Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Nassause Domeinraad » Archiefblok nr. 1.08.11 > Rubriek DEEL 6. > Rubriek IV

Naam archiefblok:
Nassause Domeinraad

  • DEEL 6., DOMEINEN IN HOLLAND
    • IV, IJSSELSTEIN

Bij Samenwerking archiefzorg Lopikerwaard van de gemeenten Lopik, Oudewater en IJsselstein zijn onder andere de archieven van de baronie en het stad IJsselstein in beheer. Dit omvangrijke archief is geïnventariseerd door mr. R. Fruin. ( R. Fruin, 'Inventaris van het archief der gemeente IJsselstein van de oudste tijden tot de invoering van het Franse bestuur, (1285)1447-1811', in: Verslag over oude gemeente en waterschapsarchieven in de provincie Utrecht over 1892. Bijlage E, pp. 1-127.) Na de laatste gemeentelijke herindeling werden Benschop en Polsbroek ( In 1857 werden de gemeenten Noord- en Zuid-Polsbroek opgeheven en samengevoegd tot de nieuwe gemeente Polsbroek. Zie Maris, Polsbroek, p. 66.) bij Lopik gevoegd waardoor ook de archieven van deze gemeenten bij archiefzorg Lopikerwaard bewaard worden.

Verwerving
De baronie

Onder de baronie van IJsselstein waren het kasteel en de stad van die naam, Benschop en Noord-Polsbroek begrepen. De eerste bezitters van de goederen en rechten van deze baronie waren leden van de familie Van Amstel. Door het huwelijk in 1330 van Jan I van Egmond en Guyotte van Amstel kwam IJsselstein aan het huis Egmond om door het huwelijk in 1551 van prins Willem van Oranje en Anna van Egmond, eveneens een erfdochter, over te gaan op het huis Oranje-Nassau. ( Voor uitgebreide gegevens over de vererving van Egmondse goederen op de families Amstel en Egmond zie onder meer: R. Fruin, 'De vrije heerlijkheden gelegen in het grensgebied tusschen Gelderland, Holland en Utrecht' in: Verslagen en mededelingen van de Vereeniging tot uitgaafder bronnen van het Oud-Vaderlandsche Recht. 8 (Utrecht, 1934), pp. 354-358.) Na het overlijden van Anna in 1558 erfde Philips Willem de bezittingen van zijn moeder. Zijn vader werd voogd, eerst omdat hij minderjarig was en later wegens zijn gevangenschap in Spanje. Na de moord op Willem van Oranje werd Maria van Nassau door de Staten-Generaal gemachtigd om de Burense goederen, waaronder IJsselstein, te beheren voor haar broer prins Philips Willem. Nadat Philips Willem in 1618 was overleden, vererfden naast de Nassause ook de Burense goederen op zijn halfbroer Maurits. Het kinderloos overlijden in 1702 van stadhouder-koning Willem III gaf aanleiding tot langdurige geschillen over de verdeling van diens nalatenschap. Partijen in dit geschil waren de Friese stadhouder graaf Johan Willem Friso en Frederik I koning van Pruisen. In 1712, ver voor de uiteindelijke regeling van het geschil, werd de baronie toegewezen aan prins Willem IV die dit domein als douarie aan zijn moeder Maria Louise van Hessen-Kassel gaf. Daar zij haar zoon overleefde vererfde de baronie bij haar dood in 1765 op haar kleinzoon prins Willem V. In de Bataafs-Franse tijd werden de goederen van de prins van Oranje genationaliseerd. Na als voormalige baronie heen en weer geschoven te zijn tussen verschillende toen bestaande departementen, werden IJsselstein, Benschop en Noord-Polsbroek in 1814 als aparte gemeenten gevoegd bij de provincie Utrecht.

Bij de stad lag het kasteel IJsselstein. De heren van IJsselstein uit de families Egmond en Oranje hebben spaarzaam van dit huis gebruik gemaakt. Ten tijde van de Republiek diende het kasteel als woning van de drost. De Fransen gebruikten het als kazerne voor hun soldaten. In 1812 werd het kasteel door Domeinen verkocht aan de familie Strick van Linschoten om in 1887 verkocht te worden voor de sloop. Alleen de hoektoren bleef gespaard. ( Zie in: Kastelen en ridderhofsteden in de provincie Utrecht, onder auspicien van de Stichting Utrechtse Kastelen, 1995.)

De geestelijke goederen

Voordat sprake was van IJsselstein lagen in dit gebied andere gerechten waarvan de namen nog bekend zijn, zoals Achterveld, Meerlo en Over-IJssel of IJsselveld. Deze gerechten behoorden tot het kerspel Eiteren. ( J J. de Geer, 'Eiteren en IJsselstein' in: Bijdrage tot de geschiedenis en oudheden der provincie Utrecht (Utrecht, I860), pp. 13-19, 29-34 en verder.) De kerk aldaar was gewijd aan O.L. Vrouwe Hemelvaart. Na de stichting van IJsselstein werd deze kerk door Gijsbrecht van Amstel overgebracht naar IJsselstein waar zij in 1309 gewijd werd aan de heilige Nicolaas. In Eiteren bleef een kapel bestaan met een vicarie, gewijd aan de Heilige Maagd en gesticht door Agnes, weduwe van ridder Werenbold de Vlaming. ( De Geer, Eiteren en IJsselstein, pp. 30-31 en 175.) Ten tijde van de Republiek bleef deze kapel een bedevaartsoord.

Eveneens in Eiteren lag het klooster van Onze Lieve Vrouwenberg, ook wel Onze Lieve Vrouw op de Berg genoemd, van de orde der cisterciënzers. Dit klooster was in 1342 gesticht door Gijsbrecht van IJsselstein en diens zoon Arnoud. ( Drossaers II inv.nrs. 95-100.) Uit een afschrift van een akte blijkt dat Arnoud van Egmond rond 1399 'in onssen nieuwer stede van IJselsteijn' nog een klooster had gesticht. Dit klooster behoorde tot de orde van St. Bernardus. ( J.A. Jaeger, Handschriften Derde Afdeling tot en met 1950 ('s-Gravenhage, 1968), inv. nr. 765, zie ook NDR inv.nr 4822.) Voor zover bekend wordt de stichting van dat klooster nergens genoemd. De confiscatie van de goederen van de kerken en kloosters in de baronie van IJsselstein vond plaats tussen 1577 en 1578 waarna ze gevoegd werden bij de domeinen van de prins van Oranje.

Grondgebied en benaming

De in de Lopikerwaard tussen Holland en Utrecht gelegen baronie van IJsselstein omvatte naast het kasteel IJsselstein de stad met het schoutambt van die naam en de ambachten Benschop en Noord-Polsbroek.

De stad IJsselstein ligt aan de IJssel en werd begrensd door het land van Montfoort ten noorden, het Nedereinde van Jutphaas en het gebied van Vreeswijk ten oosten, Lopik en Zuid-Polsbroek ten zuiden, en Vlist en Bonrepas ten westen. Tot het schoutambt behoorden de polders Broek, Neder-Oudeland, Over-Oudeland, IJsselveld en Hoge Biezen. Van al deze polders is het Broek of de Broekpolder de grootste. Lage Biezen, Achtersloot, Meerlo en Broek zijn gedeelten van deze polder. IJsselstein dankt haar naam aan de IJssel en het kasteel, de stenen burcht aan de IJssel, letterlijk IJsselstein.

Het ambacht Benschop omvatte het dorp en de polder van die naam en werd begrensd door Willeskop ten noorden, IJsselstein ten oosten, Lopik ten zuiden en Polsbroek ten westen De oorspronkelijke naam Benscoop, later Benskop of Benschop, werd bijna altijd op dezelfde manier geschreven. Benschop betekent de koop van Benno. Waarschijnlijk was deze, overigens onbekende, Benno de eerste die toestemming kreeg om aldaar land te ontginnen.

Het ambacht Noord-Polsbroek werd in het oosten begrensd door Benschop, ten zuiden en westen door Zuid-Polsbroek en ten noorden door Hoenkoop en Willeskop. De wetering die Noord-Polsbroek scheidt van Zuid-Polsbroek werd rond 1289 gegraven. De scheiding van Polsbroek in een noordelijk en een zuidelijk gedeelte dateert echter al van voor die tijd. ( Drossaers II, inv. nr. 82, A. Johanna Maris, Uit de geschiedenis van Polsbroek, in Jaarboek Oud Utrecht (1944), p. 25.) Behoudens spellingsvarianten heeft Polsbroek altijd dezelfde naam gehad. De betekenis van deze naam is niet precies bekend. Mogelijk betekent hij zoveel als hoge plek in laagland of eilandje in het moeras. ( H.J. Moerman, Nederlandse plaatsnamen. Een overzicht (Leiden, 1956), pp. 43 en 183.)

Rechten en bevoegdheden

Het kasteel van IJsselstein met het omliggende land was een Hollands leen. De bezittingen van de baronie waren voor een deel leenroerig aan Amstel en voor een ander deel aan Cuijk. Na de moord op graaf Floris V verbeurden de heren van Amstel hun goederen aan de graaf van Holland. De Cuijkse lenen werden in 1327 aan de graaf verkocht waardoor de gehele baronie een Hollands leen werd. ( Voor een gedetailleerde beschrijving van de herkomst en de verwerving van de verschillende onderdelen van de baronie door de graven van Holland, zie onder meer Drossaers II, I, pp. 2-5.) Aan de macht van de heren van IJsselstein wordt toegeschreven dat de invloed van het gewest Holland op de baronie gering is geweest. Zo had het Hof van Holland geen zeggenschap in de baronie ( IJsselstein was, evenals Buren en Leerdam, een vrijstad. Brieven van vrijgeleide zijn te vinden in NDR inv. nrs. 4723-4726. Zie ook M Gijswijk-Hofstra, Wijkplaatsen voor vervolgden. Asielverlening in Culemborg, Vianen, Buren, Leerdam en IJsselstein van de 16de tot eind 18de eeuw (Dieren, 1984).) en werden alleen bij uitzondering aan Holland belastingen betaald. ( Drossaers, Tweede Deel, inv. nr. 46, NDR inv. nr. 4752, P.A. Meilink, bewerkt door H.J.Ph.G. Kaajan, Inventaris van de archieven van de Staten van Holland vóór 1572 ('s-Gravenhage, 1993), inv. nr. 846.) Philips II erkende de baronie in 1556 als souvereine heerlijkheid waardoor zij in haar vrijheid werd bevestigd. Als zodanig werd met de Staten-Generaal in 1585 overeen gekomen dat jaarlijks een vast bedrag betaald zou worden als bijdrage in de oorlogslasten. Met wisselend succes is getracht om in vredestijd onder deze regeling uit te komen. ( NDR inv. nr. 4755. Zie ook R. Fruin, 'De vrije heerlijkheden', pp. 362-363.)

Het bestuur van de baronie was samengesteld uit een college waarin zitting hadden de drost, als vertegenwoordiger van de heer, en de schouten van IJsselstein, Benschop en Noord-Polsbroek De rentmeester woonde de vergaderingen bij maar maakte daar officieel geen deel van uit. In dit bestuurscollege werden zaken behandeld die de gehele baronie betroffen. ( De meeste gegevens zijn ontleend aan W.F.J. den Uyl, De Lopikerwaard, Deel I: Dorp en kerspel tot 1814 (Utrecht, 1963).)

Als vrije en hoge heerlijkheid werd recht gesproken in civiele en criminele zaken. Tot 1602 was beroep mogelijk bij het Leenhof van IJsselstein, daarna alleen bij de Nassause Domeinraad. ( De uit zes banden bestaande rol van het Leenhof, 1543-1601, bevindt zich in het Rijksarchief in Utrecht, Collectie Nassause Domeinraad, IJsselstein, inv. nrs. 227.1-227.6.)

De zaken die de waterstaat betroffen werden geregeld door het hoogheemraadschap van de Lekdijk-Benedendams.

Wanneer IJsselstein stadsrechten heeft gekregen is niet precies bekend. In een akte van 1331 worden de inwoners van IJsselstein al poorters genoemd. ( Drossaers II, I, p. 3.) De stad werd bestuurd door de drost en de schout als vervangers van de heer, en twee burgemeesters. Hoewel de rentmeester geen deel uitmaakte van het stadsbestuur woonde ook hij alle vergaderingen bij. De invloed van de vroedschap op het stadsbestuur was in de loop der eeuwen nagenoeg verdwenen. Ten tijde van prinses Maria Louise werd de vroedschap gedeeltelijk in haar oude bevoegdheden hersteld. ( R Fruin, 'De vrije heerlijkheden', p. 362.)

De prins van Oranje stelde in IJsselstein de volgende functionarissen aan: ( Deze lijst is ontleend aan het Ambtboek, NDR inv. nr. 686, folio 437 recto-466 verso.)

  • Collecteur van de quotisatie
  • Conciërge
  • Drost
  • Dijk-en watergraaf en heemraad van Bijleveld en Marendijk
  • Franse kostschoolhouder
  • Franse kostschoolhoudster van jonge dochters
  • Gerechtsbode
  • Griffier van de lenen
  • Heemraad van het land van IJsselstein en de Lopikerwaard
  • Hovenier van het kasteel
  • Keurmeester
  • Koster van de Nicolaaskerk
  • Lector humaniorum literarum
  • Leenbode
  • Medicinae doctor over de baronie
  • Notaris
  • Ontvanger van de contributiepenningen
  • Ontvanger van de omslagen over de vijf polders
  • Opzichter van de plantages
  • Organist
  • Portier van de Benschopperpoort
  • Procureur voor het gerechtshof
  • Rector van de Latijnse school
  • Rentmeester van de domeinen
  • Rentmeester van de geestelijke goederen
  • Schoolmeester
  • Schout
  • Secretaris
  • Stadhouder van de lenen
  • Stads doctor
  • Tafelhouder van de Bank van Lening
  • Voorzanger

Benschop werd bestuurd door een schout en twee burgemeesters. Evenals in IJsselstein was de invloed van de magistraat en de schepenen of gezworen heemraden te verwaarlozen. Besluiten konden alleen worden uitgevoerd na goedkeuring door de drost en de rentmeester, die de vergaderingen meestal bijwoonden. De schepenbank berechtte de civiele zaken. Criminele zaken werden aanhangig gemaakt voor de schepenbank in IJsselstein. Appel was mogelijk op het Leenhof van IJsselstein. In 1602 gingen zaken in beroep over op de Domeinraad.

In Benschop stelde de prins van Oranje de volgende functionarissen aan: ( Deze lijst is ontleend aan het Ambtboek, NDR inv.nr. 686, folio 44verso-449recto.)

  • Armmeester van de grote armen
  • Collecteur of ontvanger van de verpondingen en omslagen
  • Gerechtsbode
  • Koster
  • Schoolmeester
  • Schout
  • Secretaris
  • Stokhouder
  • Voorzanger

Het bestuur van Noord-Polsbroek had veel overeenkomst met dat van Benschop. Ook hierlag het bestuur hoofdzakelijk in handen van de magistraat, bestaande uit de schout en twee burgemeesters, en was de invloed van de schepenen gering. De besluiten die de schepenbank nam konden alleen na goedkeuring door de drost en de rentmeester worden uitgevoerd. Noord-Polsbroek had een gerecht voor civiele zaken. Evenals in Benschop werden criminele zaken berecht voor de schepenbank in IJsselstein en kon tot 1602 geappelleerd worden aan het Leenhof. Daarna ging de behandeling van zaken over op de Domeinraad.

In Noord-Polsbroek stelde de prins van Oranje de volgende functionarissen aan: ( Deze lijst is ontleend aan het Ambtboek, NDR inv.nr. 686, folio 451recto-452verso.)

  • Collecteur of ontvanger van de verpondingen en de gemene omslagen
  • Gerechtsbode
  • Rooms armmeester
  • Schout
  • Secretaris
  • Stokhouder
Beheer

Het beheer van de baronie lag in handen van de rentmeester. Naast de inkomsten uit de domeinen was hij ook verantwoordelijk voor die uit de kapittel- en kloostergoederen. ( Uit de rekeningen valt niet op te maken of de inkomsten afkomstig waren van de goederen van een of meerdere kloosters. Dat er meer kloosters waren blijkt alleen uit retroacta. Zie NDR inv.nr. 4819-4822.)

Tevens was hij griffier van de lenen en ontvanger van de beden. Tot 1734 waren er drie series rekeningen: namelijk van de domeinen, het kapittel en van de kloosters. In de kapittel rekeningen werden ook de inkomsten uit vicariegoederen verantwoord. In 1735 werd besloten de rekeningen samen te voegen met als reden de onduidelijke herkomst van de goederen. De rentmeesters waren verplicht de rekeningen zelf naar de Rekenkamer van de Domeinen te brengen om te worden afgehoord. Deze Rekenkamer was eerst gevestigd in Breda. Philips van Hohenlohe, de echtgenoot van Maria van Nassau, richtte in 1603 in Buren een eigen Rekenkamer op voor het beheer van de Egmondse goederen. Hierdoor zijn stukken over IJsselstein, ongeveer over de periode 1584 tot 1619, gemengd geraakt met die van het domein Buren. ( Drossaers II, I, pp. VII-VIII. Zie ook deze inventaris Domein Buren.)

In 1609 nam prins Philips Willem het beheer van al zijn goederen in eigen hand en vestigde hij zijn Rekenkamer weer in Breda. Na zijn dood in 1618 werden alle rekeningen afgehoord bij de Rekenkamer te 's-Gravenhage die tot het einde der republiek daar gevestigd was. ( Drossaers I,I, p. XII.)

Rentmeesters van de domeinen van IJsselstein

( De gegevens zijn ontleend aan de serie rekeningen. Een nieuwe rentmeester was verplicht om voorin zijn eerste rekening zijn commissie af te schrijven. Bij verzuim werden zij vaak door de Domeinraad gemaand dit in de eerstvolgende rekening te herstellen.)

Herman van den Steen (1582)-1598.
Eric Dimmer [1599]-[1621].
Willem Dimmer 1621-1636.
Jan Dimmer 1637-1678.
Hendrik Laurens Spiegel 1679-1685.
Jacques de Gruijter 1686-1693.
Adriaan van Schuijlenburg 1704-1731.
Johan Marchand, substituut, 1694-1703.
Adriaan Maas 1732-1734.
Rentmeesters van de geestelijke goederen
Herman van den Steen (1582)-1598.
Eric Dimmer [1599]-[1621].
Willem Dimmer 1601-1636.
Jan Dimmer 1637-1678.
Hendrik Laurens Spiegel 1679-1685.
Jacques de Gruijter 1686-1693.
Adriaan van Schuijlenburg 1704-1731.
Johan Marchand, substituut, 1694-1703.
Adriaan Maas 1732-1734.
Rentmeesters van de domeinen en geestelijke goederen
Adriaan Maas 1735-1744.
Jan Graves 1745-1764.
Pieter van der Meulen, wrn. 1764-1768.
Cornelis Johannes van Affelen Codde 1769-1797.
Theodorus Bijmholt 1798-1811.
Aanwijzingen voor de gebruiker

Op een enkele uitzondering na dateren de stukken in dit hoofdstuk van na 1581. De stukken van voor die tijd zijn geïnventariseerd door dr. S.W.A. Drossaers. In de inleiding beschrijft zij uitgebreid de lotgevallen van de domeinarchieven van het huis Egmond, waaronder die van IJsselstein. ( Drossaers II. De leenregisters echter berusten in het Rijksarchief in de provincie Utrecht.)

Oorzaken van verlies van archieven, naast calamiteiten als brand of waterschade, kwamen voort uit ambtelijk handelen. Om verschillende redenen hielden ambtenaren stukken uit hun ambtsperiode vaak onder zich waardoor de kans op verspreiding en verlies niet uitgesloten was. Zo deden ook de drosten Pieter Benjamin en Joachim Ferdinand de Beaufort. De omvangrijke hoeveelheid stukken die zij tijdens de uitoefening van hun ambt onder zich hadden werd, na hun overlijden niet aan de Domeinraad teruggegeven maar bij de familie bewaard. Deze stukken zijn nu te vinden in het familiearchief De Beaufort. ( E.P. de Booy, Inventaris van het archief van de familie De Beaufort, 1556-1976 (Utrecht, 1985), inv. nrs. 1525-1695.) Een ander verlies werd geleden in 1949. Door de toenmalige Algemene Rijksarchivaris werd een groot gedeelte van het domeinarchief van IJsselstein in het Rijksarchief in de provincie Utrecht gedeponeerd. ( VROA (1949), p. 30. Idem (1950), p. 68.) Van deze verzameling bestaat een globale inventaris. ( C.D. van der Dussen, Archivalia betreffende de goederen behorende onder het Leenhof en de rentmeester van de heren van IJsselstein (Utrecht, 1950).)

Literatuur

A.J. van der Aa, Aardrijkskundig Woordenboek. Gorinchem 1840-1847. J J. Abbink Spaink, IJsselstein, verleden en heden. IJsselstein, 1962. J. Acquoy, Het archief van het Ewoudsgasthuis te IJsselstein van 1477-1817. IJsselstein, 1963. J.G.M. Boon, IJsselstein uw woonstede, in historische en hedendaagse beelden. IJsselstein, 1971. J.G.M. Boon, Beknopte geschiedenis van een oude dorpskerk, Woerden, 1959. (Dit is de kerk van Benschop). A.W.E. Dek, Genealogie van der Heren en Graven van Egmond. 's-Gravenhage, 1958. S.W.A. Drossaers, Het archief van de Nassause Domeinraad. Eerste Deel. Het archief van de Raad en Rekenkamer te Breda tot 1581. 's-Gravenhage, 1948. S.W.A. Drossaers, Het archief van de Nassause Domeinraad. Tweede Deel Het archief van de Raad en Rekenkamer te Breda tot 1581: Stukken betreffende de rechten en goederen van Anna van Buren 's-Gravenhage, 1955. C.D. van der Dussen, Archivalia betreffende de goederen behorende onder het Leenhof en de rentmeester van de heren van IJsselstein. Rijksarchief Utrecht, 1950. R. Fruin, 'Inventaris van het archief der gemeente IJsselstein van de oudste tijden tot de invoering van het Fransche bestuur'. In: Verslag over oude gemeente- en waterschapsarchieven in de provincie Utrecht over 1892, Bijlagc E, pp. 1-127. R Fruin, 'De vrije heerlijkheden gelegen in het grensgebied tusschen Gelderland, Holland en Utrecht'. Verslagen en mededelingen van de Vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het oud-vaderlandsche recht, Deel 8, 1934. J.J. de Geer, 'Eiteren en IJsselstein'. In: Bijdragen tot de geschiedenis en oudheden der provincie Utrecht, Utrecht, 1860.

J.J. de Geer, Codex diplomaticus neerlandicus, 2de serie, IV 2, Utrecht, 1860 (pp. 78-167).Marijke Gijswijt-Hofstra, Wijkplaatsen voor vervolgden. Asielverlening in Culemborg, Vianen, Buren, Leerdam en IJsselstein van de 16de tot eind 18de eeuw. Dieren, 1984. Handt-Vesten der Stadt ende Baronnye van Ysselsteyn. Gedrukt te Utrecht bij Meinardus van Dreunen, 1675. Tweede druk: met eenige Byvoegselen. Gedrukt te Utrecht bij Joannes Kannewet, 1710.B. Heesters, 'O.L. Vrouwenberg te IJsselstein'. In: Jaarboekje Oud-Utrecht, 1968.L.J. van der Heijden, Geschiedenis van het miraculeuse beeldje van O. L. Vrouw van Eiteren en van de parochie van de H. Nicolaas te IJsselstein. 1936. Kastelen en ridderhofsteden in de provincie Utrecht. Onder auspiciën van de Stichting Utrechtse Kastelen, 1995.F. Ketner, 'De elect Jan van Nassau en zijn tijd'. In: Bijdragen voor de geschiedenis der Nederlanden, XII, 1957, nr 1.J.C. Kort, 'De lenen van de hofstede IJsselstein, 1310-1656'. In: Ons Voorgeslacht, jrg. 38,1983, pp. 449-499 en 513-552.A. Johanna Maris, 'Uit de geschiedenis van Polsbroek'. jaarboek Oud Utrecht, 1944.P.F.J. Obbema, 'The IJsselstein manuscripts in the Orange-Nassau library'. In: Litterae textuales, essays presented to G.J. Lieftinck, Amsterdam, 1972,1, pp. 61-74.R.J. Ooyevaar, De Sint Nicolaaskerk te IJsselstein. IJsselstein, 1972.P. Scherft, Het sterfhuis van Willem van Oranje. Leiden, 1966. Hedendaagsche Historie of Tegenwoordige Staat van alle volken, dl. XVII (Holland). 1749.Louise van Tongerloo, Middeleeuws IJsselstein. Uitgaven Stichting Historische Kring IJsselstein, 1977 nummer 4.W.F.J. den Uyl, 'De grenzen van het gewest Utrecht sedert 1795'. In: Jaarboek Oud-Utrecht, 1957, pp 89-109.W.F.J. den Uyl, De Lopikerwaard. Deel I: Dorp en kerspel tot 1814. Deel II: De waterschappen. Utrecht, 1963.
Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in