Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

Toegang van vreemdelingen in wet geregeld


Den Haag

Tegenwoordig moeten vreemdelingen vaak jarenlange procedures doorlopen voordat ze zich in Nederland kunnen vestigen. Vroeger was het veel eenvoudiger ons land binnen te komen. Pas halverwege de 19e eeuw krijgen vreemdelingen met regels te maken.

Ongestoorde binnenkomst

Lange tijd kan iedereen ons land binnenkomen en hier verblijven. Slechte economische omstandigheden en een oplopende werkloosheid brengen hier in de jaren 40 van de 19e eeuw verandering in. Het aantal werkzoekende vreemdelingen neemt snel toe en dat zorgt voor meer concurrentie voor Nederlanders op de arbeidsmarkt. Door de revolutionaire wind die op dat moment door Europa waait, vinden velen het invoeren van regels voor de binnenkomst van (armoedige) vreemdelingen noodzakelijk.

Gastvrijheid onder voorbehoud

De commissie die de nieuwe Vreemdelingenwet voorbereidt, benadrukt in haar reactie op vragen van Kamerleden dat Nederland, ‘dat ten allen tijde een gastvrij land was en nog is, zulks onder de voorgedragen wet niet minder zal wezen’. Maar, zo vindt de commissie: ‘Nederland was steeds een toevluchtsoord, veilig voor onschadelijke vreemdelingen, doch in de eerste plaats veilig voor de inboorlingen zelve’. Een vreemdeling kan volgens de leden wel als vanzelfsprekend aanspraak maken op betreding van het Nederlands grondgebied, maar als hij niet aan de toelatingsregels voldoet, moet hij afgewezen worden.

Voldoende middelen van bestaan

De nieuwe Vreemdelingenwet wordt op 13 augustus 1849 van kracht. In artikel 1 komt de geest van de wet het beste naar voren: ‘Alle vreemdelingen, die voldoende middelen van bestaan hebben, of door werkzaamheid kunnen verkrijgen, worden in Nederland toegelaten (…). Iedereen is welkom, op voorwaarde dat men in het eigen levensonderhoud kan voorzien en, op vertoon van een paspoort, zich bij de politie meldt voor een verblijfspas.

‘De schijn van kwelling’

Juist die registratie bij de politie levert de nodige problemen op. Het politieapparaat is in die tijd nog relatief amateuristisch georganiseerd; agenten worden onderbetaald en kunnen niet altijd lezen en schrijven.
Bovendien is de uitvoering van de Vreemdelingenwet voor sommige steden nogal bewerkelijk. De directeur van de Amsterdamse politie, H. Provó Kluit, schrijft op Nieuwjaarsdag 1850 aan de minister van Justitie dat het vrijwel onmogelijk is om de dagelijkse registratieplicht voor de ruim 200 logementen in de stad bij te houden. Bovendien: ‘Het zoude de schijn van kwelling hebben elken vreemdeling bij iedere ontmoeting, of in openbare plaatsen te doen ondervragen of hij in het bezit van eenen behoorlijken Nederlandsche reis en verblijfspas is’. Volgens zijn Rotterdamse collega Van Dorp vormt de wet juist een preventief middel om de toelating van vreemdelingen te regelen. Oneffenheden in de uitvoering zouden wel worden weggewerkt.

Impact gering

Uiteindelijk heeft de Vreemdelingenwet van 1849 weinig impact. Veel lokale besturen en politieapparaten zijn in de tweede helft van de 19e eeuw nog niet professioneel ingericht om de regels te handhaven en bij de behandeling van individuele gevallen is er sprake van ad-hocbeleid. Pas na de Eerste Wereldoorlog gaat de overheid zich intensiever met vreemdelingen bemoeien en wordt de regelgeving uitgebreid.

Nationaal Archief

2.09.47 Ministerie van Justitie: Wettendossiers 1850-1975, inv.nr. 12
Leenders, M., Ongenode gasten. Van Traditioneel asielrecht naar immigratiebeleid, 1815-1938, (Hilversum 1993) signatuur: 178A46

Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in