Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

De armenzorg: van gunst naar recht


Den Haag

Op 28 juni 1854 treedt de Wet op het Armbestuur in werking. Daarmee is de 1e stap op de lange weg naar de regeling van een financieel vangnet voor iedereen gezet.

De eerste Armenwet

Het armwezen wordt door opeenvolgende grondwetten al wel tot de ‘aanhoudende zorg’ van de regering gerekend maar de grondwetsherziening van 1848 verplicht pas tot een wettelijke regeling. De armenwet van 1854 is daar het resultaat van. Niet dat er veel verandert: met de nieuwe wet blijven de armen afhankelijk van de liefdadigheid van kerken en instellingen van weldadigheid.
Van een financiële ondersteuning of hulp in natura door de overheid is geen sprake. Alleen in het uiterste geval mag het burgerlijk bestuur overgaan tot het verlenen van bijstand, maar dan alleen ‘wanneer [het bestuur] zich [heeft] verzekerd van het feit dat [de hulpbehoevenden] geen weldadigheid van kerkelijke of bijzondere instellingen ontvangen, en dan nog bij volstrekte onvermijdelijkheid’. Het geven van geld is uit den boze; de bijstand wordt bij voorkeur in de vorm van etenswaren, brandstoffen, kleding en het verschaffen van onderdak verleend.

Armenraden

De overheid is dus zeer terughoudend in het verlenen van hulp aan armen. Met de nieuwe Armenwet van 1 september 1912 neemt de overheid een coördinerende rol op zich om de samenwerking tussen particuliere en kerkelijke instellingen te verbeteren. In de grotere steden worden ‘armenraden’ ingesteld waarin organisaties vrijwillig kunnen overleggen. De burgerlijke armenbesturen worden verplicht lid van de armenraden. Zij moeten bovendien een register met alle bedeelden bijhouden.

‘De taak van de overheid’

Er is dus lange tijd geen sprake van een alomvattende overheidsregeling als het gaat om de ondersteuning van minderbedeelden. Daarvoor is een grotere cultuuromslag nodig. Na de Tweede Wereldoorlog worden de geesten langzaam rijp gemaakt voor een centraal geregelde armenvoorziening. In 1947 stelt minister van Binnenlandse Zaken Louis Beel de staatscommissie ‘Vervanging Armenwet’ in. In haar eindrapport stelt de commissie vooral dat niet de particuliere instanties maar juist de overheid de armenzorg op zich dient te nemen. De maatschappij moet de leniging of voorkoming van financiële nood niet meer als een zaak van barmhartigheid maar van billijkheid en recht gaan zien: ‘Die zorg zal dan meer in het vlak komen te liggen van de verantwoordelijkheid en de taak van de overheid, waarbij de overheid regelend en/of financierend gaat optreden’.

Van gunst naar recht

Minister Marga Klompé van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk neemt veel adviezen van de commissie over wanneer zij in 1963 de Algemene Bijstandswet bij de Tweede Kamer indient. Klompé betoogt dat de maatschappij inmiddels zo complex is geworden dat er een toenemende afhankelijkheid van mensen onderling is ontstaan. De risico’s die daarmee gepaard gaan zijn sociale risico’s geworden: ‘Dat wil zeggen dat hiervoor een gemeenschapsverantwoordelijkheid als vanzelfsprekend wordt aanvaard. (…) Wat vroeger een uiting van naastenliefde was, wordt een uiting van sociale rechtvaardigheid en aldus wordt de hulp welke eertijds als gunst werd verleend, tot een sociaal recht.’
De overheidszorg die in 1854 met de eerste Armenwet zeer voorzichtig begint, wordt op 1 januari 1965 met de invoering van de Algemene Bijstandswet definitief verankerd.

Nationaal Archief

2.02.04 Kabinet der Koningin, inv.nr. 864
2.04.48.15 Staatscommissie vervanging armenwet, inv.nr. 27
2.04.54, Binnenlandse Zaken – Volksgezondheid en Armwezen, inv.nr. 74

Bekijk de eerste Armenwet in de webexpo.

Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in