden tot regeling der zaken te Aleppo.
1756-1760Jan van KerchemBenoemd bij R. 9 Augustus 1756. Overleden Juli 1760.
1761-1763Jan HeemskerkWaarnemend consul na het overlijden van Van Kerchem, tot consul aangesteld bij R. 11 Februari 1761. Op verzoek ontslagen bij R. van 20 Juni 1763, nadat hij reeds van te voren voor zijn particuliere belangen naar Constantinopel was vertrokken. Vertrekt naar Holland 26 December 1763.
1763-1784Nicolaas van MaseijkBenoemd bij R. 20 Juni 1763 tot consul voor Aleppo, Cyprus, St. Jean d’Arci en andere onderhavige aan de kust van Syrië gelegen delen. Hij komt aan 22 Oktober 1764. overleed 28 Februari 1784. Gedurende zijn afwezigheid in 1769 na de Venetiaanse consul Domenico Serioli waarnemend consul. R. 2 Oktober 1769.
1784-1810Jan van MaseijkOudste zoon van Nicolaas. Benoemd bij R. 4 Oktober 1784. Hij was toen vice-consul voor Napels, Zweden, Denemarken, waarvoor hij nu moest bedanken. In Juni 1798 vertrekt hij naar Constantinopel om met de ambassadeur de belangen van de handel te Aleppo te bespreken. Hij laat zijn broer Pieter Jan van Maseijk als waarnemend consul. Op de terugreis van Constantinopel naar Aleppo wordt hij door een oproerig pacha gevangen gehouden. Kwam met losgeld van 3000 piasters vrij en komt in Juni 1799 weder te Aleppo. Zie een omstandig verhaal hiervan in zijn missive van 24 Juni 1799 nr. 2.
Bij Koninklijk Besluit van 7 November 1815 nr. 51 krijgt hij een pensioen van f. 1500,- met de bevoegdheid het vice-consulaatschap uit te oefenen. (vice-consul 1815-1824). Zijn laatste brief aan Directeuren is van 22 Januari 1824. Hij genoot zijn pensioen nog in 1825. Overleden 18 April 1826.

Vice-consul

Jacomo Millevice-consul in Cyprus in 1614.
Willem Pinas16 Juli – 14 September 1615.
Cornelis van Ostagevice-consul te Cyprus o.a. 1615 en 1616 (zie R. 13 Juli 1620) Missive Pauw 12 September 1615. Van hem een missive uit Aleppo 14 Mei 1615 (in lias Constantinopel). N.B. Hij zelf ondertekent Cornelis van Ostaijen Haga en Pauw schrijven Van Ostagie of ge (zie onder Smirna).
Pietro Savioni: (Venetiaan)vice-consul te Cyprus door Pauw aangesteld, door Haga geconfirmeerd, tot aan de komst van Witsen in 1626, die Steenwinckel daartoe benoemde. (missive Witsen aan H.H.M. 3 Maart 1633). Volgens missive Haga 21 Juni (18 Augustus 1625 was in 1625 Jan van der Wielen vice-consul in Cyprus en Palestina.
Daniël Steenwinckeldoor de consul Witsen, 2 April 1626 aangesteld tot vice-consul te Cyprus (R. 17 Februari 1632), nog in September 1655. In 1636 was Steenwinckel in Holland (zie R. 1 Augustus 1636).
Abraham Aertsensvice-consul in Palestina (St. Jean d’Acre). in 1626 door Witsen aangesteld. (R. 17 Februari 1632). Van Peenen weigerde betaling der ontvangen consulaatrechten te doen (R. 17 Februari 1632). Evenzo weigerde Steenwinckel en Aertsens.
Anthonius Jansen Duijvelaerconsul te Cyprus o.a. in 1637, die het consulaat later aan een Engelsman overdroeg (Remonstrantieboek I 307).
Eduard Blijenberckvice-consul te St. Jean d’Acre in ?? (zie Remonstrantieboek I fol. 136).
Anthony Lagizeconsul o.a. in 1652 en 1653 (R. Directie Levantse Handel 28 Maart 1653).
Martinus de Meijerevice-consul te Tripoli di Soria o.a. in 1674 en 1675. Zie ook onder Smirna.
Jacob WendtKanselier te Tripoli in 1674.
Balthasar SauvanDe Franse vice-consul, vice-consul te Cyprus o.a. 1680-1686.
Jacomo van der Weydenontving van de ambassadeur commissie als consul ad interim te Tripoli en de Syrische kust. Overleden vóór 1684. (Notulendirectie 8 Maart 1684). Geschillen omdat de Hollandse natie zich in September 1683 begaf onder protectie van de Engelse consul (R. Directeuren 13 December 1684).
Gamalial NightingaleColijer zond hem een barat als consul. Beklag van de Franse ambassadeur alhier. Directeuren besluiten de Generaliteit te verzoeken te gelasten dat barat weder in te trekken. R. 30 December 1684, R. 10 Februari 1685, en de Franse consul d’Arvieux weder in zijn functie te worden gesteld.
Hercules de Haanvice-consul te Alexandrette of Scandrona, door Calckberner in 1692 aangesteld.
Paulus Maashouckvice-consul te Acri, o.a. 1702.
TurnerTe Cyprus was in 1698 geen Hollandse consul, de Hollandse belangen werden door de Engelse consul Turner waargenomen (Notulen Directie 16 Juli 1698).
Galerneauvice-consul te Acri of St. Jean d’acre (kust van Syrië) o.a. in 1698 (zie Remonstrantieboek fol. 182).
Robbert Wakemandoor de ambassadeur Colijer aangesteld bij provisie te Cyprus (missive 6 Mei 1707).
Harvey Prettydoor de ambassadeur Colijer bij R. 10 November 1718 aangesteld tot consulte Cyprus.
Richard Usgate1745. Vice-consul van Acri, Beyrouth en Seide, o.a. 1745-1760.
Louis Longyvice-consul te Alexandrette o.a. 1748-1760.
Gio Wakeman(Brits consul). Vice-consul te Cyprus o.a. 1745-1757. Overleed in Januari 1757.
John BoddingtonBrits consul te Cyprus, door van Keulen in Januari 1757 tot Hollands vice-consul aldaar benoemd (zie missive 13 September 1757).
Richard Usgate1763. Wordt 15 Maart ontzet uit zijn post van vice-consul aldaar.
Joseph Blancaangesteld. Deze overleed in 1776 of 1777.
Louis Longevice-consul te Alexandrette o.a. sedert 1748. Overleed aldaar 12 Maart 1773.
William Shollvice-consul te Scandrona (Alexandrette) o.a. 1776, vertrekt in 1784.
Felix Geoffroyvice-consul te St. Jean d’Acre 1777.
TurnerVice-consul te Cyprus.Overleden Augustus of September 1768.
John BalduinVice-consul te Cyprus. November 1768.
John Boddingtonvice-consul o.a. 1776. Vertrekt 1777.
D. A. Sciperusvice-consul te Latachia (Ladikieh) in 1776, vertrekt in 1777.
Thomas van Maseijkvice-consul te Latachia (Ladikieh) in 1777.
Augustin Fornettiagent te Alexandrette van alle consuls te Aleppo, reeds voor 1810, ook in 1815. In 1816 wordt hij door de Chargé d’Affaires Testa tot vice-consul aangesteld. Hij was dit nog in 1819.
Marco Antonio Santivice-consul te Cyprus o.a. 1826.

Kanselier

Gio van Peenensecretaris o.a. Oktober 1613 (bijlage missive Haga 30 April 1616).
Daniël Mostarto.a. in 1614. (lias Constantinopel 1615).
Cornelis van Daleo.a. in 1615, nog in Maart 1616, April 1617, waarschijnlijk tot 1622, toen hij naar Constantinopel vertrok.
J. Goolo.a. in 1627 17 Mei.
Theodoro Strijckero.a. 21 Mei 1627.
Johannes Tellingero.a. in 1662, 1666.
Andreas Schredero.a. 1690-1694. Vraagt zijn ontslag in Januari 1696.
Paolo Camerlinckkanselier 1696, 1697.
Ambrosius Goschebroer van de consul, kanselier 1698, 1699.
Gio Battista Mouton1700, 1702.
John TaylorEngels kanselier, o.a. 1706.
Roberto PoryEngels kanselier o.a. 1724.
Jouvenekanselier o.a. in 1730.
Joseph Etienne Longiskanselier o.a. in 1757.
Giovanni Gollmart1760. Kanselier pro interim, nog in 1766.
Theodoor Hendrik Govertskanselier pro interim in 1768.
Alexander Laarskanselier pro interim. Benoemd tot kanselier in 1772. Wegens dronkenschap wordt hij in 1782 in zijn bediening geschorst en overleed 17 Februari 1784.
Antoine Michelbenoemd tot kanselier R. Directeuren 28 Juli 1784. Vertrekt evenwel naar Smirna.
Nicolaas Dinamarybenoemd 3 Augustus 1785. o.a. 1806, overleden 1807.
Jean Charles Reinardneef van Van Maseijk, in 1808 benoemd door Directeuren.

Thesaurier

Giacomo Mille1615 (bijlage missive Haga aan H.H.M.M. R. 17 Januari 1616). Waarnemend kanselier op die datum. Vice-consul op Cyprus (missive Pauw 12 September 1615).
George Clocknerconsul in Tripoli, de kusten van Syrië en Cyprus 1684. (zie R. Directeuren 29 Maart 1684). Besloten werd hem tot die aanstelling bij Colijer aan te bevelen.
Henrico Lubaangesteld bij R. Directeuren 28 December 1689. Komt te Aleppo 15 December 1690. Bedankt in September 1693, ontslag 26 Januari 1694. Vertrekt.
Gio Goschebenoemd R. Directeuren 26 Januari 1694.
Jan van Liebergenbenoemd 11 Oktober 1695, geïnstalleerd 25 April 1696, vertrekt in Augustus 1696 naar Europa en Egypte. Ter vergadering directeuren 12 December 1696. Zijn compagnon Abraham Broegh waarnemend thesaurier. Van Liebergen komt 8 Augustus 1697 weer in Aleppo. 1700 weer naar Holland. Bedankt bij missive 31 Maart 1701, Caïro. Was reeds 7 Oktober 1699 naar Holland vertrokken.
Balthasar ArdinoisVice-thesaurier sedert 7 Oktober 1699. thesaurier R. Directeuren 26 Mei 1701 – 1 Januari 1709. Op verzoek ontslagen R. Directeuren 8 Mei 1709.
Michiel Heldewiervice-thesaurier sedert 1 Januari 1709. R. Directeuren 8 Mei 1709 – 1719. Vertrekt in Mei 1720 in Holland o.a. Mei 1721. Instructie Remonstrantieboek 1709 fol. 529.
Jacob Bouwmeesterbenoemd tot thesaurier 18 November 1720. Sedert 1709 werkzaam ten kantore van de consul Broegh te Livorno. Aankomst te Aleppo 13 Augustus 1721 (tegelijk met hem kwam ook zijn broer Daniël). Jacob overleed 8 Mei 1724.
Daniël Bouwmeester1724-1727.
Jan Jacob van Liebergen1728-1733.
Hendrik Abram Heirmans1734-1740. Aangesteld in de vergadering van Directeuren 26 Oktober 1733.
Jan Hendrik Purybenoemd door Directeuren krachtens R. 9 September 1771. Komt te Aleppo aan omstreeks Juni 1773, neemt zijn ontslag en vertrekt eind Augustus 1777.

Sedert 1777 vaceerde het thesauriersambt en werd ad interim waargenomen door de consul Van Maseijk en assessoren ingevolge R. Generale Vergadering Directeuren 1 Oktober 1777.

Belangrijkste berichten e.d.

Als nederzetting is Aleppo niet zo belangrijk als Smyrna, doch veel ouder dan Smyrna.
1608Bij R. 13 Februari 1608: werd op verzoek van kooplieden, die handel dreven op Syrië, aanstelling van een consul. Aangesteld R. 17 September 1609 Arnould de la Valee.
1612Acteboek Staten-Generaal 1612 fol. 442 :vso Acte d.d. 8 December 1612 voor de consul te Aleppo en anderen, rakende de goederen der af te sterven personen in die kwartieren.
1614Nicolo de Moniglia: dragoman van de Nederlandse natie in 1614.
1624R. 23 Januari 1624 :aan de orateur Haga de bevoegdheid gegeven om consuls aan te stellen in Aleppo Cyprus en andere plaatsen waarover de hoofdconsul Pauw gestaan heeft, behoudens de emolumenten voor deze tot aan het einde van de tijd zijner aanstelling. (zie R. 25 Januari, 27 December 1624 en 10 Maart 1625).
1627-1633Verschillen tussen de hoofdconsul Witsen met zijn vice-consuls over het doen van rekening van de consulaatrechten.
1665-1668Verzameling stukken betreffende de procedure tussen Eg. Mesteecker en de Nederlandse natie te Aleppo.
1675Van Peenen: zie over het proces betreffende zijn nalatenschap R. 5 December 1675.
1684Tarief van consulaatrechten.
1685Instructie voor de consul Fr. Jullien.
1693Moeilijkheden met de Turken over een paar groene muilen van de vrouw van Richard Verschuur.
Zie de Instructie van Gosche in het Placaatboek Levantse Handel Deel I nr. 44.
1699Approbatie bij R. Staten-Generaal 29 September, Justus Oosterdijk door Directeuren 26 Augustus 1699 benoemd tot predikant (geboren te Amsterdam, 33 jaren oud), komt 29 Juni 1700 te Aleppo aan. Wordt 30 September 1705 door Directeuren naar Smirna beroepen. Vertrekt na Februari 1706.
1726Uit het stellen van de Hollandse kooplieden onder Engelse protectie ontstonden zovele moeilijkheden dat de “General Court of the Levant Company” in 1726 besloot, om voor het toekomende aan haar consuls niet toe te staan, om de Hollanders onder zijn protectie te nemen.
1741Dienovereenkomstig weigerde dit de General Court bij besluit van 27 Augustus 1741 aan heren consul Micklethwait. (zie missive van de gezant Hop d.d. 25 December 1742, R. 4 Januari 1743, in lias Engeland).
1747-1769Na het overlijden van Heirmans belastte zich William Cooper op verzoek van Directeuren met de bewaring van de papieren en beeken van de Kanselarij. Er was toen geen enkele Hollander meer in Aleppo.
1755Stukken betrekking hebbende op de dood van Theodorus Peltzer. 2 Januari 1755, in het Brits consulaat, tevens Hollands vice-consulaat op Cyprus.
1755-1756Verzameling stukken betrekking hebbende op de vlucht van de consul Haanwinckel.
1771R. 9 September 1771: Het consulaar te Aleppo op dezelfde voet gebracht als dat van Smyrna en Constantinopel. Aan de consul een vast tractement van 3000 leeuwendaalders toegezegd met verplichting geen handel te drijven en daaruit te betalen de nodige presenten en het onderhoud van kanselier, drogman, Janitzuren enz. Door Directeuren zal een thesaurier worden aangesteld enz.
1787-1792Verzameling brieven, extracten, kanselarijteregisters en andere stukken betreffende het proces tussen de gebroeders Mordahai en Samuel de David Cohen.
1815Bij Koninklijk Decreet van 7 November 1815 werd het consulaat te Aleppo als zijnde niet meer van enig nut, opgeheven. Aleppo wordt een vice-consulaat (van Constantinopel).
1817(bijlage missive 5 September). Opgaven der in het jaar 1816 aangekomen en vertrokken schepen en handelswaren te Latachia en Alexandrette. Verhouding tussen de maten en gewichten te Aleppo en te Marseille.
1820(bijlage missive 7 Februari 1820) Revolutie in Apello in 1819.

3.1.5 Egypte, Alexandrië en Caïro.

Consul:

Santo Segezzi: 1633. Venetiaan van geboorte resideerte te Caïro, wordt op verzoek van enige Amsterdamse kooplieden en van Directeuren van de Levantse Handel bij R. van 24 Februari 1633 benoemd tot consul over de Nederlandse natie in Egypte. Zie zijn commissie in het Commissieboekje fol. 115 en 122. R. 17 December 1633 Mededeling, dat de Fransen met behulp van hun consul hem de uitoefening van zijn consulaat pogen te beletten. Er wordt besloten aan de Orateur Haga te schrijven, dat hij alle middelen moet aanwenden om Segezzi in zijn post te handhaven.

Hem en de gehele Hollandse natie werden door de Franse consul onbehoorlijke proceduren aangedaan. (Miss. Haga aan de Staten-Generaal, 1 Mei 1634). R. 1 November 1633.

Reggio: Vóór 1662 door de Resident tot consul aangesteld. (Miss. van Theijls aan de Staten-Generaal 1 Mei 1663, aan de Directie 17 September 1663).

Jan Jansz. Theijls de Jonge: 1663-1671. Burger en koopman te Enkhuizen en Directeur van de Levantse handel wordt bij R. 4 Maart 1662 benoemd tot consul in Grand Caïro, Alexandrië, Rosette en Damiate in Egypte. Zie ook R. 11 Mei 1662.

Theijls vertrekt 7 Juni uit Amsterdam, is te Livorno o.a. in Juli, Augustus en September 1662, is te Caïro 1 Mei 1663. Hij schreef aan Directeuren dat de vorige consuls 18 à 20000 realen schuld hadden gemaakt, hetwelk de Nederlandse natie te Caïro en Alexandrië zeer drukte.

Zijn verzoek om betaling daarvan door Directeuren afgeslagen. (Miss.boek 1662, folio 306). Overleed in April 1671 aan de besmettelijke ziekte.

De Resident Colijer, die bij missive van 25 Juli 1671 dit overlijden mededeelde, raadt de Staten-Generaal aan dit ambt te mortificeren met het oog op de schulden aldaar, waarvoor hij te Constantinopel anders zou worden aangesproken. Een consul toch, niet een particulier persoon, is voor de oude schulden van zijn natie in Turkije verantwoordelijk.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Aanwijzingen voor de gebruiker

Verwant materiaal

Beschrijving van de series en archiefbestanddelen

Reacties

Nieuwe reactie inzenden
Velden gemarkeerd met een sterretje (*) zijn verplicht
De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Toegelaten HTML-tags: <p> <a> <em> <strong> <br> <abbr>
  • Zet HTML-elementen in hoofdletters om naar kleine letters.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in