gahetNA in het Nationaal Archief

Tweede Kamer gooit geen archief weg


Den Haag

De berichtgeving over de vernietiging van het ‘zolderarchief’ van de Tweede Kamer heeft tot grote verontrusting geleid bij het Nationaal instituut Nederlands Slavernijverleden en de Stichting voor Surinaamse Genealogie. Ook vanuit de hoek van de bekende historici werden protestkreten gehoord.

Als ik af ga op wat de krant hierover schrijft begrijp ik dit heel goed. Immers, er wordt een beeld geschetst dat een belangrijk overheidsorgaan als ons parlement, naar willekeur met zijn archief kan doen wat het wil. Dat er bovendien, volgens de berichten, sprake is van het weggooien van materiaal over Nederlandse slavenhandel aan de Afrikaanse westkust, een gevoelig onderwerp uit het Nederlandse verleden, maakt de verbazing nog groter. De indruk die dit alles wekt op de lezer is dat we uitermate slordig omgaan met ons nationale erfgoed.

Dit beeld klopt niet. Onze overheidsarchieven worden met grote zorgvuldigheid en wettelijke waarborgen gewaardeerd en geselecteerd. Dit is een van de belangrijkste taken van Nationaal Archief als de bewaarplaats van de archieven van de centrale overheid.

Archieven zijn, anders als boeken en tijdschriften, uniek materiaal. Ze bevatten de correspondentie, de dossiers, de notulen en verslagen, maar ook de originele bevolkingsboekhouding en kadastrale gegevens, de procesdossiers van de rechtbanken etc. die eenmalig worden aangemaakt. Dat maakt archieven zo authentiek en waardevol als historische bron. We hebben ons de opdracht gesteld om uit de honderden kilometers informatie (papier en digitaal) die de rijksoverheid produceert, datgene voor blijvende bewaring te selecteren, dat voor het begrip van onze maatschappij van groot historisch belang is. We doen dat met een netwerk van historische specialisten die op basis van een historische maatschappelijke analyse ons in deze kunnen adviseren. Niet alleen het historische belang telt, maar ook het emotionele belang kan ons doen besluiten bepaalde bestanden integraal te bewaren, bijvoorbeeld de oorlogsarchieven en in de toekomst de informatie over ons vreemdelingenbeleid. Als uitgangspunt geldt dat de uiteindelijke collectie van het Nationaal Archief een goede reconstructie mogelijk moet maken van de Nederlandse geschiedenis.

Waarom is dat dan in dit geval niet gebeurd? Heel eenvoudig. Het materiaal waarover nu de discussie is ontstaan is geen archiefmateriaal van de Tweede Kamer, dat wil zeggen materiaal dat het parlement zèlf heeft gevormd bij zijn taakuitoefening: de wetgeving en controle van de regering. Het is in strikte zin geen authentiek en uniek materiaal dat volgens de Archiefwet naar het Nationaal Archief moet worden overgedragen. Het betreft bibliotheekmateriaal: drukwerk dat afkomstig is van buitenlandse parlementen; van Engeland, Duitsland, Amerika, Frankrijk, om de belangrijkste te noemen. Dit drukwerk is bewaard om te dienen als naslagwerk voor parlementariërs. Het materiaal is te vergelijken met de Nederlandse Handelingen der Staten-Generaal die in gedrukte vorm in elke grote bibliotheek in ons land raadpleegbaar zijn en steeds meer ook in digitale vorm op internet, denk maar aan de geweldige informatievoorziening die www.statengeneraaldigitaal.nl vanaf volgende maand biedt. De Britse Handelingen waarnaar werd verwezen in het NRC-artikel van 5 mei worden bovendien bewaard in het Vredespaleis in Den Haag, waar ze ook raadpleegbaar zijn.

Overigens, het feit dat het formeel niet naar het Nationaal Archief hoeft te worden overgebracht, is voor ons geen reden om toch niet kritisch te bekijken of het materiaal geen waardevolle aanvulling kan vormen op onze archievencollectie. Het Nationaal Archief heeft immers in het verleden ook beleidsbibliotheken overgenomen omdat ze ondersteunend kunnen zijn voor het archiefonderzoek, Ook in dit geval hebben we die afweging gemaakt. Onze conclusie was hier dat dit, op een klein gedeelte na, niet het geval was.

Die zorgvuldige afweging maakt dat ik niet bang ben dat unieke historische informatie dreigt te verdwijnen. Zo is de diplomatieke affaire tussen het Verenigd Koninkrijk en Nederland over vermeende slavenhandel die in het artikel van 5 mei jl. wordt genoemd, beschreven in vele archiefbronnen die het Nationaal Archief bewaart. Ik noem met name het ministerie van Buitenlandse Zaken (1813-1870), het ministerie van Koloniën (1814-1949) en het Gemengd Nederlands-Brits Gerechtshof tot wering van de slavenhandel te Suriname in de Bestuursarchieven (1810-1845). P.C. Emmer bestudeerde ze voor zijn proefschrift ‘Engeland, Nederland, Afrika en de slavenhandel in de negentiende eeuw’ dat verscheen in 1974.

Ideaal zou zijn dat voor de Nederlandse historici ook de buitenlandse bronnen en documentatie, zoals de Handelingen, van alle landen over tal van Nederlandse kwesties beschikbaar moeten zijn, maar dit is fysiek onmogelijk. Het aanbod van archieven voor de Nederlandse archiefinstellingen is immens en die vraagt van de archiefprofessionals een voortdurende afweging. Gelukkig gaat de digitalisering, ook in het buitenland, zo snel dat er steeds meer informatie te vinden zal zijn via internet. En beslist ook de informatie waarop nu de schijnwerpers gericht zijn.

Dr. Maarten W. van Boven, Algemeen Rijksarchivaris en directeur van het Nationaal Archief in Den Haag.

Uitgebreid
Zoek in collecties
Zoek in