Nationaal Archief. Collectie, tentoonstellingen en activiteiten

De geschiedenis van het buitenspoor


Den Haag

In de grote vakantie trekken zo’n 11 miljoen Nederlanders er op uit om de eigen woning tijdelijk in te ruilen voor een andere. Kamperen is daarbij nog altijd favoriet. Tegenwoordig recreëert een groot deel van de toeristen over de grens, maar in de jaren ’50 en ’60 bivakkeerde men vooral in eigen land. De fotocollectie van het Nationaal Archief toont tal van vakantiekiekjes over het 'buitenspoor' zoals de echte kenners het kamperen noemen. Een speciale selectie van deze beelden is te zien op Flickr The Commons.

Overgewaaide ongepastheid

Kamperen is typisch Nederlands. Of toch niet? In 1912 brengt de Nederlander Carl Denig het fenomeen vanuit Engeland naar ons land en richt de Nederlandse Toeristen Kampeer Club op. In die tijd is kamperen echter alleen bestemd voor de elite. De gewone man heeft simpelweg niet genoeg middelen en/of vrijetijd om op vakantie te gaan. Toch is kamperen dan nog een zeldzaamheid en maatschappelijk nauwelijks aanvaard. Velen vinden het ongepast om vrij in de natuur te bivakkeren als een landloper. In sommige gemeenten is het mede daarom verboden. Het duurt nog decennia voordat het kamperen in Nederland is ingeburgerd.

Veilig onderkomen 

Na de Tweede Wereldoorlog ontstaan er nieuwe denkbeelden en opvattingen. Het is een tijd van wederopbouw en economische groei. Door invoering van de 5-daagse werkweek en de toenemende welvaart kan ook de ‘werkende klasse’ op vakantie. Dit gebeurt nog redelijk ongeorganiseerd. De nieuwe toerist zet overal zijn tent op of slaapt in stallen, bunkers of varkenskotten. Om te voorkomen dat het ‘buitenspoor een vergaarbak van ongewenste toestanden en een toevluchtsoord van ontspoorde elementen zou worden’ moet er ‘iets gedaan worden’.

In 1946 richten de Koninklijke Nederlandsche Toeristenbond ANWB en de Nederlandse Jeugdgemeenschap dan ook de stichting Veilig Tehuis op voor de jeugd. Er komen bepalingen over brandveiligheid, hygiëne, zedelijkheid en gezelligheid, want: ‘een goed kampeerhuis beteekent niet alleen dat er genoeg pompen of stroozakken zijn en dat erop gelet wordt, dat de jongetjes en meisjes, nette jongetjes en meisjes blijven, maar ook dat er sfeer is’. Kampeerbedrijven die aan de norm voldoen krijgen een certificaat: een blauw schild met een geel dak. In 1948 is men van mening dat de regels niet alleen moeten gelden voor de jeugd; de stichting Veilig Tehuis wordt ondergebracht bij een nieuw orgaan voor volwassenen: de Nederlandse Kampeerraad (NKR).

Kampeerwet

De NKR begint met het registreren van kampeer- en bivakbedrijven, maar daar blijft het niet bij. Al snel na de oprichting doet de raad een voorstel aan het ministerie van Binnenlandse zaken voor een kampeerwet. Daarin staat: 'a: dat het kamperen en bivakkeren geschiedt in overeenstemming met de maatschappelijke ontwikkeling en b: de eisen van openbare orde, zedelijkheid, veiligheid en gezondheid en de aangelegenheden, waar wordt gekampeerd of gebivakkeerd, voldoen aan de in het vorige lid bedoelde eisen.'

Het komt niet tot een landelijke Kampeerwet. Maar de nauwe banden met gemeenten en provincies zorgen er wel voor dat veel adviezen van de NKR worden overgenomen door lokale besturen en bijvoorbeeld worden opgenomen in publicaties van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). De adviezen zijn zeer gedetailleerd en variëren van suggesties voor ‘een goed gekleed terrein’ tot het plezier dat men kan beleven aan papierprikkers.

Op cursus

Niet alleen de uitbaters krijgen te maken met allerlei vergaande voorschriften. De kampeerder zelf moet beschikken over een kampkaart: ‘Die kaart kan iedereen krijgen die niets op zijn geweten heeft’. Minder makkelijk verkrijgbaar is het kampeerpaspoort waarmee men een aantal dagen vrij (buiten een daarvoor aangewezen plek) mag kamperen. ‘De Kampeerkaarten Centrale geeft die alleen af op aanbeveling van de erkende jeugdvereenigingen waar goed kamperen wordt geleerd.’ Er moet dus een heus kampeerexamen voor afgelegd worden, maar wel ‘het plezierigste examen wat er bestaat.’ Je hoeft er alleen voor te zorgen ‘dat je je vak verstaat’, ‘dat je in goede stijl kampeert’ en ‘dat je beschaving toont’. 

Leve de vrijheid

Tegen het eind van de jaren ’60 daalt de belangstelling voor de kampcursussen en het -examen. De kampeerder heeft geen behoefte meer aan de degelijke adviezen en – geheel passend in de anti-autoritaire tijdgeest - zoekt het liever zelf uit. In 1974 worden de kampeerkaart en het kampeerpaspoort afgeschaft en daarmee ook de mogelijkheid om legaal in een berm te bivakkeren. Het kamperen wordt vrijer, maar het vrije kamperen is voorgoed verleden tijd.

Nationaal Archief

2.11.5194 Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij: Stichting Nederlandse Kampeerraad, inv.nrs. 28 t/m 34 en inv.nrs. 46-56 en 68-71 (niet gescand beeldmateriaal over kamperen, terreinen, luchtfoto’s en foto’s voor jaarverslagen).

Bekijk de selectie van foto's uit de collectie van het Nationaal Archief op Flickr.
In de fotocollectie van het Nationaal Archief zijn nog meer kampeerbeelden te bekijken.

Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in